www.markiske.tk - projecten: ode ode boe

WWW.MARKISKE.TK

BLOG - DR - FOTO'S - GEDICHTEN - PROJECTEN - Q-BASIC - WEGWIJZERS - ZVEA



Ode ode boe

De berkenstammen waren zilverwit, maar mooier dan zilver. De taal is armoedig, doodarmoedig. Die de werken des Vaders kent, weet dit. - Nescio, Dichtertje

Oh Nederlandse taal, aldoor anders en toch gelijk, u bent een taal van klei.

Bonkige klei, stug als de oude lieden die het waagden om van water moeras te maken en van moeras land. Nederland. En de koppige bewoners: Nederlanders. Hun taal? Gelal, geschreeuw, gejoel en gekerm, taal als overal eigenlijk, maar Nederlands? Een echo van het Dietse of Duitse snauwen, knauwen, een dialect, een taal zonder leger, een regiolect? Iets anders? Misschien toch Nederlands, hoe plat en boers en lomp dan ook?

Wat is Nederlands? Bestaat er wel zoiets als Nederlands? En als het al bestaat, is er dan één Nederlands of zijn er net zoveel Nederlandsen als er Nederlanders zijn? Vijftien miljoen. Zijn het Nederlanders omdat ze elk voor zich een Nederlands paspoort hebben en wordt het taaltje dat ze uitkramen gemakshalve Nederlands genoemd, of spreken ze een taal die Nederlands wordt genoemd en zijn ze om die reden Nederlanders? Ach jah, de vraag naar identiteit is een verstikkende - het vastleggen van dynamiek in statische, statistische ketens. Geen wonder dat elke definitie knelt en tenslotte breekt, alles schuift en verschuift voortdurend. Ook taal, juist taal.

Maar elk jaar proberen de beleidsmakers, de regelneven, de woordenboekenbakkers, de doemdenkers en grammatica-geilaards het weer opnieuw. Zij proberen de taal te vangen en op te sluiten, lucht- en lichtdicht, onder het mom van conservatie voor volk, vaderland en nageslacht. Maar conversatie, ho maar! De taal in zulke boeken is dood, monddood, hoe vrolijk hun verpakking ook is: groen en wit en recent is daar nog geel aan toegevoegd. Dictators van demonische deugd zijn het, die boekjes: zo moet het, dit is goed, stempel, maar dat is fout, op de brandstapel ermee. De geschiedenis spreekt boekdelen wat betreft het rode boekje, en als een zwarte bladzijde al een spreekwoordelijke negativiteit kent, wat zal een zwart boekje dan wel niet betekenen? Taal is een vlinder die vlinderen moet zoals vlinders doen, om het eens poëtisch te formuleren ...

Een waardeloze omschrijving. Wat voor die vlinder geldt, geldt hetzelfde voor een vrouw en een vogel. Goedschiks of kwaadschiks, de taal laat zich niet lukraak kisten - niet door boekenbeulen met hun grofmazige wetten, en niet door essayisten die voor haar een lans willen breken. De taal, Nederlands is daarop geen uitzondering, is geen prinses in nood. Wel een muzische femme fatale: zij verleidt dichters tot vliegen op haar vleugels tot grote hoogten, tot het punt waar zij alles bijna helder hebben, tot daar waar zij bijna alles overzien, en dan laat de taal los. Zomaar, nergens om, zonder reden, gewoon omdat ze daar af en toe zin in heeft.

En de dichter? Die valt te pletter. Boem paukeslag, daar ligt alles plat. Een vlinder die vlinderen moet, vast. Meegaand tot de hemel, dat is tot daaraantoe, maar tot en met de hemel, nee. Nu niet, nooit niet. Koppig als een bok op zondag achter de kansel. Zo is de taal, nors. Of is het nors voor de vorm, het brommen van een oude wijze? Men kan zeggen wat men wil, maar het Nederlands houdt het al anderhalfduizend jaar uit.

Niet dat het Nederlands uit die tijd helder is: de jonge loot aan de stam der talen ademt de onsamenhangende wartaal der jeugd. De schrijfmachine mijmert gekkenpraat, er staat niet wat er staat. Wat staat er dan wel?

Iets als Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hic anda thu uuat unbidan uue nu, vrij vertaald als Alle vogels zijn begonnen met het bouwen van nesten, behalve ik en jij, wat wachten we nog? - dit is hèt zinnetje uit de kleutertijd van het Nederlands, 11e eeuw, sinds jaar en dag de lieveling van talloze taalvorsers die maar wat in hun schik zijn dat hun Nederlands zo mooi, zo zuiver zingt. Maar het eerste brabbelen is het niet.

