LichtDicht > Dicht 17-32 > 26 - ADE-MSC-HOM-MEL : IV recto

< ^ >

POSTUUM


In mijn huis, een vlinder, paars. Vreemd genoeg
is het hartje winter, wanneer was die dan ontpopt?

Nergens heb ik een cocon ontdekt, wel had ik al
vaker een vlinder - die op zichzelf leek, net als
deze - op huisbezoek. Ik verleid en wenk: mee!

Buiten mist. Bomen staan het water in te spoken.

ROUW


Struikeltijd - val niet, breek niet, maar stroom. Ook

uw skelet, geraamte, gaat voorbij, lost op. Enfin, dit
zijn zes dagen vol van zen. Ons brein klikt, ons hart
vult aan wat ‘s nachts ontbreekt. Mijn Johanna? Een

raadsel, gehuld in een mysterie, binnen een enigma,
gefantomeerd mompelend: hoe haakt een schaduw?

GNOSIS


Cosima als waanwoord van bijna niets. Hoe bleke
twijfel zwart vuur zaait, hoe hoekige waterbotten
geesten evenwaardig verbinden met eeneneenhalf
ander, via een zelfgelijkend, vrijzelvig dipletisme.

Zo tegendraads baart alleen de poëzie, die alles ijlt
wat zowel wel als niet het geval is, en zo bijdraagt
aan wankele zelfgevoelens en onzekere identiteit.

WEERSLAG


Weer gedroomd, weer gekust, weer voorbij - ik
word alleen en tegen haar natuur in ademt ze en
tussen ongeladen polen vlieren zonder tel of taal
draadloze vogels. Gaat ook het omgekeerde op?

Misschien als wij meeuwen zijn in een kristallen
bol, kraaien kaken, phoenixen. Misschien als wij
nacht in ons planten, ons verkleden als winter ...