Reisverslag;
"Ere Sobat van de
Verbindingsdienst"
Verbindingsdienst
“X”-Brigade

op
Oost-Java.
De
opleiding
Met
het doel om uitgezonden te worden naar het voormalig Nederlands Oost-Indië,
hierna aangeduid als Indonesië, werd door het korps Verbindingstroepen een speciale eenheid voor deze opdracht
geformeerd. Deze eenheid bestond aanvankelijk grotendeels uit oorlogsvrijwilligers, met daarbij enige
reserve officieren, die voordien in
de jaren vóór 1940 als dienstplichtig militair opgeroepen waren.
De
oorlogsvrijwilligers waren onderverdeeld in een tweetal groepen, zij die bij de
school voor Verbindingstroepen in den Haag gelegerd waren en in de Frederikkazerne, kregen een gerichte technische
opleiding als verbindingen specialist. Ondermeer als lijnwerker,
radiotelegrafist, radiomonteur, ordonnans, berichtencentrum-personeel,
chauffeurs en monteurs voor het rollende materiaal.
Daaraan
was toegevoegd een eenheid welke een speciale gevechtsopleiding had ondergaan,
geïnstrueerd door instructeurs van het korps
Commandotroepen. Deze opleiding werd gegeven in het opleidingskamp "Vilheide" te Mill en
eenzelfde opleiding te Wanrooy (noord brabant).
Na
afsluiting van de training werden zij overgeplaatst naar den Haag en ingedeeld
bij het korps Verbindingstroepen en tijdelijk gelegerd in de Alexanderkazerne. Deze groep van
oorlogsvrijwilligers werd later voornamelijk ingezet als chauffeur of als
motorordonnances. Daartoe geplaatst bij de verschillende Verbindingsafdelingen,
welke later weer verspreid werden over de diverse brigades met hun operatie
gebied over de gehele archipel.
Uit
de groep die een technische opleiding tot verbindingsspecialist gevolgd hadden,
werden een aantal geselecteerd om in aanmerking te komen voor een
kaderopleiding. Deze opleiding werd gegeven in de Frederikkazerne, de Frederik
en de Alexanderkazerne, staan met hun ingangspoorten pal tegenover elkaar ter
weerszijden van de straat die, beide kazernes van elkaar scheidt.
Zodra
de opleidingen, in het bijzonder die van de Verbindingspecialisten voltooid
waren, werd iedereen ondergebracht in een quarantainekamp,
gelegen achter de Frederikkazerne. Dit kampement bestond uit een aantal
tweepersoons tenten met daarbij centraal geplaatst een grote commandotent.
Commandant
van deze Verbindingseenheid was de grootmajoor A. van Ramshorst.


Het
enige gerief dat wij hier in het tentenkamp hadden, was een ijzeren krib met
een matras en wat dekens. Gedurende ons verblijf in dit kampement kregen wij de
nodige injecties en een pokkenvaccinatie, van deze pokkenvaccinatie waren er
heel wat jongens enige dagen behoorlijk ziek geweest.
Zo
tegen het einde van ons verblijf in dit kampement begon de weersgesteldheid
onaangenaam te verslechteren,
veel regen en harde windstoten, die menige tent in de al
gevorderde avonduren van zijn plaats rukte. De periode dat wij daar in quarantaine werden gehouden was van 1
september t/m 4 oktober 1946.
De
volgende dag, zaterdag 5 oktober,
gingen wij met trucks van de Verbindingsschool, naar het Hollandspoor in den
Haag, om vandaar uit met de trein naar de inschepingschaven
Amsterdam te vertrekken. Maar voordat het zover was dat de tweede afdeling op het station
verscheen, werd één van de compagniescommandanten geconfronteerd met de
omstandigheid, dat er bij zijn compagnie een tweetal mensen te voorschijn
kwamen, die bij het vertrek uit het quarantainekamp waren ondergedoken. Een bezigheid die zij in de oorlogsjaren kennelijk
goed hadden leren beoefenen. Dit tweetal was namelijk om een af andere reden
niet geschikt bevonden voor uitzending naar Indonesië.
