Ine Verhoeven juli 2008
WITTE KOEKOEK EN ROOMSE KAMILLE, 1997
Ine Verhoeven
Opgedragen aan mijn dochter, mijn februarikind
Patricia, till dig:
De koekoek heeft mij neergelegd
om op te groeien in een nest
met bizar bonte vreemde vogels
Zij zijn groter dan ik en sterker
zij zijn mannen, ik ben maar een vrouw
een meisje nog, kwetsbaar en broos
Een kleine kameleon word ik
Later, veel later wéét ik mij
en ik word een witte koekoek
in onafhankelijkheid
niet langer klein, niet langer zwak
niet langer bang voor al dat hele grote
Ik ben geworden tot ik ben
Ja, ik ben een witte koekoek
en ik roep mijn eigen roep
en ik laat de wereld weten
dat ik mijn stem gebruiken zal
ik mens, ik vrouw geboren
O, ìk ben die witte koekoek
*De roomse kamille, anthemis nobilis, wordt ook wel grote of dubbele kamille genoemd. Dit vriendelijk plantje groeide en bloeide een tiental jaren spontaan in de voortuin van mijn woonhuis in Vught. Het was mij tot vele tekenen rond leven en dood.
In stenen armen
Ik wist het niet
In mijmering verzonken
leun ik tegen het raamkozijn
en drink de dennen en de eiken,
het krenteboompje, het appelhout
De rododendron in het bos viert
in mijn hart zijn bloemen
De hazelaar wiegt mee
op fluistertonen van de wind
Een bries streelt mijn gezicht
Daarboven is de blauwe lucht
als spiegel van wat komen zal;
het helderlichte lege ruim
met wolkenwit en flarden grijs
Mijn toekomst, ja daar droom ik van
Wat houd ik veel van jou, van jou
mijn onbekende die eens mijn leven
vullen zal
En kinderen wil ik baren
En leven leven en beleven
al wat beloofd
als vrucht
voor mij, mijn leven lang
En mijn jonge tijd verglijdt
Ik leef in verwachting
volzwanger van leeg
Ik wist het niet.
Herinnering lente 1961
Spring op en dans
De klaproos en de korenbloem
de gouden aar en de lupine
de lelie en de leeuwebek
de ridderspoor, de akelei
het kruidgewas, het halmgras
Een bloemenkrans gevlochten
rondomheen het mensenkind
dat dromend in Gods liefde
nog geloven mag
in hem en haar, in mensenras
met hart
met ziel
bij aardegrond
vanwaar de bloemen zijn geplukt
alwaar het leven is ontstaan
en waar haar voeten stappen gaan
over de wegen en die weg
van hoop en grenzeloos verlangen
Zonder angst en onbevangen
zo droomt zij weg en wiegend
klemt zij zich in ene krans
en houden bloemen haar gevangen
Droom, ja droom maar mensenkind
en laat je wiegen door jouw God
die jou omarmd heeft
met zijn krans; spring op en dans
en neem je krans en tooi je
hoofd voor hem; en maak je mooi
voor hem; jij, kleine bruid van God
je zult je wegen gaan en eenmaal
zal een laatste krans van bloemen
met je gaan; voortgegaan je weg gegaan;
dan zal jij voor jouw Gode staan
slaapdromend opgetild uit dood
bevrijd naar hemellicht
Droom, ja droom maar mensenkind.
Houten herinnering
Op stelten stapt in mij
het kind van toen
over de grijze grond
naar nu
De stenen staren
grauw en vlak
als ik de weg bezie
die ik moet gaan
-hoog opgetild-
Aan houten armen
klamp ik me vast
en elke stap
zoekt zekerheid
Houten harlekijnen
zien me gaan en
Simon van Cyrene danst
aan touwtjes
van gepeupel en hun
houten harten
helpen mij
naar Golgotha
mijn Golgotha
Ik zou zo graag
met vaste tred
de tijd hebben betreden
in fluwelen armen
over groen tapijt van dageraad
met warme dauw
de dag doorheen naar avondrood
en zwarte nacht van slaap
Maar ja, ach ja
dat kind van toen
resten splinters
en houten herinnering.
Ontwaken
Het kind in mij is gaan slapen
het kind in mij is dood
Langs spiegels van de tijd
is het kind in mij gegaan
om te verdwijnen
weg uit dromenland
het ging
met uitgestoken handen
reikend
naar de liefdesdroom
vol vertrouwen
slapend ogen dicht
en open opziend
naar de hemel
eens beloofd
daar waar hij woont
de grote god
die zorgen zal voor goed
en al wat node is
Maar de vróuw in mij moet ontwaken
want het kind in mij is gedood
vermorzeld door scherven
van gebroken spiegels van de tijd.
Herkend in wintergrond
Mijn hazelaar, je houdt mijn ziel
gevangen tussen je grillige naaktheid
en je zachte bloesemtrossen naar benee
hangend boven zwarte aarde in mijn
doodstille tuin die zwijgend wacht
in siddering voor de koude grond
waaronder het warme zaad zich broeiend
beweegt naar nieuw leven
Ik had je nog maar pas geplant, zo teer
al weerstond je wiegend klappende vlagen
van winden en stormen, buigzaam als ik.
