ZALIG DE NIEMANDEN

Zoals Alfonsus, zoals Franciscus, zo willen ook wij.
Copyright: Frans Boddeke en Ine Verhoeven
ZALIG DE NIEMANDEN
Over de iemanden in de niemanden
Van Frans Boddeke verschenen de boeken:
'n Bloembak blauwe begonia's - Abdij van Berne, 1994.
Zo betoverend mooi - Etty Hillesum en de Goede - Dabar/Luyten, 1996.
Van Ine Verhoeven verschenen de dichtbundels:
Streel mijn leven, kus mijn dood - Dabar/Luyten, 1995.
Witte koekoek en roomse kamille - Dabar/Luyten, 1997.
Ook verscheen van haar hand een serie van twaalf poëziekaarten - Abdij van Berne, 1997.
Ook Luctor kwispelt nietPRIVATE
De man in het zwart -ik zit naast hem in de lijkwagen- rijdt richting crematorium. Hij is een levenslustig gezelschap en dat kan van de dode achterin niet meer gezegd worden.
Ik voel me nooit erg happy in de lange wagen. Maar de man in het zwart is de dood gewend. Hij ziet de dood als commercie. De dood is zijn brood.
Hij rookt een licht sigaretje en merkt paradoxaal op: 'Ik kan nooit lang van huis, de concurrentie in mijn vak is dodelijk.'
We passeren een autokerkhof. Ik wijs: 'Auto's worden zonder enig bedankje afgedankt. Ze liggen daar niet bepaald met bloemen ter aarde besteld.' Hij glimlacht beroepshalve, tenslotte ben ik in zekere zin zijn broodheer.
Voor ik de dienst begin, bekijk ik de kaartjes aan de twee bloemstukken op de kist. 'Voor moeder' en 'voor oma'. Geen 'lieve' moeder, geen 'lieve' oma. Bij zo'n schrale tekst vraag ik me af of deze moeder en oma van haar kinderen en kleinkinderen heeft gehouden. Ze was jong gescheiden en de kinderen waren in een tehuis geplaatst. Ze had zich nooit om hen bekommerd. Pas de laatste jaren was er enige toenadering geweest tussen haar en haar kinderen. Maar de genegenheid spatte er niet vanaf.
Toch, deze kinderen zijn bij de crematie aanwezig en ze hebben Luctor bij zich. Luctor, haar trouwe hondje. In dit beestje had ze al haar verkrampte liefde neergelegd. Het was haar stille gesprekspartner geweest. Ze had uitdrukkelijk bepaald dat haar hondje bij de crematie aanwezig zou zijn. En later moest het begraven worden op het hondenkerkhof, met op zijn grafje een klein steentje met de tekst 'Lieve Luctor'. Dit schiet me te binnen als ik 'voor moeder' en 'voor oma' lees.
Er zijn geen tranen. En behalve de toespraak van de voorganger is er geen verder woord. Geen laatste groet langs de kist. Ook Luctor kwispelt niet. 'Afgedankt zonder enig bedankje', peins ik. 'Hopelijk wordt ze nu begroet door onze God, die niemand afdankt, zoals Ine Verhoeven schrijft:
'Zalig de niemanden, want zij zullen God zien / Zalig de niemanden, zij beërven het Land / De wezens bogen hun hoofden / Zij werden witte zielen / Het was stil / En er heerste absolute vrede.'
Op de terugweg -naast de man in het zwart- zie ik het autokerkhof weer. Ik kijk de andere kant maar op.
Ik word vriendelijk afgezet voor mijn huisdeur met een vrolijk 'tot ziens'.
Mijn ontroering is gewekt door Luctor. Ik herinner me flarden van een tekst van Jan Hanlo:
Hij was een hond / zijn naam was Knak / maar in zijn hondenlichaam stak / een beste ziel / een verre tak / een oud verbond / God, zegen Knak.
God zegene in ieder geval het vrouwtje van Luctor.
(Frans Boddeke)
Tranen
Je hebt gelijk, 't is waar
je ziet mijn tranen niet
De deur blijft dicht
de stoelen leeg
geen tafel wordt gedekt
Mijn stem is stil
omdat er niets te zeggen valt
geluiden zijn van buiten
niemand
En als ik tóch de straat inloop
omdat het hondje moet
dan kan geen mens vermoeden
hoe alles in me huilt
Je zei het en je hebt gelijk
je ziet mijn tranen niet.