De
beide onderduikers moesten terug en met de wagen van de school
Verbindingstroepen liet de kapitein dit tweetal afvoeren en zo gebeurde dat, tenminste dat dacht hij.
![]()
De aanvang van
de “uitreis”
Dan
gaan wij aan boord van de s.s. "Johan van
Oldenbarnevelt" en bij deze inscheping kregen wij als een laatste
groet uit het Vaderland een pakje "Camel" sigaretten uitgereikt. In
de loop van de dag vindt de afvaart plaats via het Noordzeekanaal en de
Noordzee, naar Southampton in
Engeland.
Nog
geruime tijd, was de kust van Nederland vanaf het dek goed waarneembaar. In de ochtend van 7 oktober omstreeks acht
uur, kwamen wij voor de kust van Engeland aan, na eerst nog de krijtrotsen
vanaf het schip te hebben bezien.
De
eerste stuurman aan boord van de s.s. "Johan van
Oldenbarnevelt", was de heer Gerben
Hobma, echtgenoot van mevrouw T.Y.
Hobma-Glastra schrijfster van het boek "Bandjir",
genoemd in de lijst van geraadpleegde literatuur voor dit verhaal.
Tijdens
de overtocht waren er al velen die hun eerste ondervinding hadden, van wat het
was en hoe het voelde om zeeziek te zijn.


De
beide onderduikers waren tijdens de overtocht weg en bleven weg. Totdat wij in
Southampton ontscheept en opgesteld werden op de kade, daar stonden plotsklaps ook heel triomfantelijk de
beide verstekelingen, die de overtocht als blinde passagier hadden meegemaakt.
Uiteindelijk zijn zij wel meegegaan naar Aldershot,
maar wat er nadien met hen gebeurd is,werd niet meer
bekend.
In
Aldershot werden wij gehuisvest in de Ramilliesbaracks,
waar een aantal stenen barakken stonden met daarbij de accommodatie voor de
administratieve diensten, een kazerne complex in Engelse stijl.
Gedurende
ons verblijf daar werden wij in diverse groepen geformeerd met de bedoeling om
in Indonesië aan de verschillende daar reeds aanwezige
brigades te worden toegevoegd. Ook werden wij hier in Engeland uitgerust met
het tropenuniform en een technische uitrusting, welke laatste ons per boot
vooruit ging met bestemming Indonesië.
De
tijd dat wij hier in Engeland verbleven is naast het in ontvangst nemen van
onze uitrusting, mede bedoeld om te wachten op het sein van
hogerhand, zodat ons vertrek naar Indonesië kon plaatsvinden.
Om
deze periode zo goed mogelijk te benutten, werden er verschillende commissies
samengesteld, dat waren ondermeer de commissies
van "Ontspanning",
"Algemene scholing", "Technische scholing",
"Geestelijke verzorging", "Algemene zaken", “Lichamelijke
verzorging" en een commissie V.P. voor de uitgave van ons orgaan De Verbindingsexpres.
De
commissie "Algemene scholing" gaf cursussen Russisch, Spaans en
natuurlijk ook Maleis.
In
de weekeinden benutten wij het door ons daarvoor aangevraagde verlof om naar Londen te gaan. Dit is voor ons na vijf
jaren oorlog een hele belevenis, want in die jaren was het immers vrijwel
uitgesloten om je vertier te zoeken buiten de eigen woonplaats, laat staan buiten
de landsgrenzen.
Het
ontbijt dat wij ‘s ochtends kregen was heel anders dan wat wij gewend waren,
het was typisch Engels, als beleg
steevast de marmeladejam, de bacon met gebakken eieren
en de oer Engelse thee met veel melk erin.
Zodra
wij permissie kregen om buiten het kampement te gaan,
hebben wij een weekend verlof aangevraagd en zijn wij, vijf man sterk, van 20
tot en met 23 oktober 1946 naar Londen gegaan. Aan deze trip deden mee,
beginnend op het einde van het groepje, Jaap
B., Henk O., ikzelf, Nico S., en Eugéne H. (was de fotograaf).


