www.markiske.tk - projecten: schemerbrieven

WWW.MARKISKE.TK

BLOG - DR - FOTO'S - GEDICHTEN - PROJECTEN - Q-BASIC - WEGWIJZERS - ZVEA



Schemerbrieven

Het jaar waarin ik dertig werd was niet het jaar waarin ik werd geboren, niet het jaar waar ik leerde lopen, praten, stapelen van blokken en ethiek, verlies van vader, lezen en schrijven, rekenen, niet het jaar dat ik vertrok naar A. en niet het jaar dat ik terugkwam in A., ook niet het jaar dat ik engels leerde en/of ontkwam aan het maken van straten. Het was niet het jaar waarin ik pech had vermoed maar die niet kwam (geluk evenmin), niet het jaar van rook en vuur, niet het jaar van "ik ben zestien" en niet het jaar van zestien-zijn, niet het jaar van de bliksem van rimbaud, niet het jaar van klaar met school en niet het jaar van fietsen naar de zon. En ook was het niet het jaar van wiskunde, niet van filosofie, niet van dit en niet van dat en niet het haveloze jaar van wonen in een tentje in Z. Het was niet het jaar dat ik muze M. ontmoette, niet het jaar van duisternis, en niet het jaar van het belcampisme. Niet het jaar van dood het jaar ervoor, niet het jaar van ik-weet-niet wat. PS: het jaar waarin ik dertig werd, was het jaar dat ik ade-msc-hom-mel verschreef, en concepten tot personages maakte en tig brieven schreef. Het was het jaar dat ik niet naar China ging. Het was het jaar dat ik muze M. her-ontmoette, niet het jaar dat wij woonden waar de vogels wonen, niet het jaar van 'n dozijn vogels in de kop (dat was het jaar na de vogelhutjes) en het was niet vorig jaar en/of dit jaar.

motto  |  I II III IV V VI VII VIII IX X


motto

Yes, I received your letter yesterday
About the time the door knob broke
When you asked how I was doing
Was that some kind of joke?

All these people that you mention
Yes, I know them, they're quite lame
I had to rearrange their faces
And give them all another name

Right now I can't read too good
Don't send me no more letters no
Now unless you mail them
From Desolation Row


I

Waarde M.,

waarschijnlijk ken jij mij niet, ben je mij vergeten, waarschijnlijk ben je zelfs dat vergeten. Erg is dat niet, ook ik heb geen flauw idee wie jij bent. Een muze, een meisje, een marginale meme uit vroeger tijden?

Nou jah, dat is misschien wat overdreven. Een ruime twaalf jaar terug was jij het eerste meisje dat ik zag, waar ik een uurtje hand in hand mee liep, om daarna uit het ooghart te raken - ik was in die tijd blijkbaar even verstrooid als nu, even warrig, met het verschil dat ik nu minder besta en meer ben. Van ons praten toen weet ik niets meer, terwijl ik normaal maar aan een plek en een persoon hoef te denken en dan hup, min of meer letterlijk weet wat er gezegd werd alsook hoe. Maar jij: ijl blanco.

Je bent als het ware een bekende anonimicus. Ik kan alles op je projecteren en het zal je niet raken, ik kan je alles noemen en jij zal het niet zijn, en tegelijk ben je een kapstok om allerlei dingen aan op te hangen, een abstracte muze kortom, maar dan anders.

Je halfslachtige afwezigheid maakt dat alles wat ik je toedicht een vage status krijgt, geklemd tussen waar en onwaar, tussen wat was en wat zal zijn, met het nu een dichterlijk ei dat aan een quantummechanische doos van pandora raakt. Kansen, keuzes, koude ijzeren ketens. Volg je me nog? Ik volg mijzelf niet eens, ik ga mij voor op hoop van zegen, maar zonder hoop en zonder zegen. Volledig vrij van dit of dat.

Waarom deze brief aan jou, M.? De ene onbekende - dat is: zowel voor anderen als voor mij - schrijft de andere onbekende - dat is: jij - een brief. O, het raadsel wie-is-wie is geen vraag, maar een vast punt om zich tegen af te zetten om het pad te gaan. Tot men vergaat, of, tot men erafgaat. Men moet één van de twee kiezen, en geen van beide is wat zij beweren te zijn. Wat is het pad, maakt het enig verschil? Maar nogmaals, waarom deze brief aan jou? Het korte antwoord is omdat ik niet anders kan, omdat ik zo ben, het lange antwoord staat zwart op wit in de dertig brieven in deze bundel, deze brief is één en geen van die brieven, zoals ze er allemaal in zekere zin niet bijhoren, wat precies is wat ze bindt: hun anders-zijn.

