Het Cuperinus Bedrog

 

SUPPLEMENT OP EEN GENEALOGIE VAN EEN DEURNESCHE FAMILIE  "VAN DE MORTEL"

 

Een eeuwen-oude gefantaseerde kroniek over Bossche Schepenen en Poorters genaamd ‘Coptiten’ eindelijk opgehelderd

 

E-Mail: c.vandemortel@chello.nl

 

 

 

 

INLEIDING

 

Ik heb mezelf afgevraagd of het wel zinvol was om zo kort na de publicatie van mijn vorige boekje, dat in 2003 het daglicht mocht aanschouwen, opnieuw een werkstukje te maken dat de moeite van het lezen waard was, belangrijker nog, een extra toegevoegde waarde kon leveren op het reeds eerder gebodene zonder dat er sprake zou zijn van repetitie. Gaandeweg ben ik tot de conclusie gekomen dat ik mezelf de mogelijkheid niet wilde ontnemen om de resultaten van 35 jaar intensief speurwerk voor toekomstige geschiedvorsers en genealogen vast te leggen. Daar is het uiteindelijk toch om te doen geweest. Als over enkele jaren een volwassen geschiedschrijving over Deurne in Noord-Brabant tot stand komt kan het resultaat van mijn naspeuringen wellicht een toegevoegde waarde betekenen..

De tientallen in de oorspronkelijk al bijzonder moeilijk leesbare Latijnse taal opgemaakte akten over de periode 1300 tot omstreeks 1400, welke ik in mijn bezit heb, bevatten een schat aan informatie. Deze informatie wil ik de geïnteresseerde lezer niet onthouden. Probleem is echter om deze documenten vertaald te krijgen.De informatie in deze bronnen laat zich minder gemakkelijk prijs geven, niet alleen vanwege het uiterst moeilijke leesbare schrift, maar ook door de veel gebruikte afkortingen welke men in de middelleeuwen gebruikte om zo weinig mogelijk papier en perkament te verspillen. Bij het ontcijferen van deze weerbarstige bronnen is de hulp, expertise en inzet gewenst van specialisten die deze eeuwenoude in de Latijnse taal gestelde documenten op een juiste wijze weten te interpreteren.

Daarnaast is de professionalisering van het Internet een meer dan welkome aanvulling op het literatuur- en bronnen-onderzoek, in die zin dat historische bronnen die tot op heden nog niet geheel of gedeeltelijk waren ontsloten eenvoudiger toegankelijk worden en derhalve makkelijker te raadplegen.

Voorbeelden hiervan zijn de volgende internetpublicaties.

·               Regionaal Historisch Centrum Tilburg. 

·               Stichting Adriaen Snoerman Fonds. Index op het Bossch Protocol m.b.t. Udenhout.

·               Henk Beijers Archiefcollectie.

·               Homepage Stadsarchief ’s-Hertogenbosch.

·               Digitale Bronbewerkingen Nederland en Belgié.

·               De website van archievenoverzichten, inventarissen en nadere toegangen.

.               De meest uitgebreide Internet gids op het gebied van Genealogie, Stambomen, Familienamen en Archieven             

 

Herbestudering van alle informatie en de beschikbaarheid van de inmiddels vertaalde protocollen heeft een completer maar vooral duidelijker beeld opgeleverd over de allervroegste periode welke zich uitstrekt ten tijde van de stichting en opkomst van de stad ’s-Hertogenbosch, omstreeks 1185, tot de beginjaren van de 15e eeuw.

In het binnenkort te publiceren boek "Het Cuperinus bedrog. Supplement op een Genealogie van een Deurnesche familie "van de Mortel". Bossche Schepenen en Poorters genaamd “Coptiten”en hun nakomelingen in Deurne, Asten en Someren van 1220 tot omstreeks 1575" zal geen werk worden gemaakt van de stamreeksen vanaf ongeveer 1575 naar heden om de feitelijke reden dat het geringe aantal relevante nieuwe stamreeksen, vanaf ongeveer 1575, niet de moeite van het publiceren waard zijn en derhalve geen nieuwswaarde leveren. Aanvulling op deze reeksen laat ik gaarne over aan toekomstige genealogen. Dit supplement zal dan ook een aanvulling en verbetering zijn van de beschreven vroegste periode zoals deze is gepubliceerd in mijn laatste uitgave van het jaar 2003.