Staande
bij de trein en bushaltes werd je geïmponeerd door de uiterste beleefdheid van
de Engelsen, niemand zou ook maar enige moeite doen om voor zijn beurt plaats
te nemen. Bij het busvervoer was het zelfs zo, dat men bij iedere halte altijd
één plaats vrijhield, zodat bij de volgende halte er toch in ieder geval nog
één passagier meekon. Om gebruik te kunnen maken van de ondergrondse en de
dubbeldeksbussen, was voor ons toen een hele belevenis en een grote
bijzonderheid.
Overnachten was mogelijk in de
ondergrondse, tijdens de oorlogsjaren daarvoor speciaal ingericht. ‘s
Morgens werd je daar met muziek gewekt, wat voor ons na alle beperkingen in de
bezettingsjaren een absoluut novum was. Maar het meest aantrekkelijke om hier
te overnachten was voor ons de zeer billijke prijs die gerekend werd. Bovendien
was dit centrum alleen toegankelijk voor militairen, eten deden wij in de club
van de Y.M.C.A.
Toch
waren wij er niet rouwig om, dat het moment van vertrek uit Aldershot naar
Indonesië was aangebroken, want door het vorderen van het jaargetij begon het
in onze barakken, wat de temperatuur aanging, merkbaar minimaal te worden. Dit
werd nog verergerd door de vele ruiten die stuk waren
en van enige verwarming was geen sprake, het was inmiddels wel eind november.
![]()
Overtocht
en aankomst in Indonesië.
Zaterdag 23 november 1946 vroeg in de
ochtend vertrokken wij wederom met de trein naar de haven van Southampton, om
ingescheept te worden op de m.s.
"Kota-Inten" (= Diamanten-Stad).
De
Kota-Inten was van oorsprong een kleine vrachtboot met een
beperkte passagiers accommodatie, welke omgebouwd is tot een
troepentransportschip, als eerste marconist was aangesteld de heer A.W. Belt.
In
de ruimen waren standie’s
aangebracht, een buizenframe waartussen een stevig canvasdoek was gespannen,
welke dienen als slaapplaatsen, drie hoog met smalle looppaden tussen deze
constructies door. Op het voorste gedeelte van het schip was de eetzaal, deze
was daardoor alleen bereikbaar via het bovendek.

Zodra
wij in het vaargebied van de Golf van
Biskaje of ook wel genoemd het "Zeemansgraf"
waren aangekomen, kregen wij zwaar weer te verduren.
Een
storm met een windkracht van 11 tot 12,
waarbij het schip, als de achtersteven boven de golven getild werd, in al zijn
voegen en geledingen begon te trillen en te kraken. En als op hetzelfde moment
de schroef, wanneer deze boven het water vrij kwam, evenzo angstaanjagend begon
te razen, sidderen en te dreunen, dan was het alsof het hele schip in de
laatste momenten van zijn bestaan verkeerde. Iedere keer wanneer de boot met
zijn voorsteven tegen de golfslag indook, verspreidde zich een grijze mist van
uiteen spattend water over het dek heen.
Om
te voorkomen dat niemand over de reling van de boot heen geblazen werd, was het
bovendek met dikke touwen afgezet, zodat men een goed houvast had en er een
afgebakend looppad was, via welke men veilig, maar wel nat, naar de eetzaal kon
komen. Veel animo is daar echter niet voor, omdat de meesten goed zeeziek zijn en daardoor totaal geen behoefte
aan eten hebben. Voor degenen die er iets beter aan toe zijn, werd door hun
slapies wat te eten meegenomen vanuit de eetzaal.
De
storm was zo hevig dat de kapitein van het schip, volgens zeggen, overwogen
heeft of het niet beter zou zijn om te proberen een haven aan te doen en daar
te wachten totdat het weer enigermate beter zou worden.
Zodra
wij de Golf van Biskaje gepasseerd waren en ter hoogte van Gibraltar voeren, werd het weer allengs beter en de temperatuur
hoger. Dan komt iedereen vanuit de ruimen te voorschijn en installeert men zich
op de dekluiken, wat de enige redelijke accommodatie aan boord was om te kunnen
zitten.