En toch, er is half iets wat de brieven bindt, naast de trivialiteit dat ik ze alle geschreven heb, en dat is dat ze stuk voor stuk een onmisbare schakel vormen in de brievenketting die ik smeed om te ontdekken wie ik ben, hoe ik verbonden ben met deze of gene, een ketting om door te hakken als het schrijven eropzit, om weer te worden in plaats van te zijn - elk hokje knelt en beperkt, dit project heft zichzelf louter op.

Jouw rol, waarde M., is de rol van toeschouwer. De onzichtbare lezer op mijn schouder, de schaduw aan wie ik mijn verhaal zal vertellen, de echo in de spiegel die mij zal confronteren met mij; een toehoorder, of een toelezer. M., jij bent alle lezers die deze brieven zullen lezen, deze brieven van gestold leven, van leren in de marge zonder een steek wijzer te raken. Brieven, die een dwarsdoorsnede vormen van dertig jaar vallen en opstaan met hier en daar een zonnestraal, brieven, ademend als een brandende phoenix ...

Hajewiet, geniet van de brieven, M.


II

Mooiste,

je bent mooi, godsgruwelijk mooi. Ik noem je naam niet omdat dat zou betekenen dat je de mooiste dit bent, wat impliceert dat er ook een mooiste dat is, en zo verder - maar dat is niet zo, jij bent de mooiste, de mooiste in het algemeen en de mooiste in het bijzonder. Punt. Valt daar nog iets aan toe te voegen?

In hemelsnaam, neen! Elke beschrijving, omschrijving vervluchtigt - je bewegen, of beter, dansen, of het beste, zweven zonder zwaartekracht. O. Je vliegen op wind en wonen in wolken, leven in luchtkastelen; je honingkleurige haar, je marmeren huid, je rinkelende stem, je katgroene ogen. Muh. Schemerwezen.

Stel, ik was beeldhouwer, ik zou enkel willen zitten en staren en mompelen. De frustratie om elk beeld opnieuw teleurgesteld te worden dat het helemaal niets is, een schim of schaduw - en zelfs dat niet - van jouw te volmaakte lichaam, steeds weer een beeld te maken dat hopeloos tekortschiet bij het ademende, levende wezen dat jij bent. Wat kan een beeldhouwer nog doen? Het licht van een lucifer lijkt oneindig keer meer op de zon dan zo'n beeld op jouw, de klassieke Helena naast jouw een monsterlijke Medusa.

Godzijdank ben ik dichter. Van het woord maak ik vlees en van het vlees woord. Tenminste, zulks is de normale gang van zaken. Maar in jouw geval: wat valt er te verwoorden, wat valt er vervlezen, daemon?

AVE ATQUE VALE

Voor u ging,
wilde ik nog zeggen:

maar de wind kwam -

niemand
hoorde woorden


En als u al
een kunstwerk bent, dan zeker niet

dit grijs papier

Dit gedicht, zeven jaar en zeven maanden oud, op ongeveer zeven dagen na. Laat deze brief voor nu een definitief afscheid zijn, een groet van gene zijde. Vaarwel mysterieuze wolf, loner, egyptische koningin.

Lach en tover een wens, M.


III

Tom,

Bob is geniaal - dat weet jij, dat weet ik, maar het blijft vreemd om dat keer op keer in volle hevigheid te beseffen; die gruizige stem die knaagt, knauwt, fluistert, mompelt, moppert, articuleert als een bezetene, die raffelt, raast en rauzt, die streelt en slaat en schreeuwt en spuugt, lettergrepen bijt of rekt, meandert of klanken kleit, die veel te veel woorden in een enkele regel perst, propt of stapelt of er onmogelijk weinig uitsmeert over hele coupletten, die trekt en zuigt en zaagt en zingt en knarst en barst en rochelt en snerpt en sneert en rammelt, rommelt, borrelt, sist en over het randje, buiten de lijntjes, verre van volmaakt ...

En, het spoort. Dylan accepteert de chaos, de chaos hem. De harmonica die snijdt in Pledging my Time, een gevangen vogel manisch op zoek naar een uitweg aan het eind van Mr Tambourine Man, of in 1984 in de Letterman-show een enorme bak herrie, maar waar, maar meeslepend, want het enige juiste daar, of de piano op Black Crow Blues, wat is dat nou helemaal, of de "trip" van die paar tellen aan het begin van Eat the Document, waarna iets als: "are you ready to move on?", het gehamer in Blind Willie McTell.

Aan de verschillende gitaarstijlen begin ik niet eens; de beste man heeft een stuk of zeshonderd nummers aan zijn riem hangen, als het er al niet meer zijn. Planken, archieven, kluizen vol onuitgegeven materiaal, en hoewel het wellicht wat ver gaat om te beweren dat elk optreden weer nieuwe versies brengt, lijkt er als ik zo door mijn stapeltje bootlegs blader, luister, toch een kern van waarheid in te zitten ... wat valt er over te beweren dan dat het aldoor anders is en toch gelijk, dat elke categorisering knelt, splijt en knalt.

