LichtDicht > Dicht 17-32 > 27 - ADE-MSC-HOM-MEL : VI verso

< ^ >

DOPPELGÄNGER I


... door mij werd ik ingehaald, en plots
liep ik zo'n twee à tien stappen achter mij;
de trein die ik nam was een andere,
nu ben ik bijna in Amsterdam, alleen.

DOPPELGÄNGER II


Dan ineens haal ik mij weer in, ga ik
en blijf ik voor zolang ik voorloop;
dao-lopen dus, gelijk J. spoort, en zo
waren wij net in Amsterdam, samen.

DRIEVOUD


Met mij val ik niet samen, maar met muzen.

De een heeft een zilveren kistje waarin twee
zonnen, de ander een harp, de goddeloostste
zeestem, nog vijf jaar te leven, zonder zin of

alibi - N. is kwijt en L. zegt weinig tot niets,
en M. - wereldwonder - is op reis, van streek.

STROP


Waren we wolven, we zouden elkander
verscheuren - zo is onze natuur. Maar nu
verft Rika haar haar, nu is een vertelling,
nu wordt de keten tussen waan- en waar-

heid ontkent. Zo gaat dat. Zo gaat dat al
jaren, terwijl vrijheid net om de hoek op
ons wacht: wij zijn zulke simpele zielen.