‘The Boy and The Honey Guide Set Off’ © 1992 by Francesca Martin from The Honey Hunters.

 

Luister, vogel, luister

Eindredactie Ine verhoeven

Verhalen en Gedichten

LUISTER, VOGEL, LUISTER

Met teksten van:

Wim Baars

Ria Berke­laar-Wirsing

Frans Boddeke

Piet van der Brug­gen

Sybil van der Maat-Rooy

Johan Meij­er

Mieke Morgen­stern

Gerard Poiesz

Jack Snackers

Bernhard Speeken­brink

Ine Verhoeven

Patricia Viguurs

Samenstelling en eindredactie: Ine Verhoeven.

Lay-out: Jos Kruunenberg.

Druk: Daja-stichting - Den Dungen.

Uitgeverij: Stichting VERBOD Writers & Publishers - Nijmegen.

ISBN 90-76576-03-3.

Copyright 1999 VERBOD Writers & Publishers - Nijmegen.

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of open­baar gemaakt worden door middel van druk, microfilm, fotoko­pie, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook en evenmin in een retrieval system worden opgenomen zonder nadrukkelijke bronvermelding en met ten minste de naam van de au­teur­(s).

We deelden onze dromen en waren verwonderd.  

Eerste druk: mei 1999; 400 exemplaren

 

Woord vooraf

Als de dag van Pinksteren nadert, krijgt de zon meer haast; ze wordt krach­ti­ger; ze stuurt haar warmte langs­heen het bloei­sei­zoen en bun­delt haar hitte feller naar de oogsttijd toe, wat later in de zomer­tijd. En de geest van de zon warmt op, warmt op en speelt, hij moedigt aan tot het vol­groeien, alles; dat doet de geest van de zon die er is, hij ís, en doet zijn.

 

In alle mooiheid van het leven, zoals in het spel met de zon, beleven de mensen de krachten van leven en dood; zij staan op en werken, weten en herkennen; zij rusten en slapen, dromen en bestaan. Langs deze contouren in de tijd beleven zij de din­gen die zijn. En nergens is de tijd grijpbaar, zichtbaar; en niet tastbaar is hij; onhoudbaar en onafwendbaar, ook. Ja, de tijd. Elke tijd heeft zijn geest, de tijdgeest. In cirkels draait hij om en om, en voorbij; zo herhaalt hij zich weer, om en om, en voorbij. In die tijdgeest zijn de uren, de dagen, de maan­den, de jaren; en in die geest bestaan de mensenlevens in opkomen en onder­gaan, zoals per etmaal de zon opkomt na de nacht, en ondergaat na de dag. En in alles en allen is geest.

 

In de geest van de hemelen, daar achter de zon, schreef een dertiental karaktermensen zijn woorden van goed, van God, van lief, van leed, van begin, van einde - Alfa en Omega - met de missie om de mensen, hier ónder de zon, te verheugen en tege­lijk tot nadenken te stemmen, nog meer, om te komen tot een oecume­ne in de ruimere zin; om te komen tot meer begrip voor elkaar, voor de ander, voor wie de ander ! ís; want hoevér staan vaak júíst gelovige mensen van elkaar af; of ik van mijn naaste. Luister, vogel, luister is mede hierom met zorg ge­schreven en samenge­steld.

  

De VERBOD-groep hoopt aan de oecumene in beweging een gezonde spirituele bijdrage te leveren met dit zomerboek vol woorden met geest, sacraal en profaan, steeds níét schuwend de levende realiteit.

Ine Verhoeven, eindredactie.

 

LUISTER, VOGEL, LUISTER

Door Ine Verhoeven

 

Luister, vogel, luister

Ik heb je lied gehoord

Je lied over de wolken

Je lied over de zee

Je zong je lied de wereld in

En ik zong met je mee

 

Luister, vogel, luister

Ik heb je klank gehoord

Je klank over de mensen

Je klank over het kind

Je floot je klank de wereld in

En ik floot met je mee

 

Luister, vogel, luister

Ik heb je woord gehoord

Je woord over de hemel

Je woord over het licht

Je droeg het woord de wereld in

En ik, ik droeg het mee

 

Luister, vogel, luister

Vlieg opwaarts hoog naar God

Vertel Hem van mijn liefde

Zeg Hem mijn hunkering

Je blies Zijn Geest de wereld in

En ik, ik adem mee

 

Luister, vogel, luister.

 

ROZENPASEN EN GEEST VAN GOD

Van bloemen en duiven, van alle schoons rond Pinkste­ren.

Door Frans Boddeke

 

Vol­gens een oud volksgeloof deed de zomer haar intrede in de per­soon van de Pink­ster­bloem. De Pinksterbloem werd ook wel de Pink­ster­bruid of de Meikonin­gin genoemd. De Pinkster­bloem beeld­de de groei­kracht of de vrucht­baar­heid uit. Zij werd niet alleen met bloemen versierd, maar ook met zilve­ren bellen, beugeltas­sen, gouden kettingen, zilveren lepels en vorken. Hoe rijker zij er uit­zag, des te overvloedi­ger zou de zomerse overvloed voor de bevolking worden. Soms droeg de Pinkster­bloem op een presen­teer­blad een zilveren duif.

De Engelse dichter Tennyson dicht­te over de Pinksterbloem:

O, roep mij morgen, moederlief,

bij de eerste schemering op.

Want morgen is 't een blijde dag,

dan stijgt mijn vreugde ten top.

Geen schoner dag ik immer zag,

want morgen ben ik pinksterbloem

en koningin van 't feest.

Ook werd met Pinksteren de vrijers­markt gehouden. Tot op de dag van van­daag wordt op tweede pinksterdag te Schoorl de meidenmarkt gehouden. De meidenmarkt is volgens oud gebruik de gewoonte om een markt te organise­ren voor de huwba­re jonge mensen. De macht van de ouders en het geld speel­den een hoofd­rol bij dit uithuwelijken. Het speleva­ren en het flik­flooien liepen veelal uit op vechtpartijen. En nog steeds komen op tweede pink­sterdag jongens en meisjes samen bij de duinen. De jongens klimmen op de duin en proberen de meis­jes naar beneden te trekken. Liefde speelt hierbij meestal een gerin­gere rol dan het bier drinken. Een jongeman in 1999: 'Iedereen komt om te zuipen, ik zuip wel vijftig flesjes leeg!'

Op Pink­stertwee (op maandag) en op Pink­ster­drie (op dins­dag) vonden bede­vaarten plaats. Zo trokken pelgrims bijvoorbeeld naar Onze Lieve Vrouw van Groenin­gen in de buurt van Kortrijk. Zij lieten zich pepe­ren, zich slaan met roeden. Ook kregen zij peper­koe­ken en peper­bollen. Het peperen zou de vrucht­baar­heid bevorderen.

Op Pinksterdrie trekt nog altijd de procession dansante of de spring­pro­cessie naar het graf van Sint Willibrord te Echter­nach in Luxemburg. De springers springen drie schreden voor­waarts en vervolgens weer twee stappen terug. De legende verhaalt dat het vee eens door een bepaalde spierziekte ge­troffen werd, waardoor het zich doodsprong. Opdat hun dieren weer zouden genezen, trokken de boeren zelf sprin­gend ter bede­vaart. Ook is er de legende dat een ter dood ver­oordeelde man als laatste wens vroeg om op zijn viool te mogen spelen. De melodie, die hij speel­de, was zo onweer­staanbaar dat zowel de beul als de kijkers dromerig begonnen te dansen. De violist kon zich daardoor al spelend uit de voeten maken.

 

Het joodse Pinksteren

Pinksteren, het feest van de vijftigste dag, wordt ook wel Cinxen of Pentecos­tes genoemd. Cinxen herinnert aan het Franse cinq en Pentecostes aan het Griekse pente, dat vijf betekent. Pentecostes betekent vijftig.

Ook het joodse volk viert vanouds het feest van de vijftigste dag. Vijftig dagen of zeven weken na de uittocht uit Egypte -vijftig dagen na de voorbij­gang van de verderf­en­gel, die de eerstgebore­nen van het Egyptische volk ombracht, zodat het joodse volk Egypte kon ontvluchten - viert het joodse volk Sche­boe­ooth of het weken­feest. Men dankt God voor de oogst.

Deze feestdag wordt beschreven in Leviticus 23,5-22. Het paasfeest is de herinne­ring aan de bevrij­ding uit de slaver­nij, het weken­feest is de herinne­ring aan de eerste oogst in het be­loofde land, het is de vrúcht van de bevrij­ding. Later herdacht men op deze dag voornamelijk de Wetge­ving bij de berg Sinaï.

 

Het christelijke Pinksteren

De christenen vieren op Pinksteren het feest van de neder­daling van de heilige Geest over de leerlingen van Jezus. Het ver­haal staat in het bijbelboek 'De Handelingen van de Aposte­len', hoofdstuk 2; het beschrijft hoe de Geest Gods over de leerlingen komt en hun de zevenvoudige gave schenkt. Deze zeven­voudige gave ver­wijst naar de profeet Jesaja (11,1-4):

Een twijg ontspruit aan de stronk van Isaï,

een telg ontbloeit aan zijn wortels.

De geest van de Heer rust op hem,

een geest van wijsheid en inzicht,

een geest van beleid en sterkte,

een geest van kennis en ontzag voor de Heer;

de geest van de vrees voor de Heer zal hem vervullen.'

De tekst van Jesaja gaat verder met:

Hij spreekt geen recht naar uiterlijke schijn (...)

hij geeft de geringen hun recht (...)

de wolf en het lam wonen samen (...).

De Geest Gods is niet alleen iets innerlijks, maar manifes­teert zich in het nastreven van vrede en gerech­tig­heid.

 

Elementen uit het pinksterverhaal

1. 'Op Pinksteren kwam er uit de hemel een geraas alsof er een hevige wind opstak, en het vulde heel het huis waar zij wa­ren. (...) Alle leerlingen raakten vol van heilige Geest.'

Het Hebreeuwse woord voor Geest is het vrouwelijke ruach, het Griekse woord voor Geest is het onzijdige pneuma. Pneuma betekent adem, wind, maar ook zuchten, storm, on­grijp­bare geest(e­n). De Adem Gods, de Geest, daalt neer over de leer­lingen, zoals de profeet Joël (3,1-2) voorspeld had: 'Ik zal mijn geest uitstorten over alle mensen.' Men kan ook denken aan het verhaal van Ezechi­l (37,1-14) waar de Adem in de dode ­beende­ren wordt geblazen, zoals JHWH eens de le­vens­geest in de eerste mens blies. Adem als le­vendma­kende geest die le­ven schen­kt aan hen, die geen hoop meer heb­ben. Zo laat de televi­sie ons bijna dagelijks beelden zien van dode men­sen, mensen met afgenomen geest. De beelden doen denken aan het begin van dit visioen van Ezechiël: dat er alom dood is. Maar het visi­oen van Ezechiël laat óók zien hoe de levenlo­zen tot leven komen, hoe Gods Geest vaardig over de dode beenderen wordt. De Geest blaast over de dode beenderen en de beende­ren komen bij elkaar, worden met vlees over­dekt, richten zich op en zijn weer mens. De Geest verandert dood in leven. Hoe zo'n visioen moet worden toege­past op mensonterende toe­standen in onze samenleving, het is een groot vraagte­ken, maar toch is het goed het visioen zorg­vuldig te bewaren.

