Idee en werkelijkheid

De wereld als een symfonie en de mens als medeschepper

 

(Geplaatst in PANTA, herfst 1992, Een uitgave van ITANT Internationale Transpersoonlijke Associatie Nederlands Taalgebied)

 

Transpersoonlijke ervaringen doen ons anders in het leven staan. Maar voor een paradigmaverschuiving in wetenschap en cultuur is meer nodig: niets minder dan een nieuw zicht op die creatieve processen die zich voltrekken – en de rol van de mens daarin. Volgens Benedict Broere zijn we aan het ontdekken dat de wereld lééft en op weg is naar het goede, als een zich ontluikende bloem, of een boom die op weg is naar volle wasdom.

 

Dit lijken grote woorden, maar als we schrijvers als bijvoorbeeld Max Wildiers, Paul Davies en Willis Harman mogen geloven, dan is het inderdaad zo dat er in het denken van een voorhoede van geïnteresseerden een omwenteling plaats vindt. Nog niet zo lang geleden was de wereld een soort wekker, een kosmisch uurwerk, een machine met daarin ook de mens als machine. Maar tegenwoordig wijzen er steeds meer pijltjes in de richting van de wereld als een organisme, als een ‘iets’ wat groeit en zich ontwikkelt en creatief ‘gedrag’ vertoont.

 

De oude uitgangspunten bij het nadenken over ‘de werkelijkheid’, onder andere de klok en de computer, worden steeds meer vervangen door onderwerpen als bewustzijn, geest en creativiteit. En de reductionistische idee dat de wereld, het kosmisch raderwerk, verklaarbaar is vanuit het gedrag van z’n meest kleine ‘radertjes’, de quarks, maakt gaandeweg plaats voor de holistische idee dat een beter begrip van de wereld alleen kan ontstaan in een onderzoek dat uitgaat van een nieuw, verruimd wereldbeeld, waarin de wereld verondersteld wordt een scheppend bewustzijn  te zijn, een geest, een energie die denkt en doet bestaan .[1]  

 

Enkele van de opvattingen binnen dit nieuwe wereldbeeld zijn bijvoorbeeld: dat de wereld één groot samenhangend geheel is, dat de gehelen in de wereld méér zijn dan de som hunner delen, dat de processen van ontwikkeling in de wereld onomkeerbaar zijn, dat er in de wereld een negentropie zichtbaar is (toenemende orde en kwaliteit), dat het rationele en intuïtieve beide van belang zijn (transpersoonlijk) en dat de wereld holografisch geordend is (holografische model). Vooral de laatste notie opent perspectieven op toegang krijgen tot deze nieuwe wonderwereld.

 

Mens en Al

Aantrekkelijk is de idee van het holografisch model, zoals ontwikkeld door de neuroloog Karl Pribram en de fysicus en filosoof David Bohm. Het houdt in dat er een meest algemene kennis bestaat (onderdeel van de impliciete orde), die op een holografische wijze besloten is in het gehéél van de werkelijkheid en in alle delen van de werkelijkheid.[2]

 

Anders gezegd betekent dit dat er een fundamentele orde of patroon bestaat die betrekking heeft op de essentiële samenstelling en ontwikkeling van heel de werkelijkheid en tevens van bijvoorbeeld een planeet, een boom, een mens, een olifant, een ster - ongeveer net zoals H2O de fundamentele orde is in allerlei vormen van water: kraanwater, Rijnwater, zeewater, regenwater, enzovoort, of zoals DNA medebepalend is voor de ontwikkeling van cellen, weefsels, organen, etc.

 

De fundamentele orde heeft dus betrekking op zowel de mens als op de werkelijkheid als geheel en als we ons dan afvragen wat deze fundamentele orde zou kunnen zijn, dan blijkt al snel dat het vooral de mens is die het meest aantrekkelijk ‘object’ van onderzoek is bij de ontwikkeling van het holistisch wereldbeeld. Want, immers, de mens is voor zover algemeen bekend, het meest geavanceerde en creatieve schepsel. Ofwel, als we veronderstellen dat de werkelijkheid creatief is en holografisch geordend, dan is de mens, als zijnde een scheppend wezen, een zeer aantrekkelijk model bij het nadenken over die werkelijkheid.

