|
Deze website geeft een essay over een filosofie die ons kan helpen te komen tot een meer zinvol en harmonieus bestaan in relatie tot de ons omringende natuur en kosmos. Het betreft een voorstel van uitwerking van het concept 'logos', zoals dat teruggrijpt op het denken van de filosoof Heraclitus. Voor deze logos probeer ik plausibel te maken het principe aos, dat met uitersten als ik en ander, ratio en intuïtie, en cultuur en natuur, wijst op een creatief midden, op basis waarvan het mogelijk is onze creativiteit te zien als ingebed in een creatief universum. Het is aldus dat dit aos ons uitnodigt mee te werken aan de verdere ontplooiing van deze kunst in wording.
Aos, variatie en omega Over de wereld als kunstwerk in wording Benedict Broere
De hierna volgende tekst is een samenvatting en verdere uitwerking van de artikelen over aos gepubliceerd in GAMMA, het tijdschrift van de Stichting Teilhard de Chardin. © Benedict Broere, 1996-2011, Nederland.
"… wie u trouw blijft, weet hoezeer geneest het peinzen, dat bij u te rade gaat, -- En zoekt en buigt zich over, tot hij leest de zin, die in uw stroom geschreven staat." Ida Gerhardt, uit het gedicht 'Troost der rivier' *P. Sars en P. van Tongeren (red.), Zin en Religie. Wijsgerige en theologische reflecties rond de zinvraag, Ambo, Baarn, 1990, p. 113.
"De logos toont ons de zinvolle samenhang, de betekenis van het geheel wordt door de logos blootgelegd." Charles Vergeer *Charles Vergeer, Over het begin van de filosofie, Damon, Best, 1996, p. 45.
"Wijsheid ontstaat wanneer mensen vanuit de extremen in het midden terugkomen." Peter Sloterdijk *Interview 'Weisheit' op Youtube.
INHOUD
Inleiding 1 'Chaos' en Aos 2 Het concept 'Logos' 3 Onze gebroken werkelijkheid 4 Is onze creativiteit een variatie op aos ? 5 Zijn wiskunde en natuur een variatie op aos ? 6 Creatieve cultuur in creatieve natuur 7 Medeschepper, co-creator
Inleiding
Uitkijkend op de natuur van een mooi park, het park Sonsbeek in Arnhem, dat al rijksmonument is sinds 1963, zitten daar A en S op een bankje, met voor zich een meer en aan de rand daarvan een forse rij bomen, en in het water vele kwakende eenden en enkele zwanen, en ook nog een paar voorzichtig rondtastende waterkoeten. Het is vooral S die verbaasd kijkt naar de grote diversiteit in die natuur, maar die ook de indruk heeft dat het allemaal één ding is, één wereld, één leven. Waartegen A veel meer aandacht heeft voor de delen die hij ziet en die hij ook, zij het wat routineus en bijna onverschillig, weet te benoemen met een 'kijk dit is dit en dat is dat', zodat elk aspect van wat hij ziet z'n eigen naam heeft en verhaal. Het maakt dat voor de één het park haast is als een schilderij waar je in zit en in opgaat, waarnaast voor de ander het park is als een verzameling interessante details, die één voor één uit het geheel zijn op te nemen en waarover elk apart een eigen verhaal is te vertellen. Het is aldus zeer verschillend, dit ervaren, van enerzijds A en anderzijds S, zoals dat ook blijkt in het volgende vragen: "Wat is", zo plotseling S, "de zin van het leven? Wat is de zin van bestaan van al deze natuur?" "Is dat niet een wat onzinnige vraag?", antwoordt A, ineens alert en bijna verontwaardigd. "Nee hoor," zegt S, "voor mij niet. Nog eens: wat is de zin van het leven? Wat is de zin van het bestaan? Wat is de zin van bestaan van jou, van mij, van de wereld, het universum, alles? Wat is de zin ervan dat het er allemaal is?" "Nou," zegt A, "het zal je teleurstellen, maar voor mij heeft het leven helemaal geen zin, zoals ook het bestaan in het algemeen geheel zonder zin is. Leven en bestaan, al wat is, het hele universum, het doet er niet toe, het maakt niets uit dat het er is of dat het er helemaal niet is. Het heeft allemaal geen betekenis in zichzelf. Het kan er net zo goed niet zijn. Zin, zin van leven, dat is iets, dat bedenk je voor je zelf, vanuit je zelf, wat je maar leuk vindt. Je hebt daar dat leven en bestaan helemaal niet voor nodig."