(Ine Verhoeven)
Als ze omhoog gaan, klappen we
Een zaterdag in mei. Amsterdam viert in de Beurs van Berlage de jaarlijkse Aids Memorial Day. Ine en ik, we hebben de trein genomen. We willen erbij zijn. We willen solidair gedenken. We willen steunen. Getuigen. Liefhebben. De levenden en de doden. We dragen rode strikjes. Gevechtsymbooltjes tegen het moordend virus aids. En Amsterdam huilt. De wereld huilt. Wij huilen.
Gefixeerd kijkt een vrouw op de voorste rij naar de tegen de hoge muren zorgvuldig gedrapeerde linnen doeken vol namen. Naam voor naam drinkt ze in. Even later hoor ik haar bezwerend de naam Esther roepen.
De stenen ruimte is schemerig door de honderden rode brandende kaarsjes. Kleine levendige lichtjes bestrijden de grote dood.
De naam van de dode Esther wordt versmolten met de vele andere namen die mensen de hemel rustig fluisterend of hard opstandig toeroepen. Tezamen vormen alle namen één zware aanklacht tegen de dood in haar gevreesde variant aids. Ja, Amsterdam huilt waar het eens heeft gelachen.
De namendoeken staan vol symbolen. Ik zie bloemen afgebeeld en sterren en siervogels en een beertje en een kruis. Ik lees onder de naam Cees in blauwe letters de tekst: 'Abba Vader, u alleen, u behoor ik toe.'
'Beidt uw tijd' staat er geschreven boven de ingang van het Beursgebouw. Een raak motto, want veel 'beidt uw tijd' wordt de HIV-besmetten niet gegeven. Ik huiver als ik de jonge leeftijden van de ons ontnomenen in mij opneem. Onwillekeurig raak ik mijn rood lintje op mijn revers aan. Ik voel mijn betrokkendheid. Beidt uw tijd, o mens!
De bijeenkomst is fascinerend ondanks of misschien júist omdat de dood de hoofdrol speelt. De dood wint tot nu toe altijd. Maar mensen zijn moedig in het uur van het grote gevaar: zelf besmet door zijn reeds gestorven vriend getuigt Richard, dat hij zich niet laat vellen door de rake klappen, maar dat juist zijn aan aids overleden vriend hem positief in het leven overeind houdt; en een jonge moeder doet de harten ineenkrimpen als ze over haar pas gestorven kind zegt: 'Hij liep met zijn vijftien jaar als een terminale bejaarde.' Ze stelt: 'Ik weet zeker dat pappa en ik je eens zullen terugzien.' Ik ben ontroerd als ik de sonore stem van pater Jan van Kilsdonk de vele namen hoor uitspreken van de jonge mensen die hij in hun laatste levensfase begeleid heeft. Zoals hij daar stáát met de brandende fakkel, omvat met beide handen. Een priester houdt verleden mensen in leven.
De drieduizend -zij die gedenken- krijgen allen een witte ballon. Ieder plakt daar een sticker op met een naam. De ballon van Ine draagt de naam Bertyl, die van mij de naam Lars. Dat zijn onze nu verstilde scandinavische vrienden.
Langzaam schuifelen we gezamenlijk vanuit de stilte temidden van de stadsdrukte naar de Dam. Daar zingen we het aangrijpende lied The Rose. In onze handen wachten de ballonnen. Ze zijn reisklaar. Als ze omhoog gaan, klappen we. Sierlijk zweven de witte ballonnen de blauwe lucht in. Bertyl raakt een tijdlang verstrikt in een telefoondraad. Alsof hij nog even wil bellen naar de hemel of naar de aarde. Ine geeft hem een kushandje. We wuiven.
We praten na in Oibibio. Op onze tafel ligt de folder. We lezen hardop:
Sta even stil. Sta even stil.
Op een dag van stilte kan zwijgen dodelijk zijn.