Tenslotte wil ik hier ook nog mijn waardering uitspreken voor de heer S.J.M.M. Ketelaars voor het vertalen en bewerken van de Bossche protocollen vanaf 1368. Zijn fenomenale inzet en betrokkenheid hebben er toe geleid dat deze protocollen in het Stadsarchief van ’s-Hertogenbosch voor een ieder toegankelijk zijn. De jaren zijn afzonderlijk gebundeld, getranscribreerd en voorzien van indexen. Ook de welwillende bereidwilligheid en medewerking van de historicus Dr. G.S.M. van Dijck om de eeuwenoude akten voor mij te vertalen wordt eveneens bijzonder op prijs gesteld. Tevens is dit de plaats om een dankwoord uit te spreken aan Jan van de Mortel uit Deurne welke zich heeft ingezet om de stamboomlijnen over de periode 1600 tot heden aan het World Wide Web toe te vertrouwen.

Wie zich verdiept in het verleden en de geschiedenis van de stad en de Meierij van ‘s-Hertogenbosch stuit vroeg of laat op de Bossche schepenprotocollen. Deze registers van vrijwillige rechtspraak, opgetekend ten overstaan van de schepenen van ‘s-Hertogenbosch, zijn overgeleverd in een onafgebroken reeks van 1367 tot 1811 en beslaan meer dan 350 strekkende meters over ongeveer 600 banden in de depots van het Bossche Stadsarchief. Vanuit de gehele Meierij kwamen partijen naar de stad om daar hun overeenkomst ten overstaan van de schepenen te laten vastleggen. Het merendeel van de documenten heeft betrekking op goederen die zijn gelegen buiten de stad en haar onmiddellijke omgeving en dat maakt het “Bossch” protocol interessant voor een ieder die zich bezighoudt met het bestuderen van het Oost-Brabantse  verleden. Of het nu gaat om exakt wetenschappelijk  onderzoek naar de lokale- of regionale geschiedenis, of een diepgaande analyse en studie op het gebied van algemene bezitsverhoudingen, landbouwhistorie, rechtsgeschiedenis of genealogie, de oude ‘Bossche Protocollen’ vormen zonder twijfel een van de meest interessantste en  belangrijkste bronnen die de onderzoeker ten dienste staan.

Het ontstaan van het schepenprotocol hangt uiteraard nauw samen met de stedelijke ontwikkeling en het instellen van de schepenbank. De belangrijkste taak van de schepenbank is het recht-spreken. De schepenen waren competent om te oordelen over geschillen betreffende akten, verleden voor de Bossche schepenbank, inzake onroerend goed in de gehele Meierij. De bevoegdheid van de schepenbank beperkte zich bij de vrijwillige rechtspraak dus niet alleen tot het ressort van stad en vrijdom, maar strekte zich uit over de gehele Meierij. Bijgevolg werden voor de schepenen van de stad ’s-Hertogenbosch akten verleden betreffende goederen in de gehele Meierij en incidenteel zelfs daar buiten.

De schepenprotocollen van de stad ’s-Hertogenbosch berusten, als onderdeel van het Oud-Rechtelijk archief, in het stadsarchief  van de stad Den Bosch. Deze protocollen bevatten de optekening van concepten en minuten van contracten, verleden voor de schepenen van ’s-Hertogenbosch.

Tegen deze achtergrond zal het geslacht ‘Coptiten’ zich nadrukkelijk manifesteren. Zij behoorden zonder meer tot de gegoede burgers van de stad, waren al van oudsher ambachtslieden, stonden hoog in aanzien, waren bemiddeld en blijkbaar voldoende ontwikkeld en derhalve in staat vooraanstaande functies in het leven van alle dag te bekleedden. Voorts waren zij zakenlieden die met name in het gehele hertogdom eigendommen verwierven en hebben in de tijd waarin zij leefden hun stempel gedrukt op beleidszaken in het middeleeuwse ’s-Hertogenbosch en haar directe omgeving.