Nu was het de beurt aan S om zich verontwaardigd te voelen, of om eigenlijk een bepaalde gedeprimeerdheid te voelen, en een verlies van energie haast. Ze zuchtte en begon: "Maar A, wij zitten er in, wij bewonen dit leven, wij zijn als leven ondenkbaar zonder dit bestaan. Wij zijn er deel van, wij zijn er een vorm van, wij zijn een vorm van natuur in de natuur. En ik vraag mij af wat het eigenlijk allemaal voorstelt, waar het toe dient, wat de betekenis ervan is."
Vervolgens meldt zich nog iemand anders in deze samenspraak, ene 'O', een karakter dat meestal als laatste spreekt, maar dat dan met een spreken komt waarin het voorafgaande is verenigd op een hoger niveau. O begint aldus: "Is het misschien mogelijk dat 'zin' zich melden kan in verschillende vormen, en dat er een zin is die heel specifiek alleen de jouwe is, maar dat er een gelijkvormige maar meer algemene zin is die steekt in die veel grotere wereld waar we deel van zijn?" S: "Een zin waar je je naar behoefte op kan oriënteren of door kan laten inspireren?" A: "Of juist een zin die je op jezelf betrekt, als het je uitkomt, als je er iets in ziet." O: "Het zal iets zijn dat het gevoel geeft van 'thuiskomen', dat je aankomt op de plek waar je hoort te zijn, dat je je bestemming vindt. Het is dan moeilijk om het iedereen naar de zin te maken. Maar het is zeker niet onmogelijk te proberen een algemene zin te denken."
De zin van alles
Is het mogelijk meer thuis te komen in de wereld? Is het mogelijk meer te leven naar wie we zijn en waar we deel van zijn? Het is zeer wel mogelijk je thuis te voelen in je persoonlijke wereld, met op z'n minst een paar mensen om je heen die om je geven en met ook bezigheden die je werkelijk interesseren. Maar hoe is het gesteld met de wat grotere wereld, het grotere bestaan? Laten we zeggen: de natuur, de wereld, alles wat er is? Is het mogelijk je ook dààrin thuis te voelen, in die veel grótere werkelijkheid?
Het is beslist niet zo dat iedereen de wens ervaart daar een antwoord op te hebben. En het is ook zeker niet zo dat er een voor iedereen bevredigend antwoord te geven is op deze vraag naar de zin van het bestaan. Maar het vragen naar de zin van het leven, de zin van het bestaan, kan je in verschillende mate overkomen in heel verschillende fasen in je leven. En dan kan het gebeuren dat je heel intensief de vraag ervaart naar de zin van alles, van jezelf en van je leven, van alles dat daarin is en van het bestaan in het algemeen. Het gaat mij in dit essay om dit soort vragen: Wat is de diepere zin van alles? Wat is eigenlijk de betekenis van het bestaan? Waarom is alles zo intens bezig met er te zijn? Het lijkt een moeite er te zijn, het is er niet vanzelf. Maar waarom is het er dan? Waar is het mee bezig? Zin en betekenis doen zich voor als een deel 'thuis' is in een geheel, als je je bijvoorbeeld thuis voelt op je werk, als je je thuis voelt in je cultuur, en als je je als mens thuis voelt in het bestaan in het algemeen. Het betekent dat er zich in het verlengde van de vraag naar de zin van het leven nog heel andere vragen melden, bijvoorbeeld: Hoe kunnen wij het beste bestaan in deze wereld? Hoe kunnen wij het meest in harmonie zijn met dit bestaan? Wanneer zijn wij het meest in overeenstemming met het bestaan waar we deel van zijn? Wanneer wordt ons afgestemd zijn op die werkelijkheid het meest bevestigd door juist die werkelijkheid, dat wij werkelijk thuis zijn daarin, dat we in onze bestemming staan? En wat is dan de diepere aard ervan, van die wereld? Wat is het waar we steeds maar in zitten en deel van zijn? Wat is eigenlijk deze wereld in het algemeen?