 

Je kan het ook zo stellen: de mens als scheppend wezen is het meest logische product van een werkelijkheid die zelf ook een scheppend wezen is. En als de werkelijkheid holografische geordend is, dan is het waarschijnlijk dat in die mens, als veelzijdig ontwikkeld en scheppend wezen, de meest fundamentele eigenschappen van het geheel van de werkelijkheid tot expressie komen.[3]

 

Dus de mens en het menselijk bewustzijn vormen een belangrijk bij de ontwikkeling van het nieuwe holistische en transpersoonlijke wereldbeeld. Het geheel ‘mens’ staat model voor het geheel ‘werkelijkheid’. Bestudeer de mens en je bestudeert de werkelijkheid: “Ken Uzelve en gij zult het Al kennen.”[4]

En, zoals gezegd, de werkelijkheid wordt in het nieuwe wereldbeeld steeds meer gezien als zijnde een bewustzijn, een scheppend bewustzijn: “De gehele schepping is zuiver bewustzijn.”[5]

 

Maat, inzicht

Wij weten niet precies wat dat is, bewustzijn, net zomin als dat wij weten wat bijvoorbeeld elektriciteit is, of energie, of geest, enzovoort. Maar stel nu eens dat het materiële universum de manifestatie is van een scheppend bewustzijn, en dat het menselijk lichaam de manifestatie is van een scheppend bewustzijn en dat mens en wereld in essentie met elkaar overeenkomen, wat is dan het gemeenschappelijk model van waaruit de werkelijkheid in haar geheel en delen, tot ontwikkeling komt? Wat is het fundamenteel patroon?

 

De beantwoording van deze vragen heeft alles te maken met de ontwikkeling van een zogenaamd universeel paradigma, waarvan Ken Wilber spreekt in zijn boek Oog in oog. Het heeft ook alles te maken met het komen tot een maat, een inzicht in de juiste verhouding van de dingen.

 

David Bohm schrijft hierover in Heelheid en de impliciet orde: “De essentiele reden of ratio van een ding is dan het geheel van de innerlijke verhoudingen in de structuur ervan en in het proces waarbij het zichzelf vormt, in stand houdt en tenslotte opheft.” Hij vervolgt met te zeggen dat “maat een vorm van inzicht is in de essentie van alle dingen. Wanneer de mens zich door dit inzicht laat leiden, is zijn wereldbeeld helder en kan hij ordelijk handelen en harmonisch leven.”[6]

 

In ‘tune’ zijn

Om op dit laatste even door te gaan: de mens is volledig onderdeel van de werkelijkheid. Niet alleen het menselijk lichaam als onderdeel van de werkelijkheid, maar ook de menselijke geest, het menselijk bewustzijn. Dit betekent dat voor een optimale manier van leven en functioneren in algemene zin, het wereldbeeld van de mens in overeenstemming moet zijn met de werkelijkheid zelf. Het moet ermee ‘in tune’ zijn, het moet ermee harmoniëren. Want als dit niet het geval is, dan wordt dit merkbaar in symptomen van excessieve ontbinding en verwarring (Bohm).

 

Ter verduidelijking hiervan de volgende metafoor: wie met een verkeerde of slechte kaart zijn weg probeert te vinden in een grote en ingewikkelde stad, zal eerder verdwalen dan zijn doel bereiken: wie echter over een goede kaart beschikt en een adequaat wereldbeeld heeft, zal weinig tot geen problemen ondervinden.

 

Belangrijk is dus, een goede ‘kaart’ te hebben van de werkelijkheid. Een ‘kaart’ die ontwikkeld zou kunnen worden in het samenstellen of vinden van een fundamenteel patroon of idee van de werkelijkheid, die de theoretische basis kan vormen van een adequaat of universeel paradigma. Waarbij dan onmiddellijk zij opgemerkt dat het natuurlijk onmogelijk is de Waarheid betreffende de werkelijkheid te kennen. Juist ook omdat de mens onderdeel is van de werkelijkheid, een druppel in de oceaan, zal hij een idee betreffende de werkelijkheid nooit kunnen verifiëren, laat staan falsificeren.