2. 'Er verschenen hun vurige tongen, die zich verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten. Zij raakten vol van heilige Geest.' 

Dit opmerkelijk verschijn­sel herinnert aan de tekst van Lu­cas (3,16): 'Hij zal u dopen in heilige Geest en vuur.' Vuur is beeld van de eindtijd, beeld van de voltooi­ing. Bij de term vuur kunnen we echter ook denken aan Gods vurige ver­schij­ning bij de Sinaï: 'De Sinaï was geheel in rook ge­huld, omdat de Heer in vuur was neerge­daald.' (Exodus 19,18) Het hemelse vuur als teken van de gave van de leven­gevende Woorden Gods op de Sinaï.

Vurige tongen spelen verder een bepaalde rol in de profetische ge­schri­ften. Ook spreekt Adonaï vanuit het vuur tot Mozes en gaat Hij in een vuurkolom zijn volk vooruit.

3. 'De leerlingen spraken in vreemde talen, zoals de Geest hen ingaf.' Het spreken in vreemde talen wordt door de Geest ingegeven; het heeft betrekking op Gods geheimen, die door dit vreemde spreken verborgen blij­ven, en die pas onthuld kunnen worden door de aanvullende gave van de vertol­king; het vreemde taal­gebruik, glossolalie of tongentaal genoemd, kan pas begre­pen worden door het charisma van de uitleg­.

 

De Geest uitgebeeld

In de middeleeuwen werd de nederdaling van de heilige Geest symbo­lisch uitge­beeld. Tijdens de eucharistieviering strooide men rode pioen- of rozenblaadjes uit het kerkgewelf naar beneden. De rozen­blaadjes beeldden de vurige tongen uit. Soms gebruikte men blaadjes van zeven verschillende bloemsoor­ten. Pink­ster­bloemen bij uitstek waren de sering, de iris, de mar­griet, de koekoeks­bloem, de pioen, de koren­bloem, de papaver. Daarom kreeg Pink­ste­ren ook wel de naam van Pascha Rosarum of Rozen­pa­sen. In Rusland noemt men Pinksteren aan wel Rosalia, Rozen- of Bloe­menfeest.

Soms liet men met Pinksteren een witte duif door het sterren­gat de kerk invliegen. Bij gebrek aan een echte duif werd ook wel een houten duif uit de nok van de kerk neergela­ten. Tij­dens de dienst bleven de deuren van het kerkge­bouw geslo­ten, ter herinnering aan het feit dat de leerlingen van Jezus de deur gesloten hielden uit vrees voor de joodse overheden.

 

In de tijd van olim stonden bij het altaar zeven priesters. Ze beeldden de zeven gaven van de Heilige Geest uit. Om dezelfde reden werden in het priesterkoor zeven kaarsen ontstoken. Tijdens het Veni, sancte Spiritus - Kom, heilige Geest - klonk schetterend bazuinge­schal, dat de storm tijdens het komen van de Geest én de ijver van de apostelen na de Geestga­ve vertolk­te.

 

De Geest van Jezus

Vanaf het begin van zijn bestaan heeft Jezus Gods Geest. De Geest komt over Mari­a en over de vrucht van haar schoot. Maar bij de doop krijgt Jezus de Geest in zulk een overweldi­gen­de mate dat hij God abba, lief vadertje, gaat noemen. En als de gezalfde met Gods Geest geeft hij het heil door aan de mensen, die bij hem komen. In Gods Geest gaat Jezus geestdrif­tig en weldoende rond. Hij bestrijdt met name de onreine geesten om mensen vrij te maken. Het hoogte­punt van de Geestgave wordt bereikt als Jezus zijn dood aan­vaardt. Op dat moment geeft Hij de Geest ten volle aan zijn leerlingen. Zoals de Schrift stelt: 'Uit zijn binnen­ste zullen stromen water ten leven vloeien. Hiermee doelde hij op de Geest, die men zou ontvangen als men tot geloof in hem kwam.' -Johannes 7,37-39. Jezus geeft de geest: dat is méér dan de laatste adem uitbla­zen. Het is een verwijzing naar de Geest van God, naar de nieuwe Adem.

 

Met Pinksteren gaat in vervulling wat Jezus bij het Laatste Avondmaal aangekon­digd had. Bij die laatste maaltijd houdt Jezus een lange toespraak tot zijn leerlin­gen. Hij zal heen­gaan - zo zegt hij - maar ze hoeven niet bevreesd te zijn: hij zal hun een helper zenden, de heilige Geest. Dan zegt hij: 'Kom, laten we gaan.' Hij gaat zijn leerlingen voor naar de hof van Olijven, maar een ernsti­ge crisis grijpt hem aan. Hij smeekt: 'Vader, neem alstu­blieft deze beker van mij weg.' Hij wordt doodsbang en zijn zweet valt als bloed­drup­pels op de grond! De man die even tevoren nog zelf­be­wust sprak van een helper, van de heilige Geest, ervaart zelf die helper, die goede Geest niet. Eerst ten derde dage wekt de Geest Jezus ten leven.

 

Ten gevolge van de dood van Jezus maken zijn leerlingen een aangrijpend proces door voordat zij tot de belijdenis komen dat Jezus als de opgestane bij God is. Vol met de gekregen heilige pinkstergeest gaan ze getuige­nis afleggen van Jezus als de levende. Zij belijden dat Gods goede Geest zowel in het leven als ook in het lijden en de dood aanwezig is.

 

De Geest in onze dagen

In de boekhandel van de Bijenkorf lag onlangs de twee­ntwin­tig­ste druk van het boek van Etty Hille­sum: Het ver­stoorde leven. Tweeëntwintig drukken voor een spiritueel boek, dat is een bestsel­ler. Etty Hillesum was een joodse mystica die in de oorlogsjaren in Amster­dam leefde. Haar geestelijke groei is verwon­der­lijk. Hoe groter de bedrei­gingen worden, des te groter wordt haar vertrou­wen in God. Vlak voordat zij naar kamp Westerbork gaat in 1942, schrijft zij haar lijfmotto neer in haar dagboek: 'Enfin, ik ben toch in Gods hand.' Ook in het kamp en op weg naar Auschwitz behoudt zij deze grondhou­ding. God is haar leidsman, God is haar helper, God is haar ver­trooster, God is haar goede Geest. Etty Hillesum laat zien dat de Goede Geest, dat de Liefde Gods er is in goede én in slech­te tijden*.

 

De Romei­nen­brief 5,5 zegt: 'Door Jezus' leven, dood en opstan­ding wordt de heilige Geest, wordt de liefde Gods in onze harten uitge­stort.' De heilige Geest is de Helper, de Para­kleet, de Bemoe­diger, de Trooster, de Geest die God doet kennen, de Geest die waar­heid geeft. Met waarheid wordt niet bedoeld kennis, iets weten, een verstandelijk leerstuk, zoals kennis nodig is voor een eind­examen; waarheid betekent godde­lijke levensvolheid. Deze volheid van de Geest bevrijdt de mens uit de macht van de dood, maakt hem los uit een opge­slo­ten bestaan. De volheid van de Geest in zich weten wil zeggen: de Geest in vreugde ontvan­gen én tegelijk de Geest doorge­ven, de Liefde ontvangen én de Liefde uitstralen. Zo ontstaat het Leven, zo bestaat de Geest.

* Zo betoverend mooi - Etty Hillesum en de Goede, Frans Bodde­ke 1996. Dabar-Luyten, Heeswijk.

 

HERSCHEP MIJ

Door Ine Verhoeven

 

Vandaag ben ik de mens nog die ik ben;

maar Heer, ik vraag u, herschep in mij

dat pure en dat mooie, dat wat aan mij

verloren ging door geesten van de tijd;

herschep mij Heer, maak mij vandaag weer mooi

 

Vandaag ben ik de mens nog die ik ben;

met het gezicht en met het hart van toen,

toen ik vervormd, en vervormd ben gaan

leven omdat, omdat, en anders nergens om;

herschep mij Heer, maak mij vandaag weer mooi

 

Vandaag ben ik de mens nog die ik ben;

maar Heer, ik vraag u, herschep in mij

het licht, leg in mijn hoofd een hart neer

van gedachten en win mijn ogen nieuw;

herschep mij Heer, maak mij vandaag weer mooi.

 

DE VIJFTIGSTE DAG... een brief

Door Wim Baars

 

Beste GEEST‑verwant,

Je hebt me gevraagd eens voor je op te schrijven wat Pinkste­ren voor mij betekent en met mij doet. Jij wist geen raad met wat je vroeger op school en in de kerk over die gedenkdag had ge­hoord en geleerd. Je kwam niet verder dan iets met een duif, met een stormvlaag en met vlammetjes op de hoofden van mensen. Ik neem je vraag serieus met name omdat jij niet de enige bent die met die onduidelijkheid worstelt. Precies die ondui­delijk­heid daagt mij uit om weer eens opnieuw na te gaan wat de rele­vantie van dat feest is. En dus heb ik me ertoe gezet dat oude verhaal uit Handelingen opnieuw en onbevangen te lezen dus zonder me te laten leiden door wat in de loop der jaren in mijn hoofd is blijven hangen. Dat doende ontdekte ik dat het beeld dat wij meestal van Pinksteren hebben meer bepaald is door de beelden van de iconografie dan door de beelden die de schrijver hanteert.

 

Toen die dag aanbrak, waren zij allen op één plaats bijeen: zo begint de schrijver dat wonderlijke verhaal van het geraas van een hevige wind dat het hele huis, waar zij waren, vervulde, en van vurige tongen die zich op hen neerzetten, van vol worden van de Geest van de Heilige en van het spreken in vreemde ta­len. Het valt mij op dat de duif in het verhaal hele­maal niet voorkomt! In die paar zinnen uit het verhaal zitten echter nogal wat elementen die verwijzen naar het veel oudere feest van de vijftigste dag van Pasen, van de Uittocht uit de slaver­nij van de angst: Sjawoeoth, het Wekenfeest. Op die dag stond men net als de voorouders zeven weken na de doortocht door de zee aan de voet van de Berg om te horen naar de Tien Woorden van het Verbond dat de Eeuwige hun God, die hen had weggeleid uit het slavenhuis, met hen aan wilde gaan.