Sterker nog, het is geeneens zeker of het wel Nederlands is. Misschien is het iets West-Vlaams, of zelfs oud-Kents. Echt oud Oudnederlands is te vinden in de Salische Wet, zo rond de 6e eeuw, en dat gaat als volgt: "Maltho thi afrio lito" - daar is geen woord Chinees bij, maar het zal de gemiddelde kaaskop worst zijn wat het zinnetje betekent: 'Ik zeg (maltho) je (thi): ik maak (je) vrij (afrio), halfvrije (lito)'. Het is niet anders, in de oerwortel van het Nederlands ligt ook onbarmhartig de wortel van de Nederlandse handelsgeest besloten, en in een haast evenoude wortel, 8e eeuw: Gelobistu in got alamehtigan fadaer. Geld en God, wat anders?

Niets anders. Het lag voor de hand dat geld en god uit het stoffige Nederlands tevoorschijn zouden rollen. Het verschil met vandaag is dat geld nu doekoe heet en god iets en morgen zal dit zus heten en dat zo, maar het blijft Nederlands. Taal als één grote vingerafdruk van meer dan 16486587 gebruikers. Of is het omgekeerd - taal als DNA van lezers, schrijvers, sprekers en zwijgers. Zit Nederlands Nederlanders in het bloed, en wat betekent het als het Nederlands per jaar honderden, zo niet duizenden leenwoorden te vermalen krijgt? Zijn dit gezonde bloedtransfusies of unheimliche transfers, valse vrienden of vaste vrienden, pappenheimers of eigenheimers? Hoe dan ook, iedereen is van de taal en de taal is van iedereen. Taal als een meme: een cultureel overdraagbare aandoening, een COA - een cultureel overdraagbare aandoening die zich uit via kunst.

Kunst, die verknoopt met taal poëzie en proza oplevert - taal als aandoening om niet al te ver van het bed te houden, wel om dicht bij huis te houden, jah, te gebruiken, want daarin schuilt de betekenis van taal. Bind ergens taal aan vast en retteketet: een complexe verhouding met A staat tot B, en omgekeerd en vice versa en wat niet al; logici en filosofen weten hier wel raad mee. Waanwijzen en schuilnoemers zijn dit, taal raken deze symbolenschuivers niet - zij liggen elkaar niet, leggen elkaar kruislings op de pijnbank en geven geen krimp. Zo blaast alles alles op, postmodernisme, past er niets meer op niets. Een heilloze weg, een omweg.

En dus een weg om te verlaten voor wie heil zoekt. En wie geen heil zoekt, ach. Heiligt het doel de middelen of gaat het om de weg, niet het doel? De Statenvertaling van de Bijbel bijvoorbeeld is prima leesbaar en heus niet alleen door devote gelovigen. Want wie van het woord houdt, van taal, van ronkende retoriek en van sobere simpelheid, zal zijn of haar leven zoet zijn met dat boek. De Nederlandse taal in optima forma.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Statenvertaling sinds haar verschijnen in 1637 zoveel pennen op papier heeft gebracht: pamfletten, polemieken, niet enkel religeus geïnspireerd, maar ook puur voor de vorm.

Wat bijvoorbeeld te denken van de werken van ene Bilderdijk. Woest, bulderend, zwepend. Nederlands onder daverende hoogspanning. Soms plots fluisterstil, het knerpen van een kwelder waar wat zand overstuift, het wuiven van riet. Ingetogen passie, energie, terwijl het bruist onder de oppervlakte. En Hendrik de Vries, Bilderdijk-adept, schreef: wie brand wil stichten hoeft maar te graven, onder de wereld smeult altijd vuur.

Hij schreef dit natuurlijk niet zomaar. Hendrik de Vries was maar al te bekend met de kracht en macht van taal, de bezwerende werking, de taboes en de rituelen: maat en rijm zijn tovertrommen / taal en taalmuziek bezwering - zijn pen noemde hij danswoedende toverstift. Overdag een stipte ambtenaar, ‘s nachts de belichaming van de zinderende godheid Nergal. Zijn Nederlands is van een lucide helderheid, transparant tot op het bot, tegelijk ademen zijn verzen een wezenlijke vreemdheid die rept van onbegrijpelijke dromen, visioenen van verre sterren en ongrijpbare wanen. Raadsels die bedwelmen, meeslepen, tot diep in de ijle nacht.

Ook dit is Nederlands. Een koortsende belichaming van dictie, ritme en cadans die zich aaneenrijgen tot een monster van taal, min of meer losgezongen van de kale betekenis van de woorden zelf. Ik citeer Lucebert: de oude meepse barg ligt nimmermeer in drab, of Eric van der Steen: de nachtegaal voert rozen in zijn schild. Soms glanst het mysterie mooier dan welke verklaring dan ook. Een open deur, een cliché zelfs, wellicht is het waar dat alles al geschreven is, moet men zwijgen over wat men niet kan schrijven. Maar is al het geschrevene, ook op de beste manier mogelijk geschreven? Zo niet, bestaat het dan wel? Want - wat niet goed is, is niet geschreven. Elke dichter kent die mantra van Achterberg. O, in het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God; het woord is vlees geworden. Zo gaan de dingen eenvoudigweg.

