| BEROEP | OMSCHRIJVING | BRON |
| Baaiwerker/baywever | Baai is een dik en grof weefsel, een op molton
gelijkend flanel.
In de middeleeuwen sprak men van "baeisch laecken". Baie is afkomstig uit het Frans in de betekenis van roodbruin, de kleur van de paarden. Baai werd voor velerlei doeleinden gebruikt. Zo droegen de vrouwen in de 17de eeuw "baaijen sokken", ook wel "besuyen" genoemd. |
Ons erfgoed 1993 nr. 1 |
| Borgemeester/
Burgemeester |
Hij was een inner van belastingen en werd gekozen voor een jaar. | |
| Droogscheerder | Iemand die met een groot zwaar mes alle pluizen, haartjes en andere ongerechtigheden van de stof erafschoor totdat de lap spiegelglad was. | Leidse wevershuisjes
blz. 31 |
| Dubbelaarster | Vrouw die twee of meer draden samenvoegde omdat voor sommige stoffen één draad onvoldoende was. | |
| Greinwerker | Grein is een weefsel waarvan de oorspronkelijke
grondstof gedeeltelijk van de zijderups afkomstig was.
De greinwerker was degene die grein weefde of vervaardigde. |
Ons erfgoed 1996 nr. 1 |
| Hekelster | Kamster van hennep | |
| Huisman | In de middeleeuwen onder het leenstelstel
de naam voor de gewone vrije man en in het bijzonder de vrije boer.
Vroeger zeer algemeen voor boer, akkerman, bestuurder van de boerderij en later boer, landman, plattelandsbewoner in het algemeen. |
Ons erfgoed 1997 nr. 1 |
| Korenzetter | De persoon die samen met de korenmeter met het meten van het graan belast was. zijn taak daarbij was het rechtzetten en rechthouden van de korenmaat, | Ons erfgoed 2000 nr. 2 |
| Kramer/marskramer | Oorspronkelijk het verkopen van waren in het klein. De marskramer ging met zijn mars (een draagmand) op zijn rug bij zijn klanten langs. | Ons erfgoed 2000 nr. 5 |
| Maijer/meier/meijer | Afgeleid van het latijnse woord "major". Het werd al vanaf de dertinde eeuw gebruikt als omschrijving bij huurder of pachter van land of duin. | |
| Modderman | Hij was werkzaam op een moddermolen, een varende baggerinstallatie. De emmers waarmee werd gebaggerd werden eerst voortbewogen door mannen die in de trendmolens liepen, zich vasthoudend aan een lange stok. Later werden zij door paardenkracht vervangen. | Ons erfgoed 2003 nr. 2 |
| Olieslager | Bereider van olie. In de oliemolens werd met behulp van zware stampers olie uit oliehoudende zaden, zoals kool-, hennep- en lijnzaad geperst. De gewone olie diende o.a. voor verlichting, consumptie en fabricage van verf. Van de overblijfselen werden veekoeken gemaakt. | Ons erfgoed 2003 nr. 5 |
| Saaiwerker | Saai is een dunne goedkope stof, geweven volkgens de techniek die de vlamingen hadden meegebracht. | Leidse wevershuisjes
blz. 27 |
| Veldwachter/
nachtwaker |
Handhaver van orde en rust.
Veel kennis werd van een veldwachter niet vereist, vooral op het platte land. Er werd gelet op een martiale uitstraling, stevige potige handen en een goede hand van schrijven. |
Ons erfgoed 2004 nr. 4 |
| Vorster | Een soort veldwachter die voor rust en orde
in het dorp zorgde.
Ook was hij gerechtsbode die zorgde voor de aankondigingen van het dorpsbestuur en de schepenbank. Hij ging de huizen af wanneer een dagvaarding getekend moest worden. Hij was ook assistent van de schout. |
|
|
|
|