Ook
kwam onze commandant de kapitein B., of
veelal genoemd als "de snor", weer te voorschijn en het is dan
dat ik mijn eerste conflict met hem heb. Dat ging over een aangelegenheid die
in feite van geen enkel belang was op dat moment. Zoals in voorgaande regels reeds aangegeven, was onze commandant toegerust met een
snor, welke "snor" kennelijk ten dienst had om zijn mannelijke
heldhaftigheid enigermate te versterken.
En
zoals later in Indonesië zou blijken, niet geheel ten
onrechte, want zodra de shorts op kniehoogte en de shirts met korte mouw
gedragen werden, bleek eerst met recht, dat zijn armen en benen meer
overeenkomst hadden met een skelet dan iets van een normale omvang. Ook zijn
hoofd was in verhouding met zijn lichaam, die wél enigermate robuust was, klein en met een
popachtige uitdrukking. Enige onderstreping van zijn gehele voorkomen, kon hij
dus zeer goed gebruiken.
Aan
boord was ook een eenheid van de
Infanterie aanwezig, die ten tijde van de oorlogsdagen van de tweede
Wereldoorlog als dienstplichtig militair hebben gediend. Onder hen waren er
enigen, die in die dagen onze commandant "de
snor" als commandant hebben gehad. Hetgeen
zij ons vertelden over de wijze hoe deze toen heeft gefunctioneerd, gaf ons
toch wel de nodige argwaan ten aanzien van zijn persoonlijkheid en bekwaamheid.
Bij
het passeren van de evenaar werd heel plechtig "Neptunus" met zijn staf geïnstalleerd, om enkele individuele
personen de rituele doop toe te dienen. Daarna volgde een symbolische doop voor
alle opvarenden, doormiddel van een krachtige waterstraal welke over het gehele
dek werd gespoten. De accommodatie van het schip was te beperkt om een uitgebreid persoonlijk dopen te laten plaatsvinden, maar
in ieder geval werd er aan de traditie voldaan door een wat meer beperkte
ceremonie uit te voeren.
Veel
vertier aan boord van de Kota-Inten hadden wij overigens niet tijdens onze
overtocht naar het voormalig Nederlands Indië, mede vanwege voornoemde reden,
totdat wij in Port Said aankwamen.
In deze
havenstad gingen wij enige tijd voor anker om water en olie te bunkeren. Er was
een levendige handel met kooplui, die met hun bootjes om de Kota-Inten aan de
achterzijde van het schip heen zwermden. Lange touwen werden vanaf de bootjes
naar de reling van de Kota-Inten gegooid, het eind werd onder de reling aan de
achtersteven doorgehaald en teruggegooid naar de bootjes. Men heeft dan een
soort katrol, waarbij aan het touw een tas is bevestigd, waarin de verhandelde
goederen naar het schip worden getransporteerd, met veel geschreeuw, loven en
bieden brachten zij hun koopwaar aan de man. In de namiddag kwam ook nog een
goochelaar aan boord, zo te zien zonder goochel attributen, doch die op een
gegeven moment overal zijn kuikentje vandaan toverde. Uit zijn hoed, jas en
broek, overal kwamen deze beestjes te voorschijn, onder het uitspreken van een
stortvloed van onverstaanbare woorden en klanken, tot groot vermaak van
iedereen.
Vele
jaren later na onze terugkeer in Nederland, heb ik nog eens gelezen, hoe deze
goochelaar al midden in de jaren dertig, dus circa 1935, al deze trucs in de
stad Port Said en op binnenkomende schepen voor het publiek vertoonde.
De keerkring werd gepasseerd op 5
december 1946, vergezeld van de nodige ceremonieën als eerder beschreven.
Na verder een heel goede vaart te hebben gehad, gingen wij op 19 december door de straat Soenda met aan bakboord, dat
is aan de linkerzijde van het schip, de zuidkust van Sumatra met de krater Krakatau, een nog werkende
vulkaan. In de namiddag kwamen wij voor de rede van Tandjong Priok aan en gingen daar buitengaats voor anker.
In
de vroege ochtenduren van vrijdag 20 december, omstreeks acht uur bij het
opkomen van de zon, werd het anker gelicht, het schip in de juiste positie
gebracht en voeren wij de haven van
Batavia, Tandjong Priok binnen. De eerste aanblik van de haven is er een
van, met slechts een enkele grote roestige golfplaten loodsen, die op de kade
staan, welke kennelijk dienst doen als ruimte om goederen te kunnen opslaan.