 

Dus de mens is onderdeel van de werkelijkheid, en zal alleen dan in algemene zin ‘in tune’ zijn met deze werkelijkheid als zijn geest zich bewust ontwikkelt vanuit dezelfde idee als van waaruit de werkelijkheid zich ontwikkelt – daarbij gesteld dat deze idee, eenmaal gevonden, onmogelijk als de idee van de werkelijkheid bewezen kan worden.

 

Algemeen

Als we spreken van een fundamentele orde of patroon, een idee van de werkelijkheid, wat bedoelen we dan eigenlijk? Is er een ‘profiel van te bedenken?

 

Nemen we het uitgangspunt dat deze kennis waarschijnlijk holografisch zal zijn, dan zal zij betrekking moeten hebben op het geheel van de werkelijkheid en de delen ervan. Dit is alleen dan mogelijk als deze kennis algemeen is. Een voorbeeld hiervan is de zeer algemene idee ‘materie’. Deze idee heeft betrekking op het geheel van het materiële universum, maar zij heeft ook betrekking op de samenstellende delen ervan: zoals sterren, planeten, planten, dieren, moleculen, atomen, protonen, in die zin dat zij allen een materieel aspect bezitten. Andere zeer algemene ideeën zijn dan bijvoorbeeld: energie, informatie, geest, eenheid, veelheid, ruimte.

Een holografische idee van de werkelijkheid zal zich dus op z’n minst kenmerken door een grote algemeenheid van de ideeën waaruit zij is samengesteld. Het moet heel algemeen overal op betrekking hebben, onverschillig waar je ook de blik op richt, waar je ook over nadenkt, of wat je ook ervaart.

 

De idee in de ideeën, alle ideeeën 

Dan komen we op het punt waar deze idee te vinden zou zijn, wat is het grondmateriaal? Nu is al eerder gesteld dat de mens onderdeel is van de werkelijkheid. En dit betekent dat ook de menselijke geest onderdeel is van de werkelijkheid, en dat ook de door de mens ontwikkelde ideeën onderdeel zijn van de werkelijkheid. De idee van de werkelijkheid komt tot expressie in het geheel en alle delen van de werkelijkheid. Deze idee komt dus ook tot expressie in het geheel van de door de mens ontwikkelde ideeën en zal hierin vindbaar moeten zijn – gesteld dat de mens in de loop der eeuwen reeds voldoende ideeën ontwikkeld heeft. En aangezien de idee van de werkelijkheid een zeer algemeen karakter heeft, zal deze idee vindbaar moeten zijn in het geheel van de zeer algemene ideeën.

Essentieel punt is dat het hier het geheel van alle zeer algemene ideeën betreft en niet slechts een bepaald segment ervan. Speciaal Ken Wilber maakt er in zijn boek Oog in oog veel werk van, uit te leggen dat ideeën niet alleen waardevol zijn in relatie tot de empirische werkelijkheid (oog van het vlees), maar dat ook ideeën ontwikkeld met betrekking tot het religieuze en mystieke (oog van de contemplatie), en ideeën ontwikkeld met betrekking tot ideeën (oog van de rede), van belang zijn voor de ontwikkeling van het universeel paradigma.

 

Orde, patroon, idee

De idee van de werkelijkheid die de basis vormt van het universeel paradigma, is verborgen in het geheel van alle ideeën en dan vooral in de zeer algemene ideeën, en kan daaruit tevoorschijn worden gehaald door middel van de aloude methode van integreren, schematiseren, integreren en fantaseren.

 

Hierop vooruitlopend heeft Wilber al enkele zeer algemene ideeënpatronen aangegeven, die waarschijnlijk een belangrijke aanwijzing zijn voor de ‘anatomie’ van het fundamentele patroon. Zo is daar bijvoorbeeld het pre- pers- trans- patroon, dat verder wordt uitgewerkt in een hiërarchie van basisstructuren van bewustzijn. Daarnaast schetst Ken Wilber het patroon van het Absolute als grondslag en doel van de werkelijkheid, en dat tegelijk transcendent is aan, èn immanent is in alle materiële werkelijkheid.