In stenen armen
Nog voor ik wist
van wie ik droomde
had ik mij een man
bekend
en kinderen gebaard
En ik sliep in
stenen armen
in een granieten hemelbed
zo koud, zo koud
zo onvertrouwd
zo weggestoten
door de leien
hardheid in
zijn donkere blik
die doden kon
en doden deed
Toen zag ik ogen
met zachte tint van
amber, violet en groen
en ik had mijn man
herkend
en licht gebaard
En ik sliep in
hart en armen
op een zeegrassen matras
zo warm, zo warm
zo welvertrouwd
zo aangetrokken
door de twinkels
in zijn heldere blik
die leven wekte
en leven deed
Ik ging dood
en na mijn sterven stond ik op
en ik was die ik ben.
Omdat ik vrouw ben
Niet te harden zijn de beelden
van het voetbal op teevee
het doe-het-zelvers-schilderwerk
en de friet op zaterdag
Niet te harden is de man
die echtgenoot voor wie
ik nimmer heb gekozen
En als ik dan mijn weg wil
gaan die ik verkies boven
de huwelijkse sleur
dan loert er weer zo'n kater
dan ligt daar weer zo'n zelfde
kater op de loer
Niet te harden, concluderend:
er veranderde geen moer
Het speelse kind, de jonge vrouw,
de moeder en de grootmama,
de minnares in haar vereend
zal langzaamaan verdwijnen
ongrijpbaar en voldongen
blijft het feit van vrouw te zijn
Resten het voetbal en de friet
of misschien beter
eenzaamheid.
Ten einde
De wolken over het land
eten gras
en in de dichte mist
bewegen
mijn voeten mij voort
Ik ga door blind
met benen
als van een angstig
tastend kind
De nevel slaat
mijn ogen toe
en grijpend in niets
zoek ik me weg
Takken en struiken
gaan opzij
Roerloos verborgen
kijken zij
en zien mij niet
In drijfzand verdwijn ik
door modder begraft
Jij laat me sterven
Jij ogendood!
Jij.
Dag moeder
Daar schrijdt zij voort
in zwart gewaad
van crêpe georgette
met kanten mouwen
en een sleep
Een hele grote hoed
van vogelverenstruis
wiegt mee
En in mimiek en spel
voert zij haar eigen strijdtoneel
een kleine vrouw
zo trots, zo uitvergroot
Daar ligt zij neer
in wit gewaad
versierd met broderie
in linnen mouwen
En een cape
als hele grote hoed
om 't ravenzwarte haar
draait mee
Zonder mimiek noch spel
vecht zij haar eigen strijdtoneel
die grote vrouw
geveld, zo kleingemaakt
Restje mens van vlees en bloed
ontdaan van alle luister
Het moede, klamme hoofd
wacht op een kus en de dood
Haar act is af
Geen applaus bij haar graf
Dag moeder.
Statuette
Ik zie vader staan, gebogen
zijn zorgelijk gezicht
bedekt hij met zijn hand.
Hij huilt.
Ik weet, als kind, niet
wat hem heeft bewogen
maar nooit zal ik vergeten
wat hij mij heeft getoond:
een kwetsbaar man
die vraagt om mededogen.
Dodenmars
Honderd trommels roffelen
hun klanken door mijn lijf
mijn hart is opgeschrikt
en mijn ingewanden
worden doordrongen
met onhoorbaar zeer
van drammende dood
onverdraaglijk
Terwijl mijn gehoor
zich verdooft
sidder ik het nachtgeweld
van dromen
over mijn moordenaars
De grond ligt omgewoeld
en mijn verwekkers
zien mij aan
met zoals altijd
dodelijk verwijt
in hun stalen ogen
afwijzend en negerend
wat ik aan wel deed
en wil doen
door hun te geven van mijzelf
wat ik heb en bieden kan
Zij nemen niet
en mijn offers
buigen zich om tot
roffelende trommelaars
die donderend opzwepen
en mij wekken
Nimmer verdwijnen bozen
in vergetelheid
Altijd zullen trommels slaan
hard en harder door mijn hart
op maatslag van de hopeloze hoop
Ik leef de dodenmars.
Verlijden
Ik leg mijn hoofd
op het kussen
van stenen
Een zachter en vind
ik er niet
Mijn beddegoed
is nat van tranen
uit wolken van pijnen
verregend
Verdriet van het minnen
op het kussen van zeer
met ogen gezwollen
en rood van bloed
dat door stroomt bij
striemende
reegnen van tranen
onbestemd
En aan de muur heb ik
mij vastgeklampt
Zo bang om weer
naar jou
terug te keren
Takken slaan bladeren
stuk tegen ramen
en engelen hebben
hun vleugelen strak
gespannen
om te vlieden
opwaarts
Er rest ze het wachten
op mijn ziel
die nog niet wil
Ik kom wel
Ik kom nog wel.