Jacobus Coptiten en zijn nazaten, als stamouders van de Zuid-Oost-Brabantse familie met  o.a. de naam "van de Mortel", worden uitgebreid besproken in het inmiddels gepubliceerde boek "Het Cuperinus bedrog. Supplement op een Genealogie van een Deurnesche familie "van de Mortel".  Bossche Schepenen en Poorters genaamd “Coptiten”en hun nakomelingen in Deurne, Asten en Someren van 1220 tot omstreeks 1575". In dit werkstukje van 360 bladzijden, voorzien van relevante bewijsvoering en honderden bronvermeldingen, wordt ingegaan op de onmogelijkheid van Cuperinus beweringen. Voorts hoop ik erin geslaagd te zijn een leesbaar geheel te hebben vervaardigd over de vroegste periode van het bestaan van de voorouders van de heden ten dagen in Noord Brabant levende families met de naam "van de Mortel".

 

EEN EEUWEN OUDE KRONIEK BESCHREVEN DOOR DE BETROUWBARE

BOSSCHE KRONIEKSCHRIJVER ALBERTUS CUPERINUS

Een 700 jaar oud gefantaseerd verhaal over de ‘Coptiten’ eindelijk opgehelderd.  

Een van de oudste en interessantste kronieken over de geschiedenis van ’s-Hertogenbosch werd halverwege de zestiende eeuw, omstreeks 1549, op schrift gesteld door Willem Moel (Molius), priester en kanunnik van de Sint Jan in ‘s-Hertogenbosch. Het werd geen droge opsomming van feiten. Molius had meer dan bijzondere aandacht en interesse voor de gewone man, die meer dan geplaagd werd door honger, armoede, ziekte, natuurrampen, en onderdrukking. Ook het verlies van de regionale identiteit ten opzichte van Europa, de opkomst van het protestantisme en de tanende invloed van de ambachtsgilden gingen hem aan het hart.

“Molius” Latijnse kroniek zou de basis vormen voor de veel geciteerde kroniek van Aelbertus Cuperinus en is derhalve een van de belangrijkste historische bronnen over de geschiedenis van de stad en streek van ’s-Hertogenbosch en haar  directe omgeving, het huidige Oost-Brabant.

De juistheid van de stellingen van Cuperinus, voor zover deze passen binnen de context van deze publicatie, kan, zoals later zal blijken niet meer ter discussie staan. Cuperinus heeft zich doelbewust een artistieke vrijheid gepermiteerd en derhalve een fabel geproduceerd welke, zéker in de tijd waarin hij leefde,  kritiekloos werd geaccepteerd en tot op dit moment al meer dan 450 jaar het middelpunt van discussie vormt. Dat een van zijn kronieken na meer dan vier eeuwen onder een vergrootglas kan worden geplaatst en vervolgens een totaal ander beeld projecteert is op zich méér dan opmerkelijk. Dat een en ander vervolgens ook iets zegt over zijn betrouwbaarheid als kroniekschrijver is méér dan merkwaardig. Voorts is het historisch interessant te mogen constateren dat Cuperinus niet dood is maar in dit geval springlevend.

 

Het Huis De Moriaan en Royenburch aan de Markt/Marktstraat te ’s-Hertogenbosch

en het begin van een gefantaseerd verhaal.

 

De geschiedenis van dit kapitale huis, dat te ’s-Hertogenbosch op hoek van de Markt en de Markstraat staat voert ons terug tot de tijd waarin de stad gesticht werd. Immers de betrouwbare Bossche zestien-eeuwse Kroniek-schrijver Cuperinus schreef in zijn “Chronicke van der Stat van Tsertoghenbosch”:

“Anno Domini 1185 werden tot behoef van der stat van den Bosch getimmert drie poorten. Op dieselve tide dede die hartoghe van Brabant Henrick I timmeren op die Merct twee plaisante huzen, te weten Royenburch en ’t casteel op die Moriaen. Die vrome princke Henricus, die eerste van dien naem, hartoghe van Brabant, alsoo hy die stat van den Bosch seer lieff ende begracijt hadde, want die stad door zijn toedoen ende neersticheyt sijne oorspronc genomen hadde, soo stictede hy in die stadt twee vroome husen, te weten een palleys voor zijn wooninge ende optreck intselve huys, dat nu in de Swaen is tegen dat Vleeshuys over. Item een hof, om daarin te tracteren saken aengaende zijnder domeynen, welck huys noch staet inde Gasthuysstraete buyten die Gevangenpoort ende is genaemt ’t Hof van Brabant. Item opten costen van der stat wert getimmert een raethuys, dat welck noch genuemt is dat oude raethuys "

 Aelbertus Cuperinus schreef verder over dit huis en het huis de Moriaan:

“Op die selve tide dede die hartoghe van Brabant Henriek timmeren op die merct twee plaisante huzen, te weten Royenburch ende casteel op die Moriaen” ( De Moriaan en Rodenburg staan nog steeds op de Markt ). In dese twee huzen woonden twee al te mechtige ende rycke jonckers of borgers, die seer groot ende geacht waren int hoff van brabant by hartoch Henrick; die eene was genaemt Jacob Coppetyn ende woonden in den Moriaen, die ander was genaemt Henrick Beckerlyn ende woonden op Royenburch”. “Tussen desen twee jonckers was groote minnenede vrintschap ende aten ende droncken dicwils te samen seer minnelijck ende in grooter vreuchden”.