Verder vrijwel geen kranen om de schepen te kunnen lossen en laden, dit
gebeurde uitsluitend doormiddel van mankracht, die met
een bepaald ritme en een eigen tempo het lossen en laden uitvoerden.

Daar
op de kade was inmiddels een militair muziekkorps aangetreden en al druk in de weer om allerlei
marsmuziek ten gehore te brengen en bij het aanmeren van de Kota-Inten werd ter
verwelkoming het volkslied gespeeld.
Nadat vervolgens de nodige woorden van welkom vanaf de kade waren gesproken,
vond de ontscheping plaats.
Op
de kade werden wij opgesteld in de formaties zoals de indeling bij de verschillende
brigades zou zijn. De blakende tropenzon, die wij toen voor het eerst ervaart
hebben als een ongenaakbare koperen ploert die op een onbarmhartige wijze zijn
licht en warmte verspreidde, stond al hoog aan de hemel. Terwijl wij daar stonden, in
afwachting van de dingen die komen moesten, liep het zweet inmiddels
met dunne straaltjes over ons gezicht. Alsof het vandaag gebeurd is, herinner
ik mij hoe dit zweet over de wenkbrauwen heen in de ogen terecht kwam en een
onaangenaam bijtend gevoel veroorzaakte. Hoe meer je begon te wrijven, hoe
erger dat bijtende gevoel er was, iedereen zweette!


Maar
na enige tijd, zodra alles akkoord was bevonden, gingen wij weer aan boord maar
nu op een boot van de Koninklijke Paket
Maatschappij (K.P.M.) de s.s.
"Plancius". Ook de afdeling welke bestemd was voor indeling bij
de "T"-Brigade te Semarang, werd op de Plancius
ingescheept.
Om
twaalf uur ‘s middags, op zaterdag 21
december was de afvaart, hetgeen stond aangegeven
op een bord aan dek. Tot aan die tijd was men vrij om zo men wilde, te gaan
passagieren in Batavia.
Tegen de aangegeven tijd, was een ieder die was wezen passagieren
weer aan boord terug, echter niet onze commandant "de snor", de luitenant K., en een tweetal manschappen.
Op
het allerlaatste moment toen de Plancius al in volle zee was aangekomen, kwam
"de snor" in vliegende vaart aangerend. Wanhopig proberende om een
van de loodsbootjes te bewegen om hem alsnog naar de Plancius te varen. En na
wat heen en weer gedraaf en de nodige armzwaai bewegingen lukte dit wonderwel.
Puffend
en ploffend kwam het bootje langszij gevaren en kon de snor via de noodtrap
langs de zijwand van het schip neergelaten, aan boord komen. Intussen was er al
een luidruchtig gejoel losgebarsten, toen wij zagen wie of daar zo op het
allerlaatst nog aankwam en dat temeer omdat dit
notabene de commandant was.
Zodra
wij ons enigermate aan boord geïnstalleerd hadden, was onze eerste gang, het
gaan naar de wasgelegenheid. Deze bestond uit een vierkantig bassin, van waaruit met een blikje het water geschept moest
worden en om dit vervolgens over je lichaam uit te gieten, daarna inzepen
en tot slot afspoelen. Doordat menigeen niet op de hoogte was van de wijze hoe
dit moest gebeuren, wilde men compleet in het bassin stappen. Gelukkig werd dit
tijdig verijdeld door enige oud Indië-gangers onder ons, die met de gebruiken van het mandiën op de hoogte waren.
De
volgende dag zondag 22 december,
kwamen wij voor de rede van Semarang
aan, hier vond de verscheping van de Verbindingsafdeling, ingedeeld bij de
"T"-Brigade, plaats. Omdat Semarang geen haven heeft, moesten zij met
een landingsvaartuig (L.S.T.) aan
land gebracht worden.