Goed, ik roep, preek en spreek nu ook, wil niet vastpinnen, wel schrijven dat Bob zijn eigen alter-ego is, zijn muziek zijn muze. Hij ademt muziek en bloedt uit duizenden woordwonden en kan niet anders dan dat; wat moet hij anders: een truckdrivers-wife zijn, een mathematician, een houthakker, een molder van mondharmonica's? Dylan is niet maar wordt, naar mijn idee de enig juiste vorm van bestaan, zijn muziek stroomt met hem mee. Bestaat er een plek voor zulk soort lieden? Misschien bij de zeven wijzen van het bamboebosje, misschien tussen waarzin en waanheid, misschien ergens nabij de Tijdverloren Wetering.

Hij lijkt me in elk geval geen persoon voor pensioen, maar dan: mijn mening en zijn doen (en laten) zijn twee losse werelden. Bob doet zijn ding en dat is goed. Zijn intentie? Geen idee, maakt het uit - intentie en uitwerking liggen op één lijn als ijs en vuur. Al dat interpreteren, her-interpreteren, ad infinitum, buh.

Wat niet wil zeggen dat er niets te zeggen valt over Dylan en z'n muziek en woorden en taal en films en schilderijen en activiteiten als DJ - alles wat men over hem en zijn kunst zegt, kan men net zo makkelijk omdraaien en dan nog is het niet Waar, maar wel waardevol, even waardevol als het omgekeerde. Luister naar dat s-rijm in Sad Eyed Lady of the Lowlands, het hangen in de flow in 1965 tijdens de achtbaan van Phantom Engineer waarbij de muzikanten elkaar opjagen als boerderijdieren op een wilde-ganzen-jacht, de ominieuze duisternis van It's Alright Ma (I'm Only Bleeding), het orgelspel van Ballad of a Thin Man in Edinburgh, de dictie waarmee BD als DJ praatjes tussen plaatjes aan elkaar knoopt, en 180° buts, enz.

Iedereen heeft recht op zijn afwijking, dus Tom, just do what you think you should do, M.


IV

Afwezige,

hoe ik u herinner! U, broedsel van niemand en niets, u heeft de genen om een genie te zijn, u heeft de intensiteit om geen aanwezigheid te hebben, u bent niet a en evenmin niet-a, ook de uitgesloten derde bent u niet. U ademt het gans andere, het absoluut afwezige, zonder dat (niet) te wezen als nachtelijk negatief van alles - onwezenlijke logica.

Ik mis u, splinter in de kop in de vorm van een gat. Soms blader ik door onze foto's en rest mij slechts grenzeloos vergeten. Wat rest u? Verdrinken in de zee, zonder mij? Of wilde u dat werkelijk alleen samen? Wat hield mij tegen? Leven, leren, lezen - geen flauw idee; in elk geval was het plan an-sich niet de drempel, zes jaar eerder wilde ik een soortgelijk iets uitvoeren met Ware Liefde #1, dat is: stappen van een waterval, het liefst in IJsland na een leeg leven vol schapen en de eenvoud van een hutje in the middle of nowhere met daarin louter boeken en vuur. N. zelf heeft er nooit iets over losgelaten. Deze gedachte houd ik immers al tien jaar voor haar stil, misschien dat ik het ooit eens deel via een brief, antwoorden zal ze niet. Of toch, want, wat weet ik van vrouwen?!

Aanvoelen is één en begrijpen is twee, het complete tegendeel dus van de totale kosmos. In de woorden van A., een vrouw: wat is een vrouw? Mijn antwoord: een vrouw, maar dat is begging the question, en is onvergelijkelijk met wie u bent, niet bent. U valt buiten elke naam, elk label, elke categorie. Buiten elke wijze van bestaan alsook daarbuiten en zo voort tot in het oneindige. Is u Lilith, de rechter- of linkerhand van het beest of is het beest uw linker- danwel rechterhand; het beest uw marionet en u zijn vloek, hij de pop en u de puzzel? Ik geloof het niet, maar het zou me niets verbazen, met uw tweede natuur de dood, uw gezicht een ding, uw nachtwezen nuchter niemand in eigen zijn. U verschijnt als ik u niet zoek.

Hoe wij foto's leerden maken, hoe wij er op uitgingen, hoe wij door de stad zwalkten en het bos, ik u in die tijd heb leren kennen als niemand anders, als anders dan niets, u hoorde vrij van vorm en uw beeltenis zich glashelder ontwikkelde. Cosima, zo eenvoudig te ervaren, zo lastig te definiëren, understatement. Is uw bedrading eigenlijk wel in orde? Ik betwijfel het, maakt het enig verschil? Normaal is een statistische aangelegenheid, of is dat een leugen; niet als het aan u ligt: u kneedt de feitelijke waarheid gelijk oerklei.