 

Viantscap ende tweedracht tusschen Jacob Coptiten ende Henrick Becquerling

 

Maar, zo vervolgt Cuperinus: “namaels is tussen dese twee jonckers gevallen, door duvels ingegeven, alsoo groote partyscap ende tweedracht, daer groote moorderye, rooverye ende doodslagen om quamen onder die borgers”. “Dese groote viantscap ende tweedracht heeft opgenomen in sijn handen hartoch Henrick I mit sijn heeren van den hove ende heeft die partijen wederom vereenicht ende eene accordt gemaect mit zekere conditién ende articulen, ende onder al soo werdt gedetermineert ende gesloten, dat men van dese voorsr. Tweedracht ende partyscap een jairlicxe gehoechnis houden sal opten vastelavont mit gevecht van hanen op der stadhuys, dat welck tot deser tijt toe noch onderhouden is tussen die Beckerling en Coptyding”.

 Over deze twee edellieden deelt de 17e  eeuwse genealoog Jac. Van Oudenhoven  op bladzijde 49 het volgende mede:

“In het beghinsel of in den aenvangh van de Stadt van den Bossche zijn hier twee machtighe Edelluyden komen woonen, d’eene van de Edelluyden was ghennemt Jacob Coptiten, d’andere Henrick Becqeurling, of, als eenighe schrijven, Becquerdijn. Men houdt dat dese twee Edelen ghesprooten waeren uyt de Coninghen van Vranckrijck, of komstelinghen van Carolus de Groote ende van Huygh Capetus, twee machtighe Coninghen in haren tijdt, welckers namen omdat sij aldus souden verandert hebben ende dat men de eerste in plaets van Capetijten ghenoemt heeft Coptiten, ende de andere in plaats van Carolynen, eerst Cerlynen, ende daerna Becquerlingen of Becquerdynen

Als laatste volgt hier het commentaar zoals dat door de redactie van Taxandria in het jaar 1900 werd verwoord:

“De kronieken vermelden vervolgens dat De Coptiten behoorden tot een adellijk geslacht, waarvan leden reeds in 1289 in de schepenstoel plaats namen en tot het begin der 15e eeuw daarin vertegenwoordigd bleven. Mag men geloof hechten aan het veel op een legende gelijkend verhaal van broeder Albertus Cuperinus in zijne Cronicke van Tsertogenbosch, dan zou dit geslacht reeds rond 1200 aldaar zijn gevestigd geweest en de twist van een hunner met een anderen edelman aanleiding tot grote onenigheid onder de burgerij hebben gegeven, welke verdeeldheid door bemiddeling van de hertog werd bijgelegd, ter welker gedachtenis men jaarlijks op Vastenavond hanengevechten hield”.

“Hoever bij dit verhaal waarheid en verdichtsel samengaan, is bij gebrek aan bescheiden niet gemakkelijk op te helderen. Dit staat echter vast, dat de Coptiten eerst in 1289 in de regeering kwamen, wat absoluut niet  pleit voor  hun verblijf  rond 1200  te ’s-Hertogenbosch, daar deze edellieden anders ongetwijfeld veel vroeger als schepenen zouden hebben opgetreden”.

“Van Oudenhoven zal hier wel zijne phantaisie hebben laten werken evenals de genealogen uit zijnen tijd, die niet tevreden waren met het afleveren eener genealogie wanneer zij het geslacht, dat zij daarin behandelden, niet hadden weten vast te knopen aan den eenen of anderen vorst; ik althans geloof niet aan de afkomst welke hij aan de families Coptiten, (zoo was de eigenlijke naam van den eerste bewoner van de Moriaan ) en Beckerlyn gaf”.

“Van de familie Beckerlyn heb ik in geen enkele oude akte iets gevonden; van de familie Coptiten zooveel te meer, omdat zij nog in de XVI eeuw te ’sHertogenbosch gevestigd was”.