Ken u zelve
In de Westerse cultuur werden deze vragen voor het eerst expliciet gesteld door de oude Grieken. Zoals het natuurlijk vragen zijn die de mens zich vóór die tijd en in ook heel andere culturen reeds lang gesteld had en die zo de basis vormen van grote mythen en religies. Maar de Grieken werden zich dermate bewust van deze vragen, dat wij hun pogen van antwoorden nog steeds bestuderen, en daarin ook de onderzoekende manier van denken die zij zagen als noodzakelijk om te komen tot een antwoord. Zij zien zich namelijk als deel van een kosmos, een ordelijk geheel, een schikking en kunstwerk. En zij zien het als mogelijk zinvol en harmonieus daarin te bestaan, vanuit een diepgaand inzicht in die kosmos. Een inzicht dat zij tegelijk ook dachten als inzicht in jezèlf en je cultuur als déél van die natuur. Zij gaan ervan uit, met andere woorden, dat het mogelijk is met dat diepe inzicht in natuur en mens en cultuur, te komen tot een bepaalde balans en harmonie en overeenstemming, van jezelf en je cultuur, met de natuur.
Kenmerkend voor het Griekse denken zijn dan ook spreuken als 'ken u zelve' en 'Alles met mate', die staan geschreven op de tempel van Delphi als uitdrukking van het streven naar inzicht dat helpt het eigen bestaan meer in harmonie te brengen met het bestaan in het algemeen. Het zijn oproepen die deel zijn van het eerste begin van wat we tegenwoordig kennen als filosofie en wetenschap, en die nog steeds actueel zijn, gegeven een mens die zijn bestaan vormgeeft vanuit nog maar weinig dat lijkt op een matigend en harmoniserend inzicht. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de mens en zijn planeet, dan zie je naast een enorme technologie en creativiteit, ook veel armoede en natuurverval, economische crisis en spanning tussen de vele zeer verschillende culturen, en dan zou je zeggen dat het toch mogelijk moet zijn om dit bestaan meer constructief te maken, meer in harmonie met het bestaan in het algemeen. Logos, aos
Is het dus mogelijk een matigend en harmoniserend inzicht te ontwikkelen? Is het mogelijk te komen tot een, zoals de Griekse filosoof Heraclitus dat omschreef, wet of orde of schoonste harmonie, een logos? Heraclitus zag het als gunstig om met behulp van deze logos ons bestaan om te vormen tot iets dat meer in harmonie is met het bestaan in het algemeen. En op zich is dat niet zo verwonderlijk, want de natuur lijkt overal daar waar dat maar mogelijk is een optimaal bestaan na te streven, een volheid van leven, een uitbundige biodiversiteit en schoonheid in expressie. Zodat de gedachte opkomt dat een je spiegelen van het eigen bestaan aan de algemene manier van bestaan van de natuur, zal resulteren in een gelijke volheid van bestaan in cultuur, een gelijke volheid en kwaliteit van leven. Nu is de kernvraag in dit essay de volgende: is het ons mogelijk een dusdanige kennis en wijsheid te ontwikkelen, dat wij mensen daarmee als deelbestaan meer in harmonie kunnen zijn met het bestaan in het algemeen? Anders gezegd: gegeven de betekenis van dit concept, zoals die zich ontwikkeld heeft sinds Heraclitus, is het ons dan mogelijk een Logos te ontwikkelen die ons meer in overeenstemming brengt met de natuur? Is het ons mogelijk om, zelf zijnde een vorm van natuur, in onze diversiteit van bestaan een algemeen patroon te zien, dat ons in staat stelt beter aan te sluiten op de algemene manier van bestaan van de natuur om ons heen?