 

Zoals ze al die jaren gewend waren, hadden ze zich verzameld in hun Leer­huis. Niet rond hun leraar, want die was er niet meer. Ze moesten genoeg hebben aan wat ze van hem hadden geleerd: terug naar de Bron, naar hoe de Schriften oorspronke­lijk waren bedoeld, horen naar het hart van de woorden die hun waren toe­vertrouwd, naar de klank van de Stem die erin door­klonk, naar de hartslag van de Eeuwige. Ze waren tenslotte toch leerlingen gewor­den, mensen die de traditie en de vragen van vandaag met elkaar confron­teerden om op het spoor te komen van wat hier en nu door de Eeuwige van hen werd verwacht.

 

Hoe zou hun leraar om zijn gegaan met het Wekenfeest? Hoe zou hij hen op het spoor hebben gebracht van de betekenis van de Tien Woorden? Wat bete­kende het voor hem dat hij zich steeds weer had laten leiden door de verha­len, inzettingen en geboden van de Vijf Boeken van Mozes? Wat had dat alles te maken met woorden als Schepping, Verzoening, Zorg voor de Wereld, Be­trok­ken zijn op Mensen? Ongetwijfeld hebben ze met grote zorgvul­digheid dat verhaal van het aangaan van dat Verbond (Exodus 20 en 21) opnieuw gelezen. En lezen betekende voor hen: het ver­haal tot klinken brengen, hardop voor­lezen, vragen erbij stel­len, het tot leven laten komen.

 

Christenen vieren die dag als Pinksteren (letterlijk vertaald betekent dat Vijftigste). Ze vieren het als het feest van de Heilige Geest, van de Geest van de Eeuwige, die vaardig wordt over mensen. Overkomt hen die Geest van buiten, van boven? Eerlijk gezegd heb ik met die manier van voorstellen wat moei­te. Maar hoe te zeggen wat ik bedoel in eenvoudige en beelden­de woorden?

Ik neem mijn toevlucht tot een verhaaltje uit het Chassidisme: 'Een leraar wilde graag eens de hemel zien. Het werd hem toege­staan en hij werd naar een bedompt en donker achteraf­kamertje gebracht waar de grote leraren uit het verleden samen de Thora bestudeerden. Maar voor hij de kans kreeg zijn ver­won­dering uit te spreken, hoorde hij een stem die hem zei: Je ver­gist je, deze leraren zijn niet in de hemel, de hemel is in hen.'

Eigen­lijk had ik hier hemel met een hoofdletter moeten schrij­ven omdat Hemel een andere naam is voor de nabije en immanente aanwezig­heid van de Eeuwige. Waar mensen in alle ernst stil durven blijven staan bij en in de leer gaan bij die oude wijs­heid daar is de Heer in hun midden, in hun binnenste. En het kan niet anders of dat wordt zichtbaar en hoorbaar. De Geest in hen breekt uit als een storm, slaat bij hen uit als vlam­men. Een beeld dat inspireert en warm maakt, vind ik. Gods Geest is niet ver weg, Zij is je krachtens het feit dat je mens bent vanaf de eerste dag van je leven als levensadem gegeven.

 

Kostbaar en kwetsbaar vind je? Ja zeker! Het is aan mij en aan jou om die Geest een kans te geven haar werk te doen. Daarbij: je hoeft niet op haar te wachten, ze is daar waar jij haar een kans geeft.

Wees van harte gegroet door je geest‑verwant,

Wim Baars, mei 1999.

 

GIJ

Door Ine Verhoeven

 

Gij, die verborgen

ademt in mij

Gij, niet gezien

die zucht in mij

verzucht en smeekt

en spreekt en roept

 

Gij, die onvermoed

opleeft in mij

Gij, niet gezien

die lacht in mij

opwekt en geeft

en leeft en is

 

Gij adem, Gij geest

Gij immer en immer

Gij altijd aanwezig

Gij nooit voorbijgegaan

 

Gij adem, Gij zijn, Gij amen.

 

PINKSTEREN, DIE GROENE ZONDAG

Een verhaal, een droom, een gebed.

Door Johan Meijer

 

Belgrado, een stad waar ik van hield, een wereldstad was het, met toch al wat van die sfeer van de zuidelijke Balkan waar ik me thuis voelde. Ik kwam er vaak, want ik woonde in Thessalo­ni­ki in Griekenland. Ik hield van die Zuid-Slavische volkeren. Lekker rommelig, lekker chaotisch, lekker fel ook. Tegelijker­tijd doen de herinneringen me nu pijn... Hoe kan zo'n gelief­de wereld in een hel veranderen?

Het was een zondag in de zomer, Pinksteren nog wel. We waren op weg naar het Servische patriarchaat in het oude deel van de stad, een beetje lastig vinden met al die kleine straa­tjes. Een groot gebouw in een wat neo-byzantijnse stijl ge­bouwd. Er tegenover de kathedraal. Eigenlijk niet eens zo imposant. Deed eerder aan een barokke kerk in Duitsland den­ken, van buiten tenminste.

Binnen echter was het anders. De iconostase met de graven ervoor van de Servische vorsten liet je meteen ervaren dat je binnen­stapte in de geschiedenis van het Servische volk, ge­koesterd tot in het extreme, zoals we nu weten ... De iconen waren niet bijzonder mooi, eerder wat Oostenrijks in stijl.

 

Maar het was pinksterzondag, en we wisten dat de patri­arch voor zou gaan. Dat trok ons aan. We kwamen dus bij de kerk en dachten al: 'Wat ruikt het hier gek ... ?' We waren toch in een grote stad, en het rook hier duidelijk naar hooi! En ja hoor, binnen was de hele kerk bestrooid met versgemaaid gras, wel tien, twintig centimeter dik. Een vreemde ervaring. Een zwoele geur ook, dat verse gras.

Ja Pinksteren. Zomer, volheid, oogst, maaien... En dat in deze miljoenenstad! Het weer was prachtig, hoe kon dat ook anders in die junimaand?

Het werd een wonderlijke ervaring. Op een of andere manier heeft Pinksteren bij mij altijd iets van een zomerervaring gehad. Het roept bij mij associaties op aan mooi weer, aan oranje jaloezieën. Misschien komt dat laatste wel uit de tijd dat ik in Nijmegen op de Nebo* was met zijn oranje jaloezi­eën voor de ramen... In ieder geval herkende ik dat gevoel van de volle zomer in die kathedraal in Belgrado. Een ervaring van voltooiing, van volheid: 'Nu is het af.'

Ik merkte dat de mensen rondom mij ook genoten van die volle zomerlucht. Ze raapten wat gras op en vlochten kleine kransjes van dat verse hooi. Wij deden het ook. Ik heb nog steeds dat kransje aan een icoonlampje hangen op mijn kamer...

Van de liturgie herinner ik me niet eens zoveel meer. Het spel nam me mee. Wel herinner ik me nog de protodiaken daar staande op een verhoog in het midden en zingend: 'Voor onze geliefde patriarch German en heel het gelovige Servische volk, nog vele jaren...' En ik voelde me meedeinen op de melodieën, ik hoorde erbij. Ik dacht aan de boeiende geschiedenis van dat Servische volk met zijn prachtige kerken en kloosters, zijn iconen en fresco's. Ik dacht aan die keizer Lazar, in zijn graf daar voor de iconostase. In 1389 was hij gesneuveld en was het Servische keizerrijk ten ondergegaan in eeuwen Turken­heer­schappij. Maar zijn identiteit had het weten te bewaren, ja zelfs versterkt; deze nederlaag op het 'merelveld'** was gewor­den tot een mythe van geestelijke overwinning.

Maar tot welke prijs! Het werd een volk dat zijn ondergang koestert, dat leeft van isolement en nationalisme, zich afzet­tend tegen ieder buiten hen...

Dat laatste dacht ik toen nog niet, daar in die kathedraal. Maar ik dacht wel aan zijn kerk, die op een of andere manier toch dat volk bij elkaar gehouden had. Zodat ze nu kransen konden vlechten...

Maar wat voor kransen? Kransen van overwinning? Kransen van hoop? Kransen van saamhorigheid? Toen er op een gegeven moment iemand flauwviel, toen gingen we vanzelf mee naar die vrouw en hielpen haar naar buiten. We hoorden erbij. La saamhorig­heid!

 

Op het einde van de liturgie wachtte ons nog een verrassing. Iedereen viel neer op de knieën. Gelukkig dat er zoveel gras lag. Dat was lekker zacht! En we baden. Geknield! O ja, Pink­steren. De paastijd is voorbij, de tijd van opstan­ding is voorbij. We mogen dus weer knielen...

 

Is de 'opstanding' nu definitief voorbij? Laten we hopen van niet... Volgend jaar misschien... weer alles groen, weer Pink­steren.

Laten we knielen... Dat we weer kransen mogen vlechten. Voor elkaar. Voor Serviërs en Kosovaren. Voor moslims en christe­nen. Voor alle mensen van goede wil. Want die zijn er ook wel. Hoop ik. Vertrouw ik.

*   Redemptoristenklooster; voorheen ook het kleinseminarie.

**  Merelveld: Kosovo Polje. Herin­nering aan de slag van 1389.

 

GEEST EN RUIMTE

Van Pinksteren nog enkele gedachten.

Door Gerard Poiesz

 

Als de lente goeddeels gepasseerd is, kondigt Pinksteren de komst van volop zomer aan. Mensen komen in beweging en trekken lopend, rijdend, vliegend weer alle kanten uit. Het lijkt wel of iedereen opeens de geest krijgt om op zoek te gaan naar vrijheid, naar ruimte.

De geest krijgen ... dat is toch Pinksteren?

Ik lees maar weer eens het verhaal uit Handelingen 2. 'Vreemd en onbegrijpe­lijk', is mijn eerste reactie. Maar daar gaat het toch juist om, om een onbegrijpelijke, een ongrijpbare Geest, om een kracht die het vreemde, de vreemde tot mijn naaste maakt? Barrières van taal, nationalis­me en vooroor­deel worden door­broken. De afgeschotte ruimtes van individuele leefwerel­den worden samen één geheel, waar mensen elkaar gaan verstaan, begrijpen, respecteren, waarde­ren.

De profeet Joël heeft dit geestkrachtig gebeuren al voorzien. Als Gods Geest in mensen gaat werken, ontstaat er vrijheid en ruimte. Alles waarmee wij ons tegenover elkaar afzetten, blijkt slechts van relatieve betekenis: man en vrouw, jong en oud, werknemer en werkgever. "Ieder die de naam van de Heer aan­roept, zal gered worden."

