Ine’s Columns

 

IC1

Lees hier Ine’s column:

 

HET HEEFT IETS KLUCHTIGS

Bedrog en waarheid, wat maakt het verschil?

Het is een gegeven dat de tijd en niets anders dan de tijd domineert. Weer is het zondag. Vanuit mijn venster kijk ik uit op een rustige straat; het is alsof de stenen huizen slapen, de gordijnen zijn gesloten, de ramen hebben hun ogen toe. Er is op dit zondagse uur, zo vroeg in de ochtend, bijna geen verkeer. De mensen slapen uit. Als ze al naar de kerk gaan, is het zéker nog niet op dit tijdstip van leegte en rustigheid. 

Ik hoor de buren stommelen, hoewel mijn huis goed is geïsoleerd op warmte en geluid. Het geeft een vertrouwd gevoel, alsof er iemand thuis is, alsof je een medebewoner hebt: je bent niet alleen, er is nog iemand die over je waakt. Maar dat gevoel is een verlangen van mensen. Mensen roepen beschermers in het leven, zoals de engelen door de mens in het leven zijn geroepen. Figuren in profane sprookjes maar meer nog in sacrale legendes zijn heuse waarheden geworden door de tijd heen. Ik zou niet weten waarom ik moet geloven in iets wat ik niet zie, niet kan tasten, niet beleef; in iets dat me verteld is zonder bodem van echtheid, zonder enige garantie. Het heeft iets kluchtigs, ware er niet zoveel ernst mee gemoeid.

Sprookjes en legendes zijn afstandelijke verhalen, je hoort ze of je leest ze en de overlevering, de traditie, wil dat je ze gelooft op inhoud en gebeurtenis. Sterker nog: er zijn hordes mensen die je dwingen te geloven in onzichtbare figuren om je heen. Doe je dat niet, dan word je verketterd, verguisd, geminacht. Een zeer merkwaardig fenomeen, zou ik zeggen. Wie gelooft in een geesteswereld zou beter zijn dan iemand die zich er verre van houdt? Om de wereld met de mensheid gezond te houden, zou je eerder de nuchtere waarheid omhelzen dan onzichtbare fantasieën aanhangen die oncontroleerbaar zijn: iedereen kan immers via het vermeende geestenrijk vertellen wat hij wil? Tegelijk staat hij ver boven de ander verheven, creëert hij zijn status boven jou en jij adoreert hem, of je wilt of niet.

Zo is bijvoorbeeld het medium Jomanda een typisch voorbeeld van de leugen en de vergevorderde hoogmoed. Ze werkt in op de fantasie, heel psychosomatisch, en laat je bijvoorbeeld flauwvallen of rondkruipen of gillen als een dier. Maar nee, dat doet zíj niet, dat doe je zélf. Jomanda betovert je met haar woorden en haar gestalte en jij láát je betoveren, want dáár kwam je in feite voor bij haar. De 'geneeskracht' van deze blauwe hexa zit in jezelf, ze is suggestief bezig en niet zij maar jij doet het werk. Maar er volgt geen genezing, dat kan niet omdat de suggestie die ze opwekt en die jij beleeft maar van korte duur is, vanzelf vervliegt. En daar sta je dan, berooid van de zoveelste illusie, aangedaan door andermans leugens in quadraat. Zo gaat het.

Gelukkig is hij die het bedrog tijdig onderkend. Je moet met je kwalen te allen tijde bij de reguliere artsen zijn. Het leven is trouwens niet houdbaar, het vergaat zoals alle leven op aarde vergaat. Men moet het lot aanvaarden. En ja, dat besef komt met de tijd. Al wil niemand eraan geloven. Dit is contradictie: geloven in wat je níét ziet, is een vereiste en geloven in wat je wél ziet, wordt afgekeurd en genegeerd. Ik wil ermee zeggen dat het leven niet zo moeilijk te beleven is als het soms wel lijkt. Dit is de remedie: je moet de nuchtere feiten staven.

En wat doe je met geloven? Dat is een verhaal apart. Er bestaan boeken over geloven en er zijn wetten inzake geloven, al eeuwenlang en nog langer. Het gelovige ordegevoel van gelovige mensen is gekweekt in de kerken en de gemeentes. Wie je ook bent, je onderwerpt je aan de regels en gaat mee in de rij zoals het kansloze beest meegaat in de kudde. Waar de wet van het geloof heerst, daar heerst deze regel. In een andere bewoording, natuurlijk.   

Gelukkig staat de maatschappij los van alle legendes en hooggenoteerde fantasieën, nóg wel. Derhalve hang ik zolang het me is gegeven de nuchterheid aan in het leven van alledag. Het houdt de geest fris en het gemoed in harmonie. Dat geloof ik. Of valt deze gedachte onder zeker weten? iv21nov2010 

Hier vind je de links naar weblogs die verwijzen naar Het heeft iets kluchtigs:

 

 

De namen in deze beschrijving zijn gefingeerd.

EEN BOEKJE OPEN

Een korte weergave van enkele debacles tussen een seculiere eerwaarde minister van een groepje lekengelovigen en twee misprezen schapen uit zijn twijfelachtige stal van vroomheid.

Ik noem hem Poll, maar hij zou ook Jan, Piet, Kees of Klaas kunnen heten. Ik stel de schone schijn van een aantal kleinburgerlijke vromen aan de kaak. Het is, ook in dezen, niet altijd goud wat er blinkt. Mijn motto is ‘Blijf jezelf. Geloof in jezelf. Sluit je nergens bij aan. Het is zinloos, leidt tot niets dan hartzeer en versterkt het kwaad van de macht.’

1. Vanmorgen dacht ik weer eens aan Poll. Het zijn nooit de mooiste momenten als ik aan Poll denk. Ik ken Poll vanaf 1983. Ik ontmoette hem via Corneel, een vrome ziel met een zwaar verleden en psychische problemen naar aanleiding ván. Ze had me uitgenodigd deel te nemen aan een bijeenkomst van minderbroeders. Ik ging erop in om haar te plezieren. En daar was toen Poll, met zijn vriendin, een ex-non, in de flanken.

2. Poll was in die dagen qua uiterlijk een knappe man, weduwnaar en ietwat dubbel in de katholieke moraal waar het zichzelf betrof, maar in de leer was hij voor ánderen in ieder geval standvastig en oer-Rooms. Poll bedoelde het in oorsprong goed maar werd gemangeld tussen het een en het ander in de enggeestig Roomse sociëteit der ordelingen, waar hij hardnekkig de aanvoerder was. Dit is hij, ondanks de strenge statuten, meer dan dertig lange jaren gebleven: de voorman van een groepje verstokte vredeverkondigers bij wie het maar niet lukte de ware vrede ook waar te maken. Er was altijd ergens ruzie over in de selecte groep, alsof er gezocht werd naar onderwerpen om over te kunnen ruziën, in die geest, dus. Het geruzie varieerde destijds van ergernis over de paus die met de leiders van de wereldgodsdiensten het Onzevader bad, van het excuus van de heilige vader aan de Joden voor het hun door katholieken berokkend leed in WO2, tot aan onderlinge, persoonlijke aanvallen toe: ‘Jij hebt mijn goede engelbewaarder beledigd!' En: 'Je hebt je gemengd tussen twee hoge geestelijken in de krant! Hoe dúrf je!' En dan volgde het dispuut, niet kalm maar verhit. Dit is nog maar een simpele greep, er waren méér items om te bevechten in die kring, maar dat beschrijf ik later misschien nog eens. Enfin. Wellicht was de vrede op zichzelf voor de oude, heel lang geleden geprofeste leden veel te saai om nog langer vol te houden, je viel erbij in slaap van verveling, het zou kunnen. Het is Poll in ieder geval niet gelukt de onderlinge vrede als heilige hoofdmoot te handhaven. Er was minstens, naast de argusogen, altijd wel gekibbel en gegrom.

3. Er gingen mensen dood, uiteraard, en opvallend genoeg sloten zich, zij het mondjesmaat, nieuwe leden bij het vrome clubje aan. Ze bleken wonderwel met hetzelfde sop overgoten, het sop van eigendunk, ergernis en schreeuwerigheid, van betweterigheid, maar ook van ingetogen vroomheid en geloof belijden in de kapel tijdens de diensten. Die nieuwe leden waren mannen, op één vrouw na, maar zij, ze heet Marja, is een verhaal apart en al even zelfingenomen als de mannen die ik bedoel. Ze waren daar kritische zielen, met toegeeflijkheid én veel denkruimte alleen voor zichzelf, maar hun minder of niet geliefde ordegenoten lagen aan banden en werden geenszins gespaard. Ach, het was gewoon een raar stelletje bij elkaar.

4. Maar Poll werd aanbeden. Hij deed zich goedmoedig voor, maakte grapjes, verloor soms zijn zelfbeheersing, wat dan van zijn gezicht af te lezen viel, maar op stoer mannelijke bijval kon hij rekenen en ook een aantal vrouwen was hem nederig welgezind. Poll kon een potje breken en bracht hetgeen hij te verkondigen had op charmante, bijna Brabants gemoedelijke wijze te berde. Mijn gevoel bij Poll was dubbel. Ik probeerde hem te waarderen maar struikelde, omdat ik de waarheid aanhang en geen geveins. Poll ergerde zich daarom rot aan mij. Hij verzamelde in stilte bewijs tegen mij, bekletste me en deed zich gelijktijdig innemend voor, ook tegenover mij. Maar zo'n beleid houdt het niet. Ik prikte het door. En Poll haatte me. De misogyne mannen ook. En die ene vrouw met de naam Marja accordeerde met hen en sleurde de overige leden ongemerkt mee in hun roes van hatelijkheid.

5. Het werd oktober 2008. Het was de feestdag van Franciscus. De mis was achter de rug en we gingen naar de zaal voor de koffie en om het feestje te vieren van onze heilige schutsman. Dat dacht ik. Maar het feestje bleef uit. Het werd wél een rommeltje in dat ene speciale uur, dat later het uur van afscheid zou zijn. In plaats van Poll nam Marja het woord. Poll zelf zweeg, hij wist wat er ging komen. Het werd een bevreemdend woord. Ze oreerde over de gemoedstoestand van Truitje, die al zolang ik me de club herinner gastlid is. Truitje was na de vorige bijeenkomst ontdaan geraakt toen ik haar in een vrolijke bui had gevraagd of ze niet geprofest wilde worden. Ze wist van de hoed en de rand en waarom zou ze dan niet intreden? Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Maar Truitje was er aangeslagen door geraakt - ze wil helemaal geen lid worden - en had kennelijk haar gram gehaald bij de vaste kern. En de militante Marja zou het varkentje wel even wassen, het was een kolfje naar haar hand, naar ik begreep. Ik moest me dus verantwoorden over deze vraag. Verbijsterd zei ik dat ik die uit liefde had gesteld, uit sympathie, ook voor de club, en niet om Trui van streek te maken, dat was logisch genoeg. Maar mijn eenvoudige antwoord zinde niemand. Er volgde geschreeuw, gehoon, er werden aantijgingen gedaan, er werd beledigd en zelfs gehuild. Vooral de uitermate grammottige reacties van Marja, William en Willeke liepen de spuigaten uit. En het bleef niet bij de verdediging van Trui. Medezuster en voormalig landelijk minister Sib werd lawaaiig keihard weggestuurd als zijnde niet welkom. Ze paste volgens de harde kern niet in de groep en ze woonde te ver uit de buurt, maar ook zou ze valse motieven hebben als gastlid van de club. Sib voerde dapper verweer, maar het hielp haar niet. Het getier ging door. Ik weet nog goed hoe verbijsterd ik alles onderging en niets van de hetze begreep. Toen sloeg de aanval weer over naar mij. Want er was van mij per abuis een e-mail bij Poll terechtgekomen die voor Sib en niet voor hem was bestemd, maar die wél heel onthullend was geweest, volgens Poll. Hij had de uitdraai bij zich! Moest hij het laten zien? 'Doe maar,' zei ik. Hij deed het niet. 'Jawel,' zei ik, 'nu lees je het voor ook!' Het ging om niet meer dan één zinnetje: 'Kijk eens Sib, ik dacht dat het vanzelfsprekend was.' Het was een reflex van mij op de heisa rond de jaarlijkse kerstviering, waarvoor ik ook dit jaar een programma zou verzorgen, maar waartegen in dezelfde harde kern, achter mijn rug om, was geprotesteerd.

6. ‘Dat kunnen wíj ook,’ was de mening van de jaloerse Marja. ‘Natuurlijk,’ zei ik en zweeg, net als de anderen die heel goed wisten dat ík het was die een paar jaar geleden de kerstviering weer had opgepakt, dat eerder voor heel lange tijd niet meer samen kerst was gevierd omdat niemand de moed nog had gehad teksten te verzamelen en boekjes te maken. Het kwam door de hoge leeftijd en het onverkwikkelijke mankement.

7. Poll nu verklaarde dat het regeltje héél wat zei, dat het zelfs boekdelen sprak en dat Sib en ik achterbakse dingen bekokstoofden ten nadele van hem. Hij werd gewantrouwd, riep hij uit. Ik legde pijnlijk getroffen maar uiterst geduldig uit hoe de kleine vergissing was gebeurd, wat het regeltje écht betekende en dat het volkomen onschuldig was, maar het was praten tegen een muur. Poll zag zijn kans schoon, deed zielig, toonde emoties in zijn stem, zat theatraal voorover gebogen met de handen voor het gezicht geslagen en hing het slachtoffer uit. Hij werd erin gesteund door een boom van een kerel: arme Poll, hij had het al die jaren goed gedaan! Wee wie aan hem komt! Het gekrakeel van de kerel was zeer wankel, want hij was te kort bij die club om iets te kunnen weten van 'al die jaren', behalve dan wat Poll hem wellicht had ingefluisterd op zwakke momenten van ontrouw aan het gebod van de naastenliefde en van de club. Zo gaat het. En ja, het is gewoon een ordinair zooitje, op zo'n ruziemoment. De geestelijk leidsman, een kapucijn, zat erbij en keek ernaar. 'Het zit wél diep,' zei hij en zweeg. Hij kon er verder ook niets aan doen. Ik was er helemaal misselijk van.

8. Toen we, Sib en ik, vertrokken, draalde de groep opmerkelijk. Sib had ter plekke afscheid genomen. Zenuwachtig en aangeslagen als ze was, bleef ze beleefd en zusterlijk. Ik twijfelde op dat moment nog wat te zullen doen, omdat Poll had gezegd: 'Jij blijft toch wel?' Buiten zag ik dat ik mijn omslagdoek was vergeten en belde nog even aan. Willeke, een ander vroom licht, deed de poort open en schrok zich wild toen ze me zag. Ik zei: 'Schrik je van mij? Ik ben het maar.' Ik was gewaarschuwd. En het ondenkbare was wáár: binnen hielden ze geheim beraad. Ik liep naar de stoel waar de omslagdoek nog lag. Ze staarden met hun allen de andere kant op, een enkeling keek met een halve lach van onzekerheid langs me heen. Ik verstond wat er gebeurde.

9. Die avond nog ben ik afgehaakt. Het was meer dan genoeg geweest aan onheil, onvrede, paranoïde denkbeelden en idiote inzichten. De vrucht van mijn jarenlange deelname was zuur, de oogst jammerlijk mislukt. Neem nou Poll. Ik had altijd de hoop gehouden dat we elkaar toch welgezind zouden zijn, oprecht welgezind, het moest toch kunnen al lag ik hem niet? Bij hem is het steeds dat dubbele, dat enerzijds goedmoedige en dat anderzijds nijdige dat hij in zich heeft en, denkelijk zonder het te beseffen, ook toont. Poll is inmiddels een oude man, hij is van 1924. De 9de juni is hij jarig. Daarom denk ik aan hem, gewoontegetrouw, en dan doet het ergens toch zeer dat het ideaal van vrede de mist inging, dat het ons niet gelukt is als franciscaanse zielen in vrede bij elkaar te zijn, dat we elkaar gewoon nooit meer zullen groeten, nooit meer als zuster en broeder zullen (h)erkennen.

10. Het is een kwestie van aanvaarden. Dingen gaan zoals ze gaan en zijn zoals ze zijn. En niemand, geen vrome of heiden, is beter dan de ander. Zij niet, ik niet, niemand niet. Een mens zoekt het beste op in het leven, het beste dat bij hem past, dat hem voedt in geest en waarheid. Maar tóch houdt het me bezig dat potentiële vredepredikers geen vrede vinden bij elkaar. Een oude man als Poll moet toch méér in zijn heilige mars hebben dan dertig jaar de baas te zijn geweest van een uitstervend clubje vrome zielen? Dat denk ik.

Epiloogje

Intussen is de macht gewisseld en is de potige William, een voormalig politieagent, de vrome voorzitter van de merkwaardige (on)heilsclub geworden. Aan zijn zijde waakt de hoogbejaarde Poll. Een zekere Koos, een hoge oud-militair, is onlangs geprofest. Dat geeft extra cachet en getal aan de kern. Ik hoop dat het hen, ondanks alles, goed mag gaan en dat ze hun gevestigde leuze 'vrede en alle goeds' op een keer niet alleen voor zichzelf maar ook naar anderen toe zullen waarmaken. Het valt te bebidden. Je weet maar nooit.

Ine Verhoeven, Nijmegen, mei 2010

 

 

 

ORDE VAN FRANCISCAANSE SECULIEREN: ‘GEEN ONDERGESNEEUWD KINDJE'

                                                   

Op 1 juni 1996 werd Sybil van der Maat-Rooy (Amsterdam, 1943) aangesteld als de nieuwe landelijk minister van de Franciscaanse Leken Orde, tegenwoordig de Orde van Franciscaanse Seculieren (I.V. 25.11.2009). In deze herpublicatie is de naam als zodanig opgenomen.

Franciscaans Maandblad zoekt haar op in haar woonplaats Vinkeveen: Wie is Sybil, wat leeft in haar, wat be­weegt haar, wat verwacht ze, wat betekent ze voor de OFS?   

 

Sybil, hoe beleef jij de franciscaanse spiritualiteit; welke facetten springen er voor jou uit?

 

Het omgaan met de totále schepping, dus ook met mensen, dát springt er voor mij uit. Francis­cus leerde me dat fantastische evangelie her-ontdek­ken. Ook Clara. Zij schrijft in een brief aan Agnes van Praag: 'Ga door op de weg die je gaat. Hou vast aan wat jou bezig houdt. Denk eraan dat God altijd met je meegaat. Wees opgewekt en blij en laat je niet ontmoedi­gen.' Door Francis­cus vond Clara de weg die ze zocht. Hij was haar opzet­je. Dat werd hij ook voor mij. 

 

Je bent nog niet zo lang 'terug' in de OFS. Waarom werd jij desondanks gekozen als landelijk minister?

 

Er moest statutair een nieuw bestuur komen. Ook verjon­ging was nodig. Huub Hodzelmans vroeg of ik me beschikbaar wilde stel­len. Huub wist dat ik sociaal raadsvrou­we ben en voornamelijk met mensen aan de zelf­kant van de maat­schap­pij omga. Hij wist ook dat ik liturgisch bezig ben en me inzet voor het Rode Kruis. Gezien mijn vakken­nis kwam ik in aanmer­king voor de be­stu­urs­functie. Dat ik gepro­fest was, wist hij van To van Beek. Met To had ik daarna regel­ma­tig ge­sprek­ken. Ook volgde ik curcussen. Want door een gehan­di­capte vrien­din kwam ik pas te­rug in de fran­ciscaanse familie.

 

Dacht je voorheen nooit aan je franciscaanse gelofte?

 

Wel aan gedacht, want ik had het koord en scapulier. Toen ik dat niet meer droeg, verdween het met het oude serafijn­se handboek in mijn nachtkastje. In mijn omgeving was geen fran­cis­caans aanbod en ik dacht dat het allemaal niet meer be­stond. Tot mijn vriendin in 1993 via het Rode Kruis mijn leven 'bin­nen­rolde'. Zij was lichamelijk van mij afhanke­lijk én wij hadden geestelijk verbin­dings­draad­jes: dezelfde interesse, visie, opleiding, hetzelfde beroep en zelfs dezelfde welpen­naam 'Raksha'. Dat betekent 'wolvenmoeder'. Ze had veel meege­maakt én ze had een diep geloof waaraan ik me laafde. Van haar hoorde ik dat de Derde Orde spring­levend was en Orde van Franciscaanse Seculieren heette. Ze was geen lid van de OFS, maar ze was zo franciscaans als iemand maar zijn kan.

 

Welk kernideaal voor de OFS had jijzelf voor ogen bij je aan­stelling als landelijk minister; wat is je persoonlijke in­breng?

 

Dat wij met elkaar dat rijke franciscaanse erfgoed bewaren en doorgeven. Dat wij het 'wijgevoel', waarvan ik toch denk dat het enigszins weg is binnen de Orde, bij elkaar terugvinden. We zijn immers één familie. Mijn persoonlijke inbreng is dat ik het contact met mijn broeders en zusters, het delen van het broe­der- en zusterschap, wil herstellen. Ik wil iedereen ontmoe­ten. Ik bezoek de afdelingen. Ik wil de afstand tussen het bestuur -waar men tegenop kijkt- en de mensen in de afde­lingen zó verklei­nen dat die drempel verdwijnt. Ik merk dat mensen contact met het bestuur en met degene die zij als minister kozen, fijn vinden.

Het gaat me óók om onze franciscaanse broeders en zusters over de grenzen. Contacten met hen zijn belangrijk. Ik wil daar een inbreng in hebben. Maar ik ben er allereerst voor de mensen in Nederland. Op hen richt ik mijn grootste aandacht.

 

Hoe denk je dat te verwezenlijken?

 

Door met de mensen te praten op de afdelingsbijeenkomsten. Daarnaast schrijf ik artikelen in Doortocht en brieven naar de afdelin­gen. Als ik tijd heb, bezoek ik mensen apart. Daar is behoefte aan. Maar als bestuurder moet ik ook vergaderin­gen voorzitten, zorgen dat alles doorgaat. Ik heb een aantal talenten. Ik heb methodieken geleerd in mijn opleiding en in mijn vak. Ik heb ervaring. Die talenten moet ik gebruiken, ook voor de OFS.

 

In Doortocht van juli/augustus 1996 schrijf je: "soms worden wij door Gods wonderen overvallen". Wat versta je daaronder?  

Als je om je heen kijkt en probeert intensief te leven, in mijn geval vanuit mijn geloof, dan gebeuren er elke dag kleine wondertjes.

 

Die gebeuren toch ook bij mensen zónder geloof?

 

Is dat zo? Dat vraag ik me af. Mensen die niet in wonderen geloven, zullen zeggen 'dit is toeval'. Ik verbind wonderen met mijn uitgangs­punt dat er een Schepper is, een Eeuwige die ons stuurt, die dingen laat gebeuren waarop wij geen grip hebben. Ik geloof dat er meer is tussen hemel en aarde dan wat wij waarnemen. In die zin geloof ik in wonderen. Er zijn situaties waarvan we achteraf zeggen 'dit moest zo gebeuren'. Het leven is een leerproces, maar dat zie je achteraf. Ook wonderen ervaar je achteraf. Ik heb wél geleerd nuchter te blijven bij wonderen, ze te relative­ren, ze te zien als het signaal 'heb zorg voor de ander'. 

    

Je noemt jezelf ook "die­naar" zoals Francis­cus bedoelde. Hoe maak je dat waar, is dat niet hoog gegrepen? 

 

Nee. Ik grijp niet hoog. Ik heb ook niet die pretentie. In de brief van Franciscus aan de gelovigen staat dat wij elkaars dienaars moeten zijn. In de brief aan de ministers schrijft hij dat de ministers dienaars moeten zijn van de broeders, maar ook van gewone mensen. Wij hebben taken gekregen omdat we talenten hebben, die we als dienaars moeten gebruiken. Dienen is: de opdracht zo goed mogelijk vervullen. 

 

Is er voor de OFS per­spec­tief? Verwacht je, ondanks de ver­grij­zing, toch aanwas van katholieke zijde of ligt een verdere groei van het ledenbe­stand eerder binnen de oecumene, bijvoor­beeld door het gast­lid­maatschap?

 

Ik zie voor de OFS zeker perspectief. Niet dat hordes jonge mensen zich aansluiten. Wel komen druppelsgewijs mensen bin­nen. We vertrou­wen dat zij de weg willen gaan binnen de OFS. Door de oriënta­tiemiddagen krijgen we nieuwe aanmeldingen. De Leken Orde verdwijnt niet, dat gebeurt eerder met de religi­euze ordes en congre­gaties. Daar gaat de vergrij­zing sneller dan bij ons, de seculiere tak. In de reguliere Derde Orde is geen aanwas. Het is geen afzetten tegen, maar bínnen de FB moeten wij ons duide­lijk profile­ren als zijnde de seculie­re tak van de Derde Orde. We zijn geen onderge­sneeuwd kindje. Zeker niet. Onze eigenheid komt wel nog te weinig naar buiten. Maar de secu­lie­re tak blijft. We krijgen andere vormen. De afdelin­gen worden geleide­lijk opgehe­ven. Er zullen regio­ver­banden ont­staan, omdat geïnte­res­seerden overal vandaan komen. Het leef­tijdsver­schil is vaak te groot. Dat sluit niet aan. Maar zoals we nu draai­en, gaan we door. Daar voelen de fran­ciscaan­se mensen zich prettig bij. Daar wordt niet aan ge­tornd. De oecumene is belangrijk. Met het gastlid­maatschap zijn we interna­tionaal nog bezig. In de afdeling Hilver­sum is al een gereformeerd-hervormd lid. Dat gaat goed.

 

Maar protestanten worden niet geprofest omdat ze niet katho­liek zijn!

 

Nee. Dat is jammer. Misschien verandert dat ooit. Ik weet het niet. De structuur van de Orde laat het niet toe. Ik merk dat gastleden de Franciscaanse Beweging wel interes­sant vinden, maar liever een vaster verband zoeken. Dat vind ik frappant. Het betekent wel, dat wij de verantwoor­ding dragen om die mensen iets te bieden. Wat hebben wij, als OFS, dan méér? We moeten een goede vorm vinden om uit te leggen wat die meer­waarde is. Via het gastlid­maat­schap komen ook nieuwe ideeën binnen. En ja, ik ben pro oecu­me­nisch, zeer zeker. Het gaat om dat origi­ne­le, dat Godsver­trou­wen, dat omgaan met die bijbel en het evange­lie, dat doortrekken van die bijbel zonder gekwe­zel, zonder getuttel en vroom gezever.

 

Wat boeit jou in Franciscus? Ervaar jij hem als een heilige of moet hij toch een zot zijn geweest? In déze tijd kan zijn leefwijze toch niet meer serieus genomen worden? Bovendien strafte hij extreem zijn lichaam 'broeder ezel' af. Kan zoiets in 1997 nog?

 

Zijn radicaliteit, die boeit me. Het is nogal wat. Ik denk dat je een zot moet zijn om zo radicaal te kúnnen leven. Ik lees momenteel over figuren die bezig zijn op een manier, waarvan de buitenwereld denkt 'die zijn hardstikke gek'. Ze leven puur vanuit een franciscaan­se geloofs­visie. Daar staan ze voor en het zal ze een worst wezen wat die buitenwereld denkt. Ze vertrou­wen dat hun manier van leven goed is, het doet hun geen pijn als er raar tegen ze wordt aangeke­ken. Franciscus had daar ook daar maling aan, omdat hij zich gesteund wist door wat er van binnenuit tegen hem gezegd werd.

Die zelfkastijding was zíjn keuze. Aan het einde van zijn leven ontdekte hij wél dat hij zijn lichaam tekort had gedaan. Ik denk dat hij, als hij die ascese minder streng had doorge­dre­ven, misschien wel honderd was geworden. Hij is lang ziek geweest en heeft zijn lichaam verwaar­loosd. Ik kan me niet voorstel­len dat Christus dát bedoeld heeft.   

Je moet -juist nu- sober kunnen leven. Je mag best iets heb­ben, maar let op overdre­ven luxe. Bedenk ook 'hoe kan ik anderen steunen'. Delen, het is delen. Deel ook van je materi­ële bezit. Maar straf jezelf niet af, zodat je helemaal niks meer kunt beteke­nen. Er zijn al zoveel mensen die -ongewild- in erbarmelij­ke omstan­digheden leven, die geen eten hebben voor zichzelf of hun kinderen; dat vind ik de grootste schande die in onze maatschappij bestaat.

 

Wat heb jij ten diepste 'gevonden' binnen de Orde van Franciscaanse Seculieren en hoe ga je met haar spirituele gedachtengoed om in je dage­lijk­s leven; hoe werkt dat door in je gezin, in je huwe­lijk, in je taken?  

 

Ik heb niet alleen Franciscus herontdekt en de franciscaanse familie, maar ook het evangelie. Op mijn beperkte wijze pro­beer ik dat gestalte te geven, niet groots opgezet of met grote woorden, maar door gewoon te zijn wie ik ben. Als ik terugkijk, dan zie ik dat ik altijd al sociaal bezig was. En als echtpaar hebben wij steeds geprobeerd onze kinderen zo op te voeden. We hebben ze meegegeven dat het niet alleen gaat om eigen gewin, maar dat ze ook zorg moeten hebben om anderen. En al zijn onze kinderen op dit moment niet kerks, omdat het instituut kerk hun absoluut niets zegt, ze zijn wel sociale mensen. Ze zijn nog jong, ze moeten nog een heel leerpro­ces door­ma­ken. Ik probeer hen vanuit mijn franciscaanse gedachten­goed voor te leven. Dat doe ik ook in mijn werk. 

 

Het landelijk ministerschap. Heb je een speci­fiek voor­beeld waardoor jij kunt stellen: 'Dit is het. Hier gá ik voor. Dit houdt me over­eind. Dit maakt mijn inzet voor de OFS de moeite waard'?    

 

Het is een uitdaging. Ik zie het als mijn opdracht om het erfgoed van Franciscus -en Clara- in stand te houden en door te geven. Daarvoor blijf ik me inzetten. En ik blijf overeind door het fantas­tische team dat ik achter me heb staan. En door mijn vertrou­wen in de Eeuwige. De Orde van Franciscaanse Seculieren is voor mij een prima Orde.                                                                                                               Ine Verhoe­ven, Nijmegen 27 juni 1997

 

 

IC 26.10.2009

DRIE DAGEN in de HERFST

We hadden drie dagen gestruind door het land van Maas & Waal. Het hele lieve weekend lang was van ons en we hebben al die tijd intens genoten. Onze vriendin uit Vinkeveen was een weekje gesetteld in Zeeland, het dorpje waar de jezuïet Jan van Kilsdonk zaliger was geboren en getogen en waar tegenwoordig zijn standbeeldje staat. We hebben het deze keer, dat we in Zeeland waren, niet bekeken. Wel zijn we vanuit Ria’s Zeelandse bezoek samen eropuit getrokken, de herfst in; en we gingen langs de schitterende herfstpanorama’s, legden aan bij stemmige Brabantse en Gelderse kroegjes - die we kennen en waarderen - maar ook bezagen we de oude, soms verweerde kerken groot en klein, die her en der in de dorpen en langs de dijken te pronk staan, want kerken zijn in structuur meestal mooi.

Neerlangel

Wat heeft vooral het uitgestrekte boerenland veel invloed op je gemoed. Je voelt bij het schouwen een mengeling van vreugde en weemoed door je heengaan. Ik wel. Maar de oude Maas trekt onverstoorbaar door het land, de dijken staan als engelen te waken en bij de Waal gekomen zie je hoe de rivier het in breedte wint van de ranke Maas; maar beide zijn stemmig en schoon en onweerstaanbaar aimabel als het onmisbaar, hoogstaand signaal in het panoramabeeld. Een weidsheid zonder rivier is armetierig, mist iets wezenlijks en wel het heilbrengende water dat leven geeft, leven doet, in leven houdt. Dat vind ik zo.

 

 

De herfst kleurt behalve het landschap ook je ziel alle kanten op, ik bedoel dat je ernaar kunt kijken en dan laat je het beeld weer los, want het is ál te sterfelijk wat je ziet, je moet daar dan weer niet te lang bij stilstaan. Opvallend is het rustige beeld dat zich, soms onverhoeds, afwisselt met de onrustigheid van het getij, bijvoorbeeld bij de vallende bladeren in de wind en de grond die bezaaid ligt met doodse ritsels of platgetreden haast ontbonden loof. De herfst is sterk. Mensen reageren erop, ieder op zijn eigen manier. De een wordt lyrisch, de ander verstilt. Gelijk de blaadjes zich gedragen, zou ik haast zeggen, ritselend, spelend en vallend, dollend en tollend het einde tegemoet en dan stil, afwachtend, over. Maar zo hoef je niet te denken. De herfst gaat in menselijke norm de winter tegemoet, volgens het natuurverschijnsel. Wij mogen de seizoenen beleven, keer op keer. Hoe het einde in menselijk opzicht zal zijn, dat is een ander verhaal. Maar we hebben genoten van de herfst in dit weekend. Van de herfst en van elkaars nabijheid. Ik heb het vastgelegd in deze korte pennenstreken via de pc. Ter herinnering.

 

 

 

IC 100

Te lezen als mens

Als je een vrouw bent, denk je als een vrouw, leef je als een vrouw, schrijf je als een vrouw. Hoe zou een vrouw als een man kunnen denken, leven, schrijven? Ik niet. Maar de teksten die een vrouw vanuit haar vrouwzijn bedenkt, beleeft, opschrijft, zijn zowel leesbaar voor vrouwen als voor mannen. Zo is het met mijn nieuwe gedichtenbundel gesteld: er staan teksten in voor mensen geschreven, non part van welke kunne.

Het boekje is me een kleinood met 60 pagina’s en 46 nieuwe gedichten. Zoals de voorkant laat zien, staat het leven centraal met de liefde en de zorgen en de blijdschap die erbij horen, met de ruimte om te kunnen bestaan; maar ook het heerlijke, Nederlandse landschap, de seizoenen en de rijkdom van de perfecte natuur hebben een groot aandeel in dit boekje. Kijk maar op http://ineverhoeven.web-log.nl en zie hoe je de bundel kunt verkrijgen. Daar staat trouwens veel te lezen, zo ook op http://inebegijn.web-log.nl en je kunt me vinden op Facebook, Hyves, Twitter en Hi5 en op de weblog voor www.vijftigplussers.nl. Het is maar een private mededeling, dit tekstje, maar ik dacht er goed aan te doen het te melden aan de lezers. I.V. 14.09.2009

 

 

IC 94 --- 20 augustus 2009

De grap die insloeg als een bom

Er kwam een melding via Hyves bij me binnen met als slogan: Je bent bekender dan je denkt. Ik zag dat de melding gelijktijdig aan veel Hyvers was gestuurd, het moest dus wel een public joke zijn. Het filmpje dat werd getoond, liet zien hoe de hoofdboef Stanislav met zijn kornuiten op een digitale crimiwijze achter de privé-gegevens van de internetters aanzat en ze bemachtigen kon door ze te hacken, een duidelijke waarschuwing dus aan de mensheid hoe je slachtoffer kunt worden van de misdaad: voorzichtig zijn met privé-gegevens dus. Het ministerie van Jusitie gaf het filmpje uit mét de tips hoe je veilig kunt internetten. Intussen hebben in zeven dagen tijd een slordige zeven miljoen mensen de waarschuwing gekregen. Ik ook. Het ministerie heeft de stunt nu stopgezet. Boef Stanislav is weer terug naar huis, wellicht via het goede pad. Het was een griezelige film temeer omdat jouw naam in het geding was. Maar sterker had het ministerie de hint niet kunnen geven: oppassen! Het was een grap die insloeg als een bom. Er waren nogal wat mensen van geschrokken, zodanig dat ze er wit van zagen. In een mailtje van een vriendin aan mij terug stond de onthutste kreet: ik wil dit niet! Toen ik dat las, dacht ik: dit plan is helemaal gelukt, het ministerie heeft in de roos geschoten, de boodschap is aangekomen. Als iemand zo erg schrikt, dan gaat hij vanzelf wat voorzichtiger worden, maar in het geval van mijn vriendin weet ik het niet, ze is nogal snel van reactie maar ook van vluchtigheid. Ik had haar in een reactie naïef genoemd, dat was niet aardig, al wilde ik haar met dat woordje erop wijzen dat ze eerst goed moet kijken en lezen wat er staat alvorens ze zich bang laat maken door een doorstuurfilmpje. Och ja. We zijn allemaal mensen die in vrede en gerustheid willen leven, zij ook, en dan begrijp ik de schrik ook wel: het zou zo maar waar kunnen zijn, het zou je zomaar kunnen overkomen! Maar daar was de grap nou net voor bedoeld: dat het NIET gebeuren zal en wel doordat je je maatregelen neemt. Ode aan het Ministerie van Jusitie. Knap bedacht. Psychologisch doorwrocht. Maar toch: een andere hyvester haakte direct helemaal af, zij is actief in de branche ‘godsdienstigheid’, is pas terug van een bedevaart uit Medjugorje en is bij het zien van het filmpje onwel geworden, waarna ze haar hyve helemaal de deur uit heeft gedaan en al haar vele vrienden kwijt is. Niet iedereen is stabiel genoeg om een dergelijk bericht relativerend tot zich te nemen. En grap of niet, het blijft heikel als je je naam en je foto’s per digitale in crimikringen ziet getoond. Huh. En toch moest ik achteraf lachen, me terdege bewust van de ernst van het item. Ach toe. Een gewaarschuwd mens telt voor twee.

 

 

IC93 --- memorabele herinnering

DE NATUUR ZONG AMEN

De monnik en ik. We gingen langs snelstromend water, een smal riviertje dat intrigeerde door de korte rap klotsende golfjes. Daar bloeiden tegen de oever de gele violen die zonder muze hun kleur zongen, een kleur van ongekend vreugdejaune; dat geelsoort van de unieke zinkvi­ool­tjes, die groeiden langs deze smalle rivier. Slechts het meest Limburg­se zuiden vertelde van hun be­staan.

De monnik leek te genieten. Ik genoot zeker. De flora en ook de fauna waren paradijse­lijk. Zon of geen zon: dit was Lim­burg. En we ver­volgden onze weg over een pad dat zich speels door het landschap slingerde. Had ik Frankrijk aangedaan, zoals ik al zo lang van plan was geweest, dan zou ik déze vreugde niet hebben gekend: samen met de monnik ging ik langs de goddelijkste wegen in dit kleine kikkerland.

Ik keek naar de hemel. Was God daar soms? Ik zag een dikke wolk. Even later probeer­den schrale zonne­stralen haar voor­zichtig te doorbreken. 'Is God daar?' vroeg ik aan de monnik. Hij glimlachte, maar antwoordde niet.

Mijn pas ver­traagde. Zag ik forellen in de snelle stroom? Schielijk scho­ten de vissenlijven door het water. Forellen. Heuse forellen. Opgewekt stapte ik door. Het pad voerde langs water, weiden en akkers. Koeien bekeken ons dom­nieuwsgierig; vogels vlogen hoog op en scheerden laag weg; bloemen bloeiden volop; grassen deinden hun bloeisels, hun halmen.

De monnik stopte abrupt. Hij boog voorover, alsof hij iets bekeek. Het was een slak, die zijn aandacht trok. Met zijn voet bewoog hij het huisje. De slak kromp niet ineen, wat ik ver­wacht had, maar ging verder het slakken­huis uit. Zijn voel­sprieten staken meer naar voren, alsof hij wilde tasten waar hij zich bevond. Dat was in zand en onder vlier en braam­struik. Ik rolde het slakken­beest verder, het hoge halmgras in, ter bescher­ming. Ik keek naar de monnik. Hij liep door. Langzaam.

Dan viel hij op de knieën, hief zijn armen op en begon zingen. Ik hoorde een hoge, heldere stem. Een manne­lijke sopraan. De monnik jubel­de. Hij zong een Godlof, een psalm gelijk: 'Dank Jou, Vader, voor dit aardse goed! Dank Jou, Vader, voor deze won­derschone Moeder Natuur. Dank jou, hemel, voor de wereld. Dank jou, wereld, voor de hemel.'

Ik was stiller dan stil. Ik boog mijn hoofd. Ik sloot mijn ogen. Ik ervoer een stroom die sterker moest zijn dan het snelle water van het riviertje. Vissen zwommen in mijn bloed. Vlin­ders dansten onder mijn huid. Vogels zwermden in en uit mijn hoofd. En liefde, heel waarachtige liefde, bewoog heftig mijn hart.

En ook ik knielde neer. Met ingehou­den adem boog ik mij voor­over. Ik kuste de grond die mij droeg en ik aanbad God zelf. Dit was Zijn aarde. Dit was Zijn rivier. Dit was Zijn schep­ping. Wat wilde ik meer? Wat verwachtte ik nog?

De zinkvi­ooltjes roerden zich in het ritme van de zachte wind. Het engelse gras trilde mee. De monnik ging staan, rechtop. Hij keek naar de hemel. Toen keek hij naar mij. We lachten.

Langs de snelle rivier gingen we samen verder. We wisten ons kinderen van God. Zonder woorden ervoe­ren we het leven als 'amen'. Niet meer en niet min­der. Het kwaad was ver weg, heel ver weg. Want God ging met ons mee. Net als de vissen in de rivier. Net als

de vogels in de lucht. Net als de wind in onze haren. We gingen verder: God, hij en ik. Ik, hij en God. We gingen gedrieën langs de bloe­men­ en de strui­ken en langs de oevers met de zinkvio­len en het engelse gras. We lachten, we zongen. Godpsalmen galmden over de akkers. De bomen waren duizend keer groen. De natuur zong amen.

I.V. 1992.

 

 

IC 92 --- 5 augustus 2009.

STILTE

Soms ben ik stil in mijn innerlijk, en de buitenkant doe mee. Het is ook zo nodig je hart te keren van tijd tot tijd. Een mens maakt veel mee op een dag, ook al hoort en ziet de omgeving er niets van. In de eigenheid van mensen ligt enorm veel opgeslagen aan geïncasseerde beelden, daden en lotgevallen. Geen mens loopt ermee te koop. Wie zal jou trouwens begrijpen? Wie is het die je innerlijk kan lezen? Wie weet van jou, en wat weet jij van die ander? Het meest moeilijke in je leven is het inleven in je naasten; mensen voelen hun eigen leed, logisch, het is van hen, het is privé.

Maar die stilte van tijd tot tijd, hoe weldadig is zij. Ik min de stilte. Ik kan niet zonder. Al is dat dubbelrondig een ander verhaal. Enfin. Heb het goed, jij die dit leest, en doe een uurtje mee aan de lieve stilte. Het zal je goed doen, en je omgeving ook.

-

Overigens, wist je dat er nog twee weblogs van me zijn die je kunt bezoeken? Met gevarieerde teksten en dito story’s voor jou en je kring. Ga maar eens kijken op http://ineverhoeven.web-log.nl en op http://inebegijn.web-log.nl. Je wordt er misschien wel eventjes stil van... of heel blij, wie weet. I.V.

 

 

IC90---22/23 juli 2009

BLOEMETJES IN BOXMEER

Vanavond had ik even gekeken in het dagboekarchief bij 22 juli 2005. ‘n Schattig moment was het om weer terug te lezen over een stukje uit mijn lang vervlogen jeugd en de familialen die daarbij pasten, en van wie er nog in leven zijn. Niet iedereen is al doodgegaan. Gelukkig maar. Tegelijk denk ik alweer aan dat opmerkelijke dametje dat ik zaterdag in Boxmeer zag lopen bij het huis van Julie Postel; ze liep daar met een verre glimlacht op haar gezicht en met weidebloemetjes in haar hand. Merkwaardig is wel dat ik dat beeld van haar niet kwijtraak. Ik ben het intussen op gaan schrijven, maar dan zie je dat je blijft steken bij wat je niet weet of niet zag, dat je alleen dat ene beeld voor ogen hebt. Zo’n markante verschijning herinnert je aan veel, mij in ieder geval wel. De ganse omgeving van dat prachtige kasteel, want dat is het, is wondermooi, ik heb er zo van genoten toen ik er dat zaterdagse uur op bezoek was. De redemptoristen wonen er voortaan, zij zijn uit de Nebo van Nijmegen vertrokken. Ze wonen er schitterend mooi. Je oude dag door mogen brengen in die contreien lijkt me weldadig. Maar het mevrouwtje, wat was dat nou? Niks bijzonders, ze liep daar en ik zag haar maar heel kort, toch zijn er nu twee teksten op haar geschreven, of zou het simpelweg op haar wezentje zijn, gewoon op wie ze uitstraalde, een katholiek oud mevrouwtje met een grote liefde voor het geloof? Of misschien is dit anonieme mensje de aftekening geweest van wat de toekomst voor ons, ouderen, in petto heeft, gaf ze een signaal af van de waarheid van morgen. Een mens krijgt zoveel tekens onderweg; en wie zal het psychologisch duiden? Dit zijn de tekstjes:

1. Mevrouwtje met bloemetjes:

Daar ging een mevrouwtje met bloemetjes/ Een dametje zeventig plus/ Zij had in een weiland ’n tuiltje geplukt/ En stapte gehaast op de bus.

Zij ging door de straten met bloemetjes/ Dat dametje zeventig plus/ Zij hield in haar handje het tuiltje geklemd/ En zo reed zij mee met de bus.

-

Die kleine mevrouw met de bloemetjes/ Dat dametjes zeventig plus/ Zij troetelde als een kleinoodje de tuil/ En stapte ermee uit de bus.

-

Zij hield zoveel van kleine bloemetjes/ Dat dametje zeventig plus/ Zij plukte haar tuiltje, alle dagen weer/ En dan reed zij mee met de bus.

-

Daar ging een mevrouwtje met bloemetjes/ Een dametje zeventig plus/ Er lag op haar doodsbaar een tuiltje te sier/ En nooit ging zij meer met de bus.

I.V.

2. ‘n Intrigerend beeld:-

Ik zag een mevrouwtje met bloemetjes/ Ze was heel smal en teer/ Ze had die bloemetjes geplukt/ Voor Onze Lieve Heer.

-

Ze had ze geplukt bij de waterkant/ Een oude, brede sloot/ Daar groeiden bloemetjes te keur/ Heel klein en ook heel groot.

-

Het tere mevrouwtje met bloemetjes/ Keek stralend voor zich uit/ Ze zag niet dat ik naar haar keek/ Ze waande zich Gods bruid.

-

Ze ging door de poort van haar witte huis/ De bloemenbruid schreed weg/ Die dag is zij met God getrouwd/ Haar graf is naast de heg.

--

Op haar steen liggen kleine bloemetjes/ Heel stil, heel smal, heel teer/ Haar kind heeft ze voor haar geplukt/ En voor de Lieve Heer.

Ine V. 21 juli 2009; indruk Boxmeer Huis Julie Postel.

 

 

IC89---15 juli 2009

‘Reductie van een probleem’

Deze aanhef zijn de woorden van pastoor Mennen uit Oss, die zich als een ijzeren robot al jarenlang verzet tegen gelovige mensen met een mening. De tekst hieronder is een citaat uit een recent betoog van monseigneur Hurkmans. Mennen protesteert hiertegen middels de aanhef hierboven te lezen, het geheel is te zien op zijn website. Hij voelt zich aangesproken, volgens tekst-tv. Ik, als de criticaster die ik ben, ervaar dat ook, maar ik stem graag in met de woorden van bisschop Hurkmans en zal aan zijn redelijke verzoek voldoen waar ik kan. Dat Mennen (met zijn aanhang van Roomse fanatici) eindelijk deze tik kreeg toebedeeld, was volkomen op zijn plaats én de hoogste tijd. Lees de woorden van monseigneur in dit citaat:

‘In dit verband wil ik opmerken dat het echt nodig is dat wij zowel vanuit het bisdom als vanuit de parochies werken in harmonie me! elkaar. Alle werkers in het pastoraat hebben, juist in een tijd verandering, een goed werkklimaat nodig. Respect voor elkaar hebben is daarvoor een belangrijke randvoorwaarde. Het doen van publieke uitingen over personen, op internet, in gedrukte publicaties of in groepsverband, om deze personen of de Kerk in diskrediet brengen, zouden achterwege moeten blijven. Dit geldt zowel voor mensen die als conservatief of als progressief betiteld worden. Het is nodig dat wij allen leren onze tong c.q. pen te beheersen. Iemand zei mij: niet het zesde maar het achtste gebod is de grootste bedreiging voor de sfeer onder de priesters en anderen die meewerken in het pastoraat. Dit alles betekent niet dat wij niets meer mogen zeggen, geen eigen opvattingen meer mogen hebben en al evenmin dat we allemaal dezelfde woorden moeten gebruiken. Maar het betekent wel dat wij bij conflicten en meningsverschillen er allereerst met elkaar in alle openheid over moeten praten, waarbij interactie tussen de direct betrokkenen van groot belang is. We moeten met elkaar zoeken naar wat goed en vruchtbaar is voor de Kerk. Het kan niet zijn dat wij publiekelijk met elkaar in conflict zijn en daardoor de Kerk schade toebrengen. Wij zullen omgangsvormen moeten vinden die het communiceren met elkaar en het uitwisselen van meningen een positief verloop geven. Ik meen te mogen zeggen dat de gedragscode die wij hebben uitgegeven voor allen die werken in het pastoraat daar dienstbaar aan kan zijn. En het zal nodig zijn dat we daar elkaar op kunnen aanspreken en dat wij elkaar daaraan zullen moeten houden.’

Ik stuurde Cor Mennen vandaag n.a.v. dit bericht een e-mail: ‘Ja, het werd de hoogste tijd dat u teruggefloten werd van hogerhand vanwege uw onchristelijke c.q. onevangelische houding als de priester die u beoogt te zijn. Ik ben blij dat monseigneur zijn standpunt heeft bepaald, het siert hem. Nu u nog.’

Voortaan zie ik af van openbare kritiek op priester Cor Mennen. Ik zal me immers niet meer hoeven storen aan het onpriesterlijke gedrag van Cor Mennen? Het bisdom heeft eindelijk de touwtjes in handen genomen, monseigneur is het zelf die corrigeert. Goddank. I.V.

 

IC88---14 juli 2009

Maandagavond in de zomer

Wat doet een vrouw op leeftijd de hele dag als de zon schijnt en de zomer glorieert? Ik ben er zelf stuk van, want ze doet nog heel wat. En tegenwoordig is het naast de gewone dagelijkse dingen om in leven te blijven en te toeven in een schoon huis ook de gewoonte frequent de digitale post te bekijken, zelfs als er niets in de inbox te vinden is. Ik heb me betrapt op iets dommigs. Ik vind het vervelend genoeg. Dat ding, dat eigentijdse communicatiegeval wordt een storend element, en vast en zeker nieuw voer voor psychologen, omdat de bevolking, jong en oud, grootschalig aan een nieuwsoortige verslaving lijdt. Ongemerkt is de zucht naar dagelijks digitaal contact als een koelbloedige kwaal binnengeslopen, in ieder geval in mijn ziel, het is werkelijk waar. Ik wil ervanaf. Ik sta erop dat ik niet meer naar dat ding omkijk, dat ik het afzet, dat ik theedrink met mezelf en tevreden ben in mijn eentje, het moet kunnen, ik moet onafhankelijk zijn, zeker van zo een technische muze; ik zeg het streng tegen mezelf en ik meen het terdege. Maar ja. Het is de gewenning en de dag is gevulder dan ooit, tegenwoordig, en de nacht soms ook. En dat laatste is pertinent niet goed. Toegegeven, als je niet slapen kunt, is het aardig om achter je computer te schuiven en nog even iets te schrijven, maar dat nog-even-iets wordt vaak een ellenlang verhaal; dan kijk je tenslotte op, ziet de morgenstond en weet: de wereld is wakker, terwijl jij omvalt, eindelijk, van de slaap. Je nieuwe dag is al naar de knoppen, want je moet je slaap inhalen, wat nooit meer lukt. Ja, ik ben blij met wat ik schreef in dat nachtelijke tij, maar tegelijk weet ik dat het o zo ongezond voor me is, voor wie niet? Zo vaak is dit me gebeurd sinds het tijdperk van de pc in mijn leven is binnengeschoven, ik kan de keren niet meer natellen. Wel zie ik aan de boeken die ik schreef en redigeerde dat er heel wat dagen en nachten per computer zijn gespendeerd; en wat geeft het? De vrucht is zoet, en de digitale zonde van brieven schrijven en verhalen bedenken zal ook wel ooit vervagen, denk ik, als ik daadwerkelijk op een foute keer letterlijk omval. Moge dat nog lang uitblijven. Hoewel, de tijd gaat snel. Hora ruit - Tempus fluit. Maar troost je, dit stukje is van na de avondboterham. Ik hoop vannacht eens goed te slapen. Dat zal wel als ik niet wakker ben. Ja ja.

I.V.

 

IC 87--- 9 juli 2009

De duiven en de kippen, ze wáren

We waren in het land van de Hilver, de streek die grenst aan de Kempen, dat land van rust en sereniteit, zo mooi, zo onnoemlijk schoon, zo zuiver. De dorpskern van Hilvarenbeek is naar mijn gevoel het hart van het land van de Hilver. De trotse kerk stond op het Vrijthof te pronken als altijd. We liepen daar in de avond en zochten de duiven die een paar jaar geleden nog op de richels tegen de kerkmuur woonden, ze sliepen er altijd vertrouwenvol in het lamplicht en stoorden zich aan niets en niemand, de kerk was hun domein. En ik had het gevreesd: de duiven waren weg, althans, ze woonden niet meer in etages tegen de kerkmuur aan; we keken en zochten en zagen de duiven hoog bij de toren hun weg banen; er zaten korte, scherpe prikkers op de plaatsen waar de duiven hadden gewoond; een listige manier om ze er weg te krijgen; mensen zijn onbarmhartig, ook voor de dieren, het is mijn conclusie, uit de ervaring getrokken. Ik zag ze cirkelen daarboven en hoorde ze koeren. Ze vlogen af en aan. Het was juist zo’n uniek plaatje toen die duiven de kerk bezetten, maar mensen houden niet van bezetters, zou het nog uit de oorlog zijn?, en ze hebben ze verjaagd, de duiven.

Hier in Nijmegen liepen indertijd hanen met hun kippen rond in de Wolfskuil, het gebeurde in het kleine bos langs de Graafseweg en rond het flatgebouw Wolverlei, ik was er verrukt over. Ze scharrelden er hun voedsel en liepen er te pronk, ja, te pronk, want het was een beeld om nooit te vergeten, zo mooi, zo uniek. Soms hadden ze kuikens en ook dat was een plaatje om te zien, je smolt bij de aanblik. Maar er waren mensen in de flat die vonden dat haantjes gebraden moesten worden en kippen getrokken in de soep. Langzaamaan slonk het troepje van hanen en kippen en kuikens, langzaamaan verging het gekraai in de vroegte, langzaamaan waren de gevleugelde verdwenen; wie had dit gedaan? Er was geen haan die ernaar kraaide. De dader heet Haas, hij weet van niets. Geloof me dat het een leegte geeft, die tokkelende stoet van bruine veertjes en rode kammetjes is weg; en ik weet nog zo goed dat ze er waren. Ze hoorden bij het bos, bij de kinderboerderij, bij het hele landgoedje. Toen ik gistermiddag een enkele bruine haan zag scharrelen in het gras langs de Graafseweg, zag ik de triestheid van hun verdwijning dubbel in. Mensen houden niet van dieren, ze roeien wilde kippen uit, ze jagen vrije duiven bij hoge kerken weg en, o ja, dit: ze hakken bomen om, bomen die moeten verdwijnen vooral als mensen het licht willen zien, het licht van de zon, wel te verstaan. Maar ook omdat ze niet van het loof houden, dat is rommel, vinden ze, het geeft meer werk, vooral in de herfst; dus moeten de bomen weg. Dit laatste is momenteel níét gaande in de Wolfskuil, wel elders in de contreien, hier nu niet te noemen. Maar ik schrijf het erbij, want het is schering en inslag, overal om ons heen. Het gaat goed fout met de mensen, en intussen ook met de natuur, dat kleine beetje natuur dat vooral degenen die veroordeeld zijn tot wonen in een flatgebouw nog zouden kunnen genieten.

Ine Verhoeven 

 

IC86---4 juli 2009

Anonymus is dood

Ik wil niet aan je voorbijgaan, mens, ik wil je naaste zijn, je herkenning, je vriendschap, je klankbord, je troost. Nee, ik wil niet aan je voorbijgaan, mens. Ik wil mens met je zijn, ik wil mens met de mensen zijn en anders niet. En toch, mens, toch ga ik aan je voorbij, loop ik langs je heen zonder je te zien, ga ik door de straat en groet ik je niet. Maar dat is de gewoonte! We doen het allemaal! Wat? Aan elkaar voorbijgaan. We doen dus allemaal niets.

Ik heb het druk mens, druk met worden wie ik ben. Druk met kijken om me heen. Druk met zoeken naar, naar wat? Ja, druk met zoeken naar een mens, zo’n mens van de herkenning, van de vriendschap, van de samenspraak, van de troost. En de straten zijn vol met mensen en de wereld is vol met mensen en al die mensen zijn druk, kennen elkaar niet, zien elkaar niet, zelfs niet in de straten waar ze wonen, ook niet op de pleinen van de stad.

Anoniem. Het mensdom bestaat volop, leeft volop, bemint volop, baart volop, sterft volop, maar zijn ziel is bezig anoniem te worden. Niet doen, mens. Kom uit je schulp, Anonymus. Geef je buur een hand. Geef mij een hand. Leer groeten en wuiven en liefhebben. Leer je de klanken aan van de namen die de mensen gegeven zijn. Om elkaar te noemen, te benoemen, te herkennen als de mensen die we zijn, om mens met elkaar te zullen zijn. Want Anonymus is dood.

I.V. 4 juli 2009

 

IC 85 --- 25 juni 2009

LOKROEP VAN DE ZOMER

We zaten daar, hoog op het terras in van die lage rieten stoelen vol eigentijds gemak. We voelden de wind en hoorden de bladeren van de hoge bomen onstuimig ruisen, overal om ons heen. We waren verrukt de kikkers te horen, krrrrrrrrrrrrr, krrrrrrrrrr, krrrrrrrrrrrrr; het luide gekir kwam ergens van de overkant. We wisten nog niet dat de vennen daar lagen. We dronken zoete zomerwijn en genoten van de milde avond. We waren met ons vieren, drie Brabanders en nog zo een lieve mens die er niet was geboren maar er eens heeft gewoond. We hadden het goed. We waren in de stemming van het bruisende leven, alles wat negatief was, hadden we weggelegd. We waren mens met elkaar, babbelden vredig en proostten op het leven en op onze vriendschap. We smaakten de borrelhapjes met zondig genoegen, ik wel. We lachten. We keuvelden, waren betweterig, dan weer toegeeflijk, dan weer stout, maar we waren het meest goedmoedig en familiaal. We namen afscheid omdat de avond alweer ging verlopen. We hoopten op een spoedig weerzien: dag!

Toen werd het nacht en weer morgen en de zon was met ons. We waren nog steeds verrukt en na het ontbijt wandelden we naar de overkant. We zagen een fietspad en iets verderop een zandweggetje tussen het struikgewas, de bomen en de boompjes van berkje tot eik en liepen over het smalle zandje doorheen het hoge gras. We kwamen bij de waterkant van een volkomen ven, prachtig in zijn soort; en we begrepen dat de kikkers van gisteravond er hadden gevrijd voor het nageslacht. We wandelden verder en zagen ergens langs de met hoog gras begroeide oever een geplet silhouet van twee menselijke figuren als een stille getuigenis: hier was nog maar pás de zinnelijke liefde gebeurd. We glimlachten, ik wel. We namen de zomer in ons op, genoten van het prachtige uitzicht en wandelden over het stronkerige pad terug. De kleine berken stonden schalks onder de hoge eiken, als stoute kinderen die het toch wel hadden gezien. We waren verheugd over de schoonheid van dit land. We wilden er nog een keer terugkomen.

We vertrokken naar het land van de Beerze. Ook daar was de hemel afgedaald naar de aarde, overal was de zomer met groen en bloemen, met fragiele insecten en kleine donkere libellen, die dansten en krijgertje speelden boven de frisse beek en tussen de korte halmen. Merels hipten langs de bomen over het warme zand en in de verte kwamen fietsers richting de witte kapel die daar door noeste mensenhanden op een goede keer was gebouwd, alweer lang geleden; daar zaten zij neer in stil gebed, hoe nederig kun je zijn? Het kwam door deze zomermiddag op die geheiligde plek in het bos, door alles wat er ademt en leeft; het kwam door de lokroep van de zomer, geen mens kan eromheen. Het is allemaal genade voor een klein en kwetsbaar mensenhart. De Beerze kabbelde traagjes maar oneindig voort, de duizend vogels zongen onverkort; en denkelijk was het ook zo dat God op zijn eigen lieve manier naar de mensen op aarde lachte. Ik ga er graag vanuit.

 

 

IC---84 21 juni 2009.

LUISTEREN

Als je een Einzelgänger bent, voelt het alleen maar goed om afgezonderd van de massa, zonder de inbreuk van een of ander nietszeggend gesprek waarop je niet hebt zitten wachten, waarom je niet hebt gevraagd, de rappe tijd van je kostbare dagen te voldoen. En toch. De boog kan niet altijd gespannen zijn, een bezige mens moet tussentijds eens licht verpozen, niet in de overvolle binnenkamer van zichzelf, maar in het lege ruim van de ander. Helaas is er weinig begrip te vinden voor dit standpunt. Veel mensen kakelen vaak als rondscharrelende kippen en kukelende hanen ongenuanceerd aan een stuk door. Hun stemgeluid produceert graag het gangbare clichébegrip, niets oorspronkelijks, altijd hetzelfde geweeklaag en gemopper, altijd dezelfde jaloezie op koningshuis en voetballers, op wie het beter heeft, altijd hetzelfde gejammer over de ergste ziekte van wie dan ook. Weinig mensen kunnen van binnenuit luisteren naar de ander, of naar de stilte, kunnen bedaard en geduldig zijn als er een zwijgen valt, kunnen bemoedigen vanuit hun hart; nee, veel mensen zijn druk en vermoeiend met hun lege woorden over helemaal niets. Het is zo fijn om met iemand te verkeren die met weinig drukte bij jou wil zijn. Als mensen elkaar ten diepste willen verstaan, dan is dát de ideale omgang met elkaar. Veel gepraat maakt veel verwarring, maakt weinig beelden van kwaliteit, maakt moe. Luisteren is de basis voor het weten en de wijsheid, luisteren en denken en invoelen en zwijgen, totdat jou iets wordt gevraagd, dán zeg je wat je zeggen wilt, anders niet, anders zwijg je, gewoon om de zuiverheid tussen mensen te staven, om onverkort helder te zullen zijn, om voor de ander echt iets te betekenen. Zwijgen. Horen. Luisteren. Je leert ervan. Het maakt je wijzer. En liever. En milder. En gelukkiger. Probeer het maar. I.V. 23.06.2009   

 

IC 83 --- 22 juni 2009

Frederik Fluweel

Een saillante memo op katholiek niveau uit de jaren 1964 -1977.

 

Hij zat steevast in de gestreepte fauteuil van zwaar velours in groen, blauw, rood en goud. De zitting was gevormd naar zijn achterste, het rugkussen bevatte een diepe kuil. Maar hij zat er goed in, en graag. Wie zich hem vandaag de dag nog herinnert, ziet hem nog zitten in die stoel. Hij snoepte door de dag heen vele chocoladereepjes en liet zich met allerlei lekkernijen vertroetelen door zijn tweede vrouw; bij de avondmaaltijd dronk hij de overgebleven jus op met het motto: als het maar eens oorlog was! Ook nam hij nog heel gezond magere karnemelk tot zich, want hij moest op gewicht blijven, of liever afvallen, maar hij mocht zeker niet dikker dan dik zoals nu worden.

Soms fietste hij door het Brabantse land. Dan legde aan bij de norbertijnen in Heeswijk en sprak er over de teloorgang van het katholieke geloof. Het ging ten onder. Niets bleef ervan over. Zeven kinderen had hij. Ze waren gemaakt uit plichtsbesef. Nimmer had hij de roede van de liefde gespaard, want wie zijn kind liefheeft, zal het slaan. Hij was een ambtenaar van groot gewicht geweest, hij had hard genoeg gewerkt, veel gereisd; en zijn vrouw was goed voor hem geweest, zoals het hoorde. Vijfendertig jaar waren ze getrouwd, toen stierf ze aan een misselijkmakende ziekte. Maar ze zouden nog altijd samen zijn als ze nog geleefd had. Want huwelijkstrouw had ze hem beloofd op die ene grote dag in de kerk, en ze was hem trouw gebleven tot aan haar dood. Op zijn werk was hij een innemende collega geweest, ook voor de vrouwtjes in het ambt. Ze hadden hem wel eens aan het denken gezet, maar veel meer dan Spielerei was er nooit gaande geweest, al wist hij donders goed dat enkele meisjes verliefd op hem waren, want ja, hij was een aardige man, en niet onknap. Daar had zijn vrouw weer plezier van gehad, ze kon zo intens naar hem staren, en zo jong leek ze dan. Ja, ze was wel mooi geweest. En ja, ze had van hem gehouden. Dat gaf hij haar van harte na. 

Zijn tweede vrouw had hij destijds ontmoet op bedevaart naar Lourdes. Het had toen geklikt tussen hen. En hij was nog maar drieënzestig jaar jong in die tijd. Onmiskenbaar huwbaar nog. Maar met haar had hij het helaas verkeerd ingeschat, jawel, ze had geld, ze was geen onbemiddelde weduwe. Maar het boterde niet tussen hen. Ze was zijn eerste vrouw niet. Ze luisterde ook niet, had geen gevoel voor gehoorzaamheid. En ze wilde aandacht. Die kon hij haar niet geven. Zijn eerste vrouw was heel anders geweest. Die had haar katholieke plichten wel gekend. Die wist haar plaats. Maar deze vrouw? Een luxe paardje. En huilerig. Verwend.

 

En dan die vrijzinnige kinderen van haar, liefst vijf stuks die nog in huis woonden. Hij zou een vader voor hen zijn, hij had het beloofd toen ze trouwden in de kapel van de norbertijnen. Ja, die norbertijnen mochten hem wel. Hij had het voor elkaar gebokst dat de bruiloft bij hen werd gevierd, compleet met diner en borreluur vooraf! Het was heel apart geweest, heel rooms ook, en de familie wist in een keer waar ze aan toe was. Hij was kerkelijk en dat moest worden gerespecteerd. Hij zou de witheren norbertijnen een extraatje geven als hij de spotprijs van de huwelijksdag in het klooster ging afrekenen. Ja, als rechtgeaarde katholiek kon je nog binnenkomen bij de kloosters. Hij wel, ze wisten allemaal dat hij een vrome mens was. Dat hij een godvrezend man was. Dat hij als gelovige vader zijn kinderen met ijzeren hand had opgevoed; dat zijn goede vrouw hem was ontvallen, en dat was zijn grote beproeving.

 

Maar die kinderen van háár, die waren verschrikkelijk. Wat was hij begonnen? Hij zat klem in haar huis, hij was bij haar ingetrokken tussen die eigenzinnige jeugd in de huwbare leeftijd. En dat in deze tijd met de opkomst van de pil! De jongste van zestien slikte hem nota bene, en hij kon er niets tegenin brengen. Als hij zijn nieuwe vrouw er terecht op aansprak, ging ze lopen huilen. Die pil werd nog de ondergang van de wereld. Zelfs onder de katholieken werd de pil gebruikt. Het was allemaal de schuld van monseigneur Bekkers, die boerse vrijdenker! Het ging zienderogen neerwaarts met kerk en geloof, om over de teloorgang van de invloed van het kerkelijk gezag maar niet te spreken! En kijk! Ook zijn eigen kinderen, allemaal op hun plek, dat wel, waren niet rooms meer, ze zagen de kerk terloops aan de buitenkant, maar niet meer vanbinnen. Ze gingen zondags niet langer ter kerke. En ze hadden vrije huwelijken. Twee waren er al gescheiden. Het kwam allemaal door die pil. ‘Wel de lasten, niet de lusten’, zei hij grammottig, en verwenste de bastaardzoon van zijn dochter - zij heette ook nog Maria.

Nadat haar kind van het balkon viel, 5 hoog, en middenin het Amsterdamse straatbeeld overleed, heeft zijn dochter Maria het leven niet meer goed aangekund. Ze kon het onverhoedse overlijden van haar zoontje niet verwerken. Ze was door zijn dood zichzelf kwijtgeraakt, maar ja, dat was haar eigen schuld, daar was hij stellig in. Ze kreeg een zware zenuwinzinking. Ze werd opgenomen in de PI en behandeld door verschillende psychiaters. Erg voor haar misschien, maar het kon zijn zoals het was, hij had haar haar misstap nog eens goed ingepeperd. Ze had hem toen brutaal aangekeken en gezegd, dat hij een steenkoud hart had! Hoe had ze het gedurfd, tegen hem, haar vader? Eert uw vader en uw moeder! Maar zij niet, nee zij nam hem kwalijk dat hij haar niet had getroost, dat hij over dat kind met geen woord had gesproken. De jongen was vijf jaar geworden. In die vijf jaar had hij hem niet willen zien, hij kon het niet over zijn hart verkrijgen te erkennen wat niet van God kwam. Want hij was een kind van de zonde. ‘Van de liefde’, had Maria hem ijskoud toegebeten. Maar hij wist wel beter. Niks liefde. Zonde. En nu is dit kind dood. Och, zijn straffe hand en opvoeding hadden niet veel uitgehaald. Maar God moet het allemaal hebben gezien, zijn ijver en zijn vroomheid en zijn kerkse getrouwheid. Het sterven van de jongen was Gods wil. Het was Gods straf die rustte op deze onoverkomelijke zonde van zijn dochter. Zo had hij het heel gedecideerd gezegd, later, tegen zijn tweede vrouw. Dat was op een avond voor Pasen, toen hij zich voorbereidde op zijn paasbiecht. Zijn Pasen werd godsdienstig gevierd: feest van de Opstanding, feest van Christus-is-verrezen. Iets waar hij een extra vroom gevoel van kreeg. Maar de grammottigheid had hem niet verlaten. De bitsheid tekende zijn vierkante gezicht.  

 

In het jaar 1977 stierf hij, een moeilijk doodsbed was het wel, al werd hij begenadigd voorzien van de heilige sacramenten van zijn beminde kerk. Ik vond hem altijd een akelige katholiek, zo iemand voor wie ik als kind al aan de haal ging. Maar een diep medelijden met deze fanatieke dondersteen maakte mijn gemoed vooral in die dagen toch mild naar hem toe; ik had zijn onontkoombare oudheid, zijn zichtbare kwetsbaarheid en zijn geknakte trots op zijn gezicht zien staan. Arme man, zoveel wat mooi had kunnen zijn, had hij vergald, vooral voor zijn nabije kring, voor de kinderen die hem trouw waren gebleven ondanks zijn hardvochtigheid, voor zijn beproefde dochter die haar beminde zoontje moest missen door een verschrikkelijk ongeluk, voor zijn tweede vrouw en voor ieder die met hem de huiskamer deelde op de zondagmorgen na de mis.

Bij zijn begrafenis sprak een van zijn zoons, hun vader verdiende immers een waardig afscheid? En ja, begrip en liefde vielen hem toe. En heel veel respect voor wie hij was geweest. Want hij was dood.

 

Ine Verhoeven      

Opgetekend omstreeks 1995/2009

 

IC 82 --- 17 juni 2009

‘n MARKANT WEETJE

Het had ons niet mooier kunnen overkomen toen we maandagavond na een regenbezoek aan Tilburg en een regenlunch in ‘In d’n Bockenreijder’ te Esbeek zonnig en droog wandelden over De Lind van Oisterwijk; we dronken er koffie en thee op een oergezellig terras en genoten van de vele lindebomen, die zomers altijd geuren, en van de locale kunstwerken die over de lange maliebaan stonden uitgestald in breedvoerige stalletjes van tentdoek; er waren ook extra kroegjes gecreëerd, maar op De Lind zijn kroegjes genoeg gevestigd om je te voeden en te laven; en we zagen er alles gebeuren. We vierden een unieke avond. We hadden het goed.

In de nacht had het geonweerd, we sliepen in een huis in het bos, maar het verontrustte me niet. Toen we dinsdagochtend huiswaarts keerden, wisten we weer hoe goed het is vakantie te vieren, maar ook, sec!, om weer thuis te komen, ik wel. Behalve Lorita, zij grauwde naar me en liet zich een moment lang niet aaien, wat een beest. Alsof ze me wilde beduiden dat het geen stijl was haar een nacht alleen thuis te laten. Ik denk dat een vogel, déze vogel, haar eigen emoties heeft.

Er zou vandaag, woensdag, geen regen komen, voorspelde het KNMI. Ik nam bij mijn ontbijtje de Q10 100 mg in, raapte mijn schaarse moed bij elkaar, haalde Olivier op en we reden samen welgemoed naar het Veluwse dorp Ede, om koffie te drinken in restaurant Planken Wambuis; we wilden alvast voorproeven op de familiedag in augustus. Maar wat een gebied! De schoonheid van de diepe, haast geordende bossen en de lieftallige heidevelden in het Gelderse landschap is nergens geëvenaard. We togen erdoorheen en genoten. In Planken Wambuis was de koffie goed en we vroegen spoorslags naar de betekenis van deze markante naam. Wel, zei de juffrouw, een wambuis, daar kom je niet meer uit, en planken, dat staat voor doodskist. In dit huis was vroeger een doodskistenmakerij. De hele streek hier heet Planken Wambuis. Toen de doodskisten hier niet meer werden gemaakt, en de opslagplaats voor hout werd opgeheven, werd bedongen dat het restaurant de naam zou handhaven, daarom heet het dus Planken Wambuis. O, zeiden wij, en ik dacht erover na met een gemengd gemoed. Het antwoord was als een grijs wolkje aan de zomerblauwe hemel, ik probeerde het voor dat ogenblik te vergeten, omdat het me geen vrolijkheid opleverde; maar het is zoals het is en het sterven hoort bij het leven, dus ik schrijf het gegeven over Planken Wambuis op als een aardig weetje.

We reden via Otterlo huiswaarts, lunchten er soep en pannenkoek, kwamen via de tomtom door Arnhem gereden, namen een hoge cirkelbrug, bijna een kermisattribuut, en gingen via de Nijmeegse brug onze thuisstad binnen. Op zo’n dag besef je hoe kostbaar je bent voor elkaar, dat je samen veel geniet en dat je samen ver kunt komen, als de fysieke conditie het maar toelaat, anders houdt het goede leven op, en dat geldt voor iedereen.

 

 

 

IC 81 --- 10 juni 2009

MIDDAGTHEE

Vroeger vertelde mijn moeder me wel eens leuke voorvallen over de tantes en de ooms, maar ze deed dat nooit uitgebreid. Mijn moeder was een vrouw met mysteries als het om daadwerkelijke feiten en weetjes ging, in die zaken was ze zeer gesloten. Nee, áls mijn moeder me iets familiaals vertelde, dan was het leuk en grappig, verder niets. Op ernstige vragen gaf ze geen antwoord, ze had er een hekel aan. Ik ben dus niet veel te weten gekomen over de jeugdjaren en de jonge tijd van mijn moeder, behalve enkele geijkte gegevens, die op den duur een eigen leven gingen leiden omdat ze vaak waren gerepeteerd en daardoor enige geschiedvervalsing hadden ondergaan, en echt bijzonder waren de feiten niet, eerder smartlapfeitjes zoals van kindje dood en vader suikerziek tot en met straf op school omdat de harmonie op een mooie morgen langs was gekomen en moeder als kind in de klas op de marsmuziek had gereageerd van hopsakee en lalala. Ja, die goeie oude tijd was nog een straffe tijd.

Mijn moeder kon zo heerlijk tuttelen bij de middagthee. Ze stuurde me vaak eropuit om koeken te kopen bij de verfijnde banketbakkerzaak ’t Kupke, clientèle van onze zaak, die vice versa ging; zo handelde de middenstand in die tijd bij ons in de stad.

Mijn moeder was in die dagen een gezette vrouw met chique streken, een vrolijke aard, een bazige inslag en een dienstmeid. En zoals ze was, zo wilde ze ook zijn. Ze hield van aanzien, van aandacht, van theatrale komedie die ze opvoerde zelfs als ze door de straten wandelde; mijn moeder was een geboren actrice, maar ze kon er niets mee, want haar strenge opvoeding had haar haar talenten afgepakt, zo ging dat toen.

Ze moet een frustrerend leven hebben geleid, met acht kinderen via de kerkwet en een zaak in opbouw; gelukkig was ze behept met een zakelijke aanleg, meer dan mijn vader, die meer over het gevoel, de kunst en de techniek ging. Maar het was een mooie combinatie, die twee. Ik vraag me af of ze gelukkig waren, maar ik denk het wel. Natuurlijk weet ik zelf al te goed dat gelukkig zijn een merkwaardig fenomeen is, bestaat het wel? In de tijd dat mijn moeder ’s middags wel eens thee met me dronk, dacht ik van wel, dacht ik dat gelukkig zijn echt bestond. De cactus bloeide in de vensterbank, de kat snorde op de divan, de olieverfschilderijen hingen aan de muur waar ook de piano stond te pronken; grootmoeders stoel was opnieuw bekleed met gobelin, het huis was schoon, de auto’s stonden glimmend voor de deur als ze niet onderweg waren en de telefoon rinkelde de hele dag door. Wat een geluk.

Maar toch, wat was ik blij toen ik naar kostschool mocht. Ik zou dan met mijn moeder geen thee meer kunnen drinken als ik uit school kwam, maar de thee in de refter bij de nonnen en met al die kinderen erbij was ook lekker, en het was er gezellig en er was veel geborgenheid en veel rust; er stonden zelfs bloeiende cactussen in de vensterbank en buiten mochten we schommelen en wippen en spelen en gezellig op het bankje zitten onder de kastanjeboom; we gingen in de ronde kring en sprongen touwtje; en we zongen liedjes, leuke, mooie en stoute liedjes. Theedrinken met mijn moeder heb ik later weer gedaan, maar eerst ben ik nog even kind geweest tussen de kinderen. En het voelde heel, heel goed. I.V.

 

IC 80 --- 30 mei 2009

BIJ DE DAMES

Vanmorgen waren we vroeg naar Langenboom gereden, de zon scheen vanaf een strakblauwe hemel, de wind woei geleidelijk en ik hunkerde naar de rust van een grote tuin met bomen, en die was te vinden Bij De Dames. Boudewijn was blij als meestal wanneer ik hem mee uit vraag, en we trokken met de tomtom via Grave naar Langenboom: mooie route, heerlijke lente, vrije geest, we houden van deze sferen.

De auto werd bij aankomst langs de sloot geparkeerd, maar het werd opnieuw keren en insteken, er was geen parkeerplaats, nog niet; eindelijk de goede plek gevonden, opzij van een pad dat naar het naastgelegen huis van Bij De Dames voer; het was geen goede zet, bleek achteraf, maar dat wisten we nog niet.

Bij De Dames ervoeren we een dik uur heerlijke knusheid; we dronken koffie, zalige kwaliteit en thee, 2 zakjes om te kiezen, we snoepten samen van een onvergelijkelijk appelgebakje en werden bediend, terwijl het zelf afhalen is; o, een theetuin om te zoenen. Ik zag Boudewijn later wandelend onder de notenboom gaan, wat een beeld! De oude boomstam stond met het jonge notenloof de sierlijke tuin te domineren, de tuin die feitelijk het grote, voormalige erf van de verleden boerderij is, maar sinds vier weken de idyllische lusthof voor rustzoekende passanten.

Het had vanmorgen een Engels tintje in het boerse Brabant. Tussen de velden, de weilanden en de koeien kun je stijlvol een high tea houden, zo’n deftige gewoonte uit de oude Engelse cultuur, overgewaaid naar het EU-continent, naar ons, verstokte gapers naar de overkant.

Het was een uur van rust en nieuwe geest, alsof het vandaag al Pinksteren was; overal groen blad en bloeisels, ruimte en een blauwe lucht, de zachte bries van de wind en enkele vriendelijke mensen: het maakt je gemoed zacht en mild en blij. In de noen vertrokken we huiswaarts, nog even omkijkend naar dat wonderlijke oord; toen haalden we de auto en een kleine feeks kwam uit de voordeur van het buurhuis struinen, met een boos kopje en een scheef brilletje op haar hoekige neus: Hier mag u niet staan, we krijgen onenigheid met de buren, dit moet vrij blijven, geen auto’s bij ons pad, tatatata.

Ik dacht aan de Rijdende Rechter die vaak bij rijke buitenmensen moet ingrijpen om recht te spreken over een dom paaltje of een scheve dakpan of een storend erfpad, en schoot in mijn lach, omdat ik bij het parkeren dit ergens al verwacht had, het kon bijna niet uitblijven of iemand uit het riante huis zou commentaar leveren op de auto die daar zomaar geparkeerd stond, en ja, zo was het; het idee kwam simpelweg voort uit mijn ervaring. Mensen die zoveel vrijheid gewend zijn, dulden vaak een ander niet, weten vaak niet wat het is om te delen met anderen, zijn sneller asociaal, denk ik, omdat ze eenzelvig geworden zijn in hun vrijheid én in hun rijkdom: Wég jij, burger, deze plek is helemaal van ons!

Het was een klein wolkje afkomstig van de mensheid, de hemel bleef strakblauw en liefelijk, de bomen ruisten voort en zongen zacht in mijn oor; die kleine ka was een teken van hoe mensen kunnen zijn; jammerlijke constatering maar het is niet anders.

We waren nog steeds vol vrede en vrijheid, lieten het schelle vrouwmens niet in ons toe, maar hielden vast aan wat we hadden ondergaan in die tuin met de rustieke ziel.

Natuurlijk zet ik de auto niet meer op die plaats neer, respecteer ik dat mensen hun pad vrij willen houden, maar ik had amper een keuze, ik zou of in de sloot rijden of midden op de weg staan, dus had ik voor deze ene keer gekozen om half bezijden het pad te parkeren; Bij De Dames zijn ze druk bezig een parkeerplaats aan te leggen.

Het was een prachtige ochtend, en de geest kan waaien waarheen hij wil.

 

IC79---24 mei 2009

VIJF VOOR TWAALF

Een mens zou op zijn oude dag eindelijk de rust mogen bevoelen, de rust na de zware levensoogst die eindelijk binnen is gehaald en die gesmaakt mag worden. Maar die begeerde rust op je oude dag, wat houdt die praktisch in? In je eentje rustig van de oogst proeven, is barre leegheid en geeft weinig vreugde; je wilt délen wat je hebt vergaard: delen met elkaar, delen bij een vertrouwd samenzijn. En als je al iemand hebt overgehouden uit je vroege dagen - er is intussen veel liefs en dierbaars uit je leven weggevallen - dan blijkt hij, of zij, meer dan bezet te zijn met van alles en nog wat; en als je dan toch nog de moed bij elkaar hebt geraapt en vraagt om elkaar een keertje te mogen bezoeken, krijg je per e-mail terug: ‘Ik laat je weten wanneer het hier uitkomt.’ Geheid kun je aannemen dat je niets meer hoort of leest, de afspraak wordt vergeten en, al of niet bewust, in de doofpot gestopt. Zo gebeurt het tussen mensen, want zo zijn mensen, zo doen mensen, zo doen we allemaal, doorgaans wel.

Je wordt ouder en strammer en je kunt het allemaal niet meer aan, het enige dat je kunt verdragen is in beperkte mate het gezelschap van lieve mensen, een bezoekje over en weer dat echt niet lang hoeft te duren. Op reis gaan, geeft veel rompslomp en eenmaal terug van een verre trip betaal je met minstens drie dagen uitgeschakeld zijn jezelf uit. Oud zijn is mooi maar moeilijk en zwaarder dan ik dacht; oud zijn vergt offers, misschien meer offers dan in je jonge tijd, toen je in je levensdagen nog moest zaaien en rijpen, nog vruchtbaar moest zijn: om de lieve oogst binnen te mogen halen, straks, in de herfst van je leven.

Het levensproces is zeer de moeite van beleven waard, de oude dag ook, als je tenminste maar enkele lieve mensen vast kunt houden, mensen die je zo hard nodig hebt om je laatste jaren nog op een mooie, sociale wijze te kunnen beleven. Er zal altijd wel iets te klagen zijn, ook bij een rijke oogst, een bulkende oogst, en je moet nog dit en je moet nog dat, maar een mens moet helemaal niets, een mens láát zich ‘moeten’. Wie geen zin heeft in een ontmoeting, kan het rustig zeggen; we begrijpen elkaar immers, we zijn allemaal moe. Maar wie het daarbij laat, de draad niet meer opneemt, die verspeelt apert de laatste kansen: het is nu of nooit, de tijd is bijna om.

 

 

IC 78 --- 18 mei 2009

Goedgelovig?

Je kunt over God praten en schrijven of over de duivel, over de engelen of over de heiligen, maar je blijft buiten je gevoel geheid steken bij wie, wat, waar, hoe en waarom dan wel? Dat gebeurt zelfs bij hen met hun doorgewinterde theologische studies, bekroond met een bul en cum laude.

Je kunt van de bijbel een sprookjesboek maken, en dat is het in wezen ook, de hemel naar de aarde bidden en roepen God is goed, maar tastbaar bewijs voor je geloof in die goede God heb je nooit. Je kunt wél over het ene en enige godsbewijs praten en schrijven dat je in handen hebt: de aarde met alles erop en eraan, de aarde die in alle kleinheid voor ons, schepselen, het hoogtepunt is van het grote universum; en je hebt als ultiem godsbewijs vandaaruit jezelf te ontleden, jij die alleen maar met je diepste innerlijk God gevoelsmatig bereiken kunt, niet beredeneerbaar maar wel bevoelbaar; meer heb je niet. Je kunt ook uit angstigheid geloven, uit een bangheid die Godvrezendheid wordt genoemd, maar zulke bangheid verwerp ik als godsbewijs, omdat angst geen goede vrucht voortbrengt, nooit. Angst verknipt de werkelijkheid, angst verplettert je gedachtegang, angst maakt monddood, óf schreeuwlelijk: er zijn mensen die blaffen als honden uit regelrechte angst, willens en wetens - of niet.

En toch. Toch is God aandoenlijk aanwezig onder ons, de mensheid. Hij is niet weg te denken, hij is in zijn schepping opgeklommen als de allerhoogste, als de liefdevolle vader die van zijn kinderen houdt. Wie God verkondigt, verkondigt een liefdevol vaderschap, houdt vast aan bevrijding, blijheid, puurheid, geborgenheid, vertelt over het schone van mensen en het goede van de wereld; niet over de hel, niet over de duivel, ook niet over de engelen, al gebeurt het vandaag de dag in de nieuwe kerkelijke opzet van verkondiging en eucharistie vieren volop; het doemdenken over vagevuur en hel is de vrucht van de Opussen, die veelal in stilte, vaak in strikte geheimhouding, ná Vaticanum II de oude geloofstheorieën hebben bewaard en die nu als de waarheid binnen de Kerk floreren; het is hún beurt, de beurt van de opussen, zoals zij dat jarenlang hebben gehoopt en bebeden.

De Kerk verwordt tot een sekte. De Kerk hangt de heilige rest aan, zij gaat verder met de goedgelovigen, lees lichtgelovigen, en verwerpt en veroordeelt op voorhand wie anders durft te denken, maar ook wie menselijkheid en empathie in het Messiaanse vaandel meedragen, het liefdesgebod uitdragen dat Christus zijn volgelingen meegaf. Zulke humane gelovigen staan als zwak en heidens opgetekend in het boek van de nieuwe orde der katholieken. De Kerk van vandaag wacht niet langer af, is zonder geduld en neemt het heft van God in eigen hand (zie ook: Vrijmoedig Commentaar bij www.mennen.pr.nl). De uitstraling van de hoogste prelaat wordt krachtiger, dominanter, je kunt er niet meer omheen, zíj zíjn aan zét; tegelijkertijd toont dezelfde uitstraling van rijkdom en kracht een zwakte aan, welke ik vooral zie als ik kijk naar de eigentijdse hogepriesters die in stijfblinkende gewaden het heilig misoffer opdragen: met de rug naar het volk, precies zoals voorheen, in die griezelige tijd van het Rijke Roomse Leven. Dit uiterlijk vertoon heeft niets te maken met het evangelie beoefenen, noch met de boodschap van Jezus Messias; dit vertoon heeft te maken met Macht en Verhevenheid, met opnieuw Onderdrukking van de ‘kleine’ mens, van de zielen die niets waard zijn in de ogen van God, volgens hun onheilige theorie.

