The Shakespearian 


1609          |          William Shakespeare's sonnet XVIII, translated by he and she and them and it and etc.          |          2012


SONNET XVIII by W. Shakespeare, 1609


Shall I compare thee to a summer's day?
Thou art more lovely and more temperate:
Rough winds do shake the darling buds of May,
And summer's lease hath all too short a date:

Sometime too hot the eye of heaven shines,
And often is his gold complexion dimm'd;
And every fair from fair sometime declines,
By chance or nature's changing course untrimm'd;

But thy eternal summer shall not fade
Nor lose possession of that fair thou owest;
Nor shall Death brag thou wander'st in his shade,
When in eternal lines to time thou growest:

So long as men can breathe or eyes can see,
So long lives this and this gives life to thee.



SONNET XVIII by J. Decroos, 1930


Zou ’k u gelijken bij een zomerdag
Gij die veel lieflijker en zachter zijt?
De bloesem valt in storm en hagelslag,
Des zomers beurt duurt al te kort een tijd.

Soms gloeit het oog des hemels al te warm
En dikwijls taant zijn gouden aangezicht,
Al wat volschoon is wordt aan schoonheid arm
’t Zij ’t voor den tijd of door het toeval zwicht.

Doch onvervreemdbaar blijft uw schoon altoos,
En onverwelkbaar blijkt ùw lentebloei,
Nooit zult ge dwalen in het dal des Doods,
In eeuwge verzen viert ge een stÂgen groei:

Zoolang als menschen aadmen, oogen zien
Zal dit ook leven en ù leven biên!



SONNET XVIII by Bert Voeten, 1961


Zal ik je spiegelen aan een zomerdag?
Verrukkelijker en milder nog ben jij.
Meiknoppen gaan in stormweer overstag
De pachttijd van de zomer ijlt voorbij.

Soms schijnt het oog des hemels veel te straf
En dikwijls derft zijn gouden aanschijn vuur.
En al wat bloeit legt eens zijn schoonheid af
Door ’t lot of door de grillen der natuur.

Maar jouw volstrekte zomer neemt geen eind,
Het is jouw schoonheid die hij nooit ontbeert;
Noch pocht de dood dat je in zijn rijk verdwijnt
Als jij in eeuwige strofen triomfeert.

Zolang nog iemand ademhaalt en ziet,
Zolang leeft dit, en leef jij door dit lied.



SONNET XVIII by Rien Vroegindeweij, 1988


Zal ik jou eens vergelijken
met een zomerdag? Je komt
er goed van af. De storm
beukt het jong gewas in mei,

de zon verlamt de hete dag
of aarzelt in het wolkendek
en wat in bloei staat sterft af
bij de eerste najaarswind.

De zomer gaat te snel voorbij,
het is een truc van de natuur
om jaarlijks nieuw te zijn,
de dood op termijn. Jij bent

de zomer op z'n best, en alle
seizoenen die we samen zijn.



SONNET XVIII by Annelies Jorna, 2000


Wie is mij liever, de zomerdag of jij?
Jij bent veel mooier en gaat minder tekeer:
Woest roeit de wind de bloemen uit van mei,
De zomertijd duurt kort, verdwijnt alweer.

Soms is het hemels oog verblindend in zijn vuur,
Vaker verdwijnt zijn gloed geheel uit zicht.
En alle bloei en kleur en geur van de natuur,
Zijn voor hun lot, of het seizoen, gezwicht.

Maar jouw volmaakte zomer blijft bestaan,
Voorgoed zul jij in schoonheid triomferen,
De nietsontziende dood zul jij weerstaan,
Want eeuwig zullen versregels jou eren.

Zolang er mensen zijn die kunnen lezen,
Zolang bezingt dit vers de glorie van jouw leven.



SONNET XVIII by FL, 2007 (versie 1)


Jij bent geen lentedag; dat moet je ook niet willen.
Jij bent veel mooier, lief; veel milder is jouw aard.
De kille voorjaarswind doet prille knoppen rillen,
De lente komt te voet, de zomer gaat te paard.

De zon draaft soms ook door en brandt met te veel vuur;
Zo niet, ontneemt een wolk ons 't zicht op zijn gelaat.
En pech of simpelweg de wetten der natuur
Dicteren dat wat bloeit uiteindelijk vergaat.

Maar jij blijft altijd jong, jouw dagen ongeteld,
Jouw schoonheid kent geen eind maar blijft altijd bloeien.
En nimmer pocht de Dood dat hij jou heeft geveld
Omdat jij in dit vers immer maar door blijft groeien.