De trein van het strand terug naar Amsterdam - de trein van Nescio, de trein van J., de eeuwige trein, en u die prevelt: 'ik heb mij nog nooit zo op mijn gemak gevoeld bij iemand.' Daarna verdween u, kwam u niet op onze afspraak een kleine week later, zocht u een jaar later weer contact, wat na twee, drie warrige mailtjes uitliep op: 'ik vind je een rare vogel.' Koud uit het niets. Loze verbazing dat u weg was vanaf dat moment, ons enige treffen later een grillige, onbegrijpelijke act like we never had met. Onmogelijk, een lichtende schaduw is niet af te schudden, een pad door een maze is niet ongedaan te maken, ieder gedicht toont dat aan: Cosima, vleermuis die de zon / met schaduw slaat, verander - / en drijf wolken tot draken, en / fluister dat u mijn raadsel bent. Een raadsel, dat na vier jaar nog steeds knaagt en dat zal blijven doen: Vleesgeworden vacuüm, spiegel van / de wereld zonder masker, nachtegaal / van de stilte in de kooi van de leegte / buiten de tijd; wat is uw holle naam? Ik weet het niet, voel het niet, ijl het niet, niets ...

Onwerkelijke, onvergetelijke groet, M.


V

Lola,

blik ik naar de horizon, dan zie ik je schuimen; spreken doe ik je minder; en de rest: heilige onschuld, om "Dichtertje" losjes te parafraseren. Lezen zul je deze brief niet, opmerken dat ik hem schreef ongetwijfeld evenmin. Deze brief is namelijk, zoals alle schemerbrieven, een masker dat ik schrijf aan ene miss M., een bericht aan de schaduwlezer op mijn schouder, aan mijzelf - de drieëenheid die puzzelig samenvalt in dat ene anonieme zelf, de manisch malende ondergetekende van deze en die andere dertig brieven.

Tegelijk is dit wel een brief aan jou, ben ik waarschijnlijk de enige volger van je die (jou) brieven schrijft, wat me tot een uitzondering maakt, maar hé, zulks is zeker geen uitzonderlijke positie. Ik ben van nature een buitenstaander, zoals jij, ondanks of dankzij al je volgers, er ook niet helemaal bijhoort. Is dat wat ons bindt? Die verklaring is zo common-sense dat het per definitie wel anders moet zijn: niets is wat het lijkt, alles is wat het schijnt - schijn en wezen, verknoopt met zoeken en verdwijnen; wat ik bedoel? Vraag het niet ... I just might tell you the truth. De poëtische omweg van waarheid is dat muntjes verdwijnen als je ze gooit en wezenlijke antwoorden vraagt. Duister geraaskal? Misschien - als kop, als munt, als rand.

Ach, wat is begrijpen? Wat is weten, voelen, dromen en ijlen? Hetzelfde maar dan anders? Visioenen van Johanna? Je bent bezig een diploma te halen, maar in deze maatschappij (wat ze je ook vertellen) telt een diploma niet. Het gaat om volgen en gevolgd worden, om daadkracht en doen, om de zooi laten draaien, omdat zonder dat draaien de zooi niet draait. Een diploma is een bewijs van vaardigheden in het verleden en de maatschappij schreeuwt om vaardigheden in het heden: blufpoker, mensen de les lezen, en mensen vertellen wat ze moeten doen omdat mensen uit zichzelf niet weten wat ze moeten doen: kuddedieren!

Durf te denken, doe je eigen ding en je komt er wel; zoals je beweegt rond het plein als den zon, bitch of the block, leader of the pack, wrecker met je dozijnen crew, dé man als benig blondje met blauwe ogen:

Well, she's got Jet Pilot eyes from her hips on down.
All the bombardiers are trying to force her out of town.
She's five feet nine and she carries a monkey wrench.
She weighs more by the foot than she does by the inch.
She got all the downtown boys, all at her command
But you've got to watch her closely 'cause she ain't no woman
She's a man.

Lola, je bent een straatwijze. Je komt uit een gebroken gezin, maar gebroken heeft het je niet; je bent aan het ontpoppen tot vrouw die doet wat ze wil volgens wu wu wei - je gaat je eigen gang en je eigen weg en ik schrijf: go go go, groei en bloei en adem; wees jij in een wereld waar iedereen iedereen kloont; dus, vergeet deze brief, sla het in de wind waar wonderlijke vragen waaien, en vloei als vuur, als wijze, als jij.

Forever young, M.