Bij de uitzending van Kruispunt van gisteravond gaf een journalist zijn visie op het huidige Roomse beleid. Wie deze uitzending gevolgd heeft, weet waarom ik dit vandaag schrijf, wie hem gemist heeft maar nog wil zien, kan kijken bij Uitzending gemist - KRO Kruispunt. Het is de moeite van beluisteren en bezien waard, zeker als je geloofsmatig op kerkelijk gebied niet in verwarring wilt worden gebracht bij wat je in je leven aan geloofsgoed vergaard hebt. Ik oordeel niet, ik constateer. Jij ook?

 

IC 77 --- 16 mei 2009

OVER GOD, HET HIER EN DE KOSMOS

Vandaag wil ik graag als column een hoofdstuk plaatsen uit mijn boek ‘Van Mensen Onderweg - met Geloof, Hoop en Vrede. Ik doe dit naar aanleiding van de prachtige encaustic werkjes van Christelchild, te vinden via mijn hyvesite onder  http://inebegijn.hyves.nl. Ook de fotoreportages van ‘Ank‘ hebben mij hiertoe uitgenodigd. Met dank aan beiden.

Hoofdstuk VI:

In alle 'negatieve' leefstructuren bevinden zich talloze micro­ben en andere minieme organismen, die ondanks hun vraat­zuch­tig lijkende be­staan uiteindelijk een positieve functie heb­ben. Een gezonde mens of een gezond dier sterft niet van blakende gezond­heid, maar wel van ziekte of ouderdom.

Alles in alles func­tioneert met een doel; positief en negatief zijn aan elkaar gerela­teerd en hebben beide hun waardevol­le betekenis. Belang­rijk is om het evenwicht te behouden van het natuurlij­ke bestaan in zijn totaliteit. De aasgier, bijvoor­beeld, heeft zijn func­tie om op te ruimen wat verderfe­lijk voor het leven op aarde rond­slin­gert; of ergens is achterge­bleven als rottend karkas. Een roodborstje hipt, daartegen­over ge­steld, rond, volgens de gangbare gedach­te, als een lieflijk beestje, dat geen enkel kwaad kan doen. Maar elk wezen, groot of klein, brengt schade aan en ruimt even zo goed op waar de wereld rondom hem schoon moet zijn. Het betekent voor alle naturen leven en dood. En de dood moet een reden hebben, anders kan er niet worden gestorven. Ook de mens die ster­ft, sterft van natu­re. Er is nieuw leven gaande, overal; in die oerkracht zullen nieuwe mensen komen en oude mensen gaan. Dat is de oudste procedu­re van de biologische wereld, van de mensheid en van de gehele schep­ping.

~

En God dan? Wat doet God? Wie is God?

Wie zal het zeggen? Mis­schien zijn wij, mensen, wel zijn hartslag, zijn schild­klier, zijn maag, zijn ogen; zijn vin­gers, zijn voeten, de palm van zijn hand. Of mis­schien zijn wij wel de gevestigde parasieten van Gods bestaan, van Gods brein, van Gods aange­zicht: van God. Wie weet. Nie­mand heeft ooit God gezien.

~

Zou God dan zelf buiten dit onbevattelijk machtige be­drijf staan? Gaat het innerlij­ke en uiterlijke gebeu­ren van de wereld dan buiten Gods directe verantwoorde­lijk­heid om? God kent ons, weet ons bestaan. En alles wat is, leeft waar­schijn­lijk ín God. Maar hij zal niet direct verantwoor­de­lijk zijn. Wij, mensen, zijn de ver­antwoor­delij­ken voor God, voor Ik Ben Die Is. Omdat wij hem dienen, hem voe­den, hem eren; omdat wij zijn wereld schoon zullen houden en gezond; omdat ons dienstplich­tige leven, in waakzaam­heid en puurheid, Gods gehei­lig­de leven aan­vult. Pre­cies zo wordt namelijk ons eigen lichaam gediend door onze innerlij­ke bloedsom­loop, door ons hart, door onze longen en door alle organis­men; door alles wat in ons leeft aan kleins en aan groo­ts, dat ons wonderwel als mense­lijk wezen doet be­staan.

~

Wie is dan toch die grote God van ons? Geen mens komt over hem uitge­dacht. Geen mens vindt zeker­heid. Geen mens ook die het weet. Alle gods­besef, gods­verlangen, godsvrees, het bestaat enkel van aan God te gelo­ven. Aan God te geloven betekent geestelijk verder te willen reiken, een hogere meer­waarde aan het leven te willen geven, zo'n geestelijke meer­waarde, die steeds wordt ver­langd vanuit de menselij­ke geest.

© Ank, 11 maart 2009.

Aansluitend plaats ik mijn gedicht, of is het proza, dat vrijelijk aansluit op het klassiek bijbelse scheppingsverhaal, zoals het in het boek is gepubliceerd (bladzijde 55):

DIE DE WERELD DRAAGT

~

Langs eeuwige tijden is Hij gekomen

Hij is de aarde met bloemen en vogels;

langs oude jaren is Hij gegaan

Hij is het water met schaaldier en algen;

nergens wordt Hij in zijn schepping beschaamd,

zij doet wat Hij vraagt vanaf het begin,

zij leeft op en zij sterft om door te gaan,

om de wereld te dragen in onsterfelijkheid

~

Boven bergen en dalen, landen en gaarden

heeft Hij de zon aan het lachen gemaakt

De maan heeft Hij hoog in de nachten gehangen,

haar lichten ontstoken over duisternis heen

De zee heeft Hij tienhonderd golven gegeven,

ook beesten en vissen tot sier van wat leeft

In zaadkiemen legt Hij de levensdrift neer

om de wereld te dragen in onsterfelijkheid

~

En man, vrouw en kind; boom, bloem en mooi beest,

zij maken Zijn godheid compleet; geen kwaad

heeft Zijn hart mogen breken ~ nog nooit; want

Hij Is Het Zijn, de grond onder wolken en lucht,

met alles wat ademt, beweegt; mens, raak Hem

niet tot ster­vens; langs eeuwige tijden is Hij

gekomen, langs oude jaren is Hij gegaan; Hij Is

om de wereld te dragen in onsterfelijkheid.

Hoofdstuk 6 uit Van Mensen Onderweg – met Geloof, Hoop en Vrede,

© Ine Verhoeven 2003

 

 

IC 76 --- 14 mei 2009

‘n Landgoed groot of klein... ik wil je iets vertellen

Wanneer ik op mijn balkonnetje zit, voel ik me vrij en rijk: ik kijk uit op een piepklein bos, het kan niet kleiner zijn als bos, maar de rijkdom van blad en boomstam, van in en uitvliegende duiven, die al jaren lang hoog in díé éne boom wonen, van het groene veldje achter de flat en van de wuivende bomen ervóór - niet te vergeten -, die rijkdom is van al wie hier nederig mogen wonen, het is ons aller kleinood, uniek met de malende molen erbij, die zich in deze dagen alweer verschanst heeft achter het groene loof. Dit alles bestaat tussen het onafgebroken voortrazende verkeer van de stad.

 Molen Wolfskuil

Maar kijken we naar het rustieke Haanwijk, het landgoed is en blijft ongeëvenaard. Hoe rijk moet je je daar wel niet voelen? Haanwijk, dé plek waar voor velen uit mijn tijd de herinnering ligt aan paard en galop, aan het kinderfestijn en het ponykamp, aan de boeren die voorzitter waren en penningmeester en wat nog meer, aan de pater beschermheer en de dierenarts; die ruwbonkers van mannen, ze baden nog als ze vergaderden: Geloofd zij Jezus Christus. Ja Haanwijk, daar is het leven groots, daar heb je nog lanen met oude bomen, daar is de wereld alleen maar vol van heilige rust, daar voel je de eeuwigheidswaarde van wat de natuur te bieden heeft, ongekend en onverkort. Tijdloze schoonheid. Onaantastbaar - we mogen het hopen.

 Boslaan Haanwijk

En toch. Het contrast van het ene landgoedje in de oude volkswijk met het andere landgoed hoogdeftig en important is slechts het formaat, het overige is verhoudingsgewijs bijna gelijkwaardig te noemen, even mooi en even indringend, maar ánders gesitueerd en eenvoudiger van opzet. Zo kunnen veel mensen met een kleinere beurs vanuit hun stadsflat tóch genieten van dát wat ooit heel gewoon is geweest: het bos, het land en het zand, de bloemen, de vogels en al dat groen, en de rust. Mooi is dat en gelukkig voor de ons opvolgende generaties.

N.a.v. de heerlijke wandeling van Ank op 13 mei 2009 heb ik deze korte overweging opgetekend. Ank wandelt dagelijks met hond Lara langs de mooiste natuurplekjes in de omgeving en soms verderop; ze legt alles wat ze belangrijk vindt te bewaren vast met de camera en iedereen mag om niet van het resultaat meegenieten. Kijk daarom gerust en vrijblijvend bij http://cirkel-der-natuur.skynetblogs.be.

 

HET DIEPSTE GEVOEL VAN EEN ANDER

We stonden in het donker in de wind en de lichte regen te wachten tot de kleine man, mijn jongste kleinzoon, uit de artiesteningang zou komen; het was gisteravond na de spetterende voorstelling van de musical Joseph, waarin hij speelt en zingt - met de overige cast, uiteraard. We stonden daar zeker al een half uur en het was akelig koud. Enkele artiesten waren al gepasseerd, enkele musici en dansers, de vertelster/zangeres Renee en de oude figuur met de baard: Joseph’s vader. Het kon nu niet meer lang duren, de kinderen moesten nu snel komen, het werd al laat; ik wist dat ze met de auto’s van enkele ouders waren, dat had ik vernomen van mijn zoon, de vader van F., onze kleine artiest. Maar toen kwam onze bevriende familie langs de artiesteningang naarbuiten toe, gewapend met handtekeningen op boekjes en een hele grote voorbarige mond in viervoud, want wie schetst mijn verbazing als ik hen alle vier hoor zeggen: ‘We hebben Flemming gezien. Hij is nu weg. Hij is met de bus mee. Waar waren jullie? Wij hebben hem net nog gezien en gesproken, maar nu is hij weg, de kinderen zijn allemaal met de bus mee naar huis.’ ‘Dat kan niet,’zei ik, ‘ze zijn met auto’s.’ Ik had me blijkbaar vergist. ‘Nee hoor, ze zijn nèt precies allemaal met de bus mee gegaan.’

Ik was verbaasd en raakte toen ontgoocheld. Hoe kon dat nou? Er stond wel een bus, maar daar zaten beslist geen kinderen in, wel andere artiesten, maar niet de kinderen; we waren de hele tijd bij die bus in de buurt geweest omdat die daar stond.

Maar het was écht waar, zeiden de vier: de kinderen waren al vertrokken. Jammer, heel jammer voor jou. Maar wij hebben de halve cast nog gesproken. Hartstikke leuk!

Ik was moe, heel erg moe, want ik had ’s nachts niet geslapen en de dag was lang en nat en koud geweest; en de rit van Nijmegen naar Tilburg was druk en trubbelig geweest, vooral door het zware vrachtverkeer op de wegen en de opspattende regen. Er kon niets meer bij, dat voel je op zo’n moment heel sterk. Diep teleurgesteld na deze pertinente berichtgeving gingen we naar de parkeergarage en haalden de auto op. En een verbijstering kwam opzetten: hoe kon het nou toch dat de kinderen al vertrokken waren naar huis? Ze moesten toch ook door de artiestenuitgang naarbuiten? Maar dat wisten de vier wijzen bij navraag ook niet, dus die vraag was onbeantwoord gebleven, behalve dat ze zélf hadden gezien dat de kinderen allemaal weg waren gegaan: met de bus.

We waren vanmorgen in Tilburg bij één van de vier voor nog een kort bezoekje. ‘De kinderen waren met auto’s’, zei ik. ‘O, ik dacht dat ze met de bus waren’, zei ze laconiek. Dácht? Jawel, ik hoorde het goed, ze zei: ik dácht. Maar gisteravond was het een zékerheid, een ‘zelf gezien’, geponeerd met een stelligheid die niet omver kon. En precies daardoor, door dat ‘dacht’, had ik mijn kleinzoon gemist, hem niet geknuffeld en gefeliciteerd, hem geen aardigheidje in zijn handje kunnen stoppen; en ik aanhoorde gelaten het blije gejubel over die mooie, geweldige avond...

Eenmaal thuis gearriveerd, ontving ik van wijsgeer nummer twee dit mailtje:

Lieve Ine,

Wat 'n fijne avond was dat in Tilburg. Deze keer heb ik er echt van genoten. Ook lief van V. om ons even mee te nemen naar de artiesten. Ze kende iemand bij de cast en die nam ons binnendoor mee. Daar zagen we ook Flemming. Ben daarna nog even binnen gaan zitten, toen J. de auto ging halen. En ineens stond daar Flemming weer. Die was niet met de bus. Maar met de auto van kennissen. Leuk om hem toch nog even gezien te hebben. Nou dat was het voor nu. Groetjes (enz. i.v.) P.

Ik schreef terug: Het klopt dat hij niet met de bus was en door jullie verkeerde berichten heb ik hem HELAAS niet kunnen begroeten. Jammer hem niet gezien te hebben, ik had nog iets leuks voor hem en ik ben tenslotte zijn oma; zo'n avond komt nooit meer terug, ook niet voor mij. (...) Ik ben erg teleurgesteld. Desondanks: liefs, Ine.

Wat doe ik met dit verslagje in mijn column te plaatsen? Soms kan een tegenzet je bezwaarde gemoed verlichten, denk ik, soms kan het openbreken van een vervelend feit vruchtbaar zijn ten goede en inzicht geven, voor jezelf maar ook voor de ander: zodat zulke stupide dingen voortaan achterwege blijven. Je kunt jezelf ermee sussen en de ander tegelijkertijd op zijn lompheid wijzen. Al weet ik het natuurlijk ook niet precies. Wat ik wél weet, is dat dit incident me diep heeft geraakt en me nu nog zeer doet aan mijn ziel - soms ben ik echt niet zo flink als het lijkt. Wat ik óók weet, is dat sommige mensen heel vaak veel te voorbarig zijn, uitermate betweterig en stokdoof voor het diepste gevoel van een ander. Daar moeten we het mee doen, ik ook.

 

 

IC 73 --- 2 mei 2009

WIE WEET

Voorjaar 2009. We waren door april gereisd, elke nieuwe dag die we mochten beleven; we reden over de dijken, gingen de dorpen en de vestingstadjes in en genoten er van onze stamkroegjes; we voeren over de Maas en dronken thee aan de waterkant als er de gelegenheid voor was; we plukten het voorjaar in al zijn mooiheid en maakten een vaas van ons hart; we genoten van wat op ons pad was te zien en we waren tevreden mensen, soms een beetje moe, te moe ook wel, maar we konden de lente wel aan; zo hard nodig was de zon na de lange winter, zo hard nodig en zo goed en zo mild was hij voor ons; we zouden wel honderd jaar erbij willen kopen, als het ons mogelijk zou zijn.

Gisteren kwam de mei; de meimaand begon met hoogwaardige sferen van bloesems die, alweer bijna voorbij, hun blaadjes gedwee lieten gaan; de magnolia wist haar wortels omzoomd; de sering hield haar trossen stevig vast, zij was nog niet aan sleetsheid toe, en haar geuren spreidden zich; o zoete lente, o zoete vleugen van weleer, van toen en nu, van elk voorjaar opnieuw.

Foto door Ank, 24 april 2009 - http://cirkel-der-natuur.skynetblogs.be

Ik voel heel goed dat de jaren ons aantikken, dat we bij elke lieve stap er weer een achter ons hebben liggen, ik voel het goed. En nochtans wil ik er nog ontelbare zetten, wil ik doorgaan, wil ik zien, voelen, ruiken, proeven, tasten, nochtans wil ik zíjn. Hoeveel tijd is niet voorbijgegaan zonder dat we het leven bewust hebben geproefd, de schoonheid bewust hebben ondergaan, de seizoenen bewust hebben gevierd? Er is veel verloren tijd, veel is ongezien en ongeleefd voorbijgegaan. Daarom is het zo goed, en zo eerlijk ook, dat we nog even de tijd mogen omhelzen en rond mogen kijken waar alles begon, waar alles plaatsvond, waar alles was, waar alles nog éven zal zijn, voor ons, mensen van de late dag. De kunst is je ermee te verzoenen dat de meeste tijd achter ons ligt, om welgemeend te durven zeggen: kome wat komt. Dit is de nieuwe lente, voorheen was de winter, de herfst ligt alweer wat langer achter ons, maar dit is de nieuwe lente, en de zomer zal komen zoals altijd, alles is nieuw, elk jaar weer, en de wereld draait door en het leven zal zijn, generaties komen en gaan, altijd door. Geniet ervan, wie dit leest, laat het leven gebeuren, ga erin mee; wie weet zien we ooit waar het allemaal toe dient, zien we ooit waartoe we geroepen zijn, is het raadsel voorbij, geen mysterie meer. Wie weet.

 

IC 72 --- 25 april 2009.

Wat goed is, blijft staan

Mensen leren van elkaar. Ik leer van jou en hopelijk leer jij van mij. Dat is vermoedelijk de bedoeling in het leven van mensen – het leven dat altijd een leerschool blijft, voor iedereen. Wie openstaat, luisteren kan, denken kan, geduld opbrengt en liefheeft, zal de theorie en de praktijk van het leven weten samen te voegen en zal in princiep als goede medemens zijn naaste evangelisch tegemoet treden. Het houdt heel wat in: je naaste evangelisch tegemoet treden. Heel wat, en toch weer niet. Wie zijn ziel beluistert, komt vanzelf uit bij de evangelische waarden, die in feite de oerwaarden zijn; de Tien Woorden bijvoorbeeld bevatten de oerwaarden, ze zijn de oerwet voor de mensheid. Vanuit die oerwet leren we elke dag iets bij, leren we goed omgaan met elkaar, of we leren het niet. De keus is aan onszelf of we onze inborst verfraaien, veredelen, of niet. Maar het is waar: mensen leren van elkaar. Ik leerde bijvoorbeeld veel heilzaams van lieddichter Huub Oosterhuis, ben daarbij verwend door zijn teksten, vooral door zijn liederen die zo mooi, zo diep, zo waar, zo troostvol en o zo godgetrouw zijn. Ze ontroeren vaak en troosten vaak; ze zijn vanuit de oerwet geschreven, ontstaan vanuit de ene liefde die wij onze God hebben genoemd. Dat denk ik. Dat voel ik. Maar bewijzen kan ik het niet. Dat bewijs moet ieder voor zichzelf evaren, dat kan ik niet uitbeelden in ‘n enkel snel woord. Maar zoals Huub Oosterhuis zijn er nog veel meer grote mensen onder ons; de nieuwe heiligen wil ik hen noemen. Ik bedoel er niet de nieuw-katholieken mee, nee, de nieuwe heiligen zijn zij die ons allemaal, het hele mensdom, heil en genezing willen brengen, bevrijding willen aanreiken, vooral in de geest. En je hoeft hen niet eens te zoeken bij de prominente geleerden met universitair gezag, ze zijn onder ons aanwezig, vaak onopvallend, vaak zwijgzaam, maar altijd met een groot hart voor álle mensen, wie ze ook zijn; zulke heiligen zijn onder ons aanwezig met een enkel woord, een tekst of een boekje dat ooit uit het hart was opgestaan en geschreven; zulke heiligen zijn niet veeleisend maar bescheiden, steeds hopend dat hun woord de wereld een beetje mooier, leefbaarder en medemenselijker maakt; dat het bijdraagt aan de vrede. Zo’n stille heilige is ook hij, de schrijver van dit levensechte tafereel, omdat hij in de voor óns alledaagse dingen steeds weer de betekenis van Gods goedheid herkent en durft bevestigen in woord en geschrift dat de volmaaktheid de mens nog niet is gegeven, dat het leven jou pas naar de volmaaktheid kan voeren, als je je inspant in eerlijkheid en mededogen:

  

Binnen is binnen

 

Het lichtbruine paardje staat stil

te wachten in het natte zand, het

zoekt niet naar opwekkend gras

omdat er helemaal geen gras is;

mij ziende hinnikt het lichtjes.

 

Ik heb een half bruin bij me, net iets

over de houdbaarheidsdatum heen,

het zijn zeven sneetjes die hij snel

inslikt, bij boterham vijf stopt hij even,

dan begerig verder, binnen is binnen.

 

Als ik zijn hoofd streel, wendt hij zich

ietwat droevig terzijde, ik herken dat wel:

goed zijn voor jezelf, binnen is binnen, en

de blik afwenden van de andere mens,

de mens die verlangt naar medeleven.

p. Frans Boddeke CSsR

Vandaag ligt mijn vreugde ook in de herhaling van de dagboektekst van 25 april anno 2006. Op deze manier gaat niet alles van wat ik ook toen met liefdevolle moeite heb geschreven, verloren. Wat goed is, blijft staan - voor wie het wil bemediteren.

Dinsdag 25 april 2005. We zijn druk in voorbereiding op de lezing/bijeenkomst van maandagavond in het Augustijns Centrum. We zullen Etty Hillesum naast Augustinus plaatsen en de overeenkomsten in hun gods en levensvisie zoeken. Vanmiddag was het al hoog onderwerp van gesprek bij de zusters dominicanessen. We behandelden in onze bijeenkomst van vanmiddag enkele preken van Huub Oosterhuis uit zijn boek ‘Een geboren vreemdeling’. We ervoeren allemaal hoe diep zijn godsvisie gaat en hoe tastbaar die tevens is voor stervelingen als wij. Oosterhuis is een ware meester, profetisch en dichterlijk, de grootste ziener van ons land, zeg ik wel eens. Hij is sociaal, vredelievend en beschaafd tot in het diepste van zijn ziel. Je leest het, je proeft het, je ervaart het. O, het zijn heerlijke uren met deze groep, telkens weer. Mogen onze heilige leesuren met elkaar nog lang bestaan. Dat hoop ik.

Het is warm. De lente heeft doorgezet, is gekomen en alles staat pal te bloeien in de zon. Kipje & Brokje staan op het balkon, ze kwetteren ter conversatie en hebben er ogenschijnlijk plezier in buiten te zijn. Die twee zijn mijn oogappeltjes. Wel ‘n raar fenomeen: een oude(re) vrouw die geniet van haar vogels en er van harte voor zorgt. Maar ja, zo tussen de nieuwe plantjes en bloemen geplaatst, bij de lavendel en de vergeet-mij-nieten, voor de rozenstruik en naast de sering, geven de 2 een vrolijk en compleet tuinbeeld weer, je wordt er gewoon blij van. Al dit kleine leven bij elkaar gezien, toont een wereldje van liefde en vredigheid. Een mens heeft het mooiere decor broodnodig, ook als herinneringstafereel. Het doet je goed.

Kipje & Brokje op Boudewijns schoen.

Ik wil mijn vrijheid behouden. Mijn hele leven heb ik opgeofferd aan anderen, dat wil ik eventjes niet meer. Het is goed nu bij mezelf te blijven. De zorgen en het gekrakeel waarmee onnutte individuen me eens lastigvielen, wil ik niet meer ondergaan. Ik besef steeds inniger dat elk moment dat nog bestaat, kostbaar is, heel kostbaar. De tijd die nu zou worden opgesoupeerd aan nonsens, onvruchtbaarheid en slechte zorgen is weggegooide tijd, ja, hij zal verdane, verloren tijd zijn. Daarom wil ik vrij zijn, me bevrijd weten. Ik wil geen ketens voelen, geen ijzeren greep meer. Ik wil vrij zijn. Helemaal vrij. En dansen wil ik met wie ik liefheb. Praten met wie ik waardeer. Wandelen met wie ik nog gaan kan. Lachen met wie ik geloof. Reizen met wie met me mee wil. Ze zijn de vrienden van vandaag. Gisteren is voorbij. De vrienden van gisteren ook. En het wuiven ten afscheid hoort bij het leven. Alles wat aan je geschiedt, hoort bij het leven. Het kan mooi zijn en goed. Dan ben je een gelukkig mens, dan is het leven aan jou gelukt. Het kan ernstig zijn en lelijk, dat is te versmaden, maar je kunt het uiteindelijk ten goede keren, dat kun je zelf doen. Het bittere wordt zoet, zei Franciscus van Assisi. En het zoete uit het lijden is van God gekleurd, zeg ik. Omdat je de goede vrucht ervan plukt. Nee, ik hang het lijden niet aan, geenszins, wel de uiteindelijke ommekeer die lijden in je leven teweeg kan brengen. Wat is het menszijn gecompliceerd. Maar zeer de moeite waard.

Sir Paddy in zijn jonge tijd.

Paddy doet mee aan een schoonheidswedstrijd. Nou, voor mij hoeft hij niet mee te doen, hij is vanzelfsprekend de mooiste hond die ik ken. Die dot is áltijd kampioen mooierik. Dat kan niet missen. Kijk ik hem in zijn oogjes, dan smelt ik. Zie ik hem lopen, dan lach ik vanbinnen. Wat is er mooier dan een hondje dat je blij maakt alleen al door er te zijn? Nee, Paddy heeft ongezien gewonnen. Zo is dat. En nu ga ik aan tafel. Mijn maag rammelt. “

 

 

IC 71 --- 22 april 2009

GOD, LEER HET MÍJ

Ik greep vanochtend terug op mijn dagboekarchief. Verrassend was daarin te lezen hoezeer een mens dezelfde wensen behoudt, hoe hij zelf groeit aan de tijd en de dingen en hoe hij desondanks zijn kleinere of grotere gebreken in de communicatieve zin handhaaft; het werd me weer eens bewezen door een terugblik in mijn zelfgeschreven teksten. Dat te ontdekken, geeft een stevige confrontatie met jezelf, met je eigen zwaktes, je eigen falen, je eigen tekortkomingen, met je diepste ziel - of is het je geweten? Wie wil graag onverhuld zijn zondes beschouwen en ze openlijk moeten toegeven? Wie wil niet groeien aan de dingen in het leven, wie wil geen karakter vol van liefde vervullen vooral als het om zichzelf gaat? Ik wel. Maar de spiegel die ik inkeek middels mijn geschriften vertelde me hoe kwetsbaar mensen zijn, hoe broos en breekbaar, vertelde me hoe kostbaar en voorzichtig we met elkaar zullen moeten zijn, jij en ik, wij allemaal en ook vertelde de spiegel me dat ik eerst naar mezelf moet kijken als ik vermanend naar anderen wil zijn. Ik denk dat deze laatste een raszonde is, een raszonde van de mensensoort. Een raszonde die nauwelijks uitgeroeid raakt, een oude zonde die taai geworteld is in onze oergewoontes. Onderstaande tekstjes met de data zijn van anno 2007, ze zijn uit Ine’s Dagboek geplukt, dus uit mijn oude binnenste. Ik koos bewust voor tekstjes van deze dagen in april, ter vergelijking met de sfeer van toen en nú. In de kantlijn teken ik hierbij aan hoe waardevol een dagboek kan zijn als je eerlijk bent, zo eerlijk mogelijk. Je kunt van jezelf veel leren op die manier. Ik zeg altijd: Je eigen innerlijk liegt niet, luister ernaar als je wanhopig bent. Je innerlijk geeft je de weg aan die je moet volgen, je innerlijk laat je nooit in de steek, omdat jij zelf je innerlijk bent. Niemand bedriegt zichzelf.

Zaterdag 21 april. Vandaag stond het halve huis op zijn kop. Het was een raar, nee, een onwennig gezicht. Mijn huis staat nooit op zijn kop, ik kan er niet tegen. Maar vandaag was het anders. Het was al met al zelfs een aangename happening. Je moet toch wel een dikke vriendin zijn als je 114 kilometer verderop iemand gaat helpen met het huishouden, er de ramen gaat zemen en als toegift het balkon schrobt, als je belangeloos die lange rit met je auto maakt, ook nog rozen meebrengt, een chique zomerhoed, een ingelijste foto ter memo én jezelf als de goede fee in de aanbieding hebt. Het was voor mij een ongekend luxe ervaring en ik bezie deze zaterdag dankbaar en als heel bijzonder. De rozen staan te pronken, de ramen blinken me tegemoet en het balkon is een plaatje, ontroerend schoon. Ik heb afknapperig op de bank gelegen, we hebben gebabbeld en naar elkaar geluisterd, we waren ontroerd en dan weer niet. Wat een merkwaardige vriendschap is dat met Sybil. We aten ieder een schaaltje spaghetti, dronken koffie en thee, namen er een madeleintje bij, snoepten ijs met advocaat, nog een enkel paaseitje en de tijd is omgevlogen. Eerlijk gezegd is deze poetsdag voor mij een feestje geworden. Gezellig en gemoedelijk, zelfs vertrouwd. Ik zal er vaak aan terugdenken, met een lach in mijn ziel, omdat er goede mensen bestaan, dat heeft ze onverkort vandaag bewezen, Sybil. Dank je wel.

Donderdag 19 april. Wat wil een mens in zijn leven eigenlijk van de ander verwachten? Waar moet hij zelf aan voldoen om alleen nog maar een béétje sociaal te worden gewaardeerd? Menselijke mentaliteitsvorming wordt vooral gedaan met de ervaringen. Hoe meer goede ervaring je hebt met de mensen om je heen, hoe meer je vertrouwenvol en liefdevol en inspiratievol kunt zijn voor je naaste omgeving. Je zou het wel denken. En toch, er is altijd weer die terugslag, dat onbegrip, die wegwijzing tussen mensen onderling. Dat maakt tranen in je hart, in je hele zielement, maar soms gebeurt het. En wég zijn je rotsvaste geloof, je gevestigde hoop en je onvergankelijke liefde. Wég is alles wat je opbouwde aan goeds, aan heerlijks, aan een beetje hemel op aarde, al was het er nog maar momentsgewijs. Wég?

Welnee. Niks wég! Éven lijkt de bodem weggezakt onder je voeten, éven, maar echt niet langer dan éven. Zo’n dieptemoment van verlatenheid kan eindeloos lijken te zijn, maar is het niet. En dit is evident: bedenk in zo’n leegtemoment dat je nog altijd verder kunt met jezelf, jij bent jouw allerbeste maatje, jouw eigen regelrechte zielsverwant. Jij bent, jij doet, jij leeft jouw leven, niemand anders dan jíj.

Je moet dus nooit jezelf in de steek laten, je moet dus nooit jezelf verlaten. Jij en je ziel, daar gaat het om, jij, uniek en bestaanbaar als je bent, jij mens van lijf en geest. Maak je niet afhankelijk, van niemand, van niets, nooit. Afhankelijkheid maakt mensen zwak, feilbaar, en soms zelfs chantabel. Blijf bij jezelf, blijf in schoonheid bij jezelf, daar gaat het om.

Maar het is waar, érgens moet jij je goede inspiratie uit kunnen blijven putten om niet teloor te gaan aan zo’n onomkeerbare teleurstelling. Érgens moet je je gestaafd weten in jouw menszijn, in jouw persoonlijkheid. Érgens moet je je in je menselijke waardigheid bevestigd weten: vooral door wie mét jou gaat of met jou wil gaan. Maar dat is vaak het punt niet. Je directe medemens kent jou door en door, aanvaardt jou, bevestigt jou - als er tenminste een directe medemens ís. En zo niet, dan nog niet gewanhoopt. Meestal is er immers wel ergens iemand die jou herkent, die inhaakt op jouw visie, die zich met jouw persoon en jouw gedrag getroost weet. Die jou troosten kan. Meestal wel.

Ik bid vandaag: God, zegen de eenzamen. God, teken in hun harten jouw milde hart. God, draag allen voorbij de leegte. God, maak de mensheid wegwijs in rustige empathie. God, doe iets. God, doe iets. God, leer ons allen iets te doen, iets heiligs te doen voor elkaar. God, leer ons te leven met elkaar. God, leer ons verstaanbaar te leven met elkaar. Twee jaar na de publicatie van deze eenvoudige tekst voeg ik er met heel mijn hart aan toe: God, leer het míj. Amen.

 

 

IC 70 --- 20 april 2009

WOEDEND

Vannacht kwam ik nog even mijn bed uit omdat ik té wakker was. Zodoende klikte ik de televisie aan en viel binnen bij Buitenhof. De eerder in de tijd nog nieuw-katholieke Désanne van Brederode werd op dat moment aangekondigd ter intellectueel vermaak en zij las haar column voor, welke zij exclusief voor Buitenhof had mogen schrijven. Als ik Désanne hoor, zie of ontmoet, geraak ik steeds weer een weinig verbaasd, op zijn minst. Désanne is het typische voorbeeld voor de verschijning van dezulke onsympathieke medeburgers onder ons; ook bij de intelligentsia scoort zij mijns inziens niet hoog als de ware vriendin, ik denk het maar vanuit een bepaald invoelen. Ik vind haar niet aardig, maar wel verwaand. Die onaardigheid en die verwaandheid komen doorgaans sterk in haar schrijfwerkjes naar buiten; je ervaart als het ware een scherpe ziel die niet gauw warm loopt voor iemand anders, zeker niet voor de gewone man. Het mag van mij, maar het prikkelt wel mijn sociaal-christelijke inslag tot grote ergernis aan toe; ik word er dus eventjes negatief van. Zij bevocht op dat moment in het programma Buitenhof haar vrijheid, die niet bestaat in Nederland, volgens haar. Zij was zeer ontstemd geraakt doordat een onbekende man haar wellicht lachend erop attent maakte dat ze nogal dik aangekleed was terwijl de zon warm scheen. Zelf was de man gebruind en droeg aan het weer aangepast een zomerse outfit. Désanne ervoer dit al zeulende met haar boodschappen, dus terwijl zij vrijmoedig als intellectueel burgeres over straat ging. Het was een aanval op haar vrijheid, vond zij. Nee erger, het was een ware dictatuur. Wij lijden aan de dictatuur van het weer, had zij bedacht, en ze verdedigde haar wens, iets anders was het niet, om het mooie weer niet mooi te hoeven vinden, zoals elke burger dat wél doet, maar zij niet - wat denken ze wel? Désanne zal nooit en niets en niemand klakkeloos volgen; een goed begrip, dat doet geen enkel weldenkend mens. Zij had daarom dus diep gegraven in haar eigen klimatologische gevoelen en schreeuwde het, zij het ingehouden, bijna uit hoe mooi de herfst wel was met zijn woestenij en kilte, zijn stormen en regens en wat al meer; en de winter, de kou, dat is pas leven, dat is pas voelen dat je bestaat, dat is pas mooi, echt mooi. Het zomerweer mooi weer noemen, was ál te burgerlijk gekleurd, zij doet er niet aan mee. En op zulke confronterende momenten, die zij vaker aanhangt, vraag ik me af: hoe komt zij aan al die woede? Want Désanne is een woedend mens. Ik moet zeggen dat schrijfster Désanne van Brederode een aangepaste uitstraling tentoonspreidt als het om de inhoud van haar columns gaat; ik las meer van haar, alsook haar boeken. Opvallend is dat ze niet alleen een scherpe mening heeft, maar ook een scherp getekend gezicht, een scherpe oogopslag, een scherpe mondlijn, een scherpe haardracht, een scherp figuur zelfs. Kortom: in mijn intussen toch wel ervaren optiek beheerst Désanne in bijna alles wat zij het publiek biedt de volkomen scherpte aan. Daarbij is ze, denk ik, volkomen zichzelf. Best boeiend is het, wat ze opriep bij mij, terwijl ik in alle eenvoud uit mijn bed gekomen was om nog even wakker naar haar te kijken; een scherpe toevalligheid. Ik dacht te merken dat het publiek, maar ook de presentator van Buitenhof, haar vrijzinnige weersignalen met enige beduusdheid ondergingen. Natuurlijk is dit mijn private vertaling, mijn eigen summiere kijk op wat ik van Désanne van Brederode heb gezien, gelezen en ervaren. Wie dus de precieze Buitenhofse column van haar wil bekijken en beluisteren, moet even naar http://www.tvopjepc.nl/programma/39 gaan. Je kunt ook bij Google intypen met ‘programma Buitenhof’. Maar het is vrijblijvend, ik doe nergens aan dictatuur.  

 

IC 69 – 18 april 2009

Wat is ‘eenzaam’?

Iemand vroeg me vandaag: Wat is ‘eenzaam’? Dat zette me weer eens aan het denken over dit onderwerp, het houdt me vaker bezig; ik schreef er al eens over in de digitale columns en in het dito dagboek. Je hoort vaak vertellen dat mensen eenzaam zijn, je voelt jezelf wel eens eenzaam, en soms stel je zelfs radicaal bij een opkomend gevoel van verlatenheid: ik ben eenzaam. Maar wat is de precieze definitie van het woordje ‘eenzaam’? Wat zeg je als je zegt dat je eenzaam bent? Van Dale geeft in de uitleg onder andere dit: ‘zonder gezelschap of ver van anderen verwijderd’.  Vervolgens zegt J. van Nijlen in van Dale: <De mens is eenzaam tot en met zijn dood. Nooit is één liefde, nooit één vriendschap klaar. En, Zelfs geboren uit dezelfde schoot, Zijn wij nog vreemden voor elkaar.> Ja. Van Nijlen heeft gelijk. Eenzaam ben je altijd. Je moet het leven zelf doen. Je moet de dingen zelf klaren. Je moet je lot zelf aanvaarden. Je lacht zelf je lach en je huilt zelf je tranen, en doodgaan doe je ook alleen, geen mens kan het van je overnemen. En je broers en je zussen <zelfs geboren uit dezelfde schoot> overkomt hetzelfde, ook zij ondergaan het leven alleen, eenzaam. Alleen zul je zijn, zelfs als je als gezin met tienen aan één tafel zit. Eenzaam, en alleen. Gelukkig maar, want als die eenzaamheid, dat alleen zijn, niet zou bestaan, zou iedereen je gedachten kunnen lezen, weten waar je naar kijkt, verlangt, weten wie je ten diepste bent, wég zou je uniciteit zijn, je identiteit, je ware zelf. Dat denk ik. Maar ik denk ook dat van Dale een beetje tekortschiet met de uitleg, ik had meer definitie verwacht bij het woord ‘eenzaam’. Te missen valt bijvoorbeeld het pijnlijke aspect dat bij ‘eenzaam’ past, ofschoon de uitleg verderop: ‘een eenzaam gevecht, een eenzame strijd’ en ‘eenzaam achterblijven’, al dichterbij het menselijke hartzeer komt als het om eenzaamheid gaat. Trefzeker, bij een bepaalde eenzaamheid, zijn de woorden van Vasalis: ‘Niet het scheiden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn.’ Want afgesneden zijn, dat is eenzaam zijn. Er niet meer bij kunnen, de onbereikbaarheid, dat is pijnlijk eenzaam zijn. En als je jezelf verliest, dan ben je eenzaam. Wie zichzelf kwijt is, is alles kwijt. Wie geen vriendschap sluit met zichzelf is een eenzame, arme donder, al zijn er honderd rijke mensen in de buurt. Het gaat in het leven niet zozeer om ‘eenzaam, en alleen’, het gaat eerder om de tevredenheid met jezelf, een tevredenheid die eenzaamheid niet oplost maar haar wel hanteerbaar houdt. Jij bent jij, en je hebt je glimlach. Ik ben ik, en ik heb mijn vreugde(s). Het is de hartelijke wisselwerking tussen mensen die de eenzaamheid verzoet, het leven veraangenaamt voor het moment, want hoe vluchtig is alles en alles wel niet? Dat ijltempo maakt tegelijkertijd dat die levenslange eenzaamheid in onze ziel net zo vluchtig is als al het andere dat aan ons gebeurt, want wij beleven elk moment iets anders in ons diepe binnenste - juist doordat we waarnemen, zien, horen, ruiken, voelen, proeven, tasten. Al zijn we allemaal van dezelfde strekking, al zijn we eenzaam zoals elke eenling op aarde dat is, het is helemaal goed - mits je vriendschap sluit met datgene wat jou in je dagen overkomt. Dit verklaarde A. bij haar vraag: Wat is geluk? Wat is eenzaam?/ Alles wat gebeurt doet het Leven met ons,/ en er zijn dingen waar ik me bij neer moet leggen,/ ik verander wat ik kan,/ ik ben blij zover ik kan/ en ik accepteer wat is en wat niet is.../ Dat is, denk ik, de ware wijsheid voor elke nieuwe dag.

 

IC 68 – 13 april 2009.

MENSEN & WENSEN

Je kunt al je wensen poneren in je dagboek, in je familie, in je vriendenkring, in het mariale of een ander intentiegeschrift in kerken en kapellen, het helpt niet. Soms staat er wel geschreven: Dank voor de redding, of: Ik ben verhoord, dank u wel, zoiets dan, maar het klopt gewoon niet. Als een mens ergens van geneest, is dat door een natuurlijk proces, soms zelfs door doodgewoon rust te nemen of een vorm van onbekommerdheid te ondergaan. Er komt geen goddelijk element aan te pas bij een genezing, je mag het wel hopen, maar de hemel zwijgt als het om een genezing gaat. Mensen vergeten vaak dat een genezing in henzelf zit, dat die niet door anderen van buitenaf kan worden opgeroepen of getoverd, als het ware. Er is de reguliere artsenij die ons bijstaat te genezen als het nodig én mogelijk is en daar moet een mens dan op vertrouwen. Ik denk uit ervaring dat het zó is en niet anders. We vergeten in onze verwendheid graag en snel dat we worden omgeven met de wonderen van alledag, in het klein en in het groot; ze zijn in de natuur om ons heen en in alles wat de mens intussen heeft uitgevonden, in het dagelijkse leven tussen mensen, in je huis, in je tuin, misschien op je balkonnetje, maar de wonderen zijn niet te tellen, zoveel. Mijn verstand staat bijna stil - bijvoorbeeld - als ik het wonder overdenk dat computer heet; of bij het wonder dat telefonie of fotocamera heet; bij het wonder van de raket, het vliegtuig, de trein en ga zo maar door, overal vind je een en al wonder, en dan sta ik vandaag nog niet eens stil bij de geboorte van kinderen en allerlei schepselen op de hele aarde: alles gonst van wonderen te over. Kijk, en dan ben ik verrast als mensen gaan bidden om het wonder van de genezing: hebben wij, mensen, dan nog niet genoeg aan wonder in ons leven ontvangen? Je kunt heel menselijk ook berusten in je lot, het lot dat van de natuur gegeven is. Mensen worden geboren en mensen gaan dood, en niet alleen mensen, alles om ons heen en verder weg: het komt en het gaat, er is altijd een einde. Natuurlijk wil ik beter worden als ik ziek ben, en natuurlijk stijgen er gebeden op naar ergens hogerop om beterschap en bijstand; maar toch, toch moeten we het dán vooral hebben van elkaar, van de mens die zich om ons bekommert, die meelijdt, ons vasthoudt in de benauwenis van ziekte en machteloos lijden. Ik denk dat een mens moet leren aanvaarden, ik denk ook dat de schoonheid van de lotsaanvaarding krachtiger is dan de genezing op dat moment. Maar ik weet ook dat er vele manieren van lijden bestaan, en dat het allemaal gemakkelijk is gezegd en geschreven: ieder voelt zijn lijden ten diepste, niemand kan het overnemen, er bestaat geen plaatsvervangend lijden, al wordt dat in bepaalde vrome kringen wel gesuggereerd. Je moet je lijdensweg zelf doen. Je moet je leven zelf leven en daar hoort de vreugde en het lijden bij. Enfin. Ik maak me maar niet druk met mezelf hier met dit geschrift te troosten, morgen moet ik mijn beste medemens weer eens begeleiden en bijstaan in de polikliniek van het ziekenhuis, geloof me gerust, ik zal gebedjes bidden en ze naar de hemel zenden, ik geloof in God, en verder laat ik het wonder bestaan van de artsen en de medische middelen om de zieke mens te helpen beter te worden. Wat het lot ook bepaalt: God is goed en het leven ook.

 

IC 67 – 8 april 2009

Allemaal bloemen en een hond

In een reactie aan Ank schreef ik vannacht op haar weblog het volgende:

© Ank. 24 maart 2009

http://cirkel-der-natuur.skynetblogs.be

Allemaal bloemen en tussen de bomen een hond. Schitterend! Ik was een beetje down omdat mijn trouwe vriend een prachtige bos rode ranonkels voor me had gekocht, maar ik twijfelde toen ik ze van dichtbij bekeek. En ja hoor, ze vielen zienderogen uit terwijl ze nog in het doorschijnende papier zaten. Ik vond het zo erg voor hém. Ben naar de winkel gesneld terwijl mijn eten op het vuur stond. En dan zegt de juffrouw: ‘Net was dat nog niet. Ik heb ze zelf ingepakt.’ Ik zeg: ‘Als u nou eens toegeeft dat ze gewoon oud zijn, kijk eens naar de gele steeltjes!’ Zegt ze hardnekkig: ‘U krijgt uw geld terug. Maar net was het nog niet.’ Ik weer: ‘Ik kan niet toveren, hoor, en mijnheer ook niet.’ Ik was er moe en teleurgesteld van. Dus lieve Ank, je bloemen doen wonderen, ze functioneren als hoge troost in het late uur. En Lara ook, de lieverd. En jij, natuurlijk. Dank je wel!

© Ank. 3 april 2009

Bij de foto: hondje Lara tijdens een van de dagelijkse wandelingen. Plons, het water in! Is het geen snoes, die hond? Dit en nog méér is te zien op de weblog(s) van Ank, http://cirkel-der-natuur.skynetblogs.be.


 

IC 66 – 6 april 2009.

DAGBOEKGEZWAM & HOGE SCHOONHEID

Een kunstschilder vertelt met lijnen en kleuren wat zijn ziel beweegt, schilderen is zijn vertaling van de dingen van het leven; het resultaat van zijn emoties wordt een pronkstuk of een pakkend beeld dat mensen ontroert, meesleept of niet. Een schrijver legt met woorden uit wat hem beroert, tekent met de pen de dingen van het leven op of verslaat wat hij ziet gebeuren; emotioneel en rationeel voegt hij waarden toe in de herkenbaarheid en steeds tot vreugde, of tot afkeer, van zijn lezers. Ik bedoel dat een kunstenaar zijn ziel laat zien, onbeschroomd en zonder bangheid voor een oordeel van de anderen. Dat kan niet iedereen, al wil menigeen het publiek bereiken met wat hem bezighoudt; die foute pogingen iets te berde te brengen, zijn overal te vinden.

Als je iemand iets wilt vertellen, moet het item de hoorders aanspreken, boeien, raken. Als je een - publiek - dagboek schrijft, laat je zulke regels over een bezoek aan de tandarts of over een zere kies die er nodig uit moet, weg. Het maakt jou als verteller nietszeggend, onbenullig, klein, want wie in het hele land boeit het dat jij (nog) niet aan een tandprothese wilt? Zulke zijn notities die de alledaagsheid in menselijk opzicht bevestigen en waar niemand iets aan heeft, ook jij niet. Je toont ermee aan dat je niet veel innerlijks te melden hebt, dat je ziel leeg is en je denken beheerst wordt door onbenulligheden, meer niet. Ik denk dat de buitenkant er voor veel mensen ernstig toe doet; dat het innerlijk gewoon niet vruchtbaar is, omdat men het, door het knellende belang van de uiterlijkheid, niet kan bereiken. Ik bedoel dus dat men bezig is met akkevietjes, met kijk-mij-eens, met druk-druk-druk, met veel-veel-veel, en daardoor krijgt de ziel geen kans en wordt het resultaat vervelend. Ik kom vaak zulke teksten tegen, bijvoorbeeld hier en daar op Hyves, en ik betreur het in hoge mate. Laat je zien, mens, toon je ziel, anders lees ik je niet, denk ik dan. Maar er zijn ook mensen die dagboeken op weblogs maken om te zoenen. Ik weet zulke beminnenswaardige rasartiesten en wil hun innerlijke schoonheid aan mijn lezers meegeven, omdat het jammer zou zijn als men eraan voorbijgaat uit onwetendheid.

http://cirkel-der-natuur.skynetblogs.be

http://samen-onderweg.skynetblogs.be

http://weblog-ank.skynetblogs.be

Wie in de alledaagsheid zulke schoonheid weet te zien en weet weer te geven, is volgens mij van de hemel gezonden. Nooit heb ik iemand ontmoet met deze vorm van gevende liefde als de maakster van deze weblogs, samen met haar weblogcompagnon. Ik kan dit schoons niet voor mezelf houden en nodig iedereen uit ervan mee te genieten, het is zó de moeite waard. Zo zie je dat er allerlei mensen bestaan: er is de gevende en de nemende mens. Wie het zelf niet kan maken, moet het ook niet doen, die laat het aan anderen over en mag vervolgens gerust genieten van al het schoons dat de ware kunstenaar aanreikt. Ieder heeft zo zijn eigen talenten.

 

 

 

IC65 – 31 maart 2009

MERKWAARDIG

Soms is een gebeurtenis merkwaardig genoeg om op te tekenen. Zoals deze. Het gebeurde in de morgen van 28 maart 2009 dat we naar Neerlangel reden. Ik was jarig en er zou geen bezoek komen, we konden dus rustig uitgaan. In het piepkleine gehucht nabij Ravenstein aan de Maas wist ik, via KRO-Kruispunt, een antiek kerkje te vinden en eenmaal daar gearriveerd, geraakten we bij het binnengaan ervan hooglijk verrast: het interieur is door en door katholiek - en uitermate oud in alles, belegen als het katholicisme zelf. Maar klein en oud als het kerkje is, biedt het nostalgische waarden, we waanden ons terug in de tijd. Ik had me gesetteld in een der grauwe kerkbanken, maar een gebedje wilde niet lukken, ik kwam nog niet tot innerlijkheid. We keken rond. Ik zocht expliciet het tabernakel maar vond slechts boven het significante altaar een merkwaardige constructie van een roodbruin kastje - of was het ook dát niet? Ik las: Ecce Agnus Dei. Het kerkje is genoemd naar Johannes de Doper. Je vindt de ascetische heilige ter linkerzijde aan de muur, compleet met lam en kemelharen doek. Latijnse spreuken over God staan sierlijk her en der ter lezing; het Latijn is de heilige geheimtaal van de prelaten in de kerk van Rome, nog steeds.

Mijn metgezel klom de primitieve trap op naar het koor. Toen hoorde ik hem zingen, zijn gouden stem was mooi en vol en duidelijk:

Pater noster, qui es in caelis, sanctificetur Nomen tuum.
Ad veniat regnum tuum.
Fiat voluntas tua,
sicut in caelo et in terra.
Panem nostrum quotidianum da nobis hodie,
et dimitte nobis debita nostra
sicut et nos dimittimus debitoribus nostris.
Et ne nos inducas in tentationem,
sed libera nos a malo.

Ik ging mee met zijn zang en samen zongen we voluit het paternoster. Wat een genade! Het was een merkwaardig hemels moment dat aan deze 28ste maart, voor mij althans, een gouden rand gaf. Ik zag dat ik een kaarsje kon aansteken en deed het ook. Er brandde toen een drietal kaarsen bij een stenen beeld met katholieke kleuren van roze en blauw en robijnrood. Merkwaardig toch dat mensen kaarsjes branden bij stenen beelden, of bij houten of bronzen, of bij kunstige poppen van stof, zoals in de kersttijd. Merkwaardig maar begrijpelijk, we zoeken immers contact met de hemel. En al werkt onze ratio optimaal, we blijven die kaarsjes doen.

(Erg zijn de griezelige relikwieën in de kerken, vooral in Beieren, in Oostenrijk, in ons eigen Limburg en waar nog meer in de katholieke contreien; ik bedoel die relikwieën van skeletjes, uch, ik moet er niet aan denken, al die botjes en zelfs doodshoofdjes, al die akelige, opgebaarde lijfjes achter glaswand in kerk of abdij; naar mijn gevoel een beetje té merkwaardig. Ik heb dat morbide item in de Roomse cultuur nooit begrepen. Dit even terzijde van ons schone bezoek aan Neerlangels pronkstuk.)

We vertrokken node, ik wel. Denkelijk omdat het oude kind in jouw ziel geen afscheid nemen wil van iets wat het onverhoeds terugvindt. Buitengekomen zag ik ter rechterzijde een miniem kerkhofje met een handvol graven, geen antieke maar eigentijdse; heel merkwaardig, vond ik. Hoeveel inwoners heeft Neerlangel dan wel? Zij zijn als parochianen toch rechtstreeks verbonden met de Luciakerk in het aangrenzende Deursen en Dennenburg? Het mogen wensgraven zijn, dacht ik: de laatste rustplaats van iemand die zijn hart had verpand aan dit unieke stukje Brabant.

Thuisgekomen werd ik opgebeld. Door dat gesprek arriveerden we twee dagen later in het Nijmeegse Casa Nova, pelgrimshuis en verzamelplaats van katholieken uit de oude doos. We hebben er onze protestante vriendin begroet. Daarover vertel ik een andere keer. Al met al leuk en merkwaardig.

 

  

IC64 – 24 maart 2009

ZO GAAT DAT

Toen we jong waren, was onze moeder oud, en onze vader ook. Nu we oud zijn, was onze moeder jong, en onze vader ook. Die oude vrouw destijds van vijfenveertig was een blomme in haar jaren, we wisten het niet, en die oude man van bijna vijftig was een charmante heer met nog een bezield leven in het verschiet. We wisten het niet. Ook wisten we niet dat de tijd ons zou inhalen op den duur, en dat die twee zorgzame mensen in hun stellingen heel veel gelijk zouden gaan krijgen, achteraf. Al kon je het niet bevatten, nog niet.

Toen we jong waren, kon de tijd niet op. Wie telde zijn jonge jaren niet gehaast naar de volwassenheid toe? Ik wel. Want de toekomst, die lokte en lonkte met duizend beloftes van tijd en ruimte en vrij zijn, met dromerijen van liefde, geluk en het leven perfect; met plannen van alles anders zullen doen, anders dan zij, ja, dat dachten we toen. Wie niet?

Die dromen en denkbeelden en al die verwachtingen van toentertijd liggen allang achter ons, het ongelukkig zijn door de onbegrepenheid ook. Als een lange speelfilm heeft het leven zich intussen aan je gemoed en ratio ontrold; hoe ouder je wordt, hoe scherper de beelden zijn en hoe meer je begrijpt - vooral van die twee die toen in jouw ogen al heel oud waren, en nu weer jong, jonger zelfs, omdat je van hun leeftijd geworden bent, soms zelfs bent voorbijgegaan. Herman van Veen zei op een keer dat alles in de tijd hetzelfde was, ook de mensen en hun kinderen, helemaal hetzelfde, alleen met andere namen. Alles treedt in elkaars voetspoor, geen mens wijkt af; de liefde zal altijd om te huilen zijn en het verdriet zal dragelijk blijken. Het is de cirkel van het leven, die ik zo vaak en graag beschrijf. Het is fijn, mínstens fijn, om op die manier te weten, te voelen en te ervaren wie je ouders zijn geweest in hun tijd: precies als jij en jij en jij, precies als ik en wij, en echt niet anders, niet beter, niet hoger, niet lager, niet liever, niet kwader; ieder had zijn plus en min, méér plus dan min, want zo is het ook wel weer als je achterom kijkt naar wie van jou zijn geweest. De scherpe kantjes van ooit en toen zullen altijd slijten, gelukkig wel. Het betere blijft over, met het begrip, het inzicht en de onvoorwaardelijke vergeving. Zo gaat dat met de herinnering en met het hele leven. Dat besef je later, als je die twee oudjes van toen (bijna) hebt ingehaald.

 

 

IC63—18 maart 2009.

GRAVE IN DE ZON

Die ondergaande zon pakt me telkens weer in. Wat is het altijd oogstrelend mooi aan de hemel als de avond valt. Het geeft een uniek gevoel: van ruimte in de verte, van hoge beloftes, van een onbekend, mystiek terrein voor de vorsende mensen die we zijn. Het is bij deze lichtval alsof de wereld hier ingetogen ophoudt met bezig zijn maar ergens voorbij de einder monter wakker verdergaat. Dat is ook zo; en dat maakt alles nog mooier dan het al is voor het oog van ons, hunkerende mensen. O wondere wereld. O pakkende aarde. O schitterende stelsels. O heerlijke wezens. O leven op aarde, wat ben je mooi.

En dan was er de zon vandaag; de hele, lange dag, toen ze nog aan de hemel stond te stralen als een reuzendiamant. Gisteren was het zonlicht nog wat aarzelend geweest, maar vandaag was het gesetteld, alsof het lente was. Ze liet zich zien, ze liet zich voelen, ze liet zich gelden als een godin. Ze zorgde voor vreugde op ieders gezicht; sommige ervan waren intussen op verveeld gaan staan door de lange winter. ‘Ik voel me zo fit,’ zei Nathalie van De Gouden Leeuw, ‘en het komt door het zonnetje van vandaag.’ Haar terras stroomde vol met mensen van allerlei slag: kunstenaars en boeren, burgers en wij, het zat daar allemaal op de Markt in de zon bijeengeschaard, en iedereen oogde blij, tevreden en heel erg rijk.

Ik miste Annelies. Ze was altijd significant aanwezig in die Graafsche kroeg. Ik miste haar zeer. Vanaf het terras keek ik op haar huis. Het stond daar nog precies als toen ze er woonde en de zon maakte, op dat moment, van de witte hoge muur haast een schilderij. Ik zag haar in gedachten weer sjokken, voortbewegen, of hoe deed ze dat? Ze had altijd iets wankels, of was dat de drank? Ik zag haar dus gaan zoals toen. Ik dacht aan die twee haffels walnoten die ze ons en passant eens gaf: van thuis! Een gebaar waarmee ze de zon voor ons schiep. Ach Annelies. Wie denkt nog aan haar? De kunstschilders op het caféterras hadden het druk met hun gesnoef: iemand was op reis geweest, had deze winter Malaga aangedaan, vermoedelijk om zijn schilderijen te verkopen aan de zonzoekende wintertoerist. Maar het was er koud geweest, zei hij, met akelige weersomstandigheden, met veel storm ook. En hij schilderde met woorden hoe hij had geleden in het land dat warm had moeten zijn toen hij er was. De zon had zich schuilgehouden. Dat doet ze gerust, ook al wordt er op haar gerekend in alle talen. Hij moet Annelies ook hebben gekend, dacht ik, heel die kunstclub moet haar hebben gekend, al was het alleen maar van de vrijdagse kroegsociëteit Keek op de Week. Zou iemand haar missen? dacht ik. Zij, die kleine ruige zon, dat straaltje dondersteen dat altijd goudeerlijk scheen voor wie haar ontmoette, zou zij nog ergens in iemands hart een beetje voortbestaan?

Toen we naar huis gingen, scheen nog altijd de zon, maar er was nu veel schaduw in het stadje door het tijdstip van de late namiddag. Eenmaal thuis mocht ik haar zien ondergaan, de zon, en ik ervoer haar toen zoals ik heb beschreven. O, we hebben het goed gehad, vandaag, heel goed. We hebben genoten van het beste, het betere. We hebben genoten van elkaar en de mensen om ons heen. We hebben de Zon ontmoet.

 

IC62 -- 17 maart 2009.

VANNACHT

Het is een lange nacht als je de slaap niet kunt vatten. Er is ook niks áán als je de slaap niet kunt vatten. Het gebeurt me van tijd tot tijd. Ook vannacht. Het ligt aan het denken, denk ik. Als je blijft denken terwijl je je hoofd hebt neergelegd om de slaap te vatten, ga je in zee met je gedachten en je slaapt niet. En weet je wat het is? Als je piekert in de nacht tekent alles zich aan betekenis scherper af in je beleving dan het in werkelijkheid is. Ook ga je van alles erbij slepen aan treurnis en zieligheid, want je bent nog maar een heel klein wezen als je in je eentje in bed ligt te piekeren over van  alles en nog wat - van vroeger en nu. Want daar gaat het vaak over als je denkt in de nacht, over toen en toen, over die en die, over ach en wee, over akelig onrecht. O ja, wat is het druk in je hoofd als je denkt in de nacht; ik denk dat het heel hard werken is, een pittige arbeid. Dus je rust niet uit terwijl je hele wezen erom vraagt. Je werkt je mentaal wél een ongeluk aan al die dingen die voorbij zijn, want is alles wat was niet allang verleden tijd? En je roept de onrust op, jaagt je hoofd en je hart op hol op een foute manier - want je haalt het verleden naar je toe: menslief, laat het rusten! Wat haalt al dat gepieker uit, al dat geijsbeer in je vermoeide brein? Nacht gibt nur nebel, als je niet oppast. Terwijl de nacht je juist door de rust en de slaap klaarheid zou moeten brengen om straks helder wakker te kunnen zijn: nieuwe energie, nieuwe dag, nieuw leven. Zonde van de tijd, al dat slapeloze drukdoen. Nutteloos ook. ‘s Morgens kom je geheid tot de slotsom dat de somberte in het leven wel meevalt, dat het allemaal niet zo loodzwaar is als je ‘s nachts vermoedde, dat het vroeger nog zo slecht niet was, dat de zondaars die je overdacht in je gepieker wel meevallen, dat ze net als jij weet hebben van de dingen in het leven; dat ze evenveel mens zijn als jij, en evenveel ziel. Ieder draagt zijn eigen verantwoordelijkheid. Jij en ik, wij allemaal.

Zo is het me vaak overkomen. Maar even vaak heb ik de wakkere nachten benut om diepe teksten te schrijven en gedichten te maken; om God te loven en te danken omdat ik zijn mens mag zijn, ooit het leven heb gekregen en de wereld mocht leren kennen met de mensen die me in de loop der tijd zo ontzettend lief geworden zijn.

03.47 uur – 04.33 uur.

 

IC61—11 maart 2009.

DE BRUG

Tot een jaar of tien geleden raakte ik in de auto bij het naderen van een grote brug in paniek; ongekend leed was dat, alsof je gevangen zat in je eigen angsten, waardoor je niet meer verder kon rijden, maar desondanks wel verder móést, omdat je deelneemt aan het verkeer en onverkort de veiligheid in acht zult nemen. Het waren barre tijden, met angsten leven is ondoenlijk, met angsten aan het verkeer deelnemen zéker ook. Het euvel ging goddank voorbij. Maar elke keer nog bij het naderen van een grote brug denk ik eraan terug, aan hoe loodzwaar het was en hoe onverantwoord om met die angst in het verkeer onderweg te zijn. Eind goed, al goed. Uiteindelijk groei je over je angsten heen, je groeit door al je complexen heen, je legt je kind-zijn af, je wordt volwassen(er), wijzer, rustiger; en je bent stabiel. Alles op zijn tijd, denk ik, je bent nooit ineens volgroeid. Soms ook heb je begeleiding nodig of een geschikt medicijn dat je verder helpt. Het is allemaal heel menselijk en herkenbaar; we zijn divers in aanleg en structuur, maar ook tamelijk gelijk in de dingen van het leven, de levensbehoeften en perikelen zijn vaak eensluidend. Het is de kunst er goed mee om te gaan, zodat je niet stagneert maar te allen tijde verder kunt met je leven, hoe dan ook.

Tegenwoordig geniet ik ervan om over een grote brug te rijden. De brug over de Maas bij Grave, bijvoorbeeld, is een vrolijke brug, de brug over de Waal bij Zaltbommel is een sensationele brug en de brug over de Rijn bij Emmerich is een mystieke brug om per auto overheen te gaan. Maar de Waalbrug bij Nijmegen spant in herinnering voor mij de kroon. Hierom. We waren op een rustige dag in februari naar Lent gereden, we wilden eens gaan zien hoe Lent zou zijn, de kerk en de gemeente, de dorpskern en de mensen. We reden daarom over de historische Waalbrug, sensationeel, want iemand met een sterk innerlijk beleeft de geschiedenis van zo’n brug, het verleden zindert na, en we spraken over de oorlog en de strijd die daar had gewoed. Onder ons stroomde de machtige Waal, prachtig tekende het robuuste watervlak zich tussen wallen, dijken en uiterwaarden af. O, wat mooi. Toen reden we Lent binnen. Weinig sfeer op het eerste gezicht, en toch. We parkeerden de auto, haalden gemakshalve levensmiddelen in de supermarkt en bij de winkel van het bakkertje was de verleiding te groot. Verrukkelijke taartkoeken met karamel en dikke noten erop kocht ik er, en wegge, volgepropt met krenten en rozijnen; geen gierigheid bij de bakker in Lent. ‘Woont u in Lent?’ vroeg de bakkersvrouw. ‘Nee hoor,’ zeiden we terug. ‘O, bent u van over de brug?’ hield ze aan.

Ik voelde me ineens een beetje schuldig, alsof ik iets fout had gedaan. ‘Jazeker, we zijn van over de brug. Maar dat is toch ook nog een stukje Lent?’ schertste mijn metgezel.

‘Laat dat maar niet horen aan een echte Lentenaar!’ riep het mevrouwtje uit, ‘dat zou een heel dispuut worden, mijnheer!’ Toen volgde een rappe uitleg over de laatste veranderingen in Lent, de onherkenbaarheid van het oude dorp, de neergang voor de rozenkwekers door de komst van het grote kapitaal en over de kredietcrisis: ‘Er staat nog heel wat te gebeuren, we krijgen het nog zwaar!’ ‘Zou het?’ zei ik en wilde nu graag verdergaan. Maar ze had het Lentenaarschap in haar bloed en zou dat uiten ook: ‘Op de hoek aan de overkant ging je linksom en dáár stond mijn geboortehuis. Wég is het! Niks meer van terug te vinden! Alles is asfalt geworden en grote weg. Auto’s, auto’s, auto’s, de hele dag door en ’s nachts ook.’ ‘Die gebakjes met noten, wat is het procédé precies?’ vroeg ik. ‘Het is het lekkerste wat we hebben, mevrouw, echt waar.’ Ik zou het later thuis nog wel uitvinden; en zeker wat de smaak betreft, had ze groot gelijk.

In Het Witte Huis, op de andere hoek, dronken we koffie. We keken uit op de brug. Die brug van oude angst en nieuwe vreugde. Het leven wordt een genot als je een nijpende angst de baas bent, als je gerust op weg kunt gaan, als je onbekommerd een brug neemt. En dit: je komt nog eens typerend volkje tegen en je ervaart nog eens iets anders, zoals het lichte natrillen van oude folklore en gewoontes, het verre geluid van hetzes en strijd, de ingehouden nagalm van volksgeschil en chauvinisme. Och, het is overal hetzelfde, dat was toen en dat is nu, mensen verdedigen hun eigen grond, hun eigen stek; hun afkomst, hun herkennen, hun veilig-voelen. Het blijft te allen tijde oost, west, thuis best. Om dat te herontdekken, ga je graag ‘ns over de brug. Ik tegenwoordig gelukkig wel.

 

IC60 – 7 maart 2009.

MENTALIST

Mentalisten zijn de moderne tovenaars, de ijdele hocus-pocus van onze tijd. Ik zag de Uri-Gellershow en huiverde; de griezeligheden overstegen elkaar. In mijn boek Van mensen onderweg - met Geloof, Hoop en Vrede schreef ik verkort mijn visie neer op hedendaagse en klassieke tovenaars; en ik schreef over de esoterische opgang in alle gelederen van kerk en maatschappij. Esoterische waarden zijn kennelijk een sterke behoefte van mensen, ze weten vermoedelijk met hun religieuze aanleg niet goed raad. Zo snel als de waarde van de Kerk neerwaarts duikelt, zo hard baant de tovenarij zich een weg naar de religieuze top. Het is onmiskenbaar een hype.

Ik zag een prachtig meisje, Yelle, meedoen aan die SBS 6 mentalistenshow. Ze dong naar de eerste plaats, waarmee ze de nieuwe Uri-Geller zou heten, en ze won. Het meisje deed haar act in bijzijn van haar vader, een man aan wie je het tovenaarschap kon aflezen. Maar wat een mooi kind. Met ogen als vijverspiegels. Een jong heksje in de dop. Of toch niet. Ze is de nieuwe Uri-Geller. Onze beste Nederlandse mentalist - wel een verhullend woord. We zullen nog veel van haar horen, denk ik. Hopelijk niet in de trend van de blauwe kol Jomanda. Hoewel, dit kind is anders, dit jonge mentalistentalent oogde vanavond op het podium verfijnd en puur, alsof geen verderfelijke wereld haar aan kan, alsof ze mijlenver af staat van het kwaad. Als het zo is, moge het dan zo blijven. Wat een zorg. Het zou je kind maar zijn.

       

 

IC59 ~~ 4 maart 2009.

LENTEKIND

Wat doe je als je altijd moe bent? Veel slapen of minstens vaak wegdutten overdag, meestal op de bank. Ik wel. Vooral de laatste weken ben ik tamelijk veel weggedut op de bank. Ik had de rust trouwens hard nodig vanwege een soort uitputting die ik hier liever niet benoem. Vandaag was het wéér zo’n trage dag met veel gedut en in de late namiddag met inspannende causerieën, het soort waar je niet van opmontert maar wel van afknapt; dat gebeurt vaker bij moeizame gesprekken. Enfin, eind goed, al goed, daar gaat het om. Maar achteraf bezien was het tóch druk vandaag. Lorita is ook nog naar de vogeldokter geweest - tot zover gaat het goed met het oudje en o, wat mopperde ze toen ze in de houdgreep werd genomen voor het onderzoek. Gelijk had ze, het is nogal tegennatuurlijk voor een oude regenwoudpapegaai om in het moderne Westen in een kattenkooitje per auto naar een gespecialiseerde medicijnman te worden gereden; geeft niks, als het maar helpt, denk ik dan weer, en amuseerde me een lang moment kostelijk met haar verdediging.

Maar intussen is het nacht en wakker als ik ben, zocht ik op de pc naar een lenteliedje, een soort smartlapje dat ik als kind al koesterde en zong, hard zong, zacht zong, in bad, in huis, in bed, op de fiets, waar eigenlijk niet? En de beelden die het liedje in zich droeg, maakten me steevast verwachtingvol en een vreemd soort blijheid raakte me dan diep vanbinnen aan, alsof ik zelf dat zingende meisje op dat bankje in het bos met de duizend vogels zou zijn. En ja, vannacht vond ik het liedje moeiteloos terug en ik werd weer blij toen ik de tere woorden las en ik zong het dingske voor me uit, terwijl ik dacht aan Ank die met haar meesterlijke weblogs ook iets dergelijks aan schoon gevoelen bij me losmaakt, zoals met deze heel bijzondere: http://cirkel-der-natuur.skynetblogs.be. Het is genade als je van die mensen weet die je de schoonheid der dingen gunnen, die zichzelf zijn en jou in je waarde laten; van die lieverds die je vrijblijvend meenemen op hun zoektocht door het leven, die met je uit wandelen gaan doorheen elk jaargetij, die hun diepste dromen met je durven delen, belangeloos, gewoon omdat je samen ménsen bent.

Lentekind

't Is een herinnering als zovele,
Maar deze ene laat mij niet los.
Wanneer in 't voorjaar de vlinders spelen,
Dan denk ik weer aan die dag in 't bos.
~
Daar bij een huis als van Hans en Grietje,
Zag ik een kind zitten heel alleen.
Haar kleine stem zong een lenteliedje
Voor duizend vlindertjes om haar heen.
~
En duizend vogels zijn toen gekomen
En zongen vrolijk hun liedje voort.
Het schalde juichend door duizend bomen
En heel de wereld heeft het gehoord.
~
En overal is men blijven luist'ren,
Voor een moment was 't rumoer verstomd
Want zelfs de mensheid moet even fluist'ren
Wanneer voor 't eerst iets van 't voorjaar komt.
~
Maar ik alleen heb dat kind zien zingen
daar in het woud op die zonnedag.
Ik zag haar aan en mijn ogen vingen
Uit blijde ogen een lichte lach.
~
En dat is al wat mij is gebleven,
Die lichte lach als een snelle groet.
Maar ‘k heb nog nooit van mijn hele leven
De lente zo van dichtbij ontmoet.

(Schrijver mij onbekend I.V.)

 

 

IC58~~1 maart 2009

EEN HELE WEEK SCHEPPING

De wijsgeer Charles Darwin heeft het mooi, maar ook bevrijdend uitgedacht met de evolutietheorie. Persoonlijk vind ik zijn visie heilzaam omdat zijn denkbeelden logisch zijn. Hij doet geen enkele afbreuk aan de bijbelse inbreng over de kortstondige scheppingsleer, dat in 6 dagen de hele wereld klaar was, voltooid geschapen, met alles erop en eraan; en de 7de dag was er rust. Kan het mooier? Er staat een hele week klaar om te beleven naar onze begrippen. Maar het is symbolisch bedoeld. De bijbel is geen sprookjesboek en God is geen tovenaar.

De evolutie nu, dus de ontwikkeling van alle leven in het heelal en ver daarbuiten, is an sich goddelijk te noemen, van God afkomstig dus. Waar maken sommige christenen zich nu toch zo druk over? Waarom zijn ze gefixeerd op de letterlijkheid van de bijbelse geschiedenis? In Israël gold de numerologie, alles aan getal werd gebruikt in de symboliek om de dingen uit te drukken en te verstaan. Zo moet ook de bijbel met behulp van de numerologie zijn geschreven en samengesteld, bedacht en uitgegeven. De evolutietheorie doet geen afbreuk aan het geloof, sterker, ze voegt iets toe, ze maakt God groter en de eeuwigheid ruimer.

Wat doen we God eigenlijk aan met hem die ene week van werken aan de wereld en de kosmos enzovoort op de schouders te leggen? Want weet je wat het is? Een mens bijvoorbeeld draagt zijn hele leven met zich mee, hij torst de herinnering van wat hij deed, ondervond en uitvoerde; en dat kan zwaar zijn, loodzwaar; je moet daarom uitermate oppassen dat je voor jezelf geen ballast creëert, iets waar je zelf aan onderdoorgaat. Als God de wereld in 7 dagen af had, heeft hij in rap tempo getoverd.

En iets wat je te snel fabriceert, komt niet tot de juiste ontplooiing, het kan niet klaar zijn. Op die manier zou God zich een ballast hebben gecreëerd, denk ik. Iets wat hij in der eeuwigheid met zich meetorst, wat moet God moe zijn. Wie houdt het vol de lange eeuwen door het gemor van teleurgestelde mensen te moeten aanhoren? Je zou er wel een heel grote god voor moeten zijn, en dan nóg, waar heb je zin in?

Zo werkt het dus niet. Je kunt het prachtige scheppingsverhaal, hoge literatuur, beter lezen binnen de symboliek; je kunt beter de evolutietheorie van de intelligentsia volgen en deze waarderen in haar waarde, daarmee ontlast je tegelijk de schepper, de maker, daarmee leg je hem niets op aan oneigenlijke verantwoordelijkheid. Sommige mensen bijvoorbeeld roepen dat God de ellende, het verderf, de oorlog en nog meer aan narigheid toelaat, maar ze maken alles zelf en dat zien ze dan weer niet. Leven en dood gaan hand in hand, dat is een heilig gegeven, maar alles aan moord en doodslag is de creatie van mensen; het dier in de natuur is eerlijk, het aast en voedt zich ermee om te overleven, wij mensen hebben andere middelen om te bestaan, om onze tijd goed in te richten en ons milieu leefbaar te houden. Maar het gaat onverkort fout met ons in de wereld en vaak ook in onze eigen kring en iemand is daarvoor verantwoordelijk en dat is God, vinden zij, want hij houdt zich schuil, laat zich niet zien, dekt zich in; hij laat het allemaal maar gebeuren en doet helemaal niets. Nee, natuurlijk niet, het scheppingsverhaal houdt als sprookje op waar het eindigt in de bijbel en wij, de mensen, zijn aan zet om het proces te voltooien. Dat is volgens mijn bescheiden mening de leer die in het scheppingsverhaal te lezen staat.

Het zit overigens in de mens ingebakken: dat wijzen naar een ander als er iets fout gaat, dat afschudden van de eigen schuld, heel merkwaardig trouwens. Maar met het aperte denkbeeld van Gods verantwoordelijkheid kan niemand iets beginnen, het is onvruchtbaar; toch houden veel christenen God op deze wijze aansprakelijk, en omdat er geen doorkomen aan is, wordt de schuld uiteindelijk op de mens teruggelegd, hij is de zondaar, de slechterik, hij staat zelfs onder bevel van de duivel, ook dat nog. Dan moet je oppassen niet in vreemde theorieën en dogmata te vervallen. Ik houd soms mijn adem in bij wat ik lees aan sektevorming en angstenleer. Als we eens beginnen met nieuw te zijn, puur en goed te zijn voor elkaar, zonder ons aan de ballast van een of andere waangodsdienst op te trekken, met God te dienen en zijn aarde schoon en gezond te houden, precies zoals het moet, zou dat geen mooie opmaat naar Pasen zijn?

Ine Verhoeven

 

 

 

IC57~~27 februari 2009

BLOEMETJES

In de late winter bloeit de winterakoniet, een klein bollig geel bloemetje, in zijn eenvoud vertederend om te zien. Ik had een vol bakje meegekregen van Joop & Veronica, om op mijn balkon te plaatsen en ervan te genieten. Ook een haffel sneeuwklokjes ging met bolletjes en al mee naar huis, compleet met aarde in een zinken emmertje. Alles is al geplaatst en geplant, de winter kleedt nu mijn buitenkamertje aan met fleurige bloemetjes en memorabel genoeg bloeit de hartelijkheid van de Simonsjes door in mijn omgeving; wil ik nog meer?

Toen ik de akonietjes wilde planten in de bloembak, trok ik geschrokken mijn hand terug uit het zand, er bungelde iets akeligs aan mijn duim; het was een dikke hommel, gestoord in zijn winterslaap; hij had me gestoken, het arme dier, want dat betekent zijn dood. Ik nam me voor voortaan handschoenen te dragen als ik in de aarde wroet of om een schepje te gebruiken. Azaron hielp tegen de brandpijn. Ik heb spijt van de onverhoedse dood van de hommel, wat jammer nou. Wel besef ik met dit incident dat de hommels die je vroeg in het voorjaar bij je bloemetjes ziet doorgaans in je eigen tuintje overwinteren, ze komen tevoorschijn uit de grond zodra de lente ergens in de verte gloort.

De crash van het Turkse vliegtuig, dat neerstortte in een weiland nabij Schiphol, zet je aan het denken. Toch gaat het leven door. Dat is het dubbele bij een ramp: je schrikt, bent ontdaan, je gemoed wordt geschud met wanhoop, maar je kunt uiteindelijk niets anders doen dan gelaten aanvaarden wat het lot ons brengt. Het blijft verschrikkelijk.

Ik wil hier 3 weblogs noteren, die de moeite van bekijken en lezen waard zijn, alleen al om de schoonheid en de troost die Saartje & Sientje, Ank & Lien ons gratis bieden:

http://cirkel-der-natuur.skynetblogs.be

http://samen-onderweg.skynetblogs.be

http://weblog-ank.skynetblogs.be

 

 

IC 56 – -25 februari 2009

CLAUDIA

Van sommige mensen word ik een beetje treurig. Ik weet niet waaraan dat ligt. Bij Pauw & Witteman gebeurde het weer: een kwijnende treurnis overviel me toen ik naar het mediabrutaaltje Claudia de Brey luisterde, ze vertelde over haar pas verschenen boekje Krijg nou tieten! Ze had daarin haar zwangerschap beschreven en de geboorte van haar zoontje Bing. Ik vond haar slotlied daarna teer en mooi, maar verder hield ik die treurnis vast; misschien werd deze versterkt door cartoonist Gregorius Nekschot, hij was aanwezig in een zwarte burka, zijn gezicht getroebleerd met een kanten voile; hij kwam dus vermomd zijn zegje te doen, waar niemand iets aan had, vond ik. Maar terug naar Claudia. Ze is mooi, jong, begaafd, ze is koen, moeder, lesbisch. Met zo’n rijtje eigenschappen moet je wel extra talenten in voorraad hebben, want de wereld is keihard als je afwijkt van de gevestigde idees, niet iedereen pikt het als je anders denkt en doet en je zult je dan moeten weren, zo werkt het in de gelukzalige sociëteit van mensen. Maar wat irriteert mij nou precies aan Claudia? Wat aan haar maakt me zo droef? Niet dat ze pot is en moeder, brutaal is en mooi, jong is en getalenteerd. Dat vind ik prachtig. Ik mag haar ook wel, en dan, soms, eventjes, weer niet. Ja, zie je, ieder mens heeft ongemerkt ingesleten vooroordelen, of je wilt of niet. Claudia heeft ze ook. Zo is ze duidelijk niet gecharmeerd van contact met ‘echte’ moeders, wil ze geen bemoeienis als het om haar vrouwzijn gaat, om haar moederschap of om haar kind; bovendien vindt ze het belachelijk als iemand uit de grote boze heterowereld van haar zwangerschap geniet, want het was echt helemaal: au, au! Maar Claudia vergeet dat alle mensen, ook moeders, anders zijn, dat vrouwen allemaal anders reageren op het krijgen van een kind, op de fysieke ongemakken van een zwangerschap, dat heeft trouwens niets met seksuele geaardheid te maken. Claudia had ook nog van tevoren willen weten dat het krijgen van een kind zo pijnlijk was als het is. Ja, dat had ik ook willen weten in mijn tijd, maar hoe vertel je iemand een pijnsoort, hoe leg je die uit? Je zult alles zelf moeten voelen, zelf moeten ondergaan, eerder weet je het tóch niet.

Claudia is een eigentijdse, zeer weerspannige moedermaagd, denk ik, ze is immers een vrouw met een kind en ze heeft geen man bekend. En nee, Claudia de Brey kent preutsheid noch taboe, en dat hoeft anno 2009 ook niet. Alles wat is, is immers uit de natuur en we zijn allemaal mensen. Ik hoop dat haar zoontje Bing – of zou het Binck zijn - een mooi mens wordt met zijn twee moeders op de achtergrond, want ja, Claudia’s vrouw is er ook nog. En nee, Claudia de Brey te overdenken zet geen zoden aan de dijk, maar het gaf wel een halfuurtje zoet gepeins. Mijn treurnis is in ieder geval over.

Ine Verhoeven

             

 

IC 55 –- 23 februari 2009

MENSELIJK OPZICHT

Die kleine, blauwe anemonen, die we kochten in de bloemenzaak van die twee merkwaardige mannetjes, zijn prachtig. Ze staan te pronken naast de witte rozen in een smalle vaas van glas. Zo’n bloemenfeestje op je tafel is een lust voor het oog en tegelijkertijd een troost als je je verdrietig voelt, ik heb er een beetje last van. Ik kan niet tegen onrecht. Wie wel. En momenteel is er onrecht gaande. Ik had het kunnen weten, heb erover geschreven, heb gewezen op het belang van de vergeving, van de eerlijkheid en van het respect hebben voor elkaar, ook als je uit elkaar bent gegaan, hoe dan ook, maar je bent helemaal uitgepraat en uitgeschreven over het belang van wat dan ook als de tegenpartij het slachtoffer gaat uithangen naar de buitenwacht toe - voor eigen gemoedsrust en eigen aanzien. Ja, ik had het kunnen weten, maar had naïef genoeg nog hoop. Nu niet meer. Enfin. De anemonen staan daar lief en teder, zich nergens van bewust, want zo is het leven óók: de een viert carnaval en de ander huilt. C’est la vie.

Ine V.

 

     

IC 54 –-- 23 februari 2009

GEMOED

Een mens neemt afscheid, meer dan hij denkt. Alle dagen valt er afscheid te nemen, omdat niets blijvend is; omdat alles de eerste én de laatste keer is, hoe vreemd het ook lijkt. Maar het is niets om bij te versomberen, het is de natuurlijke weg van komen en gaan. Het gaat in wezen om het zíjn, om wie je bent en hóé je bent, om hoe je tegenover elkaar staat, om hoe je met elkaar omgaat, elkaar behandelt, elkaars reacties incasseert, want hoe verhoud je je bij bepaalde meningen die jóú geen goed doen, waarin je je niet kunt vinden of waaraan je je in hoge mate ergert?

Elk mens heeft een gemoed en dat gemoed speelt een grote rol in het sociale gebeuren. Je gemoed doet veel in bepaalde situaties. Je gemoed schept sferen, het gaat van blijheid tot somberheid, van vrolijkheid tot beladenheid, van rustigheid tot hectiek. Mensen brengen vaak een specifiek eigen sfeer mee, elk vriendenbezoek bijvoorbeeld is anders gekleurd, juist doordat de karakters verschillend zijn, elk gemoed anders gestemd is.

Het gaat om respect en bescheidenheid; respect zonder bescheidenheid is ondenkbaar. Soms geraken mensen bij een verbroken vriendschap opstandig én vijandig, ze worden elkaars haters, elkaars belagers.

Dat is zonde, omdat het helemaal niet nodig is in haat te vervallen na een afscheid, hoe dan ook. Het vergt wél een zekere wijsheid en veel innerlijke goedheid een scheiding om te zetten in behoedzaam contact, maar het kán wél; en als het je lukt, is het ieder tot heilzame genade. Het gaat steeds om waardig gedrag, evenwichtigheid en respect. Iedereen maakt fouten, dat kan en dat mag. Maar doe je gemoed geen geweld aan als je afscheid neemt van wie dan ook. Rustigheid zal je zegenen - met diepe tevredenheid.

Ine Verhoeven

 

 IC 53 – -19 februari 2009

STOFJES

Het sneeuwt lichtjes, zou vriend en zielsverwant F. zeggen. Het is zo heerlijk als het sneeuwt, vind ik. Ik zag ze dwarrelen langs mijn balkon, van die heel kleine vlokken, en ik voelde de buitenlucht die zo fris was dat ik er gelukkig van werd. Wat een wereld, wat een schoonheid, hoge genade is dat alles voor ons, wereldmensen die er niets van begrijpen waarom er een winter is en een zomer en een lente en een herfst. Maar kunnen we zonder? Was het geen armoe als de seizoenen niet te beleven zouden zijn zoals wij ze kennen? Winter. Ik krijg er geen genoeg van, behalve als de regen duurt en alles doornat is om je heen, dan is het iets minder met de winter, vind ik. Kijk aan, ze komen nog steeds uit de hemel, uit de grauwte die deze vriendelijkheid creëert, de sneeuwvlokjes. Engeltjes schudden de hemelkussentjes op, er zijn er onder ons die dat nog geloven. Ik niet. En toch blijft het idee hangen omdat het zo mooi is en zo teer, omdat het beeld iets toevoegt aan je gelukzaligheid, ik denk het echt. Zoals er zoveel uit de oude godsdienst, de traditie, in je geheugen gegrift staat; en al is het soms nog zo onmogelijk, het ontroert.

Het is fijn en versterkend voor je ego als je beslissingen zult nemen die je leven keren, die jou, als de denker die bent, losmaken van stromingen die niet bij je passen. Een mens mag zijn eigen richting volgen, móét zelfs zijn eigen richting volgen; een mens is vrij te gaan en te staan waar hij wil, zijn weg moet hij vrijelijk kunnen afleggen, nooit opgelegd door wie dan ook. Je ziet wel gebeuren dat mensen zich groeperen om vervolgens in kuddegedrag te vervallen: ze willen hetzelfde doen, hetzelfde denken, vaak hetzelfde zíjn, ik ken zulke mensen bij naam.

Vandaag is mijn moedertjes sterfdag. Ze ging heen in 1985, maar de herinnering aan haar blijft levend, meer dan wat ook. Je moeder was je oer, je bron, je levengevende, of ze nou lief was of minder lief, goed was of minder goed, een ster of een engel of niets ervan, je kwam uit haar voort. Alle scherpte die ooit was, is in de loop der jaren verdwenen en de zachtheid, het zoete, blijft over, precies zoals het zijn moet. Heeft iedereen dat? Maar die sterfelijkheid van ons, die is lastig. Als je terugkijkt, zie je een heel verleden, één lange reeks herinneringen, want alles blijkt opgetekend, opgeslagen in je eigen brein, je bent je eigen computer, hoe kon je het weten toentertijd? Maar het is wel zo. En je gaat meer en meer zien, begrijpen, verstaan, en de liefde voor je oer, je levengevende bron, je moeder, wordt groter dan je had kunnen denken, het is zelfs zo dat alleen de liefde je nog met haar verbindt. Dat is het reepje geluk dat je toevalt op je oude dag, wanneer je niets meer verwacht, niets meer beoogt, niets meer verlangt, alleen rust en lievigheid hoopt; en je blijft nog even bestaan met een warm gevoel vanbinnen voor wie je ouders zijn geweest. Is dat niet mooi genoeg om heel erg veel dankbaar voor te zijn? En je kijkt ingetogen naar de kleine dingen die nog aan je ouders doen denken. Je weet dat jij nu aan zet bent, als de moeder van jouw kinderen, volgens de bioregels.

Arold & Patricia met Umbra bij Opa en Oma

in de bostuin van hun huis in Vught +/- 1965.

STOFFEN GELUK

Hoe kan een mens geluk

bewaren als de dagen overgaan,

nog ergens in een heilig hoekje

van die mooie dingen staan,

die lieve gevers je ooit schonken,

bevestiging van hun bestaan?

~

Al die lieve, oude zielen

zijn voorbij, voorgoed gegaan;

in je kast staan dejeuneetjes

stijf te pronken, klok met haan,

bloem met strikje, hart van goud,

zo blijft hun liefde voortbestaan.