Pinksteren is een feest van verruiming. Wie in de zomermaanden zijn wereld weer een stukje verder wil openbreken, vindt een heilige Geest in zijn gezelschap. Een Geest die waait waar hij wil, die zich niet als mijn exclusief bezit laat claimen. Wél een Geest die mij meeneemt en aan mijn leven een uitstraling geeft als was het wind, vuur, licht.

Een Geest die niet thuis is bij de inhalige hebbers, maar een Geest die bestemd is voor de dankbare ontvangers en de ruim­hartige gevers.

Kom, heilige Geest;

kom, warme zomer.

 

HONGEROGEN

Door Frans Boddeke

 

Op het rimpelloze tafelkleed

wenkten de blanke kaarsen

in zilveren kandelaars

tot blijmoedigheid

 

geserveerd werd het neusje van de zalm

zeer verzorgd en zeer smaakvol

en boven de warme vlammetjes

dansten lieflijke klanken

hun melodieën

ik dacht nog: die Chopin gaat lang mee

 

toen zag ik ineens

terwijl ik van de fruitige wijn

dronk

toen zag ik ineens

kinderen met grOte hOngerOgen

- Kosovo, Afrika, Azië -

ik dacht: tjee, die gaan niet lang mee

 

even werd het gelag in mij vertraagd

maar het gevoel van onrust nam snel af

alles verliep zonder smet en rimpel

in grote blijmoedigheid.

 

HET MEISJE DAT NOOIT STERFT

Van een geestesmeisje en de vrede Gods.  

Door Jack Snackers

 

Juist toen de zon ons goede nacht kuste, werd zij geboren bij het stille beekje achter ons dorp. Het gebeurde onder de dichte nevelsluier, die als een trage mist kwam opzetten uit het water. Toen ze haar gang over onze aarde begon, brak de grijze sluier open...

 

Sindsdien richt het gras zich groener op na de lichte druk van haar voet. De bloe­men kijken haar na. Vlinders begeleiden haar en vogels staken hun lied om het blijer te hervatten.

Zij is broos en teer. En wanneer zij zich onder de mensen be­geeft, wankelt zij bij de lichtste windstoot en wordt zij ang­stig bij het minste zuchtje. En zuchten doen de mensen zo­veel... Maar trouw is zij en standvastig en onsterfelijk taai.

Zij heet Godefriede, dat 'Vrede Gods' betekent.

 

Nu ik dit schrijf is zij nog lang niet dood. En weet u, wat het wonderlijkste is? De mensen nodigen haar nooit in hun huizen! Daarom biedt zij zichzelf aan. Niet zomaar pardoes, want daar is zij te bescheiden voor. Nee, zij biedt zich aan door het hart en de mond en het gebaar van een ander. Dat gaat zo:

Wanneer zij langs een bloemenwinkel loopt, volgen alle bloe­men haar gang. Zij spreiden hun kelken wijder open. De kopers hef­fen hun hoofden, want de bloemenkleur wordt dieper en de geur mil­der. En het bloemetje dat zij daarom extra kopen, nemen zij mee voor hun geliefde, niet wetend dat zij iets van dat stille meis­je meenemen naar hun huizen.

En wanneer zij door het rumoer heen glijdt van wachtende mensen bij een zie­kenhuis, kijken de mensen omhoog. Zij zien het meis­je Godefriede niet, maar hun ogen zoeken het raam waarach­ter hun zieken liggen en zij begrijpen dan hoe zij hen tot vreugde kunnen zijn, al is het maar een uurtje lang, tot het sein voor het einde van het bezoek...

 

Een meisje fietste haar eens achterop. Zij zag Godefriede niet, maar haar sombere gedachten van vanmiddag waaiden weg en haar sa­men­ge­trok­ken wenkbrauwen verdwenen, en haar vriend wist nau­we­lijks hoe hij het had, want zoals vanavond was zijn meisje zelden ge­weest. En er was vreugde in zijn hart en met een glim­lach viel hij die avond in slaap...

 

Vaak lijken de mensen kil en koud, en nog steeds nodigen zij het meisje niet in hun huizen.

Maar nog altijd biedt zij zich aan door het hart en de mond en het gebaar van een ander.

En nog steeds breekt zij grijze mistsluiers open...

Haar naam is Godefriede, dat 'Vrede Gods' betekent.

 

MEI 1944

Van 'n boze oorlog, van bloemen en 'n kind.

Door Ine Verhoeven

 

Nog voel ik hoe mijn kinderbeentjes stapten door het hoge gras, nat van de dauw.

 

Zo heel vroeg in de morgenstond, 'wijl alle mensen sliepen, wilde ik mama verrassen met bloemen uit de wei en in het polderland ging ik langs slootjes en plukte boterbloemetje en madelief.

 

Mijn vingertjes omsloten het geheel en vormden zo een tuiltje, een liefelijk boeket.

 

Ik dartelde en sprong, m'n kinderhartje was gelukkig en klopte vol verwachting om mama's gezicht... 'straks, als ze bloemen krijgt!'

 

Mijn nachtgewaadje was lichtblauw, nét als de hemel boven mij en vriendelijk scheen de zon. De polder was uitnodigend in een zacht lieve sfeer...

 

Plots, in de verte, klonk geroep, een verontruste stem, die niet kon weten van 't grote feest in mijn kleine lijf... 'mama is straks blij!'

 

Zij stond voor het open raam en keek het weiland in.

Haar roep deed mij verstaan dat ik als hele kleine meid

alwéér ondeugend was...

 

Toen ik was teruggelegd in 't bedje, sliep ik als een roos, niet wetend dat buiten oorlog woedde als een wereldbrand­... en nooit heb ik begrepen of mama blij was met 't boeket, dat ik zo liefdevol naïef voor háár alleen daar plukte.

 

DODENHERDENKING

Door Ine Verhoeven

 

Het christenkruis

de jiddische ster

op d'akker van Margraten

De stilte

- dodelijke rust -

belemmert mij het praten

Gekeerd in mezelf

verslagen

loop ik langs de doden

De kruisen

en de sterren

en JHWH's tien geboden ...

 

IK WEEN OM ROZEN IN DE KNOP GEBROKEN

Van nú en van het eeuwigheidsperspectief.

Door Bernhard Speekenbrink

 

Bovenstaande is een versregel van de dichter Jacques Perk (1859-1881), die hij schreef, naar ik meen, bij het verlies van een vriend, die op jonge leeftijd was gestorven. Ook hijzelf overleed op jonge leeftijd.

 

Aan die versregel moet ik denken wanneer ik als pastor uit­vaarten verzorg. Natuurlijk vooral wanneer het jonge mensen betreft.

Is het niet zo dat deze versregel altíjd bij uitvaar­ten van toepassing is? Zeker, het ene leven is meer opengebloeid dan het andere. De ene rozenknop is meer opengegaan dan de andere. Maar nooit zijn het rozen in volle bloei, in de volle rijpheid van een blijvende zomer. Op deze wereld is er nooit een volle­dige harmonie tussen kunnen en willen. We willen zoveel meer dan wij kunnen. Nie­mand kan zijn krachten en talenten ten volle ontplooien. En daarom lokt het ideaal van een kunstenaar steeds naar meer en beter; hij wil vervolmaken.

Maar volop aanwezig zijn de frustraties. Bij de een worden mogelijkheden afgesneden door financiële moeilijkhe­den, de ander wordt gefrustreerd door lichamelijke of psychi­sche kwa­len, en zo zijn er allerlei remmingen en blokkades.

De harmonie tussen willen en kunnen wordt pas later bereikt. De volle uitbloei komt pas later, in het volle leven van de blijvende Zon. 'Leven dat niet eeuwig duurt, is geen echt leven', zei bis­schop Augustinus al. Hij heeft gelijk. Want leven dat sterft, lijkt op een appel waar de worm­steek al inzit, al ziet hij er nog zo blozend uit.

 

We komen niet op de wereld om uitzichtloos te sterven. Als dat wél zo zou zijn en we vroeg of laat definitief zouden ver­dwijnen, dan zou de Schep­per het werk van zijn handen laten varen.

Een bloemknop vraagt om open te bloeien en zijn wij mensen niet méér waard dan een bloemknop? Eens moeten we toch de kans krijgen om volledig open te bloei­en in een blijvende zomer. 'Ik ben een blomme voor uw Aan­schijn', dichtte Guido Gezelle.

 

DE DONKERTE LEEFT

Door Frans Boddeke

 

Ik genoot van de bomen

met hun volgroene tooi

och, wat een prachtige bomen

de duiven vlogen in en uit

 

het werd herfst en de bladeren

werden geel en bruin of

bleven groen, maar de laatste

waren weinig in aantal

 

toen trad een harde storm op

en raasde door de bomen

en honderden blaadjes kletsten

zich dood tegen mijn ramen

 

en de onrustige storm

zweepte mijn ziel op

schudde mijn hart door elkaar

en bracht donkerte in mij

 

maar zie:

's morgens bleken de takken leeg

maar de duiven vlogen in en uit

en majesteitelijk toonde zich

tussen de kale takken

de spierwitte molen

ik wist van haar bestaan van

achter de bomen

maar nu trad ze me tegemoet

met heldere wiekslag

ik wist niet dat de donkerte

zoveel moois in zich had gehad

 

en de wieken klapten de wolken weg

en de Zon liet zich zien

warm, helder, levendig

 

ook twee kippen waren op dreef

uit de dode bladeren

pikten ze leven.

 

MISSCHIEN ZEIL JE OP GODS WIND

Citaat uit het schrift Brieven aan de Hemel; na de dood van zoon Marc op 5 juli 1991

Door Ria Berkelaar-Wirsing

 

Miem, Miemke van me, het is goed hé, mijn jongen. We wisten wel dat we van elkaar hielden. Oh kind, wat hebben we het fijn gehad met elkaar. Je was zo'n kameraad van ons geworden. Vroeger een klein vriendje, en de vriendschap groei­de en groei­de. Ook in rot momenten hielden wij van elkaar. We hebben elkaar vastgehou­den; door de liefde in ons gezinsle­ven waren we flexibel.

Jongen, ik zie je dagelijks voor me in je geliefde outfit, je groene trui en werkspijkerbroek. Zo hebben we middels foto's, waarop je aan het werk bent, ook afscheid van je genomen.

We hielden van je als de mens Marc Berkelaar. Je was al zo mooi in je werkgoed, laat staan in je opknap­kleer!

Oh kind, en hoe mooi word en ben je nu bij God?!