Wat betreft welvaart, welzijn en algemene creativiteit lijken culturen als die van Denemarken, Zweden, Noorwegen, Finland, Nederland, Canada, Duitsland, enzovoort, kenmerken te tonen van de op optimale kwaliteit gerichte manier van bestaan van de natuur. Maar is het ons vervolgens mogelijk de daarin schuilgaande manier van dat bestaan te achterhalen en dit in samenhang te brengen met de manier van bestaan in het algemeen, zodanig dat wij die meer doelgericht in ons eigen bestaan kunnen toepassen? Is het, met andere woorden, te achterhalen wat in algemene zin kwaliteitsvolle cultuur verbindt met kwaliteitsvolle natuur? Zijn wij met bepaalde, relatief kwaliteitsvolle culturen reeds sterk op weg een afspiegeling te vormen van de algemene manier van bestaan? Met het hier te beschrijven principe aos gaat het over een idee of concept dat precies bedoeld is die algemene manier van bestaan weer te geven. Zodat het daarmee gaat over een uitermate vereenvoudigde representatie van het proces van bestaan dat we zelf zijn en waar wij deel van zijn. Dit aos wordt gedacht als primaire orde en thema van variatie, vanuit de veronderstelling dat het universum een variatie is op dit essentiële thema, zoals muziek dat is, bijvoorbeeld de 5e van Beethoven (tatatataa), of het spel, de spelen die wij spelen. Zodat het universum lijkt op een kunstwerk in wording, waarin wij mensen gezocht en gevraagd zijn deel te hebben aan de verdere ontplooiing ervan. Of waarin wij eigenlijk een voortzetting van het creatieve zijn, dat zich aldus in de eigen expressie een weg zoekt naar de verdere ontplooiing ervan. Het gaat daarmee niet over een strikt persoonlijke zin van bestaan en iemands eigen betekenis van leven, want dat bestaan is uniek en ontleent zin en betekenis aan de specifieke invulling die er aan gegeven wordt. Het betreft hier evenwel een algemeen perspectief en zin van bestaan, die kan aanspreken en inspireren in het daaraan een zin ontlenen betreffende het eigen persoonlijke bestaan. Het gaat hier over een heel algemene orde, thema of motief, die wij mensen onderling gemeen hebben en die ook overal werkzaam is in de natuur. Het gaat hier over wat de Grieken zouden zeggen: de Logos in de kosmos.
Het gaat in dit essay over het voorstel van een, zoals de filosoof Heidegger dat aanbeveelt, tegelijk tonen en beschrijven van de logos of samenhang die ons mensen verbindt met elkaar en met de verdere werkelijkheid. Het gaat hier over een -- althans, nogmaals, dat is mijn veronderstelling en voorstel -- wijsheid, sophia, die 'niet louter draait om het kennen van losstaande feiten, maar om het vermogen deze onderling en op een samenhangende en gestructureerde manier met elkaar in verband te brengen.' En het gaat daarmee over een zin die 'te maken heeft met heil in de oorspronkelijke zin van heilzaam, helend' en over religie die terugbindt 'met de grond van alles'. *Ellen Geerlings, Het oog in de storm. Wegwijs in de filosofie,Boom, Amsterdam, 2007, p. 173; Julia Annas, Filosofie uit de klassieke oudheid. De kortste introductie, Het Spectrum, Utrecht, 2003, p. 80; P. Sars en P. van Tongeren (red.), Zin en religie. Wijsgerige en theologische reflecties rond de zinvraag, Ambo, Baarn, 1990, p. 84-85.
Het is evenwel van belang hierbij op te merken, dat het met aos niet gaat over iets dat deel is van de concrete, alledaagse en eenvoudig te begrijpen werkelijkheid. Of althans, het betreft hier een eenvoud van een dusdanig algemene aard, dat zij juist de basis kan zijn van die concrete, alledaagse werkelijkheid. Dat evenwel maakt dat zij dusdanig alomtegenwoordig is, dat zij daarmee praktisch onzichtbaar is. In de filosofie zag men meteen al de moeilijkheid die wij mensen hebben om een dergelijk algemene, ook al staat het voor ons en probeert het zich te verklaren, waar te nemen. Je zou het kunnen vergelijken met iemand die probeert iets te zeggen over het water in de vissenkom, tegen de goudvis die volstrekt blind is voor juist het water in die vissenkom. Of dat je probeert iemand attent te maken op een muntstuk dat op straat ligt, maar dat hij niet kan waarnemen omdat hij kleurenblind is. De filosoof Heraclitus schrijft hierover: "Waarmee zij het meest aan één stuk verkeren -- met de Logos die het al bestiert -- daarvan zonderen zij zich af, en waar zij dagelijks op stuiten komt ze vreemd voor." En hij schrijft ook bijvoorbeeld: "Zij die zonder begrip (voor samenhang) luisteren lijken op doven; het spreekwoord legt over hen een bevestigend getuigenis af: 'hoewel aanwezig, zijn zij er niet bij'." *Heraclitus, Fragmenten. Bezorgd, vertaald en toegelicht door J. Mansfeld, Atheneum- Polak&Van Gennep, Amsterdam, 1987, p. 22, 23.