Ine Verhoeven, 19 februari 2009.

 

 

 

IC 52 – 8 februari 2009

SOMS

 

We zijn allemaal mensen met dezelfde contouren van het menszijn aangemaakt. Niemand staat boven een ander, iedereen is in het menszijn gelijk. En toch, toch merk je dat sommige mensen zo enorm méér anders zijn dan jij kunt bevatten, en dan is het moeilijk je in te leven in die andere ander. Maar ook die andere ander zal mogen beseffen dat er verschil bestaat in de aard van mensen, dat het een menselijk gegeven is, dat het niets te maken heeft met vrede beleven of vrede maken, of met gek zijn of wijs, of met abnormaal zijn of niet, maar dat het eerder te maken heeft met de mogelijkheid of de onmogelijkheid om karakteristiek gezien samen te gaan; soms lukt het gewoon niet, ondanks de beste bedoelingen. Soms moet je elkaar loslaten en als het kan, vergeten. Soms moet je dat vredevol aanvaarden, elkaar niet uitschelden, niet afbreken, niet honen, maar elkaar met rust laten en dít: geen achterklap produceren, want achterklap is lelijker dan elkaar rechtstreeks verwijten maken, omdat je op achterklap geen greep hebt noch verweer, gewoon omdat het buiten jou om gebeurt. Is vrede zonder vriendschap niet mooier en eerlijker dan in krampachtigheid omgaan met elkaar? Loslaten is ruimte voor vrede maken. Loslaten en er niet onverschillig bij zijn, dat is vrede maken in je hart.

Soms moet het zo zijn.

 

 

IC 51- 31 januari 2009

Glans 1

Ieder mens heeft behoefte aan gezelschap. Niemand kan zonder gerelateerd zijn. En toch. Soms zou je de wereld van je af willen schudden. Zou je de mensheid voor altijd willen vergeten. Om je heen zie je hoe het bedrog de maatschappij te gronde richt. Hoe de rijke machten de goedgelovige burgers hebben bedrogen voor eigen gewin, en nóg. Hoe de hoogste rijkdom de oogverblindende glans verliest. En we ervaren aan den lijve hoe de mens wordt wakkergeschud uit de valse waarden van de bedrieglijke koopwaar in de winkels. Amerika’s president Obama heeft het zwaar, de puinhopen van het bedrog, van de as van het kwaad dat Bush heeft geproduceerd, zal zijn uiterste zorg zijn, en ís dat ook. Wij kunnen als alledaagse burgers niet meer doen dan afwachten en misschien ergens nog wat bidden. Maar wat je zaait, moet je zelf oogsten en plukken en ondergaan in de kwaliteit die jij ervan hebt gemaakt. Bush is de dans ontsprongen, kan gaan genieten van zijn oude dag. Obama heeft het opruimen, het kuisen en het genezen. Puinhoop, o puinhoop. De wereld is failliet, arm geworden aan zekerheid, arm geworden aan moraal, arm geworden aan normbesef, arm, zo arm geworden in de medemenselijkheid, in de schoonheid van het alledaagse. Je weet het en kunt er niets aan veranderen, behalve je eigen kleine kring behoeden en koesteren en dan is het nog maar afwachten, meer niet.

Glans 2

Toen ik onlangs had gekozen voor mezelf en daarmee een vriendschap had verbroken, dacht ik dat ik een misstap beging tegen de vrede en tegen de naastenliefde. Maar ik vergiste mij: je moet de ruïne van een mislukking niet koesteren, maar opruimen. Je moet een vriendschap die niet in balans is, niet scheef laten afzakken zodat de talenten niet tot hun recht komen, dus nutteloos dreigen te worden, maar haar ontladen van alle foute ballast. Je moet óók jezelf niet martelen met iets te willen bereiken dat gewoon niet bestaat. Een verbroken vriendschap staat los van de vrede. Je kunt soms meer vrede in het leven roepen door een omgang te verbreken dan door ermee door te gaan. Een mens verdient rust in zijn gemoed. Door je geclaimd te weten, belaagd en bevoogd, vind je geen rust. Dus haak je af, vooral om jezelf niet te hoeven verliezen aan de structuur van de ander, een structuur die jou niet past, gewoon omdat je anders bent. Dus om de vrede te bewaren, ga je voortaan je eigen weg. Leven en laten leven. En vergeten, alles wat dom was, alles wat mis ging, alles wat niet is gelukt. Dat houdt de glans vast. De glans van de tijd die jou is beschoren. Dus: beidt uw tijd – duur uw uur. En vergeet wat jou ooit in gemoede blokkeerde aan de valkuilen van de ander. Ik ga mijn huis poetsen, het is zaterdag.

Elk stukje is gemaakt van tijd

-

Elk stukje om af te stoffen

draagt zijn herinnering

je ziet de mensen in de tijd

toen je het souvenir ontving.

-

Elk stukje aan de wand

of in de gang of waar dan ook

is menselijk gerelateerd

van tederheid tot oud gespook.

-

De vazen op de rankenkast

de beelden rondom God

het schilderijtje van je kind

horlogekast met gouden slot.

-

Gelukkig wordt de tijd vernieuwd

herinnering die blijft

met pijn en vreugde, zacht geween

’t is weinig dat voorgoed beklijft.

-

Gelukkig maar, gelukkig maar

is elke dag weer nieuw en fris

ik heb de dingen afgestoft

gewoon, omdat het nodig is.

© Ine Verhoeven

 

IC50 – 12 januari 2009.

WIT

Schitterende dagen beleefden we in Nederland in januari 2009. Wat heb ik genoten van de pittige wandelingen over ijs en bevroren sneeuw; van onze gangen langs de Waal en de Maas; van het vergezicht vanaf de dijk in de Ooijpolder; van die droomwandeling over het krakende glinsterpad bij het Hernense kasteel met zijn witte vijver. Op zulke momenten is de wereld van vrede, voor mij althans. En ben ik doorgaans een oververmoeid mens, nu kreeg ik energie van de winter zelf, van die koude lucht en van die blauwe hemel die daar pronkte boven de sneeuw en alle ijsgeschitter uit. En dan was het in deze dagen ook nog volle maan, wil je het mooier hebben, zus?

Ja, soms voel je intenser dan anders dat het leven goed en mooi is, dat het genade is als je ervan mag genieten, heel gróte genade zelfs. Die uiterlijke witheid schiep een innerlijke witheid, weerkaatste de vrede van het land naar je ziel. Dít schreef Philyzus naar mij onder enkele sneeuwfotootjes die ze had gemaakt: ‘Vredig hè? Waren de mensen maar zo vredig.’

Toen ik dat las, besefte ik plotseling dat de mensen in wezen vredig zijn, dat je mag inzien dat jóúw verlangen naar vrede niet afwijkt van andermans verlangen daartoe, besefte ik dat we allemaal wel in vrede willen leven. Vraag me niet waarom er oorlog wordt gemaakt, ik weet het niet, ook niet waarom staatshoofden zo’n beslissing van dood en verderf willen en durven nemen. Zelf geloof ik niet dat de wereld ooit één moment van volkomen vrede zal kennen; maar wél de mensen in de eigen kleine kring, zij zouden het kunnen bereiken: echte vrede maken met elkaar.

Maar ach, hoe vaak heb ik al over dit onderwerp geschreven? Nee, je raakt er niet over uitgedacht, want het verlangen naar vrede blijft overeind. Ja, je moet geloven, hopen en liefhebben, zegt de Schrift. Als je dat ten diepste doet, komt het op een keer wel goed. En zo blijf je dromen, kleine mens die je bent, en geloven en hopen dat het ooit gebeurt: vrede, zo wit als sneeuw, puur en nieuw, gaaf voor de hele mensheid. Als het eens waar was dat we op onze aarde nog maar één vlag zouden hebben, de witte vlag van de altijddurende vrede? Misschien dat op een keer de sneeuw neerdwarrelt op de aarde als één wit vredesdeken: dan is die witte vlag overbodig, dan ligt er de witte sneeuw als teken van het Rijk Gods: vrede, echte vrede, vrede overal. Geen doden meer door geweld, geen trauma’s meer, geen verdrietigheden meer, alleen maar vrede en goedheid... En, zouden wij, mensen, dat aankunnen dan? Alleen maar vrede overal? Altijd? Zondermeer?

Kijk, de dooi is gekomen! De straten verliezen rap hun witheid, het is alsof de hemel wil relativeren en ons doorseint dat alles tijdelijk is. Maar dat wisten we toch al? Alles is tijdgebonden, alles is éven; alles komt op, leeft en verdwijnt om het hele proces opnieuw te kunnen beginnen, zo’n proces precies als het eerdere, het is cirkelgewijs.

Je kunt beter niet afwachten, maar dóén, de vrede zélf dóén, anders komt er nooit iets van terecht, ook niet in de kleine kring die jij liefhebt. Vrede. Beladen woord in onze wereld. Maar wel een woord om vast te houden, na te jagen, onverkort. Want soms is de wereld even wit. Dat houdt de hoop levend dat je tóch in de vrede geloven mag.

Ine Verhoeven

 

 

 

December 2008

In Actueel laat ik meestal het eerst herkenbare in de tijd aan het woord. Menige tekst heb ik hier al geplaatst en weer weggehaald, omdat de oplossing de inhoud had achterhaald. Maar er zijn teksten die eeuwigheidswaarde hebben, die zich nooit laten inhalen, die soms wellicht een beetje met de wind meebuigen naar links of rechts, maar zich nooit laten inhalen. Hieronder is zo’n tekst die blijft staan en die een mens zijn leven lang met zich meedraagt, eenvoudigweg omdat de wereld onverbeterlijk is en de mensheid ook. Je kunt werken aan je ideaal, geloven in een vredevolle toekomst en God uit de hemel bidden: zolang de mensen niet hebben geleerd te luisteren en te verstaan, te lezen en te begrijpen, zal de vrede uitblijven, zal de oorlog het winnen en telkens terugkeren in allerlei vormen en uitingen. Kijk naar India’s MUMBAY in deze dagen: de helse verschrikking ten top. En kijk verder naar wat er aan oorlog was en is en blijven zal. En wie, o wie heeft om al dit verderf gevraagd, om al die moord en doodslag, om al die levens abrupt geëindigd? Mensen willen leven, samen bestaan in goedheid en begrip, in herkennen en schoonheid, in naastenliefde. En dan gebeurt het weer...

Maar jij, die dit leest, laat de moed niet zakken, menslief, weet wat de wereld kan bieden aan slechts, maar weet ook en bovenal dat er schoonheid bestaat die voor jou is weggelegd. Je moet wél zoeken en alert zijn, je moet wél de juiste mensen weten te vinden om er samen een koninkrijk van vrede van te maken: van vrede, gerechtigheid en heelheid. Ik wens wie dit leest een decembermaand toe van denken, doen en bidden.

 

WILDEN ZIJ DAAR STAAN?

 

Drie bomen bij elkaar,

hun schorre bast als huid

en schor is het geluid

van mijn vermeend herkennen.

Geen schoonheid staart mij aan,

slechts dorre, dode schubben

en hun stammen naar omhoog

grijpen vertakt in het niets.

Doen zij mij na?

 

Als handjes wuiven bladeren

bewogen door de wind.

Verkrampte bomen en afhankelijk.

Neergezet.

Wilden zij daar staan?

Hun wortels in die grond,

meedogenloos geplant, juist dáár...

 

donkerbruin – haast zwart – geschubd,

krakelig en akelig, afzichtelijk.

Opgegroeid, vergroeid.

 

Boom, wat is het dat je voelt?

Ik herken en kan hier niet van houden.

 

Ine Verhoeven in ’n Bloembak blauwe begonia’s 1994.

 

IC48

HOOG VERTREK

Mijn vertrek uit de afdeling OFS Den Bosch-1, welke intussen een kleine 30 jaar onder leiding staat van de hoogbejaarde Paul van Hoek, is een goed besluit geweest. Soms moet een mens wel eens ergens vertrekken om als het ware zijn geest en zijn gesteltenis te kunnen bewaren ten beste, om zichzelf niet te verliezen of te verloochenen. En soms heb je te lang vertoefd bij mensen die niet bij je horen, of jij niet bij die mensen. Dan mag je weggaan. Dan moet je weggaan. Ik heb te lang gewacht met mijn vertrek omdat ik altijd nog hoopte dat de evangelische liefde het zou kunnen winnen van starheid, van achterdocht, van achterklap, van oud, onopgelost zeer, van burgerlijk primitieve sferen. Maar de hand in eigen boezem steken, is een heikel euvel en lukt beslist niet iedereen; het lukte ook deze groep mensen niet, die aan enge tunnelvisie lijden en niks anders op kunnen brengen dan uitvallen, boos worden en medemensen leeghoofdig beschuldigen. Dat deden zowel de mannen als de vrouwen, bejaard en katholiek, het is niet te geloven. Laus Deo, ik hoef er niet meer heen. Gezegend mijn vertrek. Wat een bevrijding.

In Hilversum ben ik binnengehaald in de afdeling Fonte Colombo, waar ik voorheen gastlid was geweest, nog in de tijd van Charito Balder † aan wie ik graag terugdenk, wat een charismatische vrouw was zij. Charito heeft in haar ministerperiode een mooi beleid gevoerd en daarmee haar evangelische stempel op de huidige groep gedrukt. Als ik alles zo nalees en overdenk, was mijn vertrek uit de afdeling Den Bosch-1 een hoog vertrek, zoals bij Etty Hillesum op de laatste kaart, uit de transporttrein geworpen, te lezen stond: De Heere is mijn hoog vertrek. Ook ík geloof dat ik geleid ben op mijn weg. Waarom ik al die lange jaren in Den Bosch-1 ben blijven steken, weet ik niet, maar het zal wel ergens toe hebben gediend. Er gloort goddank nieuw perspectief. In Hilversum.

27 november 2008

 

IC 47

KOFFIEKENNISJES

De herfst is vandaag op zijn best met zachte regen en een grijze hemel, niet te veel wind. De bomen achter het huis zijn bijna allemaal kaal, ik zie erdoorheen alweer de molenwieken draaien van de mooie Looimolen. Het is een bijzondere sfeer, maar ook een bijzondere dag. Vanmorgen waren we in Wijchen om een paar boodschappen te doen. In de coffeecorner van de Wijchense Hema waren we neergestreken, de kwaliteit van bijna alle Hemaspul is opmerkelijk goed, dus de koffie ook. Ik ging in de fout met een warme appelbol en mijn metgezel met een broodje rosbief: echt Hema. Enfin. We zaten daar en een koppel oudere mensen kwam in het hoekje naast ons zitten, de man begon een gesprek: ‘Vroeger was het beter, toen baden we de rozenkrans, soms al onderweg naar de kerk, niet dat we zo gelovig zijn, hoor, maar toen was het goed, nu niet meer, dat zeg ik je, de wereld gaat naar de knoppen, de jeugd is nergens meer blij mee. Ik heb mijn auto weggedaan, mijn vriendin de hare ook. Wij fietsen overal naar toe, nog gezond ook. Mijn moeder ging vroeger altijd een uurtje slapen na het middageten, van 2 tot 3, dan zei ze: ‘Willem, niet komen hoor, ook niet bellen, want dat uurtje heb ik nodig.’ Ik snapte er niks van. Nu wel. Nu heb ik het ook nodig, verdorie, dan zak ik weg na het eten en dan denk ik: ik wil echt even slapen, nu. Hier in Wijchen ben ik geboren, onder de molen. Vroeger was Wijchen veel mooier nog dan nu. Al die nieuwbouw. De mooiste huizen hebben ze afgebroken, maar ze hebben er spijt van, al is het nou te laat! Mijn vriendin mag niet stofzuigen, dat doe ik. Ze heeft iets aan haar schouder. Maar in een uur heb ik het huis een heel eind schoon gezogen, hoor. En de boodschappen draag ik ook. Ik heb gewerkt bij de baron in Leur, zo’n goeie mens, hij was blind. Ik was schilder en dan schilderden we daar de muren en dan zei de baron: wat wordt alles mooi wit. En wij zeiden dan dat het waar was, al was de muur zo blauw of groen als wat. Maar Leur is mooi, kent u Leur? José komt uit Den Bosch, of nee, uit Vught. ‘ ‘Ja’, zegt de vrouw, ‘ik steek wel eens een kaarsje aan, zoals in de Sint-Jan vroeger. Meer geloof ik niet, hoor. En we fietsen samen graag.’ ‘Over 10 jaar zie je geen een fiets meer over straat, dan is alles snorfiets’, zegt Willem. Huh? doen wij. ‘Echt waar. Die oudjes op de fiets die fietsen niet, die snorren! Want dan hoeven ze niet te tráppen! Met een motortje op de fiets! Dat geloof je toch niet? Een fiets die je niet hoeft te trappen! Het valt me op dat die oudjes ook al niet meer tevreden zijn, alles willen ze hebben, mooi huis, zwembad als het kan, caravan in de tuin, grote auto voor de deur, zij een auto, hij een auto, iedereen een auto. Ik niet. Ik heb geen auto en zij heeft hem weggedaan. Ik zeg: ‘Wil je met me gaan? Dan doe je die auto eruit, want daar is geen geld voor.’ Nou, dat deed ze en nou fietsen we overal naar toe. Ja, dat doen al vier jaar, hoor, samen.’

Ik had mijn hoorapparaatje uitgeschakeld. Met een glimlach zette ik de kopjes op het dienblad en droeg het weg. We trokken onze jassen aan en zeiden de nieuwe kennisjes gedag. ‘Leuke mensen’, zei mijn gezel. Ik zweeg nadenkend het antwoord weg.

Deze vrijdag is goed geweest, tot nu toe. De brief aan de minister zal aangekomen zijn. Ik hoop het. Scheerlings koffiekennisjes ontmoeten is aardiger dan denken aan de OFS.

IC 46

 

KLEUREN

De verhuizing zit erop, is geslaagd. Het huisje is een cottage in mijn ogen, ziet uit op de grote tuin met bomen en planten en bloemen en iets verderop zie je de lichtjes van de auto’s gaan; het verkeerslicht als een stalen kerstboom te wachten staan met zijn rood, geel, groen geknipper, afwisselend naargelang. Nu zie je pas hoe somber de andere woning was, die in de schaduw lag van de hele dag, alle dagen lang, alle jaren lang. De plotselinge verhuizing lijkt achteraf op een onverwacht geschenk voor die trouwe en tevreden bewoner, voor hem die steevast content is met wat hem gebeurt. Maar nu schijnt de zon door zijn ramen naar binnen en nu mag hij elke morgen opstaan met een opgewekt gemoed, dat deed hij al, maar déze dagelijkse lichtval maakt de dingen mooier, sprankelender, maakt iemand ook blijer, hem ook, denk ik, wens ik hem toe. Ja kijk, soms ben je iets gelukkiger, het is afhankelijk ván en het is momentgewijs.

Die zustertjes worden allemaal ouder en ouder, ik ook natuurlijk, maar het viel me vanochtend op toen ik tegen twaalven langs de eetzaal kwam gelopen. Ik kreeg menige hand, vriendelijk en attent als ze zijn op het welzijn van de pater, het doet me goed. In deze sferen ervaar ik vaak de evangelische taal, de evangelische liefde in het onderlinge verkeer; dat heb je als gelovige van tijd tot tijd hard nodig: de bevestiging van het christendom in de contacten met je medegelovigen; het gaat niet om de wet, het gaat om de liefde, ik zeg het altijd weer, het is de liefde die mensen voedt tot de christenen die ze willen zijn. In zekere zin is liefhebben een vorm van humanisme toepassen, en dat is alleen maar goed; Jezus de Christus was een humanist ten voeten uit, onder de zegen van God, in de liefde van God. Want God is liefde. Die liefde behelst alles. God behelst alles. Zoals bijvoorbeeld Etty Hillesum het zegt: God, en dat omvat alles. En dan hoef ik al het andere niet meer te zeggen. Veel grote mensen, heiligen ook, hebben God aanvaard in hun leven als allesomvattende liefde, grootheid en goedheid. Het gaat om de liefde tot God en je naasten, om de liefde voor jezelf uit respect voor elkaar. Wat zouden wij ons op het verkeerde pad begeven? Niet doen. En als je mentaal eens uitglijdt, sta dan weer op, geef elkaar de hand en wees goed met elkaar, bouw elkaar op, respecteer elkaar. Weet je wat het ook is? Veel mensen zijn (vaak onbewust) jaloers. En daar komt verdriet van, alleen maar verdriet. Als we elkaar het goede gunnen, onze talenten gunnen en als we bij onszelf blijven en tevreden zijn met wie we zijn, wie we geworden zijn, dan komt het goed met deze wereld, dán wél, en anders niet. En o ja, nu het geweten tóch spreekt: laten we bidden voor Amerika. Ik ben geschrokken van de mentaliteitslijn van veel christenen daar. Laten we voor onze Amerikaanse broeders en zusters bidden om de liefde van God, dat die liefde in hun harten mag wonen; en laten we bidden dat de racisten onder hen zich inkeren, hun vooroordeel laten varen, want black is beautiful, vanbinnen en vanbuiten; en zéker níét slecht, zoals ik iemand hoorde verkondigen! Alle kleuren zijn van God afkomstig. God schiep hemel en aarde en de volledige mensheid erbij. Wie ben jij dan om de mens te oordelen op kleur, ras, rang of stand? Het is de liefde die telt, in alles en allen, met alles en allen, door alles en allen. Zonder liefde in je hart kun je niet leven in Gods heilige naam, ben je niet van God, mag je zijn kind niet heten. Maar met de liefde in je hart ben je gezegend, sta je elke dag op om te leven, om leven te géven, dóór te geven aan elkaar in schoonheid, in goedheid. Moge het zijn.

3 november 2008

 

     

 

IC 45

Soms ben je meer

Herfst in de stad, herfst op het land, herfst in de lucht, herfst in het bos, herfst in het mensenhart. Terwijl de oude zon schijnt, schuifelt ze met haar oude hondje langs het oude bospad. Ik bezie haar en het vetgemeste beestje vanaf mijn balkon. Ik heb enig medelijden met het span. Zoals ze daar samen gaan, elke dag opnieuw, keer na keer, want dat hondje moet úít, minstens viermaal daags. Houden ze van elkaar? Heffen ze elkaars eenzaamheid op? Zijn ze aan elkaar verknocht? Ik denk het wel. Waar twee zielen samengaan, raken ze op elkaar ingesteld, dat is wel het minste wat je denken mag. Ja, dat tweetal. Dat hondje is ook alweer een ouwetje, ik zag hem komen als pup, en ook het vrouwtje telt stevig aan in jaren, maar ja, wie niet? Ja kijk, soms ga je dieper in op wat je ziet vanaf je balkon, vanmorgen deed ik dat.

Toen we vanmiddag gedrieën in Beek liepen, gingen we kriskras over het kerkhof; het was een macaber tochtje, eigenlijk wel. Op dat kerkhof was ook alles oud, en de graven en de paden waren bedekt met rode bladeren: oud loof, verdord en voorbij.

In bijna alles zie ik vandaag het leven terug én het einde ervan, dat is herfst in gemoed, denk ik. Toch merk ik dat de late dagen voor de oude mens aan kracht winnen in genieten en ervaren; de levenstijd is rijk aan goedheid en moois; ik wil al dat goede en mooie intens ervaren, al wat de moeite waard is in me opnemen zolang het nog kan; ja, elke seconde telt.

Soms overvalt me intens het besef van de eindigheid, tegelijkertijd weet ik dat het helemaal zo moet zijn, dat de natuur eerlijk genoeg is. Het leven is één uitgerekt moment van komen, opleven, bestaan, aftakelen en weggaan. Als je het leven zo mag meemaken, ben je een begenadigd schepsel, heb je alle kansen van het goede leven ondergaan.

Als de winter van je leven zich aankondigt, de herfst onstuitbaar op zijn laatst voorbijglijdt, als je dan nadenkt over hoe het vroeger is geweest, de lijnen van de herinneringen sterker worden, ja dan weet je het wel, niemand hoeft het je te vertellen, je weet het gewoon: het zit er hoegenaamd op. Net als die doden op het kerkhof van Beek zul je het einde beleven. Nieuwsgierig word je er niet van, wéten is géén optie.

In een deftige gasterij in Beek proefden we schuimgebak met noten, heerlijk, de cappuccino was een beetje sterk en de thee weer lekker genoeg; de Haagse bluf op de rand van het schoteltje lag er overdadig bij, maar Sybil snoepte hem op, ik ook, we lijnen morgen opnieuw. O herfst met je contrasten, soms ben je meer dan doodgewoon mooi.

22 oktober 2008

 

 

 

IC 44

NIEUWE WONING

In de nieuwe woning van de pater wordt vandaag volop geschilderd. In zijn oude appartement gonst het van arbeidsgerucht, kleine slordigheden vanwege de inpakkerij waar je mee belast wordt bij elke verhuizing. We trokken daarom naar buiten, naar het mooie dorp Beek. We legden aan in onze favoriete etablissement, want In ’t Spijker is top. Het zonnetje scheen vriendelijk, het kwam de herfst en de passanten ten goede. Overal lag gevallen blad, ik snoof de geuren op. Een dot van een wollig wit hondje kwam aandartelen met zijn excentrieke vrouwtje aan de lijn, niet andersom; het tweetal deed me denken aan mijn kerstverhaal De Kerstvrouw.

Enkele memo’s. Neef Jan schreef een aardig mailtje terug met antwoord op mijn vraag hoe het met hen ging. Het gaat goed, heb ik begrepen. Lorita is gisteren weer medisch nagekeken en in goede staat bevonden, ze gaat steeds vooruit, heeft een prachtig diepgeel voorhoofdje gekregen en nu de rest nog aan nieuwe vederpracht en versterkte conditie, het kost tijd (en heel veel geld). Mijn protestbrief tegen de negatieve handelwijze van Cor Mennen, priester, ten overstaan van Huub Oosterhuis, is geplaatst in het Brabants Dagblad van 9 oktober 2008. Vanavond is de eucharistieviering in het kerkje van Gassel. Nu ga ik een nap houden en proberen te dromen van de nieuwe woning van de pater, het wordt vast en zeker een heerlijk huis met een zalige tuin erbij.

Conclusie. Door alle goede dingen te beschouwen, vergeet je de negatieve zaken die je vindt op je pad, zaken waarmee jij en iedereen, niemand uitgezonderd, van tijd tot tijd wordt opgezadeld. Is het leven niet goed?

11 oktober 2008

 

 

IC 43

HERFST MET CACHET

Het gebeurde gisteren dat de zon scheen alsof er licht brandde in de grote kamer van de buitenwereld, ik was in Catharinahof en keek naar buiten. Het was een licht dat alleen van de herfst kon zijn, een licht van een ongekende helderheid die zelfs de zomer niet in zich heeft, niet met zich meedraagt, hoe vreemd het ook lijkt dat de herfst het qua licht zou kunnen winnen van de zomer, ik heb het zo ervaren. Het was een momentopname, zoals trouwens elke lichtval dat is. Maar deze had iets bijzonders, iets ijls, iets krachtigs en iets tekenends, alsof er een afstandelijk blauwe kleur in bestond die naar antracietgrijs neeg en zich als een hoge, nieuwe muur wilde optrekken om zich daar in de hoftuin voorgoed te vestigen. Och, ik kan het niet verklaren, het was gewoon een hoog moment waar ik met verbazing bij bleef stilstaan, ernaar keek, het wilde behouden, tegelijkertijd wetend dat het niet vast te pakken was, zoals zoveel schoons niet aanraakbaar is, maar wel zichtbaar en op afstand enigszins voelbaar; nee, het licht van de boude kosmos laat zich niet pakken, niet vatten, niet door een mensenhand van de hemel plukken, het is ook niet in te palmen door een mensenbrein, het hemellicht is vluchtig, snel, slim en helemaal van zichzelf; al is de natuurwetenschap al wel ver gevorderd, is veel natuurkennis reeds omgezet in het praktische gebruik van de onzichtbare, verwonderlijke magie bijvoorbeeld via elektriciteit, chips en wat allemaal nog meer.

Het moment van die buitenkamer vol van heilig licht maakte van de herfst een chique oude heer, een heer met een blauwgrijze mantel, zo’n loden mantel van Steinbock, waarin de rijken zich tonen zodra de frisheid het toelaat. Maar waarom kom ik met mijn gedachten over de herfst toch altijd weer uit bij het beeld van een oude(re) heer? En waarom heb ik een zwak voor loden mantels van Steinbock en dergelijke gecultiveerde merken? En waarom heeft de herfst altijd mijn voorkeur gehad boven de andere seizoenen? Ik heb het reeds lange tijd bepeinsd maar het antwoord nog niet gevonden, ook niet al hebben vriendinnen me gewezen op de herinnering aan een vorig leven; spijtig voor hen, maar daar geloof ik echt niet in. We leven in het nu, het is vandaag en niet ooit, niet toen, het is nu. Weet je wat het is? Het is herfst, herfst met cachet, en dat doet me denken aan die oude heer die van wijsheid en statigheid getuigt, en van cachet. Ik houd van stijl en allure, niet per se om zelf uit te dragen maar om naar te kijken en ervan te genieten. Cachet maakt meer mens van een mens.

2 oktober 2008

 

IC 42

112 OP JE OUDE DAG

We zaten in de auto, mijn vader en ik. We reden in Vught, waar we gewoond hebben. In Vught was alles veranderd, straten onherkenbaar en een heleboel nieuwbouw. Ik stopte bij een winkel om snel een boodschap te doen, mijn vader bleef in de auto wachten. Toen ik terugkwam, was ik de weg kwijt en kon de auto niet meer vinden. Ik liep alle straten door en alle pleinen af, maar geen auto te zien; ik was hondsmoe geworden, mijn voeten droegen me niet meer; ten einde raad pakte ik mijn gsm en wilde de politie bellen, maar het nummer van de politie kende ik niet uit mijn hoofd, ik wilde toen 112 bellen, maar mijn gsm was leeg geraakt door alle mislukte pogingen. Er was niemand in de buurt, de straten waren leeg, ik dacht aan mijn vader in de auto en raakte in paniek. Een enkeling passeerde maar niemand kon me helpen met een gsm. Ik stak een weg over en daar was een arrogante kerel, bekakt persoon met een bekakte auto bij een bekakt huis, hij zou vast en zeker een gsm hebben en me willen helpen. No way, hij speelde een spelletje met me, stuurde me van het kastje naar de muur – afgemat was ik en mijn vader zat daar maar te wachten in die auto die onvindbaar was. Toch leende hij me tenslotte zijn gsm. Ik liep verder en belde ondertussen 112, werd doorgeschakeld omdat ik in paniek was en de politie vroeg waar ik me bevond, maar ik kende die plek niet, vroeg aan een voorbijganger hoe het daar heette, hij gaf de naam aan me door, maar door mijn doofheid ving ik enkel holle klanken op, die gaf ik dan maar aan de politie door, hij vormde van de klanken een welluidende straatnaam met een legerbegrip, iets ouds en in het Frans, en ja, daar zou ik inderdaad zijn; hij kwam me ophalen, zei hij en ik werd geruster, hoewel ik grote zorg had over mijn vader die al de hele middag en de halve avond in de auto op me zat te wachten, dat hoopte ik tenminste. Maar Vught was wél mooi geworden, zag ik terwijl ik daar stond te wachten, Vught was al mooi, maar nu nog mooier. Ik keek uit naar de agent. Die mondaine man bij dat grote huis was aan komen rijden in die grote auto en kwam naast me staan, hij was een vlegel die er plezier in had dat ik de auto kwijt was. De agent arriveerde per motor, het zou vast en zeker goed komen. Toch heb ik mijn vader niet meer gezien, omdat ik wakker werd. De droom was indrukwekkend door de machteloosheid van het moment. Het hele nare element gold hier het fysiek afgeremd zijn, maar ook het gemankeerde materiaal waardoor je niet uit kunt voeren wat direct belangrijk is en het absoluut afhankelijk zijn van de goodwill van anderen is eveneens een blokkade. Niet te verteren is het onvindbaar zijn van je dierbare(n), de onbereikbaarheid, het niet weten. In de wakkere morgenstond beurt je gemoed dan gelukkig weer op. Zo geschiedde.

29 september 2008

 

IC 41

SLEUTEL

Een mens is onverkort afhankelijk van zijn sleutel. Hij moet zijn huis ermee binnenkomen. Als de sleutel zoek is, dan ga je zoeken, maar als de sleutel aan de binnenkant van de voordeur zit, is het een direct probleem. Het is me overkomen, gisteravond, toen ik de lampen van mijn auto zag branden en veel te vlug naar beneden stoof om ze uit te zetten terwijl die ene belangrijke huissleutel vanbinnen in het slot stak. Bij terugkomst kon ik mijn huis niet meer in. Het was nog avond ook! O haastige spoed!

Het raam was niet hermetisch afgesloten, met mijn nagels trok ik het open, dom geluk. Buurman Frans werd geroepen om hulp, hij bracht een handig huishoudtrapje mee en klom naarbinnen, op en over het bureau en hup het kamertje in. Wat voel je dan een opluchting en een grote dankbaarheid als de voordeur opengaat en je weer vrijelijk binnen kunt gaan! Gered voel je je, en je bent het ook. Frans bedankt! Je bent onmisbaar, goeie buur.

Het benarde sleutelincident is allegorisch te bezien. Elke sleutel is onmisbaar, want zonder sleutel kom je niet verder, stap je niet op je fiets, rijd je niet weg met je auto, kom je je huis niet in, krijg je je geldkistje niet open en ga zo maar door. Sleutel betekent erin kunnen, verder kunnen, vrijheid. Sleutel kwijt betekent geblokkeerd zijn, afgeremd, beroofd en niet in het minste: nare machteloosheid ondergaan. Dat geldt ook in de geest. Een mens is ten zeerste geblokkeerd als hij zijn diepste binnenste, zijn woning, niet meer kan bereiken omdat de sleutel het af laat weten; die passende geestessleutel is te allen tijde van het grootste belang, die passende sleutel opent of sluit af wat in het leven mooi en goed kan zijn. Zo is het ook met mensen onderling. Als ze elkaar hun sleutel geven, de code van hun hart, hun ziel, hun woning, kunnen ze bij elkaar binnenkomen, kunnen ze erin, kunnen ze verder met elkaar; als de sleutel zoek is of de deur op slot geraakt omdat de sleutel aan de binnenkant zit, komt niemand meer binnen, is het hart geblokkeerd, is de sleutel zelfs nutteloos geworden. De sleutel van het samengaan, van het bij elkaar binnen mogen komen, moet daarom goed beheerd worden, moet beschermd worden, moet zorgvuldig worden meegedragen, verlies ervan is schadelijk, verlies van elkaars sleutel, elkaars code is pijnlijk en verdrietig: je ontmoet elkaar niet meer.

Mensen zoeken elkaar en vinden elkaar, of niet. Het gaat erom dat hun sleutels op elkaars voordeur blijven passen, op elkaars hart, op elkaars beleving, op elkaars geest, als dat niet (meer) het geval is, de sleutel kwijt is, de code zoek is, kun je de buurman te hulp roepen, zoals dichter Rainer Maria Rilke in zijn werken God benoemde, kun je hem vragen via het venster van elkaars ziel de voordeur te openen, maar je zult zélf moeten bezien of je nog bij elkaar binnen kunt treden, elkaars kamer nog wilt delen, elkaars geestverwant nog bent, elkaars sleutel nog herkent. Of niet.

11 september 2008

 

IC 40

BEN JE BOOS?

Laatst liet iemand me weten dat iemand anders boos op me was omdat ik de dingen beschrijf die ik meemaak en hij zich erin had herkend. Dat werd me kwalijk genomen. Maar dit is vaker gebeurd, ik weet intussen al te goed dat mensen boos worden als ze zich gezien weten, en ik bedoel: als hun gedrag niet geslaagd is, als ze kritiek krijgen. Nu krijg ikzelf al mijn leven lang kritiek over me heen, en meestal onterecht omdat ik gewoonweg in veel dingen niet begrepen wordt door bepaalde mensen; mijn geestelijk draagvlak ligt blijkbaar anders dan het hunne en dat mag. Het zijn geen leuke momenten als je ermee wordt geconfronteerd, maar je kunt ermee leren omgaan, je kunt er zelfs béter van worden als je de kritische noten bestudeert in plaats van boos verwerpt. Het is als in een therapeutische sessie: je krijgt een spiegel voorgehouden en het gezicht dat je daarin ziet, bevalt je niet als jouw gezicht. In feite ben je dus geschrokken van jezelf. In reactie word je boos op de spiegeldrager, boos en verontwaardigd: Jij zegt dat ik… hoe durf je?

 ‘n Logische reactie, maar vruchteloos als de bekritiseerde bij het verwijt blijft steken en er niets ten goede mee doet. Ik bedoel: je moet dus leren in de spiegel te durven kijken met waarachtige ogen én leren ermee om te gaan tot verbetering van jezelf, van je karakter, van je innerlijke gesteltenis, want daar moet je het van hebben, van je innerlijke gesteltenis. Als je innerlijk gerust is, ben je helemaal gerust en kun je onbezorgd leven met jezelf en met de ander. Ik zei in primitieve reactie op het verwijt: Zeg hem dit:

Ben je boos?

Pluk een roos.

Zet hem op je hoed.

Dan ben je morgen weer goed.

Soms weet een mens geen antwoord, omdat de tegenpartij op dat moment niet redelijk genoeg is om je verweer te incasseren. Soms moet je speels de waarheid poneren, omdat je niet altijd adequaat kunt reageren vanwege je eigen besognes, die onverkort bestaan. Ik bedoel te wachten op het juiste moment en daarbij valt dit niet te vergeten: de tijd heelt alle wonden, de tijd brengt je tot inkeer, tot rust, de tijd zal het leren. Allemaal wijsheid in een notendop, maar wél wijsheid om iemand aan te zetten tot nadenken en ommekeer.

In die geest ligt er nóg een memo, van vorig jaar. Toen werd van me geëist een excuus te sturen naar iemand in een bepaalde parochie, omdat ik in mijn dagboek kritiek had geleverd op diens liturgie. Maar er valt gewoon niets te eisen. We zijn democratisch ingesteld en leven in een vrij land, we mogen onze mening geven, als het maar op een fatsoenlijke manier gebeurt. Ik deed het dus niet. De dwingeland hield aan: ik moest en zou excuus maken. No way! Nogmaals een berichtje, compleet met e-mailadres, het excuus moest plaatsvinden, het móést écht. Ik schreef daarop de betreffende een brief en legde hem uit wat me had bewogen die kritiek te leveren in mijn dagboek, ik voegde eraan toe dat hij er iets mee moest doen ter verbetering. Het resultaat van een dergelijke brief is vaak dat mensen zich van je afwenden, dat gebeurde hier dan ook. Kijk, kritiek maakt vaak scheuring, omdat mensen er niet mee om kunnen gaan, zich snel en koppig beledigd voelen. De situatie uitpraten van man tot man is meestal de beste remedie, maar dan wordt het een ander verhaal omdat men dan geconfronteerd wordt à la minute. Zo’n gesprek wordt liever gemeden. Wat nu?

Vaak kun je beter de tijd nemen en wachten tot de verbittering is omgezet in de zoete smaak van de goede vrucht. Kijk, uit de narigheid gedurende mijn hele leven heb ik enkel nog de zoete vrucht overgehouden, al het andere is verdampt, is wég, bestaat niet meer. Ik gun het iedereen. De zoete vrucht van het lijden. De wereld zou mooi zijn zoals is bedoeld. De mens ook.

6 september 2008

 

 

IC 39

EIND AUGUSTUS

De nazomerzon lacht over de wereld voor zover ik kan waarnemen. Mijn balkon is schraal aan bloemen, de lavendel is grijs en uitgebloeid en een enkele kleine paarse bloem bloeit op als tweede bloeisel in de hoge pot ernaast, verder niks als schraalte. Maar ik zag wél twee vlinders opwaarts fladderen in vrolijke cadans; lichtgeel van kleur - of waren ze wit, roomwit misschien? Dat het alweer warm geworden is aan het einde van deze augustusmaand is niets bijzonder, Nederland heeft een grillig weerkarakter, altijd gehad. Maar die zachtmoedige sfeer van deze ochtend, die diepe goedheid van moeder natuur blijft verwonderlijk, ik ervaar iets hoogverhevens, iets bovenaards, maar dat kan niet omdat alles van de aarde is, het gebeurt hier waar ik mijn voeten neerzet en gaan mag: op zo’n moment is het leven verrukkelijk en wil ik niets anders dan altijd blijven, altijd leven en doorgaan; ik weet dat het niet kan. De sterfelijkheid van een mens, van elk schepsel, is aanvaardbaar op het moment dat je je ongelukkig voelt, maar op zulke intense momenten van je helemaal levend voelen en in gerustheid opgetogen zijn, wil je blijven, altijd bestaan. Ach, zo is de mens, en het leven is goed zoals het is. Vandaag ligt de dag voor ons open, mogen we ons gedragen weten door de lievigheid, al komt ze van de zon en niet (niet altijd) van de mensen. Als je ouder wordt, ga je tegen jezelf praten, heb ik gemerkt, en het voelt vaak nog goed ook, omdat je je antwoord zelf mag bepalen en met jezelf krijg je niet gauw strijd. Doe het maar gerust, en als je onverhoeds door buitenstaanders gehoord wordt, leg je het gewoon uit. Och, de mens ploetert voort tot in lengte van dagen en zoekt onverkort het goede antwoord op de levensvragen; hij blijft verbaasd over de slechte dingen in de wereld en in het leven, over hoe mensen zich te grabbel kunnen gooien, het kwaad aanhangen en de vernietiging, waar komt het toch vandaan? Ik denk altijd dat iedereen toch kan nadenken en het beste, het betere wil bereiken, een leefbare en vredige wereld beoogt? Maar het is nooit anders geweest. Bedrog en list en kwaadaardigheid hebben altijd bestaan, zullen ook niet wijken; maar wie de goedheid praktiseert en verder draagt, kan de wereld voor een groot deel redden, daar geloof ik heilig in. Je moet wel gelijkgestemde zielen zien te bereiken, je moet het samen doen, want de heilzaamheid van één persoon is niet collectief zaligmakend. Buiten is de sfeer nog altijd zomers, zacht en vriendelijk. Mensen, je kunt je erbij aansluiten en er je ziel mee voeden. Het valt te proberen.

30 augustus 2008

 

IC 38

BETERE TIJDEN

Ik ben momenteel de moed om per column verder te schrijven een beetje kwijt. Loretta Schrijver heeft een burn-out, ze staat op non-actief. Ik vermoed dat ik voor mezelf ook in die richting moet denken, ik ben moe, alleen maar moe en nog eens moe; er komt weinig uit mijn handen en ik slaap bijna de hele dag door; als ik wakker word, ben ik moe, en als ik ga slapen ben ik moe, maar tegelijkertijd vaak te wakker van geest; het is een rare, nare situatie, al komt het me allemaal bekend voor, ik lijd er al langer aan.

Onlangs kreeg ik aangeboden met alternatieve genezers in contact te worden gebracht voor verbetering van de toestand, maar ik zal het zeker niet doen; met die categorie genezers heb ik namelijk vreselijk slechte ervaringen, vooral in vroeger tijd toen ik kanker had. Gelukkig was ik zélf alert genoeg in die dagen en ben ik op tijd geopereerd en begeleid en gered door de reguliere medici; had ik naar die ene alternatieve medicijnman geluisterd, dan zat ik hier nu niet te schrijven, dan lag mijn rest ergens onder een steentje met mijn naam erin gebeiteld; dan was ik in die tijd doodgewoon overleden. Dit is een terugblik. Neemt niet weg dat die extreme moeheid een onaangenaam verschijnsel is, het belemmert een mens in bijna alles; het neemt de dagelijkse portie moed weg, de intentie en de blijheid. Je sleept je voort, je perst je in een patroon dat je niet aankunt omdat je hebt aangeleerd dat alles moet gebeuren volgens geijkte gedragsregels; je bent ermee grootgebracht en je weet je plichten, ook tegenover je medemens. Maar die moeheid, die intense moeheid, die was er in die tijd niet, toen was ik een springerig kind, een levendig mensje met alle vertrouwen in het leven en in wat en wie en waar dan ook. Weet je, er is heel vanzelfsprekend niemand die zich die status van altijd-moe-zijn kan indenken, inleven; gelukkig maar; en je houd liever je mond en je ploetert hoe dan ook voort, want je lééft, je moet verder en dat wíl je ook. En dat gegeven, het besef dat je leeft, maakt het de moeite waard om te blijven hopen en te blijven wachten en te blijven verlangen naar een dag vol beterschap, wat zou het heerlijk zijn, één dag vol beterschap, één hele dag niet moe. In zo’n moeheidperiode komt een mens zichzelf enorm tegen, maar ook zijn medemens. Het gaat zoals het gaat en o ja, het komt wel weer goed, ik neem voorlopig de tijd voor mezelf tot ik de dingen weer een beetje aankan. Want zo gaat het, eerlijk gezegd, altijd. Jazeker, er komen betere tijden.

24 augustus 2008

 

IC 37

DOSTOJEWSKI

- over vergeving -

Een mens denkt veel, de meeste mensen denken veel, zou ik willen zeggen. Een mens komt niet uitgedacht, ik heb er vaker over geschreven. Het is trouwens de moeite waard om over de dingen des levens na te denken, je wordt er vaak beter van, als je er tenminste uit kunt komen. Soms is het een goede zaak om de dingen te laten rusten en ze later nog eens te beschouwen, want de uitkomst is niet altijd eenvoudig. De tijd kan veel wijsheid geven en rustigheid in je geest, je gemoed. Een van de grote heilswerken van de Russische schrijver Dostojewski wat rust en vrede en instemming met je gemoed betreft, is de volgende passage die ik heel erg graag in deze columnpartij opneem, bovenal omdat het een stukje goddelijke genade is voor iedereen die ernaar zoekt:

Een schuld die groter zou zijn dan de liefde Gods, bestaat niet

(ingeleid door Frans Boddeke CSsR)

Op zijn sterfbed riep Dostojewski zijn kinderen bij zich en vroeg aan zijn vrouw het verhaal van de verloren zoon voor te lezen. Daarna zei hij: ‘Kinderen, vergeet nooit wat jullie zojuist hebben gehoord; stel een onvoorwaardelijk vertrouwen in God, en twijfel nimmer aan zijn barmhartigheid. Ik heb jullie zeer lief, maar mijn liefde is niets in vergelijking tot de oneindige liefde van God voor alle mensen die hij heeft geschapen.’ Voor Dostojewksi sprak het vanzelf dat de liefde van God een uitdaging is voor alle mensen om op hun beurt altijd weer vergiffenis te schenken aan elkaar. Zolang het berouw in je maar niet verlamd raakt zal God je alles vergeven. Er bestaat immers geen zonde, er kan op de hele wereld immers geen zonde bestaan die zo groot is, of de Here God vergeeft het de zondaar die oprecht berouw heeft. En de mens kan toch nooit ofte nimmer zo’n grote zonde begaan, dat die de eindeloze liefde van God geheel zou uitputten. Of geloof je, dat er een zonde zou bestaan, die groter zou zijn dan de liefde van God? (…) Geloof maar dat God je zo liefheeft als je jezelf niet zou kunnen indenken, dat hij je met al je zonde en in je zonde liefheeft. Weet je niet dat er staat geschreven: Over een berouwvolle zondaar zal er in de hemel meer vreugde zijn dan over tien rechtvaardigen.? Liefde neemt alles voor lief, liefde redt alles. Als jij mij, toch net zo’n zondig mens als jij, al hebt weten te ontroeren en ik medelijden met je heb, hoeveel meer zal God het dan niet met je hebben?’ Uit de Gebroeders Karamazov van Fjodor Dostojewski.

Ik denk bij dit (h)eerlijke werk van Dostojewski vaak aan mijn broers, vooral aan de oudste, die een sterke persoonlijkheid was, een rasartiest en levenskunstenaar, God hebbe zijn ziel. Maar vandaag denk ik in het bijzonder aan mijn derde broer Jan, geboren op 21 augustus 1928, overleden in 1961 op 26 mei. Hij zou bij leven dus vandaag tachtig jaar zijn geworden, en merkwaardigerwijs verlaat zo’n familiaal gegeven me niet. Ik zie hem nog voor me, onze Jan, met zijn frisse snoet, zijn olijke lach, zijn sportieve postuur; met zijn ijverige aard, zijn streken en met zijn soms dubbelzinnige grapjes die hij graag ongeremd en vrolijk verkondigde; een Verhoeven van mijn tak is meerzijdig: vrolijk en ernstig tegelijk, o jawel, we zijn ergens wat luchtigjes van aard en tegelijkertijd ongeremde diepdenkers, en alles in dezen kan nóg eens worden onderverdeeld. En dit denkbeeld roept de schrijver Dostojewski weer bij me terug in de herinnering. Ik schreef het vaker: een mens torst zijn verleden met zich mee. Zorg daarom ook dat het een mooi verleden is, een goed verleden waar je trots op kunt zijn en mee voor de dag kunt komen. Het is verstikkend voor een mens zich te zullen hullen in verstikkende geheimen, daar ben ik van overtuigd; hoe zegenvol voor velen moet daarom de tekst van Dostojewski zijn, een tekst die onsterfelijk is vanwege de bevrijdende waarheid: vergiffenis schenken zul je en goed zijn zoals God goed is. Wie vergeeft, wordt vergeven. Het is een bijbels gegeven, heel evangelisch en zelfs bijna dogmatisch katholiek.

21 augustus 2008

 

IC 36

HET VERMOEDEN

Leegte, zegt Prediker, alles is leegte, zegt Prediker. En soms kun je inderdaad voelen hoe leeg alles is, in je en om je heen, leegte bij de mensen die je tegenkomt en jou niets te zeggen hebben, leegte in gevoel en beleven, leegte ook in betekenis. Maar Prediker bedoelt iets anders met leegte, hij bedoelt ‘alles is ijdelheid, is valse hoop, alles is schijn en bedrog’. Die Prediker toch, hij gaat wel ver, maar hij dúrft en hij stemt de mensheid tot nadenken, en dat is alleen maar goed. Nadenken en inzien, het mag en móét zelfs nog altijd gebeuren bij zeer velen. Alles is leegte, is wel wat veel gezegd, denk ik, maar véél onder ons is onecht, bovendien is alles vluchtig, alles vervliegt met de tijd, met het uur, de minuut, de seconde, alles gaat voorbij, en alles is ten slotte weg, voorbij alsof het nooit is geweest, nooit heeft bestaan, zo gaat het. En dan is er het wonder van de menselijke levenslust, van willen bestaan, het leven willen bevatten, proeven, kortom: van willen léven. De schepping is ondoorgrondelijk schoon, zo schoon; je kunt in die zin Prediker vermanen en zeggen dat hij de loochenaar is van alles wat leeft en is en bestaat, van wat de wereld vult met vreugde en verdriet. Een mens moet leren ermee om te gaan, leren te aanvaarden wat ís; en hij moet leven en laten leven en geen oordeel vellen, omdat geen mens, niemand van ons, de bedoeling van alles doorschouwt.

Iemand sart me al enkele jaren via de telefoon én via de gsm, de afzender geeft ‘geen nummer’of ‘privé-nummer belt’ aan op de display; ik heb sinds maandag mijn vaste telefoon opgedoekt en het gesar gaat onverkort door per gsm; wie dat doet, moet iemand zijn die veel tijd heeft, geld genoeg en vooral: die me ernstig haat; in ieder geval is het iemand die mijn beide nummers bezit en zelf een geheim nummer heeft. Ik kreeg middels dit citerium vannacht ineens een vermoeden wie het belnest zou kúnnen zijn, derhalve heb ik de vriendenkring de revue laten passeren en bij wie kom ik uit? Bij een dame op hoge leeftijd met een grijze haarknot in de nek, met mooie kleren aan haar magere lijf, met veel katten om zich heen; met een veeleisend ego en met heel veel tijd om na te denken en ongezien uit te spoken wat ze zelf wil. We zijn al enige tijd gebrouilleerd, we zijn, vooral karakteristiek gezien, té verschillend. Toch hoop ik dat ik me vergis, het zou een harde uitkomst zijn. Maar het plaatje klopt wél, nu nog het tastbare bewijs zien te vinden. Ja, zo gaat dat en ik weet dat het niet ongevaarlijk is om dingen ‘te vermoeden’, je moet er zeer voorzichtig mee zijn; toch gaat de politiële recherche zo ook te werk; begint niet elk justitieel onderzoek met een vermoeden? Leegte en vermoeden, zou je kunnen zeggen, ze zijn allebei abstract, niet te vatten, slechts te vermoeden. Daar gaan we weer. 

20 augustus 2008

 

IC 35

WEES GEGROET

Maandagmorgen. Een oude buurman schuifelt langs mijn raam, hij omklemt zijn rollator; achter hem schuifelt een verpleger met hem mee; ze kijken niet bij me binnen, en toch weer wel, want de mogelijkheid hiertoe is groot omdat mijn rolgordijn is opgetrokken en dan: voilá.

Ze komen alweer terug met hetzelfde slakkengangetje, de oude buurman kijkt ingetogen ongelukkig, zo lees ik het op zijn gezicht, maar ik kan me vergissen, het kan ook geconcentreerdheid zijn. En hoe gelukkig is het om onder geleide de corridor van de 3de verdieping van het flatgebouw op deze tergende manier te bewandelen? Die oude buurman is trouwens een vriendelijke baas, ernstig gehandicapt, dus een kasplantje als zovelen vandaag de dag. Ik mag hem wel. Gistermorgen bezag ik de weelderige bloemenhaag tegen de muur bij zijn appartement, één roze weelde van de soort vlijtig liesje; ik groette de betreffende buurvrouw die het schoons op dat moment verzorgde en gaf haar een aardig compliment; gelukkigerwijs kreeg ik een antwoord terug; dat is niet altijd zo, nu wel, en het deed goed. (Dit ter eigen memo genoteerd.)

Na de zondagmis, gisteren, zijn we naar het Brabantse Drunen gereden om onze vrienden te bezoeken, ik torste een bloementuil van chrysanten en lichtrode bessen, en schonk hun een liefelijk boekje van mijn makershand; het waren aardige uurtjes en we lunchten gevieren in hun geriefelijke keuken onder de gemoedelijke babbel over van alles en nog wat. Het bezoek deed me goed, ik was alleen jammerlijk moe, de dag was vroeg begonnen en assisteren tijdens de mis vergt innige concentratie; ik ben nu eenmaal moe van mezelf, het euvel wordt ME genoemd. Enfin.

Ik ga koffiedrinken, één kopje per dag, is mijn gewoonte; sinds mijn galblaas is verwijderd, in 1996, verdraag ik er niet méér. En meestal drink ik latte macchiato, of cappuccino, een lekker bakje troost, zoals mijn moeder het altijd zei, koffieleut als ze was, maar de luxe koffiesoorten van heden kende ze niet, ze zette haar eigen koffie, strong en met echte room gedecoreerd; haar voedsel en drank waren onverkort van hoge kwaliteit, en haar koffie was de beste; het is nog echt waar ook.

In de preek van gisteren haalde de predikant met zijn gouden stem een schitterend mariaal stukje aan, ik schrijf het hieronder over, uit piëteit en blijdschap: ‘Afgelopen vrijdag hebben we Maria Tenhemelopneming gevierd. Misschien mogen we Maria vergelijken met de vrouw die vandaag opkomt voor haar dochter. De vrouw vraagt Jezus om haar dochter te genezen: ‘Heer, help me.’ En Jezus geneest de dochter omwille van het geloof van de moeder.

Velen ervaren nog altijd Maria als de begenadigde vrouw, die er wil zijn voor allen, die bij Jezus voor allen ten beste spreekt. De talloze lichtjes en bloemen, hier en in de kathedraal, laten zien hoe mensen zich geborgen en gesterkt voelen door Maria. Ik wil daarom afsluiten met een gebed tot Maria, gebeden door Alfonsus de Liguori, stichter van de redemptoristen. Het gebed luidt: ‘Maria, Dolce amor mio, Maria, mijn zoete lief. Blij en tevreden ben ik als ik aan jou denk, verrukt zelfs. Je geeft me rust, je stilt mijn angst, je maakt dat ik me veilig voel. Je herinnert me niet aan Gods gerechtigheid, maar alleen aan Gods barmhartigheid.’ (p. Frans Boddeke CSsR)

18 augustus 2008

 

 

IC 34

KORTE MEMO’S

De vlinder is weer terug, de vlinder met de ogen. Hij is een paar jaar bij de kinderen geweest, maar ze hebben hem geen plaatsje aan de muur kunnen geven. Nu is hij terug en ik vind hem merkwaardig genoeg mooier dan voorheen, en de grote ogen in zijn vleugels deren me niet meer, dat grimmige effect is over. Het kan verkeren in een mensenziel, ook wat een indringend getekende vlinder betreft.

Het is een zaligheid op mijn balkon, al is het gipskruid uitgebloeid, de bak is leeg en wacht op een nieuwe voorraad bloemen, wat zal ik kiezen? De zon schijnt, de sfeer van de nazomer is heel eenvoudig maar daardoor des te fijner; het is nu intens genieten op een morgen als deze. Rust en nog een rust, ik heb het zo nodig. De dagen en weken zelfs zijn tamelijk turbulent geweest, er is veel gereisd en gelogeerd, en er waren enkele mooie, hoogstaande ontmoetingen. Het doet je vrouwenhart goed, je moederhart nog meer, want de kinderen kunnen onderling goed met elkaar opschieten, precies zoals het hoort, denk ik.

Daar rinkelde zojuist weer de telefoon en wéér geen antwoord, onbekend nummer, nee, géén nummer. Zo gaat het al een heel lange tijd, soms zelfs gelijktijdig op mijn gsm met een doorverbinding via het privé-nummer. Een griezelige ontwikkeling, dit soort grappen met de techniek. Je peinst je suf wat het kan zijn, wíé het kan zijn die dat doet, onvermoeibaar, en waarom? Ik heb mijn abonnement opgezegd.

Lorita herstelt gestaag, de medicatie helpt zienderogen, al weet ik wel dat ze een oudje is, an old ladybird. Maar die confrontatie met jong en oud hebben we allemaal: zijn we niet allemaal onderhand the old ladies? Och, ook dat overkomt je en je gaat er vanzelf in mee, omdat het van de natuur is gegeven; je hebt geen andere keus dan te aanvaarden. En toch is het mooi en goed, wie heeft het ooit verzonnen? Alles wat leeft, is gezaaid, gevormd, uitgekomen en opgegroeid en alles wat leeft, zal sterven. Omdat alles wat leeft, plaats maakt voor de volgende generaties; zo genieten er altijd weer wezens van de aarde, maken ze kennis met de wereld, mogen er steeds nieuwe levens zijn die op hun beurt het leven doorgeven. Een meer dan geniale schepper is hij die dat allemaal heeft bedacht en gemaakt. Geen mensenbrein komt eruit, niemand snapt het, gewoon omdat het allemaal te perfect is. Leven. Het grootste wonder dat bestaat. Meer wonderen hoeft een mens niet te verlangen, kijk om je heen en wat zie je? Een en al wonder, leven overal, het kan niet op.

En dan weet ik weer dat het vandaag Maria Tenhemelopneming is. Of is het Maria’s hemelvaart? Is dat niet hetzelfde? Enfin, ik schreef er ooit een tekstje op, het staat te lezen in Van mensen in gebed - Bidden en Geloven op bladzijde 35.

15 augustus 2008

 

IC 33

GOED VOOR JE ZIEL

Ik kan het niet genoeg benadrukken: een goed en gerust leven is pas mogelijk als je de verzoening ten volle praktiseert. Verzoening geeft mensen vrijheid, ruimte, rustigheid en zelfs geborgenheid. We hadden gisteren een gouden bruiloft, ergens in het Groene Hart. Het bruidspaar ligt me na aan het hart, dat mag gezegd zijn, maar we hebben elkaar in de loop der tijd vaak niet begrepen, niet kunnen verstaan, en dat gaf aan beide zijden misnoegen, wat in feite niet nodig is geweest. Maar ja, in de hitte van de strijd wil ieder zijn gelijk halen, zo zijn mensen nu eenmaal; en het is begrijpelijk genoeg, want elkaar daadwerkelijk kunnen begrijpen, heeft vaak veel tijd nodig. Ik voelde me in die periode van al dat gesteggel alleen maar ongelukkig, onderging langdurige momenten van onrust, hartzeer, zelfs van slapeloosheid en er kwamen wederzijds ongegronde, vooral voorbarige verwijten uit voort. Leef daar dan maar eens rustig mee. Dat gaat niet. En daarom ook predik en verdedig ik onverkort de verzoening tussen mensen, want nu de lucht onderling is opgeklaard, is het leven weer helemaal goed. Geen mens kan immers in ongenoegen leven, met niemand, het verzwakt hem, maakt hem ziek en zelfs achterdochtig: wie kan hij nog vertrouwen? Je mag samen kunnen lachen en je mag elkaar respecteren in wie je allebei bent; respect en vrede, daar gaat het om in het menselijke verkeer, jij bent jij, ik ben ik, leven en laten leven; en gúnnen, elkaar van binnenuit het goede gunnen, het is een wezenlijk item dat ik altijd zal verdedigen.

De gouden bruiloft was in alle eenvoud sfeervol en bovenal liefdevol, het deed mijn ziel bijzonder goed. Mensen in onderlinge harmonie, dat was gisteren in hoge mate te beleven, dat was de genade van deze mooie dag. Een reden te meer om de hemel extra te danken voor het slapen gaan en alle mensen die het betreft in Gods zegen als het ware onder te dompelen; o jawel, Gods zegen op íéders leven mag altijd bebeden zijn. Het is goed om te doen, hoe je het ook bekijkt. Welterusten.

13 augustus 2008

 

IC 32

OF NIET?

Je bent bij elkaar op bezoek, je hebt er lang naar uitgezien. Maar je bent nog geen vijf minuten gearriveerd of er wordt krachtpatserstaal gebruikt inzake de mogelijkheid tot doodstraf voor moordenaars en oorlogsmisdadigers. Stel je je eens voor: het is een mooie nazomerse dag en nadat je langdurig geconcentreerd met je auto over de drukke wegen hebt gereden, ontmoet je elkaar volgens gemeenzame afspraak. Maar dan beginnen een paar mensen plotseling ongezouten hun visie op buitenlandse politieke aangelegenheden te poneren, ze weten exact wat niet deugt en ook hoe het recht precies zou moeten zijn. Het wordt welles nietes. Vóór de doodstraf. Tégen de doodstraf. Onaangename sfeer.

Daar zit je dan in je tuinstoel onder de grote parasol - de zon schijnt heet - en je hebt het gekrakeel zwijgend te aanhoren en je antwoord soepeltjes te vormen, want je mening wordt gevraagd, ook dat nog. ‘Als de christenen die we zijn, zullen we zeven maal zeventig keer vergeven, dat betekent altijd,’ zeg je en voelt de weerstand. ‘Doodstraf is geen optie, doodstraf is feitelijk ook geen straf maar een opruiming. Een straf is iets dat je je leven lang voelt, dat je altijd met je meedraagt, dat is echte straf, erger dan de doodstraf, denk ik.’ Rap wordt als voorbeeld het doodgeschoten Roemeense dictatorechtpaar Caucescue opgevoerd. ‘Ook dat was niet goed,' zeg je, ‘die twee zijn voor de ogen van de hele wereld doodgeschoten. Het was mijns inziens een foute straf.’

‘Dan weet je niet wat daar allemaal aan slechts is gebeurd, wat die dictator allemaal heeft gedáán, want dan zou je zo niet praten,’ zegt iemand in bitter verwijt.

Je zwijgt, want je weet dat elk antwoord dat ánders is dan gehoord wil zijn, zal worden verworpen en je beseft: wie van zulke denkers begrijpt dat je uiteindelijk zelfs het slechtste onder ons mensen zult moeten weerstaan met vergeving, met echte vergiffenis, hoe moeilijk het ook is? ‘Afschieten,’ schettert een ander, ‘niks geen genade, dóódmaken die moordenaars!’ ‘Ik vind dit geen goed onderwerp op deze mooie dag, zeg je voorzichtig, ‘hier heb ik echt geen zin in. Hier ben ik niet voor gekomen.’ Ineens ziet iedereen de prachtige bloemen in de magnifieke tuin: ‘Kijk eens, die mooie dahlia’s en die rózen, wat staan ze nog mooi!’ Maar het akelige thema suddert na, je voelt het wel.

Deze goede mensen doen verder niets behalve blaffen als bange honden, ze gaan slechts geestelijk op de vuist en het komt door hun angstige woede die de liefde in hun harten blind maakt, niet na laat denken en hun ziel verlamt. Ze zijn bang en machteloos, meer niet. Kijk aan, je zit samen in een lieve tuin naast een hoog opschietend maïsveld, je bent samen verbaasd over de schoonheid van de plek waar je bent, zo’n oord waar menigeen van droomt, waar je mild van wordt, blij en tevreden, dan roep je toch geen agressieve beelden en bange woede op? Dan maak je een gesprek van liefde en mooiheid. Of niet?

10 augustus 2008

 

IC31

STILLE BLIJDSCHAP

Wie herkent mijn stille blijdschap nu mijn kind vanmiddag arriveert per airoplane? Het is gepland. Dat de vlucht goed mag zijn, bid ik. Dat hun dagen in Nederland gelukkig mogen zijn, bid ik. Jonge mensen hebben hun ontspanning zo hard nodig, ze werken hard en hebben veel verantwoordelijkheden, daarom ook mogen ze gelukkig zijn, vooral in hun schaarse vrije tijd.

Patricia & Wivvi juli 2008

Gisteren waren Boudewijn en ik autogewijs op pad gegaan. De dag kwam me een beetje onzeker voor en het vooruitzicht naar de avond leek slepend te worden, daarom ook. We reden verwachtingvol naar Linden en waren verheugd, verbaasd, onder de indruk ook, maar ik rilde wél van de lugubere uitstraling van dit oord met zijn zandwinning uit de Maas, de baggerschepen en allerlei verbodentoegangspoorten rondom; ooit had ik plechtig uitgesproken dat ik nooit meer richting Linden zou gaan, maar door de schone tip van Regina heb ik die uitspraak bij uitzondering genegeerd; die schone tip was het kerkje van Linden, dat moesten we eens gaan zien, zei ze laatst. En gisteren deden we dat. Het was bijzonder. Waar Linden enerzijds horror lijkt, biedt het anderzijds veel liefelijks, veel schoonheid en ook nog Brabantse gezelligheid, want ook het aquarecreatieoord in die contreien is representatief met zijn boten, cafeetjes en zwemstrandjes. Maar het kerkje van Regina deed de deur dicht, of beter: open. Je kon er onbekommerd in en vanaf het koor mocht je het interieur bezichtigen, heel uniek, en ik weet dat ik het niet meer zal vergeten omdat het de moeite waard is. Er was ook nog een oorlogsmonumentje en het kerkhofje maakte me stil in zijn kleinheid, daardoor was het weer heel mooi en ontroerend.

We hadden Linden intussen gezien en reden door naar Katwijk waar we de Lourdesgrot opzochten, en weer waren we verrast over de plaats die we hadden gevonden - alleen het biddende Bernadetje bij de grot vond ik minder. Uh. Voor wie ervan houdt, die vindt hier een aardige nabootsing van het Franse pelgrimsoord Lourdes, maar ikzelf voelde ook hier weer die aversie zoals bij onze aarzelende inkom in Linden. Ik zal er eens diep over nadenken, wat betekent het, want het komt ergens vandaan. We dineerden gemoedelijk in Hotel Cuijk en bestelden, zoals vanouds, het ‘Spaans halfuurtje’. En de hele dag is voor ons gezegend geweest.

Intussen is hier de zon doorgebroken, het wordt een warme dag, het is gezegd. Vandaag komt ze dus, mijn dochter, en ik zal goed voor haar zijn, maar dat weet ze wel. Wij, moeders, doen vanuit ons hart en we zijn in stilte blij.

6 augustus 2008.

 

LIEF BEZOEK

Het is een mooie ochtend, in de vroegte dreigden de regen en de wind, maar alles is opgeklaard, o zegen van de zomer. Gelukkig is het broeierig warme weer van de laatste tijd voorbij, wat is het drukkend geweest. We hebben desondanks veel gedaan, veel gezien en veel gewinkeld, vooral in de stad waar we weer een leuk grand café hebben ontdekt. Het is vakantie, ook voor de oudjes van deze dagen. Je kunt op jouw leeftijd natuurlijk in je gedroom naar een verrukkelijk zwembad verlangen, maar toch, dat zomers gespetter is vooral een recreatieve aangelegenheid voor onze jongeren. Ja, ik zou graag naar de zee willen gaan, liggen op het strand zoals vroeger, maar de rit ernaartoe is te lang en te druk met al dat verkeer, en eerlijk gezegd, zoals vroeger is het voor ons allang niet meer, vroeger is voorbij, we zitten in een heel andere tijdspanne, doen andere dingen, hebben andere behoeftes, andere visies op wat er gebeurt om ons heen. En wat ik ervan zeg is dit: het is goed zoals het is, heel goed. Er komen immers zoveel mooie dingen op je pad, ondanks alles.

Voor vandaag had ik uitgezien naar de komst van Sybil, maar toen vanochtend de regen en de wind dreigden, heb ik haar erover opgebeld en ja, ze besloot het bezoek uit te stellen, ook goed. Het beloofde anders een mooie vrijdag te geworden, met veel ruimte en veel mooie plannen. Maar zo zie je dat je beter de dingen tevoren niet plant: één kleine ongeregeldheid en het feest gaat niet door.

Toch vraag ik me af of het niet merkwaardig is om je bezoek niet door te laten gaan omdat het onderweg naar je bestemming misschien regent, of dondert, of waait; maar zo’n afstel gebeurde vorige week ook al, toen was het in de ochtend in de Vinkeveense contreien tamelijk slecht weer, hier niet en later was die bewuste dag stralend mooi.

Wat een gezeur, eigenlijk. En was het de ware reden van de annulering?

Ongeveer half 11. Ring, ging de telefoon. Het was S. Kom je toch? vroeg ik. Nee, dat niet. Het regende hier net, zei ze. O, was dat het? vroeg ik. Eigenlijk wel, en er ligt een stok uit Denemarken op Lorita te wachten, als verrassing. Kom ik maandag of dinsdag? vroeg ze. Nee, zei ik. Want wat ik weet, is dat de volgende week allang is volgeboekt. Er gaan lieve mensen op bezoek komen, en we hebben ook nog familiedag. Ik geloof niet dat die niet doorgaat als het regent of een beetje waait; het mag zelfs onweren, we willen elkaar gewoon ontmoeten, we zien naar elkaar uit, nemen bloemen mee om blij van te zijn en ook nog lieve woorden. Lief bezoek doet mensen goed. Mij ook.

Dagwensje

De dag is begonnen

De nacht is voorbij

Wie wil met me praten

En wie maak ík blij?

 

Wie komt op de koffie

Wie komt op de thee

Wie doet er vandaag

Aan mijn leventje mee?

 

De bomen staan roerloos

De wind is verstild

Het leven is zoet

En het leven is zilt

 

Als tranen van vreugde

Geween van verdriet

Kom, koester elkander

Vergeet elkaar niet.

Ine Verhoeven

Column 1 augustus 2008

 

IC29

PROBEER HET MAAR

Soms is het leven één groot feest, soms is het één groot tranendal. Maar wat ik heb gemerkt in de lange loop der tijd en wat ik in de conclusie volkomen erken, is dat de verzoening in een mensenleven een volwaardig sacrament is dat alles in het leven dragelijker maakt. Nee, ik bedoel niet dat een mens moet gaan biechten, dat is te gemakkelijk en te cliché, daar red je niemand mee, ook jezelf niet. Nee, een mens moet zich te allen tijde actief zien te verzoenen bijvoorbeeld met de ander als er onderling iets mis is gegaan; en hij moet zich, hoe dan ook, te allen tijde actief zien te verzoenen met zijn lot, met de conclusie van zijn daden, met wat hem overkomt, want iets anders heeft hij niet om ten beste te behoeden behalve zijn eigen lot.

Je moet er zuinig mee zijn, met je lot. Je zult het ervaren, het overkomt je en je hebt geen andere keus dan de acceptatie, maar ook: je zult er ongeacht iets goeds, iets vruchtbaars mee doen, je zult uit het lot dat jóú overkomt tenslotte het allerbeste peuren, deels in de betekenis, deels in de uitkomst ervan, en ik bedoel: je zult zaaien en oogsten vanuit jouw lotsbestemming, jouw aandeel ín het leven, áán het leven en dóór het leven. Menslief, wat maak je ervan?

In mijn boek Van mensen onderweg – met Geloof, Hoop en Vrede, 2003 vond ik vanochtend een los papiertje met deze tekst van Huub Oosterhuis erop geschreven: ‘Gij die uw maaksel kent / zie uw ontelbare mensen / stof van de aarde zijn wij / onze boetseerder zijt Gij / Abraham weet niet van ons / Israël kent ons niet / Maar Gij, onze bevrijder, onze vader.’

Het is vandaag mijn morgengebed in het lot zoals het me heden zal toevallen. Ik ben een gelukkig mens, gezegend en tevreden, maar tegelijk ook diepbedroefd om de teloorgang van zoveel moois en goeds in mijn eigen leven en in dat van anderen dat niet haalbaar is gebleken, van zoveel leed ook onder de mensen dat niet hoeft te zijn.

Het gaat altijd om de liefde voor medemensen en om het vertrouwen in elkaar. Het gaat altijd om de zorg voor de ander, ook voor de vreemdeling, en om de erkenning van elkaar. Waarom zou je het leven voor elkaar beschamen? Beter is je te verzoenen met jezelf en met de ander, je lot te aanvaarden en het beste te maken van de wereld om je heen, voor iedereen, alle dagen van je leven, ondanks je uiteindelijke lot. Wees goed, altijd. Probeer het maar.

25 juli 2008

 

IC28

DE OUDE VOGEL

Ze is een kostbaar kleinood, mijn oude vogel. Ook al is ze op strenge medicatie en strikte zorg aangewezen, al kost ze beschamend veel geld en aardig wat moeite, ze is het zeer waard. Ze is gehecht aan je, ze kent je, en ze maakt ons, mensen, blij en optimistisch met haar gedrag van zang en schril gefluit soms, met haar primitieve woordjes, haar geschooi om lekkers en haar vooruitgestoken vederkopje omdat ze graag een kroel wil hebben, en, niet gering, met haar vertrouwen. Het is een liefdesvorm van het ongecompliceerde soort, deze communicatie tussen mens en vogelijn.

Amazone Lorita is méér dan zomaar een huisdier, ze is een gesprekspartner, ze is een voorbeeldje van onverstoord leven, van alles over je heen laten komen precies zoals het komt en als het móét, niet eerder, pas dan verweer je je, red je je hachje koste wat kost. Ze is mijn kleine groene vredesduif. Een papegaai als zij is eerlijk, speelt geen spel met je, is direct in haar reactie, je weet wat je aan haar hebt. Ik begrijp heus wel dat dat gedrag gewoonweg in een dier zit, dat het een natuurlijke houding is. Maar je ziet het met haar van dichtbij, het gebeurt onder je ogen, en dat is mooi en leerzaam, denk ik.

Lorita, de oude vogel die bij ons kwam in 1975.

We weten niet hoe oud ze is, maar gedacht wordt aan rond de 50.

Het is een korte beschrijving geworden, deze column, van mijn oude vogel, al heb ik méér schrijverskost te verteren momenteel, ik koos vandaag voor Lorita. Gewoon, omdat ze erbij hoort. Gewoon omdat we vriendjes zijn. Zo zou je vriendschappen mogen ondervinden met de mensen in je tijd, eerlijk en direct en anders niet.

18 juli 2008

 

IC 27

JE KUNT EROM HUILEN

Mijn leven kent heus veel bewogenheid, veel turbulentie en, niet het geringste, veel onrecht dat me in de loop der tijd is aangedaan; wat mijn aandeel in die zin vice versa is, weet ik niet, maar het was altijd mijn bedoeling goed te zijn voor álle mensen, ongeacht. Ik denk er wel eens over na hoe dat zou kunnen komen: goed willen zijn voor álle mensen, en dat is voor iedereen. Mijn moeder zei altijd: Naar wie je genoemd bent, daar lijk je op, dat karakter krijg je mee. Het is zo’n oude wijsheid die af en toe nog uitkomt ook. In mijn geval klopt het wel, ik heet Clasina, dat is van Nicolaas afkomstig, is eraan gerelateerd. Nicolaas is goedmoedig en gul, rechtvaardig en de beschermpatroon van de kinderen; in dat licht gezien, probeer ik die deugden na te leven, ik hoef er geen moeite voor te doen, het zit in me, hoewel ik geen dutsel ben, geen doetje, ik laat anderzijds de kaas niet van mijn brood eten, hoewel… soms toch een beetje. Enfin. Het is door mijn grootmoeder van vaders kant dat ik die naam gekregen heb, zij heette Clasina. In die oude tijd werden veel kinderen nog vernoemd naar familieleden, er was een code voor.

Waarom schrijf ik dit neer? Wat doet deze mededeling in een column? Het zit zo. Ik had in deze dagen nagedacht over een incident waar ik niets van begrijp, nog steeds niet. Ik ontving een e-mail in reactie op de aankondiging dat de lezers via mijn website het boek Zalig de Niemanden konden lezen, het vrijelijk mochten downloaden. Ik maakte de e-mail vrolijk open, verwachtte een mooi bericht want het kwam van een oude vriendin uit de jaren ’80, een roomse geloofsvriendin die ik onverkort en respectvol op handen droeg: de e-mail was van Barbara.

Barbara was toentertijd naar het zuiden getrokken toen het haar te heet was geworden onder de roomse voeten, ze wilde rust en bezinning, bevrijding ook, en ze trok ver weg van de roomse kring waarin ze destijds verstikt zat te wezen. We hadden elkaar in geen twintig jaar meer gezien. Verwachtingvol als ik op dat moment was, veranderde de dag plotsklaps, was in één keer de ochtend die zo mooi was begonnen, vervlogen. Zij schreef: Ine, haal mij liever uit je bestand. Ik herinner mij je het liefst zoals ik je van vroeger ken. Met een groet, Barbara. Ik schrok en reageerde als door een wesp gestoken: Ik jou ook, ik vind dit een opmerking die je als medechristen niet had mogen maken, en ik voegde er de vraag aan toe of ze wel mooi oud werd op deze manier en wenste haar sterkte met de vorming van haar ziel. Ja, ik was uitgeschoten, intens geschokt door het onverwachte, door het dwaze onrecht dat ik niet verdiende, zo voelde het aan; het was een vlijmscherpe uithaal van Barbara, ik voelde de pijnscheut tot diep vanbinnen, en ik reageerde vlijmscherp terug. Barbara schreef daarop: Je bent er niet op vooruitgegaan, je opmerking was dom en gemeen. Ik schreef: Wat heb JIJ? Dat gemene zit in de jouwe, wat een heks zeg. DAG. Barbara weer: Ik snap wel dat je het er moeilijk mee hebt maar de sereniteit die je wilt uitstralen, blijkt niet uit je schelden, Barbara. Toen bleef ik even stil, want ik had niet gescholden, ik had geopperd: Wat een heks, zeg. Maar dat was geen schelden, het was werkelijk bedoeld. Barbara voelde bij mij op dat moment aan als een lelijke feeks die wraak op me wilde nemen. Maar waarom? Barbara weer: Je bent zeer veranderd, dat is je goed recht. Maar ik hoef met die verandering niet mee te gaan. Dat is mijn goed recht. Ik maak je duidelijk dat ik niet meega in deze richting en van contact afzie. Dat is, weer, mijn goed recht. Ine wordt vervolgens nogal vals. Dat is niet haar goed recht. Maar je laat je wel kennen. Dag Ine, Barbara.

Ik schreef daarop: Je hebt me pijn gedaan en me in mijn diepste binnenste geraakt. Je hebt een of ander oordeel over mij dat ongegrond is, niet onderbouwd, maar dat je onbarmhartig tentoonspreidt in een meedogenloze afwijzing en waardoor jíj je laat kennen. Je weet NIETS van mij, we hebben geen contact gehad sinds JAREN en JAREN. Je weet mijn verandering niet, behalve dat ik boeken en bundels ben gaan schrijven en de uiterst rechtse roomse geloofskring heb verlaten, ik zit in het midden, het lijkt me gezonder. Pas toch op, Barbara, dat je niet tenondergaat aan verstikking door wetten en regels in liefdeloosheid. Gods zegen wens ik voor jou, ik op mijn beurt hoop op vergeving als ik met mijn woorden in dezen fout was met jou, maar dat zie ik niet, wél dat jij me ten diepste hebt gekwetst en dat vroeg om een reactie. … Dag. Ik hoef je nooit meer te zien, te horen of te lezen. Ine. Toen schreef Barbara weer: Einde verhaal, Ine, Barbara.

Ik heb er toch een goed einde van willen maken en schreef enkele uren later: Laten we elkaar als de mens die we zijn, blijven respecteren al is de vriendschappelijke band ten einde, Barbara. In Christo, Ine.

Het was een turbulent uur, een heel groot turbulent uur. De pijn aan het incident moest worden verwerkt en dat neemt tijd in beslag. Ik ga nu even terug naar de opening van deze column waarin ik vertel dat ik in mijn leven veel aan onaangenaams gewend ben, maar dat ik desondanks nog altijd het goede wil naleven, wil aanreiken, wil doen. Ik ben geen heilige, zal het ook nooit zijn. Ik doe wél mijn best om mens te zijn, een goed medemens te zijn, om iemand te zijn die iets betekent voor de gemoedsrust van de ander, van de naaste, dichtbij of veraf. Op die manier begrijp ik niet hoe een geloofszuster iemand rücksichtslos kan en durft te verwerpen, hoe ze zomaar iemand kan wegdoen zonder een gegronde reden op te geven.

Kijk, dat moet ik dan even doorléven wanneer het me overkomt. En dan reageer ik zoals ik reageerde, want mijn zielenpijn komt naar buiten. Ik denk dat dat mág, dat dat normaal is, zélfs dat het móét gebeuren, want je hebt recht op gezonde ontlading. Intussen is mijn gemoed weer gerust, kan ik weer schrijven en zelfs weer dichten. Maar dit: ik gun niemand de vernedering en dit ook: het is de evangelische bron die je moet koesteren, de liefde die je moet nastreven, altijd en overal, hoe moeilijk het soms ook is. Barbara zal heus wel nadenken, al ben ik bang dat ze in de ultra roomse sferen leeft en dan wordt het een hachelijke zaak om de liefde te blijven hanteren, de liefde die de vrede met zich meebrengt. Daar staan zulke strakke en wettische gelovigen nog heel ver vanaf. Je kunt erom huilen. Ik wel.

12 juli 2008

 

 

IC 26

Het was zoals ik heb gezien

 

Prachtig. prachtig, zei hij, over twintig jaar

word ik tachtig, zei hij, en we schreden

lachend voort door de lanen van ons leven,

waren blij, soms diepbedroefd, zoals het hoort.

 

We gingen door het land van stilte en veel leven,

we woonden in geen huis en zwommen in de vaart

tussen de struiken van de eeuwen, we sliepen

in de stad en bleven wakker als het moest.

 

We streden met de vijand, maar niet zomaar,

slechts in geest, we hadden vrede lief, geen haat

noch vijandschap, we wilden goed zijn voor

elkaar en voor de ander die ons niet begreep.

 

We schreven woorden op en zinnen die ons boeiden,

om te delen, aan te duiden wat ons bezighield;

 de wereld was geen paradijs en toch weer wel,

je kon er niets aan doen en toch weer wel.

 

We deelden onze God op, eerlijk waar, en maakten

liefde met een inktpen op papier om vast te leggen

wie God wás, en wisten niet maar voelden wel, zonder

te zien, terwijl God in ons hart bestond, en nog.

 

Hij was al zestig toen hij kwam, een tere toekomst

lonkte zacht maar onverbiddelijk verbonden aan de tijd,

die onbarmhartig is, zonder te dralen onze harten brak

en ons wezen; toch was het mooi en goed, en nog.

 

Ik heb leren kennen wie mijn hart stal op een keer,

toen ik niet keek en het gebeurde; ik kon er niets

aan doen, ik zag een ziel die met mij samensmolt

toen het gebeurde; en het was zoals ik heb gezien.

 

God moet gekeken hebben en gedacht: zo is het

goed; hij gaf ons tijd van leven, zegende ons

met wat er is gebeurd; we trokken lering uit

de dingen en weten het nu zeker: God is goed.

 

Prachtig, prachtig, zegt hij, bijna word ik tachtig,

zegt hij; de levenstrein raast haastig voort, te

haastig soms, en wij gaan, traag nog maar, door de

lanen van ons leven, wél geanimeerd en heel gerust.

 

In dankbaarheid,

Ine Verhoeven

Nijmegen 12 juli 2008.

 

 

IC 25

                                         KORT ZWEEDS

We hadden de smaak te pakken en reden naar Weeze. Vanaf het vliegveld Düsseldorf-Weeze vertrokken we naar vliegveld Skavsta nabij Nyköping. Het vliegtuig was zo goed als vol. De vlucht verliep rustig op een indringende gil na van een jonge vrouw die bang was toen we kort in een valwind geraakten; zo’n angstgil laat sporen na van onrust, heb ik gemerkt, het was jammer. Met de bus vanaf Skavsta reden we in rustige vaart naar Stockholms centrum; Patricia wachtte ons daar op. Het landschap waar we doorheen reisden, was op en top Zweeds: stabiel en rustiek, zo noem ik het, en misschien droeg het een zekere saaiheid in zich, maar mooi was het wél. Ook de rit vanuit Stockholm was verrassend en landelijk, in die zin dat Zweden niet expliciet landelijk te noemen is, het is bezaaid met rotsen en bossen, afgewisseld met heuvels en weilanden, die ook weer geen weilanden zijn. In de landstreek waar Patricia woont, zie je veel paarden, veel stoeterijen, veel draafvlaktes met omheiningen, zal ik maar zeggen, het geeft je een uitverkoren gevoel daar te zijn en alles te ondergaan zoals het op je overkomt.

We arriveerden in een verrassend Zweeds plaatsje, waar we een indrukwekkend Mormonenheiligdom aantroffen dat als enige in Zweden is gevestigd, een enorme tempel, ongekend en in zijn geheel met zorg onderhouden, het was te zien. Toen kwamen we bij een verrassend Zweeds huis met een ingetogen Zweedse tuin rondom, waarin onder de veranda een heerlijk zwembad was aangebracht dat er in Pipi-Langkoussfeer onlangs was geplaatst, ik bedoel: alles oogde pretentieloos, praktisch en doeltreffend. Ik genoot, het huis was liefelijk, er stond een jasmijnstruik te bloeien in volle witheid, er waren pruimenbomen en allerlei romantische braam en bessenstruiken die pas in de nazomer vrucht dragen, de seringen die als een grote haag om de tuin waren geschaard, waren uitgebloeid, maar het was niet moeilijk de sferen voor de geest te halen als deze paarse prachten alle in bloei stonden, wat een genot. De honden sprongen blij verrukt door de tuin en tegen je op, ik was verbaasd dat Lukas zo vrolijk was geworden, zo heb ik hem nog niet gekend. Chita -Sita- is een dot van een teef, ik zag haar voor het eerst, en die tere blik in haar bruine vrouwtjesogen deed me denken aan Bonnie, onze zwarte schat van destijds, zo keek zij ook. We zagen het exterieur en het interieur en waren verbijsterd hoe knap alles was ingericht, vooral de studio en de opnamekamer; de twee lady’s hadden alles eigenhandig aangebracht en opgeknapt, ze zijn deskundigen en architectonisch onderlegd; maar ik ken Patricia tamelijk goed en weet dat ze vele talenten in zich heeft die ze ook metterdaad benut en praktiseert; ik ben blij met haar, en eerlijk gezegd ben ik ook trots op haar, maar niet in de pronkzin, het zit diep vanbinnen.

De sfeer in huis was heel goed, ik voelde me thuis. Het hele weekend was één groot feest, we bezochten Patricia’s vader en zijn vrouw, we hadden heerlijke uren op de veranda van hun landhuis, de tuin had rotsen en water, veel lampen en wandelpaadjes, veel gras en tegen een grijze rotsblok had Caterina een struik rode rozen geplant, bijna religieus. We aten die avond aan de lange tafel van Caterina. Een lange eettafel was altijd al haar droom: voor de hele familie. De droom kwam gedeeltelijk uit, er ontbrak nog een gezinnetje, maar dat vertrekt vandaag naar Zweden: als verrassing voor Caterina, omdat zij de 4de juli vijfenzestig is geworden; ze weet tot op dit moment nog van nergens vanaf. Maar het was feest en het blééf feest. Piet verzorgde het vlees op de barbecue en bakte zijn befaamde frieten; Caterina maakte verrukkelijk rijst met grote garnalen en serveerde er frisse sla bij; we aten alles op.

