|
|
Spelregels van het dammen |
De regels van het
damspel zijn officieel vastgelegd door de FMJD, de werelddambond. In huiselijke
kring worden nog wel eens verkeerde regels gehanteerd. Daarom zetten we op deze
pagina de belangrijkste regels op een rijtje. Ook kun je het uitgebreide,
officiële reglement raadplegen.
Ten behoeve van huis- en schooldammers staan de
belangrijkste regels van het officiële spelreglement
hieronder in vraag en antwoord weergegeven.
Bij officiële wedstrijden kun je je uiteraard
alleen beroepen op de meer ‘juridische’ tekst van het officiële spelreglement.
Het dambord moet
zo voor je liggen dat het veld uiterst links op de onderste rij een donker veld
is. Als je er na de eerste zet van zwart achterkomt dat het bord verkeerd ligt,
zul je moeten doorspelen. Kom je er eerder achter, dan draai je het bord en
begint de partij opnieuw.
Voor aanvang van
de partij geef je je tegenstander een hand en je wenst hem of haar ‘een
prettige wedstrijd’ of iets soortgelijks. (Dit is geen officiële regel maar
gewoon sportiviteit.) Ook aan het einde geef je elkaar een hand. De verliezer
feliciteert dan de winnaar.
Wit begint
altijd.
Aanraken is
zetten, behalve bij het rechtzetten van de stukken. Met andere woorden: een
schijf of dam die je aanraakt terwijl je aan zet bent, moet je zetten. Maar als
je bedoeling alleen maar was om de stukken recht te zetten, geldt deze regel
niet. Als je stukken wilt rechtzetten, zeg je dat eerst even aan je
tegenstander en vervolgens zet je ze recht.
Ja, slaan is
verplicht. Dit is een belangrijk verschil tussen schaken en dammen: bij schaken
mag je slaan, bij dammen moet je slaan.
Als je
tegenstander vergeet te slaan of onreglementair slaat, mag jij zelf beslissen
wat je doet: je laat je tegenstander de foute zet terugnemen en alsnog slaan, of
je speelt gewoon door. Bekijk op zo’n moment dus rustig wat het gunstigste voor
je is. Degene die de fout heeft gemaakt, heeft op dit moment niets in te
brengen. Let op: als je doorspeelt door zelf weer een zet te doen, kun je er
niet meer op terug komen.
(Vroeger werd bij vergeten te slaan een schijf van het bord genomen, maar die
regel is allang vervallen!)
Ja, je mag zowel
vóór- als achteruit slaan. (En tijdens een meerslag is het zelfs mogelijk dat
je bijvoorbeeld eerst een keer vooruit slaat en dan achteruit.)
Ja, meerslag gaat
vóór! Als je dus de keuze hebt tussen verschillende slagen, moet je de
slag uitvoeren waarbij je meeste stukken slaat. (Een dam die je kunt slaan
geldt ook als één stuk.)
Nee, damslag gaat
niet vóór! Als je zowel met een schijf als een dam kunt slaan, mag je
kiezen. Dat geldt uiteraard alleen als het aantal stukken dat je kunt slaan
gelijk is, want meerslag gaat vóór.
Bij een meerslag
laat je eerst duidelijk zien welke stukken je slaat, door rustig stap voor stap
over de schijven te slaan. Pas als de meerslag helemaal uitgevoerd is, haal je
de stukken van het bord, in de volgorde dat je ze geslagen hebt.
Nee, dat mag
niet! Als je in een meerslag dezelfde schijf voor de tweede keer ‘tegenkomt’, moet
je daar stoppen. Deze regel kan tot een hele verrassende slag leiden, de
zogenaamde ‘Turkse slag’. Klik hier voor
een voorbeeld.
Nee, je haalt
alleen een dam als het stuk op de damlijn tot stilstand komt, door een
zet of een slag. Als je tijdens een slag wel de damlijn bereikt maar moet
doorslaan zodat de slag niet op de damlijn eindigt, heb je geen dam
gehaald.
Bij officiële
wedstrijden mag je eigenlijk niet praten, omdat anderen dan afgeleid kunnen
worden. Praat in ieder geval niet tijdens de partij met anderen over de stand
op je bord. Het is namelijk verboden om raad te geven of te ontvangen. En
uiteraard mag je je tegenstander niet hinderen of afleiden.
Nee, toeschouwers
mogen zich op geen enkele manier met de partij bemoeien.