Dat is zo'n troost voor je ouders, mijn jongen, en voor je broer Bas en je zus Frieda en voor al diegenen die zoveel van je houden. Want Miem: de liefde tussen ons, lieveling, zal altijd blij­ven. Jij bent mijn leven, al tweeëntwintig jaar van mijn leven; meer dan de helft! 't Kan toch niet anders, jon­gen, jij bent door ons gevormd en wij door jou! Kind, wat zijn we rijk geweest in ons leven met zo'n drietal. Er hebben best wel eens stormen gewoed bij ons, maar die 'ouwe schuit'* was ertegen bestand; de golven die ons overspoelden, spoelden door het gangboord en gingen via de spoelpoorten weer buitengaats.

En we hebben er best van tijd tot tijd de borstel opgezet om het geheel weer schoon te boenen; we zaten niet geheel in de lak, maar dat mag niet deren, we hadden elkaar. En nu moeten we voorkomen dat de plekjes niet gaan roesten, dat we de belangstelling niet ver­liezen om onze ouwe schuit te onderhou­den, 1 bootsman min­der, maar misschien zeil je op Gods wind: 'Ik voel de winden Gods vandaag, vandaag hijs ik het zeil.'

Mijn jongen, ik houd van je, zo bijzonder veel dat ik uit moet kijken er niet kapot aan te gaan. Oh Miem, wat moeten wij ons vermannen en vervrouwen, mijn lieveling, om zonder jou dit leven zin te geven. Oh, het lukt al best hoor, want er is de wetenschap dat jij niet meer hier bent in ons Praethuys, in ons dagelijks leven. Jij weet wel hoe ik het bedoel, hé lief?

Er is niet één dag, niet één moment dat je niet bij me bent, want je zit in mijn hart, jongen, de liefde verbindt ons dwars door de dood heen naar hét Leven want de Liefde brengt ons weer bijeen. Oh God, wat een vreugd, oh kind, wat een blijd­schap!

Dag jongen, ik ga boodschappen doen, het is half drie. Je moeder moet uitkijken, anders haalt zij niets meer in huis, de aardigheid is eraf, terwijl ik Pa en Bas ook graag verwen!

Dag lieve lieve lieve lieve ! Marc Berkelaar.

Mama Ria, 9 november 1991.

* Tjalk uit 1897.

 

DE BLOESEMVROUW

Door Ine Verhoeven

 

Daarginder waar de meiboom bloeit

waar bloesems staan te dromen

zag ik een vrouwe komen

een vogelijn vloog mee

 

Daarginder waar de meiboom bloeit

waar bloesems zijn ontloken

heb ik een vrouw gesproken

de meiboom deinde mee

 

Daarginder waar de meiboom bloeit

waar bloesems zachtkens trillen

zag ik een vrouw verstillen

de meiboom treurde mee

 

Daarginder waar de meiboom bloeit

met bloesems boven stenen

heb ik een vrouw zien wenen

de graven zuchtten mee

 

Daarginder waar de meiboom bloeit

met bloesems boven bomen

heeft zij een steen genomen

de kruisen beefden mee

 

Daarginder waar de meiboom bloeit

met bloesems boven zanden

daar zegenden haar handen

de graven wachtten mee

 

Daarginder waar de meiboom bloeit

zag 'k bloesems in haar ogen

een moeder droeg bewogen

haar dood kind met zich mee

 

Daarginder waar de meiboom bloeit

waar bloesems zachtkens zingen

over leven, dood en dingen

daar zong de moeder mee

 

Zij zong van leven en van dood

van hemel en van aarde

zij zong van toen zij baarde

zij zong van dood is nee

 

De vogelijn zong mee.

 

MIJN GROENE HART

Van onstuimigheid en altijd weer opleven. 

Door Sybil van der Maat-Rooy

 

Ik woon in het groene hart van Nederland. Grote plas­sen water en groene weilanden zo ver als je kijken kunt. Inge­bed tussen dichtbevolkte woongebieden in de Randstad is het een uniek stukje natuur. De wisseling van de seizoenen is al­tijd duide­lijk zichtbaar in dit groene hart, maar de len­te is voor mij wel het grootste wonder van Gods schepping. Wan­delen of fiet­sen op smalle wegen of jaagpaden geeft in april en mei de spa­nning van het nieuwe, het onverwachte.

Van­daag wandel ik door het polderland en geniet met volle teu­gen van wat zich voor mijn ogen afspeelt. Uitbottende knotwil­gen langs de slo­ten, gele lis tussen het riet aan de water­kant; een manne­tjeszwaan glijdt statig langs blanke lelies door rimpel­loos water. Hij houdt de toeschouwster op de kant nauw­lettend in de gaten, aan de overkant zit zijn vrouwtje op het nest. Verderop staat een blauwe reiger doodstil langs de oe­ver, stijgt dan sierlijk omhoog en vliegt weg. Grutto's, kie­vieten, futen, ganzen bevolken de oevers van de plassen en de weilanden multicultureel, vliegen af en aan om de partner op het nest van voedsel te voorzien: het is broedseizoen. Ie­der heeft zijn eigen plekje, zorgt voor het eigen nageslacht.

Het hart bruist van leven, vrolijk gekwetter van de vogels en de eenden in de sloot aan mijn voeten. Belofte van nieuw na schijnbaar dood. Zittend in het gras tussen de pinksterbloe­men zie ik dit alles om me heen, kijk omhoog naar de langsdrij­ven­de schapenwolken die het blauw van de hemel doorbreken en sluit mijn ogen. Ik voel me opgenomen in een groter geheel, ik maak er wezenlijk deel van uit. Alles is in even­wicht, er hee­rst absolute rust. De Geest van God is tastbaar in het gro­ene hart, is voelbaar in mij.

 

Plotseling wordt de rust ruw verstoord. De witte schapenwolken hebben zich verzameld tot zwarte donderbuien, die de zon ver­duisteren. Er steekt een storm op, het water van plas en sloot verandert in een woestenij met schuimkoppen. Ik schrik wakker uit mijn overpeinzingen, duisternis staart mij dreigend aan. Ook de dieren schrik­ken en zoeken een goed heenkomen voor de bui, die met hevige windvlagen op hen neerklettert. Ze zijn kwetsbaar, waar vinden ze be­schutting, wat gebeurt er met hun nest? Ik vind een oude schuur en kijk naar dat andere boeiende natuurverschijnsel: onweer. Een ontlading van spanningen in de hogere luchtlagen doet het groene hart beven. Hoe lang zal dit duren?

 

In mijn lijf klopt mijn hart en pompt het bloed door mijn ade­ren. Onzichtbaar zorgt het dat ik het leven in mij voelen kan. Bruisend, tintelend, genotvol leven. Mijn ziel, mijn hele we­zen. Een laagje eelt zit erop, dat wel. Bij plotselinge 'we­ers­veranderingen' kan het tegen een stootje. Ik weet mijn hart  groot, open en oprech­t, aanraakbaar, onver­woestbaar ste­rk, niet te stuiten, altijd hoopvol, onkwetsbaar. Ik weet mij ge­dragen door de liefde. Gods Geest ademt in mij. On­kwetsbaar?

 

Mijn kwetsbare hart. De stormen van het leven gaan ook aan mij niet voorbij. Met enige regelmaat loop ik deuken op, soms ver­oorzaak ik ze zelf. Een woord verkeerd, een brief, het misver­staan, het wegzwij­gen. Woestijn van eenzaamheid en wanhoop. Wanneer zij mij naar de diepten van mijn bestaan trekken, bonst mijn arme hart met felle slagen, protesteert en vecht, slaat over. Het laat zich voelen in mijn hele lijf, doet mijn lede­maten beven. Licht verdwijnt, de aarde beweegt onder mijn voe­ten. Geluidloos roep ik, schreeuw ik in het dreigende don­ker, happend naar adem: 'Uit de diepten roep ik Jou aan God, hoor mij!'*

 

De laatste donderslag galmt na over het groene hart, de laat­ste regendruppels maken kringen in het water. De hemel scheurt open, de zon breekt door en boven de verre horizon verschijnt in schitterende kleuren een regenboog. Zijn uiteinden zijn als open handen die de aarde opnieuw willen omvatten. Regendrup­pels hangen aan frisgeurende bloemen en planten, ze bekleden het gras met duizenden glinsterende diamanten. De dieren nemen weer bezit van het groene hart, hoopvol wachtend op hun nesten tot het broedsel zich beweegt. Opgewekt vervolg ik mijn weg. De natuur heeft de rust hervonden. 'Geprezen o Heer en geloofd en gedankt om Uw schepselen, die U dienen - Laudate e benedi­ce­te mi signore, laudate.'**

 

In mijn roep ligt het antwoord: Hij is er wel, maar ik ervaar Hem niet. Ik denk aan Groene Donderdag***, die laatste avond in de Hof van Olijven. Jezus, die daar bloed en tranen zweet en in zijn wanhoop vraagt: 'Vader, laat toch deze kelk aan mij voorbijgaan.' God lijkt ook voor hém ver weg, onzichtbaar, on­aanraakbaar. Toch drinkt Hij de beker tot de bodem, on­der­gaat de dood en komt weer tot leven.

En ik? Blijf ik steken in mijn stormen?

Nee, ik wil niet bli­jven ste­ken, want ik heb het leven lief. Ik worstel mij uit de diepten en kom om­hoog naar het licht, zie de regenboog met zijn kleuren. Ik kan weer la­chen om de muizenissen, de erger­nissen, de misver­stan­den, ik lief weer en ik draaf weer. On­stuitbaar, opgefrist als na een regenbui. Mijn tranen hebben de wanden van mijn hart schoonge­boend, mijn groene hart, mijn hart dat altijd weer zal hopen op het goede, het lieve, het barmhartige in de wereld om mij heen. Ik voel weer Geest in mij. Mijn groene hart, mijn ziel, mijn IK.

*   Uit psalm 130:1.

**  Loflied der schepselen - Franciscus van Assisi.

*** Zie Gebroken Lentebrood, pagina 13 - VerBod uitgave 1999.

 

ZEKER DOET HET PIJN

Door Karin Boye 

 

Zeker doet het pijn als knoppen openbreken.

Waarom zou de lente anders weifelen?

Waarom zou de lente 'het verlangen' heten

dat wordt verbonden met bevroren bitterheid?

Het omhulsel was immers de knop tijdens de lange winter.

Wat is het nieuwe dat ontspringt?

Zeker doet het pijn als knoppen opengaan.

Pijn voor dat wat groeit en dat wat eindigt.

Vertaling uit de Zweedse tekst door Patricia Viguurs.

 

DE NATUUR ZONG AMEN

Van een zingende monnik en een durvende slak, van wandelaars en nog meer contouren in het land van de levenden.

