LichtDicht > Dicht 17-32 > 28 - ADE-MSC-HOM-MEL : VII verso

< ^ >

MOGA


Uit de golven valt de zon zich op,
moeder natuur beweegt weg van
dood en dodenvogels, de maan barst
in lachen uit - en kikkers kwaken.

Ook vroeger was gras groen en de
hemel blauw, de maan geel, was de
liefde rood en waren meisjes mooi;
let wel, in dat ene seizoen, anders:

bleek, bleek, bleek en bleek, bleek.

PARABEL (MET STAART)


Kraaien krassen, hoor maar, draken dreigen, kijk maar,
harten haken, dicht maar; de liefste lentes lachen maar
wijl de klokken volgen op winter, op herfst, op zomer.

Apen en schorpioenen maken elkaar uit voor ezelsoor.

*-KOORTS


Weer ligt er dondersneeuw op het
afwezige gras - helblauwe sneeuw,
nog witter dan deze iglo van wind
waarvan alle wanden smolten toen

de "h" ingeademd werd bij gebrek
aan stuifmeel, aan watervaste inkt.

STATION


Zeven zwarte lagen rauwe kokosnoothuid - zo
de zon zwakker schijnt in het naamloos seizoen,
ontbind, ontrol dan afstand in tijd, zwangere, tot

missen is uitgesloten: de dichter brengt, als een
puzzel die op vallen staat, zichzelf de kaart uit in
het chronisch tempo van een dwarse zandloper.