Stuk
Ik dacht aan jou
aan hoe ontrouw ik ben geworden
in mijn verlangen
in mijn hoop op ons geluk
Ik dacht aan hoe mijn hart
de twijfels binnenhaalde
en stoelde op een kiezelsteen
zo viel ik stuk
Ik dacht
aan alles wat we bouwden
en beploegden
aan alles wat zo moeizaam
werd vergaard
aan alles wat we kostbaar
eens voorzwoegden
maar dat viel stuk
Ja 'k dacht aan jou
zo bitter mijn gevoelen
verworden tot pijn
door lief wat niet meer is
Traagt de sleur
het mag niet baten, ik voel
zo zeer, zo zeerlijk in gemis
ja, ik viel stuk.
Meidoornvlinder
Ik heb voor je gedanst
ik heb voor je gezongen
ik speelde op mijn citer en
ik dichtte jou een lied
Je hebt je ogen toen gesloten
en je mond, je gehoor verdoofd
en roerloos bleef je staan
En stil ben ik verdwenen
langs de cirkel van jouw ik.
Ongewenst
Ze liegen, bedriegen en trappen me na
met handen en voeten en ogen en oren
Vanaf mijn begin tot aan mijn einde
beulen zij mij in dit leven af en
ze hebben het kind in mij vermoord
Nu rest nog mijn vrouwzijn te sterven
en onbeschroomd hanteren zij hun dodende
dogmata, hun almacht, hun mammon en hun god
Mijn hart heeft hen reeds vaarwel gezegd
Nòg is het mijn ziel die in me vecht.
Kijk, de duif
Daar gaat een duif op verre vlucht
ze is zo mooi van kleur
zachtgroen en lila en blauwgrijs
Ze vliegt
doorheen onzekerheid
door stormen en natuurgeweld
feilloos fijnbesnaard
haar bestemming tegemoet
En ijlings vaart zij vleugelvlug
over de hoogste bergen
de wouden en de weiden
en over waterland
En mensen zeggen: Kijk, de duif
de duif van Godes land
zij brengt de vrede voort
zij draagt de wijsheid mee
zij is de geest van onze God
zij is de geest van God
En in de grote mensenstad
zit ik op mijn balkon
van het hoge herenhuis
Ik hoor een tik, een harde klop
en zie de tuimeling
-salto mortale-
de duif ligt dood
stukgevlogen tegen muur
van rode baksteen met een goot
Die sterke vredesduif
-de geest van God in mensenland-
die wijze, grijze duif
die hele mooie duif
met aardse hemeltinten
die kwetsbaar tere vredesduif
is roodgekleurd
en dood
Ze heeft het niet gehaald.
Over kiezelgrond
Vluchtigen
Langs spiegels van de tijd zal ik gaan
ik zal wandelen in eenzaamheid
en slapen met mijn ik, alleen
en waar ik mij verheug om niet
en blij zal zijn om niet
zo blij zal zijn om niet
daar zal ik eenzaam staan en wachten
Ja, langs spiegels van de tijd zal ik gaan
door mensenland, dat sinds heugenis
de kern niet mag verstaan van zijn bestaan
dat land, waar ik ontkiemde uit zaad en wezens
die langs spiegels van de tijd zijn gegaan
En de ziel van mijn ik ziet mij aan
als ik mijn spiegel neem
en schouw in het aangezicht van tijdelijk moment
Nog ben ik jong en mooi en droom ik dagen
nog zal ik gaan met lichte tred
langs paden van bestaan
en verhalen zal men mij van mijn bestaan
om niet; ik vroeg toch niet?
Het kind in mij zal sterven en
een vroege dood, ja veel te vroege dood
ondergaan; waar zal ik gaan, waar zal ik gaan?
Langs spiegels van de tijd zal ik gaan
en weer vertrekken, weg uit dromenland
waar ik even mocht bestaan en ik zal verder gaan
daar hoog, in een land ver weg boven de wolken
Maar eerst zal ik bestaan in mensenland
en gaan langs spiegels van de tijd.
Anthemis nobilis
Leg mij niet neer in een rozentuin
Ik wil rusten in een wilde woestenij
van puur gewas en bloemenkruid
met hommels en bijen en kleine egels
met vlinders rond de vlinderboom
en bonte kevers tussen jasmijn en
kamperfoelie, egelantier en munt,
fenegriek en lavendel en roomse kamille
Ja, leg mij neer in een wilde tuin.
Exhibitionist
Eigenwijs brutaal staart hij mij aan
in zilveren naaktheid
zonder ogen
Hij is niet verdwenen met zijn broeders
bij het vroege licht naar ergens
maar blijven staan
Ik vind hem mooi, mooier dan
in de zwarte nacht
wanneer hij hoort te schitteren
tussen de hemellichten
van zijn soort
In de ochtendstond ontmoet ik hem
aan het rose firmament met grijs en
zachter blauw dan droom
en hij bewijst dat ritme is
voor al wat leeft maar niet voor mij
en lachend roept mijn hart: jij wijsneus
waarom beeld je uit mijn ik?