Door Ine Verhoeven

 

De monnik en ik. We gingen langs snelstromend water, een smal riviertje dat intrigeerde door de korte rapklotsende golfjes. Daar bloeiden tegen de oever de gele violen die zonder muze hun kleur zongen, een kleur van ongekend vreugdejaune, die geelsoort van de unieke zinkvi­ool­tjes die groeiden langs deze smalle rivier. Slechts het meest Limburg­se zuiden vertelt van hun be­staan.

 

De monnik leek te genieten. Ik genoot zeker. De flora en ook de fauna waren paradijse­lijk. Zon of geen zon: dit was Lim­burg. En we ver­volgden onze weg over een pad dat zich speels door het landschap slingerde. Had ik Frankrijk aangedaan, zoals ik al zolang van plan was geweest, dan zou ik déze vreugde niet hebben gekend: samen met de monnik ging ik langs de goddelijkste wegen in dit kleine kikkerland.

 

Ik keek naar de hemel. Was God daar soms? Ik zag een dikke wolk. Even later probeer­den schrale zonne­stralen haar voor­zichtig te doorbreken. 'Is God daar?' vroeg ik aan de monnik. Hij glimlachte, maar antwoordde niet.

 

Mijn pas ver­traagde. Zag ik forellen in de snelle stroom? Schielijk scho­ten de vissenlijven door het water. Forellen. Heuse forellen. Opgewekt stapte ik door. Het pad voerde langs water, weiden en akkers. Koeien bekeken ons dom­nieuwsgierig; vogels vlogen hoog op en scheerden laag weg; bloemen bloeiden volop; grassen deinden hun bloeisels, hun halmen.

 

De monnik stopte abrupt. Hij boog voorover, alsof hij iets bekeek. Het was een slak, die zijn aandacht trok. Met zijn voet bewoog hij het huisje. De slak kromp niet ineen, wat ik ver­wacht had, maar ging verder het slakken­huis uit. Zijn voel­sprieten staken meer naar voren, alsof hij wilde tasten waar hij zich bevond. Dat was in zand en onder vlier- en braam­struik. Ik rolde het slakken­beest verder, het hoge halmgras in, ter bescher­ming.

 

Ik keek naar de monnik. Hij liep langzaam door.

Dan plotseling viel hij op de knieën, hief het hoofd op, sprei­dde zijn armen wijd en begon te zingen. Ik hoorde een hoge, heldere stem, een manne­lijke sopraan. De monnik jubel­de. Hij zong een Godlof, een psalm gelijk:

 

God Gij hebt aan alles ziel gegeven

God Gij hebt de wereld doen ontstaan

God Gij hebt in de zon het goud gevlochten

God Gij hebt de maan met zilver aangedaan

 

En overal waar ik mag kijken 

zie ik in Uw licht, O God!

En overal waar ik mag leven 

beleef ik Uw gezicht, O God!

 

Hij zong en hij zong, de monnik. Hij zong in álle klanken en kleuren...

 

Ik was stiller dan stil. Ik boog mijn hoofd. Ik sloot mijn ogen. Ik ervoer een stroom die sterker leek dan het snelle water van het riviertje. Vissen zwommen in mijn bloed. Vlin­ders dansten onder mijn huid. Vogels zwermden in en uit mijn hoofd. En liefde, heel waarachtige liefde, bewoog heftig mijn hart.

En ook ik knielde neer. Met ingehou­den adem boog ik mij voor­over. Ik kuste de grond, die mij droeg, en ik aanbad Godzelf. Dit was Zijn aarde. Dit was Zijn rivier. Dit was Zijn schep­ping. Wat wilde ik meer? Wat verwachtte ik nog?

De zinkvi­ooltjes roerden zich in het ritme van de zachte wind. Het engels gras trilde mee.

 

De monnik zweeg. Hij stond op en keek omhoog, naar de hemel. Toen keek hij naar mij. We lachten.

Langs de snelle rivier gingen we samen verder. We wisten ons kinde­ren van God. Zonder woor­den ervoe­ren we het leven als amen. Het was goed. Het kwaad was ver weg, heel ver weg. Want God ging met ons mee. Net als de vissen in de ri­vier. Net als de vogels in de lucht. Net als de wind in onze haren. We gingen verder: God, hij en ik. Ik, hij en God. We gingen gedrieën langs de bloe­men­ en de strui­ken en langs de oevers met de zinkvio­len en het engels gras. We lachten, we zongen. Godpsal­men galmden over de ak­kers. De bomen waren duizend keer groen. De natuur zong amen.

 

VLEUGELSLAG

Door Frans Boddeke

 

Op het maagdelijke grasveld

schrijden rechtop en statig

vier witte ganzen

arrogant en hooghartig

zij wanen zich God

stralen het uit:

wie is ons gelijk?

 

een schepsel, een vrouw,

de maagdelijkheid ontstegen,

lonkt, en lokt met kruimels:

kijk eens, ach wat lekker!

de vier witte ganzen keuren

haar geen blik waardig

wenden zich af

 

ineens

- ik had ze helemaal niet gezien -

ineens duiken meeuwen hebberig

naar de verleidelijke kruimels

 

even staan de vier witte ganzen

perplex over zoveel banaliteit

dan dolken ze hun halzen voorwaarts

jagen de meeuwen op

 

krijsend slaan deze cirkelend

om de hoofden van

de vier witte ganzen

balsturig, grammottig

 

in het gekrakeel en het gebakkelei

pikt een flets musje

rustig

aan de kruimels.

Ravenstein 1999.

 

WIT GRAFFITO

Van een kleine vogel groot.

Door Frans Boddeke

 

Mijn kanarie Postumus is jong, pittig en kraakhelder, of­schoon hij nooit doucht, nooit schone kleren aantrekt, en nooit zijn kooitje schoonmaakt.

Mijn kanarie Postumus is licht ge-hand-icapt, of liever ge-voet-icapt. Zijn rechter­pootje toont afwijkend gedrag. Wel­licht is dat gekomen omdat zijn moeder tijdens de zwangerschap té besmette blaadjes heeft gegeten. Wellicht is hij tijdens zijn geboorte té nonchalant ter wereld gekomen.

Het is overigens miraculeus hoe knap Postumus van het ene stokje op het andere wipt, half uitglijdt en struikelt, maar bewonde­renswaardig snel zijn evenwicht hervindt en na het slagen van de behendigheids­proef langdurig blijmoedig tegen het stokje tikt: terecht applaus voor zichzelf.

Is mijn kanarie gefrustreerd, verbitterd, omdat zijn bewe­gingsruim­te beperkt is, omdat hij alleen door het vogeltjesle­ven moet? Mint Postumus misschien de eenzaamheid? Het heeft er veel van weg. Want wanneer hij voor zijn spiegeltje plaat­sneemt, pikt hij steevast agressief naar zijn lotge­noot, die hijzelf is.

Door de bank genomen fluit Postumus echter zo vrolijk en tjilpt hij zo onge­dwongen dat in wezen elk minderwaardigheids­gevoel hem vreemd moet zijn. Hij weet wie hij is en waarop hij trots mag zijn: een parmantig vogeltje, geboren aan Gods liefdevolle hart. Hij voelt zich veilig in zijn eigen kringe­tje. Postumus heeft niks van: 'Ik wil wel, maar durf niet, ik kan dat helemaal niet, wat zal men - katten en dat andere soort - wel denken.' Hij heeft door dat hij beter uit de grote boze wereld weg kan blijven. Verder en hoger vliegen maakt Postumus onverbiddelijk tot prooi van slechte mach­ten. En daarom schr­eef hij laatst met zijn snaveltje in het witte zand: Mijn lief beestje, durf te leven, nú.

 

Gekooid, ge-hart-icapt en alleen zijn wij allen op zijn tijd.

Maar er is alle reden om met wit graffito op de grijze asfalt­grond te schrijven: Mijn lief mensje, durf te leven, nú.

 

T­OBBEN OVER GOD

Van spreken en van ongehoorde zinnen.

Door Piet van der Bruggen

 

We hadden het die avond over holisme, procestheologie en pan-entheïsme gehad. Een karrenvracht vreemde woorden, maar niet zo onbegrijpelijk als het op het eerste gehoor lijkt. Een modieus gedachte-experiment om het raadsel God en kosmos opnieuw te verwoorden; een poging om de innige samenhang van alle dingen te doen beseffen: heel de bestaande werkelijkheid een ver­schijningsvorm van God; de natuur doordrenkt van godde­lijke energie; de kosmos een onophoudelijk proces van vernieu­wing. Theologen en kosmologen van goede naam en faam houden zich ermee bezig. Irene von Lippe Biesterfeld - Dialoog met de na­tuur - en James Redfield - De celestijnse belofte - maken er furore mee.

 

Ik citeerde die avond een zin, afkomstig, naar ik meen, van een Oosterse denker: 'God slaapt in de steen, Hij ademt in de plant, Hij droomt in het dier en Hij ontwaakt in de mens'. Een aardige gedachte om te koesteren voor het naar-bed-gaan.

Het aanwezige gezelschap - 'belezen' lieden tussen de vijfen­der­tig en de vijfenzeventig - knikte instemmend en ik zag ballpo­ints in beweging komen om dit brokje boeddhistisch gedachte­goed vast te leggen.

Aan het eind van de avond overhandigde de penningmeester mij een enveloppe, inhoudende fl. 250,-. hetgeen een vorstelijke beloning genoemd mag worden als je bedenkt dat menige rota­ry-afdeling de klus met een flesje Beaujolais Primeur afhan­delt. - 'Hoort erbij', zei onlangs een voorzitter en ik dacht: wáárb­ij?

 

In de slipstream van de gulle penningmeester naderde een bejaarde dame, bien conservée en gewapend met een notitie­blok. Ze vroeg: 'Hoe was het ook weer wat die Oostenrijker zei: God slaapt op een steen?'

'God slaapt in de steen', zei ik, de Oostenrijker maar latend voor wat hij was. Ze corrigeerde haar notitie.

'God ademt op een plank?'

'In de plant', verbeterde ik.

'God droomt van een dier?'

'God droomt in het dier, mevrouw.'

Verder kwamen we niet, want iemand draaide het licht uit.

Het blijft tobben met God, ook nu Hij niet langer 'der ganz Andere' is, waar Karel Barth Hem voor hield.

 

HET WINTERKONINKJE

Door Ine Verhoeven

 

Bij het kapelletje in het bos, gezeten op een bank, bad zij om genezing voor haar zieke zus. De atmosfeer was somber door de dreigende wolken, die loodzwaar terneer drukten. Afwachtend zat zij daar en iets in haar vertelde, dat haar vertrouwen niet vergeefs zou zijn.