Maandag 23 december, onze
aankomst in de haven van Soerabaja,
Tandjong Perak, waarna onze ontscheping volgde en het vervoer naar ons
eerste kwartier in Indonesië. Degenen die in Batavia ook te laat terug waren
zijn de volgende dag aangekomen en gelukkig voor hen, konden zij niet berisp
laat staan gestraft worden, omdat "de snor" zelf ook niet vrijuit
ging.
De
eerste indruk die wij kregen van Soerabaja, toen wij vanuit de haven met trucks
naar de van Hogendorplaan gebracht
werden, was dat dit een stad was, gebouwd ter weerszijden van de hoofd verkeersader, waardoor deze stad het uiterlijk had
van een stad te zijn, als een langgerekt lint, een lang snoer, reikend van het
zuiden tot het noorden. Bij nadere verkenning deed deze stad zich tevens kennen
als een levendige handelsstad, dit in tegenstelling tot Batavia, die in
hoofdzaak een kantoren stad met daarbij het
regeringscentrum is.
Het
klimaat in Soerabaja was warm, een vochtige warmte, met vooral ‘s avonds een
benauwde atmosfeer en dit vooral tijdens de natte moesson. Bij de minst geringe
lichamelijke inspanning was het gelijk al overmatig transpireren, hetgeen zich liet tekenen door een grote vochtplek in de
kleding, voornamelijk op de rug. Iedereen die even in beweging was geweest, had
dit kenmerk onvermijdelijk bij zich. Door het overmatig
transpireren, hebben sommige jongens, na enkele dagen al gauw een hinderlijke
last van jeuk rondom de middel, het enige wat je er tegen kon doen, was zo
min mogelijk schuren of krabben, om zodoende het niet te verergeren door een
verdere uitbreiding van de kwaal.
Na
onze aankomst mogen wij dan ook eerst enkele dagen wat acclimatiseren, om
enigermate te kunnen wennen, aan deze toch wel beklemmende en voor ons ongewone
klimatorische omstandigheden. Daarna werd iedereen ingedeeld en ingezet in
overeenstemming met zijn technische opleiding en vaardigheden. Een groep lijnwerkers voor het in stand houden en
uitbreiden van de telefoonverbindingen.
Radiotelegrafisten om
de radiosets te bemannen en in het verlengde daarvan het berichtencentrum om de
berichtgeving te coördineren.
Aan
het berichtencentrum waren toegevoegd, centralisten
en de motorordonnances,
om voor het expediëren van de berichtgeving te zorgen.
Verder een motor transport
onderdeel, (M.T.O.) dienst, met automonteurs en chauffeurs.
Voor de reparatie van alle elektronica was er een radiowerkplaats. Het geheel
van alle dienstvakken, geplaatst onder de commandostaf, bemant door een
kapitein met daaraan toegevoegd een tweede luitenant en een administrateur.
Later
werd de afdeling met nog enkele diensten uitgebreid, die op dat moment nog
nader worden omschreven.
![]()
De tussenliggende periode in
Nederlandsch-Indië, beginnende na het einde van de “uitreis” op 23 december
1946, tot de aanvang van de “thuisreis” op 8 oktober 1949, wordt uitvoerig
beschreven op de uitgebreide website waar ik u graag naar verwijs.
Website; Wij van
de verbindingsdienst “X”-brigade, op Oost Java ![]()
Aanvang van
de “Thuisreis”
Zaterdag 8 oktober 1949, het moment
was daar dat wij ons gereed moesten maken voor ons vertrek vanuit Malang naar Soerabaja.
Zondag 9 oktober,
‘s ochtends om zeven uur zitten wij reeds gepakt en gezakt
op de auto’s, die ons weg zullen brengen naar de Verbindingsdienst "A"-Divisie in Soerabaja. Om de laatste
formaliteiten, benodigd voor onze terugkeer naar Nederland te doen, blijven wij
daar tot en met maandag.