 

Ideeën die verder nog waarschijnlijk een belangrijke rol hebben in het fundamentele patroon en die dus in belangrijke mate verwijzen naar samenstelling, ontwikkeling en functioneren van zowel het menselijk bewustzijn als het universeel bewustzijn, zijn de volgende: geest-materie, zijn-worden, mannelijk-vrouwelijk, divergent-convergent, schepper-idee, energie-informatie, anima-animus, analyse-synthese, geboorte-dood, orde-chaos, actief-passief, eenheid-veelheid, ziel-zelf, opbouw-spreiding, these-antithese-synthese, mooi-lelijk, liefde-haat, goed-kwaad, waarheid-leugen, rechte lijn-cirkel, ruimte-tijd, het chakra-systeem, symbolen uit tarot, kabbala, alchemie, astrologie, mythologie.

 

Het moet mogelijk zijn in deze ideeën een fundamentele orde, idee (of basispatroon) te vinden, die besloten is in het geheel en alle delen van de werkelijkheid. Deze ‘orde’ heeft te maken met regelmaat, samenhang, systeem, eenheid. Er is iets eenvoudigs dat ten grondslag ligt aan de oneindige ingewikkeldheid van de ons omringende en ons bevattende werkelijkheid. Het is iets als een simpel thema, dat oneindig gevarieerd verwerkelijkt wordt in een reusachtige en complexe symfonie. Zo ongeveer als het openingsmotief (ta-ta-ta-táá) van de Vijfde Symfonie van Ludwig van Beethoven.

 

Mens en schepping

Je kunt je afvragen, wat nu de zin is van dit alles, deze Symfonie.

Zijn wij mensen enkel maar variaties in een groot zich ontplooiend organisme?

Is that all there is?

 

Het lijkt mij toe dat als deze wereld een schepping is, een symfonie, dat wij mensen dan bedacht en geschapen zijn om eraan mee te werken, deze kosmische Symfonie verder te ontplooien en te vervolmaken.

 

Tevens zou je in dat geval kunnen stellen dat er een Absolute of Scheppende moet zijn, dat zich een weg zoekt, ook door de mens heen, in het streven naar ontplooiing en manifestatie en volmaaktheid van schepping. Verder is het dan evident dat in deze schepping het medeschepper zijn van de mens het beste zal slagen als die mens vertrouwd is met de idee volgens welk geheel de schepping is samengesteld en zich ontwikkelt.

 

En het is waarschijnlijk dit medeschepper zijn, dat het menselijk bestaan de meeste zin en geluk geeft, omdat het ons richt op datgene waartoe wij in deze werkelijkheid in meest algemene zin geschapen en bestemd zijn en waarnaar ons diepste wezen verlangt: schepping, de gerichtheid op ontplooiing en manifestatie van schepping, van bestaan.

 

 

Noten

1. Zie: Max Wildiers, Kosmologie in de westerse cultuur, DNB/Pelckmans, Kapellen, Kok Agora, Kampen, 1988; Paul Davies, Blauwdruk van de kosmos, Contact, Amsterdam, 1991; Willis Harman, Omwenteling, Lemniscaat, Rotterdam, 1991.

2. Zie: Ken Wilber, Een nieuwe werkelijkheid: het holografisch model en andere paradoxen, Lemniscaat, Rotterdam, 1985.

3. Zie: Max Wildiers, Kosmologie in de westerse cultuur, p. 241.

4. Zie: PANTA 1, het artikel Postmodernisme of holisme van Bram Moerland.

5. Zie: PANTA 3, het artikel Transpersoonlijke wetenschap en geneeskunst van Frans Kamermans.

6. Zie: David Bohm, Heelheid en de impliciete orde, Lemniscaat, Rotterdam, 1980, p. 33.

7. Zie: Ken Wilber, Oog in oog, Lemniscaat, Rotterdam, 1985.