De volgende dag gingen we gevieren naar het boeiende Slot Haringe, historisch en interessant, maar ook chic en gezellig. Het slot was uitgerust met unieke zaken, oude attributen en dergelijke, maar het boeiende ervan was voor mij het zwembad met erachter de theatertuin. Het klapstuk was wel de kleine grafcirkel rond een oude boom: er rustten meer dan dertig honden in eeuwigheid, ze waren van wijlen de eigenares. Dit kerkhofje met de grafjes, ze droegen een opschriftje met naam en toenaam, was een sfeermaker, je werd er stil van. Al met al de moeite waard en we genoten. Thuisgekomen rustten we uit, we zijn al wat ouder geworden, daarom.

Zondags was het een topdag wat betreft sfeer en gezelligheid, ik bedoel: we waren naar Nynashamn gereden om het oude schip te zien dat daar nog een paar uur in de haven lag, je kon erop klauteren en het bezichtigen, zo is gebeurd. Ter memo heb ik nu een witte pantalon met teerstrepen, mooi souvenir, ik draag het ding nog onder een lange tuniek, goed opgelost. In de haven was het een ouderwetse zondagssfeer, zo’n sfeer van een film uit de jaren ’20, zal ik maar zeggen, een filmsfeer met iets onwerkelijks, maar toch helemaal wáár. Zweedse mensen zijn klassieke mensen, vind ik. Ze hebben iets gedegens, iets stijfdeftigs ook. Ik dacht ooit zo’n sfeer in Engeland te vinden, maar ik ervaar deze steeds weer in Zweden, niet in Engeland, nog niet tenminste. Het was een middag van zon en wind, van samen theedrinken, van samen dineren, van vredige passanten en een uitzicht om nooit te vergeten: de haven met zijn schepen en bootjes, de mensen in hun fleurige kledij, de winkels en de bezienswaardigheden langs de kust en de oogstrelende reden van onze trip: The Swedish Ship Götheborg.

We waren één familie, we bleven één familie, en dat was de zoetste vrucht van dit korte verblijf bij mijn beminde dochter. We keken gezessen in de avond de voetbalfinale. Ik zei het niet, maar ergerde me aan het spel, vooral aan het spel van de Spanjaarden. Ze hebben gewonnen, ik vond het maar niks, had kritiek op hun slome verdediging, ja, ja, de beste stuurlui staan aan wal, ik weet het wel, maar toch, kwalitatief zinde het me niet. Ten slotte zat ik heerlijk in mijn uppie op de veranda schuin boven het zwembad, genoot van de rust van de tuin en het land, die bijzondere rust die doordringt tot in je ziel, en ik genoot van de wetenschap dat ik bij mijn dochter logeerde, dat ik eindelijk bij haar was; ze heeft een druk bestaan, een indrukwekkend bestaan ook; ik hoorde tweemaal haar naam genoemd op de radio, het is tóch niet niks.

De dag van vertrek gaf een mooi afscheid met Caterina & Piet die een taart meebrachten voor bij de koffie. Dochterlief zorgde dat Olivier en ik veilig en op tijd in de bus naar het vliegveld zaten. We vlogen in een rustige vlucht richting Weeze en arriveerden met de auto rond 21.30 uur in Nijmegen, hondsmoe maar voldaan, ook Olivier. Het was mooi geweest in alles, een weekend vol feest van geluk en vreugde. Wat een genade. Laus Deo, dat mag gerust en mínstens gezegd zijn, Laus Deo. Amen

Zaterdag 5 juli 2008

 

 

IC24

FEITJES & WEETJES

Vanmorgen, 19 juni, ging de rit naar Weeze Airport, we hebben genoten van de mooie weg door deze kalme regio van Duitsland. De reden van de trip was de oriëntatie voorafgaand aan de vlucht naar Zweden, het was goed om te doen; een mens wil zoveel mogelijk zekerheid in zijn wankele bestaan, ook met reizen, of misschien wel júíst met reizen. De middag heb ik verslapen, ik was afgemat moe, waarvan eigenlijk? Het euvel van vermoeidheid word ik niet de baas, maar ik merk dat gezeur over mankementen me hindert, wil er niet van horen, ook niet wat mezelf betreft. Mensen overdrijven snel, de ene kwaal is nog spannender dan de andere, o wat gaan er veel beweringen rond die kant noch wal raken. Enfin, zo gaat het.

De zomer is ingetreden, vandaag 21 juni, was een echte zomerdag zoals ik die droom, oer-Hollands met wolken en zon, wind en de dreiging van regen, alles bij een mooie temperatuur van rond 21° Celsius. We zijn vanavond op tocht gegaan naar Oortjeshekken, het was in het uur vóór de voetbalwedstrijd, want jonge, jonge, wat is het land voetbalgek en hoe is het volk in oranje gestoken; hordes mensen trokken naar de binnenstad, overal oranje, vrolijk en volks, maar het zag er in zijn vrolijkheid vredig uit, zo allemaal samen, zo iedereen één.

22 juni. Maar het heeft verloren, ons Oranjeteam. Je kunt ervan leren. Ik schrok van sommige teleurgestelde gezichten, ik snap dat niet: het was toch maar een wedstrijd, met voor beide partijen gelijke kansen van winnen of verliezen? Het was een knap stukje tele-entertainment, alleen al om te zien hoe Guus Hiddink reageerde op de Russische overwinning, nee heus, ik genoot van Guus’ reacties én van de reactie van de Russische president die vandaag opperde dat Hiddink de Russische nationaliteit zou krijgen in geval hij niet meer naar Nederland terug durfde… Kostelijk. In no time was vandaag alle oranjegekte verdwenen, de huizen ogen weer burgerlijk netjes en de straten liggen er weer rustig bij in hun soort. Och, het was mooi. Dat mag ons voldoende zijn, denk ik.

We hebben de zondag blij gevierd. Eerst was er de magnifieke eucharistieviering met de prachtige preek van pater Frans Boddeke in het Carolusziekenhuis, daarna vertrokken we naar Central, we zouden er Frans & Riet ontmoeten, jawel, na ongeveer 10 jaar. Het was een verrukkelijke bijeenkomst, we hebben gekeuveld alsof er geen blinde tijd tussen had gezeten. Dat is heerlijk, dat is goed, dat siert mensen en maakt vriendschappen kostbaar. Het stemt me ook heel dankbaar vooral omdat het zo bijzonder is, in mijn beleving, als het zo goed klikt tussen mensen en je elkaar vertrouwen mag.

Het is een hot day geweest. In de Sint-Jan en in de Bouwloods was het om uit te houden, maar in de stad was het akelig warm; op de Markt stond een muziektent met live zang en muziek, maar het was alleen schreeuwerige herrie, in ieder geval in mijn gehoor.

Het is een beetje ’n merkwaardig rubriekje geworden, dit schrijfseltje, er is geen directe pointe, maar ach, wie maalt erom? Het hele leven hangt van pointes aan elkaar, dus een keertje een column geschreven zonder strakke strekking is zo gek nog niet, denk ik. Feitjes en weetjes zijn ook gezellig om te lezen, het ligt in het verlengde, of in het begin, van het journalistieke verslag in krant en op tv, zal ik maar zeggen. Ik weet dat het overtrokken overkomt, maar zo bedoel ik het niet. Volgende keer verder, hopelijk met een doortimmerd stuk.

22 juni 2008

 

IC23

ONS KENT ONS

Kennen kinderen hun ouders? Hoe goed kennen kinderen hun ouders? Is het überhaupt mogelijk dat kinderen hun ouders ten diepste kennen? Ik denk het niet. Iedere mens heeft zijn eigen geschiedenis, zijn eigen jeugd doorlopen, zijn eigen leven geleid tot aan het huwelijk, zal ik maar zeggen. Binnen het huwelijk wordt het leven gedeeld en is er sprake van een nieuw gezin, zeker met de komst van kinderen. Ik dacht hier vanmorgen over na en raakte verwonderd. Vlak na WOII waren mijn ouders nog tamelijk jonge mensen in tijdsbegrippen, zij waren toen gevorderde veertigers en aan het einde van die oorlog was ik een kind van twee. Ik dacht sterk aan hen door middel van ons bezoek aan onze Tilburgse vrienden, gisteren na de voorstelling van Ciske de Rat in Eindhoven op 12 juni, in die volgorde was het geschied. Boudewijn en ik zaten gistermiddag achter in de nieuwe auto van Veronica & Joop, een zilveren car van standing, marvellous en eigentijds. We reden door Brabant en dat wekt geheid emotie op bij ras Brabanders, ik ben er een. Ik genoot en herinnerde me al doende de autoritten met mijn ouders, want we reden door het landsdeel dat ik van jongs af aan heel goed heb gekend. Voor in de auto, een DKW met open kap in de zomer, zaten mijn ouders en achterin zat ik, soms met mijn 6de broertje erbij, maar meestal niet. Met Veronica naast de chauffeur, haar Joop, in het vizier was de link naar het oude beeld van mijn ouders snel gelegd: Veronica is donker als mijn moeder was, en trots en dame en goed gekleed als mijn moeder was, en Joop reed de wagen zoals mijn vader altijd deed. Bij mijn ouders in de wagen zong ik altijd, keek verrukt in het rond en was geroerd door de weidse omgeving van bloemen en bomen en gras, van huizen met tuinen en van slingerpaden langs het donkere bosgebied. Mooi is dat, vind ik, een dergelijke herinnering in het eigentijdse bestek van leven, mede door het tegenwoordige moment nieuw opgewekt.

Ik wist het, ik ging zingen, trok me niets aan van eventuele valsheid in gezang, vroeg eerst: kennen jullie dit? en zong het uit: Brabant, ik zing van je groene gouwen/ goudgeel kleurt zich de hei met de brem/ heerlijk bloeien uw landouwen, rijen zich langs bos en ven/ de herder stouwt zijn blatende schaapkens langs de dreven ongerept/vlug naar kooi als het klokske in de avondstilte klept.// Dan moet ik zingen van mijn Brabant/waar toch eens mijn wiegske stond/ van mijn volk gehecht aan zeden/ dat bij strijd zijn menneke stond/ dan moet ik zingen van het liefste/ dat ik ooit bezat op aard/ van mijn goeie Brabants moeke/ trouwe ziel van huis en haard. Vroeger zong ik het lied op de fiets, in bad, soms voor het slapen gaan en dan weer achter in de auto bij mijn ouders; ik hield een arsenaal aan folkloreliedjes bij, ik hield ervan: Daar ging door ’t gehucht/ een wonder gerucht/ het was van een jonge boerinne/ zij dorste heur graag/ liet het spinnenwiel gaan/ en reed zij op Grauw, d’ezelinne/ dan lachte de tortel haar na: hahahahahaha/ dan lachte de tortel haar na, haha, haha, hahahahaha. Maar dit deuntje zong ik gistermiddag niet. Het was niet aan de orde, het ging om Brabant, dat stukje Nederland waar we gemoedelijk doorheen zoefden in de luxe van de rijke slee. We legden aan bij oude boerderijen en kochten in de boerenwinkeltjes kaas en asperges en andere eetbare flauwekul, gewoon om de gedachte. Een mens als jij wil de gekunstelde wereld soms ontwijken, het oergevoel voeden en dan ga je een boerenerf op en je loopt langs de waakhond die in de ren hard blaft, arm beest, gevangen in vrijheid.

Snuif, heerlijk die frisse lucht, vers van de aarde, vers van de wei. De boeren hadden nog niet gegierd, dat scheelde. Wat kan een mens kinderlijk verrukt zijn. Ik was het in ieder geval. We dronken geen koffie bij Bos & Duin in Udenhout, waar we vroeger de paarden  verzorgden na een lange bosrit vanuit Vught. De riante optrek had iets wanstaltigs daar in het boerenland, iets van overjarige adel, oneigentijds chic, maar we waren op de boerse toer, dat scheelt natuurlijk in de beleving. O, het was een mooie middag.

De avond ervoor waren we naar het voorlaatste optreden gaan kijken van mijn kleinzoon Flemming in het theater van Eindhoven. Het was weer heel indrukwekkend geweest, die kleine man op het grote podium, hoe knap hij zijn rol van de jonge Ciske speelde en zijn sologezangen subliem ten gehore gaf, zoals: Amsterdam, Krijg toch allemaal de klere en Ik voel me zo verdomd alleen. Ik ben een dankbaar mens, maar ook een verwonderd mens: dat ik het allemaal mag beleven. Die jongen, wat een vreugdebode! Hij weet het niet, maar hij is het wel.

En vanhieruit dacht ik na over de onderlinge kennis, het weten van elkaar door ouders en kinderen, dat ze elkaar amper echt kunnen kennen omdat er de generatiekloof is die bestaat van de tijd ertussenin, alles bestaat van de tijd, je kunt er niet onderuit. Je vraagt je af hoe je ouders het deden als kind in hun tijd, je weet het niet, zult het nooit weten. Je kunt alleen respect hebben voor wat ze opbouwden ten gunste van jou, voor wie ze waren, hoe dan ook. Ik heb in mijn leven opvoeden altijd als een zware opdracht gezien, een taak die zijn weerga in plichtsbetrachting niet kent;  je vormt je kind vanuit jouw wezen, je wezenlijke zijn, iets anders heb je niet, alleen je eigen wezenlijke zijn; je kunt slechts je best doen en bidden en hopen dat je je kind evenwichtig grootbrengt, dat het goed met hem zal gaan. Hier zie je weer dat terugblikken niet veel oplevert, omdat de verleden tijd alles verzwakt, vertroebelt en relativeert. Je kunt het beste tevreden zijn met alles in het nu, met hoe het voor jou en je dierbaren geworden is. Het is, ongeacht, goed geweest. Als je dat kunt zeggen, ben je een schatrijk mens. Verwijten maken haalt niets uit. Je bent zelf ook van fouten groot geworden, en wijs en mild en vergevingsgezind. Zo hoort het ook. De wereld draait door, de mensheid ook; mensen verdwijnen, er komen nieuwe mensen voor in de plaats; generaties verlopen natuurgetrouw en bouwen zich evenzo op. Ieder moet op zijn beurt leren wat wij, ouderen, intussen aan levenslessen hebben ondergaan. Het proces zal altijd cirkelgewijs verlopen. De wereld blijft doorgaan, het leven ook. Laat ons bidden dat die wereld de mensheid verdraagt, dat die mensheid de wereld verdraagt. Laat ons bidden en hopen op een betere mentaliteit onderling, een evenwichtig samengaan van alle naties en rassen, rangen en standen. Laat ons werken aan het Nieuwe Jeruzalem, stad van vrede en toekomst voor allen, voor állen in harmonie. Dat zou hemels mooi zijn, hoger kan een mens niet komen: leven in een wereld met vrede en brood en goedheid voor allen. Het lijkt Brabant wel, Brabant op zijn mooist. Och, ons kent ons.

 

IC22

 MIDDAGDUT

Het is zomer, nog maar begin juni, maar in alles is het zomer. Op mijn balkon zit ik in de zachte kussens van de verweerde rieten stoel, ik kan er geen afstand van doen, het is een oud ding, ooit van mijn kinderen ten geschenke gekregen. Een mens hecht aan zulke materie, je bloedband is eraan verbonden. Je weet het wel, je moet de dingen loslaten, zeker op den duur, maar als het niet per se hoeft, dan toch maar liever niet, nóg niet. Het is vooral de herinnering aan je kinderen die je vast wilt houden, het gaat niet om de materie, niet om de stoel.

Ik droom weg in de schaduw van het balkon, weg in de tijd, moe als ik ben en slaperig, ook al is dit dagdeel nog maar het uur van de noen. Vanaf het schoolplein klinken kinderstemmen. Ik neem ze mee in de middagdut, ga er dromenderwijs op door. Het kind heb ik hoog, het kind is de toekomst van de wereld. Ik zie de kleintjes, mijn eigen bloedjes, weer spelen in hun kindertijd, het was in de jaren zestig dat ze als klein, kwetsbaar kind nog beschermd opgroeiden, nog ver genoeg van de grote, machtige wereld af, een wereld waar je als opvoeder niet echt blij mee was, wat een zorg. Maar ze hebben standgehouden, de kinderen, ze speelden, leerden, sportten, groeiden voorspoedig op en namen daarbij spelenderwijs de zorg voor de dieren van ons gezin mee, voor de honden, de papegaai, de bandvinkjes, de parkieten, voor de bok en de pony; het is educatief voor een kind zorg voor dieren te hebben, het leert hem de humaniteit ontwikkelen voor alles en allen.

Humaniteit. Goed omgaan met mens en dier. Respect hebben voor elkaar. Vrede maken om je heen. Liefhebben, zorgen, samen lachen en blij zijn, en geen jaloezie kennen, haar niet toelaten als ze in je opkomt, want jaloezie maakt mensen lelijk in hun hart en onmogelijk voor zichzelf en hun omgeving. Jaloezie is een gevaarlijk struikelblok voor de mensheid. Je moet al vroeg leren jezelf weg te cijferen, in zekere mate, en de ander volkomen het zijne te gunnen, steeds zonder wrok of afgunst. Als het je lukt, lief kind, wat ben je dan mooi als mens, wat heb je dan al veel bereikt, wat zul je vruchtbaar zijn voor de wereld om je heen, voor je medemens en voor jezelf, want jij, kind van me, kind van ons, jij telt mee, jij telt volop mee in de grotemensenwereld, jij telt mee in evenwaardigheid aan iedereen die het goede nastreeft.

Wat zijn die bloemetjes lieftallig, dat kleine gipskruid in zijn lila kleur gevangen. De volgroene bomen in het kleine bos achter Wolverlei verspreiden een zoete geur, heerlijk junizoet, zo’n geur ver boven de cosmetische parfums uitgetild.

Alfa en Omega, twee godenletters in kapitalen. Ze gaan in elkaar over. Ze vormen één geheel. Ze openen en sluiten en symboliseren wat je te doen staat. Van het begin tot het einde, dus gedurende heel je leven, in je leven dat op God is ingesteld, zul je zorgen en werken en goed zijn, zul je hoe dan ook dankbaar zijn en hem lofzingen, ora et labora. Hij is je redder, je leidsman, je rots. Hij belooft je een leven dat goed zal zijn, hij staat voor toekomst, voor nieuw perspectief; en voor de allerhoogste liefde. Zie, ik maak alles nieuw, heeft hij gezegd. (Apocalyps) En dit mag je doorzien, hier mag je uit putten, heel evident: hij heeft ons lief, hij gunt ons het beste, méér dan het beste, luister maar: alles wordt nieuw, zegt hij.

Vernieuwen, dat is liefhebben, dat is houden van. Want iets nieuw maken voor de wereld, voor de mensheid of voor iemand alleen, want nieuw perspectief scheppen voor wie de weg kwijt is, verloren dreigt te lopen, ten ondergaat in de geest, dat doe je door te beminnen én door te vergeven. Beminnen is niet zwaar en vergeven ook niet, want het gebeurt van binnenuit. Beminnen roept vrede op én tevredenheid, vergeven doet dat ook. Wie tevreden is, heeft lief, want niets belemmert zijn ziel en zijn denken, alles is goed zoals het is, en daar komt de vrede uit voort én de vergeving; de vergeving is noodzakelijk, alleen de vergeving schept volkomen nieuwheid. Vergeven metterdaad is daarom hoogstaand liefhebben. 

Ik zit daar nog in mijn oude stoel. Het is nog steeds heel erg zomer. Mijn gesoes komt voort uit de warmte van de dag. Ik peins na over mijn droomgedachten, die beelden in mijn slaperigheid. Het is goed, het leven is goed, alles is goed, denk ik. Ik geniet van de wereld om me heen en hoe miniem mijn balkon ook is, ik voel me rijk en ben tevreden.

Een hommel, verzadigd van elixer uit de lavendel, danst zwaar langs alle bloemen heen, waar is zijn woning? Zal hij een goed onderkomen hebben? Och, het is je zorg niet, denk ik, zij zorgen voor zichzelf, de hommels. Je moet bij jezelf zijn, zorgen voor jezelf en daardoor zorg je voor de ander, voor elkaar, voor wie je dierbaar zijn. Draag elkaar mee in je hart, in je wezen en in je goedheid; het maakt je nieuw, het maakt óns nieuw: elke godgegeven dag weer. Misschien zijn wij wel de nieuwe kinderen van God, denk ik even, maar dat weet ik natuurlijk ook niet. Alfa en Omega. Met je zorg voor het kind, voor je naaste en jezelf.   

(2 juni 2008)

 

IC21

OERPRIMITIEF

Mijn balkon is versierd met roze bloemen van allerlei slag, net een bont stadje met veel gemengd mensenras, maar dan in de diversiteit aan roze. Ik zag op de televisie een oude indianenstam, een kleine groep wilden in het Amazonegebied, ik werd er verdrietig van en vraag me af waarom eigenlijk? Ze stonden daar kwetsbaar als expliciete roodhuiden en een was totaal zwart geverfd, de roodhuiden richtten hun angstpijlen op de bromvogel aan het firmament. Het deed me wat, en ik kon er eerlijk gezegd niet goed naar kijken, dat beeld was getekend met een akeligheid, een confrontatie wellicht die ik niet wil. Je ziet aan deze mensen, aan deze oermensen, hoezeer wij zijn gerelateerd aan het diersoort, het beest, we zíjn een diersoort, maar dan in de loop der lange, lange tijd gecultiveerd, geworden tot wie we momenteel zijn, een mensensoort dat vaak de kluts kwijt is, oorlog voert - ze kunnen het niet laten, het is hun oerinstinct. Ik weet dat ik bij sommige mensen de woede oproep als ik ons vergelijk met een dier, het is toch: 1 mens, 2 dier, 3 plant, in deze rangorde? Och, het doet er niet toe, we zijn in oorsprong van de aarde, van de grond, van het water, we hebben ons opgebouwd, ontwikkeld tot beschaafde schepsels en dat is goed, al zouden we als mensen milder mogen zijn.

Om terug te komen op de oerindianen anno 2008 in het Amazonegebied: sommige mensen zijn trots op hun vorige leven, vermelden met veel decorum dat ze ooit als indiaan zouden hebben geleefd, liefst ook nog als opperhoofd, het blijft frappant. Maar ik zie het voorrecht niet direct. En dat zie ik ook niet als iemand me vertelt dat hij op die manier van adellijke komaf zou zijn; ergens in zijn vorige leven is zo’n dromer dan Napoleon geweest, of Joséphine, of Marie-Antoinette. Ja, ja. Merkwaardig is wel, dat het televisiebeeld van de indianen me in deze richting aan het denken heeft gezet. En zo zie ik telkens weer Mia voor me, een Zweedse ex-indiaanse, een moderne kol met toverkwaliteitjes anno 2008, hoe bestaat het; ze was, volgens zeggen, een indianagirl geweest en ze droeg altijd een klein veertje bij zich, als oorhanger, het was denkelijk haar amulet. Ze wist zich bijzonder, ver verheven boven anderen, je voelde het gewoon. Maar ook Jessie, waar zou ze nu wonen?, had volgens haar hypnoses vele levens geleefd; zij had zowat alles geleefd wat aan hoge stand maar mogelijk was, liefst op Engels grondgebied, maar ook was ze ooit een indiaanse én nog eens een Egyptische prinses. Je hebt het in deze sferen voor het uitkiezen, merk ik, en als je die verhalen wilt geloven, was je zelf ook ooit een of andere ster, de geliefde van een staatshoofd of keizer, hoe hoger hoe beter, ik hoorde nog nooit dat iemand toen een belhamel was, een musketier of een boef. Je ziet de willekeur. Ik houd dit denkverschijnsel het liefst bij me weg, maar je weet dat het bestaat en dat hele hordes zich er heel eigentijds in verdiepen. Het mag allemaal.

In het uur van Knevel & Van den Brink kwam gisteravond het indianenonderwerp weer ter sprake, een vlotte dame wist er veel over te vertellen, maar ook was er de problematiek te beluisteren over medisch selectieve bevruchting, een thema dat door gestrenge Christenen in ons land wordt aangevochten en verworpen. Ons land wordt steeds maller, onze zienswijze steeds chaotischer, ons leefpatroon steeds sektarischer bepaald - als we niet oppassen. Ik vraag me af waarom dat christenspan der CU over de wezenlijke beschaving, die het item feitelijk inhoudt, wél veel bombarie maakt maar over de laakbare seksindustrie, zoals die per televisie bij ons binnenkomt, níét. Ik wil maar zeggen dat de wereld nog lang niet klaar is voor het rijk Gods, of misschien ook weer wel. Opmerkelijk genoeg is de bijbel een hoog beschavingspunt, waar we veel goeds mee kunnen doen, maar je moet de engte en de benauwenis van je geloof in hemel, hel en verdoemenis wel verlaten, durven verlaten, en de beschaving omarmen, anders ben ik bang dat de halsstarrige CU met haar primitieve geloofspijlen als bange indianen blijft schieten op de nieuwe wereld, de nieuwe aarde, de nieuwe beschaving. Wanneer je de hand van God in de dingen ziet, kun je niet het een wél aanvaarden en het andere verwerpen. Je kunt ook dankbaar zijn met de verworven ontwikkeling uit moeizaam vergaarde kennis en ermee aan de slag gaan om er voor de mensheid iets goeds van te maken. Misschien doen dat die indianen op een goede keer óók, als hun angst weg is en een nieuwe ontwikkeling, de menselijke beschaving, inzichtelijk kan worden opgepakt, los van de oude primitiviteit.

Ik ga stofzuigen, de was ophangen en dan naar buiten; de zon schijnt flauwtjes, maar net voldoende om de goede zomer te proeven. De roze bloemen op mijn balkon weten van niets, de vogel zingt en roept wat hij kan, en ik? Ik ben tevreden met mijn menszijn, heel tevreden. Al heb ik wél haast in de tijd. Er valt nog veel móóis te beleven, nu.

Zaterdag 31 mei 2008.

 

IC20

ERFENIS

Sybil had de spulletjes voor ons opgehaald bij de beherende familie, zodat we geen lange rit hoefden te maken, we worden daadwerkelijk ouder. Ze droeg twee tassen met zich mee, en ze had de trein genomen. De ene tas bevatte een geborduurde afbeelding van Frans Hals, waar niet om was gevraagd, er was een andere afbeelding bedoeld, enfin, de tweede tas was interessant, daarin zat de gedachtenis aan de sacrale priesterwijding, wat eraan vooraf ging en wat erna was geschied; de set was compleet met foto’s, toespraken en opgetekende geschenken, dít was de schoonheid van zíjn vererving. Een gebroken en gelijmd Mariabeeld, dat nog steeds lieflijk is, maakte het geheel compleet, met nog een roosachtig niemendalletje voor een waxinelichtje. Het was heel wat in zijn eenvoud.

Die foto’s waren zeer boeiend om te bekijken, alles was ruim vijftig jaar geleden geschied, je kon het gezicht bij een enkeling niet meer achterhalen. De jaren ’50 hadden nog stijfdeftigheid, vooral de ouders van de neomist zagen er gedistingeerd chic uit, en alle dames droegen in die tijd nog hoeden. Ik genoot van al die nostalgie, zag nonnen met kappen en de clerus strak in het priesterpak gestoken; in de heilige missen was het een en al blinkend kazuifel, de neomisten, aanvankelijk nog in sereen wit onderkleed, zag ik liggend op de grond, in volle, overtuigde overgave aan hun roeping, hun heilig ideaal. Het was alles met recht gezegd uit de oude doos, maar echt mooi en zeer bijzonder, vind ik.

Toen volgde mijn droom en het gebeurde vannacht dat ik onderweg was naar U. om met de mensen op de foto’s te praten over het belang van een goede verstandhouding, het leven is kort. We reden U. binnen en reden daar rond, ons bedenkend van: niet doen, zeg maar niets, we gaan het dorp in, laat maar gaan. Ik zette mijn autootje weg en we liepen daar langs de straten, in ondersteunde mijn metgezel, waarom weet ik niet. Toen zaten ze daar, de twee familieleden, op een bankje langs een brede straat; we zagen hen aanvankelijk niet, toen ik wel, hij niet, en we liepen door met bloedend hart, ik dus. De man keerde zich schuin om, zag ons en richtte zich tot zijn broer, die emotievol zich inhield voor tranen, de vrouw naast de man stond op. Ik liet het drietal alleen, ging verderop en raakte de weg kwijt.

De twee van het bankje waren onlangs verhuisd en ik wist niet waar ze woonden. Via passanten vond ik het huis en belde aan, er werd niet opengedaan, ik zocht naar een deur om binnen te komen en kwam via de achteringang in een gangetje terecht dat naar de woonkamer voerde, ik zei gedag. Maar het ging niet om mij, het ging om de broer, mijn metgezel, alleen met hem werd gesproken, al betrok hij mij in het gesprek.

Ik ging de auto halen, we zouden teruggaan, er was niets aan de situatie veranderd behalve die vrouw, die herkende ik maar niet, was dat C. wel? Hoe ik ook keek en haar probeerde te herkennen, ik zag C. niet terug in deze vrouw, tóch was ze het. Ze had geen spoor van make-up, geen mascara, zoals ze altijd wél had, ze was blanco, zal ik maar zeggen, en alleen haar stem bewees dat ze C. was. Ik vond het akelig, omdat ik C. in haar wilde zien en nu sprak daar een ándere vrouw, ook al wás ze C.

Ik vond de auto niet, nergens te bekennen, alle marktjes, alle straten, alle pleinen, het waren er veel in mijn droom, overal had ik gekeken en gezocht, maar er was geen autootje te vinden dat maar enigszins op het mijne leek. Bizar, dacht ik, dat woord wordt tegenwoordig heel vaak gebruikt, en ik belde aan bij vele huizen en ging door vele straatjes en zelfs door smalle gangetjes om het autootje te vinden: niets. Één man hielp me vanuit zijn woonhuis naar de woning van de familie, want die was met dit gezoek wéér onvindbaar geworden; ik ging binnen door een achterdeur, zag weer een pratend gezelschap zonder belangstelling voor mij of het probleem. ‘We moeten naar huis terug,’ zei ik, ‘die auto is gestolen, die is zo ontzettend wég dat hij gestolen moet zijn.’ Ik overzag in gedachten de rompslomp met de verzekering, probeerde me ook het rommelige inboedeltje te herinneren en wist de helft nog maar. ‘We moeten naar de politie,’ zei ik, ‘maar ik zoek nog één keer.’ Weer ging ik naar buiten, weer deed ik de hele ronde, weer nergens het autootje. Door die ene achterdeur ging ik terug naar binnen en aan de tussendeur van het gangetjes hing een boeketje bloemetjes. Daar stond C. achter die gesloten tussendeur en zei door het glas dat die bloemetjes voor mij waren. Nog steeds herkende ik haar niet, al was ze C. echt. Ik was verrast en voelde me getroost, nam de bloemetjes van haar aan en we gingen naar huis, waar kwam die auto ineens vandaan? Ik werd wakker, het was rond 10 uur vanochtend. Wat een erfenis, eigenlijk, met zo’n droom als resultaat. Je kunt er regelrecht mee naar een psycholoog.

IC19

BEWIJS

Sommige bloemen roepen duizend zoete herinneringen in je op. Gisteren koos ik bij de bloemenkraam van C1000 geurige violieren uit, dieproze, of zijn het dieprode, ik kan de precieze kleur niet duiden, maar wat zijn ze mooi. Violieren horen bij de meimaand, bij de junimaand ook, ze zijn van het volle voorjaar en van de beginnende zomer, vind ik. Hun zoete geur stemt ingetogen, ik ga er van mijmeren, terugdenken aan dat kleine bruidje in de processies van de jaren ’50, toen ik nog een ongetemd kind was vol onwrikbaar vertrouwen en geloof in mensen en in God. Die geur blijft een heerlijk kleinood voor je, die bloemen zijn kostbare memo’s geworden, ze zullen het blijven ook, je kunt er nooit meer onderuit. Maar dat vertrouwen in mensen en in God, daar hapert het intussen met regelmaat. Het kan ook niet anders, je moet als het ware ijzeren voeten hebben om onwrikbaar je geloof te belijden, om pal te blijven staan voor wat je gelovig leerde en nooit bewezen kreeg. Je moet immers redelijkerwijs alles wat je in je opnam en ter lering aangeboden kreeg, kunnen plaatsen, kunnen bevatten, om voor jezelf eerlijk te kunnen stellen: ik geloof, ik geloof in God. Het is een diep stuk beleving dat je niet mag overslaan, je moet rijpen in je geloof, je moet erdoorheen en het is niet gemakkelijk.

En toch. Zal het de oude dag zijn? Ik denk het soms. De tijd brengt een mens, als dat gewild is, voelbaar nader tot God. Is het door de rust die je zoekt, die je nodig hebt en die je zo dierbaar wordt? Het leven krijgt een sereniteit die je vroeger met flarden ontving, een ingetogenheid die ik tevredenheid noem. Je blijft, ouder geworden, achter met wat je voelt, je blijft overeind met wat je ervaart en, niet het geringste, met wie je geworden bent. Ik pleit altijd door voor mooie herinneringen maken, je levenseinde wordt dan schoon en teder en beleefbaar, zelfs sterfbaar. Wat is het geloof dan een troost voor mensen, het geloof dat je van mij vertalen mag naar innige tevredenheid.

Maar dat Godsbewijs dan? Waar blijft dat gezicht van God? Moet ik daar eerst voor sterven? Waar ligt de Godsontmoeting, de eerste concrete kennisneming van Gods wezenlijke zijn?

Je hebt, als het normaal verloopt, een leven te gaan, een tijd om te ondergaan en te leren, om te worden wie je bent, díé je bent. En je hebt een leven te gaan om God te ontmoeten, hem te leren zien, hem te doen bestaan. Dat bewijs, dat expliciete bewijs, heb ik gedacht, is dat wel nodig? Je voelt in je diepste menszijn ten volle de aardsheid aanwezig, maar ook de innerlijke schoonheid van het leven, verheven en genadevol, niet in woorden te vangen, zo goddelijk. Je ervaart in je late dagen een genade die is gemaakt van een ongekende tederheid die geen mens je kan geven. De rustigheid in je ziel is Gods aandeel, is het leven geleefd, is de cirkel in volkomenheid. Alles heb je doorstaan, vaak meer dan je aankon, alles wat voor jou was weggelegd, heb je geleerd, dus menslief, je tijd is rond, je leven is rond, je bent helemaal af, volkomener kan niet, dit ben jij, dit is je lichaam en je geest. Je hebt je leven geleefd in het hart van de volmaakte, onze God. Zoals de bloemen in mijn vaas mij dienen met hun levende schoonheid en straks zullen sterven aan de tijd, zo zal het ons vergaan met onze God. Hij weet, hij bepaalt, wij mogen wachten en verwachten. Of niet. Er is geen bewijs, nog nooit geweest, en het hoeft ook niet, omdat het goed is zoals het is. Het gaat menselijkerwijs alleen nog maar om de tevredenheid in je diepste ziel. Wat een bewijs. Wat een geluk. Wat een genade. En wat móói zijn die bloemen! Ze geuren naar God.

Zaterdag 24 mei 2008

 

IC18

ZATERDAGMORGEN

Toen werd het vrijdag en de regen was gekomen, goed voor land en gewas, we hadden optimaal geprofiteerd van de dagen met zon en wind en heerlijkheid, het was goed. Buiten beleefden we een feestelijke lente en binnen bleef alles aan huiswerk liggen, maar nu niet meer, de stofdoek wordt ter hand genomen, de strijk komt aan de beurt en de stofzuiger gaat straks vrolijk door het huis; ramen zemen doe ik niet, daar heb ik de capaciteit niet (meer) voor. Ik zie wel hoe dit op te lossen is, hoewel, de ramenwasser heeft intussen geen belangstelling meer voor een flat met zeurende oude mensen, er zijn er onder de bewoners die het bijvoorbeeld presteerden de yogales en de bevriende huisbezoekjes voorrang te geven precies op het moment dat de goede man zijn diensten aanbood, dit in een tijd dat je nauwelijks glazenwassers bereid vindt je veel te hoge en ingewikkelde ramen te komen lappen tegen een redelijke prijs, enfin, het is altijd wat. En zo is het dat het intussen zaterdagochtend is en wij vandaag de verjaardag van Philomena gaan vieren, de rit gaat naar Eindhoven doorheen de regenval, het is weer ouderwets Hollands. Ik heb een reuzedoos bonbons voor haar, om uit te delen natuurlijk, niet zozeer om op te snoepen, bijvoorbeeld bij gebrek aan gezelligheid, tja. De tijd vliedt, we weten het wel, en we worden gestaag oud, och, als dat laatste maar wil lukken, dan is het nog niet zo slecht met ons gesteld. En nu ga ik eerst mijn kralensnoeren ophalen in Wychen bij de juwelier, ze zijn opnieuw geknoopt, eindelijk. Ik benieuwd hoe geslaagd ze zullen zijn, of niet.

 

PROBEREN

De zomer leeft volop in deze meimaand, de oude vogel zingt elke dag nog nieuw, ze is vanmorgen thuis op het balkon en ík schrijf mijn woorden op omdat ik het leven wil vangen. Het laat zich niet vangen, maar als ik om me heen kijk en tegelijk de meizon op mijn gezicht voel bij al dat jonge groen en bloeisel, dan wil ik het proberen. Eigenlijk is het leven een en al proberen, uitproberen, is toetsen en testen van de mens in je omgeving en van je eigen gemoed: wat wil ik écht? Mijn leven was bewogen en indringend, weinig vriendelijk en toch ook weer wél; ik had niets van wat me gebeurde, willen missen, maar ik zou het óók nooit meer zó over willen doen. Er zijn nogal wat mensen die geloven in reïncarnatie, dat doe ik niet, bewust niet omdat ik christen ben, maar ook omdat het mijns inziens een oneerlijke cirkel is. Een cirkel die uiteindelijke nieuwheid belooft maar nimmer afgerond wordt, tenzij je terug zou keren als grasspriet, ik noem maar iets. Als grasspriet kun je wellicht ontelbare malen uit de grond opschieten, op die manier kun je óók een cirkel vervullen, maar dat wordt niet bedoeld door de gelovige wijsgeren uit de verre landen. Enfin, naarmate ik ouder word, ben ik steeds intensiever een kind van God, een kind van de bijbel, een kind van de liturgie, want in de liturgie geloof ik ten volle.

Het was de eerste dag van Pinksteren 2008. We gingen, na de hoogwaardige eucharistieviering in het GZG en na de koffie met eenvoudige lunch bij Central op de markt, naar de Bossche kathedraal. Het is een feest geworden. De vendelzwaaiers brachten hun groet en ode aan Maria. Ze droeg haar nieuwe kleed met bijzondere symboliek erin verweven. Het hoofdaltaar van de kathedraal toonde dieprode anjers en dito gladiolen. De hele sfeer was pinksterlijk te noemen, en we gingen welgemoed de kerk in achter het altaar. Op een document stond te lezen dat de Bouwloods open was en dat Nelleke de Laat de nieuwe mantel van Maria daar had tentoongesteld onder de noemer de Allemantel van Maria. Dat wekte onze belangstelling met gevolg dat we de Bouwloods ingingen en hét uur van deze pinksterdag beleefde, het was tóp: we zagen, het was op de eerste verdieping, een felblauwe mantel van glanzende zijde en aan de rand was sierlijk chic en volks tegelijk een rand te bewonderen met allerlei bloemige frutsels, handig gemaakt van liefdevol afgestane lapjes van het volk. Het was prachtig. Ik kreeg er geen genoeg van. Een gids loodste ons zeer privé langs de oude stenen beelden van de oude Sint-Jan, maar de mantel bleef trekken en we gingen weer kijken; inmiddels was de kunstenares gearriveerd, en Cor Zwanenberg, de Balkumse volksdichter, en enkele mensen met militaire achtergrond: zij zochten hun lapje, het was van hun zoon uit Afghanistan. Ontroering genoeg. Mijn blik bleef éven rusten op een bekend gezicht, die man, wie is dat toch, ik kén hem. Het was oud-minister Braks, gelovige katholiek, denk ik, zoals ook Van Agt intens katholiek is gebleven. We waren zodanig aangeraakt dat we van de weeromstuit het boek van Nelleke kochten: Allemantel – mirakels van nu. We schrokken, het kostte € 35. Bij thuiskomst bleek het de moeite waard, vooral door de kleurrijke inhoud en de vertederende briefjes van de gulle gevers, al was het wel primitief uitgegeven, ik bedoel, er was slechts een geringe redactie gepleegd. Toch is het een mooi boekje, een Brabants kleinood, zo voel ik het. Enfin, ik zou inderdaad het leven in woorden willen vangen, maar het is niet te doen, je kunt de werkelijkheid niet in inkt weergeven, je kunt de werkelijkheid slechts benaderen. Ik hoor mijn oude vogel, ze zingt alweer met haar stemmetje nieuw. Allemaal genade en troost en nieuwe levensmoed, voor mij.

Ine Verhoeven 13 mei 2008

Nelleke de Laat: Allemantel – mirakels van nu (2008)

 

IC16

ALLES GEHT VORÜBER

Het zijn de tranen in je ziel die je verstikken, het is de pijn in je geesteshart die je strikt in gemoed. Soms heb je van die momenten vol zwaarte. Je weet niet hoelang ze duren, wanneer een nieuw lichtpunt daagt dat je innerlijk opnieuw verblijdt. Ach, het leven is aaneengeschakeld van lief en leed. Als je ouder wordt, zie je het duidelijker. Dan zie je dat de tijd het van alles en iedereen wint, en dat vreugde en verdriet betrekkelijk zijn, want alles wat is, verwaait op een keer, verdwijnt onverkort. Je weet, als oudje, heel goed dat je niet meer vooruit kunt als toen, toen je jong en krachtig je dingetjes deed, je plannen volvoerde, je gasten ontving, op reis kon gaan of aan de wandel, nog nooit moe was. Margarete verzuchtte het de laatste jaren bij herhaling: Alles geht vorüber, alles geht vorbei. En vaak zei ze ook: Alles IST vorbei. Het is geen wijsheid, het is het ware feit dat je in je menszijn op een keer met pijn en verbazing constateert. Margarete heeft het ten diepste beleefd, het denkelijk als een groot verlies ervaren, anders had ze het niet zo vaak gezegd. Ze was een nuchtere vrouw, maar ook een levensgenieter. Ik heb dít van haar geleerd: Doorgaan en opgewekt zijn in alles. Ze zal dit zelf niet volkomen hebben uitgeoefend, ook háár broze leven was menselijk, maar ze leefde het haar nazaten wél voor, toonde het hun in ieder geval als je haar ontmoette. Het vrolijke zat in haar aard, ze was ermee gezegend. Met zo’n voorbeeld kun je verder, draag je mee als een icoon, bemoedigt je geest ten beste.

Het jammere is dat je eigenhandig zo weinig kunt toevoegen, dat je afhankelijk bent van je medemens, dat je niet alles alleen kunt doen, hoewel het soms zal moeten. Ik bedoel: je hebt elkaar nodig, en dat geldt voor iedereen. Je kunt alles eenzijdig uitvoeren, je kunt alleen aan tafel gaan, alleen gaan slapen, alleen gaan wandelen, alleen op reis gaan, het meeste kun je alleen doen, maar je kunt niet alleen bezoek ontvangen als er geen bezoek is. Dat is het euvel van heel veel ouderen, van veel te veel ouderen: ze zitten alleen. Zo zal het een hele toer voor hen zijn om hun levensvreugde te behouden. En al is er de KBO, de Zonnebloem en wat nog meer, naastenhulp gaat dieper dan deze clubs je kunnen bieden. Toch begreep ik onlangs van Philomena dat het in die begrippen vreugdevolle ontmoetingen zijn die haar moed geven, zelfs bevestiging. We hebben allemaal een andere aard, andere behoeftes en dat is maar goed ook. We kunnen het mensdom zien als een veldboeket: gemêleerd en vrolijk bijeen gebundeld. Maar het is nog een droom. Misschien ook niet. Ik denk wel dat we, voordat alles echt voorbij is, de tijd van alledag moeten benutten zover het in ons vermogen ligt, of je nu alleen bent of niet. Het is zonde van je leven als je het verdoet met helemaal niets. Je kunt je tranen omzetten tot zonnestralen, bijvoorbeeld in de vorm van een lied, een gebed, een tekening, een gedicht, een verhaal, een telefoontje of mailtje, een bloemboeket… Je kunt je tranen omzetten in een lach. Vergankelijk of niet, het leven is de moeite waard. Dat is altijd zo geweest, dat zal altijd zo blijven: onvergankelijk genoeg. De zon schijnt, ik trek eropuit vandaag.

3 mei 2008

 

IC15

BELANGSTELLING

Danny de Munk en Flemming Viguurs alias de grote en de kleine Ciske de Rat: in het Chassétheater Breda.

Het kan op een goed moment gebeuren dat je je vreugde om iets bijzonders dat je meemaakt wilt delen met mensen die een plaatsje in je hart hebben. Zo geschiedde het, en ik vraag me achteraf af of ik het had moeten doen. Van de 35 dierbaren die ik aanschreef om kond te doen van mijn kleinzoons nieuwe website, en ernaar te verwijzen, hebben er 3 gereageerd. Met dit drietal ben ik heel blij, ze hebben hun reactie oprecht en van harte gemeend. Maar toch wringt het geringe aantal reacties me, temeer omdat deze website echt bijzonder is, je wordt er blij van, want het is de site van Flemming alias Ciske de Rat.

Ik schreef bewust iedereen aan die met het gouden feest van p. Boddeke de kleine man had gehoord en gezien toen hij ter ere van de jubilaris in hostellerie de Rozenhof een mini-repertoirtje ten gehore gaf uit de Ciske-musical. Men was toen enthousiast en velen wilden zelfs de musical gaan zien als de kleine ster zou spelen… ik hoor het hen nóg zeggen.

Mensen, bedankt voor de belangstelling. En voor de les.

 

IC14

Zondag

Wat een zondag! We hadden een serene eucharistieviering in het GZG, we dronken koffie en thee met de zangers in de lounge, we lunchten ons brood in de auto en we reden naar Eindhoven om Philomena te bezoeken, daarna legden we aan in Oirschot en het was een lief lentefeestje voor ons allebei. De terrasjes waren vol, de wandelaars en de ijsjesjeugd talrijk; er reden veel oldtimers in het oude dorp rond en ik zag ook nog een lichtelijk bejaarde dame met te korte kniekousen van pantystof onder ‘n katoenen jurk uit het jaar 0; het was geen gezicht maar ze trok zich er niets van aan, ze stapte dapper door met aan haar arm haar echtgenoot met wandelstok; al met al op afstand toch nog een pláátje. Het was mensjes kijken, fietsen schouwen, auto’s keuren en de dorpse chic meten. We waren neergestreken op een terrasje met één benauwd leeg plekje voor twee. Ik droeg nog winterkleding, maar de meeste dametjes hadden zich zomers aangepast aan de zon en de heerlijke lentedag, zij waren doorgaans luchtig gekleed. Ik keek naar al dat bont goedje in de straten en op de markt. Het is net een kermis, zei ik, een vrolijke kermis maar zonder attracties zoals zweefgerei, nougatkraam en suikerspinkarretjes, en dergelijk spul meer. Ik snoepte intussen mijn honingijsje weg, het was heerlijk en duur. Oirschot heeft allure, doet me denken aan een dorps Maastricht waar flamboyante lieden flaneren langs straten en terras. Hier flaneren ze ook, en de chic doet eraan mee. Iedereen is aangemaakt met luxe, zei ik, er is hier geen armoede te bekennen, de mensen zijn rijk, alle mensen zijn rijk, en hun kinderen ook. Het is het teken van de tijd, van deze tijd anno 2008, het gaat ons goed, het gaat zichtbaar de dorpen goed. Wat een luxeparade! Moet je zien. Toen kwam de man met de accordeon langs, bleef bij ons terrasje staan, speelde zijn deuntjes met sentiment en ontroerde de gevoeligen onder ons, om daarna met zijn koperen geldbakje rondrammelend de blinkende euro’s te incasseren; even later verkocht hij een caféterras verderop dezelfde smartlappen aan het publiek, zijn geldinzamelingritueel incluis. Ik denk dat dit soort gefiedel van de armoede is, al droeg de man een gouden ring. Maar het was zéker het enige financieel mindere puntje dat daar vanmiddag in de zon in het hart van Oirschot zichtbaar was. De rest van wat je zag, oogde ordinair rijk, want blinkende rijkdom is niet chic, wel plat en volks. Maar ja, ieder zijn meug, natuurlijk, en dit was Brabant op zijn zoetst. Het was een verrukkelijke middag en de rit huiswaarts ging door het Brabantse binnenland, dus dat was snoepen van eigen bodem: overal jong groen en allerlei bloesems. En wat zag ik terug? Het cafeetje van M. Vingerhoed. Ik wil er ooit nog eens aangaan, gewoon voor het oergevoel, want Brabantser dan dáár kan het niet zijn.  

 

 IC13       

BETERE OOGST

Dit was het slot van de vorige column: Ik denk dat naarmate je ouder wordt, de herinneringen je leven gaan vormen. Een reden te meer om je kinderen en al wie je lief zijn te bemoedigen om goede herinneringen te maken, om te bouwen aan een heerlijke gedachtegang, voor straks.

Je moet natuurlijk wel de kans hebben om mooie herinneringen op te bouwen, het is niet vanzelfsprekend dat wat je overkomt en wat je in reactie daarop onderneemt, steeds uitgebalanceerd mooi is. Je kunt bijvoorbeeld nog zo erg je best doen een lieve kring mensen samen te stellen en samen te houden, maar je doet de dingen niet alleen, je bent afhankelijk van anderen en dit: anderen moeten jou willen aanvaarden als de mens die je bent, met je voors en je tegens, en ook dat is niet vanzelfsprekend; mensen moeten zich immers in elkaar kunnen herkennen om een band te laten bestaan, want zonder de herkenning gaat het niet, en dat geldt voor beide kanten.

Toch vind ik dat je steeds moet streven naar het betere leven met de betere kwaliteiten en het resultaat mag niet afhangen van wie je tegenkomt, of niet, op je weg naar waar dan ook, ik bedoel: je moet altijd goed voor jezelf zijn, dan ben je automatisch ook goed voor je medemens.

Maar het was de herinnering die ik aanhaalde. Ik denk dat je oude dag goed zal zijn als je herinneringen zachtmoedig, mild en betrouwbaar zijn. Herinneringen zijn betrouwbaar als je je vanbinnen eerlijk weet, als je jezelf geen rad voor de ogen draait door situaties van voorheen te versimpelen of te verdraaien, omdat het je in geweten beter uitkomt. Je hoeft ook niet alles te vertellen van wat je overkomen is, het zou te dwaas zijn, je mag je eigen herinneringen hebben en ze bij je houden, ze gaan niemand iets aan; maar daarom juist is het belangrijk dat het goede herinneringen zijn: je wordt er gelukkiger van, het maakt je op je oude dag een innig tevreden mens. Meer hoef je immers niet te bereiken? Het is het grote voordeel van oud te mogen zijn: tevreden zijn met wie je bent en met wat je je hebt verworven, ooit, toen de tijd van opbouw daar was. Herinneringen blijven over. Dus zorg ervoor in je jonge tijd dat je later als je oud bent het betere mag oogsten.

24 april 2008

 

IC12

GELIJK IN ONGELIJK

Het zijn de mooie dagen die je hart laten treuren naast de lach. Gisteren bestond weer uit afscheid en rouw. Zoiets heeft gevolgen, beperkt zich niet tot de gedachte aan één overledene. Nee. Je mist al je gestorven lieverds, je mist hun karakters, je mist wie ze waren, hun wijze advies en hun streken, hun goed en hun kwaad. Er is bij ons mensen altijd de tweeledige herinnering, soms meerledig zelfs, gewoon omdat álles pro en contra behelst, gewoon omdat één mens in lichaam en geest uit ingeboren varia bestaat. Het heeft iets moois en het ontroert me zeer. Toen ik het leven overzag van mijn gestorven medezuster, ontmoette ik weer haar kracht, haar eigenheid, haar me against-the-world-behaviour, en het was goed op die manier aan haar terug te denken. Zij bezat een koppigheid, een onverstoorbaarheid die mensen wegjoeg en aanhaalde tegelijk - in alles zit immers het gelijk, ook in het ongelijk? Ze was zachtmoedig en slim en onpeilbaar, ze was streng en dan weer niet, ze was rechtlijnig en dwars en dan weer mild en lief, maar ze joeg altoos de goedheid na, en ze was een bidder, en oerkatholiek.

Het levenspatroon van mensen is vergankelijk met de waarde van de dag, alles aan normen is telkens weer anders. Hoe blijft je geest er krachtdadig standvastig bij? Een mens moet geen oogkleppen dragen, geen engte in zijn ziel toelaten, maar hij zal ook geen ruimte scheppen die geen grenzen heeft; dat wordt chaos. En zo peins je verder en roept de dode het leven in je op, de herinnering, want de toekomst ken je niet.

Buiten schijnt de zon in vele voorjaarstalen. Vanbinnen ook, want al is ze dan gestorven, de herinnering is goed met alles wat is geweest. Dat geldt ook voor mijn ouders, mijn broers, mijn vrienden, dat geldt voor wie ik heb liefgehad toen ze bij ons leefden.

Hoe kan mijn dode lopen?

 

Ik hoor je voetstap op het pad

Waar kleine vogels zingen

Ik zie je bezig in de tuin

Je plukt kruid en seringen

 

Maar dat is een herinnering

Een lieflijke herinnering

Aan jou, lief, een herinnering

Waar enkel ik van weet

 

Ik zie je langs het venster gaan

De tuindeuren staan open

Ik voel je schaduw voor de zon

- Hoe kan mijn dode lopen?

 

Het is alleen herinnering

Een lieflijke herinnering

Aan jou, lief, een herinnering

Die mij zo innig is.

 

Ine Verhoeven

Ik denk dat naarmate je ouder wordt, de herinneringen je leven gaan vormen. Een reden te meer om je kinderen en al wie je lief zijn te bemoedigen om goede herinneringen te maken, om te bouwen aan een heerlijke gedachtegang, voor straks.

 

IC11

MARIALE

De maand april is alweer over de helft, de meimaand nadert. Terwijl je overal de ontluikende bomen ziet, blijf je in je verwondering volharden, het doet je iets, al dat prille, dat tere. Tegelijkertijd sta je oog in oog met het leven zoals het ten diepste is. Corrie is overleden, het bericht deed zeer, we waren bevriend, met vallen en opstaan, maar we waren van binnenuit bevriend. Corrie heeft het leven geleid van een geestelijk getarte vrouw. Ze hield zich staande met godsdienstigheid, en vooral met Maria. Ik had Corrie in de beginjaren ’80 leren kennen tijdens een Lourdesreis. Merkwaardig genoeg zijn veel details ervan me bijgebleven. En dankzij Corrie zong ik op een gegeven moment in een koor, het thuisfront vroeg me weliswaar of het misschien voor doven optrad, maar later bleek dat ik een gewilde altstem had, en het front keek op zijn neus. Toen nam Corrie me mee naar de franciscanen, en later zijn we samen ingetreden in hun seculiere orde. Ze heeft dus part aan mijn verdere leven gehad.

Het zijn de herinneringen die blijven. En vanuit de herinnering is er de vertedering bij het besef dat Corrie is gestorven op de feestdag van Bernadette Soubirous, op dier sterfdag dus. Corrie had een band met Bernadette, heel piëteitvol. Zo’n toevalligheid is dan weer iets meer dan gewoon toevallig. Corrie zat diep in de heiligheid, ze was ermee bekend. Ik zal nog vaak aan haar denken. Ze had een onvergetelijk sterk karakter, en in de kern was ze beslist een lieve vrouw.

 Maandag wordt Corrie begraven, vanuit de kathedrale basiliek Sint-Jan. Het kon niet anders zijn. Mijn memo’s rond Corrie spelen zich vooral af rond en in de Sint-Jan, het was haar geheiligde hangplek, zal ik maar zeggen, haar toevluchtsoord, haar beschutting; de Zoete Moeder van Den Bosch was haar hoogste goed, ze was aan haar verknocht.

 

Het leven gaat door en het eerste gevolg van Corrie’s overlijden - het was gistermorgen in het Carolusziekenhuis - is in reactie van mijn kant een lieflijk Mariaboekje geworden, ik ontwierp het vandaag en drukte het eerste exemplaar af: het is een beeldje, een plaatje. Ach, het een roept het ander op en zo houden we elkaar in leven, denk ik, ook bij sterven houd je elkaar in leven, hoe dan ook. Het is de een of de ander, maar je draagt elkaar verder en dat is mooi, is goed. Requiescat in pace. Het ga je goed, zuster. Het ga je in God.

Pax et Bonum.

 

IC10

EIGENLIJK

Vanmorgen had ik al vroeg brood en taart gehaald in Kranenburg, in Duitsland kun je elke dag versgebakken graanproducten kopen, ook op zondag. Toen ik terugkwam, zag ik verrast dat in de Wolfskuil waar ik woon bijna alles in tere groenheid was ontloken: de bomen en de struiken die als één omringende bossage gegroepeerd verwijlen tegen de kuilwanden omhoog, het oogde liefelijk genoeg. Ik stond even stil om het beeld van al dat licht, jong gewas in me op te nemen, het beeld van het kleine blad voorzichtig uit de winterknop ontsproten. Het is ‘n beeld van alle tijden, het voorjaar is oud als de wereld zelf en dat geldt voor elk seizoen. Eigenlijk ben ik de omschrijvingen over voorjaar en jong groen een beetje zat geraakt. Eigenlijk heb ik helemaal geen zin meer om de natuur te duiden en te bejubelen. Eigenlijk ben ik verzadigd wat zon en bloemen en gras en al dergelijke betreft. Eigenlijk wil ik stoppen met alles in me op te nemen, stoppen met alles aan schoonheid gezien per digitale uit te dragen. Eigenlijk wel.

Maar een mens is niet altijd consequent. Je gevoelens zijn niet altijd even consequent. Al vertelt je verstand je de feiten, al weet je precies hoe je het voortaan wilt gaan doen, je emotionele kant diep vanbinnen doet je beslissingen soms wankelen. Het is bijvoorbeeld als met een verbroken vriendschap, je weet heel goed wat verstandig is, dat het goed is dat je gebroken hebt, dat je de ander beter niet meer ontmoet, maar dan komt je gevoel je plotseling vertellen dat het toch anders kan zijn, dat je misschien wél die ander weer zult ontmoeten en dat er volkomen vrede in de wereld moet zijn, dat je eraan moet meewerken en dat je dankbaar moet zijn omdat je het goed hebt met elkaar. Ja, je geweten spreekt.

Het is maar een zeer wankel beleid van de emotie, een beetje bedrieglijk, maar ook het verstand verwart je alweer: je hebt elkaar nodig, zegt je verstand. Ik dacht toch van niet, is je verzet, ik heb het wespennest verlaten, ik wil los van de trubbels zijn. En gelijk heb je.

Wat heeft het jonge lentegroen dat ik vanmorgen zag, te maken met vergane vriendschap? Hoe kom je zo te denken en te vergelijken? Ach, misschien tekent het beeld van het nieuwe groen de hoop op nieuwe kansen van opbloei van wat onbedoeld teloorging? Toch hoef je je niet schuldig te voelen bij een breuk, het kan soms heel goed zijn je weg zonder elkaar te vervolgen. Je moet immers te allen tijde leven en laten leven. Zo doet het voorjaar het óók. Dus eet van je taart en drink van je thee en laat het je helemaal smaken. En al wil je eigenlijk van alles niet meer, al wil je iets ánders beginnen, ga je gang en doe wat je voelt, wat je kunt en wat je wilt, want alles is eenmalig in de tijd, niets keert terug.    

Ine Verhoeven 13 april 2008

 

IC9

NONO

nu al een kleine legende

Wie bekend is in de bosrijke contreien van Tilburg is ongetwijfeld ooit de loslopende ezel Nono tegengekomen op het landelijk erfgoed van In den Bockenreijder in Elsbeek. Maar hoe komt uitgerekend deze ezel in mijn column terecht? Gewoon, Nono is doodgegaan. En Nono was voor mij een favoriete attractie als ik in Elsbeek kwam, en dat gold voor velen. Nono was een hartenbreker, wie hem zag, was om. Nono sjouwde langs de gasten, smulde hun koekjes op en soms ook de restjes van wat ze hadden gegeten. Nono hoorde bij het cafeetje. Nono kwam je binnen tegen en Nono zag je buiten gaan. Nono was een icoon van vrede en lievigheid. Nono was zacht en teder. Nono was vol vertrouwen en zonder kwaad. En dit alles aan zachtmoedigheid tentoongespreid door een ezel doet een mens iets. Het houdt een mens een spiegel voor. Het brengt vertedering teweeg. Het maakt je blij.

Maar nu is Nono dood. In de gezegende ezelleeftijd van 36 jaar is hij naar Boven De Hoogste Heide vertrokken. En de mensen treuren om hem. Ik ook. Nono heeft vanwege zijn unieke status van loslopende ezel op het landgoed en in de houten kroeg de krant gehaald met zijn overlijden. Nono is wereldberoemd in Brabant en soms nog verderop, zoals hier in Nijmegen in de flat. Ik had het doodsbericht gelezen, gisteren in het Brabants Dagblad. Je kon reageren met een mooie foto voor het Bockenreijdersarchief; die heb ik niet, maar Veronica gelukkig wél:

Ezel Nono met Puck en Max en oma Veronica op 19 december 2007, de verjaardag van opa Joop;

een schitterend gezelschapje, dit viertal op de foto is door velen bemind, en door mij.

Ik reageerde naar de krant zonder foto maar met mijn digitale schrijverspen, het ging als volgt:

‘Wat ontzettend zonde nou, van Nono. En ook dat hij geruimd is, dat zijn karkas is meegegeven en verbrand, nu maken ze lijm van hem, alsof hij dat verdiend heeft als de hartveroverende ziel die hij was van dit oord In den Bockenreijder, denk alleen maar aan de vreugde die iedereen aan het beestje had! Wie heeft nou zo’n unicum als Nono in zijn cafeetje rondlopen? Ik werd altijd heel blij als ik hem zag, die kleine, oude tederheid, ons aller Nono. Maar zeg eens eerlijk, er komt toch wel een standbeeldje van het unicum Nono? Of een chique gedenksteen? Dat heeft het lieve ezeltje echt wel verdiend. En Nono blijft op die manier bestaan, in steen of brons is hij de blijvende verrijking van jullie heerlijke oord. Mensenlief, opgelet, zonder Nono zijn jullie als Brabantse kroeg lang zo aantrekkelijk niet meer, onderschat de charme van ezels niet, en van Nono. Och, ik mis hem nu al bij mijn bordje Brabants roggebrood. Toch bedankt dat jullie goed voor hem zijn geweest. Requiem in pace, ezeltje Nono, ook als je onder de postzegel gelijmd meegaat met de post.’

Ine Verhoeven 10-04-2008; 18.10 uur.

 

IC8

ONDERWEG

Er waren nog zoveel mooie idees geopperd om uit te gaan met vrienden vanwege mijn vijfenzestigste op 28 maart, maar er kwam een sterfgeval tussen en de private feestvreugde moest wijken voor de loyale verplichting jegens de dode die me nabij was. Het is daarom een naweek geworden van denken en doen, van plannen en schrijven, van foto’s zoeken en lieve boekjes maken, en niet in het minste: van elkaar bemoedigen, van belangstelling en gepaste piëteit, want elk verlies is een verlies, er zit verdriet aan vast, en herinnering.

Maar terugkomend op de verjaardag die te snel in de vergetelheid is geraakt, schrijf ik in de marge neer dat de dood van de een de ander extra alertheid oplevert: hoe sterfelijk is de mens. Sterfelijkheid hoort ook bij jarig zijn, denk ik, gewoon omdat leven en dood samengaan, ze beide het hele leven vormen en afronden. Jarig zijn, je verjaardag vieren, is een vorm van de balans opmaken, maar ook van in de spiegel kijken, van besef ten diepste, en wellicht van nieuwe hoop, van nieuwe verwachting. Jarig zijn biedt perspectief, je mag het wensen. Sterven is ophouden met jarig zijn, je bent verjaard, voorgoed, het is over met jou. En je wordt begraven tot herinnering, hopelijk met bloemen bij je graf. Ja, je kijkt de dood aan van de ander en weet de dood van jezelf nabij; laat het nog even duren, alsjeblieft, we zijn er niet klaar voor, nog niet, en denkelijk nooit.

Gisteren was ook zo’n dag van confrontatie met je diepste ziel. Je komt samen in de kapel voor gebed en gedachten, je blikt samen terug op een mensenleven, je brengt samen de dode weg, in stoet ga je langs de grauwheid, en je ziet ten slotte de kist afzakken in de diepte van het graf; je rilt, ik rilde. Wie voelt op zo’n eindemoment niet de haast om het goede leven nog vast te pakken, om de tijd van leven nog goed te maken, die tijd die ooit aan jou verloren ging?

Je hebt het niet voor het zeggen, het is waar. Wij mensen van dit uur worden voor een groot deel geleefd, ik ervaar het elke dag minstens een beetje; zoek maar ‘ns een moment van ontspanning, probeer je te ontladen van stress en plicht en zie, je hebt weer een heleboel dingen te doen, het gaat vaak van ó ja, niet vergeten, dat en dat moet nog gebeuren, eerst maar even doen. Ik dacht ooit: als ik vijfenzestig ben, neem ik de hele tijd die misschien nog komt voor mezelf. Schitterend idee. Laat het je lukken, zus, want je bent part van de wereld, van het mensdom, onderschat het niet.

In onze levensdagen zijn de indrukken van buitenaf enorm, eigenlijk is er aldoor te veel aan informatie gaande, je hebt nauwelijks de mogelijkheid om tot jezelf te komen, je wordt overspoeld met nieuws en nog eens nieuws. Ik vind het wat dát betreft geen mooie tijd. Daar komt bij dat de wegen in ons landje haast niet meer te bereizen zijn, de vele auto’s maken lange files, er zijn ontelbaar veel mensen onderweg, ze hebben ieder hun leven te doen, ze hebben ieder hun werk en hun bestemming, en dat mag, maar we zijn verkeerstechnisch nog lang niet klaar om de stroom autoverkeer op een aanvaardbare manier te verwerken. Enfin. Gisteren leerde ik met de autorit Uithoorn/Nijmegen dat ik voorlopig thuis wil zijn; we deden drie volle uren over deze tocht, alleen maar door het langzaamrijdend en stilstaand verkeer; bemoedigend is het niet. En zo zie je allegorisch hoe je elkaar ophoudt onderweg, hoe je elkaar benadeelt in de tijd, alles zonder dat het in je opkomt, je bedoelt het niet, geenszins. Er is winst en verlies gaande. Die auto’s maken geen bloesems, de hoge wallen maken van de wegen doorgangspoorten, er is geen uitzicht meer op de wei met wilgen langs de sloot, het grasland met het grazende vee. Er is slechts de snelle weg naar ieders bestemming. O, we moeten zuinig zijn op elkaar. Wij, de reizigers van vandaag, moeten de weg vrijbanen voor elkaar, elkaar de ruimte gunnen om op de plaats van bestemming te komen, allen in totale eigenheid. Maar de felle gehaastheid is een bestaand feit, de run naar rijkdom maakt de wereld arm aan mooiheid, de drukte maakt de mensen bang. Toch mogen we blij zijn met elkaar. En we leven nog.

Ine Verhoeven, 9 april 2008

  

 

 

IC7

ALLEMAAL ZEKERHEDEN

De vogel roept haar vocabulaire de ochtend in, ze kleurt als een kleine tovenaar het grijze circuit van de laatste dagen met haar eigenzinnige vrolijkheid; alles is weer blij gestemd in mijn huis. Dat beestje is heus als balsem op de zere plek, een verwonderlijk stukje vreugde dat je om niet toevalt. Wat zou een mens beginnen zonder een lachende vogel in zijn buurt, juist bij diepe treurnis? Zo’n beest staat voor genade, en dit is het mooie: ze is zich van niets bewust.

Een mens mag gerust treuren bij een verlies of een slecht bericht, maar niet te lang, het baat geen mens noch jou. En dit leer je, als je het weet te zien, van een ongecompliceerd vogelgedrag: je moet doorgaan met jouw leven, blij zijn, besefvol bestáán; je mág dat, nee, je móét dat doen. Straal het léven uit, niet de dood, en tel met je eigen menselijke weten je zegeningen, het zijn er veel.

Het leven hangt van onzekerheden aan elkaar, en als je erover nadenkt, zijn het in werkelijkheid allemaal zekerheden die je niet wilt, die je verdringt, je kunt ze niet gebruiken, je wilt ze afhouden tot in lengte van dagen, en je doet het ook - maar al lijkt het ver weg, lijkt het ergens daar ooit in de eeuwigheid te bestaan: ook tot in lengte van dagen houdt een keer op. Je tijd raakt op, is op een zeker moment voorbij: stop, je bent over.

Het is de kleine Margarethe overkomen, op 3 april in de vroege morgen ging ze dood, heeft ze zich, van bovenaf opgelegd, vereenzelvigd met de eeuwigheid, met dat huis in de verre verte waar ze onverhoeds voorgoed is ingetrokken.

Met alle goede zorg om haar heen, stierf ze toch nog eenzaam. Ach, je ziet het vaker gebeuren. De dood is geniepig, niet echt een eerlijke gast - of toch wel? Misschien is haar tóch een boel paniek onthouden, misschien was dit voor haar de beste manier om weg te gaan, gaf dit doodgaan haar meer gerustheid in haar laatste moment, bij haar laatste zucht. Je weet het niet, je kunt het nooit achterhalen, maar misschien dat je eigen eindemoment het je ooit openbaart. Het idee op zichzelf temt je nieuwsgierigheid wél.

Hoor! De oude vogel zingt haar lied. Dat deed Margarethe ook altijd, ze zong haar lied met blije levensvreugde, oud als ze was. Dus Carpe diem. Weet je gezegend. Leef je leven. Het is goed. Van a tot z.

Ine Verhoeven 5 april 2008

 

IC6

DENKVERMOGEN

O, wat heeft een mens veel denkvermogen, ik schreef er al vaker over. Maar de vraag is: wat doe je ermee? Ik beluisterde en bezag gisteren de live-uitzending van het debat van de minister-president met de kamerleden contra Geert Wilders. Met verbazing aanhoorde ik de betogen der wetgeleerden, toen geraakte ik perplex. Ik dacht: wat denken die mensen allemaal eenzijdig, kunnen ze niet eens luisteren en niet eens hóren, laat staan verstaan wat Wilders wérkelijk bedoelt? Mijn conclusie was ten slotte: nee, dat kunnen ze niet óf dat willen ze niet. Nu ben ik geen politiek denker, maar luisteren kan ik wél en ook nog begrijpen wat iemand zegt, ook als het Wilders is. De hele uitzending van dit debat deed me geen goed, ik sliep er ’s nachts zelfs slecht van, en dat kwam niet door het onderwerp maar veeleer door het totale onbegrip van een span opgewonden hoogdravers dat Nederland moet besturen, de bevolking hoop moet geven in bange dagen; dat kunnen ze niet, het is gebleken uit het debat dat ik goedkoop en onredelijk vond: het was alsof Wilders strafmatig voor de rechter stond, alsof hij een crimineel was die bijna gelyncht ging worden door een opstandig klasje. Ik schaamde mij voor al die domheid van dit merkwaardige kamerintellect, ik schaamde mij diep.

Waar is men mee bezig? Wat houdt vrijheid van meningsuiting wérkelijk in? Wat gebeurt er bij ons in Nederland? Hadden wij in de veertiger jaren geen rampzalige oorlog doorstaan en de vrijheid bevochten met veel te veel offers en mensenlevens als losprijs? Wat hebben we ervan geleerd? Wat is vrijheid voor ons? Wat is democratie voor ons? Want wie durft nog uit te spreken wat hij denkt en voelt en ervaart, wie durft nog hardop te zeggen wat hij anders zou willen zien, of wat hem ten diepste beangstigt in de huidige maatschappij?

Wat ik ervoer aan de directe tv-uitzending was een nare strijd, een onverhoeds gebekvecht dat regelrecht op de persoon werd gespeeld, op de man Wilders die zijn confronterende missie moest verdedigen bij de Nederlandse regering, het was geen debat maar een aanklacht tegen hém, hij stond als eenling tegenover een aantal verhitte mannetjes en vrouwtjes die, zelfs beroepsmatig, niet weten wát aan te zullen vangen met eigentijdse vragen en concrete feiten van formaat.

Weet je wat het is? We moeten allen ons geloof behouden in elkaar, in medemenselijkheid en menswaardigheid, in recht en rechtvaardigheid, in gelijkheid en democratie, kortom: in de doodgewone, alledaagse goedheid onderling en in het respect voor elkaar; we hopen immers allemaal dat op een dag de grote vrede komt? Maar hoe zou die vrede ooit kunnen bestaan als we elkaars gedachtegoed niet willen of niet kunnen doorzien?

We mogen ons, juist als de christenen van vandaag, niet laten leiden door goddeloze angst, of door een hardnekkig misverstaan. Waarom maken we ons en elkaar monddood, zorgen we voor patstelling? Omdat de andere mens ons angst inboezemt? Omdat we bang zijn voor represailles? Maar je gaat daarom iemand die bestaande feiten, ongeacht welke, openlijk en oprecht van binnenuit durft te verwoorden toch niet demoniseren? Dat gaat me te ver. Ik wil noch kan in de toekomst kijken, maar ik ga wél bidden om meer begrip en om het behoud van recht op het vrije woord: voor en van álle mensen hier in ons lieve landje, en wie weet waar nog meer. O, er valt nog genoeg te denken.    

2 april 2008

 

IC5

NIET ZOMAAR EEN FEESTJE

We hadden een feestje in Sint-Walrick. We vierden mijn vijfenzestigste verjaardag. Alle genodigden waren gekomen, één vriendin liet het afweten. Het was een select gezelschapje. Enkele vrienden had ik tevoren van de gastenlijst geschrapt, omdat ik al veel te lang - het gaat om vele jaren - hun concrete uitnodiging voor een tegenbezoekje mis; een visite hoeft niet lang te duren, ik houd het niet eens vol. Daarom ontbraken zij.

Het feestje was een echt feestje. Een keuvelfeestje. Zo’n gemoedelijke samenkomst van mensen die lekker zichzelf kunnen zijn, hun woorden niet hoeven wegen en gerust hun Brabantse tongval de vrije loop laten. En o, mijn dialect, daar houd ik van. Ik had ditmaal geen strak protocol gemaakt, gewoon omdat ik zélf aan ontspanning toe was; wie wil zijn vijfenzestigste verjaardag vieren in een keurslijf van plichten? Ik had er geen zin in en ik moet zeggen: het beviel me goed. En last but not least: ik was een rijke vrouw, want mijn thuiskinderen waren bij me, ze waren gevieren relaxt van de partij. Wat wil je oude hart nog meer? Ine’s verjaardag 2008, verwonderlijke mijlpaal, is goed geweest.

Vanmorgen was ik in de mis in Huize Rosa: Maria Boodschap werd gevierd. Ik was er met een dankbaar hart. En dan - wat is het lot toch bizar - werd plotseling bij de voorbede mijn naam genoemd. Ik schrok écht toen onze gewaardeerde celebrant Frans B. met zijn gouden stem mijn eenvoudige naam uitsprak en mijn nieuwe leeftijd bekend maakte; het geschiedde alles in de Rosakapel bij de Dominicanessen van Neerbosch. Ik was hooglijk verrast. Later hoorde ik dat de zusters mijn naam hadden opgeschreven omdat zij dankbaar zijn voor wat ik hun aan schoons en goeds in woord en geschrift aanreik: ‘Ine betekent heel veel voor ons.’ Ik was ontroerd. En nóg raakt het me diep, stemt het zusterlijke gebaar me blij en dankbaar en zeer content. Dus legde ik deze fijne geschiedbeelden vast in een kort maar waardevol schetsje ter memo; waardevol, in ieder geval voor mij.

Ine Verhoeven, 31 maart 2008.

IC4

GENADE MET TWEE GEZICHTEN

Op uitnodiging van de rector der redemptoristen lunchten we op eerste paasdag 2008 in de refter van het voormalige kleinseminarie de Nebo in Nijmegen. Het was me een eer. We arriveerden met de wetenschap dat dit jaar het laatste paasfeest werd gevierd in dit redemptoristische bolwerk. Ze gaan vertrekken, de confraters. Weg uit het begrip dat Nebo heet. Het imposante gebouw, dat ze heel lang hebben bevolkt, is gelijk een gedegen vesting. Ik geloof niet dat er iemand van buitenaf is die ongevoelig het klooster betreedt; daar langs de hoge, stenen trap via de massieve deur binnen te gaan, is niet alleen indrukwekkend, het roept ook een hoogstaand heimwee op, denkelijk vanwege het oerkatholieke karakter van het kloosterlijke Nebo-interieur.

Het was Pasen in de noen. Het klokkengebeier was over, de eucharistievieringen waren geweest, het gelovige volk was huiswaarts gekeerd, was weg. We werden warm verwelkomd door de rector én de oud-rector, geestelijken van formaat. We dronken een voorafje met de confraters in de volle recreatiezaal, allen eens prominente mensen, allen thans broze mannen; allen ook met ingetogen gezichten, oud en getekend, maar soms nog opmerkelijk jeugdig, vooral in de ogen; het viel me op en ik was ontroerd. Verheven en groots waren ze vroeger geweest, deze grijze mannen van God, nederig en nietig zijn ze nu. Ze hebben geleden aan de tijd, zoals alle mensen die langer leven, lijden aan de tijd. Je kunt het genade noemen, genade met twee gezichten. Omdat niemand graag sterft.

Zo degelijk als het bolwerk is, zo fier en statig als het in de tijd overeind is gebleven, zo gebogen en bescheiden zijn deze mensen, die er ooit hebben gestudeerd, gewerkt, gewoond, geleefd. Velen zijn er gestorven en liggen er begraven, ergens in de immense tuin, een landgoed waar het ruist en gonst van het leven in de zomer, maar in de winter is het er stil, bijna doodstil. Het is hier heilig, dacht ik. Die mannen zijn heilig, dacht ik. Ze moeten wel heilig zijn, anders houd je het niet vol tussen het katholieke glas-in-lood en de hoge schutsmuren die als het ware als stenen engelen zonder gezicht in de ruimte staren, strak wit en kil verkloosterd als ze zijn.

Wat is heiligheid? dacht ik. Moet een mens om heilig te worden of te zíjn, zijn leven overslaan? Nee, dacht ik ook, zij hebben hun leven niet overgeslagen, zij hebben hun leven geofferd aan God ten dienste van de mensheid en van de moederkerk, tot verwerkelijking van het rijk Gods op aarde dat nog altijd geen vaste vorm heeft, dat nog niet ten volle bestaat. Of toch wel, dacht ik, in dit late huis van broosheid ademt God immers met zijn oude mensen mee, is hij immers met hen onderweg naar het nieuwe land van Pasen? God laat zijn belofte niet los. God laat niet af. De tijd heeft de Nebo anders bestemd. Maar mensen van God blijven mensen van God. Daar heeft de tijd geen aandeel in.

Toen we huiswaarts keerden, was ik een zegening rijker, de zegening van een gastvrij onthaal door een glanzend gezelschap van God zelf. Het was nóg Pasen in de Nebo.

Ine Verhoeven

26 maart 2008

 

 

IC3

GEPENSIONEERD

Oude mensen en oud zijn, dat is iets voor later, denk je als je jong bent, voorlopig heb ik tijd genoeg. Dat klopt, voorlopig héb je tijd genoeg, en die ruimte in de tijd duurt tot je jonge tijd voorbij is – en hoe snel dat gebeurt, weet iedereen die al wat ouder is.

Natuurlijk is niemand inééns gepensioneerd, je weet al jaren aan een stuk dat de pensioengerechtigde leeftijd in aantocht is; ijverig, met rasse schreden komt hij naar je toe, je voelt het, je weet het, je ervaart het aan den lijve, al rek je graag in gedachten de tijd die je had en nog voor je ziet liggen, je hoopt het tenminste, maar dan, toch nog sneller dan je vermoedde, staat hij voor je neus met dag en uur en je weet: je bent in je laatste fase beland, de deur van je langste tijd slaat achter je dicht, de deur van nog even gaat voor je open; je ben gearriveerd bij omzien en herinnering, en je vraagt je af hoe je verdergaat, wat je nog betekenen kunt vooral voor wie je lief zijn. Och, er is dan wel gezucht en gepeins vanuit weemoed en gehechtheid, maar je beseft heel goed dat niet iedereen de vijfenzestig haalt, dat je een hoge genade ondergaat als je die klinkende leeftijd mag bereiken.

Gepensioneerd. Schrik je ervan? Nee, je schrikt niet meer zo gauw, althans niet van een leeftijd. En het frappante is dat je aanvankelijk tegen ouder worden opzag, je schoof het denkbeeld liever weg: het is nog lang niet zover, maar nu je ervoor staat, je aan de tijd bent gegroeid, is de ouderdomsangst wég. Ja, de mens lijdt het meest, door het lijden dat hij vreest. Maar oud zijn is geen lijden, mag geen lijden zíjn; oud zijn is oogsten, is je tijd op een aangename manier indelen; oud zijn is vrijheid, is jezelf eindelijk kunnen vinden, of hervinden, dat kan ook. Natuurlijk, je kunt ziek worden, erger nog, maar je kunt ook veel ongemakken opvangen, je broosheid een betere plaats geven, je gemankeerdheid met meer souplesse leren hanteren, dat kan heus als je vindingrijk bent, creatief nadenkt en jezelf toestaat, hoe dan ook, dat je oude leven nog zeer de moeite waard is.

Gepensioneerd. Het is een zakelijk woord voor een ludieke situatie. Zeker, het is het harde teken van je laatste fase, maar als dat goed tot je doordringt, laat het dan ook een móóie fase zijn, een fase van waarde, van smaak, van rust, van wijsheid, van lievigheid, van begrip; een fase van bezoek, van muziek, van lezen, van gedichten, van samen koffiedrinken, zo’n soort fase dus. En lach eens een keer tegen je spiegelbeeld, je houdt hem toch niet tegen, hij krast de lijntjes graag en diep in je oude huid, gewoon omdat hij je leven wil tekenen opdat jij je zegeningen nog eens natelt.

Gepensioneerd. Is het trouwens niet chic om gepensioneerd te zijn? Waarom draag je geen hoed, een met veren of bloemen? Of een alpino, lekker artistiek? Het is nog warm voor je dove oren ook. Nee, je hebt geen binding meer met de grillen van de mode, je bent vrij om te dragen wat jíj prefereert. Gepensioneerd. Tel je zegeningen, tel ze allemaal.

Ine Verhoeven

20/24 maart 2008

 

IC2

COMMUNICEREN

Een mens communiceert altijd. Je kunt alleen zijn, helemaal alleen, maar communiceren doe je, ook al is het maar met jezelf. Je communiceert met je innerlijk, je denkbeeld, je gesteltenis, je ego. Ik keek vanmorgen naar mijn papegaai en hoorde haar brabbelen en praten, niet tegen mij, ze murmelde in zichzelf, tegen zichzelf. Ze communiceert ook zonder een andere papegaaienziel in haar buurt. Wij mensen doen niet anders. Ga maar eens na wat je ongemerkt allemaal tegen jezelf zegt, niet expliciet hardop maar stilletjes vanbinnen, je doet het de hele dag door, en als je wakker bent, bepraat je jezelf al denkende door de nacht heen, er is altijd communicatie, minstens met je ziel, dus met je diepste innerlijk. Je kunt het denken noemen, dat is het ook, maar vrij vertaald is denken in mijn optiek een voortdurend met jezelf in gesprek zijn.

Het is op die manier dat een mens imaginair zijn innerlijk verplaatst en bijgevolg a.h.w. communiceert met een andere wereld, met een wereld dus die hij zich voorstelt; hij praat met God, met de engelen, met de heiligen, met een overledene; men noemt deze innerlijke spreekvorm voornamelijk bidden. Onze gebeden stijgen op ten hemel, zeggen we wel. In werkelijkheid mag je het alleen maar hopen, want er is niets anders gaande dan je eigen communicatie met je eigen creatieve innerlijk. We versterken ons gebed ook wel met een sacrale plaats te bezoeken, een gewijde plaats die van God wordt gedacht. In zo’n geheiligde ruimte voel je als het ware de gebeden bekrachtigd worden, alsof ze worden gehoord, ergens in de verte, misschien dichtbij. Het is wel een wat merkwaardig communiceren. Er is niemand en jij blijft maar praten, zinnen formuleren in je contact met de onzichtbare God, met iets of iemand ergens in de hoogte of ergens in de verte, het was je van jongs af aan aangeleerd. Er is echt niemand en het zindert er tóch van de gebeden, onhoorbaar als ze zijn, en de ruimte is er gevoelsmatig mee gevuld alsof iedereen en alles in gebed is, tot de doofstomme heiligenbeelden toe. Men communiceert, bidt, praat, smeekt. Gelukkig kúnnen we bidden, mógen we bidden, wordt bidden door velen gezien als een heilzame deugd, een zinnige bezigheid. Het klopt ook wel. Bidden heft éven de eenzaamheid op. Bidden troost éven je ziel. En bidden is genade, alleen al omdat het éven je innerlijk verkwikt, éven je ziel verheft boven je somberheid uit. Je voelt je goed bij bidden, je voelt je soms zelfs beter, minder gekwetst, minder broos, minder leeg, minder achtergelaten. Bidden getuigt van een uniek vertrouwen, want je vindt je gehoor in de leegte; wie heeft je serieus gehoord? Op die manier is concreet communiceren met de mensen niet specifiek nodig, zou je denken.

Ik kijk naar mijn papegaai en zie dat ze innig tevreden haar maaltje oppeuzelt. Af en toe brabbelt ze iets tussendoor. Ze is een gelukkige vogel, dat kun je merken aan haar gedrag. Zou ze een extra vogelzieltje in zich dragen zodat ze nooit echt alleen hoeft te zijn? Ik vind dat ze het best heeft verdiend, zo’n vriendenbeest om mee te kwekken. Maar ze is oud en te veel solist om nu nog een vogelmaatje bij haar in de kooi te plaatsen, het zou niet goed uitwerken; niet alleen mensen, ook vogels worden eenkennig op de eenzame lange duur.

Ik denk maar zo: laat ons bidden tot God en vooral communiceren met elkáár. Samenspraak, omgaan met elkaar, het is broodnodig voor ieders gemoed, en niemand verdient het om verpieterd achter te blijven. Je hebt elkaar nodig om te kunnen leven, al mag het onderling soms wél wat hartelijker zijn. Communiceren is belangrijk om je denkbeelden uit te wisselen, die denkbeelden die je ontwierp in je eenzaamheid, of in je lege of late uren. Schrijven, bijvoorbeeld, is ook zo’n zelfkantcommunicatiemiddel: je schrijft feitelijk de dingen aan jezelf, je bent feitelijk je eigen lezer, je private hoorder; en je hoopt ook nog dat jouw zorgvuldig beleden woord wellicht later wordt gelezen met medemenselijke instemming en begrip; je moet het geluk immers hebben van je soort?

Maar toch, al ben je van god en alleman verlaten, je hebt altijd jezelf nog, je ziet het aan mijn oude papegaai die gedurende haar lange vogelleven nimmer was ingestort van eenzaamheid, maar ondanks alle sociale beperktheid haar levensvreugde heeft behouden. Soms is een kleine vogel de grote mens tot voorbeeld. Dus praat en bidt de ruimte in zoveel je wilt, maar blijf, als het kan, communiceren met de mens, broos en onzeker als jij.

© Ine Verhoeven 19.03.2008

 

IC1

ALLES MOET ANDERS

Er zijn van die dagen dat je denkt: alles moet anders. Zal ik mijn haar laten knippen, flink kort, of zal ik een gemaskerd feest geven met minstens 100 mensen, of zal ik verhuizen naar een ver land, of neem ik een hondje, eentje uit het asiel, zo’n weggedaan beestje dat er ook niks aan kan doen? Alles moet anders.

Je hebt maar één leven, dat is de crux, je doet alles eenmalig, niets kan opnieuw, niets kan op dezelfde voet verdergaan; situaties wisselen, lieve mensen gaan dood, vriendschappen vallen om als ze niet overeind willen blijven door wat dan ook en de zon wil maar niet komen en als de zon wél komt, is het weer veel te heet in dit land. Alles moet anders. Soms zou je het willen. Maar meestal toch weer niet. Het is alsof een ingebouwde weegschaal voor de grap uit balans is geraakt, om te pesten, te verwarren: wat wil je nou echt, ja of nee, links of rechts, moet alles nou anders of niet?