Vandaar
uit werden wij de volgende ochtend, weer met auto’s naar de haven Tandjong-Perak gebracht. De zondagavond
werd door vrijwel iedereen van ons, nog is even goed benut, om de bloemetjes
nog een keer rijkelijk buiten te zetten. Maar het moet gezegd worden,
toch wel zo, dat men weer tijdig binnen was en er geen enkele klacht vanuit de
"A"-Divisie kwam wegens vermeende
onordelijkheden. Alleen Wim Passenier was ietwat te laat, maar
hij heeft zijn binnenkomst zo weten te plooien, dat niemand van de buiten wacht
hier weet van had. Het
is natuurlijk ook wel erg verleidelijk en verlokkelijk, om weer eens even in
een stad als Soerabaja te kunnen rond gaan, een stad van waaruit men door de
vroegere legering daar, nog vele aanlokkelijkheden in zijn gedachten gang
heeft.
Voor
vertrek naar Batavia, werden wij op dinsdag
11 oktober ‘s ochtends om acht uur ingescheept op een boot van de K.P.M., de m.s.
"Merak" en de afvaart vond plaats in de namiddag om vijf uur.

Om
Dinsdagochtend zo ordentelijk mogelijk te kunnen vertrekken had ik iedereen
laten weten hoe vroeg men ‘s ochtends gereed moest staan en hoe de verdeling
zou zijn en op welke auto’s men moest plaats nemen. Waarbij eerst de
plunjezakken op de auto’s moesten worden geladen en daarna kon men dan zelf
plaats nemen. Bovendien
werd er een met de hand geschreven instructie op het daar aanwezige
mededelingsbord gehangen, hoewel men van de "A"-Divisie de
verwachting stelde, dat alvorens plaats genomen werd op de auto’s, er eerst
appél gehouden moest worden.
Ik
heb dit overbodige gedoe op eigen gezag achterwege gelaten, hetgeen
wel enig misnoegen in de hogere regionen van de "A"-Divisie tot
gevolg had. Maar de commandant Verbindingsdienst van de "A"-Divisie, majoor van Katwijk, was toch nog zo
ruiterlijk, om zijn adjudant naar de inschepingschaven
te sturen, met zijn complimenten voor de voortreffelijke en ordelijke aftocht,
zonder de door hun zo noodzakelijk geachte commando’s.
Ook wilde men eigenlijk een appél voor
de bedden, ‘s avonds voor het slapen gaan, maar ook dat hebben wij maar
gevoeglijk achterwege gelaten. Wel kwam er van de "A"-Divisie uit,
een officier van parket om zogenaamd
een en ander te controleren, maar dat hield ook niet zoveel in, gezien zijn
onbekendheid met onze afdeling. Mijn motief om deze appéls
achterwege te laten was mijn overtuiging, dat het toch wel wat mal is om
mensen, die in de drie achterliggende jaren veelal zelf zoveel verantwoording
en beslissingen op eigen initiatief moesten nemen, daar op het laatst nog eens
in rijen van drie te zetten om bij toerbeurt present te laten roepen bij het
afroepen van hun namen. Bovendien was de getalsterkte van de groep op dat
moment totaal zeven en dertig personen, dus was er ook geen sprake van dat er
onvoldoende overzicht zou zijn.
Op
het laatst kwamen te Batavia er nog drie jongens, die tijdelijk bij een ander
onderdeel geplaatst waren geweest, bij, Onder meer Jan Akkerman en Willem Breider, die beiden
bij de Marine Luchtvaart Dienst. (M.L.D.) geplaatst waren geweest en Nico Snel.
Evenals tijdens onze heenreis gingen wij ook nu weer voor anker ter hoogte van
de rede van Semarang, om daar op dezelfde wijze, doormiddel van een
landingsvaartuig, de mannen van de "T"-Brigade aan boord te nemen en
gezamenlijk de vaart naar Batavia te vervolgen.
Op donderdag 13 oktober, was de aankomst
in de haven van Tandjong-Priok, om acht uur in de ochtend, waarna ontscheping
en vervoer naar Batavia plaats vond. Na onze aankomst te Batavia, werden wij
ondergebracht in de Koning Willem III
kazerne, voor de oorlog de H.B.S. met dezelfde naam, een oud gebouw met
weinig voorzieningen en comfort. Maar dat deerde ons minder, in de
achterliggende jaren hadden wij al zoveel moeten ontberen, zodat dit ons
eigenlijk helemaal niet meer opviel. De dagen van ons verblijf daar werden
benut voor het verstrekken van uniformen geschikt zijnde voor het Nederlandse klimaat. Pasfoto’s
werden gemaakt ter completering van onze repatriëring papieren.