Het Nederlands van Achterberg is een onafgebroken poging om met woorden de werkelijkheid te ontsluiten, of zelfs tot stand te brengen. Het woord als geladen, veredelde materie. De taal als verzameling woorden waarmee een wereld wordt geschapen uit het niets, als eenmaal voor het begin. Ook Leopold en Dèr Mouw hadden daar een handje van. Nu speelt dit project een marginale rol in het poëzielandschap: uitgemergeld en op sterven na dood? De cyclus van het leven, reïncarnatie? Iemand als Kouwenaar heeft de levensvatbaarheid van dit project onderzocht, al vijftig jaar probeert hij woorden terug te brengen tot hun stoffelijkheid.

Met wisselend succes. Sommige van zijn vondsten zijn opzienbarend, vooral waar de taalwereld wordt verkend op haar talige merites als opgetrokken uit stroef, kleiig Nederlands. Andere vondsten schieten hun doel voorbij - natuurlijk kan men met het woord steen geen fysieke ruit ingooien zoals men met een fysieke steen ook geen woordelijke ruit kan breken. Atomen en woorden zijn parallelle werelden en vrij van interactie.

Er zullen ongetwijfeld ook situaties zijn waar deze twee werelden wel degelijk op elkaar betrekking hebben, al is het maar dat ze in hun specifieke vorm informatie over de andere vorm kwijt kunnen: ietwat isomorf.

Maar goed, ik dwaal af. Ter zake. De paden op, de lanen in. Iets over de grammatica van het Nederlands? Mja, dat zal toch in no-time achterhaald zijn. Iets over de teloorgang van het Nederlands? Tjah, wat moet daar onder worden verstaan? Verandering, uitsterven? De schoonheid die haar gezicht verbrandt? Dat een taal in de loop der tijd verandert, behoedt haar juist voor uitsterven, via selectie, mutatie, overerving.

Natuurlijk, de taal van over een tijdje zal verschillen van de taal van nu. Maakt dat uit? Bar weinig, wat moet men aanvangen met een exacte kopie. Waar blijft dan de ontwikkeling, de vooruitgang, de dynamiek, de creativiteit en het buigen van hoe het hoort om tot verrassende inzichten te raken? Het spelen met conventies om ze vervolgens achter te laten, en ze daarmee indirect te bekrachtigen: als vast punt, als referentie, als contrast, als graadmeter. Een verandering valt pas op tegen een achtergrond, het anders-zijn van de verandering toont pas reliëf in een wisselwerking met de normale situatie. Zo maakt het oude het nieuwe mogelijk.

Het nieuwe, veelal als variant op het oude, zal al dan niet aanslaan en daarmee gepaard gaande weinig of vaak over de lippen van de Nederlanders gaan: woorden en frasen als vonken, springend van hot naar her tot ze ineens ergens bljken te wonen of zomaar verdwenen zijn. Blijft het, vergaat het? Welke waarde heeft het woord, hoe sportief is de concurrentie? Voorziet het in een lacune, is het een gadget, een mode-accessoire, en kan het woord zich makkelijk aanpassen, is het meegaand, vereist het een strikt specifiek gebruik of heeft het een schier oneindige dingesheid? Klinkt het lomp, fel of juist pittig? Allerlei kenmerken van het woord in kwestie komen tenslotte tijdens het gebruik van het woord vanzelf in aanraking met de taalgemeenschap. Een filter, met als resultaat: Opgenomen / Niet-opgenomen in de schoot van het Nederlands. En dan baren.

Ja, het Nederlands, een moeder voor al haar woorden, al haar zinnen en ook voor al haar letters. Maar de tragiek van het Nederlands is dat zij zichzelf in nevelen hult, in stilzwijgen. Iedereen bedient zich vrijelijk van haar, iedereen maakt gebruikt van haar wezen om zijn of haar gedachten te uiten, gevoelens te ventileren, dromen te spiegelen, maar zelf houdt zij zich stil. Want wat moet ze ook tussen dat gekwek, dat gekwebbel, dat gekakel? Al die duizenden maal duizenden Nederlanders, allemaal talen ze naar wat aandacht. Wat moet zij dan op het toneel, waarom zou ze daar stemverheffend, hanenpootverheffend tussen moeten gaan staan?

Niemand kent haar stem, niemand kent haar handschrift. Misschien is ze stom, misschien is ze analfabeet? Wat weet men eigenlijk van haar, en wat weet ik nou echt van het Nederlands? Het levende Nederlands, de taal die ik ken, ken ik als de tijd: zolang niemand mij vraagt wat tijd is, weet ik het, vraagt iemand mij wat tijd is, dan weet ik het niet. Het is als bij een grote liefde: verliefd op wat men niet kent, op het onbekende.

En zo luidt de conclusie: het Nederlands is het Nederlands - van vorm tot vorm blijft het klei. Waar, maar het zegt niets en het Nederlands zelf laat niets los, zwijgt in alle talen ... Niets, totaal niets weet ik van haar.



www.markiske.tk is in handen van Mark Iske en bevat zowel dit als dat, en is groener dan groen door te bestaan uit 100% gerecyclede electronen.