 

Plotseling brak licht door het wolkendek en vriendelijk zacht scheen de zon haar warme stralen uit; en op het beeldje van de Heilige Eik streek een winterkoninkje neer en zong... en zong uit volle borst. En zij begreep, dat dit heerlijke visioen wonderlijke realiteit was en het winterkoninkje haar symbo­lisch kwam vertellen dat haar zus genezen zou...

 

De lucht trok dicht, het licht verdween, de wolken woelden verder, terwijl het beestje met zijn lied in haar nabijheid bleef.

 

Langzaam maar zeker genas haar zus en met een dankbaar hart herinnerde zij zich die kleine lieveling, zo zingend in het licht dat van de hemel kwam... dat winterkoninkje met een boodschap van God.

 

Nu is zíj ziek en ligt soms dagenlang verkrampt van pijn. De lange nachten kwellen en moedeloos maakt wachten op verbete­ring, die misschien nooit komt.

Ik weet waarop ze hoopt. Ze heeft het me verteld: 'Ik heb hem nog niet gezien, maar als ik hem hoor zingen, alleen nog maar hoor zingen, dán weet ik dat ik beter word...'.

 

In het bos bij het kapelletje naast die grote eik vraag ik de goede God één ding: 'Stuur haar dit vogeltje'.

Berty, 1931-1993.

 

IK PROBEER ZO’N MENS TE ZIJN

Brief aan Ine Verhoeven - gelezen 21 april 1999.

Door Mieke Morgenstern

 

Dit alleen werkt genezend

als in de spiegel van de mensenziel

de hele gemeenschap ontstaat

en als in de gemeenschap leeft

de kracht van ieder individu.

Rudolf Steiner

 

Mooi hè. Ik probeer zo'n mens te zijn. Het is best wel jammer dat je zo ver weg woont. Ik heb zoiets moois geschilderd. Als ik dan 's morgens beneden kom, ben ik er zelf helemaal van onder de indruk. Ik denk dan iedere keer: ik moet ermee naar buiten treden. Ik moet het gewoon exposeren.

Ik word dan gewoon jaloers op jouw boeken. Het heeft zoveel kracht omdat het uit je hart komt. Het is gewoon ontroerend mooi!

Je stuurt zoveel moois de wereld in. Weet je wel hoeveel waarde dat heeft?

Wanneer laten jullie me Nijmegen zien. Ik heb wel zin in iets gezelligs. Ik word weer te ernstig. Ik ben het kind in mezelf weer even kwijt geweest. Daarom worden volwassenen zo saai. Ze moeten zo volwassen zijn.

Gewoon God (van Toon Hermans) spre­ekt me daarom zo aan. Is heel erg de moeite waard omdat hij in het ernstige gelijk ook het onbezorgde en vrolijke laat zien.

 

Ik moet nu stoppen en tot de orde van de dag overgaan.

Heilige maar vrolijke groetjes van Mieke.

 

ZO'N GODSMOMENT EN IK

Door Ine Verhoeven

 

Ergens bestaat een keiharde wereld

met bikkelharde mensen

en zo'n steenkou in hun hart;

je zult er maar kennen

je zult er maar een van zijn

 

Maar in de onwrikbaarheid

van de verharde, versteende,

verkilde, verstokte, afwijzende mens

gloeit altijd nog wel ergens diep en

vanbinnen zo'n miniem helder vonkje,

dat plotseling aan kan gaan, dat zo

helemaal inene de vlam dan vat en

oplaait en brandt, vurig brandt  

 

Ergens bestaat een minzame wereld

met liefhebbende mensen

en zo'n bloedwarm in hun hart;

je zult er maar kennen

je zult er maar een van zijn.

 

RIM WAS THUIS

Van hunkeren naar leven, van gekte en óók een ziel.

Door Ine Verhoeven

 

Het is alweer twintig jaar geleden dat Rim begraven werd.

Rim. Een opmerkelijke man met artistieke begaafdheid, uiterst

gevoelig en onbemind vanwege zijn schizofrenie die te laat

werd onderkend. Rim stierf door drank en pillen. Tot de laat­ste zucht strijdend om tóch te leven. Maar dan wél graag in 'n zekere harmonie en begrepen door zijn omgeving.

 

Toen ik Rim ontmoette, herkende ik op slag in hem de kunste­naar. Hij schilderde, boetseerde en dichtte. Later, als hij me maar éven ontwaarde, uitte hij steevast zijn wens om me vast te leggen met het penseel, in kleur en contour. Dat verlangen had hij niet alleen bij mij. Het was, als ik dat goed inschat­te, vleien om vrouwen te imponer­en.

 

Rim leefde zonder God. Hij was communist. En als dat beter

uitkwam, hing hij het socialisme aan.

Bij zijn vrouw en zeven kinderen leefde hij als de alleen­heerser. Rim was zélf God. Hij woonde met zijn gezin, de hond

Rikkie en de katten, de ezels, de geiten en de konijnen in een

bouwval­lige boerderij. Zijn onderdanen verbouwden de groenten,

hiel­pen met beelden ­gieten in de mallen en volgden gehoor­zaam al zijn commando's op. Naar buiten toe leefde het gezin vreed­zaam op de hoeve, die pitto­resk was omgeven door de romanti­sche tuin, de boomgaard en het stuk akkerland.  

Slechts de enkeling, die vaker bij het gezin kwam, ontdekte de ware sfeer. Ik was er zo een. Ik ervoer de boosaardige drift in Rim. Aanvankelijk schrok ik hevig en deinsde terug, doch aanhankelijk­heid naar mij toe van zijn vrouw en kinderen zorg­de ervoor dat ik bleef komen.

 

Hij had - zo leek het - een aangeboren voor­liefde voor Hitler.

Soms waren er gesprek­ken waarin de oorlog werd ge­noemd. Dan

was Rim onher­kenbaar en als een bezetene verdedig­de hij het

nazi-Duits­land van 40-45. Rim was dan iemand anders. Du moment

sprak Rim als poli­tiek dictator. Met een onherkenbaar gezicht en een niet aan te horen stem. Vaak buiten zinnen van woede. Later kwam uit dat Rim zijn gezin, meestal na zo'n 'bezeten

bezet­ting', opdroeg om 's nachts op te staan. De ezels en de

geiten werden aan elkaar vastgemaakt met touwen en vrouw en

kinderen moesten in dekens gehuld barrevoets in stoet opge­steld ver­trekken. Hond Rikkie sjokte mee. Gezamen­lijk op naar

het bui­tenland: België, het land van zijn dromen.

  

Rim en zijn gezin waren straatarm. Ondanks de vele talenten en

mogelijkhe­den om samen iets op te bouwen, mislukte alles wat

ondernomen werd. Rim dronk. Al het geld dat binnenkwam, ver­dween naar kroegbaas en slijter. Zijn vrouw had stiekem haar

werkhuizen. Zij was te veel moeder om de kinderen te laten

verkommeren. En ik herinner me de boterhammen met suiker...

 

Op een feestje had dronken Rim weer eens te kennen gegeven me te willen schilde­ren. Hij fleemde met complimenten, niet alleen over mijn uiterlijke lijnen maar ook over mijn gevoeli­ge aard. 'Je bent zo subtiel', zei hij, 'zo fijnbesnaard', en hij sprak theatraal van 'wij kunstenaars'. Rim deed me denken aan Vincent van Gogh. Hij leek iets op hem. In een esoterische bui bedacht ik 'ns dat Vincent in Rim gere­ncar­neerd kon zijn. Rim was knettergek. Overgevoelig. En ongetwijfeld: kunste­naar.

 

Die avond tijdens dat feestje vertelde de benevelde Rim van

zijn angsten: 's Nachts hoorde hij een stem, die hem influis­terde dat hij spoedig gehaald werd. 'Ik win het van jou', drei­gde de stem. 'De duivel', riep Rim. Ik vroeg hem waarom

hij de duivel noemde terwijl hij niet in God ge­loofde. Rim

werd driftig. In zijn ogen las ik haat. Hij duldde die opmer­king niet­...­

En de nacht na het feest trommelde Rim alle kinderen uit bed.

'Bidden!', beval hij. 'Geloven jullie niet in God? Op je

knieën, allemaal, en bidden! De Bijbel, daar zal je van leren

en jullie aanbidden God, versta je!' De allerklein­ste huilde

en kreeg een mep. 'Duivelsjong', gilde Rim. 'De hel voor jou! Aankle­den. Span de beesten in. We vertrekken naar België!'

'Nee, niet nu!' verweerde zijn vrouw. Ze ving zijn klappen op, de kinderen werden bont en blauw geslagen en de hond getrapt.

 

Drie dagen later kwam Anna, zijn vrouw, naar me toe. 'Alle

konijnen zijn dood', huilde ze. 'Ook Amber van jouw dochtertje

is afge­maakt. Het is met de hand gebeurd. De nekken gebroken

en dood­geslagen. Wie doet zoiets? Rim is in alle staten!'

En Rim was echt in alle sta­ten. Rim stierf van angst in die

dagen. De dader bleek Rim. Hij had 'in opdracht van gene zijde' gehandeld.

 

Zijn vrouw had de moed zich van hem te laten scheiden.

'Hij is een goed mens', zei ze tegen de rechter. 'Maar ik kan het niet bij hem volhouden. Het is uit.'

Ik bewonderde haar. Ze viel haar man niet af.

 

Rim vertrok. Maar zijn vertrek bracht geen concrete uitkomst.

Anna en haar gezin waren mentaal van slag. De oudste dochter

kreeg een kind van hun Senegalese huisvriend. Hij werd de

minnaar van haar moe­der. En ook de tweede dochter raakte

zwanger van hem. Rim was intussen opgenomen in een psychiatri­sche inrichting. 'Om af te kicken', verdedigde hij en dronk

meer dan ooit tevoren.

 

Hij schilderde nog steeds. De wildste kleuren verschenen op het doek. Rim gooide met agressie op artistiek niveau. In Baarle Nassau kon hij zijn handel kwijt. En in de kroeg het geld. Inmiddels woonde Rim op kamers. De inrichting was verle­den tijd. Hij was immers vrijwillig gekomen? Dus mocht hij gaan.

 

Van oorsprong kwam Rim uit een fanatiek NSB'ersge­zin. Hij

groeide op tussen fascisten. Na de oorlog restten de sporen.

Ook zijn vier broers bleven behept met extreme hang naar nationaal-socialisme. In de perio­de dat Rim van zijn gezin werd ge­scheiden, hing een broer zich op: De maat­schappij was hem ondraaglijk. Rim ver­scheen op de begrafe­nis.