VI

Rattengebroed,

ratten zijn jullie. Woestijnratten om precies te zijn, ook wel renmuizen of gerbils genaamd, of gerbillinae voor liefhebbers van het Latijn - bestaan die nog? Jullie maken biologisch deel uit van das reich Animalia, de stam Chordata, de klasse Mammalia, de orde Rodentia en de familie Muridae. Enfin, ratten dus.

Jullie zijn de tweede huisdieren die ik heb. In het ouderlijk huis heb ik honden gehad, katten, vissen in de vijver, nu en dan een verdwaalde vlo of mug of vlieg of bug in het algemeen, maar eigen dieren: nee.

Toen ik kwam wonen in dit ondoorgrondelijk spookhuis, wat nu alweer drie jaar na dato is, schafte ik ten eerste een gitzwarte sluierstaartgoudvis aan, doopnaam Mozev. Mijn toenmalige huisgenote bracht Adolf in, en ten tijde van haar vertrek ging Mozev de pijp uit. Haar vis daarentegen zwemt nog rustig en lustig rondjes, maar meer ook niet. Rustgevend jah, saai, mjah. Zei John Cage niet: if something is boring for 1 minute, try 2, still boring, try 4, etc. Geloof me ratten, i tried ... blijkbaar heb ik geen zintuig voor Zen.

Plots, een godswonder. De buren dumpten een glazen bak van 100cm bij 40cm bij 50cm (lxbxh) - lamp erin, deksel erop, in één woord: ideaal! Noem ik nog niet eens de voederbakjes, de zandbak en de houten stellage met twee verdiepingen. Kwestie van zand, voer en stro halen, water erbij, klaar; daarna zum shop fietsen om jullie te halen, wit en zwart, en hup de bak in. Dat is intussen een jaar terug en vooralsnog heb ik jullie 50% van de tijd zien slapen, 35% graven, knagen, rennen en spelen, 15% ietwat eten en drinken; klagen doe ik niet, het gaat in zuivere harmonie indachtig jullie namen, nomen est omen: yin en yang. Ik heb jullie ook niet horen piepen en besides: zaten julie niet in deze bak, dan in de maag van een slang, of, als vervolg ervan: als rattenrestjes in de grond, als kringloop in de natuur, als wat dan ook maar niet als rat.

Hoe is het om een leven te hebben van louter stampen, rennen door tunnels, springen, knagen, slapen en meer van dat al. Zou ik jullie willen zijn? Een bestaan zonder poëzie, zonder muze(s/n), zonder vrijheid, zonder taoïsme, zonder jazz, zonder Nescio, zonder enz. Ik kan dromen jullie te zijn, of ben ik dat al - en droom ik mij te zijn? Toen ik acht was vroeg ik mij af of het hier en nu een droom is, vandaag de dag laat ik die vraag slapen: verschil maakt het niet; het is dit bestaan, dit hier en nu dat ik adem in weer en wind.

Zouden jullie mij willen zijn? Brieven schrijven om de kakelkop te temmen, dit en dat, lezen in boeken, quotes kladderen op muren. Waardeloos, betekenisloos, nihilistisch tot op het bot, gedoemd tot vrijheid.

Ach, loze vragen van deze kant van het glas - antwoord geven jullie niet, of het moet jullie doen en laten zijn dat doorgaat terwijl Simple Twist of Fate uit de boxen knalt en ik rammel en rommel aan deze brief en twijfel of die deugt. Muhu, een variant op de grootste dooddoener uit de moderne filosofie: ik twijfel, dus ik ben. Koppelen twijfel en taal? Hoe glazig is de taal, hoe zuiver de taal der engelen ... hoe zou mijn poëzie gaan in oer-Babylonisch? Schrijf ik wat ik noemen wil, ademen mijn schrijfsels talige waarheden?

Knagende groet, M.


VII

Rein,

Geniaal idee, uw installatie 'nabeelden' ... de verhalen achter niet-gemaakte foto's verzamelen en daarmee aan de slag gaan om die afwezige beelden alsnog zichtbaar te maken in een interactieve tentoonstelling - zichtbaar in het hoofd van het publiek that is, want het afbeelden van een foto zoals die in de kop van een fotograaf gebrand staat, dat is aan deze tijd technisch niet besteed. En zal het wenselijk zijn? Nabeelden is een dusdanig sterk concept, dat zelfs zonder dat ik het project daadwerkelijk heb ervaren al als vanzelf tig beelden voor m'n geestesoog zie spoken; moi zal ze niet stuk voor stuk delen, want if my thoughtdreams could be seen, they'd probably put my head in a guillotine, maar een paar ervan wil ik u niet onthouden.

Het eerste beeld is dichterlijk. Niet vreemd, want ik beschouw mezelf op de eerste plaats als dichter, dan als een heel stel andere dingen, en dan ergens halverwege de rit, als blikopener. Maar goed, het beeld: zij, de mooiste, schaars verlicht in de deuropening, met een dampende kop thee in haar fladderende handen.