Dit lijkt op dit en dat lijkt op dat
Met het principe aos gaat het juist wel over een essentiële samenhang in alles. Het betreft hier een idee die gepresenteerd wordt op basis van patroonherkenning. Wat is bijvoorbeeld de overeenkomst tussen 'tafel' en 'stoel' en 'bank'? Wel dat is 'meubilair'. Wat is de overeenkomst tussen 'brie' en 'boursin' en 'camembert', dat is kaas, Franse kaas. Wat is de overeenkomst tussen 'wolk' en 'schuim' (van bier) en 'sneeuw'? Wel dat is 'wit' nietwaar? Het radicale is hier evenwel, dat het gaat om een patroon dat heel algemeen alles binnen het bekende universum met elkaar verbindt en één maakt, zodat het ook daadwerkelijk een uni-versum is en het vervolgens ook mogelijk is je als mens in harmonie te brengen met haar zin en betekenis en manier van bestaan.
De filosofische tijdgeest is evenwel nog steeds zo postmodern deconstructief en het verschil benadrukkend, dat elk zoeken naar samenhang en patroon geproblematiseerd wordt en dat men zich heel analytisch vragen stelt als: Over wat voor tafel gaat het precies? En is dat wel een tafel? Is het niet maar een uitstulping van de vloer? En die kaas, is dat wel kaas, is dat wel camembert? Is het niet maar een 'chemisch construct', een 'industrieel artefact', met daaromheen de illusie van kaas? En die sneeuw, er zijn toch vele vormen van sneeuw en vele kleuren ook? Het komt er op neer, men breekt in en ziet slechts verschil. En men vermoedt argwanend, als ware het een niet te ontzenuwen vooroordeel, achter elk denken van eenheid en samenhang een totalitaire terreur. Zo schrijft Jan Bor naar aanleiding van een van de belangrijkste postmoderne filosofen, Jean-François Lyotard:
"Aldus houdt Lyotard een pleidooi voor pluriformiteit. Onze pluriforme cultuur bestaat bij wijze van spreken uit verschillende eilanden. Daartussen zijn sprongen mogelijk en deze leveren nieuwe ideeën op. Maar al die eilanden onder een overkoepelend geheel te willen vatten, als het ware te koloniseren en tot één archipel samen te smeden, is een inmiddels gedateerd streven. Erachter gaat een totalitaire wil schuil, en we hebben deze eeuw meegemaakt waar dat streven toe leidt."
*Dominique Folscheid, De grote filosofen. Met een nawoord van Jan Bor, Aristos, Rotterdam, 1988, p. 138.
Is daarmee evenwel elk denken van samenhang, en van dus ook aos, bij voorbaat verdacht? En geldt dat ook voor bijvoorbeeld de 'Wet van Ohm' of voor bijvoorbeeld het 'Periodiek Systeem der Elementen' of de 'Evolutietheorie'? Met aos gaat het in belangrijke mate over een samenhang die aanwijsbaar is in onderzoekbare fenomenen. En met haar gaat het zeer beslist niet over een absolute waarheid die met geweld aan anderen moet worden opgelegd, want dat zou direct een ernstige schending betekenen van wat zij impliceert aan bereik van weten en manier van leven. Bovendien wordt er vanuit dit algemene concept geprobeerd juist een antwoord te geven op de vraag hoe eigenlijk die totalitaire terreur mogelijk is en wat voor mentaliteit daar achter steekt.
De postmoderne argwaan is begrijpelijk in het zicht van de verschrikkingen van de 20e eeuw. Maar betekent dit nu dat we ons moeten overgeven aan een pluralisme en daarmee samenhangend relativisme, dat het ons onmogelijk maakt überhaupt de oorzaken van die verschrikkingen aan te wijzen en te beoordelen? Want als de 'leer van de eilandjes' doorslaggevend is, hoe kan je dan wat dan ook nog zeggen, als één van die eilandjes alle andere gaat terroriseren? En als bijvoorbeeld in cultuurvergelijkend onderzoek blijkt dat een bepaalde vorm van cultuur veel meer welzijn en geluk genereert dan andere, mag je dan dat onderscheid wel maken? Mag je eigenlijk wel onderzoeken wat het is dat miljoenen mensen een prettig leven bezorgt en vele andere miljoenen mensen de hel? Mag je een onderscheid maken tussen bijvoorbeeld het sadistisch universum van Auschwitz en het moderne leven in pakweg Denemarken?
Het Logos-project lijkt daarmee gestrand te zijn in een wereld die enkel nog aandacht heeft voor fragmenten en allerindividueelste perspectieven. Want het denken van de Logos is eigenlijk verboden binnen een postmodern benadrukken van het individu en het fragment. De Logos lijkt mij echter nog steeds relevant te denken, dit juist omdat we steeds meer de beperktheid zien van dat benadrukken van ik-ken en fragmenten en individuele
|
|