|
Veiligheidsinrichtingen Veiligheid staat boven alles en om veilig te kunnen kamperen met en in de caravan is het verstandig om hier eens bij stil te staan. Het is verstandig of te kijken of de veiligheidsinrichtingen probleemloos kunnen functioneren. Als de veiligheidsinrichtingen niet of niet goed functioneren, is het verstandig om de caravan niet te gebruiken voor het een en ander is opgelost.
Veiligheidsvoorschriften voor het wegverkeer
De caravan moet officieel zijn goedgekeurd. 1) De trekhaak van het trekkende voertuig moet een typegoedkeuring hebben, en door het RDW zijn goedgekeurd. Tevens moet dit vermeld staan in het kentekenbewijs of aanvullingsblad op het kenteken. 2) De caravan is bedoeld voor een maximumsnelheid van 100 km/h. In Nederland bedraagt de toegestane maximumsnelheid voor personenauto’s met (caravan-)aanhanger 90 km/h. In Duitsland met een speciale vergunning tot 100 km/h. In landen waarin de maximumsnelheid bij het rijden met een caravan boven 100 km/h is toegestaan, is het toch verstandig om te kijken wat de caravan fabrikant als voorgeschreven veilige maximumsnelheid voorschrijft. Ook om verzekeringstechnisch reden kunt u zich beter aan dit voorschrift houden om veilig te komen waar u wilt. 3) Tijdens het rijden mogen zich geen personen of huisdieren in de caravan bevinden. 4) Bij gebruik van de caravan moeten twee extra buitenspiegels aan het trekkende voertuig worden aangebracht. 5) Bij het beladen van de caravan dient u zich absoluut te houden aan het toegestane maximale totaal gewicht. 6) De bijlading in de caravan moet gelijkmatig worden verdeeld daarbij dient u erop te letten dat het toegestane aanhanggewicht dat bij het trekkende voertuig is aangegeven, niet wordt overschreden. 7) De maximaal toegestane kogeldruk voor de trekhaak van het trekkende voertuig, welke vaak staat aangegeven op het aluminium plaatje op de trekhaak, mag niet worden overschreden, de minimum kogeldruk is 25 kg. 8) Wanneer accessoires zijn aangebouwd, veranderen de afmetingen, het totale gewicht en het rijgedrag van de auto en caravan. Voor deze aangebouwde accessoires is RDW registratie verplicht. 9) De vier uitdraaisteunen en het neuswiel moeten bij het rijden helemaal omhoog gedraaid zijn. 10) Voordat u gaat rijden moet u steeds controleren of de toilet-, bad- en kastdeuren, laden en alle kleppen alsmede de ramen en dakluiken zijn gesloten en de deur borging van de koelkast is vast geklikt. 11) De reminrichting van de caravan mag alleen door een de caravandealer worden gecontroleerd en gerepareerd. 12) Bij het afstellen van de caravan moet de parkeerrem op de caravan tot aan de mogelijke eindstand worden aangetrokken. 13) Op hellingen moeten de wielkeggen worden gebruikt. 14) Als het voertuig wordt getransporteerd bijvoorbeeld in de autotrein of op een vrachtwagen, dan moet het voertuig in de rijrichting zijn ingeladen.
Algemene veiligheidsvoorschriften 1) Gebruik u bijvoorbeeld smeerstoffen, olie en reinigingsmiddelen dan dienen deze volgens afvalvoorschriften te worden weggegooid. 2) De buitenbeplating van de caravan mag niet worden beschadigd om lekkage te voorkomen. 3) Bij het betreden van het caravandak dient een puntbelasting bijvoorbeeld van de knieën, elleboog zo veel mogelijk te worden vermeden. Leg een handdoek op de caravan met daarop een plaatje hout, een groter draagvlak voorkomt deuken. Let er wel op dat het vlak schoon is van zaken welke een pit of schade aan de dakplaat kunnen veroorzaken. Het caravandak mag uitsluitend op de horizontale stukken worden belast. 4) Wees voorzichtig bij het beklimmen van een nat of beijzeld caravandak. Er bestaat gevaar voor uitglijden of eraf vallen. 5) Voertuigen met uitrusting Westfalia SSK mogen alleen aan die trekkende voertuigen worden gekoppeld, die zijn uitgerust met koppelingskogels en houder conform DIN 74058 en waarbij het verticale deel onder de kogel gemeten vanaf het midden van de kogelpunt minstens 40 mm bedraagt. 6) Voertuigen met uitrusting AKS 2000 mogen alleen worden gekoppeld aan trekkende voertuigen die zijn uitgerust met koppelingskogels en houder conform DIN 74058 en waarbij het verticale deel van de kogelstang onder de kogel (kogelhals) gemeten vanaf het midden van de kogel minstens 60 mm lang is. Bovendien mogen ze alleen worden gekoppeld aan trekkende voertuigen waarbij zich achter een verticaal vlak dat aan de voorkant van de koppelingskogel wordt aangebracht, in het gedeelte boven de koppelingskogel geen voertuig- of aangebouwde onderdelen bevinden.