Het tweede beeld heb ik nooit in het wild gezien, niet dat ik weet tenminste. En nooit is er een moment geweest dat het niet in mijn hoofd ademde, doolde, dwaalde. Misschien is het, analoog aan het jungiaanse archetype, mijn archebeeld; maar dan, wat stelt psychologie eigenlijk voor ten opzichte van de spelonken van de geest? Op zijn best een kladderige, tweedimensionele kaart van een elfdimensionale hyperruimte.

Enfin. Het beeld is niet veel meer dan wit alom: kraakhelder, spatzuiver. En dat maagdelijk landschap dat vol is van niets zengt kokend strand, zand, zee, zonder dat ook maar ergens de geringste aanwijzing is dat die drie zich werkelijk in dat louter(ende) wit bevinden. Abstract strand, abstract zand, abstracte zee - en, op dat wit staan spinzwarte letters gekalkt. Troebele, onleesbare oerletters; letters zo groot dat duizenden meters afstand pas overzicht zullen bieden. Staat daar mijn lot in elke taal, staan daar mijn pure gedichten, brieven en andere schrijfsels in hun ideale vorm? Is daar verschil tussen, zou ik willen lezen wat er staat?

Wat is de zin van schrijven als een bepaalde tekst al precies zo bestaat? Of is elke tekst per definitie uniek, al zijn de gebruikte tekens in exact dezelfde volgorde gebruikt? Borges heeft daarmee geëxperimenteerd, door een verhaal te schrijven over iemand die een verhaal schreef dat woord voor woord identiek was aan de originele Don Quixotte, zonder dat diegene enig besef had van het bestaan ervan. Volgens Borges was die tweede D.Q een totaal andere tekst, omdat er een andere auteur en context in klinken. Zelf ben ik er niet over uit, maar ach. Feit is dat ik een talige wereld naast de wereld der atomen wil schrijven, maken.

De taalwereld, waarvan ik het visioen meedraag in mijn kop, waarvan ik een ijle afbeeldig heb op papier: "Niet de morgen houdt de droom in ere, zoals / de trompetboom niet mijn tuin, want een tuin / heb ik niet, zoals de morgen geen droom in ere / te houden heeft: de morgen brandt, brandde, had // gebrand. In de as ligt wat eens een vogel was, nu / een ei van zilver, en het zoekt een nest, al is het / maar voor één nacht, om dan als een kalkteken /een staak op een papieren branding te wezen." Dwaling, portret?!

Voorbeeldige groet, M.


VIII

Dertig,

in plaats van zij, sta jij aan de deur ... of moet ik u zeggen? Een vreemdeling die verdwaald is zeker, maar in sprookjes geloof ik niet (meer). Harde feiten, dat is het motto. Wat weer de vraag oproept wat dat dan mogen zijn, en of harde feiten überhaupt bestaan, en of ze eigenlijk wel zo verschillend zijn van "dingen" als verbeelding en alles. En of die vragen ertoe doen, of vragen zijn zoals: heeft een schaap schaamhaar?

Dertig, wie had dat gedacht. Dertig, dat zijn de anderen, de volwassenen, de mannen en vrouwen met of bezig met 1,6 kinderen, de lieden met een leven, de heren met een hypotheek, de dames met dit en dat.

Wat heb ik van dat alles? Niets. Zou ik het willen? Wat weet ik ervan? Wat weet ik van willen, ik geloof niet in de vrije wil. De dingen gaan hoe ze gaan en de dingen gaan zo - natuurwetten, gefundeerd op lot, op toeval, op willekeur. Statistische ruis is het, statistische regelmaat, uitmiddelend in niks, noppes, nada.

Wat is omarmbaar: gezondheid, herinneringen aan droomvrouwen en visioenen van droomvrouwen, een stuk of wat gedichten - om dit soort dingen ontdoe ik karige dagen om den brode en strip ik nachten van dromen. Ik heb een studie afgemaakt, godbewaarme, twee zelfs; ik heb ijle plannen om naar het Rijk van het Midden af te reizen; ik heb tegen de duizend boeken, twee ratten en een vis. Ik heb zo nu en dan half gezelschap van wat plukjes vrienden, verbanden als los zand met deze en gene, een half verbond met m'n hoogsteigen, hoogstpersoonlijke muze. Ik heb ideeën, maar geen meningen, denk ik, en twijfelen is mijn tweede natuur, wat mijn eerste natuur is, geen idee. Ik word gelukkig van bepaalde stemmen, van hoe zij stroomt, van ontzijnen en van worden. Ik heb honderden muren, duizenden ramen, meer mogelijkheden en wegen van bestaan dan duizenden deuren kunnen bieden (en ik wist door een keus verloren, elk ander verlokkend bestaan). Kan ik knopen doorhakken, honderd procent voor iets gaan, zestig procent, veertig, varen over eindeloze zeeën op een tollend kompas, dolen met schapen door oneindig ijsland, vuurland of welk land dan ook, met aan de einder een hutje van hout vol boeken waarin een vuur roodoranje knettert om boeken in te verbranden: boeken des levens, boeken des doods, alle boeken die hun boekvorm nodig hebben om onthouden te worden; de rest mag blijven, gaat mee naar bed en mengt zich met gedroomde levens, zoals dansen aan de grachten van Amsterdam, als accepteren hoe alles is gegaan, hoe alles zal gaan.