Dan keer ik huiswaarts naar mijn woning
in het oosten van de stad
en wandel langs de ezel en de herten
en neem de waterhoentjes langs de plas
in gedachten mee
als kleine zwarte uivers
en weer ben ik geboren
waar ik eens geboren was.
Ik leef
Ik kom eraan
en mensen, ga opzij
de zon breekt door
het wolkendek
de lente is geboren
ik trek eruit
ik kom eraan
mijn huisdeur is gesloten
en langs de grote wegen
zweef ik naar mijn doel
Ik dans over de paden
en tussen sprokkels in het bos
ruik ik de geur
van pas ontloken groen
het maakt mijn zinnen los
ik dans en gooi mij open
ik leef, mijn God, ik lééf
En in het losse zand
vlei ik mij neer
boordevol geluk.
Januarivogeltjes
Ik heb de januarivogeltjes gehoord
en op het flinterdunne ijs
zag ik de witte meeuwen
In de hoge, kale bomen
zaten de zwarte kauwen
-groot als raven-
en de zwarte schapen
graasden iel groen wintergras
Bij de sappenloze bessenstruik
mekkerde een grijze geit.
Muizenissen
In de boerderij
naast de gaard
vol rijpende blauwe pruimen,
die zuchtend hangen
aan hun zwaarbeladen boom,
met in haar keuken
de wegschietende muizen
-als muizenissen in 't verschiet-
lig ik met jou
en weet
eindelijk
wat beminnen is
Toch haalt de liefde
zo verlangd
en duidelijk aanwezig
de felbegeerde zege
in concreto
niet
Tussen blauwgerijpte pruimen
op het erf voor
de deur met gele rozen
spelen jonge muizen
in holletjes
en in de keuken
van de oude boerderij
wachten
voor de wintertijd
spleten en nissen
als veilig onderkomen in
't verschiet
En de liefde
daar bedreven
rest als
vluchtige herinnering
en tijd slijt
langzaam maar gestaag
de beelden op
Vervlogen
hoe mijn naakt
zich aan jou gaf
en ik je streelde
en minde
ik draag je mee tot
in mijn graf
In die boerderij met
blauwgerijpte pruimen
gele rozen en
muizenissen
in 't verschiet
daar heb ik nooit gewoond
nee nee, daar woon ik niet.
Oktobervrouw
Oktober heeft me te pakken
als een oude makker die nog eens
met me stoeien wil; ik speel
kiekeboe in het herfstbos,
raap beukenoten, eikels en kastanjes;
een enkele zonnestraal danst
op mijn gezicht door nevelen
en tussen takken, bomen zie ik jou.
En plotseling weet het kind zich weer
in de oktobervrouw.
De nodiging
Ik zit en ben alleen
in de kamer
met duizend schimmen
om mij heen
en duizend ogen
die mij beschouwen
en benauwen
armen grijpen rond
als klauwen
als ik dan langzaam
op wil staan
zie ik een schim
gebogen gaan
voor mij uit
voor mij uit
zijn doffe ogen
met de pit
waar sprankeling in zit:
de nodiging
de nodiging
om mee te gaan
ik wil het wel
ik wil het niet
zijn donker kleed
trekt mij niet aan
hij weifelt, grijpt
mij naar zich toe
ik zie het karkas
onder de pij
hij was al dood
en dwingt mijn leven
af; hij neemt mij
neemt mijn leven af
en heel gedwee
komt mijn moment van
moede overgave
Dan plotseling
keer ik in
de kamer weer
ik ben terug
en hij ging heen
goddank, ik ben alleen
ja weer alleen
en alle schimmen
zijn verdwenen
al eerder was dit beeld
bij mij geweest
aan mij verschenen
Ik lach
omdat ik terug ben
in mijn eigen huid
en huis
mijn geest is terug
is thuis.
Novembervrouw
Daar ben je weer, o grauw skelet!
Je holle ogen drijven op in leegte
naar angst en het zwart van elke nacht
Je grijpgrage vingeren klampen als klauwen
en nemen om niet en open graven
in de aarde wachten zwijgend op jouw aas
Als een zwarte maan verdoft jouw duisternis
de zielen van wezens en onverhulde dood
verkracht het leven in de novembervrouw.
Ik zoek je
Over wilde zeeën wil ik gaan
Op woeste gronden wil ik staan
In losse zanden wil ik woelen
Aan wolkenheemlen wil ik voelen
Als ik jou maar vind, als ik jou maar vind
Mijn man, mijn lief, mijn vrind, mijn kind
Ach, als ik jou maar vind.
God weten
Ik ga door het bos
en kijk naar de bomen
ik streel de takken
met bottende knop
Ik noem Jou en voel
harten kloppen
in lachende basten
Hier mag ik gaan
en staan en God weten.
