LichtDicht > Dicht 17-32 > 27 - ADE-MSC-HOM-MEL : V verso

< ^ >

KOUD-


Als de dood vrede heeft met water uit regio zoveel,
zal ijs dat nachtenlang niet slaapt, veroordeeld worden
tot het vuur, onkneedbaar als het, zoals elk ijs, is.

-VUUR


Hoe omslachtig eieren bewegen - dan, in de morgen, alle
sneeuw blauw, elke boom grijs, de lucht een ruimte vol
gescheurde wolken; en de ijzige zon: grondig gebroken.

MEDUSA


Uw wapens, wagens en wegen zijn de dingen die ons, als
eeuwige buitenstaanders, tot guerrilla nopen. Hadden wij
slangen in handen, blikkerende schilden, etc., wij zouden
bij nuchter daglicht uw bloed smaken, uw adem stokken.

FABELZUCHT


Muze, noem het reflectie of waar, maar zing dit visioen,
herhaal dit episch verhaal van de dichter aan het water -
die niets tot weinig schreef dan vloeiende sonnetten aan
zoute meren, veel tranen slikte en alles wist van wissen:

wissen van de liefde, wissen van dit stromen en missen,
en zichzelf zei: 'Kan en mag mijn spiegeling ruilen gaan
met mij, rest mij dan de rust van deze waterplas?' Later,
na zonnegloren en een zucht van de ziedende zee, toen

het bliksemde, het meertje bar en boos donderde, bleek
ik herboren en dichtte. Ik dichtte de breuk tussen leven
en lezen en leren en legen, kriekte en bedreef de kreek,
en elk hart bloeide open, bloedde, vond zichzelf gevend

aan de ander als het vliedende water - twee verdronken,
verdampten, werden wenende wolken en verzonken ...