(Frans Boddeke)
In de zon van de ziel zal mijn leven zijn
Ik zag de narcissen onder het ijs
en sneeuw bedekte de huid van de lelie
en schrale rozen taanden op rotsen
nog voor de zon van de ziel verscheen
En de zon van de ziel kwam vanachter de wolken
en de zon van de ziel verscheen met een lach
en de zon van de ziel bewoog mensen en volken
en de zon van de ziel gaf zijn licht aan de dag
Ik zag de sneeuwklokjes zachtjes trillen
en witte kamille klom op uit de grond
blauwe violen in kil zongen warm
toen daar de zon van de ziel verscheen
En de zon van de ziel droeg de vogels op handen
en de zon van de ziel verwarmde het lam
en de zon van de ziel droogde tranen van harten
en de zon van de ziel gaf het lief aan de mens
Ik zag verkleumden in moeizaam gestrompel
en verstukten gingen gebroken hun weg
en doden wilden doden begraven
tót daar de zon van de ziel verscheen
En de zon van de ziel lichtte op in de ogen
en de zon van de ziel genas alle pijn
en de zon van de ziel straalde op naar de hemel
en de zon van de ziel hief de armen naar God
Ja, in de zon van de ziel zal mijn leven zijn.
(Ine Verhoeven)
Ik weet niet hoe het verder ging
Betraande ogen, ontroerde gezichten bij de afscheidsdienst voor Angelique. Ontroering naast verslagenheid, tranen bij onmacht, angst in onrust. Jong en oud omarmt elkaar.
Angelique, lief elfjarig meisje, wordt van het ene mooie op het andere dodelijke moment door een automobilist-met-dichte-ogen letterlijk het leven uitgereden.
Het politierapport stelt de tijd op 8.34 uur. Absurd uur. Absurde minuut. Vijf minuten eerder neemt Angelique met een hartelijke kus afscheid van haar moeder: dag mams, tot straks.
In de kerk heerst opstandig verdriet.
Iedereen krijgt op de vraag 'waarom' het zwijgende antwoord 'daarom'.
Ik besef mijn onmacht, probeer toch de hoop te behouden, de herinnering levend te houden. Ik probeer de Ondoorgrondelijke in dit ondoorgrondelijk drama een plaats te geven, Zijn rol in dit jonge afgesneden meisjesleven positief te verwoorden:
'Angelique's leven en dood kunnen alleen begrepen worden in de liefde, vanuit de liefde. In liefde werd zij uit haar ouders geboren, in liefde groeide zij op in het gezin, in liefde blijft zij bij ons horen. Liefde vergaat nimmer, omdat de God in Wie wij geloven alle liefde is. Bij God kan het liefdevolle gewoon nooit verloren gaan, en daarom ook Angelique niet.
Er is geen ander perspectief dan de liefde, als de enige invalshoek voor voortbestaan. En dat wij van elkaar mogen houden, is zo uniek, dat dát beslist nooit voorbij kan gaan.
Zeker, de dood doet alles in het diepe zwarte water wegzinken, maar toch weet de liefde via het ontsnappingsluik van Gods genegenheid een veilige Levensoever te bereiken.
Ik luister nu naar de stem van onze Angelique en ik hoor haar. Ik ervaar haar. Ik weet haar in onze God.'
Na de crematie komt een klasgenootje naar me toe. Haar woorden zijn ontwapenend. In ongedwongenheid vertelt ze, niet wetend dat ze me ontroert: 'Ik vond het jammer dat de kerkdienst voorbij was. Het was eigenlijk heel mooi. Maar op het eind ervan begon ineens iedereen te huilen. Heel gek. Ik kon me toen niet meer inhouden. Vannacht heb ik over haar gedroomd. Ik droomde dat ik door de stad liep en dat ik haar zag. Zomaar, als iemand die langs me liep. Ik zei haar goeiedag, maar zij zei niets terug. Ze kende me niet meer. Ik vond dat eigenlijk ook wel eng. Ik weet niet, hoe het verder ging.'
Ik weet niet hoe het verder ging. Ik weet niet of de Ondoorgrondelijke mijn hoop op Zijn liefde heeft gerealiseerd. Ik weet niet hoe positief Hij Angelique uit dit drama heeft verlost. Ik weet niet of het liefdevolle niet verloren is gegaan. Ik vertrouw, maar ik weet niet hoe het verder ging.