Je hebt gewonnen
als je tegenstander geen schijven meer heeft, óf als je tegenstander geen
enkele zet meer kan doen omdat hij of zij helemaal vaststaat. Je kunt ook
winnen doordat je tegenstander de partij ‘opgeeft’, bijvoorbeeld omdat hij/zij
heel veel schijven minder heeft.
Nee, je mag de
partij opgeven wanneer je wilt. Maar doe dat alleen als je stand helemaal
hopeloos is! Je geeft de partij op door je tegenstander een hand te geven en
hem of haar te feliciteren met de overwinning.
Nee, als je
vaststaat en je bent aan zet, heb je verloren! Soms staan beide spelers
helemaal vast. Ook dan geldt: degene die aan zet is, verliest.
Sommige partijen
eindigen onbeslist: remise. Bijvoorbeeld als beide spelers op het laatst
alleen maar één dam hebben. Dan kun je niet meer winnen, tenzij je tegenstander
een enorme fout maakt, maar het is niet toegestaan om daarop te wachten door
eindeloos door te spelen. Officieel zijn er verschillende manieren om remise te
bereiken:
(Bijvoorbeeld: Als
beide spelers nog slechts één dam hebben, geldt de 5 zetten-regel.)
Als je tegenstander
maar blijft doorspelen terwijl het volgens jou remise is, roep je de arbiter of
wedstrijdleider erbij. Die kan de partij dan remise verklaren, als aan de
bovenstaande regels is voldaan.
Terug naar boven Terug naar Schooldammen
|
Eerste deel: algemene regels |
Tweede deel: aanvullende regels voor wedstrijden |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Het damspel wordt gespeeld tussen twee spelers - die respectievelijk de licht- ('wit') en de donker ('zwart') gekleurde stukken hanteren - op een vierkant bord, het 'dambord'
2.1 Het dambord bestaat uit honderd vierkante velden van gelijke grootte, om het andere licht en donker gekleurd.
2.2 Er wordt gespeeld op de donkere velden, de 'speelvelden'.
Elke horizontale reeks van velden wordt 'rij' genoemd, elke diagonale reeks van
speelvelden 'lijn'.
2.3 Het bord wordt zo tussen beide spelers geplaatst dat zich aan de uiterste linkerzijde van de onderste rij een speelveld bevindt.
3.1 Waar in het vervolg gesproken wordt over stuk of stukken, kunnen zowel schijven als dammen worden bedoeld.
3.2 Een dampartij vangt aan met twintig witte en twintig zwarte
schijven, die als volgt op het dambord staan opgesteld:

3.3 Een schijf promoveert tot dam als zij de bovenste rij ('damrij') heeft bereikt en daar tot stilstand komt. Een tot dam gepromoveerde schijf wordt door één der spelers 'gekroond' door er een schijf van dezelfde kleur bovenop te plaatsen, die vervolgens - o.a. voor de toepassing van artikel 6.6 - beschouwd wordt als onderdeel van de dam, en niet meer mag worden verwijderd. Deze handeling geldt niet als een zet (zie artikel. 4).
De spelers doen beurtelings een 'zet' : het in één handeling verplaatsen en/of wegnemen van een of meer stukken. De speler die de witte stukken heeft begint.
5.1 Een schijf gaat diagonaal vooruit naar een onbezet speelveld op de volgende rij.
5.2 Een dam gaat voor- of achterwaarts, slechts onbezette velden doorlopend, langs een lijn die zij bestrijkt naar een onbezet veld op die lijn.
5.3 Als een schijf langs één van haar lijnen een vijandelijk stuk, onmiddellijk gevolgd door een onbezet veld, direct voor of achter zich heeft, wordt de schijf over dat vijandelijke stuk heen naar het onbezette veld verplaatst. Deze verplaatsing wordt in dezelfde beurt voortgezet zo dikwijls als dat vanuit het nieuwe bezette veld, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6, opnieuw mogelijk is.
5.4 Als een dam langs één van haar lijnen achtereenvolgens geen of slechts onbezette velden, één vijandelijk stuk en één of meer onbezette velden voor of achter zich heeft, wordt de dam over dat vijandelijke stuk heen naar één van die onbezette velden verplaatst. De verplaatsing wordt in dezelfde beurt voortgezet, zo dikwijls als dat vanuit het nieuw bezette veld, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6, opnieuw mogelijk is.