 Ook de zeventiende-eeuwse genealoog van Oudenhoven wordt te pas en te onpas geciteerd. Een spectaculaire demonstratie wordt gegeven in het werk van de meer dan gezaghebbende en vooraanstaande historicus Dr.G.C.M. van Dijck, genaamd: ”Geschiedenis van de Illustere Lieve Vrouwenbroederschap te ’sHertogenbosch”, 1318-1973, 1973, bladzijde 180..

Een bijzondere maaltijd, de zogenaamde zwanenmaaltijd, heeft de geschiedenis van de broederschap een speciaal stempel meegegeven. Er is al veel over deze zwanenmaaltijden geschreven en gefantaseerd. Volgens Van Oudenhoven zou de jaarlijkse zwanenmaaltijd ingesteld zijn door een vredelievend Bosschenaar, om de twistende families Coptyten enerzijds en de Becquerlingen anderzijds tot elkaar te brengen. Vanaf dat moment echter zou ieder jaar deze maaltijd gehouden zijn ter handhaving van de vrede tussen beide families en verzorgd door de zg. zwanenbroeders. Een tijdstip voor het ontstaan van dit gebeuren geven Cuperinus en Van Oudenhoven niet

Dr. G.C.M. van Dijck continueert met de opmerking dat de feiten geheel anders liggen en gaat voorts over tot een breedvoerige beschrijving van de werkelijkheid. Een en ander maakt duidelijk dat ook de heer Van Dijk niet erg veel geloof hecht aan de beweringen van onze middeleeuwse kroniekschrijvers.

 

Dat dit die waerheyt vander saecke duyd !!

 

Op zondag 30 juni 1306 wordt door  Jan II, hertog van Brabant, en Jan heer van Cuyk een verzoening afgekondigd tussen de adelijke families Cnodingen en Dicbieringen als reactie op de ontstane ruzie tussen deze laatst genoemde partijen en de daarop volgende vechtpartijen waarbij één dode en meerdere zwaar of lichtgewonden zijn te betreuren. Het komt er in het kort op neer, zonder in de aard der zaak te treden, dat de hertog en de heer van Cuyk de twistende partijen veroordeeld tot het betalen van een boete aan de nabestaanden van de overledene en aan al degenen die bij de schermutselingen tussen de stad 's-Hertogenbosch en Hintham en Rosmalen gewond zijn geraakt. Het procesverbaal wordt opgesteld te Tervuren op 10 juli 1306 en zal daarna door partijen ten uitvoer worden gebracht.

Aelbertus Cuperinus zal wellicht kennis hebben genomen van dit oude document in zijn orginele vorm, hetzij overgenomen van Molius, of anderszins door zelf de hand te leggen op het orgineel. Hij was tenslotte een geletterd man en in staat om deze in de oorspronkelijk Middelnederlandse taal gestelde akte te lezen en te interpreteren.

Om redenen die ons onbekend zijn heeft Cuperinus, maar mogelijk ook Molius, besloten om aan dit verhaal een totaal andere wending te geven. Sterker nog: hij heeft zich nadrukkelijk overgegeven aan geschiedvervalsing en bedrog door in zijn kroniek de namen Cnoding en Dicbier te vervangen door Coppetijn en Beckerlyn. Voorts volgen beweringen dat Jacob Coppetyn woonachtig zou zijn geweest in “de Moriaan” en dat Henrick Beckerlyn zijn intrek zou hebben genomen in het huis genaamd “Rodenburg”, welke huizen dan ook nog verbonden zouden zijn door een brug. In zijn kroniek wordt nergens een datum genoemd, noch naar bronnen verwezen, maar het is zonder meer evident dat hier het jaar 1306 wordt bedoeld. Cuperinus continuéert zijn kroniek door nog eens fijntjes te wijzen op de adelijke afkomst van de Coppetyten welke zich omstreeks het jaar 1200 in Den Bosch vestigden en waarbij ene Willelmus Coptiten reeds in 1289 in de schepenstoel plaats nam. Ook maakt hij er geen punt van om beide families met één pennenstreek te promo-veren tot de adelstand.