(Frans Boddeke)
Kinderziel
Doodsangst
in mijn kinderziel
wijl ik van 't vaste land
in de afgrond val
Warme armen
houden mij omklemd
mijn bonzend hart
komt tot bedaren
Liefdevol strijkt God
door mijn verwarde haren.
(Ine Verhoeven)
Drie kruisen en nóg een Het roze lampje van mijn telefoonbeantwoorder flikkert. Ik druk op de knop 'berichten' en hoor een vrouwenstem: 'Graag bejaardenoord De Avondster bellen. Mevrouw Lolo Overstroom vraagt naar u.'
Ik bel naar het huis met de glinsterende naam De Avondster. Hoopvolle ironie?
De receptioniste is verbaasd: 'Heeft mevrouw Overstroom gebeld? Dat kan haast niet. Ze is bang voor de telefoon!'
Ik ken Lolo Overstroom. Vier jaar geleden heb ik haar en haar man regelmatig bezocht tijdens zijn ziekte, en hem na zijn dood begraven.
Ik herinner me hoe bar ongezellig het er bij de Overstroompjes uitzag. En mevrouw Lolo zelf liep er met haar verzuurde mond ook niet bepaald bij als een gouden gave Gods. Haar man maakte veel goed: een vriendelijke mens, die bezoek op prijs stelde. Wel moest ik uit voorzorg steeds een extra uur inbouwen in de dagagenda om vervolgens steevast ruim twee uur te luisteren naar vaagheden over van alles en nog wat.
Ik bezoek haar. Haar kamer oogt nog altijd schraal, als een verlengstuk van destijds. Ze is nu tachtig. Lopen kan ze alleen met behulp van een driepoot en ze ziet niet goed: 'Ik kan alleen nog lezen met een loep. Ik had een heel mooie loep. Maar mijn dochter heeft die ingepikt. Ze zei ijskoud: 'Jij hebt zo'n fijne loep niet nodig.' Toen bracht ze dit kleintje mee. Een schande, dat is het.'
Ik kijk rond en zie dat er boven haar bed liefst drie grote kruisen hangen. Maar hoor aan, er is nog een ánder kruis:
'Mijn dochter heeft me bestolen. We hadden veertigduizend gulden in huis. Zij en haar man, die brutale rekel, ze hebben alles meegenomen. 'Kom op, jij hebt geen geld nodig', zeiden ze keihard. Ze hebben al mijn geld gejat. Een schande, dat is het.'
'Veertigduizend gulden?', herhaal ik verbaasd. Ze verhoogt onmiddellijk het bedrag: 'Ja, als het geen vijftig- of zestigduizend is!'
Ik weet niet goed wat ik met haar verhaal aan moet.
'Is er niemand met wie je dit goed kunt bepraten?'
'Ja, maar ik zeg niet met wie. We zijn geen verraders. We zijn geen leugenaars. We zijn geen bedriegers. We zijn geen stelers.'
Hoe ze het ook wendt of keert, merkwaardig is dat haar dochter iedere week blijkt te komen. Maar: 'Ja, we hebben dan altijd ruzie. En hij, die brutale rekel, komt gelukkig niet mee. Hij komt nooit mee. Hij was niet eens op de begrafenis van mijn man. Nee, hij komt nooit. Een schande, dat is het.'
Ik vraag of ze veel contacten binnen het huis heeft.
'Nee, ik kom nooit van mijn kamer. Nooit. En het eten is ook slecht. Nee, nooit. Zelfs de puzzelboeken van mijn man hebben ze verscheurd. Nee, nooit. Een schande, dat is het.'
Bij de receptie vraag ik het telefoonnummer van de dochter. Als ik met haar spreek, vertelt ze: 'Ach ja, mijn moeder. Hoe komt ze toch aan die waanidees? Haar bestelen? Ik zou me doodschamen. Ze is mijn moeder, al zegt ze steeds dat ze me nooit wilde. Ik weet wel dat ik haar niet na aan het hart lig. Maar ze is mijn moeder. Ondanks alles. Ach, zo is het toch.'
Arme moeder, arme dochter. Drie kruisen in huis en nóg een.