Voor Frans
In die liefdesnacht
Hij zei:
je bent mijn zonnetje
Toen lachte de maan
en dansten de sterren
en alle hemellichamen
vierden feest
En haar hart had lief
en ze droeg zijn zonnekind
en haar ogen straalden
en ze baarde licht.
Pelsluizen
Ze gaan door de straten en stegen van steden
en trekken voorbij in de tijd
passanten met neuzen en ogen en oren
ja met heuse koppen en monden met resten
varkenshaas of kip of kalkoen of vegetarische
kroket als onrust aanwezig tussen gouden kiezen
of tanden gevuld met mangaan; tussen klevend
gebit; toch nog los in de mond
Ze kijken door glazen van brillen
met tinten van grijs of van amber, van zwart
of van roze, of dragen er geen en gaan tastend
de weg van hun ijdel bestaan en zien achterom
naar de zwerver, die zoeker naar resten overleven
tussen afval en as van het gecultiveerd fatsoen
in de drekbak van de gegoede burger op straat
Ze zien en ze staren zich stom om zoveel dom
geluk van het niets en als kale luizen gekropen
in pelzen en huiden van dieren bewijzen ze
hun goddelijke adellijke stand, en vergeten
gapend verbaasd hun monden dicht te doen
Ze doen maar, denk ik en drink zwijgend
mijn koffie in het bruine cafee, die gasterij
met oud glas-in-lood en ongastvrije blikken,
met ruggen gekeerd en met draaiende hoofden
vol arrogante eigendunk, vol gevuld met leeg
niets en theater
De zwerver sjokt voort en gaat voorbij
alle leven en praat met zichzelf, zo,
dat ieder het hoort en niemand heeft
het ooit zover geschopt als hij, want
hier luistert men aandachtig gespitst
Vannacht valt hij in slaap onder de brug
van de oude stad en droomt tussen de ratten
zijn leven naar de volgende dag en gestaag
naar het eind
Hulde jou, geslaagde burgerman, met je veel
te slanke lief of met je ranke mooie man
in je warme hemelbed
Hulde jou, corpulente maagpatiënt, met je
franse cognac en je afgezakte bril onder je
bolle ogen, puilend zonder te zien
wat de wereld aan meer biedt dan jouw geneuk
zonder warmte en je armtierige chic
Hulde jou, arme mevrouw, je bent te dik geworden
door versnapering uit de luxe patisserie
en door de veel te vette portemonnee van mijnheer
die niet meer luistert naar jou en die niemand
meer hoort behalve de mompelende zwerver die hij
zojuist bekeek; doe je pelsmantel aan voor de luis
en tegen de kou of kruip in je warme donzige bed,
woel je door de volgende slapeloze nacht en door
resten onrust, droomloos en gestaag naar het eind.
Heiligdom der verlokking
Die kroeg, die heerlijke kroeg
zo donkerbruin mystiek
met fluistertonen en gelach
om moppen aan de tapperij
met wierookende walmen
van wiet en sigarettabak
met koperen kaarsenkandelaars
en dansend vlammenlicht
met glazen vol volrode wijn
en schuimend ambachtsbier
die kroeg met zoute knabbels
in het late uur en geile vrouwen
knaap met knaap -wat zonde nou-
en ook nog van die oude wijze
mannen met hun brillen afgezakt
toch nog wel wat bekakt maar zeer
van goede wil -het leven is wat stil-
hun vrouwen bridgen of zijn dood
gegaan voortijds of aan de late kant
wie weet; artiest en tekenaar
melkboer met hondehaar
gescheiden man, gescheiden vrouw
de pot en poot tezaam
In die kroeg, in die zalige kroeg
wordt liturgie gevierd
wordt eucharistie bedreven
wordt naar het woord gehoord
gelachen en geleefd
de jonge god achter de tap
schenkt glazen vol volrode wijn
en reikt ze aan wie zit en ook
aan wie blijft staan
het wordt een feest van nuttiging
van breken en van delen
in pijn, in zinnelijk genot
een jonge deerne lonkt en brengt
haar lichaam naar de straat en wacht
En na het feesttij in de kroeg
daar gaat de deur op slot
en samen met zijn priesteres
telt godezoon het offergeld
en zegent alle afwezigen
met een groot kruis na
Ite, missa est.
Van mom tot stof
Het feesten is voorbij gegaan
door dansende dagen en hitsige nachten
vol vrijpartij en drinkgelag
met heupgewieg en zwetend lijf
verpakt in hoempapa en mom
En de kater ligt te loeren
om te vangen wie hij kan
in klauwende benauwenis van
het geweten en de angst door
muizenissen en gevolg
Daar knielen in de kerk de vromen
neer om zielen te wassen met as en kruis
en te herinneren aan het eind
van levensdagen van stof tot stof
in siddering en niet weten wanneer
En telkenmale weer, jaren in en jaren uit
wordt na het groot symposium van eten, drinken
en gestoei in grimas en zinnigheid
herinnerd aan de lijdenstijd van de man van Nazaret
van hem die nog steeds niet is bevrijd.
