NIEUWE APELDOORNSCHE COURANT


16 Juni 1913

Het leven eens verslaggevers is vol wisselvalligheden

Het leven eens journalisten is vol van wederwaardigheden; we ervoeren het weer eens in den afgeloopen nacht.
Lang hadden we buiten gezeten gisteravond, genietend van een mooien avond na een warmen dag en van de heerlijke rust, die alom heerschte. Hoog boven ons flonkerden millioenen sterren, als evenzoovele diamanten gevat in een veld van donker azuur en in het Oosten rees langzaam de maan, het heelal dompelend in een zee van licht, wazig blauw.
Het was een avond, een nacht om te blijven genieten, steeds meer, van de zalige stilte rondomme….
Daar dreunden de klokken hun 12 slagen door de lucht. De Zondag was voorbij en de Maandag aangebroken, een nieuwe week van rustloos werken.
Noode braken we op naar de zwoele, nu onaangenaam warme atmospheer der slaapkamer. Nog geen kwartier later of het luiden van de brandschel in een huis aan de overzijde wekte ons uit de eerste slaap. ,,Brand’’, flitste het door ons nog wat slaapdronken brein. De volgende minuut waren we er uit en twee minuten later stonden we weder in den wondervol mooien nacht, maar nu niet om te genieten, maar om te speuren naar ,,copy’’. Veel beloofde het niet: nergens een vuurgloed. Alleen de maan neigde ter kimme, een vuurbol gelijk.
Tot de stilte verbroken werd door het lawaai van een aanrollende brandspuit. Het was dus ernst.
Getrokken door een paar spuitgasten kwam ze aangereden. Voor geld, noch goede woorden, was een paard te krijgen geweest en daar alleen spoedige hulp werkelijke hulp is spanden de mannen zich zelf in het gareel en voort ging het, den Wormenschen weg tegen. Want daar ergens moest het zijn. En wij, het ‘help uw naaste’ kennend, duwden mee achter de spuit, onderwijl spiedend of niet ergens een brand was te ontdekken. Maar geen vlam, geen rook, wees ons, zoekenden, den weg.
Tot midden in Wormen, daar in de verte speelden de vlammen door den rook, teekenden zij zich hel af tegen den donkeren hemel, vormden zij een vuurbaak in de zee van lucht. Het zou ongeveer kunnen zijn bij het kanaal, meende men, een vermoeden dat door een wielrijder werd bevestigd. En met nieuwen moed, nu het doel zoo dicht nabij was, zeulden we de spuit verder over hobbelige wegen en trokken we allen dat het een lust was.
Helaas, de schijn bedriegt, maar den brand bedriegt nog meer. Bij het kanaal waren we nog even ver van den brand, als we ons in Wormen waanden, want hij bleek te woeden in een boerderij van de Ericastichting. Erg plezierig was het vooruitzicht niet: nu nog zoo’n eind en dat met die temperatuur. Want het was nog warm. De meesten liep het zweet bij straaltjes van het voorhoofd en ook wij voelden het verdacht vochtig worden ter hoogte van ons halsboordje. Maar den tocht in het zicht van de haven, hier gezegd den brand, opgeven, dat nooit, zei onze brandweer, en dus trokken en duwden we in arre moede maar weer verder. Tot er te elfder ure redding opdaagde in de vorm van een paard, dat in draf kwam aanloopen, om ons werk, dat het zijne was, over te nemen. Bruintje nam plaats in het gareel en wij allen zochten ons een goed plaatsje op de spuit en daar ging het, triomphantelijker dan ooit een Romein op zijn zegen-wagen, door den nacht het vlammend licht tegen.
Veel heeft al ons zwoegen ons niet mogen baten. Toen we ter plaatse waren, was van de boerderij al niet veel meer over dan de vier muren met daarbinnen nog wat brandende gebinten en een rookende, smeulende massa. Er is nog gedaan wat de omstandigheden geboden; veel was het uit den aard der zaak niet.
Onderwijl de spuitgasten hun best deden aan de pompen, deden wij, wat des verslaggevers is. Naar wij vernamen is van den inboedel niets gered; deze ging met het huis, bewoond door den landbouwer H. Pothoven, verloren. De levende have wist men, op een geit na, die den dood in de vlammen vond, bijtijds in veiligheid te brengen. De schade wordt door verzekering gedekt. Omtrent de oorzaak verkeert men in het onzekere. De brand was eerst ontdekt, toen de bewoners reeds ter ruste waren.
Na deze informaties zijn we teruggewandeld, den langen wit-stoffigen weg langs naar het dorp, een heerlijke wandeling, die ruimschoots vergoedde het zwoegen kort te voren. Vrouw Luna had haar reis volbracht, ging in het westen onder. In het oosten daagde al het licht van den nieuwen dag.
Het was reeds dag, toen we eindelijk in Morpheus’ rustten en voor goed, droomend van een reuzenspuit en een reuzenbrand, die al maar niet dichterbij kwam. Journalist-spuitgast….
Het leven eens verslaggevers is wel vol wisselvalligheden.

wordpress visitor counter