De suïcide van deze broer had misschien Rims brein in werking

gezet. Hij dronk gedistilleerd en nam tegelijk pillen in. Op het nippertje werd Rim gevonden en gered. Hij zou dit nooit

meer doen. 'Het is afschuwelijk, zo sterven', verzuchtte hij. En het 'voorval' werd vergeten.

 

Rim zwierf rond, pleegde roofbouw op zichzelf en verpauperde.

Rim kon geen vrouw vinden. Rim had van 't leven verlo­ren. 

Op 'n fatale dag in augustus belde hij zijn ex-vrouw Anna: 'Je

helpt me toch wel, ik wil niet dood.'

 

Het was te laat. De kunstenaar alias politicus lag levenloos

op de grond, naast de telefoon. Alcohol en pillen hadden hun werk gedaan. Bij het lichaam zat hond Rik­kie. Hij likte de hand van z'n baas.

 

Rim werd begraven in ongewijde aarde: Hij had de kerk ver­zaakt. Hij had het communisme aange­hangen. Hij had het godde­loze gediend.

Bij zijn kist groette ik Rim ten afscheid. Ik dacht aan die nacht, toen hij God wilde aan­bidden. Zou Rim nu godvergeten zijn?

Vreemd, ik had op afstand altijd van deze waanzinnige man gehouden. Rims dood was een misser. In dubbelvoud.

Bij zijn graf wist ik hem in de armen van God. Rim was thuis.

 

LEVEN

Door Piet van der Bruggen

 

Je koopt een akker,

je plant een boom,

je bouwt een huis,

verdient je loon,

je trouwt een vrouw,

zij baart een kind.

Het gaat je redelijk voor de wind.

 

De boom draagt vrucht,

het kind wordt groot,

je vrouw wordt oud

en jij gaat dood...

 

Zo is het eeuwen reeds gegaan.

Wat is de zin van ons bestaan?

 

'Er is geen zin', zegt menigeen,

'Je kreeg het leven slechts te leen,

de wind verwaait al wat je deed;

en niemand die er nog van weet.'

 

'Nee', zegt de Hoop, Gods liefste kind,

'er is er één die je bemint.

Hij houdt je vast, Hij brengt je thuis,

Hij bergt je in zijn vaderhuis.'

 

Dus: plant een boom

en bouw een home,

en huw een vrouw

en blijf haar trouw,

en krijg een kind dat van je weet

al wat je deed, al wat je leed:

de zorgen en de felle pijn

van tijdelijk een mens te zijn.

 

CARLIEN

Van cristelijkheid en de deugd praktiseren.

Door Ine Verhoeven

 

Als ik de rijst in het kokende water laat glijden, denk ik ineens aan Carlien. De brij borrelt vrolijk op, ik draai de vlam laag en doe het deksel op de pan. Carlien. De tijd vlie­gt. Ik tel terug en besef dat het alweer zo'n twintig jaar geleden is dat ze in ons huis heeft gewoond.

 

Ik plaatste destijds een advertentie in de krant voor etage­verhuur. Ons huis was veel te groot, met elf kamers voor vier personen. Bovendien waren we een jong gezin, wat extra geld was niet overbodig. Mijn man stelde wel als voorwaarde dat we alleen verplegend personeel in huis zouden toelaten. Zo kwam het ook in de advertentie te staan. We voelden ons hier veilig bij. Zelf vond ik me in die tijd nogal christelijk ingesteld, sociaal voelend en al zeker haatte ik elke vorm van discrimi­na­tie. Dacht ik.

 

Zowat bij het verschijnen van de krant ging in de vroege ochtend de telefoon, die me meteen ook wekte. 'Is de etage nog vrij?' vroeg een gejaagde vrouwenstem. Dat was hij nog wel ja, op dit tijdstip... 'Verhuurt u hem niet, ik kom vanmiddag' zei de stem. Ik informeerde of ze verpleeg­ster was. Ja, dat was ze. Ik zou de kamers vasthouden.

Terwijl ik ophing, bedacht ik dat die stem een accent had, maar ik kon het niet thuisbrengen. Ik zou wel zien, die mid­dag. En zo was het ook.

Toen om drie uur de huisbel ging, deed ik open. Mijn christe­lijke instel­ling, mijn sociaal gevoel en mijn verzet tegen alles wat discrimineerde werden in één klap op de proef ge­steld. Daar stond ik in de deuropening tegenover Carlien.

Wat was ze groot, wat waren haar tanden wit en wat was ze zwárt...!

Uiterlijk herstelde ik vrij vlug maar binnenin bonkte mijn hart. Mijn man, de zaak, de buurt, de klanten... En ineens scha­amde ik me, ik schaamde me wezenloos. En ik vroeg me af hoe ik dúrfde... Alleen verplegend perso­neel... Mocht dat niet ge­kleurd zijn?

 

Ze bekeek de etage en was verrukt. 'Neem je hem?' vroeg ik. Natuurlijk nam ze hem. Mijn schaamte was nog niet compleet. Ze begon te huilen en eenmaal beneden in de salon gezeten, ver­telde ze dat ze al een half jaar naar woonruimte aan het zoeken was. Niemand wilde haar in huis hebben. Geen mens zat op een negerin te wachten. De discriminatie droop ervan af en ze was machteloos. Tot nu. Zo vriendelijk en zonder problemen had ze nú deze etage van ons.

God, wat voelde ik me hypocriet. Zolang het mijn deur voorbij was gegaan, discrimineerde ik niet. Toen deze zwarte vrouw ervóór stond, had ook ik de discriminatieschok gevoeld.

Ik was ervan geschrokken. Dagenlang dacht ik erover na. Dit gevoel wilde ik nooit meer ervaren. Dat moest ik voorgoed uitbannen.

 

Carlien. We kregen een fijne band samen. We leerden van el­kaar, aten soms bij elkaar, wisselden van gedachten en vertel­den elkaar van onze eigen cultuur. Het was boeiend omgaan met Carlien. 

 

Enkele jaren later verliet ze ons huis, ze was zwanger. Ze kreeg een zoontje en ach, op de lange duur verloor ik Carlien uit het oog.

Maar ze verdween niet uit mijn hart. Mét Carlien had ik een levensles gekregen. Ik zou er in de toekomst nog veel mee kunnen doen. Maar dat wist ik toen nog niet.

 

Het kookwekkertje is allang afgegaan. Ik sta bij het fornuis te suffen. De rijst brandt aan. En ik glimlach.

                                                            

GOUDEN VOGEL OPGESTAAN

Door Ine Verhoeven

 

Toen ik een kind was, mocht ik spelen

in de tuinen van mijn hart

- daar was geen zeer

Ik danste er tussen wel duizend bloemen

en ik had een kleine blonde beer

 

Die in een herenhuisje woonde met

stoeltjes en een potje thee

- wie doet er mee?

En ik danste er tussen wel duizend bomen

zo samen met mijn kleine beer

 

Maar dat was in de tuinen van mijn hart

Toen was ik nog een kind en ik mocht het

leven spelen

- buiten en binnen, alles verzinnen

Maar dat was in de tuinen van mijn hart

 

Toen kwam de tijd van alle mooie mensen

Weg was de kleine blonde beer

- wie doet me zeer?

En ik plukte toen wel duizend bloemen

voor hem, voor haar, voor God de Heer

 

En mensen gingen dood - en juist de liefsten

Weg gleed een ziel, weer een de hemel in

- wat doet dat zeer

En ook de mooiste bloemen zouden sterven

En dat was bij de graven van mijn hart

 

En bij de graven van mijn hart zat ik neer

en ik peinsde daar van God en goed en mens

en ik peinsde van een kleine gouden vogel:

mijn eigen ziel, die recht van God gekomen

was - zomaar om niet

 

En bij de graven van mijn hart 

was ik weer even dat kind

dat danste met de kleine blonde beer - en zíé:

mijn lachroep wekte daar de duizend bloemen!

Toen ben ik opgestaan, toen kon ik leven gaan

En ik wuifde naar de kleine blonde beer.

De levenscirkel; leven - bewust worden - weten - onthechten - verder leven.

 

Ter informatie:

Verbod Writers & Publishers - Nijmegen is een oecumenische groep schrij­vers en dichters; zij heeft als missie haar gees­te­lijke en profane filosofieën literair te ver­woorden en te bunde­len in betaalbare werken zonder winstbe­jag.

Daja-stichting - Den Dungen is een groep vrijwilligers, die een brug wil slaan naar mensen en/of groeperingen, die in onze maatschappij niet gehoord worden, waaronder verstandelijk- en lichame­lijk gehandi­capten, maar ook maatschappelijk gehandi­capten, zoals gedetineer­den, asielzoekers, woonwagenbewoners en daklozen etc.

 

INHOUD

Woord vooraf

Luister, vogel, luister - Ine Verhoeven

Rozenpasen en Geest van God - Frans Boddeke

Herschep mij - Ine Verhoeven

De vijftigste dag... een brief - Wim Baars

Gij - Ine Verhoeven

Pinksteren, die groene zondag - Johan Meijer

Geest en ruimte - Gerard Poiesz

Hongerogen - Frans Boddeke

Het meisje dat nooit sterft - Jack Snackers

Mei 1944 - Ine Verhoeven

Dodenherdenking - Ine Verhoeven

Ik ween om rozen in de knop gebroken - Bernhard Speekenbrink

De donkerte leeft - Frans Boddeke

Misschien zeil je op Gods wind - Ria Berkelaar-Wirsing

De bloesemvrouw - Ine Verhoeven

Mijn groene hart - Sybil van der Maat-Rooy

Zeker doet het pijn - Karin Boye / Patricia Viguurs

De natuur zong amen - Ine Verhoeven

Vleugelslag - Frans Boddeke

Wit graffito - Frans Boddeke

Tobben over God - Piet van der Bruggen

Het winterkoninkje - Ine Verhoeven

Ik probeer zo'n mens te zijn - Mieke Morgenstern

Zo'n Godsmoment en ik - Ine Verhoeven

Rim was thuis - Ine Verhoeven

Leven - Piet van der Bruggen

Carlien - Ine Verhoeven

Gouden vogel opgestaan - Ine Verhoeven

'In alle mooiheid van het leven, zoals in het spel met de zon, beleven de mensen de krachten van leven en dood; zij staan op en werken, weten en herkennen; zij rusten en slapen, dromen en bestaan.'

Het zomerboek Luister, vogel, luister is een integer verzamel­werk vol geest. Twaalf karaktermensen met charisma schreven en droegen bij om met dit boek de ziel van de oecumene te verrij­ken, maar ook en vooral om mensen, die in het profa­ne leven van alle­dag juist het sacra­le element willen eer­biedi­gen, met waarach­tig per­spectief te bemoedi­gen. I.V.