Ik had geen hoofd
Verheug je, mijn ziel
het is stervenstijd
Ik begeef me naar de galg
mijn eigen opgerichte strop
nee, roep niet stop
niet jij, roep niet
Ik wil
Mijn kop eraf
en ik zal sterven
ik leef ook nu alreeds
niet meer
niets doet nog zeer
niets kan mij raken
want ik ben dood
verstukt door jou
die ik bemin
Geef mij de wijn
en deel het brood
en eet het feest van de strop
om mijn kop
Ik had geen hoofd
O nee, geen mens mag wenen
Ik wil een feestelijk vertrek
van hier
leg mij neer op de bolderkar
geef me mijn kruis
ik sluit het corpus in mijn armen
en weet mijn geluk in het dood
Leven heeft dit nimmer bereikt
Vervloekten, die mijn leven vergalden:
sterf als ik hang
sterf in angst
niet ik, nee, jullie zijn bang.
Amen als het zo zij
Als het zover zal zijn
met mij, wees dan niet bang
of angstig of verdrietig
want dan zal het zo zijn
met mij en anders niks
Daar waar ik vroeger zelf
zo angstig wezen kon
daar heb ik mij gevonden
en ik weet
hoe heel natuurlijk
het zal zijn als ik
vaarwel moet zeggen
tegen alles wat ik had
en heb gekend
en minde
En hoop noch zege verwacht
ik van de dood
omdat ik humaniste ben
in Christus
Hij stierf zijn sterven
met de angst
van alleman
in godvergetenheid
Met welke illusie
zal ik behept
zijn bij mijn sterven?
Met geen
Want dood is dood
En als ik stralend licht
ontmoeten zal daarna
dan is dat heel gewoon
en burgerlijk gezegd
'mooi meegenomen'
Wel hoop ik
dat mijn afscheid
lieven roept
om te verwijlen
Drink met mij
toost met mij
het is bevrijdingsfeest
voor mij en ook voor jou
Wie weet, misschien
de volgende
de volgende ben jij
Amen als het zo zij.
Naar de witte zon
Witte winterwandeling
Ik zie vogeltjes met witte borstjes
en denk: dragen zij hun witte zielen
zichtbaar op hun veren winterjasjes mee?
Naast zwartgeschubde bomen ligt
het witte meer als een bevroren ziel
en staart me ijzig aan in een harde
naakte waarheid waar ik zó van houd.
Het was zo goed, zo goed
Toen ik mijzelf verliet
wist ik nog niet
dat uit mij mijn ziel vertrok
en was en in het ruim verbleef
waar ik sliep
Maar o, hoe vederlicht
zo zonder gewicht
was ik daar en ik ging
en zag mijzelf te slapen
liggen in het grote bed
met nergens angst waarvoor
ik altijd angstig was
Ik was, ik was
En slapend lag ik dood te gaan
terwijl ik naar mij keek
en keek naar jou
Ik zweefde levend langs mijzelf
een bijna dode vrouw
Ik doolde langs mijzelf
en jou
Toen riep een stem: ga terug
ga niet voorbij de deur
ja nu, nu moet je gaan
de tijd is om, dus kies!
En ik keerde weer met schroom
en heel veel loom in benen
en gemoed
Het was mij zo een vreugde
geweest, een feest geweest
Mijn geest was uit mijn lijf
gegaan en had mij alles
en nog meer, nog veel meer
doen verstaan
Ooit zal ik weer gaan zoals
die ochtend en voorgoed
Het was zo goed, zo goed.
Hemels spel
Ik wil vlieden langs het hemelspan
en dansen door straten van steden
Ik wil waden door water, door golven
van een kobaltblauwe oceaan
Liggen wil ik in velden en
rusten in bossen
Tussen bomen trek ik sporen
om daar, aan het einde van het pad
op jou te wachten
Kom je mee of wil je gaan?
Ik zeg je naam en dag!
Waar ben je heengegaan, waar ben je heengegaan?
Ik wist dat je ging sterven toen ik je liggen zag
in het stalen ledikant met witte dodendoek
Waar ben je heengegaan, waar ben je heengegaan?
Ik wilde jou behouden toen ik je slapen zag
aan het zuurstofapparaat met rood en wit infuus
Waar ben je heengegaan, waar ben je heengegaan?
Hebben jouw dode voeten je op doen staan
nadat ze je gebalsemd legden in de witte kist?
Waar ben je heengegaan, waar ben je heengegaan?
Ik heb die witte kist zien staan
in de kilte van het dodenhuis, het dode dodenhuis
Daar ben je heengegaan, daar ben je heengegaan!
Je as ligt uitgestrooid over het land
en op een tegel prijkt jouw naam
Daar ben je heengegaan, daar ben je heengegaan!
Over het stille land ben je gegaan voorgoed
in eeuwigheid naar witte eeuwigheid
Ik zou je zo graag eventjes, nog even eventjes
maar zien en vragen: Hoi, hoe is 't vandaag?
en je vertellen dat ook ik opnieuw begonnen ben
Maar jij bent heengegegaan, ja zomaar heengegaan!