Dichtgeslagen hart. Vastgespijkerd gemoed. (Frans Boddeke)
Lentenacht in maart
In de zwarte lentenacht
staat voor het hoge herenhuis
langs de lange vaart
de witte dodenwagen
En in de zwarte lentenacht
leggen witte heren
het levenloze lichaam
van de heer van 't herenhuis
neer in de witte wagen
en rijden langs de lange vaart
weg van het hoge herenhuis
Dag mijnheer!
Tussen bloesemtakken staat
langs de lange vaart
dat hele hoge herenhuis
statig overeind
met gevulde kamers vol
leegte en een erfgenaam
Gecondoleerd mevrouw!
(Ine Verhoeven)
Zalig de dieren
Een zomerse juli-avond in een gehucht aan een rivier. Een op één hand te tellen aantal huizen, een pittoresk kerkje, een schooltje en een restaurant.
Vredig neergezeten op het terrasje van deze gezellige boerse eterij zien we vóór ons de rusteloze rivier langs kalme bomen stromen. In de verte merken we een mistige brug op.
Tussen het water en het terrasje ademt groene grond, graasweide van twee koeien, drie ezels, zeven schapen en vier lammetjes. Hun vermaak lijkt te bestaan uit staan en liggen, uit eentonig eten en attent slapen. Iedere dag hetzelfde ritme.
Op de vlonder wordt minder eentonig gegeten en gedronken. Een witte heer verorbert samen met een oranje dame een mals biefstukje. Een van de koeien sloft naderbij, beziet de biefstuk -tot voor kort 'n wezenlijk deel van een collega- draait zich waardig om en deponeert een forse vla als dessert. Een uitgekookt protest tegen koejoneren.
Het al of niet bewuste gedrag van mevrouw de koe roept bij mij de vragen op: Wat is de zin van het dierenbestaan, hoe zalig voelen deze niemanden zich, welke visie koestert het veebestand? Hoe staan de dieren over het algemeen in het leven?
En, wat wéten dieren? Zijn ze zich bewust van hun onvrijheid? Wat voor weet hebben ze omtrent vandaag en morgen? Wat denken ze van de mens? Welke beschaving mag je een dier aanrekenen? Geen koe die een polshorloge draagt, geen lammetje dat koffie uit een kopje drinkt, geen schaap dat mes en vork hanteert, geen ezel die de landkaart bestudeert. Geen dier dat ooit iets groots verrichtte, geen beest dat ooit rampen onder de mensen veroorzaakte.
'Ben je gelukkig, wie ben je, ben je iemand?' vraag ik een der ezels die zich hunkerend over de draad buigt. Een weemoedige blik is het zwijgende antwoord.
Wat voor zin heeft het dierenbestaan? Ik weet het niet. Een antwoord als 'ze zijn een onmisbaar onderdeel in het geheel van de wereld' voldoet niet echt. Maar als de dieren er niet zouden zijn, zou het leven wel aanmerkelijk verarmen. Misschien ligt er zin in de aanhankelijkheid. Dieren -zoals deze hier- ontroeren. Ze wekken emotie op. Een streling over hun kop, een handjevol aangeboden gras, het toesteken van wat overgebleven krokante frietjes, het doet hen zichtbaar goed. Een klappende staart en een onbestemde oogopslag geven de mens dan blijk van beests voldoening.
Wat voor zin heeft een dierenleven? Minstens deze: dat de mensen hen in leven houden, dat de mensen zich door hen laten ontroeren.
Niet zoveel praten, niet alsmaar redeneren, maar allereerst het gevoel en de emotie laten opbloeien. De zin van aller leven ligt immers in het hart. En de dieren? De dieren, ze zijn er. En ze zijn de moeite waard.
We lopen terug over de dijk. Het water van de rivier danst zich in golfjes vrolijk vooruit. De zwaluwen scheren laag. Muggen zoemen in zwermen. De flora is kleurrijk. De hemel is zwoel. Deze zomeravond maakt dromerig.
Bij de auto kijken we nog even om. Op hun graasweide zien we de dieren.