Zolang de mens bestaat en er nog lezers zijn
Zolang leef jij ook voort in deze woordenschrijn.



SONNET XVIII by Jules Grandgagnage, 2010


Een zomerdag is jouws gelijke niet,
Niets is er dat jouw schoonheid overtreft.
Een knop in mei is weg voor je hem ziet
En het is winter voor je het beseft;

De zon? Die is te fel en veel te heet,
En is z'er wel, dan hangt ze achter wolken.
En andere mooie dingen, voor je het weet,
Zijn die door ouderdom of ongeluk verzwolgen.

Als jij een zomer bent, dan ben jij eeuwig,
De schoonheid die je hebt zal nooit vervagen,
Zelfs in de dood zal niemand jou bewenen,
Want dit gedicht zal heel jouw wezen dragen:

De poëzie draagt verder dan het leven,
Zolang zij verder leeft, zal jij niet sneven.



SONNET XVIII by A.S. Kok, 1859


Zal 'k met een zomerdag u vergelijken?
Maar lieflijker, gematigder zijt gij;
Vaak doet een storm de bloem der Mei bezwijken,
En al te ras gaat zomerglans voorbij.

Ondraaglijk soms kan 't oog des hemels gloeijen,
Verduistring grimt vaak 't gouden aanzigt aan,
En ieder schoon moet in zijn schoon vervloeijen,
Door wisling der natuur van tooi ontdaan.

Uw eeuwge zomer echter zal niet kwijnen,
Noch 't schoon verwelken, wat u toebehoort;
Geen dood zal u in 't lijkkleed doen verschijnen,
Want immer leeft ge in eeuwig lofdicht voort.

Zoo lang een oog kan zien of menschen leven,
Zal 't door zich-zelf ook u het aanzijn geven.



SONNET XVIII by A. Verwey, 1933


Zal ’k u gelijken bij een zomerdag?
Ge zijt veel milder en veel lieflijker.
De storm slaat bloesems met te hard een slag
En al te ras is zomers zoetheid ver.

Het hemeloog schijnt somtijds overheet
En dikwijls wordt zijn gouden tint verdoofd,
En schoon vervalt van schoon soms eer men ’t weet,
Door toeval of natuur van tooi beroofd.

Toch zal uw eeuwge zomer niet vergaan,
Noch faalt hem ’t schoone dat u eigen is.
Dood roeme uw gang niet in zijn donkre laan,
Als ’t eeuwig vers u redt van duisternis.

Zoolang als menschen aadmen, oogen lezen,
Zoolang leeft dit, en dit houdt u in wezen.



SONNET XVIII by Jan Jonk, 1984


Zal ik je meten met een zomerdag?
Jij bent lieflijker en kent beter maat.
Storm beukt wat ik in mei als knopje zag:
te snel verliest de zomer zijn mandaat.

Soms schijnt het oog des hemels veel te heet;
vaak is zijn gouden teint van korte duur;
en al wat glanst verliest ooit toch het kleed
ontluisterd door het lot of de natuur.

Jij bent de zomer die voor eeuwig straalt,
en nooit verloren gaat jouw gouden schijn;
nooit grijnst de dood dat je in zijn schaduw dwaalt,
daar jij tijdloos doorleeft in eeuwige lijn.

Zo lang de mens kan ademen, ogen zien,
zo lang leeft dit, en dus jij bovendien.



SONNET XVIII by Peter Verstegen, 1995


Vind ik jou als een zomerdag zo mooi?
Nee, lieflijker en milder nog ben jij.
De tere meiknop valt aan storm ten prooi,
En al te snel verloopt het zomertij;

‘t Is soms te heet als ‘t oog des hemels schijnt,
En vaak ook wordt zijn gouden teint gedoofd;
Eenmaal wordt alle schoonheid ondermijnd,
Door de natuur of ‘t lot van glans beroofd;

Maar in jouw zomertijd schuilt eeuwigheid,
Die zich jouw schoonheid niet ontroven laat,
In eeuwge verzen rijp jij met de tijd,
Dood pocht niet dat jij in zijn schaduw gaat.

Zolang de mens adem en ogen heeft,
Zolang leeft dit, wat jou nieuw leven geeft.