Montage van achterdragersystemen (o.a. Fietsdrager) Let op: Na montage van achterdragersystemen dient u er steeds op te letten dat ... 1) De bijlading op de achterdrager volgens voorschrift is bevestigd en geborgd. 2) Het toegestane draagvermogen van de achterdrager wordt aangehouden. 3) De aslast verdeling en de minimum kogeldruk verandert. 4) Het rij- en remgedrag van de auto en caravan verandert.
Voor afneembare achterdragersystemen geldt in Nederland geen registratieplicht. Laat de montage van achterdragersystemen omwille van de veiligheid uitsluitend door de caravandealer uitvoeren, zij weten de verstevigingpunten en zij hebben de adaptersets welke soms nodig zijn om de systemen veilig te monteren.
Veiligheidsvoorschriften voor de gasinstallatie De complete gasinstallatie in de caravan is berekend op een bedrijfsdruk van 30 of 50 mbar. Montages en wijzigingen aan de gasinstallatie mogen alleen door de caravandealer worden uitgevoerd. De installaties voor vloeibaar gas moeten voor de eerste inbedrijfstelling door een deskundige worden gecontroleerd. Na verloop van steeds 2 jaar en na uitvoering van wijzigingen en reparaties moet de gasinstallatie opnieuw worden gecontroleerd. 1) Ook regelaars en het uitlaatkanaal/schoorsteen van de verwarming moeten regelmatig worden gecontroleerd. 2) Wanneer we deze controle in Duitsland laten verrichten dan moet dit op het controlerapport conform DVGW-Arbeitsblatt G-607 worden bevestigd. 3) In andere landen moeten de daar geldende voorschriften hiervoor in acht worden genomen. 4) De verantwoordelijkheid voor het laten uitvoeren van de controle ligt alleen bij de gebruiker. 5) Gasflessen behoren uitsluitend in de disselbak, waar ze rechtop moeten worden geplaatst en vastgesjord. 6) De disselbak moet tegen de binnenruimte van de caravan zijn afgedicht en moet direct boven de vloer een ventilatieopening ter grootte van minstens 100 cm2 hebben, die nooit mag worden afgedekt. Bij een gaslekkage kan het gas ontsnappen gas is zwaarder dan lucht en zoekt het eerst de kelder op. 7) De disselbak mag niet als opbergruimte worden gebruikt. 8) De disselbak moet goed beveiligd worden tegen onbevoegde toegang. 9) Er mogen alleen drukregelaars met veiligheidsklep, afblaasventiel worden gebruikt. Andere regelaars zijn niet meer toegestaan. 10) Regelaars op de gasfles zorgvuldig met de hand aansluiten en aandraaien, gebruik geen sleutels of tangen. 11) De schroefverbindingen op de gasfles hebben een linkse schroefdraad. 12) Bij temperaturen onder 5 °C moet een antivriessysteem voor regelaars bijvoorbeeld een Eis-Ex worden gebruikt. 13) Bij gebruik van het gaskomfoor moeten een dakluik, een raam of de deuren worden geopend. 14) Straalkachels en andere apparaten die verbrandingslucht uit de binnenruimte van de caravan halen, mogen in geen geval worden gebruikt om de caravan te verwarmen.