De drie ezels staren langs ons heen. De twee koeien staan onbenullig met grote vochtige ogen. Hun blikken volgen ons. Meer niet. De vragen blijven. (Frans Boddeke)
Lage zwaluwen
Vleermuizen schielken hun
vlucht
laag door de lucht
in de zware zomeravond
vol zoete geuren
van de late kamperfoelie
de lavendel en de rozenboom
De bomen zwaaien traag
hun bladeren
en de nachtvlinders
vliegen uit
Bij de zware trossen
met de zwarte bessen
volrood sappenrijp
van de groene vlier
dansen insekten
hun dood tegemoet
en de sprinkhaan
en de krekel
de tor en de luis
dienen ter nuttiging
en hun sterven
doet leven
Uilen wachten gelaten
tot de duisternis valt
en zwerfkatten slapen
tot honger hen wekt
in de donkere nacht
Met groene ogen
en gele pupillen
richt zich hun iris
in dunne streep
op prooien
En leven leeft verder
door dood, door dood
En alles geschiedt
in de adem van
schijnbare vrede
en stilte en rust
en schone schijn
En in sierlijke vlucht
vliegen de zwaluwen op
in de ochtend
en cirkelen onverhoeds
en laag boven de grond
Hun nesten zijn leeg
en hun jongen volgroeid
op jacht om te leven
of opgevreten
door de uil
door de kat
de buizerd
of de rat
(Ine Verhoeven)
Ouwe jongen, één, twee, drie!
De woonwijk in Noord biedt weinig aanknopingspunten met bordjes als Eerste Donk, Tweede Donk, Derde, Vierde, Vijfde... Negende Donk.
Maar eindelijk sta ik dan toch voor het opgegeven adres. Ik zoek de vrouw van een plotseling overleden parochiaan. Nou ja, plotseling? Als ik 's avonds een wandelingetje maakte door West, zag ik hem nogal eens onzeker en onvast uit het café wankelen. Roofbouw op zijn lijf. Ook de buren hadden me verteld over 'die natnek van hiernaast'.
Maar stappen en jajemen is er vanaf vandaag voor deze natnek niet meer bij.
Zijn vrouw doet open, zegt dat ze 'het' al weet en zet, al doorpratende, koffie: 'Ja, Charles en ik zijn, och God nog aan toe, we wáren! getrouwd, maar we leefden apart. Samen in één huis, dat ging echt niet. Van adres veranderen was trouwens zijn hobby. 'Ik heb een nieuwe haven nodig', luidde het dan. Ik was niet thuis vanmorgen. Mijn broer zag me lopen en riep uit de auto: 'Heb je het al gehoord? Charles is dood. Een buurvrouw vond hem in de gang. Hij zag akelig blauw.'
Ze pauzeert, steekt een sigaret op en zegt: 'Charles heeft altijd op de grote vaart gevaren. Destijds woonde ik in Mexico. Daar leerde ik hem kennen. Ik dacht: 'Gô, wat een leuke man.' De zee was zijn lust en zijn leven. Maar bemanningen drinken gewoon te veel. Naïef als ik was, dacht ik: 'Dat drinken leer ik hem wel af.'
Charles is op dat moment zesenveertig jaar en zij vierendertig. Ze trouwen, hij meert af, vindt geen rust, krijgt bonje met zijn nieuwe baas en kan ook het roken en drinken niet laten.
'Een fles jenever per dag werd het en minstens twee pakjes sigaretten. Hij ging alleen wonen. Ik irriteerde hem. Ik zag hem hooguit in het weekend.'
Ze verdedigt hem: 'Als hij niet dronk, was hij een beste kerel, een goede kameraad. Ach, ik heb me vergist. Ik dacht dat ik hem kon veranderen. Maar een zeeman van tegen de vijftig, die kun je niet vastleggen op het droge. Dan raakt zo'n man helemáál aan de drank. 'Bij gebrek aan zeewater', zei hij geheid als hij de fles pakte. Na een paar goeie slokken belandde hij steevast met dubbele tong en met lange uithalen in sentimenteel gebral:
'We'll meet again, don't know where, don't know when, but we'll meet again some sunny day'. Van die Vera Lynn, geloof ik. Hij mixte zijn smartlappen tot een potpourri, alleen de polonaise ontbrak. De woorden breide hij aan elkaar: 'Weep no more, my lady, oh weep no more today' van 'my old Kentucky home'. Hij was dan niet te stuiten, alle talen rammelde hij door elkaar: 'Auprès de ma blonde, qu'il fait bon dormir.' Een favoriet! Tenslotte, als hij de zoveelste neut ladderzat achteroversloeg, wist ik het allemaal wel weer. Ik dacht dan 'het is weer zo laat'. Voor hij op de bank in slaap viel, vertoefde hij nog even 'op de woelige baren, bij storm en bij wind'. Jaja, dan dacht hij 'steeds aan zijn blondje, dat vrolijke kind'.
