LichtDicht > Dicht 17-32 > 25 - ADE-MSC-HOM-MEL : I verso

< ^ >

MANTRA


Ik ben gelukkig - is dat een grap? Zomaar een
spelfout? Een spons of steen, beide, allemaal? De
vraag is wat de kleur van knijpers van doen heeft

met treinen, en de vrees voor leegte, twijfel en
onzekerheden met oningevulde vraagtekens, met
elk gedicht in deze bundel, deze gifgroene gids.

COCON


In het web van tijd, heeft u uw ideale onzijnsvorm
gevonden. Mooi. Een willekeurige schaduw zou
niet beter weten te passen, haast elke seconde is nu

namelijk (net als) de tweede, een herhaling immers
van de eerste, mits er aangaande het allereerste licht
niets is om op af te dingen, zelfs geen marginale non.

VLAM


Ergens, ergens, ergens. Er is geen terug, wat blijft
sterft af, uit. Eens lagen, sliepen en scholen wij, soms
samen; stroomt het verdwaalde water? Bij bijna

volle maan, gekras van de sneeuwvogel, 6 maal: adem,
de spiegel schijnt van niets te weten, thee twijfelt,
adem, adem van a tot z, adem, adem dan toch, adem.

VACUÜM


Beweeg naar het zand, beweeg na het stof; het
water volgt dan wel. Geen fossiel. Zo weinig is nodig
in het middelpunt, het absolute minimum. Vergeet,

maak poëzie als metafoor voor fotonen, echt verschil
maakt het niet. Dat is vergaan. Zo lost alles zich op,
stilzwijgend, beeldvullend, zoals een eilandenspel.