SONNET XVIII by Willie Offringa-Matse, 2003


Ik heb je liever dan een dag in mei,
Omdat ik jou stabiel en zachter vind:
Een lentezomer gaat weer snel voorbij,
En tere knopjes schudden in de wind:

Soms schijnt de zon te fel in mijn gezicht,
En hij verstopt zijn glans het volgend uur;
En altijd weer komt duisternis na licht,
Door toeval of de loop van de natuur;

Maar jij hebt altijd zomer om je heen,
En niets doet afbreuk aan jouw lieflijkheid;
Jij zet de dood op het verkeerde been,
Want in dit eeuwig vers tart jij de tijd:

Zo lang er mensen lezen of verstaan,
Zo lang leeft dit, en dit geeft jou bestaan.



SONNET XVIII by FL, 2007 (versie 2)


Een zomerdag zou ik jou niet noemen, kind.
Jij bent veel mooier, jouw natuur is zacht.
Bloemknoppen huiveren in de voorjaarswind,
De zomer duurt steeds korter dan verwacht,

En teistert ons de zon niet met zijn vuur
Dan schuift er wel een wolk voor zijn gelaat.
En wreed maar waar: de wetten der natuur
Dicteren dat wat bloeit ook weer vergaat.

Behalve jij: jouw zomer zwakt niet af,
Jouw schoonheid is een bloem die eeuwig bloeit.
De Dood zal nimmer dansen op jouw graf:
Jij staat op rijm, waarmee je verder groeit.

Zolang nog iemand leest wat schrijvers schreven
Geeft dit vers voedsel aan jouw verder leven.



SONNET XVIII by Bas Belleman, 2010


Zal ik jou vergelijken met een zomerdag?
Jij bent bekoorlijker, gelijkmatiger.
Ach, straffe wind schudt alle bloesempracht
En de zomer wordt al snel plichtmatiger;

Te vurig wil soms branden het hemelse oog,
Nog vaker smoort zijn gouden gloed in dampen,
Zelfs schoonheid rolt van schoonheid niet omhoog
En volgt de afloop der natuur of rampen;

Maar jouw eeuwige zomer zal niet verkleuren,
Noch de schoonheid verliezen die jij pacht,
Noch zal de trotse dood jou in zijn schaduw sleuren
Als jij in eeuwige regels wordt grootgebracht.

Zolang men ademt, zolang men ogen heeft,
Leeft dit, en dit is wat jou leven geeft.



SONNET XVIII by L.A.J. Burgersdijk, 1884-1888


Zal ik een zomerdag gelijk u noemen?
O, die is niet zoo lieflijk en zoo zacht;
Vaak schudt een ruwe vlaag de teêre bloemen,
En al te ras verzwindt des zomers pracht.

Te vurig gloeit niet zelden ’s hemels oog,
Nog vaker kwijnt verdoofd zijn gouden vuur;
En ’t schoon betreurt vaak schoonheid, die vervloog
Door toeval of de wiss’ling der natuur;

Doch nimmer zal uw eeuw’ge zomer kwijnen,
En door geen wiss’ling wordt uw schoon gedeerd;
U daagt geen Dood om voor hem te verschijnen,
Daar u de tijd om eeuw’ge zangen eert.

Zoo lang nog menschen aad’men, ’t oog nog ziet,
Zoo lang leeft gij, vereeuwigd door mijn lied.



SONNET XVIII by G. Messelaar, 1958


Zal 'k met een zomerdag u vergelijken?
Uw aard is zachter, toont meer lieflijkheid.
Geen bloesem laat de ruwe wind lang prijken
En zomer eheft gepacht te korte tijd.

Soms brandt des hemels oog met felle gloed,
Dan weer verflauwt haar gulden schittering,
Steeds weer wordt door schoon aan schoonheid ingeboet
Bij toeval of door jaartijdswisseling.

Uw zomer zal in eeuwigheid niet kwijnen,
Wat gij aan schoon bezig, gaat nooit teloor;
Nooit zult gij in Doods schaduwrijk verdwijnen,
Want dit gedicht koerst u de tijden door.

Zolang één mens nog oog en adem heeft,
Leeft ook dit vers, dat u het leven geeft.



SONNET XVIII by Paul Claes, 1986


Ben jij een zomerdag gelijk voor mij?
Die is lang niet zo lieflijk en zacht:
Ruw schudt de wind de bloemknoppen van mei,
En al te gauw verdwijnt de zomerpracht.

Soms kan te heet het oog des hemels schijnen,
En dikwijls wordt zijn gouden kleur verduisterd,
En van elk schoon zal eens het schoon verdwijnen,
Door toeval, of verloop van tijd ontluisterd.

Jij bent een zomer die voor eeuwig straalt,
En nooit raak jij iets van je schoonheid kwijt,
Of snoeft dood dat je in zijn schaduw dwaalt,
Maar door mijn vers groei jij in eeuwigheid.