En soms zie ik je eventjes, heel even eventjes
in je witte pakje met je rode auto gaan
Zo blij en vrij en vrolijk aards
zo ongecompliceerd, zo mooi, zo mooi
Je bent voorbij, je bent voorbij gegaan
Ik zeg je naam en dag!
Herinnering aan zonnetje Helen
In onze gloria
Nu neem ik afscheid
van een oude kerkmakker
met wie ik eens eenstemmig
heb gezongen in het koor
en samen baden wij
dezelfde gebeden
en samen vonden wij
nog nimmer een gehoor
En eveneens was onze god dezelfde
en ook zijn moeder was diezelfde jodin
gelijk apostelen en martelaren
en alle varianten heiligen
en litanieën, rozenkransenweesgegroet
met credo, pater noster en hetzelfde
ite missa est, het ging ons goed,
het ging ons goed
En nu, ja, onze huid vormt zich in plooien
en ons aangezicht vertoont de tekenen
des tijds
en oude makker, jij en ik, wij samen
hebben ons geloof verloren zoals
jij je vrouw afstond en ik mijn man
en leven gaf ons aan hoe diep geloven
een mens ten val kan brengen,
vraag niet aan mij hoe dat in godsnaam kan
En ik, ik moet de resten nu nog ruimen
van brokken, stukken leed die godsdienst
aan mij deed
Toch heb ik altijd van mijn god gehouden
die ik niet kennen kan, noch zal,
noch immer weet
O ja, ik hoor hoe de gelovigen belijden:
jouw hoogmoed brengt jou eens ten val
Maar was niet ik reeds voor ik aanving
te bestaan al lang en breed gedood?
Wat zal ik angstig wezen, oude makker?
Zingen wij nog ooit tezaam een heilig lied
een litanie van alle sinten en sacralen
of zingt een dode, zingt een dode onder
zand en stenen niet?
Het ga je goed, het ga je goed
en jij en ik, we leven eens tezaam
in de gloria, in de gloria,
wij zullen leven
eeuwenlang
in onze gloria
en het zal amen zijn
Tot dan.
Voor Eise Hondtong
De Overkant
De treurwilg stond gebogen langs de waterkant
de witte waterlelie was allang niet meer
Volrijpe vruchten hingen aan struiken en bomen:
helderrode lijsterbes en zwartblauwe vlier
En de dood had de dode lief
en hem genomen, wiegend in haar armen
tot hij sliep, voorgoed
En de dode was verenigd met de dood,
de dood die nu de zijne was, voorgoed
En honderd gasten zijn gekomen
voor dit bruiloftsfeest
De voeten schuifelden over steen
en kiezelpad en dansten de dodenwals
zwijgend, tot bij het graf
En de treurwilg stond gebogen
in vreemd verdriet
De kastanje zag toe, getooid met vrucht
in rijpe bast tot berstens
De lieve najaarszon strooide kwistig
haar lachende stralen uit
over de huwelijkskist
De dode was getrouwd
in onvertrouwd niets
met de dode dood, voorgoed
De priester zei: amen
Ik dacht: het ga je voorgoed
Voeten dansten hun schuifelende pas de deux
Armen omhelsden en wezens kusten gezichten
met glinsterende ogen en wangen als nat van
druppelende dauw
Even was het stil en vredig, ja even was
liefde levend in de vrucht
van het huwelijk met de dode dood
De zon verdween, de maan verscheen
en de treurwilg richtte zich op en smeekte
om ontferming, fluisterend, in de najaarswind
Op de dodenakker was het stil
en in de kist lag de dode dood en koud, voorgoed
En de wezens sliepen in hun warme bed
met stille voeten, droge ogen, niet wetend wanneer.
Voor Jan Zweekhorst
Boven de witte zon
Waar zal ik heengaan met mijn hoofd vol dood
terwijl het leven mij nog niet het lieve heeft
gegeven
terwijl het leven mij niet anders biedt dan loze
kreten
uit kelen van creaturen die goden scheppen in
hemelen en doden in hellevuur?
In lichten van vlammen begeef ik mij opwaarts en
weersta de verdoemenis die ontspruit uit straffend
niets.
Ontstijgen zal ik zwavelen en doorheen nevelpek
dragen blauwe stralen mij naar wezens in wit.
Geen mensenman kan mij straffen.
De God van mijn ziel ziet hem aan en beschamen
zal Hij hem, die mijn ik heeft willen doden.
Daar waar het licht is
daar zal ik zijn
boven de witte zon.
Met mijn lichaam doorzichtig als zachtroze was
zal ik leven in het lieve. Ik geloof.
Maar nog, nog ben ik met mijn hoofd vol dood.
Waar is het Land? Waar is het Dromenland?
Waar is het niet voltooide Af?
Misschien.
O ja, misschien zal ik eens mijn tegenstander
kussen en strelen in waarachtigheid.
Misschien.
O ja, nog straft hij mij om niet.