Uit de tekst op de voorgaande bladzijden kan de geïnteresseerde lezer bovendien kennis maken met de 17e eeuwse genealoog Jac. Van  Oudenhoven welke het allemaal nog veel spectaculairder voorstelt en de families laat afstammen van keizer Karel de Grote. Het ligt voor de hand dat de heren geschiedschrijvers enig financiéel gewin voor ogen hadden. Wellicht dat in de zestiende eeuw door afstammelingen van de familie Coptiten de opdracht werd gegeven om een stamboom te produceren die enige impact had bij tijdgenoten. Het heeft er allerzins de schijn van.

Jacobus Coptiten, handschoenmaker, zoon van Jacobus Aven en Aleyd, geboren omstreeks 1280 en overleden tussen 21 april 1351 en 12 januari 1355 was een tijdgenoot van Henricus, genaamd Becker, welke een zoon was van Henricus Pistor, ook wel genoemd Henricus van Meghen of Henricus Bakkers en Henricus de Bakker de Oude (senior), geboren omstreeks 1280. Beide waren poorters van de stad ’s-Hertogenbosch en zullen elkaar ongetwijfeld meer dan eens gesproken hebben. Zij waren zeker geen jonkers maar hardwerkende beroepsuitoefenaren uit de middenlaag van de bevolking. Jacobus verdiende de kost met het handmatig fabriceren van schoenen en het uitoefenen van werkzaamheden en het beheren van zijn eigendommen op het gebied van de agrarische sector, had ondermeer een stem in het schepencollege van de stad ’s-Hertogenbosch en bekleedde verschillende administratieve functies. Hij was ondermeer zaakgelastigde van Willelmus van den Bossche en mede verantwoordelijk voor de uitvoering van zijn testament. Van Henricus is niet meer bekend dan dat hij bakker (pistor) is geweest. Ook is uit geen enkele bronvermelding is gebleken dat Jacobus Coptiten woonachtig is geweest in het huis “de Moriaan“. Het gaat te ver te veronderstellen dat Henrick Becker in het huis “de Rodenburg” gewoond heeft. Hij kán er gehuisvest zijn geweest, echter, het is tot op heden niet bewezen dat zulks ook heeft plaats gevonden.

Met betrekking tot Willelmus Coptiten is inmiddels wel meer dan duidelijk geworden dat deze in de beschouwing betrokken periode nooit geleefd heeft maar ongeveer honderd jaar later. Rond de negentiger jaren van de veertiende eeuw, om precies te zijn in 1389, is hij schepen van de stad ’s-Hertogenbosch geweest. Ook hier hebben onze betrouwbare geschiedschrijvers de waarheid geweld aangedaan door deze ambtsperiode met honderd jaar te vervroegen. Het moest blijkbaar allemaal fraaier en imposanter worden voorgesteld.

Jacobus Coptiten en zijn nazaten, als stamouders van de Zuid-Oost-Brabantse familie met  o.a. de naam "van de Mortel", worden uitgebreid besproken in het binnenkort te publiceren boek "Het Cuperinus bedrog. Supplement op een Genealogie van een Deurnesche familie "van de Mortel".  Bossche Schepenen en Poorters genaamd “Coptiten”en hun nakomelingen in Deurne, Asten en Someren van 1220 tot omstreeks 1575". In dit werkstukje van 360 bladzijden, voorzien van relevante bewijsvoering en honderden bronvermeldingen, zal uitgebreid worden ingegaan op de onmogelijkheid van Cuperinus beweringen. Daarnaast hoop ik erin geslaagd te zijn een leesbaar geheel te hebben vervaardigd over de vroegste periode van het bestaan van de voorouders van de heden ten dagen in Noord-Brabant levende families met de naam "van de Mortel".

Met betrekking tot Henricus Becker valt te constateren dat de overgeleverde schriftelijke bronnen over zijn persoon schaars zijn gedurende de eerste helft van de veertiende eeuw. Uit slechts een zevental documenten blijkt dat hij inderdaad geleefd heeft. Hij is overleden vóór 9 mei 1358.

Als laatste opmerking rest mij de mededeling dat het inmiddels definitief duidelijk is geworden dat de zestiende-eeuwse kroniek van Cuperinus met als imponerende titel “Viantscap ende tweedracht tusschen Jacob Coptiten ende Henrick Becquerling” naar het land der fabelen kan worden verwezen en dientengevolge de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de geschiedschrijver méér dan getoetst is.

 

Cor van de Mortel

Eindhoven, 10 november 2006

E-Mail: c.vandemortel@chello.nl