En: geen echte vader, wel een echte moeder - ik ben daarmee het tegendeel van Jezus die maar liefst drie vaders had die hij zelf ten dele was, en dan laat ik Jozef nog buiten beschouwing, terwijl Jezus' moeder in wezen niet bestaat, als de maagd die zij is. Ben ik dan de brenger van de boodschap van het nihilisme, het idee dat alles inherent waardeloos en betekenisloos is? Ach, dat is inderdaad wat ik geloof, maar niet in de negatieve zin. Als alles inherent zonder waarde is, zonder betekenis, is men (gedoemd) vrij om de dingen zelf met betekenis en waarde te laden, en daarmee de dingen te veranderen, zelf vorm te geven. Het zijn als veredelde klei klaar om te worden wat men maar wil, wat men maar wenst, wat men maar verkieze ...

Ik ben een god in het diepst van mijn gedichten, ben per definitie en er niet: aldoor anders en toch gelijk.

Dertig, kom binnen, vergeet je voeten niet te vegen, en doe alsof je thuis bent, M.


IX

Waarde meneer taoïst,

dag na dag na dag kruist u te voet het dorp - over het plein, door de kronkelende straatjes, dan terug naar het plein en voila, weer de kronkelende straatjes door. Waarheen u loopt? Nergens heen. En waarom? Ik heb geen idee. Is er überhaupt een waarom? Ik denk aan Nescio: ... en wee hem die vraagt waarom? Feit is: u loopt. Nergens heen, zonder reden, omdat u er zin in heeft - ja, weer Nescio. Aldoor anders en toch gelijk. Ik kan niet zonder Nescio zoals ik niet zonder Muze kan; noem het knooppunten in mijn bestaan, vaste punten die mij samen met creativiteit, en een al dan niet gezonde overdosis pijn, verdriet en verlies en dergelijke als klaptouw, van het ene uiterste punt - de put - naar het andere uiterste - hoger honing - laten, doen bewegen. Tenminste, als het lukt. Vaker is het vallen, opstaan, zoals het cliché luidt, en weer doorgaan. M. glimlacht: ressentiment koppelen aan kunst, het liefst verheven kunst. Zij heeft gelijk.

Herfstelijk dood blad omzetten in vruchtbaar compost waaruit de winter de lente baart, het liefst op zo'n weergaloos virtuoze manier dat het voorjaar lacht, dat de kunst echter ademt dan echt, dat er geen doods blad aan te pas komt en het touw bij aankomst in hoger honing tot op de laatste streng, nerf, is vergaan.

Zulks is maken zoals u loopt. Ik ken uw naam niet, uw wegen en gangen evenmin, maar toch ... éénmaal hebben wij een gesprek gehad, na een van uw klingelende hallo's, op de hoek van het plein. U sprak over uw oude leven, dat u achter heeft gelaten zoals een slang zijn vel, een muze haar muts. U had spullen, zei u, materiële rompslomp, dacht ik, en door een brand raakte u alles kwijt, uw hele hebben en houwen c.q. uw spullen. En in plaats van geestelijk aan de grond te raken zoals waarschijnlijk half de wereldbevolking, op zijn minst, zorgde dit vuur er bij u voor dat u geestelijk uw huid verloor en toen phoenixiaal herboren werd als een taoïst. Verlicht van al die nodeloze massa, verlicht van zorgen en beslommeringen om ditjes en datjes die stof zijn en tot stof zullen wederkeren. U stond erbij, keek ernaar, liep toen weg - de wereld in, richting de horizon, op weg naar nergens in het bijzonder, naar overal in het algemeen; vrij van nut en vrij van doel, x in beweging zettende omwille van x zonder stilstaan bij y en z en enz: pu en wuweiwu.

