LichtDicht > Dicht 17-32 > 28 - ADE-MSC-HOM-MEL : VIII verso

< ^ >

FILOS


Duizend dingen zijn te noemen,
bedenken, verzinnen, wat niet al, maar
het is niet waarom en niet hoezo

ik hou van haar. Het is anders, is
wetend voelen, voelend weten, maar
dat is niet waarom en niet hoezo

ik hou van haar. Wonderbaarlijk -
atoom en kosmos, niet minder maar
meer dan een duizend kussen diep.

FIMI


Een kruising tussen I., I. en wie
niet al, zonder rest - louter worden,
woorden en een visioen van Leopold.

BITTER


Ik mist haar en

donderblauwe geesten bleke vrijers
en de bomen ruisen en de rotsen

breken en de zee, de zee en haar
bliksemgerande eerzaamheid,
en ik mist, mist haar, haar alleen.

AMEN


Dood waande ik haar, ten prooi
aan wanen - maar niets van dat
alles: geesten waren het; en jah,

die haar is u, louter u, dat klopt,
als ons eenzelvig hart, als samen.

(waarder kan men niet wensen)