Op een keer zei mijn toenmalige partner dat hij naar een ver wijd land, nog voorbij Australië, wilde vertrekken met het hele gezin en de levende have erbij. Alles moet anders, zei hij, en of ik maar mee wilde gaan. Na veel wikken en wegen, zelfs na een proefvlucht naar Zuid-Spanje heen en terug omdat ik aanvankelijk niet durfde vliegen, zei ik nee, want het leven was hier veel te goed. Het leven is overal goed, zei hij, maar ik weigerde te emigreren en mijn landje, mij zo vertrouwd, achter te laten. Toen zijn we nationaal verhuisd, van Den Bosch naar Vught, en het gaf een heleboel aan alles moet anders, en je weet nog steeds niet precies waarom je toen zonodig van adres bent veranderd, maar alles moest anders, ook toen.

Merkwaardig eigenlijk, dat alles ineens anders zou moeten. Hoezo moet alles anders? Het leven is alle dagen en alle uren en soms zelfs per minuut anders, het leven is nooit gelijkmatig, ik heb het niet over de tijdspanne van de dag, dat is het natuurregime, ik heb het over de menselijke wisselvalligheden in het leven van alledag, wie kent het niet? Nu heb je rust en ineens gebeurt er iets, wat dan ook, en alles is anders, soms onverkwikkelijk, onverdraaglijk, soms vrolijk, kan ook, maar pats-boem, en alles is anders.

Het voelt zo heerlijk knus in mijn huisje, met de vogel erbij en soms met mijn goede vriend op de koffie of bij de lunch, lekker gelijkmatig knus; en hoe kras kun je je voelen als je soms met het autootje door de provincie toert en lieve mensen bezoekt, lekker gelijkmatig kras; en soms zit je muurvast in je eigen systeem, niet zo lekker te noemen, maar als je er dan op uittrekt, al is het maar even naar de slager of de groenteboer, dan is alles weer anders genoeg, denk ik. Het is maar wat je verlangt van het leven, wat je verwachting nog is van elke dag er nog te mogen zijn. Ik merk dat de leeftijd ook al aantelt in mijn toekomstvisie, mijn perspectief. Níks alles moet anders. Het is helemaal goed zoals het is. Ik heb het druk genoeg met elke nieuwe dag die van zichzelf steeds helemaal anders is. Ik laat mijn haren niet knippen, geef geen feest, ga niet verhuizen en er komt geen hond. Nou ja, misschien een piano. Maar dat is iets anders.

Ine Verhoeven 13.03.2008

 

Ine’s Columns

De namen in deze beschrijving zijn gefingeerd.

EEN BOEKJE OPEN

Een korte weergave van enkele debacles tussen een seculiere eerwaarde minister van een groepje lekengelovigen en twee misprezen schapen uit zijn twijfelachtige stal van vroomheid.

Ik noem hem Poll, maar hij zou ook Jan, Piet, Kees of Klaas kunnen heten. Ik stel de schone schijn van een aantal kleinburgerlijke vromen aan de kaak. Het is, ook in dezen, niet altijd goud wat er blinkt. Mijn motto is ‘Blijf jezelf. Geloof in jezelf. Sluit je nergens bij aan. Het is zinloos, leidt tot niets dan hartzeer en versterkt het kwaad van de macht.’

1. Vanmorgen dacht ik weer eens aan Poll. Het zijn nooit de mooiste momenten als ik aan Poll denk. Ik ken Poll vanaf 1983. Ik ontmoette hem via Corneel, een vrome ziel met een zwaar verleden en psychische problemen naar aanleiding ván. Ze had me uitgenodigd deel te nemen aan een bijeenkomst van minderbroeders. Ik ging erop in om haar te plezieren. En daar was toen Poll, met zijn vriendin, een ex-non, in de flanken.

2. Poll was in die dagen qua uiterlijk een knappe man, weduwnaar en ietwat dubbel in de katholieke moraal waar het zichzelf betrof, maar in de leer was hij voor ánderen in ieder geval standvastig en oer-Rooms. Poll bedoelde het in oorsprong goed maar werd gemangeld tussen het een en het ander in de enggeestig Roomse sociëteit der ordelingen, waar hij hardnekkig de aanvoerder was. Dit is hij, ondanks de strenge statuten, meer dan dertig lange jaren gebleven: de voorman van een groepje verstokte vredeverkondigers bij wie het maar niet lukte de ware vrede ook waar te maken. Er was altijd ergens ruzie over in de selecte groep, alsof er gezocht werd naar onderwerpen om over te kunnen ruziën, in die geest, dus. Het geruzie varieerde destijds van ergernis over de paus die met de leiders van de wereldgodsdiensten het Onzevader bad, van het excuus van de heilige vader aan de Joden voor het hun door katholieken berokkend leed in WO2, tot aan onderlinge, persoonlijke aanvallen toe: ‘Jij hebt mijn goede engelbewaarder beledigd!' En: 'Je hebt je gemengd tussen twee hoge geestelijken in de krant! Hoe dúrf je!' En dan volgde het dispuut, niet kalm maar verhit. Dit is nog maar een simpele greep, er waren méér items om te bevechten in die kring, maar dat beschrijf ik later misschien nog eens. Enfin. Wellicht was de vrede op zichzelf voor de oude, heel lang geleden geprofeste leden veel te saai om nog langer vol te houden, je viel erbij in slaap van verveling, het zou kunnen. Het is Poll in ieder geval niet gelukt de onderlinge vrede als heilige hoofdmoot te handhaven. Er was minstens, naast de argusogen, altijd wel gekibbel en gegrom.

3. Er gingen mensen dood, uiteraard, en opvallend genoeg sloten zich, zij het mondjesmaat, nieuwe leden bij het vrome clubje aan. Ze bleken wonderwel met hetzelfde sop overgoten, het sop van eigendunk, ergernis en schreeuwerigheid, van betweterigheid, maar ook van ingetogen vroomheid en geloof belijden in de kapel tijdens de diensten. Die nieuwe leden waren mannen, op één vrouw na, maar zij, ze heet Marja, is een verhaal apart en al even zelfingenomen als de mannen die ik bedoel. Ze waren daar kritische zielen, met toegeeflijkheid én veel denkruimte alleen voor zichzelf, maar hun minder of niet geliefde ordegenoten lagen aan banden en werden geenszins gespaard. Ach, het was gewoon een raar stelletje bij elkaar.

4. Maar Poll werd aanbeden. Hij deed zich goedmoedig voor, maakte grapjes, verloor soms zijn zelfbeheersing, wat dan van zijn gezicht af te lezen viel, maar op stoer mannelijke bijval kon hij rekenen en ook een aantal vrouwen was hem nederig welgezind. Poll kon een potje breken en bracht hetgeen hij te verkondigen had op charmante, bijna Brabants gemoedelijke wijze te berde. Mijn gevoel bij Poll was dubbel. Ik probeerde hem te waarderen maar struikelde, omdat ik de waarheid aanhang en geen geveins. Poll ergerde zich daarom rot aan mij. Hij verzamelde in stilte bewijs tegen mij, bekletste me en deed zich gelijktijdig innemend voor, ook tegenover mij. Maar zo'n beleid houdt het niet. Ik prikte het door. En Poll haatte me. De misogyne mannen ook. En die ene vrouw met de naam Marja accordeerde met hen en sleurde de overige leden ongemerkt mee in hun roes van hatelijkheid.

5. Het werd oktober 2008. Het was de feestdag van Franciscus. De mis was achter de rug en we gingen naar de zaal voor de koffie en om het feestje te vieren van onze heilige schutsman. Dat dacht ik. Maar het feestje bleef uit. Het werd wél een rommeltje in dat ene speciale uur, dat later het uur van afscheid zou zijn. In plaats van Poll nam Marja het woord. Poll zelf zweeg, hij wist wat er ging komen. Het werd een bevreemdend woord. Ze oreerde over de gemoedstoestand van Truitje, die al zolang ik me de club herinner gastlid is. Truitje was na de vorige bijeenkomst ontdaan geraakt toen ik haar in een vrolijke bui had gevraagd of ze niet geprofest wilde worden. Ze wist van de hoed en de rand en waarom zou ze dan niet intreden? Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Maar Truitje was er aangeslagen door geraakt - ze wil helemaal geen lid worden - en had kennelijk haar gram gehaald bij de vaste kern. En de militante Marja zou het varkentje wel even wassen, het was een kolfje naar haar hand, naar ik begreep. Ik moest me dus verantwoorden over deze vraag. Verbijsterd zei ik dat ik die uit liefde had gesteld, uit sympathie, ook voor de club, en niet om Trui van streek te maken, dat was logisch genoeg. Maar mijn eenvoudige antwoord zinde niemand. Er volgde geschreeuw, gehoon, er werden aantijgingen gedaan, er werd beledigd en zelfs gehuild. Vooral de uitermate grammottige reacties van Marja, William en Willeke liepen de spuigaten uit. En het bleef niet bij de verdediging van Trui. Medezuster en voormalig landelijk minister Sib werd lawaaiig keihard weggestuurd als zijnde niet welkom. Ze paste volgens de harde kern niet in de groep en ze woonde te ver uit de buurt, maar ook zou ze valse motieven hebben als gastlid van de club. Sib voerde dapper verweer, maar het hielp haar niet. Het getier ging door. Ik weet nog goed hoe verbijsterd ik alles onderging en niets van de hetze begreep. Toen sloeg de aanval weer over naar mij. Want er was van mij per abuis een e-mail bij Poll terechtgekomen die voor Sib en niet voor hem was bestemd, maar die wél heel onthullend was geweest, volgens Poll. Hij had de uitdraai bij zich! Moest hij het laten zien? 'Doe maar,' zei ik. Hij deed het niet. 'Jawel,' zei ik, 'nu lees je het voor ook!' Het ging om niet meer dan één zinnetje: 'Kijk eens Sib, ik dacht dat het vanzelfsprekend was.' Het was een reflex van mij op de heisa rond de jaarlijkse kerstviering, waarvoor ik ook dit jaar een programma zou verzorgen, maar waartegen in dezelfde harde kern, achter mijn rug om, was geprotesteerd.

6. ‘Dat kunnen wíj ook,’ was de mening van de jaloerse Marja. ‘Natuurlijk,’ zei ik en zweeg, net als de anderen die heel goed wisten dat ík het was die een paar jaar geleden de kerstviering weer had opgepakt, dat eerder voor heel lange tijd niet meer samen kerst was gevierd omdat niemand de moed nog had gehad teksten te verzamelen en boekjes te maken. Het kwam door de hoge leeftijd en het onverkwikkelijke mankement.

7. Poll nu verklaarde dat het regeltje héél wat zei, dat het zelfs boekdelen sprak en dat Sib en ik achterbakse dingen bekokstoofden ten nadele van hem. Hij werd gewantrouwd, riep hij uit. Ik legde pijnlijk getroffen maar uiterst geduldig uit hoe de kleine vergissing was gebeurd, wat het regeltje écht betekende en dat het volkomen onschuldig was, maar het was praten tegen een muur. Poll zag zijn kans schoon, deed zielig, toonde emoties in zijn stem, zat theatraal voorover gebogen met de handen voor het gezicht geslagen en hing het slachtoffer uit. Hij werd erin gesteund door een boom van een kerel: arme Poll, hij had het al die jaren goed gedaan! Wee wie aan hem komt! Het gekrakeel van de kerel was zeer wankel, want hij was te kort bij die club om iets te kunnen weten van 'al die jaren', behalve dan wat Poll hem wellicht had ingefluisterd op zwakke momenten van ontrouw aan het gebod van de naastenliefde en van de club. Zo gaat het. En ja, het is gewoon een ordinair zooitje, op zo'n ruziemoment. De geestelijk leidsman, een kapucijn, zat erbij en keek ernaar. 'Het zit wél diep,' zei hij en zweeg. Hij kon er verder ook niets aan doen. Ik was er helemaal misselijk van.

8. Toen we, Sib en ik, vertrokken, draalde de groep opmerkelijk. Sib had ter plekke afscheid genomen. Zenuwachtig en aangeslagen als ze was, bleef ze beleefd en zusterlijk. Ik twijfelde op dat moment nog wat te zullen doen, omdat Poll had gezegd: 'Jij blijft toch wel?' Buiten zag ik dat ik mijn omslagdoek was vergeten en belde nog even aan. Willeke, een ander vroom licht, deed de poort open en schrok zich wild toen ze me zag. Ik zei: 'Schrik je van mij? Ik ben het maar.' Ik was gewaarschuwd. En het ondenkbare was wáár: binnen hielden ze geheim beraad. Ik liep naar de stoel waar de omslagdoek nog lag. Ze staarden met hun allen de andere kant op, een enkeling keek met een halve lach van onzekerheid langs me heen. Ik verstond wat er gebeurde.

9. Die avond nog ben ik afgehaakt. Het was meer dan genoeg geweest aan onheil, onvrede, paranoïde denkbeelden en idiote inzichten. De vrucht van mijn jarenlange deelname was zuur, de oogst jammerlijk mislukt. Neem nou Poll. Ik had altijd de hoop gehouden dat we elkaar toch welgezind zouden zijn, oprecht welgezind, het moest toch kunnen al lag ik hem niet? Bij hem is het steeds dat dubbele, dat enerzijds goedmoedige en dat anderzijds nijdige dat hij in zich heeft en, denkelijk zonder het te beseffen, ook toont. Poll is inmiddels een oude man, hij is van 1924. De 9de juni is hij jarig. Daarom denk ik aan hem, gewoontegetrouw, en dan doet het ergens toch zeer dat het ideaal van vrede de mist inging, dat het ons niet gelukt is als franciscaanse zielen in vrede bij elkaar te zijn, dat we elkaar gewoon nooit meer zullen groeten, nooit meer als zuster en broeder zullen (h)erkennen.

10. Het is een kwestie van aanvaarden. Dingen gaan zoals ze gaan en zijn zoals ze zijn. En niemand, geen vrome of heiden, is beter dan de ander. Zij niet, ik niet, niemand niet. Een mens zoekt het beste op in het leven, het beste dat bij hem past, dat hem voedt in geest en waarheid. Maar tóch houdt het me bezig dat potentiële vredepredikers geen vrede vinden bij elkaar. Een oude man als Poll moet toch méér in zijn heilige mars hebben dan dertig jaar de baas te zijn geweest van een uitstervend clubje vrome zielen? Dat denk ik.

Epiloogje

Intussen is de macht gewisseld en is de potige William, een voormalig politieagent, de vrome voorzitter van de merkwaardige (on)heilsclub geworden. Aan zijn zijde waakt de hoogbejaarde Poll. Een zekere Koos, een hoge oud-militair, is onlangs geprofest. Dat geeft extra cachet en getal aan de kern. Ik hoop dat het hen, ondanks alles, goed mag gaan en dat ze hun gevestigde leuze 'vrede en alle goeds' op een keer niet alleen voor zichzelf maar ook naar anderen toe zullen waarmaken. Het valt te bebidden. Je weet maar nooit.

Ine Verhoeven, Nijmegen, mei 2010

 

 

 

ORDE VAN FRANCISCAANSE SECULIEREN: ‘GEEN ONDERGESNEEUWD KINDJE'

                                                   

Op 1 juni 1996 werd Sybil van der Maat-Rooy (Amsterdam, 1943) aangesteld als de nieuwe landelijk minister van de Franciscaanse Leken Orde, tegenwoordig de Orde van Franciscaanse Seculieren (I.V. 25.11.2009). In deze herpublicatie is de naam als zodanig opgenomen.

Franciscaans Maandblad zoekt haar op in haar woonplaats Vinkeveen: Wie is Sybil, wat leeft in haar, wat be­weegt haar, wat verwacht ze, wat betekent ze voor de OFS?   

 

Sybil, hoe beleef jij de franciscaanse spiritualiteit; welke facetten springen er voor jou uit?

 

Het omgaan met de totále schepping, dus ook met mensen, dát springt er voor mij uit. Francis­cus leerde me dat fantastische evangelie her-ontdek­ken. Ook Clara. Zij schrijft in een brief aan Agnes van Praag: 'Ga door op de weg die je gaat. Hou vast aan wat jou bezig houdt. Denk eraan dat God altijd met je meegaat. Wees opgewekt en blij en laat je niet ontmoedi­gen.' Door Francis­cus vond Clara de weg die ze zocht. Hij was haar opzet­je. Dat werd hij ook voor mij. 

 

Je bent nog niet zo lang 'terug' in de OFS. Waarom werd jij desondanks gekozen als landelijk minister?

 

Er moest statutair een nieuw bestuur komen. Ook verjon­ging was nodig. Huub Hodzelmans vroeg of ik me beschikbaar wilde stel­len. Huub wist dat ik sociaal raadsvrou­we ben en voornamelijk met mensen aan de zelf­kant van de maat­schap­pij omga. Hij wist ook dat ik liturgisch bezig ben en me inzet voor het Rode Kruis. Gezien mijn vakken­nis kwam ik in aanmer­king voor de be­stu­urs­functie. Dat ik gepro­fest was, wist hij van To van Beek. Met To had ik daarna regel­ma­tig ge­sprek­ken. Ook volgde ik curcussen. Want door een gehan­di­capte vrien­din kwam ik pas te­rug in de fran­ciscaanse familie.

 

Dacht je voorheen nooit aan je franciscaanse gelofte?

 

Wel aan gedacht, want ik had het koord en scapulier. Toen ik dat niet meer droeg, verdween het met het oude serafijn­se handboek in mijn nachtkastje. In mijn omgeving was geen fran­cis­caans aanbod en ik dacht dat het allemaal niet meer be­stond. Tot mijn vriendin in 1993 via het Rode Kruis mijn leven 'bin­nen­rolde'. Zij was lichamelijk van mij afhanke­lijk én wij hadden geestelijk verbin­dings­draad­jes: dezelfde interesse, visie, opleiding, hetzelfde beroep en zelfs dezelfde welpen­naam 'Raksha'. Dat betekent 'wolvenmoeder'. Ze had veel meege­maakt én ze had een diep geloof waaraan ik me laafde. Van haar hoorde ik dat de Derde Orde spring­levend was en Orde van Franciscaanse Seculieren heette. Ze was geen lid van de OFS, maar ze was zo franciscaans als iemand maar zijn kan.

 

Welk kernideaal voor de OFS had jijzelf voor ogen bij je aan­stelling als landelijk minister; wat is je persoonlijke in­breng?

 

Dat wij met elkaar dat rijke franciscaanse erfgoed bewaren en doorgeven. Dat wij het 'wijgevoel', waarvan ik toch denk dat het enigszins weg is binnen de Orde, bij elkaar terugvinden. We zijn immers één familie. Mijn persoonlijke inbreng is dat ik het contact met mijn broeders en zusters, het delen van het broe­der- en zusterschap, wil herstellen. Ik wil iedereen ontmoe­ten. Ik bezoek de afdelingen. Ik wil de afstand tussen het bestuur -waar men tegenop kijkt- en de mensen in de afde­lingen zó verklei­nen dat die drempel verdwijnt. Ik merk dat mensen contact met het bestuur en met degene die zij als minister kozen, fijn vinden.

Het gaat me óók om onze franciscaanse broeders en zusters over de grenzen. Contacten met hen zijn belangrijk. Ik wil daar een inbreng in hebben. Maar ik ben er allereerst voor de mensen in Nederland. Op hen richt ik mijn grootste aandacht.

 

Hoe denk je dat te verwezenlijken?

 

Door met de mensen te praten op de afdelingsbijeenkomsten. Daarnaast schrijf ik artikelen in Doortocht en brieven naar de afdelin­gen. Als ik tijd heb, bezoek ik mensen apart. Daar is behoefte aan. Maar als bestuurder moet ik ook vergaderin­gen voorzitten, zorgen dat alles doorgaat. Ik heb een aantal talenten. Ik heb methodieken geleerd in mijn opleiding en in mijn vak. Ik heb ervaring. Die talenten moet ik gebruiken, ook voor de OFS.

 

In Doortocht van juli/augustus 1996 schrijf je: "soms worden wij door Gods wonderen overvallen". Wat versta je daaronder?  

Als je om je heen kijkt en probeert intensief te leven, in mijn geval vanuit mijn geloof, dan gebeuren er elke dag kleine wondertjes.

 

Die gebeuren toch ook bij mensen zónder geloof?

 

Is dat zo? Dat vraag ik me af. Mensen die niet in wonderen geloven, zullen zeggen 'dit is toeval'. Ik verbind wonderen met mijn uitgangs­punt dat er een Schepper is, een Eeuwige die ons stuurt, die dingen laat gebeuren waarop wij geen grip hebben. Ik geloof dat er meer is tussen hemel en aarde dan wat wij waarnemen. In die zin geloof ik in wonderen. Er zijn situaties waarvan we achteraf zeggen 'dit moest zo gebeuren'. Het leven is een leerproces, maar dat zie je achteraf. Ook wonderen ervaar je achteraf. Ik heb wél geleerd nuchter te blijven bij wonderen, ze te relative­ren, ze te zien als het signaal 'heb zorg voor de ander'. 

    

Je noemt jezelf ook "die­naar" zoals Francis­cus bedoelde. Hoe maak je dat waar, is dat niet hoog gegrepen? 

 

Nee. Ik grijp niet hoog. Ik heb ook niet die pretentie. In de brief van Franciscus aan de gelovigen staat dat wij elkaars dienaars moeten zijn. In de brief aan de ministers schrijft hij dat de ministers dienaars moeten zijn van de broeders, maar ook van gewone mensen. Wij hebben taken gekregen omdat we talenten hebben, die we als dienaars moeten gebruiken. Dienen is: de opdracht zo goed mogelijk vervullen. 

 

Is er voor de OFS per­spec­tief? Verwacht je, ondanks de ver­grij­zing, toch aanwas van katholieke zijde of ligt een verdere groei van het ledenbe­stand eerder binnen de oecumene, bijvoor­beeld door het gast­lid­maatschap?

 

Ik zie voor de OFS zeker perspectief. Niet dat hordes jonge mensen zich aansluiten. Wel komen druppelsgewijs mensen bin­nen. We vertrou­wen dat zij de weg willen gaan binnen de OFS. Door de oriënta­tiemiddagen krijgen we nieuwe aanmeldingen. De Leken Orde verdwijnt niet, dat gebeurt eerder met de religi­euze ordes en congre­gaties. Daar gaat de vergrij­zing sneller dan bij ons, de seculiere tak. In de reguliere Derde Orde is geen aanwas. Het is geen afzetten tegen, maar bínnen de FB moeten wij ons duide­lijk profile­ren als zijnde de seculie­re tak van de Derde Orde. We zijn geen onderge­sneeuwd kindje. Zeker niet. Onze eigenheid komt wel nog te weinig naar buiten. Maar de secu­lie­re tak blijft. We krijgen andere vormen. De afdelin­gen worden geleide­lijk opgehe­ven. Er zullen regio­ver­banden ont­staan, omdat geïnte­res­seerden overal vandaan komen. Het leef­tijdsver­schil is vaak te groot. Dat sluit niet aan. Maar zoals we nu draai­en, gaan we door. Daar voelen de fran­ciscaan­se mensen zich prettig bij. Daar wordt niet aan ge­tornd. De oecumene is belangrijk. Met het gastlid­maatschap zijn we interna­tionaal nog bezig. In de afdeling Hilver­sum is al een gereformeerd-hervormd lid. Dat gaat goed.

 

Maar protestanten worden niet geprofest omdat ze niet katho­liek zijn!

 

Nee. Dat is jammer. Misschien verandert dat ooit. Ik weet het niet. De structuur van de Orde laat het niet toe. Ik merk dat gastleden de Franciscaanse Beweging wel interes­sant vinden, maar liever een vaster verband zoeken. Dat vind ik frappant. Het betekent wel, dat wij de verantwoor­ding dragen om die mensen iets te bieden. Wat hebben wij, als OFS, dan méér? We moeten een goede vorm vinden om uit te leggen wat die meer­waarde is. Via het gastlid­maat­schap komen ook nieuwe ideeën binnen. En ja, ik ben pro oecu­me­nisch, zeer zeker. Het gaat om dat origi­ne­le, dat Godsver­trou­wen, dat omgaan met die bijbel en het evange­lie, dat doortrekken van die bijbel zonder gekwe­zel, zonder getuttel en vroom gezever.

 

Wat boeit jou in Franciscus? Ervaar jij hem als een heilige of moet hij toch een zot zijn geweest? In déze tijd kan zijn leefwijze toch niet meer serieus genomen worden? Bovendien strafte hij extreem zijn lichaam 'broeder ezel' af. Kan zoiets in 1997 nog?

 

Zijn radicaliteit, die boeit me. Het is nogal wat. Ik denk dat je een zot moet zijn om zo radicaal te kúnnen leven. Ik lees momenteel over figuren die bezig zijn op een manier, waarvan de buitenwereld denkt 'die zijn hardstikke gek'. Ze leven puur vanuit een franciscaan­se geloofs­visie. Daar staan ze voor en het zal ze een worst wezen wat die buitenwereld denkt. Ze vertrou­wen dat hun manier van leven goed is, het doet hun geen pijn als er raar tegen ze wordt aangeke­ken. Franciscus had daar ook daar maling aan, omdat hij zich gesteund wist door wat er van binnenuit tegen hem gezegd werd.

Die zelfkastijding was zíjn keuze. Aan het einde van zijn leven ontdekte hij wél dat hij zijn lichaam tekort had gedaan. Ik denk dat hij, als hij die ascese minder streng had doorge­dre­ven, misschien wel honderd was geworden. Hij is lang ziek geweest en heeft zijn lichaam verwaar­loosd. Ik kan me niet voorstel­len dat Christus dát bedoeld heeft.   

Je moet -juist nu- sober kunnen leven. Je mag best iets heb­ben, maar let op overdre­ven luxe. Bedenk ook 'hoe kan ik anderen steunen'. Delen, het is delen. Deel ook van je materi­ële bezit. Maar straf jezelf niet af, zodat je helemaal niks meer kunt beteke­nen. Er zijn al zoveel mensen die -ongewild- in erbarmelij­ke omstan­digheden leven, die geen eten hebben voor zichzelf of hun kinderen; dat vind ik de grootste schande die in onze maatschappij bestaat.

 

Wat heb jij ten diepste 'gevonden' binnen de Orde van Franciscaanse Seculieren en hoe ga je met haar spirituele gedachtengoed om in je dage­lijk­s leven; hoe werkt dat door in je gezin, in je huwe­lijk, in je taken?  

 

Ik heb niet alleen Franciscus herontdekt en de franciscaanse familie, maar ook het evangelie. Op mijn beperkte wijze pro­beer ik dat gestalte te geven, niet groots opgezet of met grote woorden, maar door gewoon te zijn wie ik ben. Als ik terugkijk, dan zie ik dat ik altijd al sociaal bezig was. En als echtpaar hebben wij steeds geprobeerd onze kinderen zo op te voeden. We hebben ze meegegeven dat het niet alleen gaat om eigen gewin, maar dat ze ook zorg moeten hebben om anderen. En al zijn onze kinderen op dit moment niet kerks, omdat het instituut kerk hun absoluut niets zegt, ze zijn wel sociale mensen. Ze zijn nog jong, ze moeten nog een heel leerpro­ces door­ma­ken. Ik probeer hen vanuit mijn franciscaanse gedachten­goed voor te leven. Dat doe ik ook in mijn werk. 

 

Het landelijk ministerschap. Heb je een speci­fiek voor­beeld waardoor jij kunt stellen: 'Dit is het. Hier gá ik voor. Dit houdt me over­eind. Dit maakt mijn inzet voor de OFS de moeite waard'?    

 

Het is een uitdaging. Ik zie het als mijn opdracht om het erfgoed van Franciscus -en Clara- in stand te houden en door te geven. Daarvoor blijf ik me inzetten. En ik blijf overeind door het fantas­tische team dat ik achter me heb staan. En door mijn vertrou­wen in de Eeuwige. De Orde van Franciscaanse Seculieren is voor mij een prima Orde.                                                                                                               Ine Verhoe­ven, Nijmegen 27 juni 1997

 

 

IC 26.10.2009

DRIE DAGEN in de HERFST

We hadden drie dagen gestruind door het land van Maas & Waal. Het hele lieve weekend lang was van ons en we hebben al die tijd intens genoten. Onze vriendin uit Vinkeveen was een weekje gesetteld in Zeeland, het dorpje waar de jezuïet Jan van Kilsdonk zaliger was geboren en getogen en waar tegenwoordig zijn standbeeldje staat. We hebben het deze keer, dat we in Zeeland waren, niet bekeken. Wel zijn we vanuit Ria’s Zeelandse bezoek samen eropuit getrokken, de herfst in; en we gingen langs de schitterende herfstpanorama’s, legden aan bij stemmige Brabantse en Gelderse kroegjes - die we kennen en waarderen - maar ook bezagen we de oude, soms verweerde kerken groot en klein, die her en der in de dorpen en langs de dijken te pronk staan, want kerken zijn in structuur meestal mooi.

Neerlangel

Wat heeft vooral het uitgestrekte boerenland veel invloed op je gemoed. Je voelt bij het schouwen een mengeling van vreugde en weemoed door je heengaan. Ik wel. Maar de oude Maas trekt onverstoorbaar door het land, de dijken staan als engelen te waken en bij de Waal gekomen zie je hoe de rivier het in breedte wint van de ranke Maas; maar beide zijn stemmig en schoon en onweerstaanbaar aimabel als het onmisbaar, hoogstaand signaal in het panoramabeeld. Een weidsheid zonder rivier is armetierig, mist iets wezenlijks en wel het heilbrengende water dat leven geeft, leven doet, in leven houdt. Dat vind ik zo.

 

 

De herfst kleurt behalve het landschap ook je ziel alle kanten op, ik bedoel dat je ernaar kunt kijken en dan laat je het beeld weer los, want het is ál te sterfelijk wat je ziet, je moet daar dan weer niet te lang bij stilstaan. Opvallend is het rustige beeld dat zich, soms onverhoeds, afwisselt met de onrustigheid van het getij, bijvoorbeeld bij de vallende bladeren in de wind en de grond die bezaaid ligt met doodse ritsels of platgetreden haast ontbonden loof. De herfst is sterk. Mensen reageren erop, ieder op zijn eigen manier. De een wordt lyrisch, de ander verstilt. Gelijk de blaadjes zich gedragen, zou ik haast zeggen, ritselend, spelend en vallend, dollend en tollend het einde tegemoet en dan stil, afwachtend, over. Maar zo hoef je niet te denken. De herfst gaat in menselijke norm de winter tegemoet, volgens het natuurverschijnsel. Wij mogen de seizoenen beleven, keer op keer. Hoe het einde in menselijk opzicht zal zijn, dat is een ander verhaal. Maar we hebben genoten van de herfst in dit weekend. Van de herfst en van elkaars nabijheid. Ik heb het vastgelegd in deze korte pennenstreken via de pc. Ter herinnering.

 

 

 

IC 100

Te lezen als mens

Als je een vrouw bent, denk je als een vrouw, leef je als een vrouw, schrijf je als een vrouw. Hoe zou een vrouw als een man kunnen denken, leven, schrijven? Ik niet. Maar de teksten die een vrouw vanuit haar vrouwzijn bedenkt, beleeft, opschrijft, zijn zowel leesbaar voor vrouwen als voor mannen. Zo is het met mijn nieuwe gedichtenbundel gesteld: er staan teksten in voor mensen geschreven, non part van welke kunne.

Het boekje is me een kleinood met 60 pagina’s en 46 nieuwe gedichten. Zoals de voorkant laat zien, staat het leven centraal met de liefde en de zorgen en de blijdschap die erbij horen, met de ruimte om te kunnen bestaan; maar ook het heerlijke, Nederlandse landschap, de seizoenen en de rijkdom van de perfecte natuur hebben een groot aandeel in dit boekje. Kijk maar op http://ineverhoeven.web-log.nl en zie hoe je de bundel kunt verkrijgen. Daar staat trouwens veel te lezen, zo ook op http://inebegijn.web-log.nl en je kunt me vinden op Facebook, Hyves, Twitter en Hi5 en op de weblog voor www.vijftigplussers.nl. Het is maar een private mededeling, dit tekstje, maar ik dacht er goed aan te doen het te melden aan de lezers. I.V. 14.09.2009

 

 

IC 94 --- 20 augustus 2009

De grap die insloeg als een bom

Er kwam een melding via Hyves bij me binnen met als slogan: Je bent bekender dan je denkt. Ik zag dat de melding gelijktijdig aan veel Hyvers was gestuurd, het moest dus wel een public joke zijn. Het filmpje dat werd getoond, liet zien hoe de hoofdboef Stanislav met zijn kornuiten op een digitale crimiwijze achter de privé-gegevens van de internetters aanzat en ze bemachtigen kon door ze te hacken, een duidelijke waarschuwing dus aan de mensheid hoe je slachtoffer kunt worden van de misdaad: voorzichtig zijn met privé-gegevens dus. Het ministerie van Jusitie gaf het filmpje uit mét de tips hoe je veilig kunt internetten. Intussen hebben in zeven dagen tijd een slordige zeven miljoen mensen de waarschuwing gekregen. Ik ook. Het ministerie heeft de stunt nu stopgezet. Boef Stanislav is weer terug naar huis, wellicht via het goede pad. Het was een griezelige film temeer omdat jouw naam in het geding was. Maar sterker had het ministerie de hint niet kunnen geven: oppassen! Het was een grap die insloeg als een bom. Er waren nogal wat mensen van geschrokken, zodanig dat ze er wit van zagen. In een mailtje van een vriendin aan mij terug stond de onthutste kreet: ik wil dit niet! Toen ik dat las, dacht ik: dit plan is helemaal gelukt, het ministerie heeft in de roos geschoten, de boodschap is aangekomen. Als iemand zo erg schrikt, dan gaat hij vanzelf wat voorzichtiger worden, maar in het geval van mijn vriendin weet ik het niet, ze is nogal snel van reactie maar ook van vluchtigheid. Ik had haar in een reactie naïef genoemd, dat was niet aardig, al wilde ik haar met dat woordje erop wijzen dat ze eerst goed moet kijken en lezen wat er staat alvorens ze zich bang laat maken door een doorstuurfilmpje. Och ja. We zijn allemaal mensen die in vrede en gerustheid willen leven, zij ook, en dan begrijp ik de schrik ook wel: het zou zo maar waar kunnen zijn, het zou je zomaar kunnen overkomen! Maar daar was de grap nou net voor bedoeld: dat het NIET gebeuren zal en wel doordat je je maatregelen neemt. Ode aan het Ministerie van Jusitie. Knap bedacht. Psychologisch doorwrocht. Maar toch: een andere hyvester haakte direct helemaal af, zij is actief in de branche ‘godsdienstigheid’, is pas terug van een bedevaart uit Medjugorje en is bij het zien van het filmpje onwel geworden, waarna ze haar hyve helemaal de deur uit heeft gedaan en al haar vele vrienden kwijt is. Niet iedereen is stabiel genoeg om een dergelijk bericht relativerend tot zich te nemen. En grap of niet, het blijft heikel als je je naam en je foto’s per digitale in crimikringen ziet getoond. Huh. En toch moest ik achteraf lachen, me terdege bewust van de ernst van het item. Ach toe. Een gewaarschuwd mens telt voor twee.

 

 

IC93 --- memorabele herinnering

DE NATUUR ZONG AMEN

De monnik en ik. We gingen langs snelstromend water, een smal riviertje dat intrigeerde door de korte rap klotsende golfjes. Daar bloeiden tegen de oever de gele violen die zonder muze hun kleur zongen, een kleur van ongekend vreugdejaune; dat geelsoort van de unieke zinkvi­ool­tjes, die groeiden langs deze smalle rivier. Slechts het meest Limburg­se zuiden vertelde van hun be­staan.

De monnik leek te genieten. Ik genoot zeker. De flora en ook de fauna waren paradijse­lijk. Zon of geen zon: dit was Lim­burg. En we ver­volgden onze weg over een pad dat zich speels door het landschap slingerde. Had ik Frankrijk aangedaan, zoals ik al zo lang van plan was geweest, dan zou ik déze vreugde niet hebben gekend: samen met de monnik ging ik langs de goddelijkste wegen in dit kleine kikkerland.

Ik keek naar de hemel. Was God daar soms? Ik zag een dikke wolk. Even later probeer­den schrale zonne­stralen haar voor­zichtig te doorbreken. 'Is God daar?' vroeg ik aan de monnik. Hij glimlachte, maar antwoordde niet.

Mijn pas ver­traagde. Zag ik forellen in de snelle stroom? Schielijk scho­ten de vissenlijven door het water. Forellen. Heuse forellen. Opgewekt stapte ik door. Het pad voerde langs water, weiden en akkers. Koeien bekeken ons dom­nieuwsgierig; vogels vlogen hoog op en scheerden laag weg; bloemen bloeiden volop; grassen deinden hun bloeisels, hun halmen.

De monnik stopte abrupt. Hij boog voorover, alsof hij iets bekeek. Het was een slak, die zijn aandacht trok. Met zijn voet bewoog hij het huisje. De slak kromp niet ineen, wat ik ver­wacht had, maar ging verder het slakken­huis uit. Zijn voel­sprieten staken meer naar voren, alsof hij wilde tasten waar hij zich bevond. Dat was in zand en onder vlier en braam­struik. Ik rolde het slakken­beest verder, het hoge halmgras in, ter bescher­ming. Ik keek naar de monnik. Hij liep door. Langzaam.

Dan viel hij op de knieën, hief zijn armen op en begon zingen. Ik hoorde een hoge, heldere stem. Een manne­lijke sopraan. De monnik jubel­de. Hij zong een Godlof, een psalm gelijk: 'Dank Jou, Vader, voor dit aardse goed! Dank Jou, Vader, voor deze won­derschone Moeder Natuur. Dank jou, hemel, voor de wereld. Dank jou, wereld, voor de hemel.'

Ik was stiller dan stil. Ik boog mijn hoofd. Ik sloot mijn ogen. Ik ervoer een stroom die sterker moest zijn dan het snelle water van het riviertje. Vissen zwommen in mijn bloed. Vlin­ders dansten onder mijn huid. Vogels zwermden in en uit mijn hoofd. En liefde, heel waarachtige liefde, bewoog heftig mijn hart.

En ook ik knielde neer. Met ingehou­den adem boog ik mij voor­over. Ik kuste de grond die mij droeg en ik aanbad God zelf. Dit was Zijn aarde. Dit was Zijn rivier. Dit was Zijn schep­ping. Wat wilde ik meer? Wat verwachtte ik nog?

De zinkvi­ooltjes roerden zich in het ritme van de zachte wind. Het engelse gras trilde mee. De monnik ging staan, rechtop. Hij keek naar de hemel. Toen keek hij naar mij. We lachten.

Langs de snelle rivier gingen we samen verder. We wisten ons kinderen van God. Zonder woorden ervoe­ren we het leven als 'amen'. Niet meer en niet min­der. Het kwaad was ver weg, heel ver weg. Want God ging met ons mee. Net als de vissen in de rivier. Net als

de vogels in de lucht. Net als de wind in onze haren. We gingen verder: God, hij en ik. Ik, hij en God. We gingen gedrieën langs de bloe­men­ en de strui­ken en langs de oevers met de zinkvio­len en het engelse gras. We lachten, we zongen. Godpsalmen galmden over de akkers. De bomen waren duizend keer groen. De natuur zong amen.

I.V. 1992.

 

 

IC 92 --- 5 augustus 2009.

STILTE

Soms ben ik stil in mijn innerlijk, en de buitenkant doe mee. Het is ook zo nodig je hart te keren van tijd tot tijd. Een mens maakt veel mee op een dag, ook al hoort en ziet de omgeving er niets van. In de eigenheid van mensen ligt enorm veel opgeslagen aan geïncasseerde beelden, daden en lotgevallen. Geen mens loopt ermee te koop. Wie zal jou trouwens begrijpen? Wie is het die je innerlijk kan lezen? Wie weet van jou, en wat weet jij van die ander? Het meest moeilijke in je leven is het inleven in je naasten; mensen voelen hun eigen leed, logisch, het is van hen, het is privé.

Maar die stilte van tijd tot tijd, hoe weldadig is zij. Ik min de stilte. Ik kan niet zonder. Al is dat dubbelrondig een ander verhaal. Enfin. Heb het goed, jij die dit leest, en doe een uurtje mee aan de lieve stilte. Het zal je goed doen, en je omgeving ook.

-

Overigens, wist je dat er nog twee weblogs van me zijn die je kunt bezoeken? Met gevarieerde teksten en dito story’s voor jou en je kring. Ga maar eens kijken op http://ineverhoeven.web-log.nl en op http://inebegijn.web-log.nl. Je wordt er misschien wel eventjes stil van... of heel blij, wie weet. I.V.

 

 

IC90---22/23 juli 2009

BLOEMETJES IN BOXMEER

Vanavond had ik even gekeken in het dagboekarchief bij 22 juli 2005. ‘n Schattig moment was het om weer terug te lezen over een stukje uit mijn lang vervlogen jeugd en de familialen die daarbij pasten, en van wie er nog in leven zijn. Niet iedereen is al doodgegaan. Gelukkig maar. Tegelijk denk ik alweer aan dat opmerkelijke dametje dat ik zaterdag in Boxmeer zag lopen bij het huis van Julie Postel; ze liep daar met een verre glimlacht op haar gezicht en met weidebloemetjes in haar hand. Merkwaardig is wel dat ik dat beeld van haar niet kwijtraak. Ik ben het intussen op gaan schrijven, maar dan zie je dat je blijft steken bij wat je niet weet of niet zag, dat je alleen dat ene beeld voor ogen hebt. Zo’n markante verschijning herinnert je aan veel, mij in ieder geval wel. De ganse omgeving van dat prachtige kasteel, want dat is het, is wondermooi, ik heb er zo van genoten toen ik er dat zaterdagse uur op bezoek was. De redemptoristen wonen er voortaan, zij zijn uit de Nebo van Nijmegen vertrokken. Ze wonen er schitterend mooi. Je oude dag door mogen brengen in die contreien lijkt me weldadig. Maar het mevrouwtje, wat was dat nou? Niks bijzonders, ze liep daar en ik zag haar maar heel kort, toch zijn er nu twee teksten op haar geschreven, of zou het simpelweg op haar wezentje zijn, gewoon op wie ze uitstraalde, een katholiek oud mevrouwtje met een grote liefde voor het geloof? Of misschien is dit anonieme mensje de aftekening geweest van wat de toekomst voor ons, ouderen, in petto heeft, gaf ze een signaal af van de waarheid van morgen. Een mens krijgt zoveel tekens onderweg; en wie zal het psychologisch duiden? Dit zijn de tekstjes:

1. Mevrouwtje met bloemetjes:

Daar ging een mevrouwtje met bloemetjes/ Een dametje zeventig plus/ Zij had in een weiland ’n tuiltje geplukt/ En stapte gehaast op de bus.

Zij ging door de straten met bloemetjes/ Dat dametje zeventig plus/ Zij hield in haar handje het tuiltje geklemd/ En zo reed zij mee met de bus.

-

Die kleine mevrouw met de bloemetjes/ Dat dametjes zeventig plus/ Zij troetelde als een kleinoodje de tuil/ En stapte ermee uit de bus.

-

Zij hield zoveel van kleine bloemetjes/ Dat dametje zeventig plus/ Zij plukte haar tuiltje, alle dagen weer/ En dan reed zij mee met de bus.

-

Daar ging een mevrouwtje met bloemetjes/ Een dametje zeventig plus/ Er lag op haar doodsbaar een tuiltje te sier/ En nooit ging zij meer met de bus.

I.V.

2. ‘n Intrigerend beeld:-

Ik zag een mevrouwtje met bloemetjes/ Ze was heel smal en teer/ Ze had die bloemetjes geplukt/ Voor Onze Lieve Heer.

-

Ze had ze geplukt bij de waterkant/ Een oude, brede sloot/ Daar groeiden bloemetjes te keur/ Heel klein en ook heel groot.

-

Het tere mevrouwtje met bloemetjes/ Keek stralend voor zich uit/ Ze zag niet dat ik naar haar keek/ Ze waande zich Gods bruid.

-

Ze ging door de poort van haar witte huis/ De bloemenbruid schreed weg/ Die dag is zij met God getrouwd/ Haar graf is naast de heg.

--

Op haar steen liggen kleine bloemetjes/ Heel stil, heel smal, heel teer/ Haar kind heeft ze voor haar geplukt/ En voor de Lieve Heer.

Ine V. 21 juli 2009; indruk Boxmeer Huis Julie Postel.

 

 

IC89---15 juli 2009

‘Reductie van een probleem’

Deze aanhef zijn de woorden van pastoor Mennen uit Oss, die zich als een ijzeren robot al jarenlang verzet tegen gelovige mensen met een mening. De tekst hieronder is een citaat uit een recent betoog van monseigneur Hurkmans. Mennen protesteert hiertegen middels de aanhef hierboven te lezen, het geheel is te zien op zijn website. Hij voelt zich aangesproken, volgens tekst-tv. Ik, als de criticaster die ik ben, ervaar dat ook, maar ik stem graag in met de woorden van bisschop Hurkmans en zal aan zijn redelijke verzoek voldoen waar ik kan. Dat Mennen (met zijn aanhang van Roomse fanatici) eindelijk deze tik kreeg toebedeeld, was volkomen op zijn plaats én de hoogste tijd. Lees de woorden van monseigneur in dit citaat:

‘In dit verband wil ik opmerken dat het echt nodig is dat wij zowel vanuit het bisdom als vanuit de parochies werken in harmonie me! elkaar. Alle werkers in het pastoraat hebben, juist in een tijd verandering, een goed werkklimaat nodig. Respect voor elkaar hebben is daarvoor een belangrijke randvoorwaarde. Het doen van publieke uitingen over personen, op internet, in gedrukte publicaties of in groepsverband, om deze personen of de Kerk in diskrediet brengen, zouden achterwege moeten blijven. Dit geldt zowel voor mensen die als conservatief of als progressief betiteld worden. Het is nodig dat wij allen leren onze tong c.q. pen te beheersen. Iemand zei mij: niet het zesde maar het achtste gebod is de grootste bedreiging voor de sfeer onder de priesters en anderen die meewerken in het pastoraat. Dit alles betekent niet dat wij niets meer mogen zeggen, geen eigen opvattingen meer mogen hebben en al evenmin dat we allemaal dezelfde woorden moeten gebruiken. Maar het betekent wel dat wij bij conflicten en meningsverschillen er allereerst met elkaar in alle openheid over moeten praten, waarbij interactie tussen de direct betrokkenen van groot belang is. We moeten met elkaar zoeken naar wat goed en vruchtbaar is voor de Kerk. Het kan niet zijn dat wij publiekelijk met elkaar in conflict zijn en daardoor de Kerk schade toebrengen. Wij zullen omgangsvormen moeten vinden die het communiceren met elkaar en het uitwisselen van meningen een positief verloop geven. Ik meen te mogen zeggen dat de gedragscode die wij hebben uitgegeven voor allen die werken in het pastoraat daar dienstbaar aan kan zijn. En het zal nodig zijn dat we daar elkaar op kunnen aanspreken en dat wij elkaar daaraan zullen moeten houden.’

Ik stuurde Cor Mennen vandaag n.a.v. dit bericht een e-mail: ‘Ja, het werd de hoogste tijd dat u teruggefloten werd van hogerhand vanwege uw onchristelijke c.q. onevangelische houding als de priester die u beoogt te zijn. Ik ben blij dat monseigneur zijn standpunt heeft bepaald, het siert hem. Nu u nog.’

Voortaan zie ik af van openbare kritiek op priester Cor Mennen. Ik zal me immers niet meer hoeven storen aan het onpriesterlijke gedrag van Cor Mennen? Het bisdom heeft eindelijk de touwtjes in handen genomen, monseigneur is het zelf die corrigeert. Goddank. I.V.

 

IC88---14 juli 2009

Maandagavond in de zomer

Wat doet een vrouw op leeftijd de hele dag als de zon schijnt en de zomer glorieert? Ik ben er zelf stuk van, want ze doet nog heel wat. En tegenwoordig is het naast de gewone dagelijkse dingen om in leven te blijven en te toeven in een schoon huis ook de gewoonte frequent de digitale post te bekijken, zelfs als er niets in de inbox te vinden is. Ik heb me betrapt op iets dommigs. Ik vind het vervelend genoeg. Dat ding, dat eigentijdse communicatiegeval wordt een storend element, en vast en zeker nieuw voer voor psychologen, omdat de bevolking, jong en oud, grootschalig aan een nieuwsoortige verslaving lijdt. Ongemerkt is de zucht naar dagelijks digitaal contact als een koelbloedige kwaal binnengeslopen, in ieder geval in mijn ziel, het is werkelijk waar. Ik wil ervanaf. Ik sta erop dat ik niet meer naar dat ding omkijk, dat ik het afzet, dat ik theedrink met mezelf en tevreden ben in mijn eentje, het moet kunnen, ik moet onafhankelijk zijn, zeker van zo een technische muze; ik zeg het streng tegen mezelf en ik meen het terdege. Maar ja. Het is de gewenning en de dag is gevulder dan ooit, tegenwoordig, en de nacht soms ook. En dat laatste is pertinent niet goed. Toegegeven, als je niet slapen kunt, is het aardig om achter je computer te schuiven en nog even iets te schrijven, maar dat nog-even-iets wordt vaak een ellenlang verhaal; dan kijk je tenslotte op, ziet de morgenstond en weet: de wereld is wakker, terwijl jij omvalt, eindelijk, van de slaap. Je nieuwe dag is al naar de knoppen, want je moet je slaap inhalen, wat nooit meer lukt. Ja, ik ben blij met wat ik schreef in dat nachtelijke tij, maar tegelijk weet ik dat het o zo ongezond voor me is, voor wie niet? Zo vaak is dit me gebeurd sinds het tijdperk van de pc in mijn leven is binnengeschoven, ik kan de keren niet meer natellen. Wel zie ik aan de boeken die ik schreef en redigeerde dat er heel wat dagen en nachten per computer zijn gespendeerd; en wat geeft het? De vrucht is zoet, en de digitale zonde van brieven schrijven en verhalen bedenken zal ook wel ooit vervagen, denk ik, als ik daadwerkelijk op een foute keer letterlijk omval. Moge dat nog lang uitblijven. Hoewel, de tijd gaat snel. Hora ruit - Tempus fluit. Maar troost je, dit stukje is van na de avondboterham. Ik hoop vannacht eens goed te slapen. Dat zal wel als ik niet wakker ben. Ja ja.

I.V.

 

IC 87--- 9 juli 2009

De duiven en de kippen, ze wáren

We waren in het land van de Hilver, de streek die grenst aan de Kempen, dat land van rust en sereniteit, zo mooi, zo onnoemlijk schoon, zo zuiver. De dorpskern van Hilvarenbeek is naar mijn gevoel het hart van het land van de Hilver. De trotse kerk stond op het Vrijthof te pronken als altijd. We liepen daar in de avond en zochten de duiven die een paar jaar geleden nog op de richels tegen de kerkmuur woonden, ze sliepen er altijd vertrouwenvol in het lamplicht en stoorden zich aan niets en niemand, de kerk was hun domein. En ik had het gevreesd: de duiven waren weg, althans, ze woonden niet meer in etages tegen de kerkmuur aan; we keken en zochten en zagen de duiven hoog bij de toren hun weg banen; er zaten korte, scherpe prikkers op de plaatsen waar de duiven hadden gewoond; een listige manier om ze er weg te krijgen; mensen zijn onbarmhartig, ook voor de dieren, het is mijn conclusie, uit de ervaring getrokken. Ik zag ze cirkelen daarboven en hoorde ze koeren. Ze vlogen af en aan. Het was juist zo’n uniek plaatje toen die duiven de kerk bezetten, maar mensen houden niet van bezetters, zou het nog uit de oorlog zijn?, en ze hebben ze verjaagd, de duiven.

Hier in Nijmegen liepen indertijd hanen met hun kippen rond in de Wolfskuil, het gebeurde in het kleine bos langs de Graafseweg en rond het flatgebouw Wolverlei, ik was er verrukt over. Ze scharrelden er hun voedsel en liepen er te pronk, ja, te pronk, want het was een beeld om nooit te vergeten, zo mooi, zo uniek. Soms hadden ze kuikens en ook dat was een plaatje om te zien, je smolt bij de aanblik. Maar er waren mensen in de flat die vonden dat haantjes gebraden moesten worden en kippen getrokken in de soep. Langzaamaan slonk het troepje van hanen en kippen en kuikens, langzaamaan verging het gekraai in de vroegte, langzaamaan waren de gevleugelde verdwenen; wie had dit gedaan? Er was geen haan die ernaar kraaide. De dader heet Haas, hij weet van niets. Geloof me dat het een leegte geeft, die tokkelende stoet van bruine veertjes en rode kammetjes is weg; en ik weet nog zo goed dat ze er waren. Ze hoorden bij het bos, bij de kinderboerderij, bij het hele landgoedje. Toen ik gistermiddag een enkele bruine haan zag scharrelen in het gras langs de Graafseweg, zag ik de triestheid van hun verdwijning dubbel in. Mensen houden niet van dieren, ze roeien wilde kippen uit, ze jagen vrije duiven bij hoge kerken weg en, o ja, dit: ze hakken bomen om, bomen die moeten verdwijnen vooral als mensen het licht willen zien, het licht van de zon, wel te verstaan. Maar ook omdat ze niet van het loof houden, dat is rommel, vinden ze, het geeft meer werk, vooral in de herfst; dus moeten de bomen weg. Dit laatste is momenteel níét gaande in de Wolfskuil, wel elders in de contreien, hier nu niet te noemen. Maar ik schrijf het erbij, want het is schering en inslag, overal om ons heen. Het gaat goed fout met de mensen, en intussen ook met de natuur, dat kleine beetje natuur dat vooral degenen die veroordeeld zijn tot wonen in een flatgebouw nog zouden kunnen genieten.

Ine Verhoeven 

 

IC86---4 juli 2009

Anonymus is dood

Ik wil niet aan je voorbijgaan, mens, ik wil je naaste zijn, je herkenning, je vriendschap, je klankbord, je troost. Nee, ik wil niet aan je voorbijgaan, mens. Ik wil mens met je zijn, ik wil mens met de mensen zijn en anders niet. En toch, mens, toch ga ik aan je voorbij, loop ik langs je heen zonder je te zien, ga ik door de straat en groet ik je niet. Maar dat is de gewoonte! We doen het allemaal! Wat? Aan elkaar voorbijgaan. We doen dus allemaal niets.

Ik heb het druk mens, druk met worden wie ik ben. Druk met kijken om me heen. Druk met zoeken naar, naar wat? Ja, druk met zoeken naar een mens, zo’n mens van de herkenning, van de vriendschap, van de samenspraak, van de troost. En de straten zijn vol met mensen en de wereld is vol met mensen en al die mensen zijn druk, kennen elkaar niet, zien elkaar niet, zelfs niet in de straten waar ze wonen, ook niet op de pleinen van de stad.

Anoniem. Het mensdom bestaat volop, leeft volop, bemint volop, baart volop, sterft volop, maar zijn ziel is bezig anoniem te worden. Niet doen, mens. Kom uit je schulp, Anonymus. Geef je buur een hand. Geef mij een hand. Leer groeten en wuiven en liefhebben. Leer je de klanken aan van de namen die de mensen gegeven zijn. Om elkaar te noemen, te benoemen, te herkennen als de mensen die we zijn, om mens met elkaar te zullen zijn. Want Anonymus is dood.

I.V. 4 juli 2009

 

IC 85 --- 25 juni 2009

LOKROEP VAN DE ZOMER

We zaten daar, hoog op het terras in van die lage rieten stoelen vol eigentijds gemak. We voelden de wind en hoorden de bladeren van de hoge bomen onstuimig ruisen, overal om ons heen. We waren verrukt de kikkers te horen, krrrrrrrrrrrrr, krrrrrrrrrr, krrrrrrrrrrrrr; het luide gekir kwam ergens van de overkant. We wisten nog niet dat de vennen daar lagen. We dronken zoete zomerwijn en genoten van de milde avond. We waren met ons vieren, drie Brabanders en nog zo een lieve mens die er niet was geboren maar er eens heeft gewoond. We hadden het goed. We waren in de stemming van het bruisende leven, alles wat negatief was, hadden we weggelegd. We waren mens met elkaar, babbelden vredig en proostten op het leven en op onze vriendschap. We smaakten de borrelhapjes met zondig genoegen, ik wel. We lachten. We keuvelden, waren betweterig, dan weer toegeeflijk, dan weer stout, maar we waren het meest goedmoedig en familiaal. We namen afscheid omdat de avond alweer ging verlopen. We hoopten op een spoedig weerzien: dag!

Toen werd het nacht en weer morgen en de zon was met ons. We waren nog steeds verrukt en na het ontbijt wandelden we naar de overkant. We zagen een fietspad en iets verderop een zandweggetje tussen het struikgewas, de bomen en de boompjes van berkje tot eik en liepen over het smalle zandje doorheen het hoge gras. We kwamen bij de waterkant van een volkomen ven, prachtig in zijn soort; en we begrepen dat de kikkers van gisteravond er hadden gevrijd voor het nageslacht. We wandelden verder en zagen ergens langs de met hoog gras begroeide oever een geplet silhouet van twee menselijke figuren als een stille getuigenis: hier was nog maar pás de zinnelijke liefde gebeurd. We glimlachten, ik wel. We namen de zomer in ons op, genoten van het prachtige uitzicht en wandelden over het stronkerige pad terug. De kleine berken stonden schalks onder de hoge eiken, als stoute kinderen die het toch wel hadden gezien. We waren verheugd over de schoonheid van dit land. We wilden er nog een keer terugkomen.

We vertrokken naar het land van de Beerze. Ook daar was de hemel afgedaald naar de aarde, overal was de zomer met groen en bloemen, met fragiele insecten en kleine donkere libellen, die dansten en krijgertje speelden boven de frisse beek en tussen de korte halmen. Merels hipten langs de bomen over het warme zand en in de verte kwamen fietsers richting de witte kapel die daar door noeste mensenhanden op een goede keer was gebouwd, alweer lang geleden; daar zaten zij neer in stil gebed, hoe nederig kun je zijn? Het kwam door deze zomermiddag op die geheiligde plek in het bos, door alles wat er ademt en leeft; het kwam door de lokroep van de zomer, geen mens kan eromheen. Het is allemaal genade voor een klein en kwetsbaar mensenhart. De Beerze kabbelde traagjes maar oneindig voort, de duizend vogels zongen onverkort; en denkelijk was het ook zo dat God op zijn eigen lieve manier naar de mensen op aarde lachte. Ik ga er graag vanuit.

 

 

IC---84 21 juni 2009.

LUISTEREN

Als je een Einzelgänger bent, voelt het alleen maar goed om afgezonderd van de massa, zonder de inbreuk van een of ander nietszeggend gesprek waarop je niet hebt zitten wachten, waarom je niet hebt gevraagd, de rappe tijd van je kostbare dagen te voldoen. En toch. De boog kan niet altijd gespannen zijn, een bezige mens moet tussentijds eens licht verpozen, niet in de overvolle binnenkamer van zichzelf, maar in het lege ruim van de ander. Helaas is er weinig begrip te vinden voor dit standpunt. Veel mensen kakelen vaak als rondscharrelende kippen en kukelende hanen ongenuanceerd aan een stuk door. Hun stemgeluid produceert graag het gangbare clichébegrip, niets oorspronkelijks, altijd hetzelfde geweeklaag en gemopper, altijd dezelfde jaloezie op koningshuis en voetballers, op wie het beter heeft, altijd hetzelfde gejammer over de ergste ziekte van wie dan ook. Weinig mensen kunnen van binnenuit luisteren naar de ander, of naar de stilte, kunnen bedaard en geduldig zijn als er een zwijgen valt, kunnen bemoedigen vanuit hun hart; nee, veel mensen zijn druk en vermoeiend met hun lege woorden over helemaal niets. Het is zo fijn om met iemand te verkeren die met weinig drukte bij jou wil zijn. Als mensen elkaar ten diepste willen verstaan, dan is dát de ideale omgang met elkaar. Veel gepraat maakt veel verwarring, maakt weinig beelden van kwaliteit, maakt moe. Luisteren is de basis voor het weten en de wijsheid, luisteren en denken en invoelen en zwijgen, totdat jou iets wordt gevraagd, dán zeg je wat je zeggen wilt, anders niet, anders zwijg je, gewoon om de zuiverheid tussen mensen te staven, om onverkort helder te zullen zijn, om voor de ander echt iets te betekenen. Zwijgen. Horen. Luisteren. Je leert ervan. Het maakt je wijzer. En liever. En milder. En gelukkiger. Probeer het maar. I.V. 23.06.2009   

 

IC 83 --- 22 juni 2009

Frederik Fluweel

Een saillante memo op katholiek niveau uit de jaren 1964 -1977.

 

Hij zat steevast in de gestreepte fauteuil van zwaar velours in groen, blauw, rood en goud. De zitting was gevormd naar zijn achterste, het rugkussen bevatte een diepe kuil. Maar hij zat er goed in, en graag. Wie zich hem vandaag de dag nog herinnert, ziet hem nog zitten in die stoel. Hij snoepte door de dag heen vele chocoladereepjes en liet zich met allerlei lekkernijen vertroetelen door zijn tweede vrouw; bij de avondmaaltijd dronk hij de overgebleven jus op met het motto: als het maar eens oorlog was! Ook nam hij nog heel gezond magere karnemelk tot zich, want hij moest op gewicht blijven, of liever afvallen, maar hij mocht zeker niet dikker dan dik zoals nu worden.

Soms fietste hij door het Brabantse land. Dan legde aan bij de norbertijnen in Heeswijk en sprak er over de teloorgang van het katholieke geloof. Het ging ten onder. Niets bleef ervan over. Zeven kinderen had hij. Ze waren gemaakt uit plichtsbesef. Nimmer had hij de roede van de liefde gespaard, want wie zijn kind liefheeft, zal het slaan. Hij was een ambtenaar van groot gewicht geweest, hij had hard genoeg gewerkt, veel gereisd; en zijn vrouw was goed voor hem geweest, zoals het hoorde. Vijfendertig jaar waren ze getrouwd, toen stierf ze aan een misselijkmakende ziekte. Maar ze zouden nog altijd samen zijn als ze nog geleefd had. Want huwelijkstrouw had ze hem beloofd op die ene grote dag in de kerk, en ze was hem trouw gebleven tot aan haar dood. Op zijn werk was hij een innemende collega geweest, ook voor de vrouwtjes in het ambt. Ze hadden hem wel eens aan het denken gezet, maar veel meer dan Spielerei was er nooit gaande geweest, al wist hij donders goed dat enkele meisjes verliefd op hem waren, want ja, hij was een aardige man, en niet onknap. Daar had zijn vrouw weer plezier van gehad, ze kon zo intens naar hem staren, en zo jong leek ze dan. Ja, ze was wel mooi geweest. En ja, ze had van hem gehouden. Dat gaf hij haar van harte na. 

Zijn tweede vrouw had hij destijds ontmoet op bedevaart naar Lourdes. Het had toen geklikt tussen hen. En hij was nog maar drieënzestig jaar jong in die tijd. Onmiskenbaar huwbaar nog. Maar met haar had hij het helaas verkeerd ingeschat, jawel, ze had geld, ze was geen onbemiddelde weduwe. Maar het boterde niet tussen hen. Ze was zijn eerste vrouw niet. Ze luisterde ook niet, had geen gevoel voor gehoorzaamheid. En ze wilde aandacht. Die kon hij haar niet geven. Zijn eerste vrouw was heel anders geweest. Die had haar katholieke plichten wel gekend. Die wist haar plaats. Maar deze vrouw? Een luxe paardje. En huilerig. Verwend.

 

En dan die vrijzinnige kinderen van haar, liefst vijf stuks die nog in huis woonden. Hij zou een vader voor hen zijn, hij had het beloofd toen ze trouwden in de kapel van de norbertijnen. Ja, die norbertijnen mochten hem wel. Hij had het voor elkaar gebokst dat de bruiloft bij hen werd gevierd, compleet met diner en borreluur vooraf! Het was heel apart geweest, heel rooms ook, en de familie wist in een keer waar ze aan toe was. Hij was kerkelijk en dat moest worden gerespecteerd. Hij zou de witheren norbertijnen een extraatje geven als hij de spotprijs van de huwelijksdag in het klooster ging afrekenen. Ja, als rechtgeaarde katholiek kon je nog binnenkomen bij de kloosters. Hij wel, ze wisten allemaal dat hij een vrome mens was. Dat hij een godvrezend man was. Dat hij als gelovige vader zijn kinderen met ijzeren hand had opgevoed; dat zijn goede vrouw hem was ontvallen, en dat was zijn grote beproeving.

 

Maar die kinderen van háár, die waren verschrikkelijk. Wat was hij begonnen? Hij zat klem in haar huis, hij was bij haar ingetrokken tussen die eigenzinnige jeugd in de huwbare leeftijd. En dat in deze tijd met de opkomst van de pil! De jongste van zestien slikte hem nota bene, en hij kon er niets tegenin brengen. Als hij zijn nieuwe vrouw er terecht op aansprak, ging ze lopen huilen. Die pil werd nog de ondergang van de wereld. Zelfs onder de katholieken werd de pil gebruikt. Het was allemaal de schuld van monseigneur Bekkers, die boerse vrijdenker! Het ging zienderogen neerwaarts met kerk en geloof, om over de teloorgang van de invloed van het kerkelijk gezag maar niet te spreken! En kijk! Ook zijn eigen kinderen, allemaal op hun plek, dat wel, waren niet rooms meer, ze zagen de kerk terloops aan de buitenkant, maar niet meer vanbinnen. Ze gingen zondags niet langer ter kerke. En ze hadden vrije huwelijken. Twee waren er al gescheiden. Het kwam allemaal door die pil. ‘Wel de lasten, niet de lusten’, zei hij grammottig, en verwenste de bastaardzoon van zijn dochter - zij heette ook nog Maria.

Nadat haar kind van het balkon viel, 5 hoog, en middenin het Amsterdamse straatbeeld overleed, heeft zijn dochter Maria het leven niet meer goed aangekund. Ze kon het onverhoedse overlijden van haar zoontje niet verwerken. Ze was door zijn dood zichzelf kwijtgeraakt, maar ja, dat was haar eigen schuld, daar was hij stellig in. Ze kreeg een zware zenuwinzinking. Ze werd opgenomen in de PI en behandeld door verschillende psychiaters. Erg voor haar misschien, maar het kon zijn zoals het was, hij had haar haar misstap nog eens goed ingepeperd. Ze had hem toen brutaal aangekeken en gezegd, dat hij een steenkoud hart had! Hoe had ze het gedurfd, tegen hem, haar vader? Eert uw vader en uw moeder! Maar zij niet, nee zij nam hem kwalijk dat hij haar niet had getroost, dat hij over dat kind met geen woord had gesproken. De jongen was vijf jaar geworden. In die vijf jaar had hij hem niet willen zien, hij kon het niet over zijn hart verkrijgen te erkennen wat niet van God kwam. Want hij was een kind van de zonde. ‘Van de liefde’, had Maria hem ijskoud toegebeten. Maar hij wist wel beter. Niks liefde. Zonde. En nu is dit kind dood. Och, zijn straffe hand en opvoeding hadden niet veel uitgehaald. Maar God moet het allemaal hebben gezien, zijn ijver en zijn vroomheid en zijn kerkse getrouwheid. Het sterven van de jongen was Gods wil. Het was Gods straf die rustte op deze onoverkomelijke zonde van zijn dochter. Zo had hij het heel gedecideerd gezegd, later, tegen zijn tweede vrouw. Dat was op een avond voor Pasen, toen hij zich voorbereidde op zijn paasbiecht. Zijn Pasen werd godsdienstig gevierd: feest van de Opstanding, feest van Christus-is-verrezen. Iets waar hij een extra vroom gevoel van kreeg. Maar de grammottigheid had hem niet verlaten. De bitsheid tekende zijn vierkante gezicht.  

 

In het jaar 1977 stierf hij, een moeilijk doodsbed was het wel, al werd hij begenadigd voorzien van de heilige sacramenten van zijn beminde kerk. Ik vond hem altijd een akelige katholiek, zo iemand voor wie ik als kind al aan de haal ging. Maar een diep medelijden met deze fanatieke dondersteen maakte mijn gemoed vooral in die dagen toch mild naar hem toe; ik had zijn onontkoombare oudheid, zijn zichtbare kwetsbaarheid en zijn geknakte trots op zijn gezicht zien staan. Arme man, zoveel wat mooi had kunnen zijn, had hij vergald, vooral voor zijn nabije kring, voor de kinderen die hem trouw waren gebleven ondanks zijn hardvochtigheid, voor zijn beproefde dochter die haar beminde zoontje moest missen door een verschrikkelijk ongeluk, voor zijn tweede vrouw en voor ieder die met hem de huiskamer deelde op de zondagmorgen na de mis.

Bij zijn begrafenis sprak een van zijn zoons, hun vader verdiende immers een waardig afscheid? En ja, begrip en liefde vielen hem toe. En heel veel respect voor wie hij was geweest. Want hij was dood.

 

Ine Verhoeven      

Opgetekend omstreeks 1995/2009

 

IC 82 --- 17 juni 2009

‘n MARKANT WEETJE

Het had ons niet mooier kunnen overkomen toen we maandagavond na een regenbezoek aan Tilburg en een regenlunch in ‘In d’n Bockenreijder’ te Esbeek zonnig en droog wandelden over De Lind van Oisterwijk; we dronken er koffie en thee op een oergezellig terras en genoten van de vele lindebomen, die zomers altijd geuren, en van de locale kunstwerken die over de lange maliebaan stonden uitgestald in breedvoerige stalletjes van tentdoek; er waren ook extra kroegjes gecreëerd, maar op De Lind zijn kroegjes genoeg gevestigd om je te voeden en te laven; en we zagen er alles gebeuren. We vierden een unieke avond. We hadden het goed.

In de nacht had het geonweerd, we sliepen in een huis in het bos, maar het verontrustte me niet. Toen we dinsdagochtend huiswaarts keerden, wisten we weer hoe goed het is vakantie te vieren, maar ook, sec!, om weer thuis te komen, ik wel. Behalve Lorita, zij grauwde naar me en liet zich een moment lang niet aaien, wat een beest. Alsof ze me wilde beduiden dat het geen stijl was haar een nacht alleen thuis te laten. Ik denk dat een vogel, déze vogel, haar eigen emoties heeft.

Er zou vandaag, woensdag, geen regen komen, voorspelde het KNMI. Ik nam bij mijn ontbijtje de Q10 100 mg in, raapte mijn schaarse moed bij elkaar, haalde Olivier op en we reden samen welgemoed naar het Veluwse dorp Ede, om koffie te drinken in restaurant Planken Wambuis; we wilden alvast voorproeven op de familiedag in augustus. Maar wat een gebied! De schoonheid van de diepe, haast geordende bossen en de lieftallige heidevelden in het Gelderse landschap is nergens geëvenaard. We togen erdoorheen en genoten. In Planken Wambuis was de koffie goed en we vroegen spoorslags naar de betekenis van deze markante naam. Wel, zei de juffrouw, een wambuis, daar kom je niet meer uit, en planken, dat staat voor doodskist. In dit huis was vroeger een doodskistenmakerij. De hele streek hier heet Planken Wambuis. Toen de doodskisten hier niet meer werden gemaakt, en de opslagplaats voor hout werd opgeheven, werd bedongen dat het restaurant de naam zou handhaven, daarom heet het dus Planken Wambuis. O, zeiden wij, en ik dacht erover na met een gemengd gemoed. Het antwoord was als een grijs wolkje aan de zomerblauwe hemel, ik probeerde het voor dat ogenblik te vergeten, omdat het me geen vrolijkheid opleverde; maar het is zoals het is en het sterven hoort bij het leven, dus ik schrijf het gegeven over Planken Wambuis op als een aardig weetje.

We reden via Otterlo huiswaarts, lunchten er soep en pannenkoek, kwamen via de tomtom door Arnhem gereden, namen een hoge cirkelbrug, bijna een kermisattribuut, en gingen via de Nijmeegse brug onze thuisstad binnen. Op zo’n dag besef je hoe kostbaar je bent voor elkaar, dat je samen veel geniet en dat je samen ver kunt komen, als de fysieke conditie het maar toelaat, anders houdt het goede leven op, en dat geldt voor iedereen.

 

 

 

IC 81 --- 10 juni 2009

MIDDAGTHEE

Vroeger vertelde mijn moeder me wel eens leuke voorvallen over de tantes en de ooms, maar ze deed dat nooit uitgebreid. Mijn moeder was een vrouw met mysteries als het om daadwerkelijke feiten en weetjes ging, in die zaken was ze zeer gesloten. Nee, áls mijn moeder me iets familiaals vertelde, dan was het leuk en grappig, verder niets. Op ernstige vragen gaf ze geen antwoord, ze had er een hekel aan. Ik ben dus niet veel te weten gekomen over de jeugdjaren en de jonge tijd van mijn moeder, behalve enkele geijkte gegevens, die op den duur een eigen leven gingen leiden omdat ze vaak waren gerepeteerd en daardoor enige geschiedvervalsing hadden ondergaan, en echt bijzonder waren de feiten niet, eerder smartlapfeitjes zoals van kindje dood en vader suikerziek tot en met straf op school omdat de harmonie op een mooie morgen langs was gekomen en moeder als kind in de klas op de marsmuziek had gereageerd van hopsakee en lalala. Ja, die goeie oude tijd was nog een straffe tijd.

Mijn moeder kon zo heerlijk tuttelen bij de middagthee. Ze stuurde me vaak eropuit om koeken te kopen bij de verfijnde banketbakkerzaak ’t Kupke, clientèle van onze zaak, die vice versa ging; zo handelde de middenstand in die tijd bij ons in de stad.

Mijn moeder was in die dagen een gezette vrouw met chique streken, een vrolijke aard, een bazige inslag en een dienstmeid. En zoals ze was, zo wilde ze ook zijn. Ze hield van aanzien, van aandacht, van theatrale komedie die ze opvoerde zelfs als ze door de straten wandelde; mijn moeder was een geboren actrice, maar ze kon er niets mee, want haar strenge opvoeding had haar haar talenten afgepakt, zo ging dat toen.

Ze moet een frustrerend leven hebben geleid, met acht kinderen via de kerkwet en een zaak in opbouw; gelukkig was ze behept met een zakelijke aanleg, meer dan mijn vader, die meer over het gevoel, de kunst en de techniek ging. Maar het was een mooie combinatie, die twee. Ik vraag me af of ze gelukkig waren, maar ik denk het wel. Natuurlijk weet ik zelf al te goed dat gelukkig zijn een merkwaardig fenomeen is, bestaat het wel? In de tijd dat mijn moeder ’s middags wel eens thee met me dronk, dacht ik van wel, dacht ik dat gelukkig zijn echt bestond. De cactus bloeide in de vensterbank, de kat snorde op de divan, de olieverfschilderijen hingen aan de muur waar ook de piano stond te pronken; grootmoeders stoel was opnieuw bekleed met gobelin, het huis was schoon, de auto’s stonden glimmend voor de deur als ze niet onderweg waren en de telefoon rinkelde de hele dag door. Wat een geluk.

Maar toch, wat was ik blij toen ik naar kostschool mocht. Ik zou dan met mijn moeder geen thee meer kunnen drinken als ik uit school kwam, maar de thee in de refter bij de nonnen en met al die kinderen erbij was ook lekker, en het was er gezellig en er was veel geborgenheid en veel rust; er stonden zelfs bloeiende cactussen in de vensterbank en buiten mochten we schommelen en wippen en spelen en gezellig op het bankje zitten onder de kastanjeboom; we gingen in de ronde kring en sprongen touwtje; en we zongen liedjes, leuke, mooie en stoute liedjes. Theedrinken met mijn moeder heb ik later weer gedaan, maar eerst ben ik nog even kind geweest tussen de kinderen. En het voelde heel, heel goed. I.V.

 

IC 80 --- 30 mei 2009

BIJ DE DAMES

Vanmorgen waren we vroeg naar Langenboom gereden, de zon scheen vanaf een strakblauwe hemel, de wind woei geleidelijk en ik hunkerde naar de rust van een grote tuin met bomen, en die was te vinden Bij De Dames. Boudewijn was blij als meestal wanneer ik hem mee uit vraag, en we trokken met de tomtom via Grave naar Langenboom: mooie route, heerlijke lente, vrije geest, we houden van deze sferen.

De auto werd bij aankomst langs de sloot geparkeerd, maar het werd opnieuw keren en insteken, er was geen parkeerplaats, nog niet; eindelijk de goede plek gevonden, opzij van een pad dat naar het naastgelegen huis van Bij De Dames voer; het was geen goede zet, bleek achteraf, maar dat wisten we nog niet.

Bij De Dames ervoeren we een dik uur heerlijke knusheid; we dronken koffie, zalige kwaliteit en thee, 2 zakjes om te kiezen, we snoepten samen van een onvergelijkelijk appelgebakje en werden bediend, terwijl het zelf afhalen is; o, een theetuin om te zoenen. Ik zag Boudewijn later wandelend onder de notenboom gaan, wat een beeld! De oude boomstam stond met het jonge notenloof de sierlijke tuin te domineren, de tuin die feitelijk het grote, voormalige erf van de verleden boerderij is, maar sinds vier weken de idyllische lusthof voor rustzoekende passanten.

Het had vanmorgen een Engels tintje in het boerse Brabant. Tussen de velden, de weilanden en de koeien kun je stijlvol een high tea houden, zo’n deftige gewoonte uit de oude Engelse cultuur, overgewaaid naar het EU-continent, naar ons, verstokte gapers naar de overkant.

Het was een uur van rust en nieuwe geest, alsof het vandaag al Pinksteren was; overal groen blad en bloeisels, ruimte en een blauwe lucht, de zachte bries van de wind en enkele vriendelijke mensen: het maakt je gemoed zacht en mild en blij. In de noen vertrokken we huiswaarts, nog even omkijkend naar dat wonderlijke oord; toen haalden we de auto en een kleine feeks kwam uit de voordeur van het buurhuis struinen, met een boos kopje en een scheef brilletje op haar hoekige neus: Hier mag u niet staan, we krijgen onenigheid met de buren, dit moet vrij blijven, geen auto’s bij ons pad, tatatata.

Ik dacht aan de Rijdende Rechter die vaak bij rijke buitenmensen moet ingrijpen om recht te spreken over een dom paaltje of een scheve dakpan of een storend erfpad, en schoot in mijn lach, omdat ik bij het parkeren dit ergens al verwacht had, het kon bijna niet uitblijven of iemand uit het riante huis zou commentaar leveren op de auto die daar zomaar geparkeerd stond, en ja, zo was het; het idee kwam simpelweg voort uit mijn ervaring. Mensen die zoveel vrijheid gewend zijn, dulden vaak een ander niet, weten vaak niet wat het is om te delen met anderen, zijn sneller asociaal, denk ik, omdat ze eenzelvig geworden zijn in hun vrijheid én in hun rijkdom: Wég jij, burger, deze plek is helemaal van ons!

Het was een klein wolkje afkomstig van de mensheid, de hemel bleef strakblauw en liefelijk, de bomen ruisten voort en zongen zacht in mijn oor; die kleine ka was een teken van hoe mensen kunnen zijn; jammerlijke constatering maar het is niet anders.

We waren nog steeds vol vrede en vrijheid, lieten het schelle vrouwmens niet in ons toe, maar hielden vast aan wat we hadden ondergaan in die tuin met de rustieke ziel.

Natuurlijk zet ik de auto niet meer op die plaats neer, respecteer ik dat mensen hun pad vrij willen houden, maar ik had amper een keuze, ik zou of in de sloot rijden of midden op de weg staan, dus had ik voor deze ene keer gekozen om half bezijden het pad te parkeren; Bij De Dames zijn ze druk bezig een parkeerplaats aan te leggen.

Het was een prachtige ochtend, en de geest kan waaien waarheen hij wil.

 

IC79---24 mei 2009

VIJF VOOR TWAALF

Een mens zou op zijn oude dag eindelijk de rust mogen bevoelen, de rust na de zware levensoogst die eindelijk binnen is gehaald en die gesmaakt mag worden. Maar die begeerde rust op je oude dag, wat houdt die praktisch in? In je eentje rustig van de oogst proeven, is barre leegheid en geeft weinig vreugde; je wilt délen wat je hebt vergaard: delen met elkaar, delen bij een vertrouwd samenzijn. En als je al iemand hebt overgehouden uit je vroege dagen - er is intussen veel liefs en dierbaars uit je leven weggevallen - dan blijkt hij, of zij, meer dan bezet te zijn met van alles en nog wat; en als je dan toch nog de moed bij elkaar hebt geraapt en vraagt om elkaar een keertje te mogen bezoeken, krijg je per e-mail terug: ‘Ik laat je weten wanneer het hier uitkomt.’ Geheid kun je aannemen dat je niets meer hoort of leest, de afspraak wordt vergeten en, al of niet bewust, in de doofpot gestopt. Zo gebeurt het tussen mensen, want zo zijn mensen, zo doen mensen, zo doen we allemaal, doorgaans wel.

Je wordt ouder en strammer en je kunt het allemaal niet meer aan, het enige dat je kunt verdragen is in beperkte mate het gezelschap van lieve mensen, een bezoekje over en weer dat echt niet lang hoeft te duren. Op reis gaan, geeft veel rompslomp en eenmaal terug van een verre trip betaal je met minstens drie dagen uitgeschakeld zijn jezelf uit. Oud zijn is mooi maar moeilijk en zwaarder dan ik dacht; oud zijn vergt offers, misschien meer offers dan in je jonge tijd, toen je in je levensdagen nog moest zaaien en rijpen, nog vruchtbaar moest zijn: om de lieve oogst binnen te mogen halen, straks, in de herfst van je leven.

Het levensproces is zeer de moeite van beleven waard, de oude dag ook, als je tenminste maar enkele lieve mensen vast kunt houden, mensen die je zo hard nodig hebt om je laatste jaren nog op een mooie, sociale wijze te kunnen beleven. Er zal altijd wel iets te klagen zijn, ook bij een rijke oogst, een bulkende oogst, en je moet nog dit en je moet nog dat, maar een mens moet helemaal niets, een mens láát zich ‘moeten’. Wie geen zin heeft in een ontmoeting, kan het rustig zeggen; we begrijpen elkaar immers, we zijn allemaal moe. Maar wie het daarbij laat, de draad niet meer opneemt, die verspeelt apert de laatste kansen: het is nu of nooit, de tijd is bijna om.

 

 

IC 78 --- 18 mei 2009

Goedgelovig?

Je kunt over God praten en schrijven of over de duivel, over de engelen of over de heiligen, maar je blijft buiten je gevoel geheid steken bij wie, wat, waar, hoe en waarom dan wel? Dat gebeurt zelfs bij hen met hun doorgewinterde theologische studies, bekroond met een bul en cum laude.

Je kunt van de bijbel een sprookjesboek maken, en dat is het in wezen ook, de hemel naar de aarde bidden en roepen God is goed, maar tastbaar bewijs voor je geloof in die goede God heb je nooit. Je kunt wél over het ene en enige godsbewijs praten en schrijven dat je in handen hebt: de aarde met alles erop en eraan, de aarde die in alle kleinheid voor ons, schepselen, het hoogtepunt is van het grote universum; en je hebt als ultiem godsbewijs vandaaruit jezelf te ontleden, jij die alleen maar met je diepste innerlijk God gevoelsmatig bereiken kunt, niet beredeneerbaar maar wel bevoelbaar; meer heb je niet. Je kunt ook uit angstigheid geloven, uit een bangheid die Godvrezendheid wordt genoemd, maar zulke bangheid verwerp ik als godsbewijs, omdat angst geen goede vrucht voortbrengt, nooit. Angst verknipt de werkelijkheid, angst verplettert je gedachtegang, angst maakt monddood, óf schreeuwlelijk: er zijn mensen die blaffen als honden uit regelrechte angst, willens en wetens - of niet.

En toch. Toch is God aandoenlijk aanwezig onder ons, de mensheid. Hij is niet weg te denken, hij is in zijn schepping opgeklommen als de allerhoogste, als de liefdevolle vader die van zijn kinderen houdt. Wie God verkondigt, verkondigt een liefdevol vaderschap, houdt vast aan bevrijding, blijheid, puurheid, geborgenheid, vertelt over het schone van mensen en het goede van de wereld; niet over de hel, niet over de duivel, ook niet over de engelen, al gebeurt het vandaag de dag in de nieuwe kerkelijke opzet van verkondiging en eucharistie vieren volop; het doemdenken over vagevuur en hel is de vrucht van de Opussen, die veelal in stilte, vaak in strikte geheimhouding, ná Vaticanum II de oude geloofstheorieën hebben bewaard en die nu als de waarheid binnen de Kerk floreren; het is hún beurt, de beurt van de opussen, zoals zij dat jarenlang hebben gehoopt en bebeden.

De Kerk verwordt tot een sekte. De Kerk hangt de heilige rest aan, zij gaat verder met de goedgelovigen, lees lichtgelovigen, en verwerpt en veroordeelt op voorhand wie anders durft te denken, maar ook wie menselijkheid en empathie in het Messiaanse vaandel meedragen, het liefdesgebod uitdragen dat Christus zijn volgelingen meegaf. Zulke humane gelovigen staan als zwak en heidens opgetekend in het boek van de nieuwe orde der katholieken. De Kerk van vandaag wacht niet langer af, is zonder geduld en neemt het heft van God in eigen hand (zie ook: Vrijmoedig Commentaar bij www.mennen.pr.nl). De uitstraling van de hoogste prelaat wordt krachtiger, dominanter, je kunt er niet meer omheen, zíj zíjn aan zét; tegelijkertijd toont dezelfde uitstraling van rijkdom en kracht een zwakte aan, welke ik vooral zie als ik kijk naar de eigentijdse hogepriesters die in stijfblinkende gewaden het heilig misoffer opdragen: met de rug naar het volk, precies zoals voorheen, in die griezelige tijd van het Rijke Roomse Leven. Dit uiterlijk vertoon heeft niets te maken met het evangelie beoefenen, noch met de boodschap van Jezus Messias; dit vertoon heeft te maken met Macht en Verhevenheid, met opnieuw Onderdrukking van de ‘kleine’ mens, van de zielen die niets waard zijn in de ogen van God, volgens hun onheilige theorie.

Bij de uitzending van Kruispunt van gisteravond gaf een journalist zijn visie op het huidige Roomse beleid. Wie deze uitzending gevolgd heeft, weet waarom ik dit vandaag schrijf, wie hem gemist heeft maar nog wil zien, kan kijken bij Uitzending gemist - KRO Kruispunt. Het is de moeite van beluisteren en bezien waard, zeker als je geloofsmatig op kerkelijk gebied niet in verwarring wilt worden gebracht bij wat je in je leven aan geloofsgoed vergaard hebt. Ik oordeel niet, ik constateer. Jij ook?

 

IC 77 --- 16 mei 2009

OVER GOD, HET HIER EN DE KOSMOS

Vandaag wil ik graag als column een hoofdstuk plaatsen uit mijn boek ‘Van Mensen Onderweg - met Geloof, Hoop en Vrede. Ik doe dit naar aanleiding van de prachtige encaustic werkjes van Christelchild, te vinden via mijn hyvesite onder  http://inebegijn.hyves.nl. Ook de fotoreportages van ‘Ank‘ hebben mij hiertoe uitgenodigd. Met dank aan beiden.

Hoofdstuk VI:

In alle 'negatieve' leefstructuren bevinden zich talloze micro­ben en andere minieme organismen, die ondanks hun vraat­zuch­tig lijkende be­staan uiteindelijk een positieve functie heb­ben. Een gezonde mens of een gezond dier sterft niet van blakende gezond­heid, maar wel van ziekte of ouderdom.

Alles in alles func­tioneert met een doel; positief en negatief zijn aan elkaar gerela­teerd en hebben beide hun waardevol­le betekenis. Belang­rijk is om het evenwicht te behouden van het natuurlij­ke bestaan in zijn totaliteit. De aasgier, bijvoor­beeld, heeft zijn func­tie om op te ruimen wat verderfe­lijk voor het leven op aarde rond­slin­gert; of ergens is achterge­bleven als rottend karkas. Een roodborstje hipt, daartegen­over ge­steld, rond, volgens de gangbare gedach­te, als een lieflijk beestje, dat geen enkel kwaad kan doen. Maar elk wezen, groot of klein, brengt schade aan en ruimt even zo goed op waar de wereld rondom hem schoon moet zijn. Het betekent voor alle naturen leven en dood. En de dood moet een reden hebben, anders kan er niet worden gestorven. Ook de mens die ster­ft, sterft van natu­re. Er is nieuw leven gaande, overal; in die oerkracht zullen nieuwe mensen komen en oude mensen gaan. Dat is de oudste procedu­re van de biologische wereld, van de mensheid en van de gehele schep­ping.

~

En God dan? Wat doet God? Wie is God?