5.5 Een verplaatsing als aangegeven in art. 5.3 en 5.4 wordt 'slag' genoemd.
6.1 Elke slag moet regelmatig stap voor stap worden aangetoond, waarbij
wel hetzelfde veld tussentijds meermalen mag worden bezet, maar niet ten tweede
male hetzelfde stuk mag worden geslagen. Na de volledige slag worden de
geslagen stukken, in de volgorde waarin zij zijn geslagen, van het bord
genomen.
Een slaande schijf die slechts tussentijds een veld op de damrij bezet, maar
daar niet tot stilstand komt, promoveert niet tot dam (zie art. 3.3).
6.2 Slaan is verplicht.
6.3 Meerslag gaat voor:
als op verschillende manieren kan worden geslagen, moet de slag waarmee de
meeste stukken worden geslagen (waarbij dam en schijf als één stuk gelden; zie
artikel 3.1) worden uitgevoerd.
Als op verschillende manieren een zelfde aantal stukken kan worden geslagen,
voert men een slag naar keuze uit, ongeacht of het slaande stuk een dam of een
schijf is.
6.4 Een zet is reglementair indien hij niet in strijd is met de artikelen 5.1. tot en met 6.3
6.5 Een speler die aan zet is mag één of meer stukken op hun velden rechtzetten, mits hij zijn tegenstander hiervan vooraf in kennis stelt.
6.6 Behoudens het rechtzetten van en stuk (zie art. 6.5) en het kronen van een dam (zie art. 3.3) geldt, dat een aan zet zijnde speler die één of meerdere stukken aanraakt, het eerst aangeraakte stuk waarmee een reglementaire zet (zie art. 6.4) mogelijk is, moet spelen.
6.7 Een zet is voltooid als het stuk na de verplaatsing is losgelaten en bovendien, als het een slag betreft, de geslagen stukken zijn weggenomen.
7.1 Als het bord verkeerd ligt (zie art. 2.3) is de partij ongeldig en moet opnieuw worden begonnen, tenzij zulks pas blijkt nadat wederzijds een zet is gedaan.
7.2 Heeft een speler een onreglementaire zet voltooid (zie art. 4, 6.4 en 6.7; bijvoorbeeld: het spelen van een
stuk van de tegenstander i.p.v. het eigen stuk, het na een slag wegnemen van te
veel, te weinig of verkeerde stukken, het spelen van een andere zet dan een
verplichte slag, het wegnemen van stukken zonder een slag uit te voeren), dan
kan deze zet slechts op verlangen van de tegenstander, worden teruggenomen en,
met inachtneming van art. 6.6., door een andere zet worden vervangen.
Een onreglementaire zet, die is beantwoord door een zet van de tegenstander, is
onherroepelijk.
8.1 De partij is gewonnen voor de speler wiens tegenstander, aan zet zijnde, geen reglementaire zet meer kan doen.
8.2 De partij is gewonnen voor de speler wiens tegenstander verklaart dat hij opgeeft.
8.3 De tegenstander in de in artikelen 8.1 en 8.2 bedoelde gevallen is de verliezer van de partij.
9.1 De partij is remise wanneer beide spelers dit overeenkomen.
9.2 De partij is remise:
o na wederzijds zestien zetten in een stand van één dam tegen drie stukken
waaronder een dam
o na wederzijds vijf zetten in een stand van één dam tegen maximaal twee
stukken waaronder een dam.
10.1 Iedere speler moet in een tevoren bepaalde tijd een tevoren bepaald aantal zetten doen.
Indien een speler een bepaald aantal zetten in minder dan de daarvoor
vastgestelde bedenktijd heeft uitgevoerd, komt de niet gebruikte tijd ten goede
aan de voor de daarop volgende zettenreeks vastgestelde bedenktijd.
10.2 Het controleren van de bedenktijd van iedere speler geschiedt door middel van een klok.
10.3 Ten teken van het begin van de partij, wordt de klok van de zwartspeler in werking gesteld. Deze doet vervolgens, door het omzetten van de klok, de bedenktijd van de witspeler voor de eerste zet ingaan. Nadat de eerste zet van wit, respectievelijk zwart, is gedaan mag de klok niet eerder worden omgezet, dan nadat daarvan de vastgestelde bedenktijd is ingegaan. In het vervolg van de partij brengt iedere speler nadat hij zijn zet heeft gedaan, zijn klok tot stilstand en die van zijn tegenstander aan de gang, en wel met de hand waarmee hij zijn zet uitvoerde.