Punt 13 en 14: Bij niet-naleving hiervan bestaat acuut levensgevaar door zuurstofgebrek en het reukloze en giftige koolmonoxide (CO) dat daarbij kan ontstaan.
15) Bij inschakelen van gastoestellen waarbij de bedieningsknop voor het aansteken moet worden ingedrukt, dient u erop te letten dat die na indrukken vanzelf weer terugveert. 16) De kunstmatige ventilatieopeningen in de dakluiken mogen niet worden afgesloten. 17) Het uitlaatkanaal/schoorsteen van de gasverwarming moet over zijn gehele lengte omhooglopend en met bevestigingsklemmen en desnoods met uitlaat buissteunen stevig gemonteerd/gelegd zijn. 18) De uitlaatbuis moet zowel op de gasverwarming als op de schoorsteen dicht en stevig vast aangesloten zijn en mag geen beschadigingen vertonen. 19) Slechts roestvrijstalen uitlaatbuizen/schoorsteen van verwarmingstoestellen zijn toegestaan. 20) Voor de inbedrijfstelling van de gasverwarming moet u de schoorsteen en de verbrandingslucht-toevoerleidingen vrij van vuil en sneeuw maken om een verhoogd, ontoelaatbaar koolmonoxide (CO)-gehalte in het uitlaatgas te vermijden. 21) Apparaten die op gas branden/werken, mogen tijdens het tanken of in de garage niet worden gebruikt. 22) Gebruik voor de gasinstallatie alleen propaan, butaan of een mengsel van beide soorten gas. Propaangas kan tot -32 °C, butaangas daarentegen alleen maar tot 0 °C worden vergast. 23) Tijdens het rijden moet de afsluitkraan van de gasfles gesloten zijn. 24) Als gastoestellen niet worden gebruikt, moet de afsluitkraan van het betreffende toestel worden gesloten. 25) Als de caravan langere tijd niet wordt gebruikt, moet de afsluitkraan van de glasfles worden gesloten. 26) Berg geen stroomvoerende apparaten bijvoorbeeld accu’s of apparaten die ontstekingsbronnen ontwikkelen op in de disselbak daar waar de gasfles staat. Familie Gas en de Familie Vonk zijn geen goede vrienden van elkaar. 27) Elektrische leidingen mogen uitsluitend geïsoleerd door de disselbak worden geleid en niet met klemmen aan elkaar worden gekoppeld. 28) Het uitzetraam boven de uitlaatbuis/schoorsteen van de boiler moeten tijdens het gebruik van de boiler gesloten blijven.
Waarschuwing Als het vermoeden bestaat dat er gas lekt, moeten onmiddellijk de volgende maatregelen worden genomen: 1) Sluit de afsluitkraan van de glasfles. 2) Vermijd ontstekingsbronnen, open vuur en roken. 3) Lucht de ruimten goed. 4) Ontruim gevarengebied. 5) Verwittig campingbeheerder en zo nodig brandweer. De gasinstallatie mag pas na de controle door een deskundige weer in bedrijf worden gesteld.
Brandveiligheid.
Voorkomen van brandgevaar 1) Reparaties en veranderingen aan de elektro- en vloeibaar-gassystemen en inrichtingen mogen alleen door de caravandealer of vaktechnisch personeel worden uitgevoerd. 2) Laat kinderen nooit alleen zonder toezicht in de caravan. 3) Houd brandbare materialen weg van verwarmings- en kooktoestellen. 4) Er mogen nooit draagbare verwarmings- of kooktoestellen worden gebruikt.
Brandbestrijding 1) In de caravan moet steeds een brandblusser met 1 kg droge poeder worden meegenomen. Die moet goedgekeurd en gecontroleerd en binnen handbereik zijn. 2) Laat de brandblusser regelmatig door erkend vaktechnisch personeel controleren. (let op de controledatum)
Hoe te handelen bij brand 1) Evacueer alle inzittenden uit de caravan. 2) Schakel de elektrische stroomvoorziening uit en haal die van het lichtnet af. 3) Sluit de gasfles onmiddellijk af en verwijder deze. 4) Sla alarm en bel de brandweer. 5) Bestrijd de brand als dat mogelijk is zonder zelf risico te lopen. 6) Houd de vluchtwegen vrij. 7) Houd u aan de gebruiksaanwijzing van de brandblusser.