Wie zal het zeggen? Mis­schien zijn wij, mensen, wel zijn hartslag, zijn schild­klier, zijn maag, zijn ogen; zijn vin­gers, zijn voeten, de palm van zijn hand. Of mis­schien zijn wij wel de gevestigde parasieten van Gods bestaan, van Gods brein, van Gods aange­zicht: van God. Wie weet. Nie­mand heeft ooit God gezien.

~

Zou God dan zelf buiten dit onbevattelijk machtige be­drijf staan? Gaat het innerlij­ke en uiterlijke gebeu­ren van de wereld dan buiten Gods directe verantwoorde­lijk­heid om? God kent ons, weet ons bestaan. En alles wat is, leeft waar­schijn­lijk ín God. Maar hij zal niet direct verantwoor­de­lijk zijn. Wij, mensen, zijn de ver­antwoor­delij­ken voor God, voor Ik Ben Die Is. Omdat wij hem dienen, hem voe­den, hem eren; omdat wij zijn wereld schoon zullen houden en gezond; omdat ons dienstplich­tige leven, in waakzaam­heid en puurheid, Gods gehei­lig­de leven aan­vult. Pre­cies zo wordt namelijk ons eigen lichaam gediend door onze innerlij­ke bloedsom­loop, door ons hart, door onze longen en door alle organis­men; door alles wat in ons leeft aan kleins en aan groo­ts, dat ons wonderwel als mense­lijk wezen doet be­staan.

~

Wie is dan toch die grote God van ons? Geen mens komt over hem uitge­dacht. Geen mens vindt zeker­heid. Geen mens ook die het weet. Alle gods­besef, gods­verlangen, godsvrees, het bestaat enkel van aan God te gelo­ven. Aan God te geloven betekent geestelijk verder te willen reiken, een hogere meer­waarde aan het leven te willen geven, zo'n geestelijke meer­waarde, die steeds wordt ver­langd vanuit de menselij­ke geest.

© Ank, 11 maart 2009.

Aansluitend plaats ik mijn gedicht, of is het proza, dat vrijelijk aansluit op het klassiek bijbelse scheppingsverhaal, zoals het in het boek is gepubliceerd (bladzijde 55):

DIE DE WERELD DRAAGT

~

Langs eeuwige tijden is Hij gekomen

Hij is de aarde met bloemen en vogels;

langs oude jaren is Hij gegaan

Hij is het water met schaaldier en algen;

nergens wordt Hij in zijn schepping beschaamd,

zij doet wat Hij vraagt vanaf het begin,

zij leeft op en zij sterft om door te gaan,

om de wereld te dragen in onsterfelijkheid

~

Boven bergen en dalen, landen en gaarden

heeft Hij de zon aan het lachen gemaakt

De maan heeft Hij hoog in de nachten gehangen,

haar lichten ontstoken over duisternis heen

De zee heeft Hij tienhonderd golven gegeven,

ook beesten en vissen tot sier van wat leeft

In zaadkiemen legt Hij de levensdrift neer

om de wereld te dragen in onsterfelijkheid

~

En man, vrouw en kind; boom, bloem en mooi beest,

zij maken Zijn godheid compleet; geen kwaad

heeft Zijn hart mogen breken ~ nog nooit; want

Hij Is Het Zijn, de grond onder wolken en lucht,

met alles wat ademt, beweegt; mens, raak Hem

niet tot ster­vens; langs eeuwige tijden is Hij

gekomen, langs oude jaren is Hij gegaan; Hij Is

om de wereld te dragen in onsterfelijkheid.

Hoofdstuk 6 uit Van Mensen Onderweg – met Geloof, Hoop en Vrede,

© Ine Verhoeven 2003

 

 

IC 76 --- 14 mei 2009

‘n Landgoed groot of klein... ik wil je iets vertellen

Wanneer ik op mijn balkonnetje zit, voel ik me vrij en rijk: ik kijk uit op een piepklein bos, het kan niet kleiner zijn als bos, maar de rijkdom van blad en boomstam, van in en uitvliegende duiven, die al jaren lang hoog in díé éne boom wonen, van het groene veldje achter de flat en van de wuivende bomen ervóór - niet te vergeten -, die rijkdom is van al wie hier nederig mogen wonen, het is ons aller kleinood, uniek met de malende molen erbij, die zich in deze dagen alweer verschanst heeft achter het groene loof. Dit alles bestaat tussen het onafgebroken voortrazende verkeer van de stad.

 Molen Wolfskuil

Maar kijken we naar het rustieke Haanwijk, het landgoed is en blijft ongeëvenaard. Hoe rijk moet je je daar wel niet voelen? Haanwijk, dé plek waar voor velen uit mijn tijd de herinnering ligt aan paard en galop, aan het kinderfestijn en het ponykamp, aan de boeren die voorzitter waren en penningmeester en wat nog meer, aan de pater beschermheer en de dierenarts; die ruwbonkers van mannen, ze baden nog als ze vergaderden: Geloofd zij Jezus Christus. Ja Haanwijk, daar is het leven groots, daar heb je nog lanen met oude bomen, daar is de wereld alleen maar vol van heilige rust, daar voel je de eeuwigheidswaarde van wat de natuur te bieden heeft, ongekend en onverkort. Tijdloze schoonheid. Onaantastbaar - we mogen het hopen.

 Boslaan Haanwijk

En toch. Het contrast van het ene landgoedje in de oude volkswijk met het andere landgoed hoogdeftig en important is slechts het formaat, het overige is verhoudingsgewijs bijna gelijkwaardig te noemen, even mooi en even indringend, maar ánders gesitueerd en eenvoudiger van opzet. Zo kunnen veel mensen met een kleinere beurs vanuit hun stadsflat tóch genieten van dát wat ooit heel gewoon is geweest: het bos, het land en het zand, de bloemen, de vogels en al dat groen, en de rust. Mooi is dat en gelukkig voor de ons opvolgende generaties.

N.a.v. de heerlijke wandeling van Ank op 13 mei 2009 heb ik deze korte overweging opgetekend. Ank wandelt dagelijks met hond Lara langs de mooiste natuurplekjes in de omgeving en soms verderop; ze legt alles wat ze belangrijk vindt te bewaren vast met de camera en iedereen mag om niet van het resultaat meegenieten. Kijk daarom gerust en vrijblijvend bij http://cirkel-der-natuur.skynetblogs.be.

 

HET DIEPSTE GEVOEL VAN EEN ANDER

We stonden in het donker in de wind en de lichte regen te wachten tot de kleine man, mijn jongste kleinzoon, uit de artiesteningang zou komen; het was gisteravond na de spetterende voorstelling van de musical Joseph, waarin hij speelt en zingt - met de overige cast, uiteraard. We stonden daar zeker al een half uur en het was akelig koud. Enkele artiesten waren al gepasseerd, enkele musici en dansers, de vertelster/zangeres Renee en de oude figuur met de baard: Joseph’s vader. Het kon nu niet meer lang duren, de kinderen moesten nu snel komen, het werd al laat; ik wist dat ze met de auto’s van enkele ouders waren, dat had ik vernomen van mijn zoon, de vader van F., onze kleine artiest. Maar toen kwam onze bevriende familie langs de artiesteningang naarbuiten toe, gewapend met handtekeningen op boekjes en een hele grote voorbarige mond in viervoud, want wie schetst mijn verbazing als ik hen alle vier hoor zeggen: ‘We hebben Flemming gezien. Hij is nu weg. Hij is met de bus mee. Waar waren jullie? Wij hebben hem net nog gezien en gesproken, maar nu is hij weg, de kinderen zijn allemaal met de bus mee naar huis.’ ‘Dat kan niet,’zei ik, ‘ze zijn met auto’s.’ Ik had me blijkbaar vergist. ‘Nee hoor, ze zijn nèt precies allemaal met de bus mee gegaan.’

Ik was verbaasd en raakte toen ontgoocheld. Hoe kon dat nou? Er stond wel een bus, maar daar zaten beslist geen kinderen in, wel andere artiesten, maar niet de kinderen; we waren de hele tijd bij die bus in de buurt geweest omdat die daar stond.

Maar het was écht waar, zeiden de vier: de kinderen waren al vertrokken. Jammer, heel jammer voor jou. Maar wij hebben de halve cast nog gesproken. Hartstikke leuk!

Ik was moe, heel erg moe, want ik had ’s nachts niet geslapen en de dag was lang en nat en koud geweest; en de rit van Nijmegen naar Tilburg was druk en trubbelig geweest, vooral door het zware vrachtverkeer op de wegen en de opspattende regen. Er kon niets meer bij, dat voel je op zo’n moment heel sterk. Diep teleurgesteld na deze pertinente berichtgeving gingen we naar de parkeergarage en haalden de auto op. En een verbijstering kwam opzetten: hoe kon het nou toch dat de kinderen al vertrokken waren naar huis? Ze moesten toch ook door de artiestenuitgang naarbuiten? Maar dat wisten de vier wijzen bij navraag ook niet, dus die vraag was onbeantwoord gebleven, behalve dat ze zélf hadden gezien dat de kinderen allemaal weg waren gegaan: met de bus.

We waren vanmorgen in Tilburg bij één van de vier voor nog een kort bezoekje. ‘De kinderen waren met auto’s’, zei ik. ‘O, ik dacht dat ze met de bus waren’, zei ze laconiek. Dácht? Jawel, ik hoorde het goed, ze zei: ik dácht. Maar gisteravond was het een zékerheid, een ‘zelf gezien’, geponeerd met een stelligheid die niet omver kon. En precies daardoor, door dat ‘dacht’, had ik mijn kleinzoon gemist, hem niet geknuffeld en gefeliciteerd, hem geen aardigheidje in zijn handje kunnen stoppen; en ik aanhoorde gelaten het blije gejubel over die mooie, geweldige avond...

Eenmaal thuis gearriveerd, ontving ik van wijsgeer nummer twee dit mailtje:

Lieve Ine,

Wat 'n fijne avond was dat in Tilburg. Deze keer heb ik er echt van genoten. Ook lief van V. om ons even mee te nemen naar de artiesten. Ze kende iemand bij de cast en die nam ons binnendoor mee. Daar zagen we ook Flemming. Ben daarna nog even binnen gaan zitten, toen J. de auto ging halen. En ineens stond daar Flemming weer. Die was niet met de bus. Maar met de auto van kennissen. Leuk om hem toch nog even gezien te hebben. Nou dat was het voor nu. Groetjes (enz. i.v.) P.

Ik schreef terug: Het klopt dat hij niet met de bus was en door jullie verkeerde berichten heb ik hem HELAAS niet kunnen begroeten. Jammer hem niet gezien te hebben, ik had nog iets leuks voor hem en ik ben tenslotte zijn oma; zo'n avond komt nooit meer terug, ook niet voor mij. (...) Ik ben erg teleurgesteld. Desondanks: liefs, Ine.

Wat doe ik met dit verslagje in mijn column te plaatsen? Soms kan een tegenzet je bezwaarde gemoed verlichten, denk ik, soms kan het openbreken van een vervelend feit vruchtbaar zijn ten goede en inzicht geven, voor jezelf maar ook voor de ander: zodat zulke stupide dingen voortaan achterwege blijven. Je kunt jezelf ermee sussen en de ander tegelijkertijd op zijn lompheid wijzen. Al weet ik het natuurlijk ook niet precies. Wat ik wél weet, is dat dit incident me diep heeft geraakt en me nu nog zeer doet aan mijn ziel - soms ben ik echt niet zo flink als het lijkt. Wat ik óók weet, is dat sommige mensen heel vaak veel te voorbarig zijn, uitermate betweterig en stokdoof voor het diepste gevoel van een ander. Daar moeten we het mee doen, ik ook.

 

 

IC 73 --- 2 mei 2009

WIE WEET

Voorjaar 2009. We waren door april gereisd, elke nieuwe dag die we mochten beleven; we reden over de dijken, gingen de dorpen en de vestingstadjes in en genoten er van onze stamkroegjes; we voeren over de Maas en dronken thee aan de waterkant als er de gelegenheid voor was; we plukten het voorjaar in al zijn mooiheid en maakten een vaas van ons hart; we genoten van wat op ons pad was te zien en we waren tevreden mensen, soms een beetje moe, te moe ook wel, maar we konden de lente wel aan; zo hard nodig was de zon na de lange winter, zo hard nodig en zo goed en zo mild was hij voor ons; we zouden wel honderd jaar erbij willen kopen, als het ons mogelijk zou zijn.

Gisteren kwam de mei; de meimaand begon met hoogwaardige sferen van bloesems die, alweer bijna voorbij, hun blaadjes gedwee lieten gaan; de magnolia wist haar wortels omzoomd; de sering hield haar trossen stevig vast, zij was nog niet aan sleetsheid toe, en haar geuren spreidden zich; o zoete lente, o zoete vleugen van weleer, van toen en nu, van elk voorjaar opnieuw.

Foto door Ank, 24 april 2009 - http://cirkel-der-natuur.skynetblogs.be

Ik voel heel goed dat de jaren ons aantikken, dat we bij elke lieve stap er weer een achter ons hebben liggen, ik voel het goed. En nochtans wil ik er nog ontelbare zetten, wil ik doorgaan, wil ik zien, voelen, ruiken, proeven, tasten, nochtans wil ik zíjn. Hoeveel tijd is niet voorbijgegaan zonder dat we het leven bewust hebben geproefd, de schoonheid bewust hebben ondergaan, de seizoenen bewust hebben gevierd? Er is veel verloren tijd, veel is ongezien en ongeleefd voorbijgegaan. Daarom is het zo goed, en zo eerlijk ook, dat we nog even de tijd mogen omhelzen en rond mogen kijken waar alles begon, waar alles plaatsvond, waar alles was, waar alles nog éven zal zijn, voor ons, mensen van de late dag. De kunst is je ermee te verzoenen dat de meeste tijd achter ons ligt, om welgemeend te durven zeggen: kome wat komt. Dit is de nieuwe lente, voorheen was de winter, de herfst ligt alweer wat langer achter ons, maar dit is de nieuwe lente, en de zomer zal komen zoals altijd, alles is nieuw, elk jaar weer, en de wereld draait door en het leven zal zijn, generaties komen en gaan, altijd door. Geniet ervan, wie dit leest, laat het leven gebeuren, ga erin mee; wie weet zien we ooit waar het allemaal toe dient, zien we ooit waartoe we geroepen zijn, is het raadsel voorbij, geen mysterie meer. Wie weet.

 

IC 72 --- 25 april 2009.

Wat goed is, blijft staan

Mensen leren van elkaar. Ik leer van jou en hopelijk leer jij van mij. Dat is vermoedelijk de bedoeling in het leven van mensen – het leven dat altijd een leerschool blijft, voor iedereen. Wie openstaat, luisteren kan, denken kan, geduld opbrengt en liefheeft, zal de theorie en de praktijk van het leven weten samen te voegen en zal in princiep als goede medemens zijn naaste evangelisch tegemoet treden. Het houdt heel wat in: je naaste evangelisch tegemoet treden. Heel wat, en toch weer niet. Wie zijn ziel beluistert, komt vanzelf uit bij de evangelische waarden, die in feite de oerwaarden zijn; de Tien Woorden bijvoorbeeld bevatten de oerwaarden, ze zijn de oerwet voor de mensheid. Vanuit die oerwet leren we elke dag iets bij, leren we goed omgaan met elkaar, of we leren het niet. De keus is aan onszelf of we onze inborst verfraaien, veredelen, of niet. Maar het is waar: mensen leren van elkaar. Ik leerde bijvoorbeeld veel heilzaams van lieddichter Huub Oosterhuis, ben daarbij verwend door zijn teksten, vooral door zijn liederen die zo mooi, zo diep, zo waar, zo troostvol en o zo godgetrouw zijn. Ze ontroeren vaak en troosten vaak; ze zijn vanuit de oerwet geschreven, ontstaan vanuit de ene liefde die wij onze God hebben genoemd. Dat denk ik. Dat voel ik. Maar bewijzen kan ik het niet. Dat bewijs moet ieder voor zichzelf evaren, dat kan ik niet uitbeelden in ‘n enkel snel woord. Maar zoals Huub Oosterhuis zijn er nog veel meer grote mensen onder ons; de nieuwe heiligen wil ik hen noemen. Ik bedoel er niet de nieuw-katholieken mee, nee, de nieuwe heiligen zijn zij die ons allemaal, het hele mensdom, heil en genezing willen brengen, bevrijding willen aanreiken, vooral in de geest. En je hoeft hen niet eens te zoeken bij de prominente geleerden met universitair gezag, ze zijn onder ons aanwezig, vaak onopvallend, vaak zwijgzaam, maar altijd met een groot hart voor álle mensen, wie ze ook zijn; zulke heiligen zijn onder ons aanwezig met een enkel woord, een tekst of een boekje dat ooit uit het hart was opgestaan en geschreven; zulke heiligen zijn niet veeleisend maar bescheiden, steeds hopend dat hun woord de wereld een beetje mooier, leefbaarder en medemenselijker maakt; dat het bijdraagt aan de vrede. Zo’n stille heilige is ook hij, de schrijver van dit levensechte tafereel, omdat hij in de voor óns alledaagse dingen steeds weer de betekenis van Gods goedheid herkent en durft bevestigen in woord en geschrift dat de volmaaktheid de mens nog niet is gegeven, dat het leven jou pas naar de volmaaktheid kan voeren, als je je inspant in eerlijkheid en mededogen:

  

Binnen is binnen

 

Het lichtbruine paardje staat stil

te wachten in het natte zand, het

zoekt niet naar opwekkend gras

omdat er helemaal geen gras is;

mij ziende hinnikt het lichtjes.

 

Ik heb een half bruin bij me, net iets

over de houdbaarheidsdatum heen,

het zijn zeven sneetjes die hij snel

inslikt, bij boterham vijf stopt hij even,

dan begerig verder, binnen is binnen.

 

Als ik zijn hoofd streel, wendt hij zich

ietwat droevig terzijde, ik herken dat wel:

goed zijn voor jezelf, binnen is binnen, en

de blik afwenden van de andere mens,

de mens die verlangt naar medeleven.

p. Frans Boddeke CSsR

Vandaag ligt mijn vreugde ook in de herhaling van de dagboektekst van 25 april anno 2006. Op deze manier gaat niet alles van wat ik ook toen met liefdevolle moeite heb geschreven, verloren. Wat goed is, blijft staan - voor wie het wil bemediteren.

Dinsdag 25 april 2005. We zijn druk in voorbereiding op de lezing/bijeenkomst van maandagavond in het Augustijns Centrum. We zullen Etty Hillesum naast Augustinus plaatsen en de overeenkomsten in hun gods en levensvisie zoeken. Vanmiddag was het al hoog onderwerp van gesprek bij de zusters dominicanessen. We behandelden in onze bijeenkomst van vanmiddag enkele preken van Huub Oosterhuis uit zijn boek ‘Een geboren vreemdeling’. We ervoeren allemaal hoe diep zijn godsvisie gaat en hoe tastbaar die tevens is voor stervelingen als wij. Oosterhuis is een ware meester, profetisch en dichterlijk, de grootste ziener van ons land, zeg ik wel eens. Hij is sociaal, vredelievend en beschaafd tot in het diepste van zijn ziel. Je leest het, je proeft het, je ervaart het. O, het zijn heerlijke uren met deze groep, telkens weer. Mogen onze heilige leesuren met elkaar nog lang bestaan. Dat hoop ik.

Het is warm. De lente heeft doorgezet, is gekomen en alles staat pal te bloeien in de zon. Kipje & Brokje staan op het balkon, ze kwetteren ter conversatie en hebben er ogenschijnlijk plezier in buiten te zijn. Die twee zijn mijn oogappeltjes. Wel ‘n raar fenomeen: een oude(re) vrouw die geniet van haar vogels en er van harte voor zorgt. Maar ja, zo tussen de nieuwe plantjes en bloemen geplaatst, bij de lavendel en de vergeet-mij-nieten, voor de rozenstruik en naast de sering, geven de 2 een vrolijk en compleet tuinbeeld weer, je wordt er gewoon blij van. Al dit kleine leven bij elkaar gezien, toont een wereldje van liefde en vredigheid. Een mens heeft het mooiere decor broodnodig, ook als herinneringstafereel. Het doet je goed.

Kipje & Brokje op Boudewijns schoen.

Ik wil mijn vrijheid behouden. Mijn hele leven heb ik opgeofferd aan anderen, dat wil ik eventjes niet meer. Het is goed nu bij mezelf te blijven. De zorgen en het gekrakeel waarmee onnutte individuen me eens lastigvielen, wil ik niet meer ondergaan. Ik besef steeds inniger dat elk moment dat nog bestaat, kostbaar is, heel kostbaar. De tijd die nu zou worden opgesoupeerd aan nonsens, onvruchtbaarheid en slechte zorgen is weggegooide tijd, ja, hij zal verdane, verloren tijd zijn. Daarom wil ik vrij zijn, me bevrijd weten. Ik wil geen ketens voelen, geen ijzeren greep meer. Ik wil vrij zijn. Helemaal vrij. En dansen wil ik met wie ik liefheb. Praten met wie ik waardeer. Wandelen met wie ik nog gaan kan. Lachen met wie ik geloof. Reizen met wie met me mee wil. Ze zijn de vrienden van vandaag. Gisteren is voorbij. De vrienden van gisteren ook. En het wuiven ten afscheid hoort bij het leven. Alles wat aan je geschiedt, hoort bij het leven. Het kan mooi zijn en goed. Dan ben je een gelukkig mens, dan is het leven aan jou gelukt. Het kan ernstig zijn en lelijk, dat is te versmaden, maar je kunt het uiteindelijk ten goede keren, dat kun je zelf doen. Het bittere wordt zoet, zei Franciscus van Assisi. En het zoete uit het lijden is van God gekleurd, zeg ik. Omdat je de goede vrucht ervan plukt. Nee, ik hang het lijden niet aan, geenszins, wel de uiteindelijke ommekeer die lijden in je leven teweeg kan brengen. Wat is het menszijn gecompliceerd. Maar zeer de moeite waard.

Sir Paddy in zijn jonge tijd.

Paddy doet mee aan een schoonheidswedstrijd. Nou, voor mij hoeft hij niet mee te doen, hij is vanzelfsprekend de mooiste hond die ik ken. Die dot is áltijd kampioen mooierik. Dat kan niet missen. Kijk ik hem in zijn oogjes, dan smelt ik. Zie ik hem lopen, dan lach ik vanbinnen. Wat is er mooier dan een hondje dat je blij maakt alleen al door er te zijn? Nee, Paddy heeft ongezien gewonnen. Zo is dat. En nu ga ik aan tafel. Mijn maag rammelt. “

 

 

IC 71 --- 22 april 2009

GOD, LEER HET MÍJ

Ik greep vanochtend terug op mijn dagboekarchief. Verrassend was daarin te lezen hoezeer een mens dezelfde wensen behoudt, hoe hij zelf groeit aan de tijd en de dingen en hoe hij desondanks zijn kleinere of grotere gebreken in de communicatieve zin handhaaft; het werd me weer eens bewezen door een terugblik in mijn zelfgeschreven teksten. Dat te ontdekken, geeft een stevige confrontatie met jezelf, met je eigen zwaktes, je eigen falen, je eigen tekortkomingen, met je diepste ziel - of is het je geweten? Wie wil graag onverhuld zijn zondes beschouwen en ze openlijk moeten toegeven? Wie wil niet groeien aan de dingen in het leven, wie wil geen karakter vol van liefde vervullen vooral als het om zichzelf gaat? Ik wel. Maar de spiegel die ik inkeek middels mijn geschriften vertelde me hoe kwetsbaar mensen zijn, hoe broos en breekbaar, vertelde me hoe kostbaar en voorzichtig we met elkaar zullen moeten zijn, jij en ik, wij allemaal en ook vertelde de spiegel me dat ik eerst naar mezelf moet kijken als ik vermanend naar anderen wil zijn. Ik denk dat deze laatste een raszonde is, een raszonde van de mensensoort. Een raszonde die nauwelijks uitgeroeid raakt, een oude zonde die taai geworteld is in onze oergewoontes. Onderstaande tekstjes met de data zijn van anno 2007, ze zijn uit Ine’s Dagboek geplukt, dus uit mijn oude binnenste. Ik koos bewust voor tekstjes van deze dagen in april, ter vergelijking met de sfeer van toen en nú. In de kantlijn teken ik hierbij aan hoe waardevol een dagboek kan zijn als je eerlijk bent, zo eerlijk mogelijk. Je kunt van jezelf veel leren op die manier. Ik zeg altijd: Je eigen innerlijk liegt niet, luister ernaar als je wanhopig bent. Je innerlijk geeft je de weg aan die je moet volgen, je innerlijk laat je nooit in de steek, omdat jij zelf je innerlijk bent. Niemand bedriegt zichzelf.

Zaterdag 21 april. Vandaag stond het halve huis op zijn kop. Het was een raar, nee, een onwennig gezicht. Mijn huis staat nooit op zijn kop, ik kan er niet tegen. Maar vandaag was het anders. Het was al met al zelfs een aangename happening. Je moet toch wel een dikke vriendin zijn als je 114 kilometer verderop iemand gaat helpen met het huishouden, er de ramen gaat zemen en als toegift het balkon schrobt, als je belangeloos die lange rit met je auto maakt, ook nog rozen meebrengt, een chique zomerhoed, een ingelijste foto ter memo én jezelf als de goede fee in de aanbieding hebt. Het was voor mij een ongekend luxe ervaring en ik bezie deze zaterdag dankbaar en als heel bijzonder. De rozen staan te pronken, de ramen blinken me tegemoet en het balkon is een plaatje, ontroerend schoon. Ik heb afknapperig op de bank gelegen, we hebben gebabbeld en naar elkaar geluisterd, we waren ontroerd en dan weer niet. Wat een merkwaardige vriendschap is dat met Sybil. We aten ieder een schaaltje spaghetti, dronken koffie en thee, namen er een madeleintje bij, snoepten ijs met advocaat, nog een enkel paaseitje en de tijd is omgevlogen. Eerlijk gezegd is deze poetsdag voor mij een feestje geworden. Gezellig en gemoedelijk, zelfs vertrouwd. Ik zal er vaak aan terugdenken, met een lach in mijn ziel, omdat er goede mensen bestaan, dat heeft ze onverkort vandaag bewezen, Sybil. Dank je wel.

Donderdag 19 april. Wat wil een mens in zijn leven eigenlijk van de ander verwachten? Waar moet hij zelf aan voldoen om alleen nog maar een béétje sociaal te worden gewaardeerd? Menselijke mentaliteitsvorming wordt vooral gedaan met de ervaringen. Hoe meer goede ervaring je hebt met de mensen om je heen, hoe meer je vertrouwenvol en liefdevol en inspiratievol kunt zijn voor je naaste omgeving. Je zou het wel denken. En toch, er is altijd weer die terugslag, dat onbegrip, die wegwijzing tussen mensen onderling. Dat maakt tranen in je hart, in je hele zielement, maar soms gebeurt het. En wég zijn je rotsvaste geloof, je gevestigde hoop en je onvergankelijke liefde. Wég is alles wat je opbouwde aan goeds, aan heerlijks, aan een beetje hemel op aarde, al was het er nog maar momentsgewijs. Wég?

Welnee. Niks wég! Éven lijkt de bodem weggezakt onder je voeten, éven, maar echt niet langer dan éven. Zo’n dieptemoment van verlatenheid kan eindeloos lijken te zijn, maar is het niet. En dit is evident: bedenk in zo’n leegtemoment dat je nog altijd verder kunt met jezelf, jij bent jouw allerbeste maatje, jouw eigen regelrechte zielsverwant. Jij bent, jij doet, jij leeft jouw leven, niemand anders dan jíj.

Je moet dus nooit jezelf in de steek laten, je moet dus nooit jezelf verlaten. Jij en je ziel, daar gaat het om, jij, uniek en bestaanbaar als je bent, jij mens van lijf en geest. Maak je niet afhankelijk, van niemand, van niets, nooit. Afhankelijkheid maakt mensen zwak, feilbaar, en soms zelfs chantabel. Blijf bij jezelf, blijf in schoonheid bij jezelf, daar gaat het om.

Maar het is waar, érgens moet jij je goede inspiratie uit kunnen blijven putten om niet teloor te gaan aan zo’n onomkeerbare teleurstelling. Érgens moet je je gestaafd weten in jouw menszijn, in jouw persoonlijkheid. Érgens moet je je in je menselijke waardigheid bevestigd weten: vooral door wie mét jou gaat of met jou wil gaan. Maar dat is vaak het punt niet. Je directe medemens kent jou door en door, aanvaardt jou, bevestigt jou - als er tenminste een directe medemens ís. En zo niet, dan nog niet gewanhoopt. Meestal is er immers wel ergens iemand die jou herkent, die inhaakt op jouw visie, die zich met jouw persoon en jouw gedrag getroost weet. Die jou troosten kan. Meestal wel.

Ik bid vandaag: God, zegen de eenzamen. God, teken in hun harten jouw milde hart. God, draag allen voorbij de leegte. God, maak de mensheid wegwijs in rustige empathie. God, doe iets. God, doe iets. God, leer ons allen iets te doen, iets heiligs te doen voor elkaar. God, leer ons te leven met elkaar. God, leer ons verstaanbaar te leven met elkaar. Twee jaar na de publicatie van deze eenvoudige tekst voeg ik er met heel mijn hart aan toe: God, leer het míj. Amen.

 

 

IC 70 --- 20 april 2009

WOEDEND

Vannacht kwam ik nog even mijn bed uit omdat ik té wakker was. Zodoende klikte ik de televisie aan en viel binnen bij Buitenhof. De eerder in de tijd nog nieuw-katholieke Désanne van Brederode werd op dat moment aangekondigd ter intellectueel vermaak en zij las haar column voor, welke zij exclusief voor Buitenhof had mogen schrijven. Als ik Désanne hoor, zie of ontmoet, geraak ik steeds weer een weinig verbaasd, op zijn minst. Désanne is het typische voorbeeld voor de verschijning van dezulke onsympathieke medeburgers onder ons; ook bij de intelligentsia scoort zij mijns inziens niet hoog als de ware vriendin, ik denk het maar vanuit een bepaald invoelen. Ik vind haar niet aardig, maar wel verwaand. Die onaardigheid en die verwaandheid komen doorgaans sterk in haar schrijfwerkjes naar buiten; je ervaart als het ware een scherpe ziel die niet gauw warm loopt voor iemand anders, zeker niet voor de gewone man. Het mag van mij, maar het prikkelt wel mijn sociaal-christelijke inslag tot grote ergernis aan toe; ik word er dus eventjes negatief van. Zij bevocht op dat moment in het programma Buitenhof haar vrijheid, die niet bestaat in Nederland, volgens haar. Zij was zeer ontstemd geraakt doordat een onbekende man haar wellicht lachend erop attent maakte dat ze nogal dik aangekleed was terwijl de zon warm scheen. Zelf was de man gebruind en droeg aan het weer aangepast een zomerse outfit. Désanne ervoer dit al zeulende met haar boodschappen, dus terwijl zij vrijmoedig als intellectueel burgeres over straat ging. Het was een aanval op haar vrijheid, vond zij. Nee erger, het was een ware dictatuur. Wij lijden aan de dictatuur van het weer, had zij bedacht, en ze verdedigde haar wens, iets anders was het niet, om het mooie weer niet mooi te hoeven vinden, zoals elke burger dat wél doet, maar zij niet - wat denken ze wel? Désanne zal nooit en niets en niemand klakkeloos volgen; een goed begrip, dat doet geen enkel weldenkend mens. Zij had daarom dus diep gegraven in haar eigen klimatologische gevoelen en schreeuwde het, zij het ingehouden, bijna uit hoe mooi de herfst wel was met zijn woestenij en kilte, zijn stormen en regens en wat al meer; en de winter, de kou, dat is pas leven, dat is pas voelen dat je bestaat, dat is pas mooi, echt mooi. Het zomerweer mooi weer noemen, was ál te burgerlijk gekleurd, zij doet er niet aan mee. En op zulke confronterende momenten, die zij vaker aanhangt, vraag ik me af: hoe komt zij aan al die woede? Want Désanne is een woedend mens. Ik moet zeggen dat schrijfster Désanne van Brederode een aangepaste uitstraling tentoonspreidt als het om de inhoud van haar columns gaat; ik las meer van haar, alsook haar boeken. Opvallend is dat ze niet alleen een scherpe mening heeft, maar ook een scherp getekend gezicht, een scherpe oogopslag, een scherpe mondlijn, een scherpe haardracht, een scherp figuur zelfs. Kortom: in mijn intussen toch wel ervaren optiek beheerst Désanne in bijna alles wat zij het publiek biedt de volkomen scherpte aan. Daarbij is ze, denk ik, volkomen zichzelf. Best boeiend is het, wat ze opriep bij mij, terwijl ik in alle eenvoud uit mijn bed gekomen was om nog even wakker naar haar te kijken; een scherpe toevalligheid. Ik dacht te merken dat het publiek, maar ook de presentator van Buitenhof, haar vrijzinnige weersignalen met enige beduusdheid ondergingen. Natuurlijk is dit mijn private vertaling, mijn eigen summiere kijk op wat ik van Désanne van Brederode heb gezien, gelezen en ervaren. Wie dus de precieze Buitenhofse column van haar wil bekijken en beluisteren, moet even naar http://www.tvopjepc.nl/programma/39 gaan. Je kunt ook bij Google intypen met ‘programma Buitenhof’. Maar het is vrijblijvend, ik doe nergens aan dictatuur.  

 

IC 69 – 18 april 2009

Wat is ‘eenzaam’?

Iemand vroeg me vandaag: Wat is ‘eenzaam’? Dat zette me weer eens aan het denken over dit onderwerp, het houdt me vaker bezig; ik schreef er al eens over in de digitale columns en in het dito dagboek. Je hoort vaak vertellen dat mensen eenzaam zijn, je voelt jezelf wel eens eenzaam, en soms stel je zelfs radicaal bij een opkomend gevoel van verlatenheid: ik ben eenzaam. Maar wat is de precieze definitie van het woordje ‘eenzaam’? Wat zeg je als je zegt dat je eenzaam bent? Van Dale geeft in de uitleg onder andere dit: ‘zonder gezelschap of ver van anderen verwijderd’.  Vervolgens zegt J. van Nijlen in van Dale: <De mens is eenzaam tot en met zijn dood. Nooit is één liefde, nooit één vriendschap klaar. En, Zelfs geboren uit dezelfde schoot, Zijn wij nog vreemden voor elkaar.> Ja. Van Nijlen heeft gelijk. Eenzaam ben je altijd. Je moet het leven zelf doen. Je moet de dingen zelf klaren. Je moet je lot zelf aanvaarden. Je lacht zelf je lach en je huilt zelf je tranen, en doodgaan doe je ook alleen, geen mens kan het van je overnemen. En je broers en je zussen <zelfs geboren uit dezelfde schoot> overkomt hetzelfde, ook zij ondergaan het leven alleen, eenzaam. Alleen zul je zijn, zelfs als je als gezin met tienen aan één tafel zit. Eenzaam, en alleen. Gelukkig maar, want als die eenzaamheid, dat alleen zijn, niet zou bestaan, zou iedereen je gedachten kunnen lezen, weten waar je naar kijkt, verlangt, weten wie je ten diepste bent, wég zou je uniciteit zijn, je identiteit, je ware zelf. Dat denk ik. Maar ik denk ook dat van Dale een beetje tekortschiet met de uitleg, ik had meer definitie verwacht bij het woord ‘eenzaam’. Te missen valt bijvoorbeeld het pijnlijke aspect dat bij ‘eenzaam’ past, ofschoon de uitleg verderop: ‘een eenzaam gevecht, een eenzame strijd’ en ‘eenzaam achterblijven’, al dichterbij het menselijke hartzeer komt als het om eenzaamheid gaat. Trefzeker, bij een bepaalde eenzaamheid, zijn de woorden van Vasalis: ‘Niet het scheiden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn.’ Want afgesneden zijn, dat is eenzaam zijn. Er niet meer bij kunnen, de onbereikbaarheid, dat is pijnlijk eenzaam zijn. En als je jezelf verliest, dan ben je eenzaam. Wie zichzelf kwijt is, is alles kwijt. Wie geen vriendschap sluit met zichzelf is een eenzame, arme donder, al zijn er honderd rijke mensen in de buurt. Het gaat in het leven niet zozeer om ‘eenzaam, en alleen’, het gaat eerder om de tevredenheid met jezelf, een tevredenheid die eenzaamheid niet oplost maar haar wel hanteerbaar houdt. Jij bent jij, en je hebt je glimlach. Ik ben ik, en ik heb mijn vreugde(s). Het is de hartelijke wisselwerking tussen mensen die de eenzaamheid verzoet, het leven veraangenaamt voor het moment, want hoe vluchtig is alles en alles wel niet? Dat ijltempo maakt tegelijkertijd dat die levenslange eenzaamheid in onze ziel net zo vluchtig is als al het andere dat aan ons gebeurt, want wij beleven elk moment iets anders in ons diepe binnenste - juist doordat we waarnemen, zien, horen, ruiken, voelen, proeven, tasten. Al zijn we allemaal van dezelfde strekking, al zijn we eenzaam zoals elke eenling op aarde dat is, het is helemaal goed - mits je vriendschap sluit met datgene wat jou in je dagen overkomt. Dit verklaarde A. bij haar vraag: Wat is geluk? Wat is eenzaam?/ Alles wat gebeurt doet het Leven met ons,/ en er zijn dingen waar ik me bij neer moet leggen,/ ik verander wat ik kan,/ ik ben blij zover ik kan/ en ik accepteer wat is en wat niet is.../ Dat is, denk ik, de ware wijsheid voor elke nieuwe dag.

 

IC 68 – 13 april 2009.

MENSEN & WENSEN

Je kunt al je wensen poneren in je dagboek, in je familie, in je vriendenkring, in het mariale of een ander intentiegeschrift in kerken en kapellen, het helpt niet. Soms staat er wel geschreven: Dank voor de redding, of: Ik ben verhoord, dank u wel, zoiets dan, maar het klopt gewoon niet. Als een mens ergens van geneest, is dat door een natuurlijk proces, soms zelfs door doodgewoon rust te nemen of een vorm van onbekommerdheid te ondergaan. Er komt geen goddelijk element aan te pas bij een genezing, je mag het wel hopen, maar de hemel zwijgt als het om een genezing gaat. Mensen vergeten vaak dat een genezing in henzelf zit, dat die niet door anderen van buitenaf kan worden opgeroepen of getoverd, als het ware. Er is de reguliere artsenij die ons bijstaat te genezen als het nodig én mogelijk is en daar moet een mens dan op vertrouwen. Ik denk uit ervaring dat het zó is en niet anders. We vergeten in onze verwendheid graag en snel dat we worden omgeven met de wonderen van alledag, in het klein en in het groot; ze zijn in de natuur om ons heen en in alles wat de mens intussen heeft uitgevonden, in het dagelijkse leven tussen mensen, in je huis, in je tuin, misschien op je balkonnetje, maar de wonderen zijn niet te tellen, zoveel. Mijn verstand staat bijna stil - bijvoorbeeld - als ik het wonder overdenk dat computer heet; of bij het wonder dat telefonie of fotocamera heet; bij het wonder van de raket, het vliegtuig, de trein en ga zo maar door, overal vind je een en al wonder, en dan sta ik vandaag nog niet eens stil bij de geboorte van kinderen en allerlei schepselen op de hele aarde: alles gonst van wonderen te over. Kijk, en dan ben ik verrast als mensen gaan bidden om het wonder van de genezing: hebben wij, mensen, dan nog niet genoeg aan wonder in ons leven ontvangen? Je kunt heel menselijk ook berusten in je lot, het lot dat van de natuur gegeven is. Mensen worden geboren en mensen gaan dood, en niet alleen mensen, alles om ons heen en verder weg: het komt en het gaat, er is altijd een einde. Natuurlijk wil ik beter worden als ik ziek ben, en natuurlijk stijgen er gebeden op naar ergens hogerop om beterschap en bijstand; maar toch, toch moeten we het dán vooral hebben van elkaar, van de mens die zich om ons bekommert, die meelijdt, ons vasthoudt in de benauwenis van ziekte en machteloos lijden. Ik denk dat een mens moet leren aanvaarden, ik denk ook dat de schoonheid van de lotsaanvaarding krachtiger is dan de genezing op dat moment. Maar ik weet ook dat er vele manieren van lijden bestaan, en dat het allemaal gemakkelijk is gezegd en geschreven: ieder voelt zijn lijden ten diepste, niemand kan het overnemen, er bestaat geen plaatsvervangend lijden, al wordt dat in bepaalde vrome kringen wel gesuggereerd. Je moet je lijdensweg zelf doen. Je moet je leven zelf leven en daar hoort de vreugde en het lijden bij. Enfin. Ik maak me maar niet druk met mezelf hier met dit geschrift te troosten, morgen moet ik mijn beste medemens weer eens begeleiden en bijstaan in de polikliniek van het ziekenhuis, geloof me gerust, ik zal gebedjes bidden en ze naar de hemel zenden, ik geloof in God, en verder laat ik het wonder bestaan van de artsen en de medische middelen om de zieke mens te helpen beter te worden. Wat het lot ook bepaalt: God is goed en het leven ook.

 

IC 67 – 8 april 2009

Allemaal bloemen en een hond

In een reactie aan Ank schreef ik vannacht op haar weblog het volgende:

© Ank. 24 maart 2009

http://cirkel-der-natuur.skynetblogs.be

Allemaal bloemen en tussen de bomen een hond. Schitterend! Ik was een beetje down omdat mijn trouwe vriend een prachtige bos rode ranonkels voor me had gekocht, maar ik twijfelde toen ik ze van dichtbij bekeek. En ja hoor, ze vielen zienderogen uit terwijl ze nog in het doorschijnende papier zaten. Ik vond het zo erg voor hém. Ben naar de winkel gesneld terwijl mijn eten op het vuur stond. En dan zegt de juffrouw: ‘Net was dat nog niet. Ik heb ze zelf ingepakt.’ Ik zeg: ‘Als u nou eens toegeeft dat ze gewoon oud zijn, kijk eens naar de gele steeltjes!’ Zegt ze hardnekkig: ‘U krijgt uw geld terug. Maar net was het nog niet.’ Ik weer: ‘Ik kan niet toveren, hoor, en mijnheer ook niet.’ Ik was er moe en teleurgesteld van. Dus lieve Ank, je bloemen doen wonderen, ze functioneren als hoge troost in het late uur. En Lara ook, de lieverd. En jij, natuurlijk. Dank je wel!

© Ank. 3 april 2009

Bij de foto: hondje Lara tijdens een van de dagelijkse wandelingen. Plons, het water in! Is het geen snoes, die hond? Dit en nog méér is te zien op de weblog(s) van Ank, http://cirkel-der-natuur.skynetblogs.be.


 

IC 66 – 6 april 2009.

DAGBOEKGEZWAM & HOGE SCHOONHEID

Een kunstschilder vertelt met lijnen en kleuren wat zijn ziel beweegt, schilderen is zijn vertaling van de dingen van het leven; het resultaat van zijn emoties wordt een pronkstuk of een pakkend beeld dat mensen ontroert, meesleept of niet. Een schrijver legt met woorden uit wat hem beroert, tekent met de pen de dingen van het leven op of verslaat wat hij ziet gebeuren; emotioneel en rationeel voegt hij waarden toe in de herkenbaarheid en steeds tot vreugde, of tot afkeer, van zijn lezers. Ik bedoel dat een kunstenaar zijn ziel laat zien, onbeschroomd en zonder bangheid voor een oordeel van de anderen. Dat kan niet iedereen, al wil menigeen het publiek bereiken met wat hem bezighoudt; die foute pogingen iets te berde te brengen, zijn overal te vinden.

Als je iemand iets wilt vertellen, moet het item de hoorders aanspreken, boeien, raken. Als je een - publiek - dagboek schrijft, laat je zulke regels over een bezoek aan de tandarts of over een zere kies die er nodig uit moet, weg. Het maakt jou als verteller nietszeggend, onbenullig, klein, want wie in het hele land boeit het dat jij (nog) niet aan een tandprothese wilt? Zulke zijn notities die de alledaagsheid in menselijk opzicht bevestigen en waar niemand iets aan heeft, ook jij niet. Je toont ermee aan dat je niet veel innerlijks te melden hebt, dat je ziel leeg is en je denken beheerst wordt door onbenulligheden, meer niet. Ik denk dat de buitenkant er voor veel mensen ernstig toe doet; dat het innerlijk gewoon niet vruchtbaar is, omdat men het, door het knellende belang van de uiterlijkheid, niet kan bereiken. Ik bedoel dus dat men bezig is met akkevietjes, met kijk-mij-eens, met druk-druk-druk, met veel-veel-veel, en daardoor krijgt de ziel geen kans en wordt het resultaat vervelend. Ik kom vaak zulke teksten tegen, bijvoorbeeld hier en daar op Hyves, en ik betreur het in hoge mate. Laat je zien, mens, toon je ziel, anders lees ik je niet, denk ik dan. Maar er zijn ook mensen die dagboeken op weblogs maken om te zoenen. Ik weet zulke beminnenswaardige rasartiesten en wil hun innerlijke schoonheid aan mijn lezers meegeven, omdat het jammer zou zijn als men eraan voorbijgaat uit onwetendheid.

http://cirkel-der-natuur.skynetblogs.be

http://samen-onderweg.skynetblogs.be

http://weblog-ank.skynetblogs.be

Wie in de alledaagsheid zulke schoonheid weet te zien en weet weer te geven, is volgens mij van de hemel gezonden. Nooit heb ik iemand ontmoet met deze vorm van gevende liefde als de maakster van deze weblogs, samen met haar weblogcompagnon. Ik kan dit schoons niet voor mezelf houden en nodig iedereen uit ervan mee te genieten, het is zó de moeite waard. Zo zie je dat er allerlei mensen bestaan: er is de gevende en de nemende mens. Wie het zelf niet kan maken, moet het ook niet doen, die laat het aan anderen over en mag vervolgens gerust genieten van al het schoons dat de ware kunstenaar aanreikt. Ieder heeft zo zijn eigen talenten.

 

 

 

IC65 – 31 maart 2009

MERKWAARDIG

Soms is een gebeurtenis merkwaardig genoeg om op te tekenen. Zoals deze. Het gebeurde in de morgen van 28 maart 2009 dat we naar Neerlangel reden. Ik was jarig en er zou geen bezoek komen, we konden dus rustig uitgaan. In het piepkleine gehucht nabij Ravenstein aan de Maas wist ik, via KRO-Kruispunt, een antiek kerkje te vinden en eenmaal daar gearriveerd, geraakten we bij het binnengaan ervan hooglijk verrast: het interieur is door en door katholiek - en uitermate oud in alles, belegen als het katholicisme zelf. Maar klein en oud als het kerkje is, biedt het nostalgische waarden, we waanden ons terug in de tijd. Ik had me gesetteld in een der grauwe kerkbanken, maar een gebedje wilde niet lukken, ik kwam nog niet tot innerlijkheid. We keken rond. Ik zocht expliciet het tabernakel maar vond slechts boven het significante altaar een merkwaardige constructie van een roodbruin kastje - of was het ook dát niet? Ik las: Ecce Agnus Dei. Het kerkje is genoemd naar Johannes de Doper. Je vindt de ascetische heilige ter linkerzijde aan de muur, compleet met lam en kemelharen doek. Latijnse spreuken over God staan sierlijk her en der ter lezing; het Latijn is de heilige geheimtaal van de prelaten in de kerk van Rome, nog steeds.

Mijn metgezel klom de primitieve trap op naar het koor. Toen hoorde ik hem zingen, zijn gouden stem was mooi en vol en duidelijk:

Pater noster, qui es in caelis, sanctificetur Nomen tuum.
Ad veniat regnum tuum.
Fiat voluntas tua,
sicut in caelo et in terra.
Panem nostrum quotidianum da nobis hodie,
et dimitte nobis debita nostra
sicut et nos dimittimus debitoribus nostris.
Et ne nos inducas in tentationem,
sed libera nos a malo.

Ik ging mee met zijn zang en samen zongen we voluit het paternoster. Wat een genade! Het was een merkwaardig hemels moment dat aan deze 28ste maart, voor mij althans, een gouden rand gaf. Ik zag dat ik een kaarsje kon aansteken en deed het ook. Er brandde toen een drietal kaarsen bij een stenen beeld met katholieke kleuren van roze en blauw en robijnrood. Merkwaardig toch dat mensen kaarsjes branden bij stenen beelden, of bij houten of bronzen, of bij kunstige poppen van stof, zoals in de kersttijd. Merkwaardig maar begrijpelijk, we zoeken immers contact met de hemel. En al werkt onze ratio optimaal, we blijven die kaarsjes doen.

(Erg zijn de griezelige relikwieën in de kerken, vooral in Beieren, in Oostenrijk, in ons eigen Limburg en waar nog meer in de katholieke contreien; ik bedoel die relikwieën van skeletjes, uch, ik moet er niet aan denken, al die botjes en zelfs doodshoofdjes, al die akelige, opgebaarde lijfjes achter glaswand in kerk of abdij; naar mijn gevoel een beetje té merkwaardig. Ik heb dat morbide item in de Roomse cultuur nooit begrepen. Dit even terzijde van ons schone bezoek aan Neerlangels pronkstuk.)

We vertrokken node, ik wel. Denkelijk omdat het oude kind in jouw ziel geen afscheid nemen wil van iets wat het onverhoeds terugvindt. Buitengekomen zag ik ter rechterzijde een miniem kerkhofje met een handvol graven, geen antieke maar eigentijdse; heel merkwaardig, vond ik. Hoeveel inwoners heeft Neerlangel dan wel? Zij zijn als parochianen toch rechtstreeks verbonden met de Luciakerk in het aangrenzende Deursen en Dennenburg? Het mogen wensgraven zijn, dacht ik: de laatste rustplaats van iemand die zijn hart had verpand aan dit unieke stukje Brabant.

Thuisgekomen werd ik opgebeld. Door dat gesprek arriveerden we twee dagen later in het Nijmeegse Casa Nova, pelgrimshuis en verzamelplaats van katholieken uit de oude doos. We hebben er onze protestante vriendin begroet. Daarover vertel ik een andere keer. Al met al leuk en merkwaardig.

 

  

IC64 – 24 maart 2009

ZO GAAT DAT

Toen we jong waren, was onze moeder oud, en onze vader ook. Nu we oud zijn, was onze moeder jong, en onze vader ook. Die oude vrouw destijds van vijfenveertig was een blomme in haar jaren, we wisten het niet, en die oude man van bijna vijftig was een charmante heer met nog een bezield leven in het verschiet. We wisten het niet. Ook wisten we niet dat de tijd ons zou inhalen op den duur, en dat die twee zorgzame mensen in hun stellingen heel veel gelijk zouden gaan krijgen, achteraf. Al kon je het niet bevatten, nog niet.

Toen we jong waren, kon de tijd niet op. Wie telde zijn jonge jaren niet gehaast naar de volwassenheid toe? Ik wel. Want de toekomst, die lokte en lonkte met duizend beloftes van tijd en ruimte en vrij zijn, met dromerijen van liefde, geluk en het leven perfect; met plannen van alles anders zullen doen, anders dan zij, ja, dat dachten we toen. Wie niet?

Die dromen en denkbeelden en al die verwachtingen van toentertijd liggen allang achter ons, het ongelukkig zijn door de onbegrepenheid ook. Als een lange speelfilm heeft het leven zich intussen aan je gemoed en ratio ontrold; hoe ouder je wordt, hoe scherper de beelden zijn en hoe meer je begrijpt - vooral van die twee die toen in jouw ogen al heel oud waren, en nu weer jong, jonger zelfs, omdat je van hun leeftijd geworden bent, soms zelfs bent voorbijgegaan. Herman van Veen zei op een keer dat alles in de tijd hetzelfde was, ook de mensen en hun kinderen, helemaal hetzelfde, alleen met andere namen. Alles treedt in elkaars voetspoor, geen mens wijkt af; de liefde zal altijd om te huilen zijn en het verdriet zal dragelijk blijken. Het is de cirkel van het leven, die ik zo vaak en graag beschrijf. Het is fijn, mínstens fijn, om op die manier te weten, te voelen en te ervaren wie je ouders zijn geweest in hun tijd: precies als jij en jij en jij, precies als ik en wij, en echt niet anders, niet beter, niet hoger, niet lager, niet liever, niet kwader; ieder had zijn plus en min, méér plus dan min, want zo is het ook wel weer als je achterom kijkt naar wie van jou zijn geweest. De scherpe kantjes van ooit en toen zullen altijd slijten, gelukkig wel. Het betere blijft over, met het begrip, het inzicht en de onvoorwaardelijke vergeving. Zo gaat dat met de herinnering en met het hele leven. Dat besef je later, als je die twee oudjes van toen (bijna) hebt ingehaald.

 

 

IC63—18 maart 2009.

GRAVE IN DE ZON

Die ondergaande zon pakt me telkens weer in. Wat is het altijd oogstrelend mooi aan de hemel als de avond valt. Het geeft een uniek gevoel: van ruimte in de verte, van hoge beloftes, van een onbekend, mystiek terrein voor de vorsende mensen die we zijn. Het is bij deze lichtval alsof de wereld hier ingetogen ophoudt met bezig zijn maar ergens voorbij de einder monter wakker verdergaat. Dat is ook zo; en dat maakt alles nog mooier dan het al is voor het oog van ons, hunkerende mensen. O wondere wereld. O pakkende aarde. O schitterende stelsels. O heerlijke wezens. O leven op aarde, wat ben je mooi.

En dan was er de zon vandaag; de hele, lange dag, toen ze nog aan de hemel stond te stralen als een reuzendiamant. Gisteren was het zonlicht nog wat aarzelend geweest, maar vandaag was het gesetteld, alsof het lente was. Ze liet zich zien, ze liet zich voelen, ze liet zich gelden als een godin. Ze zorgde voor vreugde op ieders gezicht; sommige ervan waren intussen op verveeld gaan staan door de lange winter. ‘Ik voel me zo fit,’ zei Nathalie van De Gouden Leeuw, ‘en het komt door het zonnetje van vandaag.’ Haar terras stroomde vol met mensen van allerlei slag: kunstenaars en boeren, burgers en wij, het zat daar allemaal op de Markt in de zon bijeengeschaard, en iedereen oogde blij, tevreden en heel erg rijk.

Ik miste Annelies. Ze was altijd significant aanwezig in die Graafsche kroeg. Ik miste haar zeer. Vanaf het terras keek ik op haar huis. Het stond daar nog precies als toen ze er woonde en de zon maakte, op dat moment, van de witte hoge muur haast een schilderij. Ik zag haar in gedachten weer sjokken, voortbewegen, of hoe deed ze dat? Ze had altijd iets wankels, of was dat de drank? Ik zag haar dus gaan zoals toen. Ik dacht aan die twee haffels walnoten die ze ons en passant eens gaf: van thuis! Een gebaar waarmee ze de zon voor ons schiep. Ach Annelies. Wie denkt nog aan haar? De kunstschilders op het caféterras hadden het druk met hun gesnoef: iemand was op reis geweest, had deze winter Malaga aangedaan, vermoedelijk om zijn schilderijen te verkopen aan de zonzoekende wintertoerist. Maar het was er koud geweest, zei hij, met akelige weersomstandigheden, met veel storm ook. En hij schilderde met woorden hoe hij had geleden in het land dat warm had moeten zijn toen hij er was. De zon had zich schuilgehouden. Dat doet ze gerust, ook al wordt er op haar gerekend in alle talen. Hij moet Annelies ook hebben gekend, dacht ik, heel die kunstclub moet haar hebben gekend, al was het alleen maar van de vrijdagse kroegsociëteit Keek op de Week. Zou iemand haar missen? dacht ik. Zij, die kleine ruige zon, dat straaltje dondersteen dat altijd goudeerlijk scheen voor wie haar ontmoette, zou zij nog ergens in iemands hart een beetje voortbestaan?

Toen we naar huis gingen, scheen nog altijd de zon, maar er was nu veel schaduw in het stadje door het tijdstip van de late namiddag. Eenmaal thuis mocht ik haar zien ondergaan, de zon, en ik ervoer haar toen zoals ik heb beschreven. O, we hebben het goed gehad, vandaag, heel goed. We hebben genoten van het beste, het betere. We hebben genoten van elkaar en de mensen om ons heen. We hebben de Zon ontmoet.

 

IC62 -- 17 maart 2009.

VANNACHT

Het is een lange nacht als je de slaap niet kunt vatten. Er is ook niks áán als je de slaap niet kunt vatten. Het gebeurt me van tijd tot tijd. Ook vannacht. Het ligt aan het denken, denk ik. Als je blijft denken terwijl je je hoofd hebt neergelegd om de slaap te vatten, ga je in zee met je gedachten en je slaapt niet. En weet je wat het is? Als je piekert in de nacht tekent alles zich aan betekenis scherper af in je beleving dan het in werkelijkheid is. Ook ga je van alles erbij slepen aan treurnis en zieligheid, want je bent nog maar een heel klein wezen als je in je eentje in bed ligt te piekeren over van  alles en nog wat - van vroeger en nu. Want daar gaat het vaak over als je denkt in de nacht, over toen en toen, over die en die, over ach en wee, over akelig onrecht. O ja, wat is het druk in je hoofd als je denkt in de nacht; ik denk dat het heel hard werken is, een pittige arbeid. Dus je rust niet uit terwijl je hele wezen erom vraagt. Je werkt je mentaal wél een ongeluk aan al die dingen die voorbij zijn, want is alles wat was niet allang verleden tijd? En je roept de onrust op, jaagt je hoofd en je hart op hol op een foute manier - want je haalt het verleden naar je toe: menslief, laat het rusten! Wat haalt al dat gepieker uit, al dat geijsbeer in je vermoeide brein? Nacht gibt nur nebel, als je niet oppast. Terwijl de nacht je juist door de rust en de slaap klaarheid zou moeten brengen om straks helder wakker te kunnen zijn: nieuwe energie, nieuwe dag, nieuw leven. Zonde van de tijd, al dat slapeloze drukdoen. Nutteloos ook. ‘s Morgens kom je geheid tot de slotsom dat de somberte in het leven wel meevalt, dat het allemaal niet zo loodzwaar is als je ‘s nachts vermoedde, dat het vroeger nog zo slecht niet was, dat de zondaars die je overdacht in je gepieker wel meevallen, dat ze net als jij weet hebben van de dingen in het leven; dat ze evenveel mens zijn als jij, en evenveel ziel. Ieder draagt zijn eigen verantwoordelijkheid. Jij en ik, wij allemaal.

Zo is het me vaak overkomen. Maar even vaak heb ik de wakkere nachten benut om diepe teksten te schrijven en gedichten te maken; om God te loven en te danken omdat ik zijn mens mag zijn, ooit het leven heb gekregen en de wereld mocht leren kennen met de mensen die me in de loop der tijd zo ontzettend lief geworden zijn.

03.47 uur – 04.33 uur.

 

IC61—11 maart 2009.

DE BRUG

Tot een jaar of tien geleden raakte ik in de auto bij het naderen van een grote brug in paniek; ongekend leed was dat, alsof je gevangen zat in je eigen angsten, waardoor je niet meer verder kon rijden, maar desondanks wel verder móést, omdat je deelneemt aan het verkeer en onverkort de veiligheid in acht zult nemen. Het waren barre tijden, met angsten leven is ondoenlijk, met angsten aan het verkeer deelnemen zéker ook. Het euvel ging goddank voorbij. Maar elke keer nog bij het naderen van een grote brug denk ik eraan terug, aan hoe loodzwaar het was en hoe onverantwoord om met die angst in het verkeer onderweg te zijn. Eind goed, al goed. Uiteindelijk groei je over je angsten heen, je groeit door al je complexen heen, je legt je kind-zijn af, je wordt volwassen(er), wijzer, rustiger; en je bent stabiel. Alles op zijn tijd, denk ik, je bent nooit ineens volgroeid. Soms ook heb je begeleiding nodig of een geschikt medicijn dat je verder helpt. Het is allemaal heel menselijk en herkenbaar; we zijn divers in aanleg en structuur, maar ook tamelijk gelijk in de dingen van het leven, de levensbehoeften en perikelen zijn vaak eensluidend. Het is de kunst er goed mee om te gaan, zodat je niet stagneert maar te allen tijde verder kunt met je leven, hoe dan ook.

Tegenwoordig geniet ik ervan om over een grote brug te rijden. De brug over de Maas bij Grave, bijvoorbeeld, is een vrolijke brug, de brug over de Waal bij Zaltbommel is een sensationele brug en de brug over de Rijn bij Emmerich is een mystieke brug om per auto overheen te gaan. Maar de Waalbrug bij Nijmegen spant in herinnering voor mij de kroon. Hierom. We waren op een rustige dag in februari naar Lent gereden, we wilden eens gaan zien hoe Lent zou zijn, de kerk en de gemeente, de dorpskern en de mensen. We reden daarom over de historische Waalbrug, sensationeel, want iemand met een sterk innerlijk beleeft de geschiedenis van zo’n brug, het verleden zindert na, en we spraken over de oorlog en de strijd die daar had gewoed. Onder ons stroomde de machtige Waal, prachtig tekende het robuuste watervlak zich tussen wallen, dijken en uiterwaarden af. O, wat mooi. Toen reden we Lent binnen. Weinig sfeer op het eerste gezicht, en toch. We parkeerden de auto, haalden gemakshalve levensmiddelen in de supermarkt en bij de winkel van het bakkertje was de verleiding te groot. Verrukkelijke taartkoeken met karamel en dikke noten erop kocht ik er, en wegge, volgepropt met krenten en rozijnen; geen gierigheid bij de bakker in Lent. ‘Woont u in Lent?’ vroeg de bakkersvrouw. ‘Nee hoor,’ zeiden we terug. ‘O, bent u van over de brug?’ hield ze aan.

Ik voelde me ineens een beetje schuldig, alsof ik iets fout had gedaan. ‘Jazeker, we zijn van over de brug. Maar dat is toch ook nog een stukje Lent?’ schertste mijn metgezel.

‘Laat dat maar niet horen aan een echte Lentenaar!’ riep het mevrouwtje uit, ‘dat zou een heel dispuut worden, mijnheer!’ Toen volgde een rappe uitleg over de laatste veranderingen in Lent, de onherkenbaarheid van het oude dorp, de neergang voor de rozenkwekers door de komst van het grote kapitaal en over de kredietcrisis: ‘Er staat nog heel wat te gebeuren, we krijgen het nog zwaar!’ ‘Zou het?’ zei ik en wilde nu graag verdergaan. Maar ze had het Lentenaarschap in haar bloed en zou dat uiten ook: ‘Op de hoek aan de overkant ging je linksom en dáár stond mijn geboortehuis. Wég is het! Niks meer van terug te vinden! Alles is asfalt geworden en grote weg. Auto’s, auto’s, auto’s, de hele dag door en ’s nachts ook.’ ‘Die gebakjes met noten, wat is het procédé precies?’ vroeg ik. ‘Het is het lekkerste wat we hebben, mevrouw, echt waar.’ Ik zou het later thuis nog wel uitvinden; en zeker wat de smaak betreft, had ze groot gelijk.

In Het Witte Huis, op de andere hoek, dronken we koffie. We keken uit op de brug. Die brug van oude angst en nieuwe vreugde. Het leven wordt een genot als je een nijpende angst de baas bent, als je gerust op weg kunt gaan, als je onbekommerd een brug neemt. En dit: je komt nog eens typerend volkje tegen en je ervaart nog eens iets anders, zoals het lichte natrillen van oude folklore en gewoontes, het verre geluid van hetzes en strijd, de ingehouden nagalm van volksgeschil en chauvinisme. Och, het is overal hetzelfde, dat was toen en dat is nu, mensen verdedigen hun eigen grond, hun eigen stek; hun afkomst, hun herkennen, hun veilig-voelen. Het blijft te allen tijde oost, west, thuis best. Om dat te herontdekken, ga je graag ‘ns over de brug. Ik tegenwoordig gelukkig wel.

 

IC60 – 7 maart 2009.

MENTALIST

Mentalisten zijn de moderne tovenaars, de ijdele hocus-pocus van onze tijd. Ik zag de Uri-Gellershow en huiverde; de griezeligheden overstegen elkaar. In mijn boek Van mensen onderweg - met Geloof, Hoop en Vrede schreef ik verkort mijn visie neer op hedendaagse en klassieke tovenaars; en ik schreef over de esoterische opgang in alle gelederen van kerk en maatschappij. Esoterische waarden zijn kennelijk een sterke behoefte van mensen, ze weten vermoedelijk met hun religieuze aanleg niet goed raad. Zo snel als de waarde van de Kerk neerwaarts duikelt, zo hard baant de tovenarij zich een weg naar de religieuze top. Het is onmiskenbaar een hype.

Ik zag een prachtig meisje, Yelle, meedoen aan die SBS 6 mentalistenshow. Ze dong naar de eerste plaats, waarmee ze de nieuwe Uri-Geller zou heten, en ze won. Het meisje deed haar act in bijzijn van haar vader, een man aan wie je het tovenaarschap kon aflezen. Maar wat een mooi kind. Met ogen als vijverspiegels. Een jong heksje in de dop. Of toch niet. Ze is de nieuwe Uri-Geller. Onze beste Nederlandse mentalist - wel een verhullend woord. We zullen nog veel van haar horen, denk ik. Hopelijk niet in de trend van de blauwe kol Jomanda. Hoewel, dit kind is anders, dit jonge mentalistentalent oogde vanavond op het podium verfijnd en puur, alsof geen verderfelijke wereld haar aan kan, alsof ze mijlenver af staat van het kwaad. Als het zo is, moge het dan zo blijven. Wat een zorg. Het zou je kind maar zijn.

       

 

IC59 ~~ 4 maart 2009.

LENTEKIND

Wat doe je als je altijd moe bent? Veel slapen of minstens vaak wegdutten overdag, meestal op de bank. Ik wel. Vooral de laatste weken ben ik tamelijk veel weggedut op de bank. Ik had de rust trouwens hard nodig vanwege een soort uitputting die ik hier liever niet benoem. Vandaag was het wéér zo’n trage dag met veel gedut en in de late namiddag met inspannende causerieën, het soort waar je niet van opmontert maar wel van afknapt; dat gebeurt vaker bij moeizame gesprekken. Enfin, eind goed, al goed, daar gaat het om. Maar achteraf bezien was het tóch druk vandaag. Lorita is ook nog naar de vogeldokter geweest - tot zover gaat het goed met het oudje en o, wat mopperde ze toen ze in de houdgreep werd genomen voor het onderzoek. Gelijk had ze, het is nogal tegennatuurlijk voor een oude regenwoudpapegaai om in het moderne Westen in een kattenkooitje per auto naar een gespecialiseerde medicijnman te worden gereden; geeft niks, als het maar helpt, denk ik dan weer, en amuseerde me een lang moment kostelijk met haar verdediging.

Maar intussen is het nacht en wakker als ik ben, zocht ik op de pc naar een lenteliedje, een soort smartlapje dat ik als kind al koesterde en zong, hard zong, zacht zong, in bad, in huis, in bed, op de fiets, waar eigenlijk niet? En de beelden die het liedje in zich droeg, maakten me steevast verwachtingvol en een vreemd soort blijheid raakte me dan diep vanbinnen aan, alsof ik zelf dat zingende meisje op dat bankje in het bos met de duizend vogels zou zijn. En ja, vannacht vond ik het liedje moeiteloos terug en ik werd weer blij toen ik de tere woorden las en ik zong het dingske voor me uit, terwijl ik dacht aan Ank die met haar meesterlijke weblogs ook iets dergelijks aan schoon gevoelen bij me losmaakt, zoals met deze heel bijzondere: http://cirkel-der-natuur.skynetblogs.be. Het is genade als je van die mensen weet die je de schoonheid der dingen gunnen, die zichzelf zijn en jou in je waarde laten; van die lieverds die je vrijblijvend meenemen op hun zoektocht door het leven, die met je uit wandelen gaan doorheen elk jaargetij, die hun diepste dromen met je durven delen, belangeloos, gewoon omdat je samen ménsen bent.

Lentekind

't Is een herinnering als zovele,
Maar deze ene laat mij niet los.
Wanneer in 't voorjaar de vlinders spelen,
Dan denk ik weer aan die dag in 't bos.
~
Daar bij een huis als van Hans en Grietje,
Zag ik een kind zitten heel alleen.
Haar kleine stem zong een lenteliedje
Voor duizend vlindertjes om haar heen.
~
En duizend vogels zijn toen gekomen
En zongen vrolijk hun liedje voort.
Het schalde juichend door duizend bomen
En heel de wereld heeft het gehoord.
~
En overal is men blijven luist'ren,
Voor een moment was 't rumoer verstomd
Want zelfs de mensheid moet even fluist'ren
Wanneer voor 't eerst iets van 't voorjaar komt.
~
Maar ik alleen heb dat kind zien zingen
daar in het woud op die zonnedag.
Ik zag haar aan en mijn ogen vingen
Uit blijde ogen een lichte lach.
~
En dat is al wat mij is gebleven,
Die lichte lach als een snelle groet.
Maar ‘k heb nog nooit van mijn hele leven
De lente zo van dichtbij ontmoet.

(Schrijver mij onbekend I.V.)

 

 

IC58~~1 maart 2009

EEN HELE WEEK SCHEPPING

De wijsgeer Charles Darwin heeft het mooi, maar ook bevrijdend uitgedacht met de evolutietheorie. Persoonlijk vind ik zijn visie heilzaam omdat zijn denkbeelden logisch zijn. Hij doet geen enkele afbreuk aan de bijbelse inbreng over de kortstondige scheppingsleer, dat in 6 dagen de hele wereld klaar was, voltooid geschapen, met alles erop en eraan; en de 7de dag was er rust. Kan het mooier? Er staat een hele week klaar om te beleven naar onze begrippen. Maar het is symbolisch bedoeld. De bijbel is geen sprookjesboek en God is geen tovenaar.

De evolutie nu, dus de ontwikkeling van alle leven in het heelal en ver daarbuiten, is an sich goddelijk te noemen, van God afkomstig dus. Waar maken sommige christenen zich nu toch zo druk over? Waarom zijn ze gefixeerd op de letterlijkheid van de bijbelse geschiedenis? In Israël gold de numerologie, alles aan getal werd gebruikt in de symboliek om de dingen uit te drukken en te verstaan. Zo moet ook de bijbel met behulp van de numerologie zijn geschreven en samengesteld, bedacht en uitgegeven. De evolutietheorie doet geen afbreuk aan het geloof, sterker, ze voegt iets toe, ze maakt God groter en de eeuwigheid ruimer.

Wat doen we God eigenlijk aan met hem die ene week van werken aan de wereld en de kosmos enzovoort op de schouders te leggen? Want weet je wat het is? Een mens bijvoorbeeld draagt zijn hele leven met zich mee, hij torst de herinnering van wat hij deed, ondervond en uitvoerde; en dat kan zwaar zijn, loodzwaar; je moet daarom uitermate oppassen dat je voor jezelf geen ballast creëert, iets waar je zelf aan onderdoorgaat. Als God de wereld in 7 dagen af had, heeft hij in rap tempo getoverd.

En iets wat je te snel fabriceert, komt niet tot de juiste ontplooiing, het kan niet klaar zijn. Op die manier zou God zich een ballast hebben gecreëerd, denk ik. Iets wat hij in der eeuwigheid met zich meetorst, wat moet God moe zijn. Wie houdt het vol de lange eeuwen door het gemor van teleurgestelde mensen te moeten aanhoren? Je zou er wel een heel grote god voor moeten zijn, en dan nóg, waar heb je zin in?

Zo werkt het dus niet. Je kunt het prachtige scheppingsverhaal, hoge literatuur, beter lezen binnen de symboliek; je kunt beter de evolutietheorie van de intelligentsia volgen en deze waarderen in haar waarde, daarmee ontlast je tegelijk de schepper, de maker, daarmee leg je hem niets op aan oneigenlijke verantwoordelijkheid. Sommige mensen bijvoorbeeld roepen dat God de ellende, het verderf, de oorlog en nog meer aan narigheid toelaat, maar ze maken alles zelf en dat zien ze dan weer niet. Leven en dood gaan hand in hand, dat is een heilig gegeven, maar alles aan moord en doodslag is de creatie van mensen; het dier in de natuur is eerlijk, het aast en voedt zich ermee om te overleven, wij mensen hebben andere middelen om te bestaan, om onze tijd goed in te richten en ons milieu leefbaar te houden. Maar het gaat onverkort fout met ons in de wereld en vaak ook in onze eigen kring en iemand is daarvoor verantwoordelijk en dat is God, vinden zij, want hij houdt zich schuil, laat zich niet zien, dekt zich in; hij laat het allemaal maar gebeuren en doet helemaal niets. Nee, natuurlijk niet, het scheppingsverhaal houdt als sprookje op waar het eindigt in de bijbel en wij, de mensen, zijn aan zet om het proces te voltooien. Dat is volgens mijn bescheiden mening de leer die in het scheppingsverhaal te lezen staat.

Het zit overigens in de mens ingebakken: dat wijzen naar een ander als er iets fout gaat, dat afschudden van de eigen schuld, heel merkwaardig trouwens. Maar met het aperte denkbeeld van Gods verantwoordelijkheid kan niemand iets beginnen, het is onvruchtbaar; toch houden veel christenen God op deze wijze aansprakelijk, en omdat er geen doorkomen aan is, wordt de schuld uiteindelijk op de mens teruggelegd, hij is de zondaar, de slechterik, hij staat zelfs onder bevel van de duivel, ook dat nog. Dan moet je oppassen niet in vreemde theorieën en dogmata te vervallen. Ik houd soms mijn adem in bij wat ik lees aan sektevorming en angstenleer. Als we eens beginnen met nieuw te zijn, puur en goed te zijn voor elkaar, zonder ons aan de ballast van een of andere waangodsdienst op te trekken, met God te dienen en zijn aarde schoon en gezond te houden, precies zoals het moet, zou dat geen mooie opmaat naar Pasen zijn?

Ine Verhoeven

 

 

 

IC57~~27 februari 2009

BLOEMETJES

In de late winter bloeit de winterakoniet, een klein bollig geel bloemetje, in zijn eenvoud vertederend om te zien. Ik had een vol bakje meegekregen van Joop & Veronica, om op mijn balkon te plaatsen en ervan te genieten. Ook een haffel sneeuwklokjes ging met bolletjes en al mee naar huis, compleet met aarde in een zinken emmertje. Alles is al geplaatst en geplant, de winter kleedt nu mijn buitenkamertje aan met fleurige bloemetjes en memorabel genoeg bloeit de hartelijkheid van de Simonsjes door in mijn omgeving; wil ik nog meer?

Toen ik de akonietjes wilde planten in de bloembak, trok ik geschrokken mijn hand terug uit het zand, er bungelde iets akeligs aan mijn duim; het was een dikke hommel, gestoord in zijn winterslaap; hij had me gestoken, het arme dier, want dat betekent zijn dood. Ik nam me voor voortaan handschoenen te dragen als ik in de aarde wroet of om een schepje te gebruiken. Azaron hielp tegen de brandpijn. Ik heb spijt van de onverhoedse dood van de hommel, wat jammer nou. Wel besef ik met dit incident dat de hommels die je vroeg in het voorjaar bij je bloemetjes ziet doorgaans in je eigen tuintje overwinteren, ze komen tevoorschijn uit de grond zodra de lente ergens in de verte gloort.

De crash van het Turkse vliegtuig, dat neerstortte in een weiland nabij Schiphol, zet je aan het denken. Toch gaat het leven door. Dat is het dubbele bij een ramp: je schrikt, bent ontdaan, je gemoed wordt geschud met wanhoop, maar je kunt uiteindelijk niets anders doen dan gelaten aanvaarden wat het lot ons brengt. Het blijft verschrikkelijk.

Ik wil hier 3 weblogs noteren, die de moeite van bekijken en lezen waard zijn, alleen al om de schoonheid en de troost die Saartje & Sientje, Ank & Lien ons gratis bieden:

http://cirkel-der-natuur.skynetblogs.be

http://samen-onderweg.skynetblogs.be

http://weblog-ank.skynetblogs.be

 

 

IC 56 – -25 februari 2009

CLAUDIA

Van sommige mensen word ik een beetje treurig. Ik weet niet waaraan dat ligt. Bij Pauw & Witteman gebeurde het weer: een kwijnende treurnis overviel me toen ik naar het mediabrutaaltje Claudia de Brey luisterde, ze vertelde over haar pas verschenen boekje Krijg nou tieten! Ze had daarin haar zwangerschap beschreven en de geboorte van haar zoontje Bing. Ik vond haar slotlied daarna teer en mooi, maar verder hield ik die treurnis vast; misschien werd deze versterkt door cartoonist Gregorius Nekschot, hij was aanwezig in een zwarte burka, zijn gezicht getroebleerd met een kanten voile; hij kwam dus vermomd zijn zegje te doen, waar niemand iets aan had, vond ik. Maar terug naar Claudia. Ze is mooi, jong, begaafd, ze is koen, moeder, lesbisch. Met zo’n rijtje eigenschappen moet je wel extra talenten in voorraad hebben, want de wereld is keihard als je afwijkt van de gevestigde idees, niet iedereen pikt het als je anders denkt en doet en je zult je dan moeten weren, zo werkt het in de gelukzalige sociëteit van mensen. Maar wat irriteert mij nou precies aan Claudia? Wat aan haar maakt me zo droef? Niet dat ze pot is en moeder, brutaal is en mooi, jong is en getalenteerd. Dat vind ik prachtig. Ik mag haar ook wel, en dan, soms, eventjes, weer niet. Ja, zie je, ieder mens heeft ongemerkt ingesleten vooroordelen, of je wilt of niet. Claudia heeft ze ook. Zo is ze duidelijk niet gecharmeerd van contact met ‘echte’ moeders, wil ze geen bemoeienis als het om haar vrouwzijn gaat, om haar moederschap of om haar kind; bovendien vindt ze het belachelijk als iemand uit de grote boze heterowereld van haar zwangerschap geniet, want het was echt helemaal: au, au! Maar Claudia vergeet dat alle mensen, ook moeders, anders zijn, dat vrouwen allemaal anders reageren op het krijgen van een kind, op de fysieke ongemakken van een zwangerschap, dat heeft trouwens niets met seksuele geaardheid te maken. Claudia had ook nog van tevoren willen weten dat het krijgen van een kind zo pijnlijk was als het is. Ja, dat had ik ook willen weten in mijn tijd, maar hoe vertel je iemand een pijnsoort, hoe leg je die uit? Je zult alles zelf moeten voelen, zelf moeten ondergaan, eerder weet je het tóch niet.

Claudia is een eigentijdse, zeer weerspannige moedermaagd, denk ik, ze is immers een vrouw met een kind en ze heeft geen man bekend. En nee, Claudia de Brey kent preutsheid noch taboe, en dat hoeft anno 2009 ook niet. Alles wat is, is immers uit de natuur en we zijn allemaal mensen. Ik hoop dat haar zoontje Bing – of zou het Binck zijn - een mooi mens wordt met zijn twee moeders op de achtergrond, want ja, Claudia’s vrouw is er ook nog. En nee, Claudia de Brey te overdenken zet geen zoden aan de dijk, maar het gaf wel een halfuurtje zoet gepeins. Mijn treurnis is in ieder geval over.

Ine Verhoeven

             

 

IC 55 –- 23 februari 2009

MENSELIJK OPZICHT

Die kleine, blauwe anemonen, die we kochten in de bloemenzaak van die twee merkwaardige mannetjes, zijn prachtig. Ze staan te pronken naast de witte rozen in een smalle vaas van glas. Zo’n bloemenfeestje op je tafel is een lust voor het oog en tegelijkertijd een troost als je je verdrietig voelt, ik heb er een beetje last van. Ik kan niet tegen onrecht. Wie wel. En momenteel is er onrecht gaande. Ik had het kunnen weten, heb erover geschreven, heb gewezen op het belang van de vergeving, van de eerlijkheid en van het respect hebben voor elkaar, ook als je uit elkaar bent gegaan, hoe dan ook, maar je bent helemaal uitgepraat en uitgeschreven over het belang van wat dan ook als de tegenpartij het slachtoffer gaat uithangen naar de buitenwacht toe - voor eigen gemoedsrust en eigen aanzien. Ja, ik had het kunnen weten, maar had naïef genoeg nog hoop. Nu niet meer. Enfin. De anemonen staan daar lief en teder, zich nergens van bewust, want zo is het leven óók: de een viert carnaval en de ander huilt. C’est la vie.

Ine V.

 

     

IC 54 –-- 23 februari 2009

GEMOED

Een mens neemt afscheid, meer dan hij denkt. Alle dagen valt er afscheid te nemen, omdat niets blijvend is; omdat alles de eerste én de laatste keer is, hoe vreemd het ook lijkt. Maar het is niets om bij te versomberen, het is de natuurlijke weg van komen en gaan. Het gaat in wezen om het zíjn, om wie je bent en hóé je bent, om hoe je tegenover elkaar staat, om hoe je met elkaar omgaat, elkaar behandelt, elkaars reacties incasseert, want hoe verhoud je je bij bepaalde meningen die jóú geen goed doen, waarin je je niet kunt vinden of waaraan je je in hoge mate ergert?

Elk mens heeft een gemoed en dat gemoed speelt een grote rol in het sociale gebeuren. Je gemoed doet veel in bepaalde situaties. Je gemoed schept sferen, het gaat van blijheid tot somberheid, van vrolijkheid tot beladenheid, van rustigheid tot hectiek. Mensen brengen vaak een specifiek eigen sfeer mee, elk vriendenbezoek bijvoorbeeld is anders gekleurd, juist doordat de karakters verschillend zijn, elk gemoed anders gestemd is.

Het gaat om respect en bescheidenheid; respect zonder bescheidenheid is ondenkbaar. Soms geraken mensen bij een verbroken vriendschap opstandig én vijandig, ze worden elkaars haters, elkaars belagers.

Dat is zonde, omdat het helemaal niet nodig is in haat te vervallen na een afscheid, hoe dan ook. Het vergt wél een zekere wijsheid en veel innerlijke goedheid een scheiding om te zetten in behoedzaam contact, maar het kán wél; en als het je lukt, is het ieder tot heilzame genade. Het gaat steeds om waardig gedrag, evenwichtigheid en respect. Iedereen maakt fouten, dat kan en dat mag. Maar doe je gemoed geen geweld aan als je afscheid neemt van wie dan ook. Rustigheid zal je zegenen - met diepe tevredenheid.

Ine Verhoeven

 

 IC 53 – -19 februari 2009

STOFJES

Het sneeuwt lichtjes, zou vriend en zielsverwant F. zeggen. Het is zo heerlijk als het sneeuwt, vind ik. Ik zag ze dwarrelen langs mijn balkon, van die heel kleine vlokken, en ik voelde de buitenlucht die zo fris was dat ik er gelukkig van werd. Wat een wereld, wat een schoonheid, hoge genade is dat alles voor ons, wereldmensen die er niets van begrijpen waarom er een winter is en een zomer en een lente en een herfst. Maar kunnen we zonder? Was het geen armoe als de seizoenen niet te beleven zouden zijn zoals wij ze kennen? Winter. Ik krijg er geen genoeg van, behalve als de regen duurt en alles doornat is om je heen, dan is het iets minder met de winter, vind ik. Kijk aan, ze komen nog steeds uit de hemel, uit de grauwte die deze vriendelijkheid creëert, de sneeuwvlokjes. Engeltjes schudden de hemelkussentjes op, er zijn er onder ons die dat nog geloven. Ik niet. En toch blijft het idee hangen omdat het zo mooi is en zo teer, omdat het beeld iets toevoegt aan je gelukzaligheid, ik denk het echt. Zoals er zoveel uit de oude godsdienst, de traditie, in je geheugen gegrift staat; en al is het soms nog zo onmogelijk, het ontroert.

Het is fijn en versterkend voor je ego als je beslissingen zult nemen die je leven keren, die jou, als de denker die bent, losmaken van stromingen die niet bij je passen. Een mens mag zijn eigen richting volgen, móét zelfs zijn eigen richting volgen; een mens is vrij te gaan en te staan waar hij wil, zijn weg moet hij vrijelijk kunnen afleggen, nooit opgelegd door wie dan ook. Je ziet wel gebeuren dat mensen zich groeperen om vervolgens in kuddegedrag te vervallen: ze willen hetzelfde doen, hetzelfde denken, vaak hetzelfde zíjn, ik ken zulke mensen bij naam.

Vandaag is mijn moedertjes sterfdag. Ze ging heen in 1985, maar de herinnering aan haar blijft levend, meer dan wat ook. Je moeder was je oer, je bron, je levengevende, of ze nou lief was of minder lief, goed was of minder goed, een ster of een engel of niets ervan, je kwam uit haar voort. Alle scherpte die ooit was, is in de loop der jaren verdwenen en de zachtheid, het zoete, blijft over, precies zoals het zijn moet. Heeft iedereen dat? Maar die sterfelijkheid van ons, die is lastig. Als je terugkijkt, zie je een heel verleden, één lange reeks herinneringen, want alles blijkt opgetekend, opgeslagen in je eigen brein, je bent je eigen computer, hoe kon je het weten toentertijd? Maar het is wel zo. En je gaat meer en meer zien, begrijpen, verstaan, en de liefde voor je oer, je levengevende bron, je moeder, wordt groter dan je had kunnen denken, het is zelfs zo dat alleen de liefde je nog met haar verbindt. Dat is het reepje geluk dat je toevalt op je oude dag, wanneer je niets meer verwacht, niets meer beoogt, niets meer verlangt, alleen rust en lievigheid hoopt; en je blijft nog even bestaan met een warm gevoel vanbinnen voor wie je ouders zijn geweest. Is dat niet mooi genoeg om heel erg veel dankbaar voor te zijn? En je kijkt ingetogen naar de kleine dingen die nog aan je ouders doen denken. Je weet dat jij nu aan zet bent, als de moeder van jouw kinderen, volgens de bioregels.

Arold & Patricia met Umbra bij Opa en Oma

in de bostuin van hun huis in Vught +/- 1965.

STOFFEN GELUK

Hoe kan een mens geluk

bewaren als de dagen overgaan,

nog ergens in een heilig hoekje

van die mooie dingen staan,

die lieve gevers je ooit schonken,

bevestiging van hun bestaan?

~

Al die lieve, oude zielen

zijn voorbij, voorgoed gegaan;

in je kast staan dejeuneetjes

stijf te pronken, klok met haan,

bloem met strikje, hart van goud,

zo blijft hun liefde voortbestaan.

Ine Verhoeven, 19 februari 2009.

 

 

 

IC 52 – 8 februari 2009

SOMS

 

We zijn allemaal mensen met dezelfde contouren van het menszijn aangemaakt. Niemand staat boven een ander, iedereen is in het menszijn gelijk. En toch, toch merk je dat sommige mensen zo enorm méér anders zijn dan jij kunt bevatten, en dan is het moeilijk je in te leven in die andere ander. Maar ook die andere ander zal mogen beseffen dat er verschil bestaat in de aard van mensen, dat het een menselijk gegeven is, dat het niets te maken heeft met vrede beleven of vrede maken, of met gek zijn of wijs, of met abnormaal zijn of niet, maar dat het eerder te maken heeft met de mogelijkheid of de onmogelijkheid om karakteristiek gezien samen te gaan; soms lukt het gewoon niet, ondanks de beste bedoelingen. Soms moet je elkaar loslaten en als het kan, vergeten. Soms moet je dat vredevol aanvaarden, elkaar niet uitschelden, niet afbreken, niet honen, maar elkaar met rust laten en dít: geen achterklap produceren, want achterklap is lelijker dan elkaar rechtstreeks verwijten maken, omdat je op achterklap geen greep hebt noch verweer, gewoon omdat het buiten jou om gebeurt. Is vrede zonder vriendschap niet mooier en eerlijker dan in krampachtigheid omgaan met elkaar? Loslaten is ruimte voor vrede maken. Loslaten en er niet onverschillig bij zijn, dat is vrede maken in je hart.

Soms moet het zo zijn.

