LichtDicht > Dicht 17-32 > 26 - ADE-MSC-HOM-MEL : III recto

< ^ >

CARNAVAL


Eenhoorn, sta op, loop, en ga,
stroomopwaarts, naar de bron - en drink.

Ik heb geen dak, immers, evenmin
muren, of bloed en bodem. Ook
weet ik, als J., steevast van geen tijd,
ga dus heen, keer de asloper om ...

ARIADNE


Desalniettemin, het is omgekeerd zo, dat wie
niemand is, iedereen is - dat louter en alleen zitten
en rusten eveneens heilzaam is om de mythe, hoe
apocrief dan ook, open te breken. Soit. Vermaak

de nacht met vuur, het lot van de zon ligt in uw
bleke handen. Maak van de wereld geen fantoom.

HUIVERINKT


De weerstand van licht, het lopen uit die deur waarop
staat: "geen toegang"; het raadsel van het kind zonder
naam dat vergeet en dan verdwijnt, voorgoed vrij van
glas-in-lood, van de albinospin en de zes bibliomanen.

Vier of meer enveloppen sturen, leeg natuurlijk, maar
aan wie? Ik weet niet wat ik is, of delen scherven zijn
of worden of heel en af, en steeds deze dodelijke trap,
herinnerende dat het een doolhof is, een doolhof, een.

Kortom, een herhaling voor de verandering ... zo was
het enkel bij haar geboorte, toen demonen, vampiers,
geesten en weerwolven dansten om haar moeders bed;
nu brandt zij de bleekste kaarsen in d'r wezenloze hart.


Matroeska kent echter de beroemde aantekening acht:
de noot leidt geen marginaal bestaan. Zo zingt poëzie.

EIERWIT

strook niet met uw eigen waarde

Als ik niet lach, draait alles om, op
den duur - eerst koolwit, wat later
sneeuw en kou, en tot slot winter.

Dus vouw ik de wereld, vermaak:
de laatste lente moet nog uit al die
schaduwnachten worden geboren.