Zolang de mens adem en ogen heeft,
Zolang leeft dit, dat jou het leven geeft.



SONNET XVIII by Arie van der Krogt, 1997


Zal ik je met een zomerdag vergelijken?
Veel zachter en veel zonniger ben jij.
Te snel weer moet de tijd van zomer wijken;
De wind striemt soms de bloesems al in mei.
Het hemeloog kan soms verblindend zijn,

En dikwijls is zijn schijn van korte duur,
Waardoor de glans van schoonheid weer verdwijnt
Door 't lot of door de loop van de natuur.
Jouw zomer zal voor eeuwig zomer blijven,

En nooit jouw pracht verloren laten gaan;
De dood zal jou niet in zijn schaduw krijgen,
Wanneer jij in mijn zinnen blijft bestaan.

Zolang als er nog iemand leest en leeft,
Zolang leeft ook de zin die leven geeft.



SONNET XVIII by Willem den Hertog, 2007


Jou vergelijken met een zomerdag?
Je bent veel mooier, zachter, niet zo heet:
Het weer is 's zomers soms volstrekt van slag,
En zomers zijn weer over voor je 't weet.

Het hemellicht schijnt nu eens veel te straf,
En dan weer is het mistig overal;
Van al het mooie gaat het mooi eens af,
Door 'n ongeluk of door gewoon verval.

Maar jouw zomer gaat nimmermeer voorbij,
Noch zal jouw zomerschoonheid ooit vergaan.
En van zijn schaduw houdt de Dood jou vrij,
Nu jij in deze regels blijft bestaan:

Zolang een hart nog slaat, een oog nog schouwt,
Leeft dit gedicht, dat jou in leven houdt.



SONNET XVIII by Willem van der Vegt, 2008


Jou vergelijken met een dagje zomer?
Jij bent veel lieflijker en altijd mild.
Storm schudt in mei nog knopjes van de bomen.
De zomer is voorbij voor je dat wilt.

Soms priemt het hemeloog wel heel erg fel,
Maar al te vaak verdwijnt zijn gouden vuur.
Alles wat bloeit en fraai is, raakt verwelkt;
Een speling of een wet van de natuur.

Jouw hoogseizoen zal nooit meer overgaan.
Jouw schoonheid zal je niet worden ontzegd.
De schaduw van de dood raakt jou niet aan.
Jij leeft, in deze regels vastgelegd.

Zolang men ademt, ogen zullen lezen,
Zo lang zal dit bestaan jouw leven wezen.



SONNET XVIII by Willem Nijholt Academie, 2010


Zal ik u vergelijken met een zomerdag?
U bent mooier en meer teder,
Kille wind laat de bloemknoppen rillen,
en 's zomers tijd is veel te kort.

Soms schijnt het oog van de hemel te fel,
En vaak zijn zijn gouden zonnescherven gesluierd,
En al wat mooi is zal gedoemd zijn te vergaan,
Door de speling van, of de wetten der natuur.

Maar uw eeuwigdurende zomer zal nooit vervagen,
Noch de schoonheid die u bezit,
De dood zal u nooit in zijn schaduw trekken.

Wanneer u in de oneindige lijnen van tijd groeit:
Zo lang men nog ademt, als ogen nog zien,
Zo lang leeft dit, en gaat u nooit verloren.



SONNET XVIII by H. Moulijn-Haitsma Mulier, 1923


Zoo schoon als zomers mooiste dag zijt gij,
Lieflijker nog en edler van gebaar,
De wind schudt ruw de bloesems van de Mei,
Te korte bloei brengt zomer in gevaar;

Dan gloeit het oog des hemels brandend heet,
Dan is het helder oppervlak befloersd,
Alsof elk schoon, om schoon te zijn, vergeet,
Door toeval of door wisseling ontkoersd.

Maar eeuwig is uw zomer en zijn duur,
Geen schoonheid worde ooit in u gekwetst,
Vrij bralle Dood op ’t komend stervensuur,
In eeuwge lijnen zijt g’in Tijd geëtst:

Zoolang de mensch bestaat, het oog hem dien’,
Leeft ook dit Beeld, waarin hij u zal zien.



SONNET XVIII by W. van Elden, 1959


U vergelijken met een zomerdag?
Neen, lieflijker en zachter nog zijt gij:
De meiwind striemt de knoppen slag op slag
En o, de zomer vliedt te snel voorbij.