 

 

IC 51- 31 januari 2009

Glans 1

Ieder mens heeft behoefte aan gezelschap. Niemand kan zonder gerelateerd zijn. En toch. Soms zou je de wereld van je af willen schudden. Zou je de mensheid voor altijd willen vergeten. Om je heen zie je hoe het bedrog de maatschappij te gronde richt. Hoe de rijke machten de goedgelovige burgers hebben bedrogen voor eigen gewin, en nóg. Hoe de hoogste rijkdom de oogverblindende glans verliest. En we ervaren aan den lijve hoe de mens wordt wakkergeschud uit de valse waarden van de bedrieglijke koopwaar in de winkels. Amerika’s president Obama heeft het zwaar, de puinhopen van het bedrog, van de as van het kwaad dat Bush heeft geproduceerd, zal zijn uiterste zorg zijn, en ís dat ook. Wij kunnen als alledaagse burgers niet meer doen dan afwachten en misschien ergens nog wat bidden. Maar wat je zaait, moet je zelf oogsten en plukken en ondergaan in de kwaliteit die jij ervan hebt gemaakt. Bush is de dans ontsprongen, kan gaan genieten van zijn oude dag. Obama heeft het opruimen, het kuisen en het genezen. Puinhoop, o puinhoop. De wereld is failliet, arm geworden aan zekerheid, arm geworden aan moraal, arm geworden aan normbesef, arm, zo arm geworden in de medemenselijkheid, in de schoonheid van het alledaagse. Je weet het en kunt er niets aan veranderen, behalve je eigen kleine kring behoeden en koesteren en dan is het nog maar afwachten, meer niet.

Glans 2

Toen ik onlangs had gekozen voor mezelf en daarmee een vriendschap had verbroken, dacht ik dat ik een misstap beging tegen de vrede en tegen de naastenliefde. Maar ik vergiste mij: je moet de ruïne van een mislukking niet koesteren, maar opruimen. Je moet een vriendschap die niet in balans is, niet scheef laten afzakken zodat de talenten niet tot hun recht komen, dus nutteloos dreigen te worden, maar haar ontladen van alle foute ballast. Je moet óók jezelf niet martelen met iets te willen bereiken dat gewoon niet bestaat. Een verbroken vriendschap staat los van de vrede. Je kunt soms meer vrede in het leven roepen door een omgang te verbreken dan door ermee door te gaan. Een mens verdient rust in zijn gemoed. Door je geclaimd te weten, belaagd en bevoogd, vind je geen rust. Dus haak je af, vooral om jezelf niet te hoeven verliezen aan de structuur van de ander, een structuur die jou niet past, gewoon omdat je anders bent. Dus om de vrede te bewaren, ga je voortaan je eigen weg. Leven en laten leven. En vergeten, alles wat dom was, alles wat mis ging, alles wat niet is gelukt. Dat houdt de glans vast. De glans van de tijd die jou is beschoren. Dus: beidt uw tijd – duur uw uur. En vergeet wat jou ooit in gemoede blokkeerde aan de valkuilen van de ander. Ik ga mijn huis poetsen, het is zaterdag.

Elk stukje is gemaakt van tijd

-

Elk stukje om af te stoffen

draagt zijn herinnering

je ziet de mensen in de tijd

toen je het souvenir ontving.

-

Elk stukje aan de wand

of in de gang of waar dan ook

is menselijk gerelateerd

van tederheid tot oud gespook.

-

De vazen op de rankenkast

de beelden rondom God

het schilderijtje van je kind

horlogekast met gouden slot.

-

Gelukkig wordt de tijd vernieuwd

herinnering die blijft

met pijn en vreugde, zacht geween

’t is weinig dat voorgoed beklijft.

-

Gelukkig maar, gelukkig maar

is elke dag weer nieuw en fris

ik heb de dingen afgestoft

gewoon, omdat het nodig is.

© Ine Verhoeven

 

IC50 – 12 januari 2009.

WIT

Schitterende dagen beleefden we in Nederland in januari 2009. Wat heb ik genoten van de pittige wandelingen over ijs en bevroren sneeuw; van onze gangen langs de Waal en de Maas; van het vergezicht vanaf de dijk in de Ooijpolder; van die droomwandeling over het krakende glinsterpad bij het Hernense kasteel met zijn witte vijver. Op zulke momenten is de wereld van vrede, voor mij althans. En ben ik doorgaans een oververmoeid mens, nu kreeg ik energie van de winter zelf, van die koude lucht en van die blauwe hemel die daar pronkte boven de sneeuw en alle ijsgeschitter uit. En dan was het in deze dagen ook nog volle maan, wil je het mooier hebben, zus?

Ja, soms voel je intenser dan anders dat het leven goed en mooi is, dat het genade is als je ervan mag genieten, heel gróte genade zelfs. Die uiterlijke witheid schiep een innerlijke witheid, weerkaatste de vrede van het land naar je ziel. Dít schreef Philyzus naar mij onder enkele sneeuwfotootjes die ze had gemaakt: ‘Vredig hè? Waren de mensen maar zo vredig.’

Toen ik dat las, besefte ik plotseling dat de mensen in wezen vredig zijn, dat je mag inzien dat jóúw verlangen naar vrede niet afwijkt van andermans verlangen daartoe, besefte ik dat we allemaal wel in vrede willen leven. Vraag me niet waarom er oorlog wordt gemaakt, ik weet het niet, ook niet waarom staatshoofden zo’n beslissing van dood en verderf willen en durven nemen. Zelf geloof ik niet dat de wereld ooit één moment van volkomen vrede zal kennen; maar wél de mensen in de eigen kleine kring, zij zouden het kunnen bereiken: echte vrede maken met elkaar.

Maar ach, hoe vaak heb ik al over dit onderwerp geschreven? Nee, je raakt er niet over uitgedacht, want het verlangen naar vrede blijft overeind. Ja, je moet geloven, hopen en liefhebben, zegt de Schrift. Als je dat ten diepste doet, komt het op een keer wel goed. En zo blijf je dromen, kleine mens die je bent, en geloven en hopen dat het ooit gebeurt: vrede, zo wit als sneeuw, puur en nieuw, gaaf voor de hele mensheid. Als het eens waar was dat we op onze aarde nog maar één vlag zouden hebben, de witte vlag van de altijddurende vrede? Misschien dat op een keer de sneeuw neerdwarrelt op de aarde als één wit vredesdeken: dan is die witte vlag overbodig, dan ligt er de witte sneeuw als teken van het Rijk Gods: vrede, echte vrede, vrede overal. Geen doden meer door geweld, geen trauma’s meer, geen verdrietigheden meer, alleen maar vrede en goedheid... En, zouden wij, mensen, dat aankunnen dan? Alleen maar vrede overal? Altijd? Zondermeer?

Kijk, de dooi is gekomen! De straten verliezen rap hun witheid, het is alsof de hemel wil relativeren en ons doorseint dat alles tijdelijk is. Maar dat wisten we toch al? Alles is tijdgebonden, alles is éven; alles komt op, leeft en verdwijnt om het hele proces opnieuw te kunnen beginnen, zo’n proces precies als het eerdere, het is cirkelgewijs.

Je kunt beter niet afwachten, maar dóén, de vrede zélf dóén, anders komt er nooit iets van terecht, ook niet in de kleine kring die jij liefhebt. Vrede. Beladen woord in onze wereld. Maar wel een woord om vast te houden, na te jagen, onverkort. Want soms is de wereld even wit. Dat houdt de hoop levend dat je tóch in de vrede geloven mag.

Ine Verhoeven

 

 

 

December 2008

In Actueel laat ik meestal het eerst herkenbare in de tijd aan het woord. Menige tekst heb ik hier al geplaatst en weer weggehaald, omdat de oplossing de inhoud had achterhaald. Maar er zijn teksten die eeuwigheidswaarde hebben, die zich nooit laten inhalen, die soms wellicht een beetje met de wind meebuigen naar links of rechts, maar zich nooit laten inhalen. Hieronder is zo’n tekst die blijft staan en die een mens zijn leven lang met zich meedraagt, eenvoudigweg omdat de wereld onverbeterlijk is en de mensheid ook. Je kunt werken aan je ideaal, geloven in een vredevolle toekomst en God uit de hemel bidden: zolang de mensen niet hebben geleerd te luisteren en te verstaan, te lezen en te begrijpen, zal de vrede uitblijven, zal de oorlog het winnen en telkens terugkeren in allerlei vormen en uitingen. Kijk naar India’s MUMBAY in deze dagen: de helse verschrikking ten top. En kijk verder naar wat er aan oorlog was en is en blijven zal. En wie, o wie heeft om al dit verderf gevraagd, om al die moord en doodslag, om al die levens abrupt geëindigd? Mensen willen leven, samen bestaan in goedheid en begrip, in herkennen en schoonheid, in naastenliefde. En dan gebeurt het weer...

Maar jij, die dit leest, laat de moed niet zakken, menslief, weet wat de wereld kan bieden aan slechts, maar weet ook en bovenal dat er schoonheid bestaat die voor jou is weggelegd. Je moet wél zoeken en alert zijn, je moet wél de juiste mensen weten te vinden om er samen een koninkrijk van vrede van te maken: van vrede, gerechtigheid en heelheid. Ik wens wie dit leest een decembermaand toe van denken, doen en bidden.

 

WILDEN ZIJ DAAR STAAN?

 

Drie bomen bij elkaar,

hun schorre bast als huid

en schor is het geluid

van mijn vermeend herkennen.

Geen schoonheid staart mij aan,

slechts dorre, dode schubben

en hun stammen naar omhoog

grijpen vertakt in het niets.

Doen zij mij na?

 

Als handjes wuiven bladeren

bewogen door de wind.

Verkrampte bomen en afhankelijk.

Neergezet.

Wilden zij daar staan?

Hun wortels in die grond,

meedogenloos geplant, juist dáár...

 

donkerbruin – haast zwart – geschubd,

krakelig en akelig, afzichtelijk.

Opgegroeid, vergroeid.

 

Boom, wat is het dat je voelt?

Ik herken en kan hier niet van houden.

 

Ine Verhoeven in ’n Bloembak blauwe begonia’s 1994.

 

IC48

HOOG VERTREK

Mijn vertrek uit de afdeling OFS Den Bosch-1, welke intussen een kleine 30 jaar onder leiding staat van de hoogbejaarde Paul van Hoek, is een goed besluit geweest. Soms moet een mens wel eens ergens vertrekken om als het ware zijn geest en zijn gesteltenis te kunnen bewaren ten beste, om zichzelf niet te verliezen of te verloochenen. En soms heb je te lang vertoefd bij mensen die niet bij je horen, of jij niet bij die mensen. Dan mag je weggaan. Dan moet je weggaan. Ik heb te lang gewacht met mijn vertrek omdat ik altijd nog hoopte dat de evangelische liefde het zou kunnen winnen van starheid, van achterdocht, van achterklap, van oud, onopgelost zeer, van burgerlijk primitieve sferen. Maar de hand in eigen boezem steken, is een heikel euvel en lukt beslist niet iedereen; het lukte ook deze groep mensen niet, die aan enge tunnelvisie lijden en niks anders op kunnen brengen dan uitvallen, boos worden en medemensen leeghoofdig beschuldigen. Dat deden zowel de mannen als de vrouwen, bejaard en katholiek, het is niet te geloven. Laus Deo, ik hoef er niet meer heen. Gezegend mijn vertrek. Wat een bevrijding.

In Hilversum ben ik binnengehaald in de afdeling Fonte Colombo, waar ik voorheen gastlid was geweest, nog in de tijd van Charito Balder † aan wie ik graag terugdenk, wat een charismatische vrouw was zij. Charito heeft in haar ministerperiode een mooi beleid gevoerd en daarmee haar evangelische stempel op de huidige groep gedrukt. Als ik alles zo nalees en overdenk, was mijn vertrek uit de afdeling Den Bosch-1 een hoog vertrek, zoals bij Etty Hillesum op de laatste kaart, uit de transporttrein geworpen, te lezen stond: De Heere is mijn hoog vertrek. Ook ík geloof dat ik geleid ben op mijn weg. Waarom ik al die lange jaren in Den Bosch-1 ben blijven steken, weet ik niet, maar het zal wel ergens toe hebben gediend. Er gloort goddank nieuw perspectief. In Hilversum.

27 november 2008

 

IC 47

KOFFIEKENNISJES

De herfst is vandaag op zijn best met zachte regen en een grijze hemel, niet te veel wind. De bomen achter het huis zijn bijna allemaal kaal, ik zie erdoorheen alweer de molenwieken draaien van de mooie Looimolen. Het is een bijzondere sfeer, maar ook een bijzondere dag. Vanmorgen waren we in Wijchen om een paar boodschappen te doen. In de coffeecorner van de Wijchense Hema waren we neergestreken, de kwaliteit van bijna alle Hemaspul is opmerkelijk goed, dus de koffie ook. Ik ging in de fout met een warme appelbol en mijn metgezel met een broodje rosbief: echt Hema. Enfin. We zaten daar en een koppel oudere mensen kwam in het hoekje naast ons zitten, de man begon een gesprek: ‘Vroeger was het beter, toen baden we de rozenkrans, soms al onderweg naar de kerk, niet dat we zo gelovig zijn, hoor, maar toen was het goed, nu niet meer, dat zeg ik je, de wereld gaat naar de knoppen, de jeugd is nergens meer blij mee. Ik heb mijn auto weggedaan, mijn vriendin de hare ook. Wij fietsen overal naar toe, nog gezond ook. Mijn moeder ging vroeger altijd een uurtje slapen na het middageten, van 2 tot 3, dan zei ze: ‘Willem, niet komen hoor, ook niet bellen, want dat uurtje heb ik nodig.’ Ik snapte er niks van. Nu wel. Nu heb ik het ook nodig, verdorie, dan zak ik weg na het eten en dan denk ik: ik wil echt even slapen, nu. Hier in Wijchen ben ik geboren, onder de molen. Vroeger was Wijchen veel mooier nog dan nu. Al die nieuwbouw. De mooiste huizen hebben ze afgebroken, maar ze hebben er spijt van, al is het nou te laat! Mijn vriendin mag niet stofzuigen, dat doe ik. Ze heeft iets aan haar schouder. Maar in een uur heb ik het huis een heel eind schoon gezogen, hoor. En de boodschappen draag ik ook. Ik heb gewerkt bij de baron in Leur, zo’n goeie mens, hij was blind. Ik was schilder en dan schilderden we daar de muren en dan zei de baron: wat wordt alles mooi wit. En wij zeiden dan dat het waar was, al was de muur zo blauw of groen als wat. Maar Leur is mooi, kent u Leur? José komt uit Den Bosch, of nee, uit Vught. ‘ ‘Ja’, zegt de vrouw, ‘ik steek wel eens een kaarsje aan, zoals in de Sint-Jan vroeger. Meer geloof ik niet, hoor. En we fietsen samen graag.’ ‘Over 10 jaar zie je geen een fiets meer over straat, dan is alles snorfiets’, zegt Willem. Huh? doen wij. ‘Echt waar. Die oudjes op de fiets die fietsen niet, die snorren! Want dan hoeven ze niet te tráppen! Met een motortje op de fiets! Dat geloof je toch niet? Een fiets die je niet hoeft te trappen! Het valt me op dat die oudjes ook al niet meer tevreden zijn, alles willen ze hebben, mooi huis, zwembad als het kan, caravan in de tuin, grote auto voor de deur, zij een auto, hij een auto, iedereen een auto. Ik niet. Ik heb geen auto en zij heeft hem weggedaan. Ik zeg: ‘Wil je met me gaan? Dan doe je die auto eruit, want daar is geen geld voor.’ Nou, dat deed ze en nou fietsen we overal naar toe. Ja, dat doen al vier jaar, hoor, samen.’

Ik had mijn hoorapparaatje uitgeschakeld. Met een glimlach zette ik de kopjes op het dienblad en droeg het weg. We trokken onze jassen aan en zeiden de nieuwe kennisjes gedag. ‘Leuke mensen’, zei mijn gezel. Ik zweeg nadenkend het antwoord weg.

Deze vrijdag is goed geweest, tot nu toe. De brief aan de minister zal aangekomen zijn. Ik hoop het. Scheerlings koffiekennisjes ontmoeten is aardiger dan denken aan de OFS.

IC 46

 

KLEUREN

De verhuizing zit erop, is geslaagd. Het huisje is een cottage in mijn ogen, ziet uit op de grote tuin met bomen en planten en bloemen en iets verderop zie je de lichtjes van de auto’s gaan; het verkeerslicht als een stalen kerstboom te wachten staan met zijn rood, geel, groen geknipper, afwisselend naargelang. Nu zie je pas hoe somber de andere woning was, die in de schaduw lag van de hele dag, alle dagen lang, alle jaren lang. De plotselinge verhuizing lijkt achteraf op een onverwacht geschenk voor die trouwe en tevreden bewoner, voor hem die steevast content is met wat hem gebeurt. Maar nu schijnt de zon door zijn ramen naar binnen en nu mag hij elke morgen opstaan met een opgewekt gemoed, dat deed hij al, maar déze dagelijkse lichtval maakt de dingen mooier, sprankelender, maakt iemand ook blijer, hem ook, denk ik, wens ik hem toe. Ja kijk, soms ben je iets gelukkiger, het is afhankelijk ván en het is momentgewijs.

Die zustertjes worden allemaal ouder en ouder, ik ook natuurlijk, maar het viel me vanochtend op toen ik tegen twaalven langs de eetzaal kwam gelopen. Ik kreeg menige hand, vriendelijk en attent als ze zijn op het welzijn van de pater, het doet me goed. In deze sferen ervaar ik vaak de evangelische taal, de evangelische liefde in het onderlinge verkeer; dat heb je als gelovige van tijd tot tijd hard nodig: de bevestiging van het christendom in de contacten met je medegelovigen; het gaat niet om de wet, het gaat om de liefde, ik zeg het altijd weer, het is de liefde die mensen voedt tot de christenen die ze willen zijn. In zekere zin is liefhebben een vorm van humanisme toepassen, en dat is alleen maar goed; Jezus de Christus was een humanist ten voeten uit, onder de zegen van God, in de liefde van God. Want God is liefde. Die liefde behelst alles. God behelst alles. Zoals bijvoorbeeld Etty Hillesum het zegt: God, en dat omvat alles. En dan hoef ik al het andere niet meer te zeggen. Veel grote mensen, heiligen ook, hebben God aanvaard in hun leven als allesomvattende liefde, grootheid en goedheid. Het gaat om de liefde tot God en je naasten, om de liefde voor jezelf uit respect voor elkaar. Wat zouden wij ons op het verkeerde pad begeven? Niet doen. En als je mentaal eens uitglijdt, sta dan weer op, geef elkaar de hand en wees goed met elkaar, bouw elkaar op, respecteer elkaar. Weet je wat het ook is? Veel mensen zijn (vaak onbewust) jaloers. En daar komt verdriet van, alleen maar verdriet. Als we elkaar het goede gunnen, onze talenten gunnen en als we bij onszelf blijven en tevreden zijn met wie we zijn, wie we geworden zijn, dan komt het goed met deze wereld, dán wél, en anders niet. En o ja, nu het geweten tóch spreekt: laten we bidden voor Amerika. Ik ben geschrokken van de mentaliteitslijn van veel christenen daar. Laten we voor onze Amerikaanse broeders en zusters bidden om de liefde van God, dat die liefde in hun harten mag wonen; en laten we bidden dat de racisten onder hen zich inkeren, hun vooroordeel laten varen, want black is beautiful, vanbinnen en vanbuiten; en zéker níét slecht, zoals ik iemand hoorde verkondigen! Alle kleuren zijn van God afkomstig. God schiep hemel en aarde en de volledige mensheid erbij. Wie ben jij dan om de mens te oordelen op kleur, ras, rang of stand? Het is de liefde die telt, in alles en allen, met alles en allen, door alles en allen. Zonder liefde in je hart kun je niet leven in Gods heilige naam, ben je niet van God, mag je zijn kind niet heten. Maar met de liefde in je hart ben je gezegend, sta je elke dag op om te leven, om leven te géven, dóór te geven aan elkaar in schoonheid, in goedheid. Moge het zijn.

3 november 2008

 

     

 

IC 45

Soms ben je meer

Herfst in de stad, herfst op het land, herfst in de lucht, herfst in het bos, herfst in het mensenhart. Terwijl de oude zon schijnt, schuifelt ze met haar oude hondje langs het oude bospad. Ik bezie haar en het vetgemeste beestje vanaf mijn balkon. Ik heb enig medelijden met het span. Zoals ze daar samen gaan, elke dag opnieuw, keer na keer, want dat hondje moet úít, minstens viermaal daags. Houden ze van elkaar? Heffen ze elkaars eenzaamheid op? Zijn ze aan elkaar verknocht? Ik denk het wel. Waar twee zielen samengaan, raken ze op elkaar ingesteld, dat is wel het minste wat je denken mag. Ja, dat tweetal. Dat hondje is ook alweer een ouwetje, ik zag hem komen als pup, en ook het vrouwtje telt stevig aan in jaren, maar ja, wie niet? Ja kijk, soms ga je dieper in op wat je ziet vanaf je balkon, vanmorgen deed ik dat.

Toen we vanmiddag gedrieën in Beek liepen, gingen we kriskras over het kerkhof; het was een macaber tochtje, eigenlijk wel. Op dat kerkhof was ook alles oud, en de graven en de paden waren bedekt met rode bladeren: oud loof, verdord en voorbij.

In bijna alles zie ik vandaag het leven terug én het einde ervan, dat is herfst in gemoed, denk ik. Toch merk ik dat de late dagen voor de oude mens aan kracht winnen in genieten en ervaren; de levenstijd is rijk aan goedheid en moois; ik wil al dat goede en mooie intens ervaren, al wat de moeite waard is in me opnemen zolang het nog kan; ja, elke seconde telt.

Soms overvalt me intens het besef van de eindigheid, tegelijkertijd weet ik dat het helemaal zo moet zijn, dat de natuur eerlijk genoeg is. Het leven is één uitgerekt moment van komen, opleven, bestaan, aftakelen en weggaan. Als je het leven zo mag meemaken, ben je een begenadigd schepsel, heb je alle kansen van het goede leven ondergaan.

Als de winter van je leven zich aankondigt, de herfst onstuitbaar op zijn laatst voorbijglijdt, als je dan nadenkt over hoe het vroeger is geweest, de lijnen van de herinneringen sterker worden, ja dan weet je het wel, niemand hoeft het je te vertellen, je weet het gewoon: het zit er hoegenaamd op. Net als die doden op het kerkhof van Beek zul je het einde beleven. Nieuwsgierig word je er niet van, wéten is géén optie.

In een deftige gasterij in Beek proefden we schuimgebak met noten, heerlijk, de cappuccino was een beetje sterk en de thee weer lekker genoeg; de Haagse bluf op de rand van het schoteltje lag er overdadig bij, maar Sybil snoepte hem op, ik ook, we lijnen morgen opnieuw. O herfst met je contrasten, soms ben je meer dan doodgewoon mooi.

22 oktober 2008

 

 

 

IC 44

NIEUWE WONING

In de nieuwe woning van de pater wordt vandaag volop geschilderd. In zijn oude appartement gonst het van arbeidsgerucht, kleine slordigheden vanwege de inpakkerij waar je mee belast wordt bij elke verhuizing. We trokken daarom naar buiten, naar het mooie dorp Beek. We legden aan in onze favoriete etablissement, want In ’t Spijker is top. Het zonnetje scheen vriendelijk, het kwam de herfst en de passanten ten goede. Overal lag gevallen blad, ik snoof de geuren op. Een dot van een wollig wit hondje kwam aandartelen met zijn excentrieke vrouwtje aan de lijn, niet andersom; het tweetal deed me denken aan mijn kerstverhaal De Kerstvrouw.

Enkele memo’s. Neef Jan schreef een aardig mailtje terug met antwoord op mijn vraag hoe het met hen ging. Het gaat goed, heb ik begrepen. Lorita is gisteren weer medisch nagekeken en in goede staat bevonden, ze gaat steeds vooruit, heeft een prachtig diepgeel voorhoofdje gekregen en nu de rest nog aan nieuwe vederpracht en versterkte conditie, het kost tijd (en heel veel geld). Mijn protestbrief tegen de negatieve handelwijze van Cor Mennen, priester, ten overstaan van Huub Oosterhuis, is geplaatst in het Brabants Dagblad van 9 oktober 2008. Vanavond is de eucharistieviering in het kerkje van Gassel. Nu ga ik een nap houden en proberen te dromen van de nieuwe woning van de pater, het wordt vast en zeker een heerlijk huis met een zalige tuin erbij.

Conclusie. Door alle goede dingen te beschouwen, vergeet je de negatieve zaken die je vindt op je pad, zaken waarmee jij en iedereen, niemand uitgezonderd, van tijd tot tijd wordt opgezadeld. Is het leven niet goed?

11 oktober 2008

 

 

IC 43

HERFST MET CACHET

Het gebeurde gisteren dat de zon scheen alsof er licht brandde in de grote kamer van de buitenwereld, ik was in Catharinahof en keek naar buiten. Het was een licht dat alleen van de herfst kon zijn, een licht van een ongekende helderheid die zelfs de zomer niet in zich heeft, niet met zich meedraagt, hoe vreemd het ook lijkt dat de herfst het qua licht zou kunnen winnen van de zomer, ik heb het zo ervaren. Het was een momentopname, zoals trouwens elke lichtval dat is. Maar deze had iets bijzonders, iets ijls, iets krachtigs en iets tekenends, alsof er een afstandelijk blauwe kleur in bestond die naar antracietgrijs neeg en zich als een hoge, nieuwe muur wilde optrekken om zich daar in de hoftuin voorgoed te vestigen. Och, ik kan het niet verklaren, het was gewoon een hoog moment waar ik met verbazing bij bleef stilstaan, ernaar keek, het wilde behouden, tegelijkertijd wetend dat het niet vast te pakken was, zoals zoveel schoons niet aanraakbaar is, maar wel zichtbaar en op afstand enigszins voelbaar; nee, het licht van de boude kosmos laat zich niet pakken, niet vatten, niet door een mensenhand van de hemel plukken, het is ook niet in te palmen door een mensenbrein, het hemellicht is vluchtig, snel, slim en helemaal van zichzelf; al is de natuurwetenschap al wel ver gevorderd, is veel natuurkennis reeds omgezet in het praktische gebruik van de onzichtbare, verwonderlijke magie bijvoorbeeld via elektriciteit, chips en wat allemaal nog meer.

Het moment van die buitenkamer vol van heilig licht maakte van de herfst een chique oude heer, een heer met een blauwgrijze mantel, zo’n loden mantel van Steinbock, waarin de rijken zich tonen zodra de frisheid het toelaat. Maar waarom kom ik met mijn gedachten over de herfst toch altijd weer uit bij het beeld van een oude(re) heer? En waarom heb ik een zwak voor loden mantels van Steinbock en dergelijke gecultiveerde merken? En waarom heeft de herfst altijd mijn voorkeur gehad boven de andere seizoenen? Ik heb het reeds lange tijd bepeinsd maar het antwoord nog niet gevonden, ook niet al hebben vriendinnen me gewezen op de herinnering aan een vorig leven; spijtig voor hen, maar daar geloof ik echt niet in. We leven in het nu, het is vandaag en niet ooit, niet toen, het is nu. Weet je wat het is? Het is herfst, herfst met cachet, en dat doet me denken aan die oude heer die van wijsheid en statigheid getuigt, en van cachet. Ik houd van stijl en allure, niet per se om zelf uit te dragen maar om naar te kijken en ervan te genieten. Cachet maakt meer mens van een mens.

2 oktober 2008

 

IC 42

112 OP JE OUDE DAG

We zaten in de auto, mijn vader en ik. We reden in Vught, waar we gewoond hebben. In Vught was alles veranderd, straten onherkenbaar en een heleboel nieuwbouw. Ik stopte bij een winkel om snel een boodschap te doen, mijn vader bleef in de auto wachten. Toen ik terugkwam, was ik de weg kwijt en kon de auto niet meer vinden. Ik liep alle straten door en alle pleinen af, maar geen auto te zien; ik was hondsmoe geworden, mijn voeten droegen me niet meer; ten einde raad pakte ik mijn gsm en wilde de politie bellen, maar het nummer van de politie kende ik niet uit mijn hoofd, ik wilde toen 112 bellen, maar mijn gsm was leeg geraakt door alle mislukte pogingen. Er was niemand in de buurt, de straten waren leeg, ik dacht aan mijn vader in de auto en raakte in paniek. Een enkeling passeerde maar niemand kon me helpen met een gsm. Ik stak een weg over en daar was een arrogante kerel, bekakt persoon met een bekakte auto bij een bekakt huis, hij zou vast en zeker een gsm hebben en me willen helpen. No way, hij speelde een spelletje met me, stuurde me van het kastje naar de muur – afgemat was ik en mijn vader zat daar maar te wachten in die auto die onvindbaar was. Toch leende hij me tenslotte zijn gsm. Ik liep verder en belde ondertussen 112, werd doorgeschakeld omdat ik in paniek was en de politie vroeg waar ik me bevond, maar ik kende die plek niet, vroeg aan een voorbijganger hoe het daar heette, hij gaf de naam aan me door, maar door mijn doofheid ving ik enkel holle klanken op, die gaf ik dan maar aan de politie door, hij vormde van de klanken een welluidende straatnaam met een legerbegrip, iets ouds en in het Frans, en ja, daar zou ik inderdaad zijn; hij kwam me ophalen, zei hij en ik werd geruster, hoewel ik grote zorg had over mijn vader die al de hele middag en de halve avond in de auto op me zat te wachten, dat hoopte ik tenminste. Maar Vught was wél mooi geworden, zag ik terwijl ik daar stond te wachten, Vught was al mooi, maar nu nog mooier. Ik keek uit naar de agent. Die mondaine man bij dat grote huis was aan komen rijden in die grote auto en kwam naast me staan, hij was een vlegel die er plezier in had dat ik de auto kwijt was. De agent arriveerde per motor, het zou vast en zeker goed komen. Toch heb ik mijn vader niet meer gezien, omdat ik wakker werd. De droom was indrukwekkend door de machteloosheid van het moment. Het hele nare element gold hier het fysiek afgeremd zijn, maar ook het gemankeerde materiaal waardoor je niet uit kunt voeren wat direct belangrijk is en het absoluut afhankelijk zijn van de goodwill van anderen is eveneens een blokkade. Niet te verteren is het onvindbaar zijn van je dierbare(n), de onbereikbaarheid, het niet weten. In de wakkere morgenstond beurt je gemoed dan gelukkig weer op. Zo geschiedde.

29 september 2008

 

IC 41

SLEUTEL

Een mens is onverkort afhankelijk van zijn sleutel. Hij moet zijn huis ermee binnenkomen. Als de sleutel zoek is, dan ga je zoeken, maar als de sleutel aan de binnenkant van de voordeur zit, is het een direct probleem. Het is me overkomen, gisteravond, toen ik de lampen van mijn auto zag branden en veel te vlug naar beneden stoof om ze uit te zetten terwijl die ene belangrijke huissleutel vanbinnen in het slot stak. Bij terugkomst kon ik mijn huis niet meer in. Het was nog avond ook! O haastige spoed!

Het raam was niet hermetisch afgesloten, met mijn nagels trok ik het open, dom geluk. Buurman Frans werd geroepen om hulp, hij bracht een handig huishoudtrapje mee en klom naarbinnen, op en over het bureau en hup het kamertje in. Wat voel je dan een opluchting en een grote dankbaarheid als de voordeur opengaat en je weer vrijelijk binnen kunt gaan! Gered voel je je, en je bent het ook. Frans bedankt! Je bent onmisbaar, goeie buur.

Het benarde sleutelincident is allegorisch te bezien. Elke sleutel is onmisbaar, want zonder sleutel kom je niet verder, stap je niet op je fiets, rijd je niet weg met je auto, kom je je huis niet in, krijg je je geldkistje niet open en ga zo maar door. Sleutel betekent erin kunnen, verder kunnen, vrijheid. Sleutel kwijt betekent geblokkeerd zijn, afgeremd, beroofd en niet in het minste: nare machteloosheid ondergaan. Dat geldt ook in de geest. Een mens is ten zeerste geblokkeerd als hij zijn diepste binnenste, zijn woning, niet meer kan bereiken omdat de sleutel het af laat weten; die passende geestessleutel is te allen tijde van het grootste belang, die passende sleutel opent of sluit af wat in het leven mooi en goed kan zijn. Zo is het ook met mensen onderling. Als ze elkaar hun sleutel geven, de code van hun hart, hun ziel, hun woning, kunnen ze bij elkaar binnenkomen, kunnen ze erin, kunnen ze verder met elkaar; als de sleutel zoek is of de deur op slot geraakt omdat de sleutel aan de binnenkant zit, komt niemand meer binnen, is het hart geblokkeerd, is de sleutel zelfs nutteloos geworden. De sleutel van het samengaan, van het bij elkaar binnen mogen komen, moet daarom goed beheerd worden, moet beschermd worden, moet zorgvuldig worden meegedragen, verlies ervan is schadelijk, verlies van elkaars sleutel, elkaars code is pijnlijk en verdrietig: je ontmoet elkaar niet meer.

Mensen zoeken elkaar en vinden elkaar, of niet. Het gaat erom dat hun sleutels op elkaars voordeur blijven passen, op elkaars hart, op elkaars beleving, op elkaars geest, als dat niet (meer) het geval is, de sleutel kwijt is, de code zoek is, kun je de buurman te hulp roepen, zoals dichter Rainer Maria Rilke in zijn werken God benoemde, kun je hem vragen via het venster van elkaars ziel de voordeur te openen, maar je zult zélf moeten bezien of je nog bij elkaar binnen kunt treden, elkaars kamer nog wilt delen, elkaars geestverwant nog bent, elkaars sleutel nog herkent. Of niet.

11 september 2008

 

IC 40

BEN JE BOOS?

Laatst liet iemand me weten dat iemand anders boos op me was omdat ik de dingen beschrijf die ik meemaak en hij zich erin had herkend. Dat werd me kwalijk genomen. Maar dit is vaker gebeurd, ik weet intussen al te goed dat mensen boos worden als ze zich gezien weten, en ik bedoel: als hun gedrag niet geslaagd is, als ze kritiek krijgen. Nu krijg ikzelf al mijn leven lang kritiek over me heen, en meestal onterecht omdat ik gewoonweg in veel dingen niet begrepen wordt door bepaalde mensen; mijn geestelijk draagvlak ligt blijkbaar anders dan het hunne en dat mag. Het zijn geen leuke momenten als je ermee wordt geconfronteerd, maar je kunt ermee leren omgaan, je kunt er zelfs béter van worden als je de kritische noten bestudeert in plaats van boos verwerpt. Het is als in een therapeutische sessie: je krijgt een spiegel voorgehouden en het gezicht dat je daarin ziet, bevalt je niet als jouw gezicht. In feite ben je dus geschrokken van jezelf. In reactie word je boos op de spiegeldrager, boos en verontwaardigd: Jij zegt dat ik… hoe durf je?

 ‘n Logische reactie, maar vruchteloos als de bekritiseerde bij het verwijt blijft steken en er niets ten goede mee doet. Ik bedoel: je moet dus leren in de spiegel te durven kijken met waarachtige ogen én leren ermee om te gaan tot verbetering van jezelf, van je karakter, van je innerlijke gesteltenis, want daar moet je het van hebben, van je innerlijke gesteltenis. Als je innerlijk gerust is, ben je helemaal gerust en kun je onbezorgd leven met jezelf en met de ander. Ik zei in primitieve reactie op het verwijt: Zeg hem dit:

Ben je boos?

Pluk een roos.

Zet hem op je hoed.

Dan ben je morgen weer goed.

Soms weet een mens geen antwoord, omdat de tegenpartij op dat moment niet redelijk genoeg is om je verweer te incasseren. Soms moet je speels de waarheid poneren, omdat je niet altijd adequaat kunt reageren vanwege je eigen besognes, die onverkort bestaan. Ik bedoel te wachten op het juiste moment en daarbij valt dit niet te vergeten: de tijd heelt alle wonden, de tijd brengt je tot inkeer, tot rust, de tijd zal het leren. Allemaal wijsheid in een notendop, maar wél wijsheid om iemand aan te zetten tot nadenken en ommekeer.

In die geest ligt er nóg een memo, van vorig jaar. Toen werd van me geëist een excuus te sturen naar iemand in een bepaalde parochie, omdat ik in mijn dagboek kritiek had geleverd op diens liturgie. Maar er valt gewoon niets te eisen. We zijn democratisch ingesteld en leven in een vrij land, we mogen onze mening geven, als het maar op een fatsoenlijke manier gebeurt. Ik deed het dus niet. De dwingeland hield aan: ik moest en zou excuus maken. No way! Nogmaals een berichtje, compleet met e-mailadres, het excuus moest plaatsvinden, het móést écht. Ik schreef daarop de betreffende een brief en legde hem uit wat me had bewogen die kritiek te leveren in mijn dagboek, ik voegde eraan toe dat hij er iets mee moest doen ter verbetering. Het resultaat van een dergelijke brief is vaak dat mensen zich van je afwenden, dat gebeurde hier dan ook. Kijk, kritiek maakt vaak scheuring, omdat mensen er niet mee om kunnen gaan, zich snel en koppig beledigd voelen. De situatie uitpraten van man tot man is meestal de beste remedie, maar dan wordt het een ander verhaal omdat men dan geconfronteerd wordt à la minute. Zo’n gesprek wordt liever gemeden. Wat nu?

Vaak kun je beter de tijd nemen en wachten tot de verbittering is omgezet in de zoete smaak van de goede vrucht. Kijk, uit de narigheid gedurende mijn hele leven heb ik enkel nog de zoete vrucht overgehouden, al het andere is verdampt, is wég, bestaat niet meer. Ik gun het iedereen. De zoete vrucht van het lijden. De wereld zou mooi zijn zoals is bedoeld. De mens ook.

6 september 2008

 

 

IC 39

EIND AUGUSTUS

De nazomerzon lacht over de wereld voor zover ik kan waarnemen. Mijn balkon is schraal aan bloemen, de lavendel is grijs en uitgebloeid en een enkele kleine paarse bloem bloeit op als tweede bloeisel in de hoge pot ernaast, verder niks als schraalte. Maar ik zag wél twee vlinders opwaarts fladderen in vrolijke cadans; lichtgeel van kleur - of waren ze wit, roomwit misschien? Dat het alweer warm geworden is aan het einde van deze augustusmaand is niets bijzonder, Nederland heeft een grillig weerkarakter, altijd gehad. Maar die zachtmoedige sfeer van deze ochtend, die diepe goedheid van moeder natuur blijft verwonderlijk, ik ervaar iets hoogverhevens, iets bovenaards, maar dat kan niet omdat alles van de aarde is, het gebeurt hier waar ik mijn voeten neerzet en gaan mag: op zo’n moment is het leven verrukkelijk en wil ik niets anders dan altijd blijven, altijd leven en doorgaan; ik weet dat het niet kan. De sterfelijkheid van een mens, van elk schepsel, is aanvaardbaar op het moment dat je je ongelukkig voelt, maar op zulke intense momenten van je helemaal levend voelen en in gerustheid opgetogen zijn, wil je blijven, altijd bestaan. Ach, zo is de mens, en het leven is goed zoals het is. Vandaag ligt de dag voor ons open, mogen we ons gedragen weten door de lievigheid, al komt ze van de zon en niet (niet altijd) van de mensen. Als je ouder wordt, ga je tegen jezelf praten, heb ik gemerkt, en het voelt vaak nog goed ook, omdat je je antwoord zelf mag bepalen en met jezelf krijg je niet gauw strijd. Doe het maar gerust, en als je onverhoeds door buitenstaanders gehoord wordt, leg je het gewoon uit. Och, de mens ploetert voort tot in lengte van dagen en zoekt onverkort het goede antwoord op de levensvragen; hij blijft verbaasd over de slechte dingen in de wereld en in het leven, over hoe mensen zich te grabbel kunnen gooien, het kwaad aanhangen en de vernietiging, waar komt het toch vandaan? Ik denk altijd dat iedereen toch kan nadenken en het beste, het betere wil bereiken, een leefbare en vredige wereld beoogt? Maar het is nooit anders geweest. Bedrog en list en kwaadaardigheid hebben altijd bestaan, zullen ook niet wijken; maar wie de goedheid praktiseert en verder draagt, kan de wereld voor een groot deel redden, daar geloof ik heilig in. Je moet wel gelijkgestemde zielen zien te bereiken, je moet het samen doen, want de heilzaamheid van één persoon is niet collectief zaligmakend. Buiten is de sfeer nog altijd zomers, zacht en vriendelijk. Mensen, je kunt je erbij aansluiten en er je ziel mee voeden. Het valt te proberen.

30 augustus 2008

 

IC 38

BETERE TIJDEN

Ik ben momenteel de moed om per column verder te schrijven een beetje kwijt. Loretta Schrijver heeft een burn-out, ze staat op non-actief. Ik vermoed dat ik voor mezelf ook in die richting moet denken, ik ben moe, alleen maar moe en nog eens moe; er komt weinig uit mijn handen en ik slaap bijna de hele dag door; als ik wakker word, ben ik moe, en als ik ga slapen ben ik moe, maar tegelijkertijd vaak te wakker van geest; het is een rare, nare situatie, al komt het me allemaal bekend voor, ik lijd er al langer aan.

Onlangs kreeg ik aangeboden met alternatieve genezers in contact te worden gebracht voor verbetering van de toestand, maar ik zal het zeker niet doen; met die categorie genezers heb ik namelijk vreselijk slechte ervaringen, vooral in vroeger tijd toen ik kanker had. Gelukkig was ik zélf alert genoeg in die dagen en ben ik op tijd geopereerd en begeleid en gered door de reguliere medici; had ik naar die ene alternatieve medicijnman geluisterd, dan zat ik hier nu niet te schrijven, dan lag mijn rest ergens onder een steentje met mijn naam erin gebeiteld; dan was ik in die tijd doodgewoon overleden. Dit is een terugblik. Neemt niet weg dat die extreme moeheid een onaangenaam verschijnsel is, het belemmert een mens in bijna alles; het neemt de dagelijkse portie moed weg, de intentie en de blijheid. Je sleept je voort, je perst je in een patroon dat je niet aankunt omdat je hebt aangeleerd dat alles moet gebeuren volgens geijkte gedragsregels; je bent ermee grootgebracht en je weet je plichten, ook tegenover je medemens. Maar die moeheid, die intense moeheid, die was er in die tijd niet, toen was ik een springerig kind, een levendig mensje met alle vertrouwen in het leven en in wat en wie en waar dan ook. Weet je, er is heel vanzelfsprekend niemand die zich die status van altijd-moe-zijn kan indenken, inleven; gelukkig maar; en je houd liever je mond en je ploetert hoe dan ook voort, want je lééft, je moet verder en dat wíl je ook. En dat gegeven, het besef dat je leeft, maakt het de moeite waard om te blijven hopen en te blijven wachten en te blijven verlangen naar een dag vol beterschap, wat zou het heerlijk zijn, één dag vol beterschap, één hele dag niet moe. In zo’n moeheidperiode komt een mens zichzelf enorm tegen, maar ook zijn medemens. Het gaat zoals het gaat en o ja, het komt wel weer goed, ik neem voorlopig de tijd voor mezelf tot ik de dingen weer een beetje aankan. Want zo gaat het, eerlijk gezegd, altijd. Jazeker, er komen betere tijden.

24 augustus 2008

 

IC 37

DOSTOJEWSKI

- over vergeving -

Een mens denkt veel, de meeste mensen denken veel, zou ik willen zeggen. Een mens komt niet uitgedacht, ik heb er vaker over geschreven. Het is trouwens de moeite waard om over de dingen des levens na te denken, je wordt er vaak beter van, als je er tenminste uit kunt komen. Soms is het een goede zaak om de dingen te laten rusten en ze later nog eens te beschouwen, want de uitkomst is niet altijd eenvoudig. De tijd kan veel wijsheid geven en rustigheid in je geest, je gemoed. Een van de grote heilswerken van de Russische schrijver Dostojewski wat rust en vrede en instemming met je gemoed betreft, is de volgende passage die ik heel erg graag in deze columnpartij opneem, bovenal omdat het een stukje goddelijke genade is voor iedereen die ernaar zoekt:

Een schuld die groter zou zijn dan de liefde Gods, bestaat niet

(ingeleid door Frans Boddeke CSsR)

Op zijn sterfbed riep Dostojewski zijn kinderen bij zich en vroeg aan zijn vrouw het verhaal van de verloren zoon voor te lezen. Daarna zei hij: ‘Kinderen, vergeet nooit wat jullie zojuist hebben gehoord; stel een onvoorwaardelijk vertrouwen in God, en twijfel nimmer aan zijn barmhartigheid. Ik heb jullie zeer lief, maar mijn liefde is niets in vergelijking tot de oneindige liefde van God voor alle mensen die hij heeft geschapen.’ Voor Dostojewksi sprak het vanzelf dat de liefde van God een uitdaging is voor alle mensen om op hun beurt altijd weer vergiffenis te schenken aan elkaar. Zolang het berouw in je maar niet verlamd raakt zal God je alles vergeven. Er bestaat immers geen zonde, er kan op de hele wereld immers geen zonde bestaan die zo groot is, of de Here God vergeeft het de zondaar die oprecht berouw heeft. En de mens kan toch nooit ofte nimmer zo’n grote zonde begaan, dat die de eindeloze liefde van God geheel zou uitputten. Of geloof je, dat er een zonde zou bestaan, die groter zou zijn dan de liefde van God? (…) Geloof maar dat God je zo liefheeft als je jezelf niet zou kunnen indenken, dat hij je met al je zonde en in je zonde liefheeft. Weet je niet dat er staat geschreven: Over een berouwvolle zondaar zal er in de hemel meer vreugde zijn dan over tien rechtvaardigen.? Liefde neemt alles voor lief, liefde redt alles. Als jij mij, toch net zo’n zondig mens als jij, al hebt weten te ontroeren en ik medelijden met je heb, hoeveel meer zal God het dan niet met je hebben?’ Uit de Gebroeders Karamazov van Fjodor Dostojewski.

Ik denk bij dit (h)eerlijke werk van Dostojewski vaak aan mijn broers, vooral aan de oudste, die een sterke persoonlijkheid was, een rasartiest en levenskunstenaar, God hebbe zijn ziel. Maar vandaag denk ik in het bijzonder aan mijn derde broer Jan, geboren op 21 augustus 1928, overleden in 1961 op 26 mei. Hij zou bij leven dus vandaag tachtig jaar zijn geworden, en merkwaardigerwijs verlaat zo’n familiaal gegeven me niet. Ik zie hem nog voor me, onze Jan, met zijn frisse snoet, zijn olijke lach, zijn sportieve postuur; met zijn ijverige aard, zijn streken en met zijn soms dubbelzinnige grapjes die hij graag ongeremd en vrolijk verkondigde; een Verhoeven van mijn tak is meerzijdig: vrolijk en ernstig tegelijk, o jawel, we zijn ergens wat luchtigjes van aard en tegelijkertijd ongeremde diepdenkers, en alles in dezen kan nóg eens worden onderverdeeld. En dit denkbeeld roept de schrijver Dostojewski weer bij me terug in de herinnering. Ik schreef het vaker: een mens torst zijn verleden met zich mee. Zorg daarom ook dat het een mooi verleden is, een goed verleden waar je trots op kunt zijn en mee voor de dag kunt komen. Het is verstikkend voor een mens zich te zullen hullen in verstikkende geheimen, daar ben ik van overtuigd; hoe zegenvol voor velen moet daarom de tekst van Dostojewski zijn, een tekst die onsterfelijk is vanwege de bevrijdende waarheid: vergiffenis schenken zul je en goed zijn zoals God goed is. Wie vergeeft, wordt vergeven. Het is een bijbels gegeven, heel evangelisch en zelfs bijna dogmatisch katholiek.

21 augustus 2008

 

IC 36

HET VERMOEDEN

Leegte, zegt Prediker, alles is leegte, zegt Prediker. En soms kun je inderdaad voelen hoe leeg alles is, in je en om je heen, leegte bij de mensen die je tegenkomt en jou niets te zeggen hebben, leegte in gevoel en beleven, leegte ook in betekenis. Maar Prediker bedoelt iets anders met leegte, hij bedoelt ‘alles is ijdelheid, is valse hoop, alles is schijn en bedrog’. Die Prediker toch, hij gaat wel ver, maar hij dúrft en hij stemt de mensheid tot nadenken, en dat is alleen maar goed. Nadenken en inzien, het mag en móét zelfs nog altijd gebeuren bij zeer velen. Alles is leegte, is wel wat veel gezegd, denk ik, maar véél onder ons is onecht, bovendien is alles vluchtig, alles vervliegt met de tijd, met het uur, de minuut, de seconde, alles gaat voorbij, en alles is ten slotte weg, voorbij alsof het nooit is geweest, nooit heeft bestaan, zo gaat het. En dan is er het wonder van de menselijke levenslust, van willen bestaan, het leven willen bevatten, proeven, kortom: van willen léven. De schepping is ondoorgrondelijk schoon, zo schoon; je kunt in die zin Prediker vermanen en zeggen dat hij de loochenaar is van alles wat leeft en is en bestaat, van wat de wereld vult met vreugde en verdriet. Een mens moet leren ermee om te gaan, leren te aanvaarden wat ís; en hij moet leven en laten leven en geen oordeel vellen, omdat geen mens, niemand van ons, de bedoeling van alles doorschouwt.

Iemand sart me al enkele jaren via de telefoon én via de gsm, de afzender geeft ‘geen nummer’of ‘privé-nummer belt’ aan op de display; ik heb sinds maandag mijn vaste telefoon opgedoekt en het gesar gaat onverkort door per gsm; wie dat doet, moet iemand zijn die veel tijd heeft, geld genoeg en vooral: die me ernstig haat; in ieder geval is het iemand die mijn beide nummers bezit en zelf een geheim nummer heeft. Ik kreeg middels dit citerium vannacht ineens een vermoeden wie het belnest zou kúnnen zijn, derhalve heb ik de vriendenkring de revue laten passeren en bij wie kom ik uit? Bij een dame op hoge leeftijd met een grijze haarknot in de nek, met mooie kleren aan haar magere lijf, met veel katten om zich heen; met een veeleisend ego en met heel veel tijd om na te denken en ongezien uit te spoken wat ze zelf wil. We zijn al enige tijd gebrouilleerd, we zijn, vooral karakteristiek gezien, té verschillend. Toch hoop ik dat ik me vergis, het zou een harde uitkomst zijn. Maar het plaatje klopt wél, nu nog het tastbare bewijs zien te vinden. Ja, zo gaat dat en ik weet dat het niet ongevaarlijk is om dingen ‘te vermoeden’, je moet er zeer voorzichtig mee zijn; toch gaat de politiële recherche zo ook te werk; begint niet elk justitieel onderzoek met een vermoeden? Leegte en vermoeden, zou je kunnen zeggen, ze zijn allebei abstract, niet te vatten, slechts te vermoeden. Daar gaan we weer. 

20 augustus 2008

 

IC 35

WEES GEGROET

Maandagmorgen. Een oude buurman schuifelt langs mijn raam, hij omklemt zijn rollator; achter hem schuifelt een verpleger met hem mee; ze kijken niet bij me binnen, en toch weer wel, want de mogelijkheid hiertoe is groot omdat mijn rolgordijn is opgetrokken en dan: voilá.

Ze komen alweer terug met hetzelfde slakkengangetje, de oude buurman kijkt ingetogen ongelukkig, zo lees ik het op zijn gezicht, maar ik kan me vergissen, het kan ook geconcentreerdheid zijn. En hoe gelukkig is het om onder geleide de corridor van de 3de verdieping van het flatgebouw op deze tergende manier te bewandelen? Die oude buurman is trouwens een vriendelijke baas, ernstig gehandicapt, dus een kasplantje als zovelen vandaag de dag. Ik mag hem wel. Gistermorgen bezag ik de weelderige bloemenhaag tegen de muur bij zijn appartement, één roze weelde van de soort vlijtig liesje; ik groette de betreffende buurvrouw die het schoons op dat moment verzorgde en gaf haar een aardig compliment; gelukkigerwijs kreeg ik een antwoord terug; dat is niet altijd zo, nu wel, en het deed goed. (Dit ter eigen memo genoteerd.)

Na de zondagmis, gisteren, zijn we naar het Brabantse Drunen gereden om onze vrienden te bezoeken, ik torste een bloementuil van chrysanten en lichtrode bessen, en schonk hun een liefelijk boekje van mijn makershand; het waren aardige uurtjes en we lunchten gevieren in hun geriefelijke keuken onder de gemoedelijke babbel over van alles en nog wat. Het bezoek deed me goed, ik was alleen jammerlijk moe, de dag was vroeg begonnen en assisteren tijdens de mis vergt innige concentratie; ik ben nu eenmaal moe van mezelf, het euvel wordt ME genoemd. Enfin.

Ik ga koffiedrinken, één kopje per dag, is mijn gewoonte; sinds mijn galblaas is verwijderd, in 1996, verdraag ik er niet méér. En meestal drink ik latte macchiato, of cappuccino, een lekker bakje troost, zoals mijn moeder het altijd zei, koffieleut als ze was, maar de luxe koffiesoorten van heden kende ze niet, ze zette haar eigen koffie, strong en met echte room gedecoreerd; haar voedsel en drank waren onverkort van hoge kwaliteit, en haar koffie was de beste; het is nog echt waar ook.

In de preek van gisteren haalde de predikant met zijn gouden stem een schitterend mariaal stukje aan, ik schrijf het hieronder over, uit piëteit en blijdschap: ‘Afgelopen vrijdag hebben we Maria Tenhemelopneming gevierd. Misschien mogen we Maria vergelijken met de vrouw die vandaag opkomt voor haar dochter. De vrouw vraagt Jezus om haar dochter te genezen: ‘Heer, help me.’ En Jezus geneest de dochter omwille van het geloof van de moeder.

Velen ervaren nog altijd Maria als de begenadigde vrouw, die er wil zijn voor allen, die bij Jezus voor allen ten beste spreekt. De talloze lichtjes en bloemen, hier en in de kathedraal, laten zien hoe mensen zich geborgen en gesterkt voelen door Maria. Ik wil daarom afsluiten met een gebed tot Maria, gebeden door Alfonsus de Liguori, stichter van de redemptoristen. Het gebed luidt: ‘Maria, Dolce amor mio, Maria, mijn zoete lief. Blij en tevreden ben ik als ik aan jou denk, verrukt zelfs. Je geeft me rust, je stilt mijn angst, je maakt dat ik me veilig voel. Je herinnert me niet aan Gods gerechtigheid, maar alleen aan Gods barmhartigheid.’ (p. Frans Boddeke CSsR)

18 augustus 2008

 

 

IC 34

KORTE MEMO’S

De vlinder is weer terug, de vlinder met de ogen. Hij is een paar jaar bij de kinderen geweest, maar ze hebben hem geen plaatsje aan de muur kunnen geven. Nu is hij terug en ik vind hem merkwaardig genoeg mooier dan voorheen, en de grote ogen in zijn vleugels deren me niet meer, dat grimmige effect is over. Het kan verkeren in een mensenziel, ook wat een indringend getekende vlinder betreft.

Het is een zaligheid op mijn balkon, al is het gipskruid uitgebloeid, de bak is leeg en wacht op een nieuwe voorraad bloemen, wat zal ik kiezen? De zon schijnt, de sfeer van de nazomer is heel eenvoudig maar daardoor des te fijner; het is nu intens genieten op een morgen als deze. Rust en nog een rust, ik heb het zo nodig. De dagen en weken zelfs zijn tamelijk turbulent geweest, er is veel gereisd en gelogeerd, en er waren enkele mooie, hoogstaande ontmoetingen. Het doet je vrouwenhart goed, je moederhart nog meer, want de kinderen kunnen onderling goed met elkaar opschieten, precies zoals het hoort, denk ik.

Daar rinkelde zojuist weer de telefoon en wéér geen antwoord, onbekend nummer, nee, géén nummer. Zo gaat het al een heel lange tijd, soms zelfs gelijktijdig op mijn gsm met een doorverbinding via het privé-nummer. Een griezelige ontwikkeling, dit soort grappen met de techniek. Je peinst je suf wat het kan zijn, wíé het kan zijn die dat doet, onvermoeibaar, en waarom? Ik heb mijn abonnement opgezegd.

Lorita herstelt gestaag, de medicatie helpt zienderogen, al weet ik wel dat ze een oudje is, an old ladybird. Maar die confrontatie met jong en oud hebben we allemaal: zijn we niet allemaal onderhand the old ladies? Och, ook dat overkomt je en je gaat er vanzelf in mee, omdat het van de natuur is gegeven; je hebt geen andere keus dan te aanvaarden. En toch is het mooi en goed, wie heeft het ooit verzonnen? Alles wat leeft, is gezaaid, gevormd, uitgekomen en opgegroeid en alles wat leeft, zal sterven. Omdat alles wat leeft, plaats maakt voor de volgende generaties; zo genieten er altijd weer wezens van de aarde, maken ze kennis met de wereld, mogen er steeds nieuwe levens zijn die op hun beurt het leven doorgeven. Een meer dan geniale schepper is hij die dat allemaal heeft bedacht en gemaakt. Geen mensenbrein komt eruit, niemand snapt het, gewoon omdat het allemaal te perfect is. Leven. Het grootste wonder dat bestaat. Meer wonderen hoeft een mens niet te verlangen, kijk om je heen en wat zie je? Een en al wonder, leven overal, het kan niet op.

En dan weet ik weer dat het vandaag Maria Tenhemelopneming is. Of is het Maria’s hemelvaart? Is dat niet hetzelfde? Enfin, ik schreef er ooit een tekstje op, het staat te lezen in Van mensen in gebed - Bidden en Geloven op bladzijde 35.

15 augustus 2008

 

IC 33

GOED VOOR JE ZIEL

Ik kan het niet genoeg benadrukken: een goed en gerust leven is pas mogelijk als je de verzoening ten volle praktiseert. Verzoening geeft mensen vrijheid, ruimte, rustigheid en zelfs geborgenheid. We hadden gisteren een gouden bruiloft, ergens in het Groene Hart. Het bruidspaar ligt me na aan het hart, dat mag gezegd zijn, maar we hebben elkaar in de loop der tijd vaak niet begrepen, niet kunnen verstaan, en dat gaf aan beide zijden misnoegen, wat in feite niet nodig is geweest. Maar ja, in de hitte van de strijd wil ieder zijn gelijk halen, zo zijn mensen nu eenmaal; en het is begrijpelijk genoeg, want elkaar daadwerkelijk kunnen begrijpen, heeft vaak veel tijd nodig. Ik voelde me in die periode van al dat gesteggel alleen maar ongelukkig, onderging langdurige momenten van onrust, hartzeer, zelfs van slapeloosheid en er kwamen wederzijds ongegronde, vooral voorbarige verwijten uit voort. Leef daar dan maar eens rustig mee. Dat gaat niet. En daarom ook predik en verdedig ik onverkort de verzoening tussen mensen, want nu de lucht onderling is opgeklaard, is het leven weer helemaal goed. Geen mens kan immers in ongenoegen leven, met niemand, het verzwakt hem, maakt hem ziek en zelfs achterdochtig: wie kan hij nog vertrouwen? Je mag samen kunnen lachen en je mag elkaar respecteren in wie je allebei bent; respect en vrede, daar gaat het om in het menselijke verkeer, jij bent jij, ik ben ik, leven en laten leven; en gúnnen, elkaar van binnenuit het goede gunnen, het is een wezenlijk item dat ik altijd zal verdedigen.

De gouden bruiloft was in alle eenvoud sfeervol en bovenal liefdevol, het deed mijn ziel bijzonder goed. Mensen in onderlinge harmonie, dat was gisteren in hoge mate te beleven, dat was de genade van deze mooie dag. Een reden te meer om de hemel extra te danken voor het slapen gaan en alle mensen die het betreft in Gods zegen als het ware onder te dompelen; o jawel, Gods zegen op íéders leven mag altijd bebeden zijn. Het is goed om te doen, hoe je het ook bekijkt. Welterusten.

13 augustus 2008

 

IC 32

OF NIET?

Je bent bij elkaar op bezoek, je hebt er lang naar uitgezien. Maar je bent nog geen vijf minuten gearriveerd of er wordt krachtpatserstaal gebruikt inzake de mogelijkheid tot doodstraf voor moordenaars en oorlogsmisdadigers. Stel je je eens voor: het is een mooie nazomerse dag en nadat je langdurig geconcentreerd met je auto over de drukke wegen hebt gereden, ontmoet je elkaar volgens gemeenzame afspraak. Maar dan beginnen een paar mensen plotseling ongezouten hun visie op buitenlandse politieke aangelegenheden te poneren, ze weten exact wat niet deugt en ook hoe het recht precies zou moeten zijn. Het wordt welles nietes. Vóór de doodstraf. Tégen de doodstraf. Onaangename sfeer.

Daar zit je dan in je tuinstoel onder de grote parasol - de zon schijnt heet - en je hebt het gekrakeel zwijgend te aanhoren en je antwoord soepeltjes te vormen, want je mening wordt gevraagd, ook dat nog. ‘Als de christenen die we zijn, zullen we zeven maal zeventig keer vergeven, dat betekent altijd,’ zeg je en voelt de weerstand. ‘Doodstraf is geen optie, doodstraf is feitelijk ook geen straf maar een opruiming. Een straf is iets dat je je leven lang voelt, dat je altijd met je meedraagt, dat is echte straf, erger dan de doodstraf, denk ik.’ Rap wordt als voorbeeld het doodgeschoten Roemeense dictatorechtpaar Caucescue opgevoerd. ‘Ook dat was niet goed,' zeg je, ‘die twee zijn voor de ogen van de hele wereld doodgeschoten. Het was mijns inziens een foute straf.’

‘Dan weet je niet wat daar allemaal aan slechts is gebeurd, wat die dictator allemaal heeft gedáán, want dan zou je zo niet praten,’ zegt iemand in bitter verwijt.

Je zwijgt, want je weet dat elk antwoord dat ánders is dan gehoord wil zijn, zal worden verworpen en je beseft: wie van zulke denkers begrijpt dat je uiteindelijk zelfs het slechtste onder ons mensen zult moeten weerstaan met vergeving, met echte vergiffenis, hoe moeilijk het ook is? ‘Afschieten,’ schettert een ander, ‘niks geen genade, dóódmaken die moordenaars!’ ‘Ik vind dit geen goed onderwerp op deze mooie dag, zeg je voorzichtig, ‘hier heb ik echt geen zin in. Hier ben ik niet voor gekomen.’ Ineens ziet iedereen de prachtige bloemen in de magnifieke tuin: ‘Kijk eens, die mooie dahlia’s en die rózen, wat staan ze nog mooi!’ Maar het akelige thema suddert na, je voelt het wel.

Deze goede mensen doen verder niets behalve blaffen als bange honden, ze gaan slechts geestelijk op de vuist en het komt door hun angstige woede die de liefde in hun harten blind maakt, niet na laat denken en hun ziel verlamt. Ze zijn bang en machteloos, meer niet. Kijk aan, je zit samen in een lieve tuin naast een hoog opschietend maïsveld, je bent samen verbaasd over de schoonheid van de plek waar je bent, zo’n oord waar menigeen van droomt, waar je mild van wordt, blij en tevreden, dan roep je toch geen agressieve beelden en bange woede op? Dan maak je een gesprek van liefde en mooiheid. Of niet?

10 augustus 2008

 

IC31

STILLE BLIJDSCHAP

Wie herkent mijn stille blijdschap nu mijn kind vanmiddag arriveert per airoplane? Het is gepland. Dat de vlucht goed mag zijn, bid ik. Dat hun dagen in Nederland gelukkig mogen zijn, bid ik. Jonge mensen hebben hun ontspanning zo hard nodig, ze werken hard en hebben veel verantwoordelijkheden, daarom ook mogen ze gelukkig zijn, vooral in hun schaarse vrije tijd.

Patricia & Wivvi juli 2008

Gisteren waren Boudewijn en ik autogewijs op pad gegaan. De dag kwam me een beetje onzeker voor en het vooruitzicht naar de avond leek slepend te worden, daarom ook. We reden verwachtingvol naar Linden en waren verheugd, verbaasd, onder de indruk ook, maar ik rilde wél van de lugubere uitstraling van dit oord met zijn zandwinning uit de Maas, de baggerschepen en allerlei verbodentoegangspoorten rondom; ooit had ik plechtig uitgesproken dat ik nooit meer richting Linden zou gaan, maar door de schone tip van Regina heb ik die uitspraak bij uitzondering genegeerd; die schone tip was het kerkje van Linden, dat moesten we eens gaan zien, zei ze laatst. En gisteren deden we dat. Het was bijzonder. Waar Linden enerzijds horror lijkt, biedt het anderzijds veel liefelijks, veel schoonheid en ook nog Brabantse gezelligheid, want ook het aquarecreatieoord in die contreien is representatief met zijn boten, cafeetjes en zwemstrandjes. Maar het kerkje van Regina deed de deur dicht, of beter: open. Je kon er onbekommerd in en vanaf het koor mocht je het interieur bezichtigen, heel uniek, en ik weet dat ik het niet meer zal vergeten omdat het de moeite waard is. Er was ook nog een oorlogsmonumentje en het kerkhofje maakte me stil in zijn kleinheid, daardoor was het weer heel mooi en ontroerend.

We hadden Linden intussen gezien en reden door naar Katwijk waar we de Lourdesgrot opzochten, en weer waren we verrast over de plaats die we hadden gevonden - alleen het biddende Bernadetje bij de grot vond ik minder. Uh. Voor wie ervan houdt, die vindt hier een aardige nabootsing van het Franse pelgrimsoord Lourdes, maar ikzelf voelde ook hier weer die aversie zoals bij onze aarzelende inkom in Linden. Ik zal er eens diep over nadenken, wat betekent het, want het komt ergens vandaan. We dineerden gemoedelijk in Hotel Cuijk en bestelden, zoals vanouds, het ‘Spaans halfuurtje’. En de hele dag is voor ons gezegend geweest.

Intussen is hier de zon doorgebroken, het wordt een warme dag, het is gezegd. Vandaag komt ze dus, mijn dochter, en ik zal goed voor haar zijn, maar dat weet ze wel. Wij, moeders, doen vanuit ons hart en we zijn in stilte blij.

6 augustus 2008.

 

LIEF BEZOEK

Het is een mooie ochtend, in de vroegte dreigden de regen en de wind, maar alles is opgeklaard, o zegen van de zomer. Gelukkig is het broeierig warme weer van de laatste tijd voorbij, wat is het drukkend geweest. We hebben desondanks veel gedaan, veel gezien en veel gewinkeld, vooral in de stad waar we weer een leuk grand café hebben ontdekt. Het is vakantie, ook voor de oudjes van deze dagen. Je kunt op jouw leeftijd natuurlijk in je gedroom naar een verrukkelijk zwembad verlangen, maar toch, dat zomers gespetter is vooral een recreatieve aangelegenheid voor onze jongeren. Ja, ik zou graag naar de zee willen gaan, liggen op het strand zoals vroeger, maar de rit ernaartoe is te lang en te druk met al dat verkeer, en eerlijk gezegd, zoals vroeger is het voor ons allang niet meer, vroeger is voorbij, we zitten in een heel andere tijdspanne, doen andere dingen, hebben andere behoeftes, andere visies op wat er gebeurt om ons heen. En wat ik ervan zeg is dit: het is goed zoals het is, heel goed. Er komen immers zoveel mooie dingen op je pad, ondanks alles.

Voor vandaag had ik uitgezien naar de komst van Sybil, maar toen vanochtend de regen en de wind dreigden, heb ik haar erover opgebeld en ja, ze besloot het bezoek uit te stellen, ook goed. Het beloofde anders een mooie vrijdag te geworden, met veel ruimte en veel mooie plannen. Maar zo zie je dat je beter de dingen tevoren niet plant: één kleine ongeregeldheid en het feest gaat niet door.

Toch vraag ik me af of het niet merkwaardig is om je bezoek niet door te laten gaan omdat het onderweg naar je bestemming misschien regent, of dondert, of waait; maar zo’n afstel gebeurde vorige week ook al, toen was het in de ochtend in de Vinkeveense contreien tamelijk slecht weer, hier niet en later was die bewuste dag stralend mooi.

Wat een gezeur, eigenlijk. En was het de ware reden van de annulering?

Ongeveer half 11. Ring, ging de telefoon. Het was S. Kom je toch? vroeg ik. Nee, dat niet. Het regende hier net, zei ze. O, was dat het? vroeg ik. Eigenlijk wel, en er ligt een stok uit Denemarken op Lorita te wachten, als verrassing. Kom ik maandag of dinsdag? vroeg ze. Nee, zei ik. Want wat ik weet, is dat de volgende week allang is volgeboekt. Er gaan lieve mensen op bezoek komen, en we hebben ook nog familiedag. Ik geloof niet dat die niet doorgaat als het regent of een beetje waait; het mag zelfs onweren, we willen elkaar gewoon ontmoeten, we zien naar elkaar uit, nemen bloemen mee om blij van te zijn en ook nog lieve woorden. Lief bezoek doet mensen goed. Mij ook.

Dagwensje

De dag is begonnen

De nacht is voorbij

Wie wil met me praten

En wie maak ík blij?

 

Wie komt op de koffie

Wie komt op de thee

Wie doet er vandaag

Aan mijn leventje mee?

 

De bomen staan roerloos

De wind is verstild

Het leven is zoet

En het leven is zilt

 

Als tranen van vreugde

Geween van verdriet

Kom, koester elkander

Vergeet elkaar niet.

Ine Verhoeven

Column 1 augustus 2008

 

IC29

PROBEER HET MAAR

Soms is het leven één groot feest, soms is het één groot tranendal. Maar wat ik heb gemerkt in de lange loop der tijd en wat ik in de conclusie volkomen erken, is dat de verzoening in een mensenleven een volwaardig sacrament is dat alles in het leven dragelijker maakt. Nee, ik bedoel niet dat een mens moet gaan biechten, dat is te gemakkelijk en te cliché, daar red je niemand mee, ook jezelf niet. Nee, een mens moet zich te allen tijde actief zien te verzoenen bijvoorbeeld met de ander als er onderling iets mis is gegaan; en hij moet zich, hoe dan ook, te allen tijde actief zien te verzoenen met zijn lot, met de conclusie van zijn daden, met wat hem overkomt, want iets anders heeft hij niet om ten beste te behoeden behalve zijn eigen lot.

Je moet er zuinig mee zijn, met je lot. Je zult het ervaren, het overkomt je en je hebt geen andere keus dan de acceptatie, maar ook: je zult er ongeacht iets goeds, iets vruchtbaars mee doen, je zult uit het lot dat jóú overkomt tenslotte het allerbeste peuren, deels in de betekenis, deels in de uitkomst ervan, en ik bedoel: je zult zaaien en oogsten vanuit jouw lotsbestemming, jouw aandeel ín het leven, áán het leven en dóór het leven. Menslief, wat maak je ervan?

In mijn boek Van mensen onderweg – met Geloof, Hoop en Vrede, 2003 vond ik vanochtend een los papiertje met deze tekst van Huub Oosterhuis erop geschreven: ‘Gij die uw maaksel kent / zie uw ontelbare mensen / stof van de aarde zijn wij / onze boetseerder zijt Gij / Abraham weet niet van ons / Israël kent ons niet / Maar Gij, onze bevrijder, onze vader.’

Het is vandaag mijn morgengebed in het lot zoals het me heden zal toevallen. Ik ben een gelukkig mens, gezegend en tevreden, maar tegelijk ook diepbedroefd om de teloorgang van zoveel moois en goeds in mijn eigen leven en in dat van anderen dat niet haalbaar is gebleken, van zoveel leed ook onder de mensen dat niet hoeft te zijn.

Het gaat altijd om de liefde voor medemensen en om het vertrouwen in elkaar. Het gaat altijd om de zorg voor de ander, ook voor de vreemdeling, en om de erkenning van elkaar. Waarom zou je het leven voor elkaar beschamen? Beter is je te verzoenen met jezelf en met de ander, je lot te aanvaarden en het beste te maken van de wereld om je heen, voor iedereen, alle dagen van je leven, ondanks je uiteindelijke lot. Wees goed, altijd. Probeer het maar.

25 juli 2008

 

IC28

DE OUDE VOGEL

Ze is een kostbaar kleinood, mijn oude vogel. Ook al is ze op strenge medicatie en strikte zorg aangewezen, al kost ze beschamend veel geld en aardig wat moeite, ze is het zeer waard. Ze is gehecht aan je, ze kent je, en ze maakt ons, mensen, blij en optimistisch met haar gedrag van zang en schril gefluit soms, met haar primitieve woordjes, haar geschooi om lekkers en haar vooruitgestoken vederkopje omdat ze graag een kroel wil hebben, en, niet gering, met haar vertrouwen. Het is een liefdesvorm van het ongecompliceerde soort, deze communicatie tussen mens en vogelijn.

Amazone Lorita is méér dan zomaar een huisdier, ze is een gesprekspartner, ze is een voorbeeldje van onverstoord leven, van alles over je heen laten komen precies zoals het komt en als het móét, niet eerder, pas dan verweer je je, red je je hachje koste wat kost. Ze is mijn kleine groene vredesduif. Een papegaai als zij is eerlijk, speelt geen spel met je, is direct in haar reactie, je weet wat je aan haar hebt. Ik begrijp heus wel dat dat gedrag gewoonweg in een dier zit, dat het een natuurlijke houding is. Maar je ziet het met haar van dichtbij, het gebeurt onder je ogen, en dat is mooi en leerzaam, denk ik.

Lorita, de oude vogel die bij ons kwam in 1975.

We weten niet hoe oud ze is, maar gedacht wordt aan rond de 50.

Het is een korte beschrijving geworden, deze column, van mijn oude vogel, al heb ik méér schrijverskost te verteren momenteel, ik koos vandaag voor Lorita. Gewoon, omdat ze erbij hoort. Gewoon omdat we vriendjes zijn. Zo zou je vriendschappen mogen ondervinden met de mensen in je tijd, eerlijk en direct en anders niet.

18 juli 2008

 

IC 27

JE KUNT EROM HUILEN

Mijn leven kent heus veel bewogenheid, veel turbulentie en, niet het geringste, veel onrecht dat me in de loop der tijd is aangedaan; wat mijn aandeel in die zin vice versa is, weet ik niet, maar het was altijd mijn bedoeling goed te zijn voor álle mensen, ongeacht. Ik denk er wel eens over na hoe dat zou kunnen komen: goed willen zijn voor álle mensen, en dat is voor iedereen. Mijn moeder zei altijd: Naar wie je genoemd bent, daar lijk je op, dat karakter krijg je mee. Het is zo’n oude wijsheid die af en toe nog uitkomt ook. In mijn geval klopt het wel, ik heet Clasina, dat is van Nicolaas afkomstig, is eraan gerelateerd. Nicolaas is goedmoedig en gul, rechtvaardig en de beschermpatroon van de kinderen; in dat licht gezien, probeer ik die deugden na te leven, ik hoef er geen moeite voor te doen, het zit in me, hoewel ik geen dutsel ben, geen doetje, ik laat anderzijds de kaas niet van mijn brood eten, hoewel… soms toch een beetje. Enfin. Het is door mijn grootmoeder van vaders kant dat ik die naam gekregen heb, zij heette Clasina. In die oude tijd werden veel kinderen nog vernoemd naar familieleden, er was een code voor.

Waarom schrijf ik dit neer? Wat doet deze mededeling in een column? Het zit zo. Ik had in deze dagen nagedacht over een incident waar ik niets van begrijp, nog steeds niet. Ik ontving een e-mail in reactie op de aankondiging dat de lezers via mijn website het boek Zalig de Niemanden konden lezen, het vrijelijk mochten downloaden. Ik maakte de e-mail vrolijk open, verwachtte een mooi bericht want het kwam van een oude vriendin uit de jaren ’80, een roomse geloofsvriendin die ik onverkort en respectvol op handen droeg: de e-mail was van Barbara.

Barbara was toentertijd naar het zuiden getrokken toen het haar te heet was geworden onder de roomse voeten, ze wilde rust en bezinning, bevrijding ook, en ze trok ver weg van de roomse kring waarin ze destijds verstikt zat te wezen. We hadden elkaar in geen twintig jaar meer gezien. Verwachtingvol als ik op dat moment was, veranderde de dag plotsklaps, was in één keer de ochtend die zo mooi was begonnen, vervlogen. Zij schreef: Ine, haal mij liever uit je bestand. Ik herinner mij je het liefst zoals ik je van vroeger ken. Met een groet, Barbara. Ik schrok en reageerde als door een wesp gestoken: Ik jou ook, ik vind dit een opmerking die je als medechristen niet had mogen maken, en ik voegde er de vraag aan toe of ze wel mooi oud werd op deze manier en wenste haar sterkte met de vorming van haar ziel. Ja, ik was uitgeschoten, intens geschokt door het onverwachte, door het dwaze onrecht dat ik niet verdiende, zo voelde het aan; het was een vlijmscherpe uithaal van Barbara, ik voelde de pijnscheut tot diep vanbinnen, en ik reageerde vlijmscherp terug. Barbara schreef daarop: Je bent er niet op vooruitgegaan, je opmerking was dom en gemeen. Ik schreef: Wat heb JIJ? Dat gemene zit in de jouwe, wat een heks zeg. DAG. Barbara weer: Ik snap wel dat je het er moeilijk mee hebt maar de sereniteit die je wilt uitstralen, blijkt niet uit je schelden, Barbara. Toen bleef ik even stil, want ik had niet gescholden, ik had geopperd: Wat een heks, zeg. Maar dat was geen schelden, het was werkelijk bedoeld. Barbara voelde bij mij op dat moment aan als een lelijke feeks die wraak op me wilde nemen. Maar waarom? Barbara weer: Je bent zeer veranderd, dat is je goed recht. Maar ik hoef met die verandering niet mee te gaan. Dat is mijn goed recht. Ik maak je duidelijk dat ik niet meega in deze richting en van contact afzie. Dat is, weer, mijn goed recht. Ine wordt vervolgens nogal vals. Dat is niet haar goed recht. Maar je laat je wel kennen. Dag Ine, Barbara.

Ik schreef daarop: Je hebt me pijn gedaan en me in mijn diepste binnenste geraakt. Je hebt een of ander oordeel over mij dat ongegrond is, niet onderbouwd, maar dat je onbarmhartig tentoonspreidt in een meedogenloze afwijzing en waardoor jíj je laat kennen. Je weet NIETS van mij, we hebben geen contact gehad sinds JAREN en JAREN. Je weet mijn verandering niet, behalve dat ik boeken en bundels ben gaan schrijven en de uiterst rechtse roomse geloofskring heb verlaten, ik zit in het midden, het lijkt me gezonder. Pas toch op, Barbara, dat je niet tenondergaat aan verstikking door wetten en regels in liefdeloosheid. Gods zegen wens ik voor jou, ik op mijn beurt hoop op vergeving als ik met mijn woorden in dezen fout was met jou, maar dat zie ik niet, wél dat jij me ten diepste hebt gekwetst en dat vroeg om een reactie. … Dag. Ik hoef je nooit meer te zien, te horen of te lezen. Ine. Toen schreef Barbara weer: Einde verhaal, Ine, Barbara.

Ik heb er toch een goed einde van willen maken en schreef enkele uren later: Laten we elkaar als de mens die we zijn, blijven respecteren al is de vriendschappelijke band ten einde, Barbara. In Christo, Ine.

Het was een turbulent uur, een heel groot turbulent uur. De pijn aan het incident moest worden verwerkt en dat neemt tijd in beslag. Ik ga nu even terug naar de opening van deze column waarin ik vertel dat ik in mijn leven veel aan onaangenaams gewend ben, maar dat ik desondanks nog altijd het goede wil naleven, wil aanreiken, wil doen. Ik ben geen heilige, zal het ook nooit zijn. Ik doe wél mijn best om mens te zijn, een goed medemens te zijn, om iemand te zijn die iets betekent voor de gemoedsrust van de ander, van de naaste, dichtbij of veraf. Op die manier begrijp ik niet hoe een geloofszuster iemand rücksichtslos kan en durft te verwerpen, hoe ze zomaar iemand kan wegdoen zonder een gegronde reden op te geven.

Kijk, dat moet ik dan even doorléven wanneer het me overkomt. En dan reageer ik zoals ik reageerde, want mijn zielenpijn komt naar buiten. Ik denk dat dat mág, dat dat normaal is, zélfs dat het móét gebeuren, want je hebt recht op gezonde ontlading. Intussen is mijn gemoed weer gerust, kan ik weer schrijven en zelfs weer dichten. Maar dit: ik gun niemand de vernedering en dit ook: het is de evangelische bron die je moet koesteren, de liefde die je moet nastreven, altijd en overal, hoe moeilijk het soms ook is. Barbara zal heus wel nadenken, al ben ik bang dat ze in de ultra roomse sferen leeft en dan wordt het een hachelijke zaak om de liefde te blijven hanteren, de liefde die de vrede met zich meebrengt. Daar staan zulke strakke en wettische gelovigen nog heel ver vanaf. Je kunt erom huilen. Ik wel.

12 juli 2008

 

 

IC 26

Het was zoals ik heb gezien

 

Prachtig. prachtig, zei hij, over twintig jaar

word ik tachtig, zei hij, en we schreden

lachend voort door de lanen van ons leven,

waren blij, soms diepbedroefd, zoals het hoort.

 

We gingen door het land van stilte en veel leven,

we woonden in geen huis en zwommen in de vaart

tussen de struiken van de eeuwen, we sliepen

in de stad en bleven wakker als het moest.

 

We streden met de vijand, maar niet zomaar,

slechts in geest, we hadden vrede lief, geen haat

noch vijandschap, we wilden goed zijn voor

elkaar en voor de ander die ons niet begreep.

 

We schreven woorden op en zinnen die ons boeiden,

om te delen, aan te duiden wat ons bezighield;

 de wereld was geen paradijs en toch weer wel,

je kon er niets aan doen en toch weer wel.

 

We deelden onze God op, eerlijk waar, en maakten

liefde met een inktpen op papier om vast te leggen

wie God wás, en wisten niet maar voelden wel, zonder

te zien, terwijl God in ons hart bestond, en nog.

 

Hij was al zestig toen hij kwam, een tere toekomst

lonkte zacht maar onverbiddelijk verbonden aan de tijd,

die onbarmhartig is, zonder te dralen onze harten brak

en ons wezen; toch was het mooi en goed, en nog.

 

Ik heb leren kennen wie mijn hart stal op een keer,

toen ik niet keek en het gebeurde; ik kon er niets

aan doen, ik zag een ziel die met mij samensmolt

toen het gebeurde; en het was zoals ik heb gezien.

 

God moet gekeken hebben en gedacht: zo is het

goed; hij gaf ons tijd van leven, zegende ons

met wat er is gebeurd; we trokken lering uit

de dingen en weten het nu zeker: God is goed.

 

Prachtig, prachtig, zegt hij, bijna word ik tachtig,

zegt hij; de levenstrein raast haastig voort, te

haastig soms, en wij gaan, traag nog maar, door de

lanen van ons leven, wél geanimeerd en heel gerust.

 

In dankbaarheid,

Ine Verhoeven

Nijmegen 12 juli 2008.

 

 

IC 25

                                         KORT ZWEEDS

We hadden de smaak te pakken en reden naar Weeze. Vanaf het vliegveld Düsseldorf-Weeze vertrokken we naar vliegveld Skavsta nabij Nyköping. Het vliegtuig was zo goed als vol. De vlucht verliep rustig op een indringende gil na van een jonge vrouw die bang was toen we kort in een valwind geraakten; zo’n angstgil laat sporen na van onrust, heb ik gemerkt, het was jammer. Met de bus vanaf Skavsta reden we in rustige vaart naar Stockholms centrum; Patricia wachtte ons daar op. Het landschap waar we doorheen reisden, was op en top Zweeds: stabiel en rustiek, zo noem ik het, en misschien droeg het een zekere saaiheid in zich, maar mooi was het wél. Ook de rit vanuit Stockholm was verrassend en landelijk, in die zin dat Zweden niet expliciet landelijk te noemen is, het is bezaaid met rotsen en bossen, afgewisseld met heuvels en weilanden, die ook weer geen weilanden zijn. In de landstreek waar Patricia woont, zie je veel paarden, veel stoeterijen, veel draafvlaktes met omheiningen, zal ik maar zeggen, het geeft je een uitverkoren gevoel daar te zijn en alles te ondergaan zoals het op je overkomt.

We arriveerden in een verrassend Zweeds plaatsje, waar we een indrukwekkend Mormonenheiligdom aantroffen dat als enige in Zweden is gevestigd, een enorme tempel, ongekend en in zijn geheel met zorg onderhouden, het was te zien. Toen kwamen we bij een verrassend Zweeds huis met een ingetogen Zweedse tuin rondom, waarin onder de veranda een heerlijk zwembad was aangebracht dat er in Pipi-Langkoussfeer onlangs was geplaatst, ik bedoel: alles oogde pretentieloos, praktisch en doeltreffend. Ik genoot, het huis was liefelijk, er stond een jasmijnstruik te bloeien in volle witheid, er waren pruimenbomen en allerlei romantische braam en bessenstruiken die pas in de nazomer vrucht dragen, de seringen die als een grote haag om de tuin waren geschaard, waren uitgebloeid, maar het was niet moeilijk de sferen voor de geest te halen als deze paarse prachten alle in bloei stonden, wat een genot. De honden sprongen blij verrukt door de tuin en tegen je op, ik was verbaasd dat Lukas zo vrolijk was geworden, zo heb ik hem nog niet gekend. Chita -Sita- is een dot van een teef, ik zag haar voor het eerst, en die tere blik in haar bruine vrouwtjesogen deed me denken aan Bonnie, onze zwarte schat van destijds, zo keek zij ook. We zagen het exterieur en het interieur en waren verbijsterd hoe knap alles was ingericht, vooral de studio en de opnamekamer; de twee lady’s hadden alles eigenhandig aangebracht en opgeknapt, ze zijn deskundigen en architectonisch onderlegd; maar ik ken Patricia tamelijk goed en weet dat ze vele talenten in zich heeft die ze ook metterdaad benut en praktiseert; ik ben blij met haar, en eerlijk gezegd ben ik ook trots op haar, maar niet in de pronkzin, het zit diep vanbinnen.

De sfeer in huis was heel goed, ik voelde me thuis. Het hele weekend was één groot feest, we bezochten Patricia’s vader en zijn vrouw, we hadden heerlijke uren op de veranda van hun landhuis, de tuin had rotsen en water, veel lampen en wandelpaadjes, veel gras en tegen een grijze rotsblok had Caterina een struik rode rozen geplant, bijna religieus. We aten die avond aan de lange tafel van Caterina. Een lange eettafel was altijd al haar droom: voor de hele familie. De droom kwam gedeeltelijk uit, er ontbrak nog een gezinnetje, maar dat vertrekt vandaag naar Zweden: als verrassing voor Caterina, omdat zij de 4de juli vijfenzestig is geworden; ze weet tot op dit moment nog van nergens vanaf. Maar het was feest en het blééf feest. Piet verzorgde het vlees op de barbecue en bakte zijn befaamde frieten; Caterina maakte verrukkelijk rijst met grote garnalen en serveerde er frisse sla bij; we aten alles op.

De volgende dag gingen we gevieren naar het boeiende Slot Haringe, historisch en interessant, maar ook chic en gezellig. Het slot was uitgerust met unieke zaken, oude attributen en dergelijke, maar het boeiende ervan was voor mij het zwembad met erachter de theatertuin. Het klapstuk was wel de kleine grafcirkel rond een oude boom: er rustten meer dan dertig honden in eeuwigheid, ze waren van wijlen de eigenares. Dit kerkhofje met de grafjes, ze droegen een opschriftje met naam en toenaam, was een sfeermaker, je werd er stil van. Al met al de moeite waard en we genoten. Thuisgekomen rustten we uit, we zijn al wat ouder geworden, daarom.

Zondags was het een topdag wat betreft sfeer en gezelligheid, ik bedoel: we waren naar Nynashamn gereden om het oude schip te zien dat daar nog een paar uur in de haven lag, je kon erop klauteren en het bezichtigen, zo is gebeurd. Ter memo heb ik nu een witte pantalon met teerstrepen, mooi souvenir, ik draag het ding nog onder een lange tuniek, goed opgelost. In de haven was het een ouderwetse zondagssfeer, zo’n sfeer van een film uit de jaren ’20, zal ik maar zeggen, een filmsfeer met iets onwerkelijks, maar toch helemaal wáár. Zweedse mensen zijn klassieke mensen, vind ik. Ze hebben iets gedegens, iets stijfdeftigs ook. Ik dacht ooit zo’n sfeer in Engeland te vinden, maar ik ervaar deze steeds weer in Zweden, niet in Engeland, nog niet tenminste. Het was een middag van zon en wind, van samen theedrinken, van samen dineren, van vredige passanten en een uitzicht om nooit te vergeten: de haven met zijn schepen en bootjes, de mensen in hun fleurige kledij, de winkels en de bezienswaardigheden langs de kust en de oogstrelende reden van onze trip: The Swedish Ship Götheborg.