Zoals u gaat, beweegt, meandert, zo zal ik wellicht ooit is schrijven: schrijven zonder schrijven, schrijven zoals kalligraferen, als het kronkelen van de vergeten rivier waarin het water oeverloos stroomt dat half de wolken en sterren spiegelt, half de bodem toont in absolute helderheid. De klassieke rivier uit de oudheid van de vergetelheid die zijn bron heeft in Heracleitos en Parmenides, de rivier waarover bruggen spannen waar de schildpad en de haas nek aan nek Zeno groeten die meer oog heeft voor negen naakte nimfen die badderen in de bron en die op hun beurt in de ban zijn van Cupido die jongleert met zijn pijl en boog.

Beste meneer taoïst, ik ga u niet als lichtend voorbeeld roemen: deels ben ik u al op een bepaalde manier; ik ben u zoals het kind de vader is van de man die ook in hem huist; ik word u als ik 'vergeten' ben taoïst te zijn, te worden, en dat is: als ik samenvalt met mijzelf, wat in principe een eitje moet wezen - met wie anders zal men, in dit geval ik, samen moeten vallen; misschien met haar, zij met mij, onze kinderen met elkaar? Is er een andere weg of richting, ben of word ik die weg of richting? Wij groeien hoe wij groeien.

In het besef dat ideeën over de werkelijkheid nu eenmaal niet hezelfde zijn als die werkelijkheid, tjau, M.


X

Liefste,

eigenlijk volstaat in deze brief een enkel zinnetje: ik hou van je. Het oudste zinnetje ter wereld, wie weet, zoals er ook een oudste beweging ter wereld is, maar dit zinnetje is op dit moment het waarste zinnetje ter wereld. En dat wil wat zeggen, voor een ik die bekendstaat om maskers, lagen, ontwijken, zichzelf niet blootgeven en noem maar op. Misschien is dat mijn diepste kern: een ander. En jij, just jij!

Tegelijk is "ik hou van je" een overkoepelend zinnetje, een samenvatting van. Waar hou ik dan van, van jou, maar wat is jou, en wat is die ik? In de paar jaar dat ik je nu ken, nog geen flauw idee. Ben ik een eeuwige puber in een eeuwige identiteitscrisis, of een filosoof a la Nietzsche, die schreef: elke dag verbaas ik mij, ik weet niet wie ik ben. Ach, maakt de wie-is-wie uit? Feit is dat het zo is, hokjevrij of hokjevol.

Wat wil ik schrijven? Zoveel. Ook dat was te verwachten, zoals het stukje hierboven ook te verwachten was: gepraat over de liefde ipv de liefde te doen. Ach, zoals ik in mn zoveelste poging tot boek aan het begin opmerk: ik was een dwaas, ik ben een dwaas. - Sommigen ontdekken dat pas op hun zestigste, weer anderen ontdekken het niet, anderen weten het vanaf hun geboorte, waar sta jij op die ladder? Feit is dat ik het in elk geval weet op dit moment, vier maanden voor dertig. De dwang van het ronde getal.

Dertig dus. Weer een excuus om op te ruimen, weer een reden om dingen op orde te krijgen, te rijmen.

En rijmen is het moeilijkste voor een dichter om te doen, waarom denk je dat al die dichters overgestapt zijn op vrije verzen? Vrijheid, ruimte, lucht, leven, tijd om zich met andere dingen bezig te houden, zoals nietsnutten. Zo'n rijm kost moeite, perkt maar in, en dat terwijl de dichter juist open wil zijn, vrij, een omarmer van de chaos (en de muzen). Rijmen dwingt maar, dus ik rijm niet, spoor op mijn manier.

Tegelijk - zoals alles tegelijk - hoeft heus niet alles op mijn manier. Sterker nog, liever ben ik volledig open, transparant, helder en de overtreffende trap daarvan: afwezig, niet-bestaande. Iemand moet het doen, nietwaar? Dus dan maar direct de meest onmogelijke positie, passend voor de meest onmogelijk persoon, als ik dat al ben, want jij bent wat dat betreft een geduchte concurrent. Ik word al maanziek of wat dan ook als ik bij je ben, laat staan iemand te zijn die jou is, het zou te veel zijn, en te is te, dat is bekend. Heb je een eigen auto-immunity, eelt ontwikkeld voor jezelf, hoe adem jij je eigen zijn, dag na nacht en verder? Australie. Iemand zei eens: je kunt niet voor jezelf wegrennen, je neemt altijd jezelf mee. Een wijs woord, en een stap verder (merkte ik na zweden) neem je niet alleen jezelf mee zoals je was, maar ontwikkelt er alleen maar meer zelf, zodat de derde stap in dat proces is: hoe harder je rent, hoe harder je jezelf tegenkomt. Wat ergens ook wel weer een goed ding is, ooit, maar tot die tijd ...

If you gotta go, go now, or else you gotta stay all time, M.



www.markiske.tk is in handen van Mark Iske en bevat zowel dit als dat, en is groener dan groen door te bestaan uit 100% gerecyclede electronen.