Soms worden wij door 't hemelsoog verschroeid
En dikwijls is zijn gouden gloed verduisterd;
Al 't schone heeft zijn tijd dat het niet bloeit,
Door 't wislend kansspel der natuur ontluisterd.

Uw zomertijd zal echter nooit vergaan
Noch zich ontdoen van 't schone in u verkregen;
Nooit zal de dood zijn schaduw om u slaan,
De toekomst groeit ge in eeuw'ge verzen tegen:

Zolang als er nog iemand ziet en hoort,
Leeft ge in mijn verzen met mijn verzen voort.



SONNET XVIII by Max Nord, 1987


Kan ik zeggen: als een zomerdag zijt gij?
Gij die veel lieflijker en zachter zijt;
Ruw weer bedreigt de knopjes nog in Mei,
De zomer heeft maar al te kort de tijd:

Soms schijnt het oog des hemels al te fel
En dikwijls is zijn gouden kleur vervaald:
Van alle schoon kwijnt schoonheid veelal snel,
Door niets, de tol aan de natuur betaald.

Uw eeuwige zomer slechts zal niet vergaan
Noch het schoon verliezen dat gij zelve zijt,
Noch zult gij ooit, ooit in Doods schaduw staan
Als gij in eeuwige regels groeit in tijd.

Zolang de mens de adem wordt gegeven
Zolang leeft dit, en dit geeft u het leven.



SONNET XVIII by H.J. de Roy van Zuydewijn, 1997


Moet ik je met een meidag vergelijken,
die lang zo mild en minzaam niet kan zijn?
Rukwin doet het teer waas van knoppen wijken,
en al te kort telt zomers pachttermijn.

Soms staat te heet het hemeloog te schijnen,
vaak dooft opeens zijn gouden lichtglans uit;
eens zal elk schoon zijn schoonheid zien verkwijnen,
door tij of toeval in zijn groei gestuit.

Maar in geen eeuwen taant jouw zomerpracht,
noch raak je daarvan het bezitsrecht kwijt,
nocht pocht Dood dat jij ronddoolt in zijn nacht,
als jij in eeuwig dicht vergroeit met tijd.

Zolang de mens nog ademhaalt en ziet,
zolang leeft dit, en leef jij in dit lied.



SONNET XVIII by Erik Honders, 2007


Een zomerdag en jij: wie wint?
Hoe lieflijk, liefste, houd jij maat.
Een storm is bloesem kwaadgezind,
En zomer komt en zomer gaat.

Soms is het hemeloog te heet,
Zijn gouden kop vaak niet in beeld,
Het moois voorbij voordat je 't weet,
Als wolk of herfst de schoonheid steelt.

Jouw zomertooi behoudt zijn glans,
Jouw bloemknop raakt nooit uitgebloeid,
De Dood maakt evenmin een kans,
Wanneer jij híer geregeld groeit.

Zolang men ademhaalt en leest,
Leeft in mijn letters ook jouw geest.



SONNET XVIII by C.W. Schoneveld, 2010


Zal ik jou prijzen als een zomerdag?
Veel kalmer en veel lieflijker ben jij.
Door meiwind ruw raakt tere bloei van slag
En zomer's pacht is al te snel voorbij;

Bij wijlen schijnt het hemeloog te heet,
En dikwijls wordt zijn gouden blos gedempt,
Eens komt de tijd die aan de schoonheid vreet,
Door 't lot, of wending der natuur ontstemd;

Maar jouw tijdloze zomer zal niet gaan,
En nooit onterfd zijn van je fraai domein;
Al snoeft de dood, zijn schim zul jij weerstaan,
Door tijdeloos met vers in groei te zijn.

Zo lang als ogen zien of adem zweeft,
Zo lang leeft dit, dat aan jou leven geeft.



SONNET XVIII by Coenraedt van Meerenburgh, 2012


Jou vergelijken met een Zomerdag?
Gematigder en mooier nog ben jij.
Een Zomer boet te snel in aan gezag,
De ruwe wind schudt bloesem los in mei.

Soms schijnt het oog der hemelen te heet,
Vaak is zijn gouden aangezicht gedimd,
Op al het fraais komt vroeg of laat de sleet,
Bij toeval, of als iets in leeftijd klimt.

Niets kan jouw eeuwig Zomertij vernielen,
Dat fraais van jou neemt niemand je nog af,
En ook de dood zit jou niet op de hielen,
Door dit gedicht ontgroei je aan je graf,

Zolang men adem heeft of ogen zien,
Zolang leeft dit, en leef jij bovendien.