Vóór het rijden
Eerste inbedrijfstelling Lees voordat u de caravan in bedrijf stelt zorgvuldig alle veiligheidsvoorschriften. Let op: 1) Bij de eerste rit met de caravan moeten de wielbouten/wielmoeren na ca. 50 km op vastzitten worden gecontroleerd en evt. worden nagetrokken. Aanhaalmoment: voor stalen velgen 90 Nm , voor aluminium velgen 120 Nm. 2) Daarna moeten de wielbouten/wielmoeren periodiek op vastzitten worden gecontroleerd.
Aanmelding van de caravan Let op: Caravans zijn voertuigen in de zin van het wegenverkeersreglement (WVR). Als caravans op openbare wegen worden voortbewogen, moeten ze altijd een kentekenplaat hebben. Voor het rijden in het buitenland is een nationaliteitskentekenplaat met landsafkorting vereist. Caravans mogen alleen met een geldige verzekering rijden.
Uitrusting van het trekkende voertuig Het verbindingsstuk tussen het trekkende voertuig en de caravan is de trekhaak. De trekhaak moet door de RDW (Rijksdienst voor het Wegverkeer) worden getest en goedgekeurd. Let op: De RDW-goedkeuring moet in de autopapieren zijn opgenomen. De RDW-goedkeuring moet altijd in het kentekenbewijs deel I worden opgenomen, omdat anders de vergunning en de verzekering voor het trekkende voertuig en de caravan niet geldig is. Dit is ook het geval als het trekkende voertuig zonder caravan rijdt.
Caravan beladen De hoogst mogelijke bijlading van de caravan volgt uit het verschil tussen het technisch toegestane totaalgewicht in beladen toestand en het gewicht van de caravan in rijklare toestand (uitrusting volgens norm van de fabrikant en basisuitrusting inclusief kabelhaspel, extra accu, gevulde schoonwatertanks en gevulde gasflessen). 1) U dient erop te letten dat het toegestane aanhanggewicht van het trekkende voertuig niet wordt overschreden. 2) Bij het beladen van de caravan moeten de zware voorwerpen in de buurt van de as worden opgeborgen. 3) Lichte voorwerpen kunnen boven in de opbergkasten en in de dekenkisten worden opgeborgen. 4) De voorwerpen moeten gelijkmatig links en rechts van de as worden verdeeld. Een ongelijkmatige belading leidt tot een verslechtering van de rijeigenschappen van de auto en caravan. 5) De caravan moet zo worden beladen dat de trekhaak voldoende kogeldruk heeft. De kogeldruk dient met behulp van een weegschaal te worden bepaald. 6) De fietsdrager mag slechts met 2 fietsen (max. 50 kg) worden beladen. 7) Bij het betreden van het caravandak dient een puntbelasting bijvoorbeeld van de knieën, elleboog zo veel mogelijk te worden vermeden. Leg een handdoek op de caravan met daarop een plaatje hout, een groter draagvlak voorkomt deuken. Let er wel op dat het vlak schoon is van zaken welke een pit of schade aan de dakplaat kunnen veroorzaken. Het caravandak mag uitsluitend op de horizontale stukken worden belast. Aan de dakrailing (speciale uitrusting) mogen uitsluitend daklasten zoals bijvoorbeeld een surfplank, opblaasboot of lichte kano’s worden bevestigd. Let beslist op de extra totale hoogte van de caravan bij het beladen op een dakrailing. De daklasten moeten veilig worden vastgesjord, rubberen expanders mogen niet worden gebruikt.
Let op: 1) Houd u aan het toegestane maximum caravangewicht dit gegeven staat op het registratiebewijs. 2) Houd u aan de toegestane maximum kogeldruk van het trekkende voertuig. 3) Houd u aan de voorgeschreven minimum kogeldruk van 25 kg. 4) Bij montage van achterdragers dient u te letten op de bevestiging en borging van de lading, het toegestane draagvermogen van de caravan, de verandering van de aslastverdeling en het rij- en remgedrag van de auto en caravan.
|
|
Caravan vraag & antwoord |

|
Veiligheidsvoorschriften deel 1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|