10.4 Het is de spelers niet toegestaan, tijdens de partij beide klokken stil te zetten, of wijzigingen aan te brengen in de door de klok aangegeven bedenktijd.
10.5 Voor het bepalen of het voorgeschreven aantal zetten binnen de beschikbare tijd is gedaan, wordt de laatste zet geacht pas voltooid te zijn nadat de speler zijn klok tot stilstand heeft gebracht.
10.6 De bedenktijd is verstreken op het moment dat dit door de klok wordt aangegeven (door het vallen van de
'vlag' of op andere wijze).
Elke aanduiding door de klok gegeven wordt als beslissend beschouwd.
11.1 Bij het spelen met de klok is iedere speler verplicht tijdens de partij de zetten - zowel zijn eigen zetten als die van de tegenstander - zet voor zet te noteren.
11.2 Voor het noteren van de partijen en de standen worden de speelvelden geacht genummerd te zijn als in
het onderstaande diagram:
|
zwart |
|
|
|
wit |
11.3 Een zet wordt genoteerd door achtereenvolgens het nummer van het veld van vertrek en het nummer van het veld van aankomst aan te geven. Gebruikelijk is daarbij het verbindingsteken ' - ', en in geval van een slag het verbindingsteken ' x '.
11.4 Indien tenminste één van beide spelers over minder dan 5 minuten
bedenktijd beschikt (tijdnood), wordt de notatieplicht van beide spelers
opgeschort.
Zodra de bedenktijd van één der spelers volgens artikel 10.6 is verstreken en
de tijdnood voorbij is, dient elke speler zijn notatie onmiddellijk bij te
werken.
Het bijwerken van de notatie geschiedt dus in de bedenktijd van de speler wiens
bedenktijd is verstreken; indien deze de notatie echter eerder heeft bijgewerkt
dan zijn tegenstander, wordt diens klok in werking gesteld totdat ook hij de
notatie volledig heeft bijgewerkt.
12.1 Nadat de bedenktijd van één der spelers is verstreken, wordt aan de hand van de bijgewerkte
notatie van beide spelers vastgesteld hoeveel zetten binnen de verstreken
bedenktijd zijn gedaan.
Indien daarbij komt vast te staan, dat de speler wiens bedenktijd is verstreken
niet het vereiste aantal zetten heeft gedaan, verliest deze de partij door
tijdoverschrijding.
In alle andere gevallen wordt de partij voortgezet; daarbij worden, indien niet
kon worden vastgesteld hoeveel zetten zijn gedaan, de spelers geacht in de
verstreken bedenktijd precies het aantal zetten te hebben gedaan.
12.2 Indien een speler één uur na aanvang van de partij nog niet aanwezig is, wordt de partij voor hem verloren verklaard.
12.3 De partij is verloren voor de speler die weigert zich te onderwerpen aan de Regels voor het Damspel.
13.1 Een voorstel tot remise als bedoeld in artikel 9.1 dient door een speler te worden gedaan, onmiddellijk
nadat hij een zet heeft gedaan. Pas na aldus remise te hebben voorgesteld,
brengt hij de klok van de tegenstander aan de gang.
Deze kan het voorstel aanvaarden of - hetzij mondeling, hetzij door het doen
van een zet - verwerpen.
In de tussentijd kan de speler die het voorstel heeft gedaan, het niet
intrekken.
Een voorstel tot remise, dat niet op de voorgeschreven wijze is gedaan, is wel
geldig en blijft van kracht tot het is verworpen of tot één der spelers een zet
heeft gedaan.
13.2 De speler van wie een voorstel tot remise door de tegenstander is verworpen, mag niet opnieuw een remisevoorstel doen, tenzij de tegenstander inmiddels eveneens een dergelijk voorstel heeft gedaan.
13.3 De partij is remise indien een speler, aan zet zijnde, aan de hand
van zijn notatie aantoont
a. dat hij reeds tweemaal eerder in de partij in dezelfde stand aan zet is
geweest, of
b. dat hij door een reglementaire zet een stand kan doen ontstaan die reeds
tweemaal eerder in de partij door een zet van zijn kant ontstaan is, of
c. dat aan weerszijden de laatste 25 opeenvolgende zetten zijn gedaan zonder
dat er een stuk is geslagen of een schijf is verplaatst.
13.4 In de gevallen, bedoeld in artikel 13.3, wordt de
gegrondheid van de remise-eis onderzocht in de bedenktijd van de eiser.