De
avonden waren een goede gelegenheid om nog eens goed uit te gaan, waarbij
gelijktijdig de nog in ons bezit zijnde Indonesische valuta kon worden opgemaakt.
Eventuele restanten konden ook ingewisseld worden, doch het merendeel gaf er de
voorkeur aan om het ter plaatse te besteden.
Kort
voor ons vertrek naar Nederland, arriveerde de in rechten betrokken jongste
chauffeur alsnog in Batavia, gelijktijdig met de waarnemend
chauffeur van de kapitein, Geert Bleeker,
om met ons de terugreis naar Nederland te maken.
Zaterdag 29 oktober om zes uur
werd de inscheping op de s.s. "Volendam" een feit, en op
zondag 30 oktober om tien uur voor de middag, maakt de Volendam zich van de
kade los en was de terugreis begonnen.

Zondag 6 november passeren
wij tussen zes en elf uur voormiddag Ceylon,
het huidige Srilanka, op dat moment dringt het besef tot je door dat je op
dat moment afscheid neemt, van de tropische sfeer met haar kleur effecten,
zoals wij die in de dan achter ons liggende jaren gekend hebben.
Hoewel
het gehele vaarschema van de overtocht naar Nederland op een der laatste
bladzijden van dit boekje is opgenomen, zou ik toch één bepaalde gebeurtenis er
uit willen lichten. Dat is de dag van 14
november 1949, toen wij in de morgen
om 5.30 uur tijdens de doorvaart van de Rode Zee de m.s.
"Willem Ruys" passeerden. Toen het bericht van deze passage werd
verspreid, ging iedereen naar de boordzijde van het schip om hiervan getuige te
kunnen zijn.
Echter doordat een zo’n grote massa zich op één boordzijde concentreerde, begon de Volendam vervaarlijk naar één
zijde over te hellen, met het gevolg dat het schip een moment onbestuurbaar
was. Al gauw volgde, via het omroepsysteem, een oproep van de C.O.T. (commanderend officier troepen),
dat men zich direct over het gehele schip moest verspreiden.
Het
toeval wil, dat ook de groep dienstplichtigen die voor aanvulling en aflossing
bij onze Verbindingsafdeling werden ingedeeld, tijdens hun overtocht naar
Indonesië in april 1948, eveneens met de m.s.
"Volendam" dezelfde ervaring tijdens de passage, evenzo met het m.s. "Willem Ruys" hadden, een gebeurtenis met toch wel een
aardige gemeenschappelijke ervaring. Na
een vaart van twee en dertig dagen, komen wij in de haven van Rotterdam aan
en worden vervolgens gedebarkeerd en per bus huiswaarts gebracht.
Alvorens
wij het schip konden verlaten, werd er door een militair muziekkorps marsmuziek
ten gehore gebracht en het Wilhelmus
gespeeld. Hierna volgden de toespraken, ondermeer door de minister van oorlog, de heer Schokking, die betoogde dat men in het
Nederland van nu, geen grote behoefte had aan werkers met witte boorden. Er
moest immers nog veel gebouwd en hersteld worden, als gevolg van de tweede wereldoorlog.
Als ik het goed heb kunnen bespeuren vanaf de reling op het
schip, droeg de minister een blauw gekleurd overhemd, mogelijk om een fluitconcert of een hevig boeh geroep, vanaf het
troepentransportschip te voorkomen, bij het uitspreken van zijn toespraak over
de witteboorden.
De militaire top was ook zeer goed
vertegenwoordigd, want het was op de kade een druk geparadeer van talrijke
sterren met balken. Voordat wij in de bussen gingen zitten, kregen wij een
verlofpas en een vrijvervoer, te gebruiken voor alle soorten van openbaar
vervoer uitgereikt, geldig voor twee en veertig dagen, ingaande
29 november 1949.
![]()
De
hierboven beschreven reisverhalen, heb ik met toestemming van “De sobats van de
verbindingsdienst “X”-brigade” mogen plaatsen.