O ja, waar zal ik heengaan met mijn hoofd vol dood?
Leven in dood
Hunkerend naar God
ziel in mens, heel in zijn.
Tastend in duister, zoekend naar licht
over de grens van het onbekende
aangekomen in het dodenrijk
licht van Licht ontmoetend.
Levende ziel, geheeld en heilig
in het land waar niemand heen wil gaan.
In stralend licht opgericht.
O dood, om niet te vrezen!
De spoorbrug
In de coupé rust ik op geluiden van
stampend geknars en gierend gerem
ik kijk door het beslagen raam en
onverhoeds verschijnt roest en karkas
De brug trekt mij met stalen armen
en houdt mijn adem in ijzer vast
Met flitsend grijpende vingeren
voert hij mij naar eindigheid
Als een rat in de val geklemd
raast mijn ziel in mij mee
en voortgetrokken in naarstige vaart
wacht ik in dodelijke benauwenis
Plotseling onderga ik verbaasd
de weidsheid van lief zacht groen
en naakte bomen vertellen mij
hun verhaal van het leven in de dood
Ik luister naar hen in zwijgzaamheid
en de trein danst voort op zijn muziek
in vriendelijk meedogenloos ritme
met timbre van gebroken rust en haastigheid
Ik ben op weg naar eindigheid.
Mijn harteslagklop
Mag ik met je meegaan
over de grenzen
van het oude bekende
naar het nieuwe gezicht
Mag ik met je meegaan
uit donkere nachten
naar ochtendgloren
met vriendelijk licht
Wil je me dragen en kussen en minnen
wil je mijn lief zijn, mijn harteslagklop
mijn liefste, mijn liefste, til me dan op.
Helemaal niet koud
De avond gaat door en ik wacht
duisternis wint en overvalt
Tastend naar vergeten verheugen
op vluchtige nachten zonder uren
en vol gevoel van eeuwigheidswaarde
begrijp ik ineens mijn hunkering
naar jou en ik vlei me tegen de muren
met de veilige armen, helemaal niet koud.
Witte koekoek
Ergens, tussen alle denkers en doeners,
tussen alle zoekers en strijders,
tussen alle iemanden en alle niemanden
in de geslachten van de wezens op de grond,
langs het water, bij de bomen, de bloemen
en de kruiden: daar ergens zingt een soliste
haar eigen melodie in eigen aardigheid.
Inhoud
Opdracht: Patricia, till dig 1
In stenen armen 2
Ik wist het niet 3
Spring op en dans 4
Houten herinnering 5
Ontwaken 6
Herkend in wintergrond 7
In stenen armen 8
Omdat ik vrouw ben 9
Ten einde 10
Dag moeder 11
Statuette 12
Dodenmars 13
Verlijden 14
Stuk 15
Meidoornvlinder 16
Ongewenst 17
Kijk, de duif 18-19
Over kiezelgrond 20
Vluchtigen 21
Anthemis nobilis 22
Exhibitionist 23
Ik leef 24
Januarivogeltjes 25
Muizenissen 26-27
Oktobervrouw 28
De nodiging 29-30
Novembervrouw 31
Ik zoek je 32
God weten 33
In die liefdesnacht 34
Pelsluizen 35-36
Heiligdom der verlokking 37-38
Van mom tot stof 39
Ik had geen hoofd 40
Amen als het zo zij 41-42
Naar de witte zon 43
Witte winterwandeling 44
Het was zo goed, zo goed 45
Hemels spel 46
Ik zeg je naam en dag! 47
In onze gloria 48-49
De Overkant 50-51
Boven de witte zon 52
Leven in dood 53
De spoorbrug 54
Mijn harteslagklop 55
Helemaal niet koud 56
Witte koekoek 57
Enkele suggesties voor de tekst achterkant bundel:
In 'Witte koekoek en roomse kamille' verdicht Ine Verhoeven op confronterende wijze haar speurtocht door het leven. Zij gaat met kijkende ogen door de haar gegeven tijd en (h)erkent het aanraakbare en het ontoegankelijke in haarzelf en in haar medemens. Zij beschrijft ervaringen, gevoelens, emoties en verlangens die haar raken en die ten diepste in haar bewegen.
Ine Verhoeven ('s-Hertogenbosch, 1943) debuteerde in 1995 met de gedichtenbundel 'Streel mijn leven, kus mijn dood'. Zij schrijft voor verschillende tijdschriften korte verhalen en gedichten en verzorgt meditatieve teksten. Zij redigeert copij voor tijdschriften en boeken. Onder andere heeft zij inhoudelijk aan de boeken 'n Bloembak blauwe begonia's en Etty Hillesum en de Goede - Zo betoverend mooi van de auteur Frans Boddeke meegewerkt.
*Driedeling bundel: Witte koekoek en roomse kamille, 1997
Uitgegeven door Dabar-Luyten.
part 1: in stenen armen
part 2: over kiezelgrond
part 3: naar de witte zon
Copyright Ine Verhoeven, C.T.M.
![]()