We waren één familie, we bleven één familie, en dat was de zoetste vrucht van dit korte verblijf bij mijn beminde dochter. We keken gezessen in de avond de voetbalfinale. Ik zei het niet, maar ergerde me aan het spel, vooral aan het spel van de Spanjaarden. Ze hebben gewonnen, ik vond het maar niks, had kritiek op hun slome verdediging, ja, ja, de beste stuurlui staan aan wal, ik weet het wel, maar toch, kwalitatief zinde het me niet. Ten slotte zat ik heerlijk in mijn uppie op de veranda schuin boven het zwembad, genoot van de rust van de tuin en het land, die bijzondere rust die doordringt tot in je ziel, en ik genoot van de wetenschap dat ik bij mijn dochter logeerde, dat ik eindelijk bij haar was; ze heeft een druk bestaan, een indrukwekkend bestaan ook; ik hoorde tweemaal haar naam genoemd op de radio, het is tóch niet niks.

De dag van vertrek gaf een mooi afscheid met Caterina & Piet die een taart meebrachten voor bij de koffie. Dochterlief zorgde dat Olivier en ik veilig en op tijd in de bus naar het vliegveld zaten. We vlogen in een rustige vlucht richting Weeze en arriveerden met de auto rond 21.30 uur in Nijmegen, hondsmoe maar voldaan, ook Olivier. Het was mooi geweest in alles, een weekend vol feest van geluk en vreugde. Wat een genade. Laus Deo, dat mag gerust en mínstens gezegd zijn, Laus Deo. Amen

Zaterdag 5 juli 2008

 

 

IC24

FEITJES & WEETJES

Vanmorgen, 19 juni, ging de rit naar Weeze Airport, we hebben genoten van de mooie weg door deze kalme regio van Duitsland. De reden van de trip was de oriëntatie voorafgaand aan de vlucht naar Zweden, het was goed om te doen; een mens wil zoveel mogelijk zekerheid in zijn wankele bestaan, ook met reizen, of misschien wel júíst met reizen. De middag heb ik verslapen, ik was afgemat moe, waarvan eigenlijk? Het euvel van vermoeidheid word ik niet de baas, maar ik merk dat gezeur over mankementen me hindert, wil er niet van horen, ook niet wat mezelf betreft. Mensen overdrijven snel, de ene kwaal is nog spannender dan de andere, o wat gaan er veel beweringen rond die kant noch wal raken. Enfin, zo gaat het.

De zomer is ingetreden, vandaag 21 juni, was een echte zomerdag zoals ik die droom, oer-Hollands met wolken en zon, wind en de dreiging van regen, alles bij een mooie temperatuur van rond 21° Celsius. We zijn vanavond op tocht gegaan naar Oortjeshekken, het was in het uur vóór de voetbalwedstrijd, want jonge, jonge, wat is het land voetbalgek en hoe is het volk in oranje gestoken; hordes mensen trokken naar de binnenstad, overal oranje, vrolijk en volks, maar het zag er in zijn vrolijkheid vredig uit, zo allemaal samen, zo iedereen één.

22 juni. Maar het heeft verloren, ons Oranjeteam. Je kunt ervan leren. Ik schrok van sommige teleurgestelde gezichten, ik snap dat niet: het was toch maar een wedstrijd, met voor beide partijen gelijke kansen van winnen of verliezen? Het was een knap stukje tele-entertainment, alleen al om te zien hoe Guus Hiddink reageerde op de Russische overwinning, nee heus, ik genoot van Guus’ reacties én van de reactie van de Russische president die vandaag opperde dat Hiddink de Russische nationaliteit zou krijgen in geval hij niet meer naar Nederland terug durfde… Kostelijk. In no time was vandaag alle oranjegekte verdwenen, de huizen ogen weer burgerlijk netjes en de straten liggen er weer rustig bij in hun soort. Och, het was mooi. Dat mag ons voldoende zijn, denk ik.

We hebben de zondag blij gevierd. Eerst was er de magnifieke eucharistieviering met de prachtige preek van pater Frans Boddeke in het Carolusziekenhuis, daarna vertrokken we naar Central, we zouden er Frans & Riet ontmoeten, jawel, na ongeveer 10 jaar. Het was een verrukkelijke bijeenkomst, we hebben gekeuveld alsof er geen blinde tijd tussen had gezeten. Dat is heerlijk, dat is goed, dat siert mensen en maakt vriendschappen kostbaar. Het stemt me ook heel dankbaar vooral omdat het zo bijzonder is, in mijn beleving, als het zo goed klikt tussen mensen en je elkaar vertrouwen mag.

Het is een hot day geweest. In de Sint-Jan en in de Bouwloods was het om uit te houden, maar in de stad was het akelig warm; op de Markt stond een muziektent met live zang en muziek, maar het was alleen schreeuwerige herrie, in ieder geval in mijn gehoor.

Het is een beetje ’n merkwaardig rubriekje geworden, dit schrijfseltje, er is geen directe pointe, maar ach, wie maalt erom? Het hele leven hangt van pointes aan elkaar, dus een keertje een column geschreven zonder strakke strekking is zo gek nog niet, denk ik. Feitjes en weetjes zijn ook gezellig om te lezen, het ligt in het verlengde, of in het begin, van het journalistieke verslag in krant en op tv, zal ik maar zeggen. Ik weet dat het overtrokken overkomt, maar zo bedoel ik het niet. Volgende keer verder, hopelijk met een doortimmerd stuk.

22 juni 2008

 

IC23

ONS KENT ONS

Kennen kinderen hun ouders? Hoe goed kennen kinderen hun ouders? Is het überhaupt mogelijk dat kinderen hun ouders ten diepste kennen? Ik denk het niet. Iedere mens heeft zijn eigen geschiedenis, zijn eigen jeugd doorlopen, zijn eigen leven geleid tot aan het huwelijk, zal ik maar zeggen. Binnen het huwelijk wordt het leven gedeeld en is er sprake van een nieuw gezin, zeker met de komst van kinderen. Ik dacht hier vanmorgen over na en raakte verwonderd. Vlak na WOII waren mijn ouders nog tamelijk jonge mensen in tijdsbegrippen, zij waren toen gevorderde veertigers en aan het einde van die oorlog was ik een kind van twee. Ik dacht sterk aan hen door middel van ons bezoek aan onze Tilburgse vrienden, gisteren na de voorstelling van Ciske de Rat in Eindhoven op 12 juni, in die volgorde was het geschied. Boudewijn en ik zaten gistermiddag achter in de nieuwe auto van Veronica & Joop, een zilveren car van standing, marvellous en eigentijds. We reden door Brabant en dat wekt geheid emotie op bij ras Brabanders, ik ben er een. Ik genoot en herinnerde me al doende de autoritten met mijn ouders, want we reden door het landsdeel dat ik van jongs af aan heel goed heb gekend. Voor in de auto, een DKW met open kap in de zomer, zaten mijn ouders en achterin zat ik, soms met mijn 6de broertje erbij, maar meestal niet. Met Veronica naast de chauffeur, haar Joop, in het vizier was de link naar het oude beeld van mijn ouders snel gelegd: Veronica is donker als mijn moeder was, en trots en dame en goed gekleed als mijn moeder was, en Joop reed de wagen zoals mijn vader altijd deed. Bij mijn ouders in de wagen zong ik altijd, keek verrukt in het rond en was geroerd door de weidse omgeving van bloemen en bomen en gras, van huizen met tuinen en van slingerpaden langs het donkere bosgebied. Mooi is dat, vind ik, een dergelijke herinnering in het eigentijdse bestek van leven, mede door het tegenwoordige moment nieuw opgewekt.

Ik wist het, ik ging zingen, trok me niets aan van eventuele valsheid in gezang, vroeg eerst: kennen jullie dit? en zong het uit: Brabant, ik zing van je groene gouwen/ goudgeel kleurt zich de hei met de brem/ heerlijk bloeien uw landouwen, rijen zich langs bos en ven/ de herder stouwt zijn blatende schaapkens langs de dreven ongerept/vlug naar kooi als het klokske in de avondstilte klept.// Dan moet ik zingen van mijn Brabant/waar toch eens mijn wiegske stond/ van mijn volk gehecht aan zeden/ dat bij strijd zijn menneke stond/ dan moet ik zingen van het liefste/ dat ik ooit bezat op aard/ van mijn goeie Brabants moeke/ trouwe ziel van huis en haard. Vroeger zong ik het lied op de fiets, in bad, soms voor het slapen gaan en dan weer achter in de auto bij mijn ouders; ik hield een arsenaal aan folkloreliedjes bij, ik hield ervan: Daar ging door ’t gehucht/ een wonder gerucht/ het was van een jonge boerinne/ zij dorste heur graag/ liet het spinnenwiel gaan/ en reed zij op Grauw, d’ezelinne/ dan lachte de tortel haar na: hahahahahaha/ dan lachte de tortel haar na, haha, haha, hahahahaha. Maar dit deuntje zong ik gistermiddag niet. Het was niet aan de orde, het ging om Brabant, dat stukje Nederland waar we gemoedelijk doorheen zoefden in de luxe van de rijke slee. We legden aan bij oude boerderijen en kochten in de boerenwinkeltjes kaas en asperges en andere eetbare flauwekul, gewoon om de gedachte. Een mens als jij wil de gekunstelde wereld soms ontwijken, het oergevoel voeden en dan ga je een boerenerf op en je loopt langs de waakhond die in de ren hard blaft, arm beest, gevangen in vrijheid.

Snuif, heerlijk die frisse lucht, vers van de aarde, vers van de wei. De boeren hadden nog niet gegierd, dat scheelde. Wat kan een mens kinderlijk verrukt zijn. Ik was het in ieder geval. We dronken geen koffie bij Bos & Duin in Udenhout, waar we vroeger de paarden  verzorgden na een lange bosrit vanuit Vught. De riante optrek had iets wanstaltigs daar in het boerenland, iets van overjarige adel, oneigentijds chic, maar we waren op de boerse toer, dat scheelt natuurlijk in de beleving. O, het was een mooie middag.

De avond ervoor waren we naar het voorlaatste optreden gaan kijken van mijn kleinzoon Flemming in het theater van Eindhoven. Het was weer heel indrukwekkend geweest, die kleine man op het grote podium, hoe knap hij zijn rol van de jonge Ciske speelde en zijn sologezangen subliem ten gehore gaf, zoals: Amsterdam, Krijg toch allemaal de klere en Ik voel me zo verdomd alleen. Ik ben een dankbaar mens, maar ook een verwonderd mens: dat ik het allemaal mag beleven. Die jongen, wat een vreugdebode! Hij weet het niet, maar hij is het wel.

En vanhieruit dacht ik na over de onderlinge kennis, het weten van elkaar door ouders en kinderen, dat ze elkaar amper echt kunnen kennen omdat er de generatiekloof is die bestaat van de tijd ertussenin, alles bestaat van de tijd, je kunt er niet onderuit. Je vraagt je af hoe je ouders het deden als kind in hun tijd, je weet het niet, zult het nooit weten. Je kunt alleen respect hebben voor wat ze opbouwden ten gunste van jou, voor wie ze waren, hoe dan ook. Ik heb in mijn leven opvoeden altijd als een zware opdracht gezien, een taak die zijn weerga in plichtsbetrachting niet kent;  je vormt je kind vanuit jouw wezen, je wezenlijke zijn, iets anders heb je niet, alleen je eigen wezenlijke zijn; je kunt slechts je best doen en bidden en hopen dat je je kind evenwichtig grootbrengt, dat het goed met hem zal gaan. Hier zie je weer dat terugblikken niet veel oplevert, omdat de verleden tijd alles verzwakt, vertroebelt en relativeert. Je kunt het beste tevreden zijn met alles in het nu, met hoe het voor jou en je dierbaren geworden is. Het is, ongeacht, goed geweest. Als je dat kunt zeggen, ben je een schatrijk mens. Verwijten maken haalt niets uit. Je bent zelf ook van fouten groot geworden, en wijs en mild en vergevingsgezind. Zo hoort het ook. De wereld draait door, de mensheid ook; mensen verdwijnen, er komen nieuwe mensen voor in de plaats; generaties verlopen natuurgetrouw en bouwen zich evenzo op. Ieder moet op zijn beurt leren wat wij, ouderen, intussen aan levenslessen hebben ondergaan. Het proces zal altijd cirkelgewijs verlopen. De wereld blijft doorgaan, het leven ook. Laat ons bidden dat die wereld de mensheid verdraagt, dat die mensheid de wereld verdraagt. Laat ons bidden en hopen op een betere mentaliteit onderling, een evenwichtig samengaan van alle naties en rassen, rangen en standen. Laat ons werken aan het Nieuwe Jeruzalem, stad van vrede en toekomst voor allen, voor állen in harmonie. Dat zou hemels mooi zijn, hoger kan een mens niet komen: leven in een wereld met vrede en brood en goedheid voor allen. Het lijkt Brabant wel, Brabant op zijn mooist. Och, ons kent ons.

 

IC22

 MIDDAGDUT

Het is zomer, nog maar begin juni, maar in alles is het zomer. Op mijn balkon zit ik in de zachte kussens van de verweerde rieten stoel, ik kan er geen afstand van doen, het is een oud ding, ooit van mijn kinderen ten geschenke gekregen. Een mens hecht aan zulke materie, je bloedband is eraan verbonden. Je weet het wel, je moet de dingen loslaten, zeker op den duur, maar als het niet per se hoeft, dan toch maar liever niet, nóg niet. Het is vooral de herinnering aan je kinderen die je vast wilt houden, het gaat niet om de materie, niet om de stoel.

Ik droom weg in de schaduw van het balkon, weg in de tijd, moe als ik ben en slaperig, ook al is dit dagdeel nog maar het uur van de noen. Vanaf het schoolplein klinken kinderstemmen. Ik neem ze mee in de middagdut, ga er dromenderwijs op door. Het kind heb ik hoog, het kind is de toekomst van de wereld. Ik zie de kleintjes, mijn eigen bloedjes, weer spelen in hun kindertijd, het was in de jaren zestig dat ze als klein, kwetsbaar kind nog beschermd opgroeiden, nog ver genoeg van de grote, machtige wereld af, een wereld waar je als opvoeder niet echt blij mee was, wat een zorg. Maar ze hebben standgehouden, de kinderen, ze speelden, leerden, sportten, groeiden voorspoedig op en namen daarbij spelenderwijs de zorg voor de dieren van ons gezin mee, voor de honden, de papegaai, de bandvinkjes, de parkieten, voor de bok en de pony; het is educatief voor een kind zorg voor dieren te hebben, het leert hem de humaniteit ontwikkelen voor alles en allen.

Humaniteit. Goed omgaan met mens en dier. Respect hebben voor elkaar. Vrede maken om je heen. Liefhebben, zorgen, samen lachen en blij zijn, en geen jaloezie kennen, haar niet toelaten als ze in je opkomt, want jaloezie maakt mensen lelijk in hun hart en onmogelijk voor zichzelf en hun omgeving. Jaloezie is een gevaarlijk struikelblok voor de mensheid. Je moet al vroeg leren jezelf weg te cijferen, in zekere mate, en de ander volkomen het zijne te gunnen, steeds zonder wrok of afgunst. Als het je lukt, lief kind, wat ben je dan mooi als mens, wat heb je dan al veel bereikt, wat zul je vruchtbaar zijn voor de wereld om je heen, voor je medemens en voor jezelf, want jij, kind van me, kind van ons, jij telt mee, jij telt volop mee in de grotemensenwereld, jij telt mee in evenwaardigheid aan iedereen die het goede nastreeft.

Wat zijn die bloemetjes lieftallig, dat kleine gipskruid in zijn lila kleur gevangen. De volgroene bomen in het kleine bos achter Wolverlei verspreiden een zoete geur, heerlijk junizoet, zo’n geur ver boven de cosmetische parfums uitgetild.

Alfa en Omega, twee godenletters in kapitalen. Ze gaan in elkaar over. Ze vormen één geheel. Ze openen en sluiten en symboliseren wat je te doen staat. Van het begin tot het einde, dus gedurende heel je leven, in je leven dat op God is ingesteld, zul je zorgen en werken en goed zijn, zul je hoe dan ook dankbaar zijn en hem lofzingen, ora et labora. Hij is je redder, je leidsman, je rots. Hij belooft je een leven dat goed zal zijn, hij staat voor toekomst, voor nieuw perspectief; en voor de allerhoogste liefde. Zie, ik maak alles nieuw, heeft hij gezegd. (Apocalyps) En dit mag je doorzien, hier mag je uit putten, heel evident: hij heeft ons lief, hij gunt ons het beste, méér dan het beste, luister maar: alles wordt nieuw, zegt hij.

Vernieuwen, dat is liefhebben, dat is houden van. Want iets nieuw maken voor de wereld, voor de mensheid of voor iemand alleen, want nieuw perspectief scheppen voor wie de weg kwijt is, verloren dreigt te lopen, ten ondergaat in de geest, dat doe je door te beminnen én door te vergeven. Beminnen is niet zwaar en vergeven ook niet, want het gebeurt van binnenuit. Beminnen roept vrede op én tevredenheid, vergeven doet dat ook. Wie tevreden is, heeft lief, want niets belemmert zijn ziel en zijn denken, alles is goed zoals het is, en daar komt de vrede uit voort én de vergeving; de vergeving is noodzakelijk, alleen de vergeving schept volkomen nieuwheid. Vergeven metterdaad is daarom hoogstaand liefhebben. 

Ik zit daar nog in mijn oude stoel. Het is nog steeds heel erg zomer. Mijn gesoes komt voort uit de warmte van de dag. Ik peins na over mijn droomgedachten, die beelden in mijn slaperigheid. Het is goed, het leven is goed, alles is goed, denk ik. Ik geniet van de wereld om me heen en hoe miniem mijn balkon ook is, ik voel me rijk en ben tevreden.

Een hommel, verzadigd van elixer uit de lavendel, danst zwaar langs alle bloemen heen, waar is zijn woning? Zal hij een goed onderkomen hebben? Och, het is je zorg niet, denk ik, zij zorgen voor zichzelf, de hommels. Je moet bij jezelf zijn, zorgen voor jezelf en daardoor zorg je voor de ander, voor elkaar, voor wie je dierbaar zijn. Draag elkaar mee in je hart, in je wezen en in je goedheid; het maakt je nieuw, het maakt óns nieuw: elke godgegeven dag weer. Misschien zijn wij wel de nieuwe kinderen van God, denk ik even, maar dat weet ik natuurlijk ook niet. Alfa en Omega. Met je zorg voor het kind, voor je naaste en jezelf.   

(2 juni 2008)

 

IC21

OERPRIMITIEF

Mijn balkon is versierd met roze bloemen van allerlei slag, net een bont stadje met veel gemengd mensenras, maar dan in de diversiteit aan roze. Ik zag op de televisie een oude indianenstam, een kleine groep wilden in het Amazonegebied, ik werd er verdrietig van en vraag me af waarom eigenlijk? Ze stonden daar kwetsbaar als expliciete roodhuiden en een was totaal zwart geverfd, de roodhuiden richtten hun angstpijlen op de bromvogel aan het firmament. Het deed me wat, en ik kon er eerlijk gezegd niet goed naar kijken, dat beeld was getekend met een akeligheid, een confrontatie wellicht die ik niet wil. Je ziet aan deze mensen, aan deze oermensen, hoezeer wij zijn gerelateerd aan het diersoort, het beest, we zíjn een diersoort, maar dan in de loop der lange, lange tijd gecultiveerd, geworden tot wie we momenteel zijn, een mensensoort dat vaak de kluts kwijt is, oorlog voert - ze kunnen het niet laten, het is hun oerinstinct. Ik weet dat ik bij sommige mensen de woede oproep als ik ons vergelijk met een dier, het is toch: 1 mens, 2 dier, 3 plant, in deze rangorde? Och, het doet er niet toe, we zijn in oorsprong van de aarde, van de grond, van het water, we hebben ons opgebouwd, ontwikkeld tot beschaafde schepsels en dat is goed, al zouden we als mensen milder mogen zijn.

Om terug te komen op de oerindianen anno 2008 in het Amazonegebied: sommige mensen zijn trots op hun vorige leven, vermelden met veel decorum dat ze ooit als indiaan zouden hebben geleefd, liefst ook nog als opperhoofd, het blijft frappant. Maar ik zie het voorrecht niet direct. En dat zie ik ook niet als iemand me vertelt dat hij op die manier van adellijke komaf zou zijn; ergens in zijn vorige leven is zo’n dromer dan Napoleon geweest, of Joséphine, of Marie-Antoinette. Ja, ja. Merkwaardig is wel, dat het televisiebeeld van de indianen me in deze richting aan het denken heeft gezet. En zo zie ik telkens weer Mia voor me, een Zweedse ex-indiaanse, een moderne kol met toverkwaliteitjes anno 2008, hoe bestaat het; ze was, volgens zeggen, een indianagirl geweest en ze droeg altijd een klein veertje bij zich, als oorhanger, het was denkelijk haar amulet. Ze wist zich bijzonder, ver verheven boven anderen, je voelde het gewoon. Maar ook Jessie, waar zou ze nu wonen?, had volgens haar hypnoses vele levens geleefd; zij had zowat alles geleefd wat aan hoge stand maar mogelijk was, liefst op Engels grondgebied, maar ook was ze ooit een indiaanse én nog eens een Egyptische prinses. Je hebt het in deze sferen voor het uitkiezen, merk ik, en als je die verhalen wilt geloven, was je zelf ook ooit een of andere ster, de geliefde van een staatshoofd of keizer, hoe hoger hoe beter, ik hoorde nog nooit dat iemand toen een belhamel was, een musketier of een boef. Je ziet de willekeur. Ik houd dit denkverschijnsel het liefst bij me weg, maar je weet dat het bestaat en dat hele hordes zich er heel eigentijds in verdiepen. Het mag allemaal.

In het uur van Knevel & Van den Brink kwam gisteravond het indianenonderwerp weer ter sprake, een vlotte dame wist er veel over te vertellen, maar ook was er de problematiek te beluisteren over medisch selectieve bevruchting, een thema dat door gestrenge Christenen in ons land wordt aangevochten en verworpen. Ons land wordt steeds maller, onze zienswijze steeds chaotischer, ons leefpatroon steeds sektarischer bepaald - als we niet oppassen. Ik vraag me af waarom dat christenspan der CU over de wezenlijke beschaving, die het item feitelijk inhoudt, wél veel bombarie maakt maar over de laakbare seksindustrie, zoals die per televisie bij ons binnenkomt, níét. Ik wil maar zeggen dat de wereld nog lang niet klaar is voor het rijk Gods, of misschien ook weer wel. Opmerkelijk genoeg is de bijbel een hoog beschavingspunt, waar we veel goeds mee kunnen doen, maar je moet de engte en de benauwenis van je geloof in hemel, hel en verdoemenis wel verlaten, durven verlaten, en de beschaving omarmen, anders ben ik bang dat de halsstarrige CU met haar primitieve geloofspijlen als bange indianen blijft schieten op de nieuwe wereld, de nieuwe aarde, de nieuwe beschaving. Wanneer je de hand van God in de dingen ziet, kun je niet het een wél aanvaarden en het andere verwerpen. Je kunt ook dankbaar zijn met de verworven ontwikkeling uit moeizaam vergaarde kennis en ermee aan de slag gaan om er voor de mensheid iets goeds van te maken. Misschien doen dat die indianen op een goede keer óók, als hun angst weg is en een nieuwe ontwikkeling, de menselijke beschaving, inzichtelijk kan worden opgepakt, los van de oude primitiviteit.

Ik ga stofzuigen, de was ophangen en dan naar buiten; de zon schijnt flauwtjes, maar net voldoende om de goede zomer te proeven. De roze bloemen op mijn balkon weten van niets, de vogel zingt en roept wat hij kan, en ik? Ik ben tevreden met mijn menszijn, heel tevreden. Al heb ik wél haast in de tijd. Er valt nog veel móóis te beleven, nu.

Zaterdag 31 mei 2008.

 

IC20

ERFENIS

Sybil had de spulletjes voor ons opgehaald bij de beherende familie, zodat we geen lange rit hoefden te maken, we worden daadwerkelijk ouder. Ze droeg twee tassen met zich mee, en ze had de trein genomen. De ene tas bevatte een geborduurde afbeelding van Frans Hals, waar niet om was gevraagd, er was een andere afbeelding bedoeld, enfin, de tweede tas was interessant, daarin zat de gedachtenis aan de sacrale priesterwijding, wat eraan vooraf ging en wat erna was geschied; de set was compleet met foto’s, toespraken en opgetekende geschenken, dít was de schoonheid van zíjn vererving. Een gebroken en gelijmd Mariabeeld, dat nog steeds lieflijk is, maakte het geheel compleet, met nog een roosachtig niemendalletje voor een waxinelichtje. Het was heel wat in zijn eenvoud.

Die foto’s waren zeer boeiend om te bekijken, alles was ruim vijftig jaar geleden geschied, je kon het gezicht bij een enkeling niet meer achterhalen. De jaren ’50 hadden nog stijfdeftigheid, vooral de ouders van de neomist zagen er gedistingeerd chic uit, en alle dames droegen in die tijd nog hoeden. Ik genoot van al die nostalgie, zag nonnen met kappen en de clerus strak in het priesterpak gestoken; in de heilige missen was het een en al blinkend kazuifel, de neomisten, aanvankelijk nog in sereen wit onderkleed, zag ik liggend op de grond, in volle, overtuigde overgave aan hun roeping, hun heilig ideaal. Het was alles met recht gezegd uit de oude doos, maar echt mooi en zeer bijzonder, vind ik.

Toen volgde mijn droom en het gebeurde vannacht dat ik onderweg was naar U. om met de mensen op de foto’s te praten over het belang van een goede verstandhouding, het leven is kort. We reden U. binnen en reden daar rond, ons bedenkend van: niet doen, zeg maar niets, we gaan het dorp in, laat maar gaan. Ik zette mijn autootje weg en we liepen daar langs de straten, in ondersteunde mijn metgezel, waarom weet ik niet. Toen zaten ze daar, de twee familieleden, op een bankje langs een brede straat; we zagen hen aanvankelijk niet, toen ik wel, hij niet, en we liepen door met bloedend hart, ik dus. De man keerde zich schuin om, zag ons en richtte zich tot zijn broer, die emotievol zich inhield voor tranen, de vrouw naast de man stond op. Ik liet het drietal alleen, ging verderop en raakte de weg kwijt.

De twee van het bankje waren onlangs verhuisd en ik wist niet waar ze woonden. Via passanten vond ik het huis en belde aan, er werd niet opengedaan, ik zocht naar een deur om binnen te komen en kwam via de achteringang in een gangetje terecht dat naar de woonkamer voerde, ik zei gedag. Maar het ging niet om mij, het ging om de broer, mijn metgezel, alleen met hem werd gesproken, al betrok hij mij in het gesprek.

Ik ging de auto halen, we zouden teruggaan, er was niets aan de situatie veranderd behalve die vrouw, die herkende ik maar niet, was dat C. wel? Hoe ik ook keek en haar probeerde te herkennen, ik zag C. niet terug in deze vrouw, tóch was ze het. Ze had geen spoor van make-up, geen mascara, zoals ze altijd wél had, ze was blanco, zal ik maar zeggen, en alleen haar stem bewees dat ze C. was. Ik vond het akelig, omdat ik C. in haar wilde zien en nu sprak daar een ándere vrouw, ook al wás ze C.

Ik vond de auto niet, nergens te bekennen, alle marktjes, alle straten, alle pleinen, het waren er veel in mijn droom, overal had ik gekeken en gezocht, maar er was geen autootje te vinden dat maar enigszins op het mijne leek. Bizar, dacht ik, dat woord wordt tegenwoordig heel vaak gebruikt, en ik belde aan bij vele huizen en ging door vele straatjes en zelfs door smalle gangetjes om het autootje te vinden: niets. Één man hielp me vanuit zijn woonhuis naar de woning van de familie, want die was met dit gezoek wéér onvindbaar geworden; ik ging binnen door een achterdeur, zag weer een pratend gezelschap zonder belangstelling voor mij of het probleem. ‘We moeten naar huis terug,’ zei ik, ‘die auto is gestolen, die is zo ontzettend wég dat hij gestolen moet zijn.’ Ik overzag in gedachten de rompslomp met de verzekering, probeerde me ook het rommelige inboedeltje te herinneren en wist de helft nog maar. ‘We moeten naar de politie,’ zei ik, ‘maar ik zoek nog één keer.’ Weer ging ik naar buiten, weer deed ik de hele ronde, weer nergens het autootje. Door die ene achterdeur ging ik terug naar binnen en aan de tussendeur van het gangetjes hing een boeketje bloemetjes. Daar stond C. achter die gesloten tussendeur en zei door het glas dat die bloemetjes voor mij waren. Nog steeds herkende ik haar niet, al was ze C. echt. Ik was verrast en voelde me getroost, nam de bloemetjes van haar aan en we gingen naar huis, waar kwam die auto ineens vandaan? Ik werd wakker, het was rond 10 uur vanochtend. Wat een erfenis, eigenlijk, met zo’n droom als resultaat. Je kunt er regelrecht mee naar een psycholoog.

IC19

BEWIJS

Sommige bloemen roepen duizend zoete herinneringen in je op. Gisteren koos ik bij de bloemenkraam van C1000 geurige violieren uit, dieproze, of zijn het dieprode, ik kan de precieze kleur niet duiden, maar wat zijn ze mooi. Violieren horen bij de meimaand, bij de junimaand ook, ze zijn van het volle voorjaar en van de beginnende zomer, vind ik. Hun zoete geur stemt ingetogen, ik ga er van mijmeren, terugdenken aan dat kleine bruidje in de processies van de jaren ’50, toen ik nog een ongetemd kind was vol onwrikbaar vertrouwen en geloof in mensen en in God. Die geur blijft een heerlijk kleinood voor je, die bloemen zijn kostbare memo’s geworden, ze zullen het blijven ook, je kunt er nooit meer onderuit. Maar dat vertrouwen in mensen en in God, daar hapert het intussen met regelmaat. Het kan ook niet anders, je moet als het ware ijzeren voeten hebben om onwrikbaar je geloof te belijden, om pal te blijven staan voor wat je gelovig leerde en nooit bewezen kreeg. Je moet immers redelijkerwijs alles wat je in je opnam en ter lering aangeboden kreeg, kunnen plaatsen, kunnen bevatten, om voor jezelf eerlijk te kunnen stellen: ik geloof, ik geloof in God. Het is een diep stuk beleving dat je niet mag overslaan, je moet rijpen in je geloof, je moet erdoorheen en het is niet gemakkelijk.

En toch. Zal het de oude dag zijn? Ik denk het soms. De tijd brengt een mens, als dat gewild is, voelbaar nader tot God. Is het door de rust die je zoekt, die je nodig hebt en die je zo dierbaar wordt? Het leven krijgt een sereniteit die je vroeger met flarden ontving, een ingetogenheid die ik tevredenheid noem. Je blijft, ouder geworden, achter met wat je voelt, je blijft overeind met wat je ervaart en, niet het geringste, met wie je geworden bent. Ik pleit altijd door voor mooie herinneringen maken, je levenseinde wordt dan schoon en teder en beleefbaar, zelfs sterfbaar. Wat is het geloof dan een troost voor mensen, het geloof dat je van mij vertalen mag naar innige tevredenheid.

Maar dat Godsbewijs dan? Waar blijft dat gezicht van God? Moet ik daar eerst voor sterven? Waar ligt de Godsontmoeting, de eerste concrete kennisneming van Gods wezenlijke zijn?

Je hebt, als het normaal verloopt, een leven te gaan, een tijd om te ondergaan en te leren, om te worden wie je bent, díé je bent. En je hebt een leven te gaan om God te ontmoeten, hem te leren zien, hem te doen bestaan. Dat bewijs, dat expliciete bewijs, heb ik gedacht, is dat wel nodig? Je voelt in je diepste menszijn ten volle de aardsheid aanwezig, maar ook de innerlijke schoonheid van het leven, verheven en genadevol, niet in woorden te vangen, zo goddelijk. Je ervaart in je late dagen een genade die is gemaakt van een ongekende tederheid die geen mens je kan geven. De rustigheid in je ziel is Gods aandeel, is het leven geleefd, is de cirkel in volkomenheid. Alles heb je doorstaan, vaak meer dan je aankon, alles wat voor jou was weggelegd, heb je geleerd, dus menslief, je tijd is rond, je leven is rond, je bent helemaal af, volkomener kan niet, dit ben jij, dit is je lichaam en je geest. Je hebt je leven geleefd in het hart van de volmaakte, onze God. Zoals de bloemen in mijn vaas mij dienen met hun levende schoonheid en straks zullen sterven aan de tijd, zo zal het ons vergaan met onze God. Hij weet, hij bepaalt, wij mogen wachten en verwachten. Of niet. Er is geen bewijs, nog nooit geweest, en het hoeft ook niet, omdat het goed is zoals het is. Het gaat menselijkerwijs alleen nog maar om de tevredenheid in je diepste ziel. Wat een bewijs. Wat een geluk. Wat een genade. En wat móói zijn die bloemen! Ze geuren naar God.

Zaterdag 24 mei 2008

 

IC18

ZATERDAGMORGEN

Toen werd het vrijdag en de regen was gekomen, goed voor land en gewas, we hadden optimaal geprofiteerd van de dagen met zon en wind en heerlijkheid, het was goed. Buiten beleefden we een feestelijke lente en binnen bleef alles aan huiswerk liggen, maar nu niet meer, de stofdoek wordt ter hand genomen, de strijk komt aan de beurt en de stofzuiger gaat straks vrolijk door het huis; ramen zemen doe ik niet, daar heb ik de capaciteit niet (meer) voor. Ik zie wel hoe dit op te lossen is, hoewel, de ramenwasser heeft intussen geen belangstelling meer voor een flat met zeurende oude mensen, er zijn er onder de bewoners die het bijvoorbeeld presteerden de yogales en de bevriende huisbezoekjes voorrang te geven precies op het moment dat de goede man zijn diensten aanbood, dit in een tijd dat je nauwelijks glazenwassers bereid vindt je veel te hoge en ingewikkelde ramen te komen lappen tegen een redelijke prijs, enfin, het is altijd wat. En zo is het dat het intussen zaterdagochtend is en wij vandaag de verjaardag van Philomena gaan vieren, de rit gaat naar Eindhoven doorheen de regenval, het is weer ouderwets Hollands. Ik heb een reuzedoos bonbons voor haar, om uit te delen natuurlijk, niet zozeer om op te snoepen, bijvoorbeeld bij gebrek aan gezelligheid, tja. De tijd vliedt, we weten het wel, en we worden gestaag oud, och, als dat laatste maar wil lukken, dan is het nog niet zo slecht met ons gesteld. En nu ga ik eerst mijn kralensnoeren ophalen in Wychen bij de juwelier, ze zijn opnieuw geknoopt, eindelijk. Ik benieuwd hoe geslaagd ze zullen zijn, of niet.

 

PROBEREN

De zomer leeft volop in deze meimaand, de oude vogel zingt elke dag nog nieuw, ze is vanmorgen thuis op het balkon en ík schrijf mijn woorden op omdat ik het leven wil vangen. Het laat zich niet vangen, maar als ik om me heen kijk en tegelijk de meizon op mijn gezicht voel bij al dat jonge groen en bloeisel, dan wil ik het proberen. Eigenlijk is het leven een en al proberen, uitproberen, is toetsen en testen van de mens in je omgeving en van je eigen gemoed: wat wil ik écht? Mijn leven was bewogen en indringend, weinig vriendelijk en toch ook weer wél; ik had niets van wat me gebeurde, willen missen, maar ik zou het óók nooit meer zó over willen doen. Er zijn nogal wat mensen die geloven in reïncarnatie, dat doe ik niet, bewust niet omdat ik christen ben, maar ook omdat het mijns inziens een oneerlijke cirkel is. Een cirkel die uiteindelijke nieuwheid belooft maar nimmer afgerond wordt, tenzij je terug zou keren als grasspriet, ik noem maar iets. Als grasspriet kun je wellicht ontelbare malen uit de grond opschieten, op die manier kun je óók een cirkel vervullen, maar dat wordt niet bedoeld door de gelovige wijsgeren uit de verre landen. Enfin, naarmate ik ouder word, ben ik steeds intensiever een kind van God, een kind van de bijbel, een kind van de liturgie, want in de liturgie geloof ik ten volle.

Het was de eerste dag van Pinksteren 2008. We gingen, na de hoogwaardige eucharistieviering in het GZG en na de koffie met eenvoudige lunch bij Central op de markt, naar de Bossche kathedraal. Het is een feest geworden. De vendelzwaaiers brachten hun groet en ode aan Maria. Ze droeg haar nieuwe kleed met bijzondere symboliek erin verweven. Het hoofdaltaar van de kathedraal toonde dieprode anjers en dito gladiolen. De hele sfeer was pinksterlijk te noemen, en we gingen welgemoed de kerk in achter het altaar. Op een document stond te lezen dat de Bouwloods open was en dat Nelleke de Laat de nieuwe mantel van Maria daar had tentoongesteld onder de noemer de Allemantel van Maria. Dat wekte onze belangstelling met gevolg dat we de Bouwloods ingingen en hét uur van deze pinksterdag beleefde, het was tóp: we zagen, het was op de eerste verdieping, een felblauwe mantel van glanzende zijde en aan de rand was sierlijk chic en volks tegelijk een rand te bewonderen met allerlei bloemige frutsels, handig gemaakt van liefdevol afgestane lapjes van het volk. Het was prachtig. Ik kreeg er geen genoeg van. Een gids loodste ons zeer privé langs de oude stenen beelden van de oude Sint-Jan, maar de mantel bleef trekken en we gingen weer kijken; inmiddels was de kunstenares gearriveerd, en Cor Zwanenberg, de Balkumse volksdichter, en enkele mensen met militaire achtergrond: zij zochten hun lapje, het was van hun zoon uit Afghanistan. Ontroering genoeg. Mijn blik bleef éven rusten op een bekend gezicht, die man, wie is dat toch, ik kén hem. Het was oud-minister Braks, gelovige katholiek, denk ik, zoals ook Van Agt intens katholiek is gebleven. We waren zodanig aangeraakt dat we van de weeromstuit het boek van Nelleke kochten: Allemantel – mirakels van nu. We schrokken, het kostte € 35. Bij thuiskomst bleek het de moeite waard, vooral door de kleurrijke inhoud en de vertederende briefjes van de gulle gevers, al was het wel primitief uitgegeven, ik bedoel, er was slechts een geringe redactie gepleegd. Toch is het een mooi boekje, een Brabants kleinood, zo voel ik het. Enfin, ik zou inderdaad het leven in woorden willen vangen, maar het is niet te doen, je kunt de werkelijkheid niet in inkt weergeven, je kunt de werkelijkheid slechts benaderen. Ik hoor mijn oude vogel, ze zingt alweer met haar stemmetje nieuw. Allemaal genade en troost en nieuwe levensmoed, voor mij.

Ine Verhoeven 13 mei 2008

Nelleke de Laat: Allemantel – mirakels van nu (2008)

 

IC16

ALLES GEHT VORÜBER

Het zijn de tranen in je ziel die je verstikken, het is de pijn in je geesteshart die je strikt in gemoed. Soms heb je van die momenten vol zwaarte. Je weet niet hoelang ze duren, wanneer een nieuw lichtpunt daagt dat je innerlijk opnieuw verblijdt. Ach, het leven is aaneengeschakeld van lief en leed. Als je ouder wordt, zie je het duidelijker. Dan zie je dat de tijd het van alles en iedereen wint, en dat vreugde en verdriet betrekkelijk zijn, want alles wat is, verwaait op een keer, verdwijnt onverkort. Je weet, als oudje, heel goed dat je niet meer vooruit kunt als toen, toen je jong en krachtig je dingetjes deed, je plannen volvoerde, je gasten ontving, op reis kon gaan of aan de wandel, nog nooit moe was. Margarete verzuchtte het de laatste jaren bij herhaling: Alles geht vorüber, alles geht vorbei. En vaak zei ze ook: Alles IST vorbei. Het is geen wijsheid, het is het ware feit dat je in je menszijn op een keer met pijn en verbazing constateert. Margarete heeft het ten diepste beleefd, het denkelijk als een groot verlies ervaren, anders had ze het niet zo vaak gezegd. Ze was een nuchtere vrouw, maar ook een levensgenieter. Ik heb dít van haar geleerd: Doorgaan en opgewekt zijn in alles. Ze zal dit zelf niet volkomen hebben uitgeoefend, ook háár broze leven was menselijk, maar ze leefde het haar nazaten wél voor, toonde het hun in ieder geval als je haar ontmoette. Het vrolijke zat in haar aard, ze was ermee gezegend. Met zo’n voorbeeld kun je verder, draag je mee als een icoon, bemoedigt je geest ten beste.

Het jammere is dat je eigenhandig zo weinig kunt toevoegen, dat je afhankelijk bent van je medemens, dat je niet alles alleen kunt doen, hoewel het soms zal moeten. Ik bedoel: je hebt elkaar nodig, en dat geldt voor iedereen. Je kunt alles eenzijdig uitvoeren, je kunt alleen aan tafel gaan, alleen gaan slapen, alleen gaan wandelen, alleen op reis gaan, het meeste kun je alleen doen, maar je kunt niet alleen bezoek ontvangen als er geen bezoek is. Dat is het euvel van heel veel ouderen, van veel te veel ouderen: ze zitten alleen. Zo zal het een hele toer voor hen zijn om hun levensvreugde te behouden. En al is er de KBO, de Zonnebloem en wat nog meer, naastenhulp gaat dieper dan deze clubs je kunnen bieden. Toch begreep ik onlangs van Philomena dat het in die begrippen vreugdevolle ontmoetingen zijn die haar moed geven, zelfs bevestiging. We hebben allemaal een andere aard, andere behoeftes en dat is maar goed ook. We kunnen het mensdom zien als een veldboeket: gemêleerd en vrolijk bijeen gebundeld. Maar het is nog een droom. Misschien ook niet. Ik denk wel dat we, voordat alles echt voorbij is, de tijd van alledag moeten benutten zover het in ons vermogen ligt, of je nu alleen bent of niet. Het is zonde van je leven als je het verdoet met helemaal niets. Je kunt je tranen omzetten tot zonnestralen, bijvoorbeeld in de vorm van een lied, een gebed, een tekening, een gedicht, een verhaal, een telefoontje of mailtje, een bloemboeket… Je kunt je tranen omzetten in een lach. Vergankelijk of niet, het leven is de moeite waard. Dat is altijd zo geweest, dat zal altijd zo blijven: onvergankelijk genoeg. De zon schijnt, ik trek eropuit vandaag.

3 mei 2008

 

IC15

BELANGSTELLING

Danny de Munk en Flemming Viguurs alias de grote en de kleine Ciske de Rat: in het Chassétheater Breda.

Het kan op een goed moment gebeuren dat je je vreugde om iets bijzonders dat je meemaakt wilt delen met mensen die een plaatsje in je hart hebben. Zo geschiedde het, en ik vraag me achteraf af of ik het had moeten doen. Van de 35 dierbaren die ik aanschreef om kond te doen van mijn kleinzoons nieuwe website, en ernaar te verwijzen, hebben er 3 gereageerd. Met dit drietal ben ik heel blij, ze hebben hun reactie oprecht en van harte gemeend. Maar toch wringt het geringe aantal reacties me, temeer omdat deze website echt bijzonder is, je wordt er blij van, want het is de site van Flemming alias Ciske de Rat.

Ik schreef bewust iedereen aan die met het gouden feest van p. Boddeke de kleine man had gehoord en gezien toen hij ter ere van de jubilaris in hostellerie de Rozenhof een mini-repertoirtje ten gehore gaf uit de Ciske-musical. Men was toen enthousiast en velen wilden zelfs de musical gaan zien als de kleine ster zou spelen… ik hoor het hen nóg zeggen.

Mensen, bedankt voor de belangstelling. En voor de les.

 

IC14

Zondag

Wat een zondag! We hadden een serene eucharistieviering in het GZG, we dronken koffie en thee met de zangers in de lounge, we lunchten ons brood in de auto en we reden naar Eindhoven om Philomena te bezoeken, daarna legden we aan in Oirschot en het was een lief lentefeestje voor ons allebei. De terrasjes waren vol, de wandelaars en de ijsjesjeugd talrijk; er reden veel oldtimers in het oude dorp rond en ik zag ook nog een lichtelijk bejaarde dame met te korte kniekousen van pantystof onder ‘n katoenen jurk uit het jaar 0; het was geen gezicht maar ze trok zich er niets van aan, ze stapte dapper door met aan haar arm haar echtgenoot met wandelstok; al met al op afstand toch nog een pláátje. Het was mensjes kijken, fietsen schouwen, auto’s keuren en de dorpse chic meten. We waren neergestreken op een terrasje met één benauwd leeg plekje voor twee. Ik droeg nog winterkleding, maar de meeste dametjes hadden zich zomers aangepast aan de zon en de heerlijke lentedag, zij waren doorgaans luchtig gekleed. Ik keek naar al dat bont goedje in de straten en op de markt. Het is net een kermis, zei ik, een vrolijke kermis maar zonder attracties zoals zweefgerei, nougatkraam en suikerspinkarretjes, en dergelijk spul meer. Ik snoepte intussen mijn honingijsje weg, het was heerlijk en duur. Oirschot heeft allure, doet me denken aan een dorps Maastricht waar flamboyante lieden flaneren langs straten en terras. Hier flaneren ze ook, en de chic doet eraan mee. Iedereen is aangemaakt met luxe, zei ik, er is hier geen armoede te bekennen, de mensen zijn rijk, alle mensen zijn rijk, en hun kinderen ook. Het is het teken van de tijd, van deze tijd anno 2008, het gaat ons goed, het gaat zichtbaar de dorpen goed. Wat een luxeparade! Moet je zien. Toen kwam de man met de accordeon langs, bleef bij ons terrasje staan, speelde zijn deuntjes met sentiment en ontroerde de gevoeligen onder ons, om daarna met zijn koperen geldbakje rondrammelend de blinkende euro’s te incasseren; even later verkocht hij een caféterras verderop dezelfde smartlappen aan het publiek, zijn geldinzamelingritueel incluis. Ik denk dat dit soort gefiedel van de armoede is, al droeg de man een gouden ring. Maar het was zéker het enige financieel mindere puntje dat daar vanmiddag in de zon in het hart van Oirschot zichtbaar was. De rest van wat je zag, oogde ordinair rijk, want blinkende rijkdom is niet chic, wel plat en volks. Maar ja, ieder zijn meug, natuurlijk, en dit was Brabant op zijn zoetst. Het was een verrukkelijke middag en de rit huiswaarts ging door het Brabantse binnenland, dus dat was snoepen van eigen bodem: overal jong groen en allerlei bloesems. En wat zag ik terug? Het cafeetje van M. Vingerhoed. Ik wil er ooit nog eens aangaan, gewoon voor het oergevoel, want Brabantser dan dáár kan het niet zijn.  

 

 IC13       

BETERE OOGST

Dit was het slot van de vorige column: Ik denk dat naarmate je ouder wordt, de herinneringen je leven gaan vormen. Een reden te meer om je kinderen en al wie je lief zijn te bemoedigen om goede herinneringen te maken, om te bouwen aan een heerlijke gedachtegang, voor straks.

Je moet natuurlijk wel de kans hebben om mooie herinneringen op te bouwen, het is niet vanzelfsprekend dat wat je overkomt en wat je in reactie daarop onderneemt, steeds uitgebalanceerd mooi is. Je kunt bijvoorbeeld nog zo erg je best doen een lieve kring mensen samen te stellen en samen te houden, maar je doet de dingen niet alleen, je bent afhankelijk van anderen en dit: anderen moeten jou willen aanvaarden als de mens die je bent, met je voors en je tegens, en ook dat is niet vanzelfsprekend; mensen moeten zich immers in elkaar kunnen herkennen om een band te laten bestaan, want zonder de herkenning gaat het niet, en dat geldt voor beide kanten.

Toch vind ik dat je steeds moet streven naar het betere leven met de betere kwaliteiten en het resultaat mag niet afhangen van wie je tegenkomt, of niet, op je weg naar waar dan ook, ik bedoel: je moet altijd goed voor jezelf zijn, dan ben je automatisch ook goed voor je medemens.

Maar het was de herinnering die ik aanhaalde. Ik denk dat je oude dag goed zal zijn als je herinneringen zachtmoedig, mild en betrouwbaar zijn. Herinneringen zijn betrouwbaar als je je vanbinnen eerlijk weet, als je jezelf geen rad voor de ogen draait door situaties van voorheen te versimpelen of te verdraaien, omdat het je in geweten beter uitkomt. Je hoeft ook niet alles te vertellen van wat je overkomen is, het zou te dwaas zijn, je mag je eigen herinneringen hebben en ze bij je houden, ze gaan niemand iets aan; maar daarom juist is het belangrijk dat het goede herinneringen zijn: je wordt er gelukkiger van, het maakt je op je oude dag een innig tevreden mens. Meer hoef je immers niet te bereiken? Het is het grote voordeel van oud te mogen zijn: tevreden zijn met wie je bent en met wat je je hebt verworven, ooit, toen de tijd van opbouw daar was. Herinneringen blijven over. Dus zorg ervoor in je jonge tijd dat je later als je oud bent het betere mag oogsten.

24 april 2008

 

IC12

GELIJK IN ONGELIJK

Het zijn de mooie dagen die je hart laten treuren naast de lach. Gisteren bestond weer uit afscheid en rouw. Zoiets heeft gevolgen, beperkt zich niet tot de gedachte aan één overledene. Nee. Je mist al je gestorven lieverds, je mist hun karakters, je mist wie ze waren, hun wijze advies en hun streken, hun goed en hun kwaad. Er is bij ons mensen altijd de tweeledige herinnering, soms meerledig zelfs, gewoon omdat álles pro en contra behelst, gewoon omdat één mens in lichaam en geest uit ingeboren varia bestaat. Het heeft iets moois en het ontroert me zeer. Toen ik het leven overzag van mijn gestorven medezuster, ontmoette ik weer haar kracht, haar eigenheid, haar me against-the-world-behaviour, en het was goed op die manier aan haar terug te denken. Zij bezat een koppigheid, een onverstoorbaarheid die mensen wegjoeg en aanhaalde tegelijk - in alles zit immers het gelijk, ook in het ongelijk? Ze was zachtmoedig en slim en onpeilbaar, ze was streng en dan weer niet, ze was rechtlijnig en dwars en dan weer mild en lief, maar ze joeg altoos de goedheid na, en ze was een bidder, en oerkatholiek.

Het levenspatroon van mensen is vergankelijk met de waarde van de dag, alles aan normen is telkens weer anders. Hoe blijft je geest er krachtdadig standvastig bij? Een mens moet geen oogkleppen dragen, geen engte in zijn ziel toelaten, maar hij zal ook geen ruimte scheppen die geen grenzen heeft; dat wordt chaos. En zo peins je verder en roept de dode het leven in je op, de herinnering, want de toekomst ken je niet.

Buiten schijnt de zon in vele voorjaarstalen. Vanbinnen ook, want al is ze dan gestorven, de herinnering is goed met alles wat is geweest. Dat geldt ook voor mijn ouders, mijn broers, mijn vrienden, dat geldt voor wie ik heb liefgehad toen ze bij ons leefden.

Hoe kan mijn dode lopen?

 

Ik hoor je voetstap op het pad

Waar kleine vogels zingen

Ik zie je bezig in de tuin

Je plukt kruid en seringen

 

Maar dat is een herinnering

Een lieflijke herinnering

Aan jou, lief, een herinnering

Waar enkel ik van weet

 

Ik zie je langs het venster gaan

De tuindeuren staan open

Ik voel je schaduw voor de zon

- Hoe kan mijn dode lopen?

 

Het is alleen herinnering

Een lieflijke herinnering

Aan jou, lief, een herinnering

Die mij zo innig is.

 

Ine Verhoeven

Ik denk dat naarmate je ouder wordt, de herinneringen je leven gaan vormen. Een reden te meer om je kinderen en al wie je lief zijn te bemoedigen om goede herinneringen te maken, om te bouwen aan een heerlijke gedachtegang, voor straks.

 

IC11

MARIALE

De maand april is alweer over de helft, de meimaand nadert. Terwijl je overal de ontluikende bomen ziet, blijf je in je verwondering volharden, het doet je iets, al dat prille, dat tere. Tegelijkertijd sta je oog in oog met het leven zoals het ten diepste is. Corrie is overleden, het bericht deed zeer, we waren bevriend, met vallen en opstaan, maar we waren van binnenuit bevriend. Corrie heeft het leven geleid van een geestelijk getarte vrouw. Ze hield zich staande met godsdienstigheid, en vooral met Maria. Ik had Corrie in de beginjaren ’80 leren kennen tijdens een Lourdesreis. Merkwaardig genoeg zijn veel details ervan me bijgebleven. En dankzij Corrie zong ik op een gegeven moment in een koor, het thuisfront vroeg me weliswaar of het misschien voor doven optrad, maar later bleek dat ik een gewilde altstem had, en het front keek op zijn neus. Toen nam Corrie me mee naar de franciscanen, en later zijn we samen ingetreden in hun seculiere orde. Ze heeft dus part aan mijn verdere leven gehad.

Het zijn de herinneringen die blijven. En vanuit de herinnering is er de vertedering bij het besef dat Corrie is gestorven op de feestdag van Bernadette Soubirous, op dier sterfdag dus. Corrie had een band met Bernadette, heel piëteitvol. Zo’n toevalligheid is dan weer iets meer dan gewoon toevallig. Corrie zat diep in de heiligheid, ze was ermee bekend. Ik zal nog vaak aan haar denken. Ze had een onvergetelijk sterk karakter, en in de kern was ze beslist een lieve vrouw.

 Maandag wordt Corrie begraven, vanuit de kathedrale basiliek Sint-Jan. Het kon niet anders zijn. Mijn memo’s rond Corrie spelen zich vooral af rond en in de Sint-Jan, het was haar geheiligde hangplek, zal ik maar zeggen, haar toevluchtsoord, haar beschutting; de Zoete Moeder van Den Bosch was haar hoogste goed, ze was aan haar verknocht.

 

Het leven gaat door en het eerste gevolg van Corrie’s overlijden - het was gistermorgen in het Carolusziekenhuis - is in reactie van mijn kant een lieflijk Mariaboekje geworden, ik ontwierp het vandaag en drukte het eerste exemplaar af: het is een beeldje, een plaatje. Ach, het een roept het ander op en zo houden we elkaar in leven, denk ik, ook bij sterven houd je elkaar in leven, hoe dan ook. Het is de een of de ander, maar je draagt elkaar verder en dat is mooi, is goed. Requiescat in pace. Het ga je goed, zuster. Het ga je in God.

Pax et Bonum.

 

IC10

EIGENLIJK

Vanmorgen had ik al vroeg brood en taart gehaald in Kranenburg, in Duitsland kun je elke dag versgebakken graanproducten kopen, ook op zondag. Toen ik terugkwam, zag ik verrast dat in de Wolfskuil waar ik woon bijna alles in tere groenheid was ontloken: de bomen en de struiken die als één omringende bossage gegroepeerd verwijlen tegen de kuilwanden omhoog, het oogde liefelijk genoeg. Ik stond even stil om het beeld van al dat licht, jong gewas in me op te nemen, het beeld van het kleine blad voorzichtig uit de winterknop ontsproten. Het is ‘n beeld van alle tijden, het voorjaar is oud als de wereld zelf en dat geldt voor elk seizoen. Eigenlijk ben ik de omschrijvingen over voorjaar en jong groen een beetje zat geraakt. Eigenlijk heb ik helemaal geen zin meer om de natuur te duiden en te bejubelen. Eigenlijk ben ik verzadigd wat zon en bloemen en gras en al dergelijke betreft. Eigenlijk wil ik stoppen met alles in me op te nemen, stoppen met alles aan schoonheid gezien per digitale uit te dragen. Eigenlijk wel.

Maar een mens is niet altijd consequent. Je gevoelens zijn niet altijd even consequent. Al vertelt je verstand je de feiten, al weet je precies hoe je het voortaan wilt gaan doen, je emotionele kant diep vanbinnen doet je beslissingen soms wankelen. Het is bijvoorbeeld als met een verbroken vriendschap, je weet heel goed wat verstandig is, dat het goed is dat je gebroken hebt, dat je de ander beter niet meer ontmoet, maar dan komt je gevoel je plotseling vertellen dat het toch anders kan zijn, dat je misschien wél die ander weer zult ontmoeten en dat er volkomen vrede in de wereld moet zijn, dat je eraan moet meewerken en dat je dankbaar moet zijn omdat je het goed hebt met elkaar. Ja, je geweten spreekt.

Het is maar een zeer wankel beleid van de emotie, een beetje bedrieglijk, maar ook het verstand verwart je alweer: je hebt elkaar nodig, zegt je verstand. Ik dacht toch van niet, is je verzet, ik heb het wespennest verlaten, ik wil los van de trubbels zijn. En gelijk heb je.

Wat heeft het jonge lentegroen dat ik vanmorgen zag, te maken met vergane vriendschap? Hoe kom je zo te denken en te vergelijken? Ach, misschien tekent het beeld van het nieuwe groen de hoop op nieuwe kansen van opbloei van wat onbedoeld teloorging? Toch hoef je je niet schuldig te voelen bij een breuk, het kan soms heel goed zijn je weg zonder elkaar te vervolgen. Je moet immers te allen tijde leven en laten leven. Zo doet het voorjaar het óók. Dus eet van je taart en drink van je thee en laat het je helemaal smaken. En al wil je eigenlijk van alles niet meer, al wil je iets ánders beginnen, ga je gang en doe wat je voelt, wat je kunt en wat je wilt, want alles is eenmalig in de tijd, niets keert terug.    

Ine Verhoeven 13 april 2008

 

IC9

NONO

nu al een kleine legende

Wie bekend is in de bosrijke contreien van Tilburg is ongetwijfeld ooit de loslopende ezel Nono tegengekomen op het landelijk erfgoed van In den Bockenreijder in Elsbeek. Maar hoe komt uitgerekend deze ezel in mijn column terecht? Gewoon, Nono is doodgegaan. En Nono was voor mij een favoriete attractie als ik in Elsbeek kwam, en dat gold voor velen. Nono was een hartenbreker, wie hem zag, was om. Nono sjouwde langs de gasten, smulde hun koekjes op en soms ook de restjes van wat ze hadden gegeten. Nono hoorde bij het cafeetje. Nono kwam je binnen tegen en Nono zag je buiten gaan. Nono was een icoon van vrede en lievigheid. Nono was zacht en teder. Nono was vol vertrouwen en zonder kwaad. En dit alles aan zachtmoedigheid tentoongespreid door een ezel doet een mens iets. Het houdt een mens een spiegel voor. Het brengt vertedering teweeg. Het maakt je blij.

Maar nu is Nono dood. In de gezegende ezelleeftijd van 36 jaar is hij naar Boven De Hoogste Heide vertrokken. En de mensen treuren om hem. Ik ook. Nono heeft vanwege zijn unieke status van loslopende ezel op het landgoed en in de houten kroeg de krant gehaald met zijn overlijden. Nono is wereldberoemd in Brabant en soms nog verderop, zoals hier in Nijmegen in de flat. Ik had het doodsbericht gelezen, gisteren in het Brabants Dagblad. Je kon reageren met een mooie foto voor het Bockenreijdersarchief; die heb ik niet, maar Veronica gelukkig wél:

Ezel Nono met Puck en Max en oma Veronica op 19 december 2007, de verjaardag van opa Joop;

een schitterend gezelschapje, dit viertal op de foto is door velen bemind, en door mij.

Ik reageerde naar de krant zonder foto maar met mijn digitale schrijverspen, het ging als volgt:

‘Wat ontzettend zonde nou, van Nono. En ook dat hij geruimd is, dat zijn karkas is meegegeven en verbrand, nu maken ze lijm van hem, alsof hij dat verdiend heeft als de hartveroverende ziel die hij was van dit oord In den Bockenreijder, denk alleen maar aan de vreugde die iedereen aan het beestje had! Wie heeft nou zo’n unicum als Nono in zijn cafeetje rondlopen? Ik werd altijd heel blij als ik hem zag, die kleine, oude tederheid, ons aller Nono. Maar zeg eens eerlijk, er komt toch wel een standbeeldje van het unicum Nono? Of een chique gedenksteen? Dat heeft het lieve ezeltje echt wel verdiend. En Nono blijft op die manier bestaan, in steen of brons is hij de blijvende verrijking van jullie heerlijke oord. Mensenlief, opgelet, zonder Nono zijn jullie als Brabantse kroeg lang zo aantrekkelijk niet meer, onderschat de charme van ezels niet, en van Nono. Och, ik mis hem nu al bij mijn bordje Brabants roggebrood. Toch bedankt dat jullie goed voor hem zijn geweest. Requiem in pace, ezeltje Nono, ook als je onder de postzegel gelijmd meegaat met de post.’

Ine Verhoeven 10-04-2008; 18.10 uur.

 

IC8

ONDERWEG

Er waren nog zoveel mooie idees geopperd om uit te gaan met vrienden vanwege mijn vijfenzestigste op 28 maart, maar er kwam een sterfgeval tussen en de private feestvreugde moest wijken voor de loyale verplichting jegens de dode die me nabij was. Het is daarom een naweek geworden van denken en doen, van plannen en schrijven, van foto’s zoeken en lieve boekjes maken, en niet in het minste: van elkaar bemoedigen, van belangstelling en gepaste piëteit, want elk verlies is een verlies, er zit verdriet aan vast, en herinnering.

Maar terugkomend op de verjaardag die te snel in de vergetelheid is geraakt, schrijf ik in de marge neer dat de dood van de een de ander extra alertheid oplevert: hoe sterfelijk is de mens. Sterfelijkheid hoort ook bij jarig zijn, denk ik, gewoon omdat leven en dood samengaan, ze beide het hele leven vormen en afronden. Jarig zijn, je verjaardag vieren, is een vorm van de balans opmaken, maar ook van in de spiegel kijken, van besef ten diepste, en wellicht van nieuwe hoop, van nieuwe verwachting. Jarig zijn biedt perspectief, je mag het wensen. Sterven is ophouden met jarig zijn, je bent verjaard, voorgoed, het is over met jou. En je wordt begraven tot herinnering, hopelijk met bloemen bij je graf. Ja, je kijkt de dood aan van de ander en weet de dood van jezelf nabij; laat het nog even duren, alsjeblieft, we zijn er niet klaar voor, nog niet, en denkelijk nooit.

Gisteren was ook zo’n dag van confrontatie met je diepste ziel. Je komt samen in de kapel voor gebed en gedachten, je blikt samen terug op een mensenleven, je brengt samen de dode weg, in stoet ga je langs de grauwheid, en je ziet ten slotte de kist afzakken in de diepte van het graf; je rilt, ik rilde. Wie voelt op zo’n eindemoment niet de haast om het goede leven nog vast te pakken, om de tijd van leven nog goed te maken, die tijd die ooit aan jou verloren ging?

Je hebt het niet voor het zeggen, het is waar. Wij mensen van dit uur worden voor een groot deel geleefd, ik ervaar het elke dag minstens een beetje; zoek maar ‘ns een moment van ontspanning, probeer je te ontladen van stress en plicht en zie, je hebt weer een heleboel dingen te doen, het gaat vaak van ó ja, niet vergeten, dat en dat moet nog gebeuren, eerst maar even doen. Ik dacht ooit: als ik vijfenzestig ben, neem ik de hele tijd die misschien nog komt voor mezelf. Schitterend idee. Laat het je lukken, zus, want je bent part van de wereld, van het mensdom, onderschat het niet.

In onze levensdagen zijn de indrukken van buitenaf enorm, eigenlijk is er aldoor te veel aan informatie gaande, je hebt nauwelijks de mogelijkheid om tot jezelf te komen, je wordt overspoeld met nieuws en nog eens nieuws. Ik vind het wat dát betreft geen mooie tijd. Daar komt bij dat de wegen in ons landje haast niet meer te bereizen zijn, de vele auto’s maken lange files, er zijn ontelbaar veel mensen onderweg, ze hebben ieder hun leven te doen, ze hebben ieder hun werk en hun bestemming, en dat mag, maar we zijn verkeerstechnisch nog lang niet klaar om de stroom autoverkeer op een aanvaardbare manier te verwerken. Enfin. Gisteren leerde ik met de autorit Uithoorn/Nijmegen dat ik voorlopig thuis wil zijn; we deden drie volle uren over deze tocht, alleen maar door het langzaamrijdend en stilstaand verkeer; bemoedigend is het niet. En zo zie je allegorisch hoe je elkaar ophoudt onderweg, hoe je elkaar benadeelt in de tijd, alles zonder dat het in je opkomt, je bedoelt het niet, geenszins. Er is winst en verlies gaande. Die auto’s maken geen bloesems, de hoge wallen maken van de wegen doorgangspoorten, er is geen uitzicht meer op de wei met wilgen langs de sloot, het grasland met het grazende vee. Er is slechts de snelle weg naar ieders bestemming. O, we moeten zuinig zijn op elkaar. Wij, de reizigers van vandaag, moeten de weg vrijbanen voor elkaar, elkaar de ruimte gunnen om op de plaats van bestemming te komen, allen in totale eigenheid. Maar de felle gehaastheid is een bestaand feit, de run naar rijkdom maakt de wereld arm aan mooiheid, de drukte maakt de mensen bang. Toch mogen we blij zijn met elkaar. En we leven nog.

Ine Verhoeven, 9 april 2008

  

 

 

IC7

ALLEMAAL ZEKERHEDEN

De vogel roept haar vocabulaire de ochtend in, ze kleurt als een kleine tovenaar het grijze circuit van de laatste dagen met haar eigenzinnige vrolijkheid; alles is weer blij gestemd in mijn huis. Dat beestje is heus als balsem op de zere plek, een verwonderlijk stukje vreugde dat je om niet toevalt. Wat zou een mens beginnen zonder een lachende vogel in zijn buurt, juist bij diepe treurnis? Zo’n beest staat voor genade, en dit is het mooie: ze is zich van niets bewust.

Een mens mag gerust treuren bij een verlies of een slecht bericht, maar niet te lang, het baat geen mens noch jou. En dit leer je, als je het weet te zien, van een ongecompliceerd vogelgedrag: je moet doorgaan met jouw leven, blij zijn, besefvol bestáán; je mág dat, nee, je móét dat doen. Straal het léven uit, niet de dood, en tel met je eigen menselijke weten je zegeningen, het zijn er veel.

Het leven hangt van onzekerheden aan elkaar, en als je erover nadenkt, zijn het in werkelijkheid allemaal zekerheden die je niet wilt, die je verdringt, je kunt ze niet gebruiken, je wilt ze afhouden tot in lengte van dagen, en je doet het ook - maar al lijkt het ver weg, lijkt het ergens daar ooit in de eeuwigheid te bestaan: ook tot in lengte van dagen houdt een keer op. Je tijd raakt op, is op een zeker moment voorbij: stop, je bent over.

Het is de kleine Margarethe overkomen, op 3 april in de vroege morgen ging ze dood, heeft ze zich, van bovenaf opgelegd, vereenzelvigd met de eeuwigheid, met dat huis in de verre verte waar ze onverhoeds voorgoed is ingetrokken.

Met alle goede zorg om haar heen, stierf ze toch nog eenzaam. Ach, je ziet het vaker gebeuren. De dood is geniepig, niet echt een eerlijke gast - of toch wel? Misschien is haar tóch een boel paniek onthouden, misschien was dit voor haar de beste manier om weg te gaan, gaf dit doodgaan haar meer gerustheid in haar laatste moment, bij haar laatste zucht. Je weet het niet, je kunt het nooit achterhalen, maar misschien dat je eigen eindemoment het je ooit openbaart. Het idee op zichzelf temt je nieuwsgierigheid wél.

Hoor! De oude vogel zingt haar lied. Dat deed Margarethe ook altijd, ze zong haar lied met blije levensvreugde, oud als ze was. Dus Carpe diem. Weet je gezegend. Leef je leven. Het is goed. Van a tot z.

Ine Verhoeven 5 april 2008

 

IC6

DENKVERMOGEN

O, wat heeft een mens veel denkvermogen, ik schreef er al vaker over. Maar de vraag is: wat doe je ermee? Ik beluisterde en bezag gisteren de live-uitzending van het debat van de minister-president met de kamerleden contra Geert Wilders. Met verbazing aanhoorde ik de betogen der wetgeleerden, toen geraakte ik perplex. Ik dacht: wat denken die mensen allemaal eenzijdig, kunnen ze niet eens luisteren en niet eens hóren, laat staan verstaan wat Wilders wérkelijk bedoelt? Mijn conclusie was ten slotte: nee, dat kunnen ze niet óf dat willen ze niet. Nu ben ik geen politiek denker, maar luisteren kan ik wél en ook nog begrijpen wat iemand zegt, ook als het Wilders is. De hele uitzending van dit debat deed me geen goed, ik sliep er ’s nachts zelfs slecht van, en dat kwam niet door het onderwerp maar veeleer door het totale onbegrip van een span opgewonden hoogdravers dat Nederland moet besturen, de bevolking hoop moet geven in bange dagen; dat kunnen ze niet, het is gebleken uit het debat dat ik goedkoop en onredelijk vond: het was alsof Wilders strafmatig voor de rechter stond, alsof hij een crimineel was die bijna gelyncht ging worden door een opstandig klasje. Ik schaamde mij voor al die domheid van dit merkwaardige kamerintellect, ik schaamde mij diep.

Waar is men mee bezig? Wat houdt vrijheid van meningsuiting wérkelijk in? Wat gebeurt er bij ons in Nederland? Hadden wij in de veertiger jaren geen rampzalige oorlog doorstaan en de vrijheid bevochten met veel te veel offers en mensenlevens als losprijs? Wat hebben we ervan geleerd? Wat is vrijheid voor ons? Wat is democratie voor ons? Want wie durft nog uit te spreken wat hij denkt en voelt en ervaart, wie durft nog hardop te zeggen wat hij anders zou willen zien, of wat hem ten diepste beangstigt in de huidige maatschappij?

Wat ik ervoer aan de directe tv-uitzending was een nare strijd, een onverhoeds gebekvecht dat regelrecht op de persoon werd gespeeld, op de man Wilders die zijn confronterende missie moest verdedigen bij de Nederlandse regering, het was geen debat maar een aanklacht tegen hém, hij stond als eenling tegenover een aantal verhitte mannetjes en vrouwtjes die, zelfs beroepsmatig, niet weten wát aan te zullen vangen met eigentijdse vragen en concrete feiten van formaat.

Weet je wat het is? We moeten allen ons geloof behouden in elkaar, in medemenselijkheid en menswaardigheid, in recht en rechtvaardigheid, in gelijkheid en democratie, kortom: in de doodgewone, alledaagse goedheid onderling en in het respect voor elkaar; we hopen immers allemaal dat op een dag de grote vrede komt? Maar hoe zou die vrede ooit kunnen bestaan als we elkaars gedachtegoed niet willen of niet kunnen doorzien?

We mogen ons, juist als de christenen van vandaag, niet laten leiden door goddeloze angst, of door een hardnekkig misverstaan. Waarom maken we ons en elkaar monddood, zorgen we voor patstelling? Omdat de andere mens ons angst inboezemt? Omdat we bang zijn voor represailles? Maar je gaat daarom iemand die bestaande feiten, ongeacht welke, openlijk en oprecht van binnenuit durft te verwoorden toch niet demoniseren? Dat gaat me te ver. Ik wil noch kan in de toekomst kijken, maar ik ga wél bidden om meer begrip en om het behoud van recht op het vrije woord: voor en van álle mensen hier in ons lieve landje, en wie weet waar nog meer. O, er valt nog genoeg te denken.    

2 april 2008

 

IC5

NIET ZOMAAR EEN FEESTJE

We hadden een feestje in Sint-Walrick. We vierden mijn vijfenzestigste verjaardag. Alle genodigden waren gekomen, één vriendin liet het afweten. Het was een select gezelschapje. Enkele vrienden had ik tevoren van de gastenlijst geschrapt, omdat ik al veel te lang - het gaat om vele jaren - hun concrete uitnodiging voor een tegenbezoekje mis; een visite hoeft niet lang te duren, ik houd het niet eens vol. Daarom ontbraken zij.

Het feestje was een echt feestje. Een keuvelfeestje. Zo’n gemoedelijke samenkomst van mensen die lekker zichzelf kunnen zijn, hun woorden niet hoeven wegen en gerust hun Brabantse tongval de vrije loop laten. En o, mijn dialect, daar houd ik van. Ik had ditmaal geen strak protocol gemaakt, gewoon omdat ik zélf aan ontspanning toe was; wie wil zijn vijfenzestigste verjaardag vieren in een keurslijf van plichten? Ik had er geen zin in en ik moet zeggen: het beviel me goed. En last but not least: ik was een rijke vrouw, want mijn thuiskinderen waren bij me, ze waren gevieren relaxt van de partij. Wat wil je oude hart nog meer? Ine’s verjaardag 2008, verwonderlijke mijlpaal, is goed geweest.

Vanmorgen was ik in de mis in Huize Rosa: Maria Boodschap werd gevierd. Ik was er met een dankbaar hart. En dan - wat is het lot toch bizar - werd plotseling bij de voorbede mijn naam genoemd. Ik schrok écht toen onze gewaardeerde celebrant Frans B. met zijn gouden stem mijn eenvoudige naam uitsprak en mijn nieuwe leeftijd bekend maakte; het geschiedde alles in de Rosakapel bij de Dominicanessen van Neerbosch. Ik was hooglijk verrast. Later hoorde ik dat de zusters mijn naam hadden opgeschreven omdat zij dankbaar zijn voor wat ik hun aan schoons en goeds in woord en geschrift aanreik: ‘Ine betekent heel veel voor ons.’ Ik was ontroerd. En nóg raakt het me diep, stemt het zusterlijke gebaar me blij en dankbaar en zeer content. Dus legde ik deze fijne geschiedbeelden vast in een kort maar waardevol schetsje ter memo; waardevol, in ieder geval voor mij.

Ine Verhoeven, 31 maart 2008.

IC4

GENADE MET TWEE GEZICHTEN

Op uitnodiging van de rector der redemptoristen lunchten we op eerste paasdag 2008 in de refter van het voormalige kleinseminarie de Nebo in Nijmegen. Het was me een eer. We arriveerden met de wetenschap dat dit jaar het laatste paasfeest werd gevierd in dit redemptoristische bolwerk. Ze gaan vertrekken, de confraters. Weg uit het begrip dat Nebo heet. Het imposante gebouw, dat ze heel lang hebben bevolkt, is gelijk een gedegen vesting. Ik geloof niet dat er iemand van buitenaf is die ongevoelig het klooster betreedt; daar langs de hoge, stenen trap via de massieve deur binnen te gaan, is niet alleen indrukwekkend, het roept ook een hoogstaand heimwee op, denkelijk vanwege het oerkatholieke karakter van het kloosterlijke Nebo-interieur.

Het was Pasen in de noen. Het klokkengebeier was over, de eucharistievieringen waren geweest, het gelovige volk was huiswaarts gekeerd, was weg. We werden warm verwelkomd door de rector én de oud-rector, geestelijken van formaat. We dronken een voorafje met de confraters in de volle recreatiezaal, allen eens prominente mensen, allen thans broze mannen; allen ook met ingetogen gezichten, oud en getekend, maar soms nog opmerkelijk jeugdig, vooral in de ogen; het viel me op en ik was ontroerd. Verheven en groots waren ze vroeger geweest, deze grijze mannen van God, nederig en nietig zijn ze nu. Ze hebben geleden aan de tijd, zoals alle mensen die langer leven, lijden aan de tijd. Je kunt het genade noemen, genade met twee gezichten. Omdat niemand graag sterft.

Zo degelijk als het bolwerk is, zo fier en statig als het in de tijd overeind is gebleven, zo gebogen en bescheiden zijn deze mensen, die er ooit hebben gestudeerd, gewerkt, gewoond, geleefd. Velen zijn er gestorven en liggen er begraven, ergens in de immense tuin, een landgoed waar het ruist en gonst van het leven in de zomer, maar in de winter is het er stil, bijna doodstil. Het is hier heilig, dacht ik. Die mannen zijn heilig, dacht ik. Ze moeten wel heilig zijn, anders houd je het niet vol tussen het katholieke glas-in-lood en de hoge schutsmuren die als het ware als stenen engelen zonder gezicht in de ruimte staren, strak wit en kil verkloosterd als ze zijn.

Wat is heiligheid? dacht ik. Moet een mens om heilig te worden of te zíjn, zijn leven overslaan? Nee, dacht ik ook, zij hebben hun leven niet overgeslagen, zij hebben hun leven geofferd aan God ten dienste van de mensheid en van de moederkerk, tot verwerkelijking van het rijk Gods op aarde dat nog altijd geen vaste vorm heeft, dat nog niet ten volle bestaat. Of toch wel, dacht ik, in dit late huis van broosheid ademt God immers met zijn oude mensen mee, is hij immers met hen onderweg naar het nieuwe land van Pasen? God laat zijn belofte niet los. God laat niet af. De tijd heeft de Nebo anders bestemd. Maar mensen van God blijven mensen van God. Daar heeft de tijd geen aandeel in.

Toen we huiswaarts keerden, was ik een zegening rijker, de zegening van een gastvrij onthaal door een glanzend gezelschap van God zelf. Het was nóg Pasen in de Nebo.

Ine Verhoeven

26 maart 2008

 

 

IC3

GEPENSIONEERD

Oude mensen en oud zijn, dat is iets voor later, denk je als je jong bent, voorlopig heb ik tijd genoeg. Dat klopt, voorlopig héb je tijd genoeg, en die ruimte in de tijd duurt tot je jonge tijd voorbij is – en hoe snel dat gebeurt, weet iedereen die al wat ouder is.

Natuurlijk is niemand inééns gepensioneerd, je weet al jaren aan een stuk dat de pensioengerechtigde leeftijd in aantocht is; ijverig, met rasse schreden komt hij naar je toe, je voelt het, je weet het, je ervaart het aan den lijve, al rek je graag in gedachten de tijd die je had en nog voor je ziet liggen, je hoopt het tenminste, maar dan, toch nog sneller dan je vermoedde, staat hij voor je neus met dag en uur en je weet: je bent in je laatste fase beland, de deur van je langste tijd slaat achter je dicht, de deur van nog even gaat voor je open; je ben gearriveerd bij omzien en herinnering, en je vraagt je af hoe je verdergaat, wat je nog betekenen kunt vooral voor wie je lief zijn. Och, er is dan wel gezucht en gepeins vanuit weemoed en gehechtheid, maar je beseft heel goed dat niet iedereen de vijfenzestig haalt, dat je een hoge genade ondergaat als je die klinkende leeftijd mag bereiken.

Gepensioneerd. Schrik je ervan? Nee, je schrikt niet meer zo gauw, althans niet van een leeftijd. En het frappante is dat je aanvankelijk tegen ouder worden opzag, je schoof het denkbeeld liever weg: het is nog lang niet zover, maar nu je ervoor staat, je aan de tijd bent gegroeid, is de ouderdomsangst wég. Ja, de mens lijdt het meest, door het lijden dat hij vreest. Maar oud zijn is geen lijden, mag geen lijden zíjn; oud zijn is oogsten, is je tijd op een aangename manier indelen; oud zijn is vrijheid, is jezelf eindelijk kunnen vinden, of hervinden, dat kan ook. Natuurlijk, je kunt ziek worden, erger nog, maar je kunt ook veel ongemakken opvangen, je broosheid een betere plaats geven, je gemankeerdheid met meer souplesse leren hanteren, dat kan heus als je vindingrijk bent, creatief nadenkt en jezelf toestaat, hoe dan ook, dat je oude leven nog zeer de moeite waard is.

Gepensioneerd. Het is een zakelijk woord voor een ludieke situatie. Zeker, het is het harde teken van je laatste fase, maar als dat goed tot je doordringt, laat het dan ook een móóie fase zijn, een fase van waarde, van smaak, van rust, van wijsheid, van lievigheid, van begrip; een fase van bezoek, van muziek, van lezen, van gedichten, van samen koffiedrinken, zo’n soort fase dus. En lach eens een keer tegen je spiegelbeeld, je houdt hem toch niet tegen, hij krast de lijntjes graag en diep in je oude huid, gewoon omdat hij je leven wil tekenen opdat jij je zegeningen nog eens natelt.

Gepensioneerd. Is het trouwens niet chic om gepensioneerd te zijn? Waarom draag je geen hoed, een met veren of bloemen? Of een alpino, lekker artistiek? Het is nog warm voor je dove oren ook. Nee, je hebt geen binding meer met de grillen van de mode, je bent vrij om te dragen wat jíj prefereert. Gepensioneerd. Tel je zegeningen, tel ze allemaal.

Ine Verhoeven

20/24 maart 2008

 

IC2

COMMUNICEREN

Een mens communiceert altijd. Je kunt alleen zijn, helemaal alleen, maar communiceren doe je, ook al is het maar met jezelf. Je communiceert met je innerlijk, je denkbeeld, je gesteltenis, je ego. Ik keek vanmorgen naar mijn papegaai en hoorde haar brabbelen en praten, niet tegen mij, ze murmelde in zichzelf, tegen zichzelf. Ze communiceert ook zonder een andere papegaaienziel in haar buurt. Wij mensen doen niet anders. Ga maar eens na wat je ongemerkt allemaal tegen jezelf zegt, niet expliciet hardop maar stilletjes vanbinnen, je doet het de hele dag door, en als je wakker bent, bepraat je jezelf al denkende door de nacht heen, er is altijd communicatie, minstens met je ziel, dus met je diepste innerlijk. Je kunt het denken noemen, dat is het ook, maar vrij vertaald is denken in mijn optiek een voortdurend met jezelf in gesprek zijn.

Het is op die manier dat een mens imaginair zijn innerlijk verplaatst en bijgevolg a.h.w. communiceert met een andere wereld, met een wereld dus die hij zich voorstelt; hij praat met God, met de engelen, met de heiligen, met een overledene; men noemt deze innerlijke spreekvorm voornamelijk bidden. Onze gebeden stijgen op ten hemel, zeggen we wel. In werkelijkheid mag je het alleen maar hopen, want er is niets anders gaande dan je eigen communicatie met je eigen creatieve innerlijk. We versterken ons gebed ook wel met een sacrale plaats te bezoeken, een gewijde plaats die van God wordt gedacht. In zo’n geheiligde ruimte voel je als het ware de gebeden bekrachtigd worden, alsof ze worden gehoord, ergens in de verte, misschien dichtbij. Het is wel een wat merkwaardig communiceren. Er is niemand en jij blijft maar praten, zinnen formuleren in je contact met de onzichtbare God, met iets of iemand ergens in de hoogte of ergens in de verte, het was je van jongs af aan aangeleerd. Er is echt niemand en het zindert er tóch van de gebeden, onhoorbaar als ze zijn, en de ruimte is er gevoelsmatig mee gevuld alsof iedereen en alles in gebed is, tot de doofstomme heiligenbeelden toe. Men communiceert, bidt, praat, smeekt. Gelukkig kúnnen we bidden, mógen we bidden, wordt bidden door velen gezien als een heilzame deugd, een zinnige bezigheid. Het klopt ook wel. Bidden heft éven de eenzaamheid op. Bidden troost éven je ziel. En bidden is genade, alleen al omdat het éven je innerlijk verkwikt, éven je ziel verheft boven je somberheid uit. Je voelt je goed bij bidden, je voelt je soms zelfs beter, minder gekwetst, minder broos, minder leeg, minder achtergelaten. Bidden getuigt van een uniek vertrouwen, want je vindt je gehoor in de leegte; wie heeft je serieus gehoord? Op die manier is concreet communiceren met de mensen niet specifiek nodig, zou je denken.

Ik kijk naar mijn papegaai en zie dat ze innig tevreden haar maaltje oppeuzelt. Af en toe brabbelt ze iets tussendoor. Ze is een gelukkige vogel, dat kun je merken aan haar gedrag. Zou ze een extra vogelzieltje in zich dragen zodat ze nooit echt alleen hoeft te zijn? Ik vind dat ze het best heeft verdiend, zo’n vriendenbeest om mee te kwekken. Maar ze is oud en te veel solist om nu nog een vogelmaatje bij haar in de kooi te plaatsen, het zou niet goed uitwerken; niet alleen mensen, ook vogels worden eenkennig op de eenzame lange duur.

Ik denk maar zo: laat ons bidden tot God en vooral communiceren met elkáár. Samenspraak, omgaan met elkaar, het is broodnodig voor ieders gemoed, en niemand verdient het om verpieterd achter te blijven. Je hebt elkaar nodig om te kunnen leven, al mag het onderling soms wél wat hartelijker zijn. Communiceren is belangrijk om je denkbeelden uit te wisselen, die denkbeelden die je ontwierp in je eenzaamheid, of in je lege of late uren. Schrijven, bijvoorbeeld, is ook zo’n zelfkantcommunicatiemiddel: je schrijft feitelijk de dingen aan jezelf, je bent feitelijk je eigen lezer, je private hoorder; en je hoopt ook nog dat jouw zorgvuldig beleden woord wellicht later wordt gelezen met medemenselijke instemming en begrip; je moet het geluk immers hebben van je soort?

Maar toch, al ben je van god en alleman verlaten, je hebt altijd jezelf nog, je ziet het aan mijn oude papegaai die gedurende haar lange vogelleven nimmer was ingestort van eenzaamheid, maar ondanks alle sociale beperktheid haar levensvreugde heeft behouden. Soms is een kleine vogel de grote mens tot voorbeeld. Dus praat en bidt de ruimte in zoveel je wilt, maar blijf, als het kan, communiceren met de mens, broos en onzeker als jij.

© Ine Verhoeven 19.03.2008

 

IC1

ALLES MOET ANDERS

Er zijn van die dagen dat je denkt: alles moet anders. Zal ik mijn haar laten knippen, flink kort, of zal ik een gemaskerd feest geven met minstens 100 mensen, of zal ik verhuizen naar een ver land, of neem ik een hondje, eentje uit het asiel, zo’n weggedaan beestje dat er ook niks aan kan doen? Alles moet anders.

Je hebt maar één leven, dat is de crux, je doet alles eenmalig, niets kan opnieuw, niets kan op dezelfde voet verdergaan; situaties wisselen, lieve mensen gaan dood, vriendschappen vallen om als ze niet overeind willen blijven door wat dan ook en de zon wil maar niet komen en als de zon wél komt, is het weer veel te heet in dit land. Alles moet anders. Soms zou je het willen. Maar meestal toch weer niet. Het is alsof een ingebouwde weegschaal voor de grap uit balans is geraakt, om te pesten, te verwarren: wat wil je nou echt, ja of nee, links of rechts, moet alles nou anders of niet?

Op een keer zei mijn toenmalige partner dat hij naar een ver wijd land, nog voorbij Australië, wilde vertrekken met het hele gezin en de levende have erbij. Alles moet anders, zei hij, en of ik maar mee wilde gaan. Na veel wikken en wegen, zelfs na een proefvlucht naar Zuid-Spanje heen en terug omdat ik aanvankelijk niet durfde vliegen, zei ik nee, want het leven was hier veel te goed. Het leven is overal goed, zei hij, maar ik weigerde te emigreren en mijn landje, mij zo vertrouwd, achter te laten. Toen zijn we nationaal verhuisd, van Den Bosch naar Vught, en het gaf een heleboel aan alles moet anders, en je weet nog steeds niet precies waarom je toen zonodig van adres bent veranderd, maar alles moest anders, ook toen.

Merkwaardig eigenlijk, dat alles ineens anders zou moeten. Hoezo moet alles anders? Het leven is alle dagen en alle uren en soms zelfs per minuut anders, het leven is nooit gelijkmatig, ik heb het niet over de tijdspanne van de dag, dat is het natuurregime, ik heb het over de menselijke wisselvalligheden in het leven van alledag, wie kent het niet? Nu heb je rust en ineens gebeurt er iets, wat dan ook, en alles is anders, soms onverkwikkelijk, onverdraaglijk, soms vrolijk, kan ook, maar pats-boem, en alles is anders.

Het voelt zo heerlijk knus in mijn huisje, met de vogel erbij en soms met mijn goede vriend op de koffie of bij de lunch, lekker gelijkmatig knus; en hoe kras kun je je voelen als je soms met het autootje door de provincie toert en lieve mensen bezoekt, lekker gelijkmatig kras; en soms zit je muurvast in je eigen systeem, niet zo lekker te noemen, maar als je er dan op uittrekt, al is het maar even naar de slager of de groenteboer, dan is alles weer anders genoeg, denk ik. Het is maar wat je verlangt van het leven, wat je verwachting nog is van elke dag er nog te mogen zijn. Ik merk dat de leeftijd ook al aantelt in mijn toekomstvisie, mijn perspectief. Níks alles moet anders. Het is helemaal goed zoals het is. Ik heb het druk genoeg met elke nieuwe dag die van zichzelf steeds helemaal anders is. Ik laat mijn haren niet knippen, geef geen feest, ga niet verhuizen en er komt geen hond. Nou ja, misschien een piano. Maar dat is iets anders.

Ine Verhoeven 13.03.2008