Blijkt zijn eis correct, dan is de partij remise, ook al zou de eiser inmiddels
de tijd overschreden hebben.
Blijkt de eis incorrect, dan wordt de partij voortgezet, in het in art. 13.3
sub b. bedoelde geval met de uitvoering van de reglementaire zet waarop de
remise-eis berustte.
Als na het onderzoeken en ongegrond bevinden van de remise-eis de bedenktijd
van de eiser inmiddels verstreken is, is art. 12.1 normaal van toepassing, met
dien verstande dat in het art. 13.3 sub b. bedoelde geval de aangewezen
reglementaire zet geacht wordt gedaan te zijn.
13.5 In het wedstrijdreglement of in de wedstrijdvoorwaarden kan worden bepaald dat een partij waarin remise is overeengekomen vóór dat wederzijds 40 zetten zijn gedaan, voor beide spelers verloren kan worden verklaard.
14.1 Indien een partij na het verstrijken van de beschikbare speeltijd niet beëindigd is, worden beide klokken
stilgezet en de volgende gegevens genoteerd:
a. de namen van de spelers,
b. de stand en het door iedere speler gedane aantal zetten,
c. de door iedere speler gebruikte tijd, en
d. de naam van de speler die aan zet is.
Er wordt voor gezorgd dat deze gegevens bewaard blijven totdat de partij is
beëindigd.
14.2 De wijze waarop de afgebroken partij kan worden beëindigd, wordt in het Wedstrijdreglement geregeld.
Indien van een speler, wegens lichaamsgebreken of anderszins, de nakoming van een bepaling in de Regels voor het Damspel niet in redelijkheid kan worden gevergd, wordt hem ontheffing van deze bepaling verleend of worden bijzondere voorzieningen voor de nakoming ervan getroffen. Van een dergelijke maatregel wordt ook de tegenstander voor de aanvang van de partij in kennis gesteld.
16.1 De spelers worden geacht bekend te zijn met de Regels voor het Damspel en met de
voor de betreffende wedstrijd geldende bepalingen, en zij dienen deze strikt na
te leven.
Het is de spelers verboden
o gedurende het spel geschreven of gedrukte aantekeningen te gebruiken of de
partij op een ander bord te analyseren;
o gebruik te maken van de raad of de mening van anderen, gevraagd of ongevraagd, in de speelzaal gedurende het spel of
tijdens een onderbreking te analyseren;
o de tegenstander, op welke wijze dan ook, af te leiden of te hinderen.
16.2 Overtreding van het bepaalde in artikel 16.1 kan bestraft worden en zelfs het verlies van de partij tot gevolg hebben.
Met de leiding van de wedstrijd wordt een arbiter belast. Deze heeft recht op strikte gehoorzaamheid en een
welwillende houding te zijnen opzichte van alle aanwezigen.
De taken van de arbiter zijn:
a. het toezien op de strikte naleving van de Regels voor het Damspel en de voor de betreffende wedstrijd
geldende wedstrijdbepalingen;
b. het toezien op het verloop van de wedstrijd en de omstandigheden waaronder
wordt gespeeld; als een onregelmatigheid het ingrijpen van de arbiter vereist, heeft hij het recht
de beide klokken daartoe tijdelijk stil te zetten;
c. het uitvoeren van de volgende in de Regels voor het Damspel genoemde taken:
het voor de wedstrijd aan de spelers bekend maken van de beschikbare speeltijd
(art. 14.1) en verleende ontheffingen (art. 15), het doen aanvangen van de
partij door de klok van de zwartspeler in werking te stellen (art. 10.3), het
vaststellen of de spelers in de voorgeschreven bedenktijd het vereiste aantal
zetten hebben gedaan (art. 12.1), het verloren verklaren van de partij voor een
niet opgekomen speler (art. 12.2), het onderzoeken van de gegrondheid van een
remise-eis volgens art. 13.3 (art.13.4), bij digitale klokken minimaal eenmaal
per uur de resterende bedenktijd van beide spelers noteren en controleren of
een Nederlandstalige handleiding in het speellokaal aanwezig is;
d. het toezien op de uitvoering van de beslissingen die hij genomen heeft ten aanzien van geschillen tijdens
de wedstrijd;
e. het opleggen van straffen aan de spelers voor elke inbreuk op of overtreding van de Regels voor het Damspel;
f. het uitvoeren van alle overige taken die hem door reglementen worden
toebedeeld.
BRON OFFICIEEL SPELREGLEMENT: www.kndb.nl