Had Charles op zee feilloos leren laveren, nu gaat hij laveloos ten onder. En tegelijk zinkt de huwelijksboot. Met jenever naar de klippen.
Bij de afscheidsdienst wens ik dat de stuurvaste Stuurman hem veilig naar de hemelse wal loodst, en dat hij niet overboord zal slaan in de graaiende golven van het totale niets. Witte rozen ('daar was hij altijd kapot van') deinen hem tijdens de dienst naar rust: van akelig blauw naar vriendelijk wit. Een signatuur van le grand Seigneur!
Een oude maat klopt zijn laatste groet op de droge kist: 'God zegene de greep, ouwe jongen. Eén, twee, drie!'
(Frans Boddeke)
Ritme in leven
Hartenvreugde en zielenleed
gaan samen en raken elkaar
De man raakt de vrouw
en de vrouw raakt de man
en in gevoelen versmolten
varen zij samen op
naar leven en dood
steeds weer, steeds weer
naar leven en dood
ja steeds weer
en opnieuw
naar leven en dood
(Ine Verhoeven)
Rusteloos
Een man belt aan. Ik laat hem binnen. In de spreekkamer ploft hij neer op een stoel: 'Kan ik u spreken? Ik ga scheiden. Mag ik mijn jas uittrekken?'
Hij trekt meteen ook maar zijn trui uit, doet zijn polshorloge af en legt zijn sigarettenpakje op de tafel.
Hij is vrij lang, vrij mager, en vrij sjofel in zijn T-shirt. Zijn gezicht is ingevallen. Zijn linkerarm heeft een tic. Hij houdt haar stil door de leuning van de stoel vast te houden.
'Mag ik roken? Ik ben zesendertig. Ik heb vier jaar Havo gehad en hier en daar cursussen gevolgd. Ik zou graag piloot worden. Mijn vrouw is veertig. Geen kinderen. We zijn vijf jaar getrouwd. Door onze handicap voelden we ons tot elkaar aangetrokken. Zij heeft zenuwtoevallen en ik mijn arm.
Ik wil praten over mijn rothuwelijk. Ik ken u niet. Maar ik moet toch nog bij de Rijksarchieven zijn.
Mijn huwelijk. Ja, mijn vrouw is een lief vrouwtje. Maar ze is leeg, totaal leeg. Helemaal, helemaal. Ik heb een brede belangstelling. Vooral vliegtechniek, nou ja. Zij niet. Ze is autarkisch. Ze leeft als een automaat. Altijd dezelfde dingen op dezelfde tijd.
Weet u iets van vrouwen? Ik wel. Vrouwen willen altijd wat anders. Zij niet. Ze draagt nog steeds dezelfde jurken als toen. In vijf jaar maar twee nieuwe rokken gekocht.
Ze is een lege vrouw. Laatst waren we op Corsica. Ik vlieg graag. En wat gebeurt er? De eerste de beste dag doet ze haar bikini aan, pakt haar tas en zegt: 'Ik ga boodschappen doen.' Ik zeg: 'Ben je daarvoor op vakantie?' Mijn God, hoe is het mogelijk. Ze is leeg. Altijd dat automatisme. Nooit eens uit. Altijd die tv aan. Ze kijkt niet links of rechts. Altijd dezelfde rechtvooruitblik. Immer gerade aus. Ze is te maniakaal.
Ik ga dus weg. Nou ja. Ik heb het haar verteld. Ze reageerde nauwelijks. Het doet haar niet veel. Ik zal haar een paar duizend gulden geven. Voor de rest moet ze maar zien. Het gaat niet meer. Met beide benen op de grond blijven. Reëel blijven. Ik heb een uur gehuild. Kamer op slot. Natte zakdoeken. En toen was het helder.'
Ik luister. Meer is ook niet nodig.
Hij vervolgt: 'Ik reis graag. Vooral met de trein. Heerlijk. Weet u hier geen kamer?'
'Nee, niet zo gauw.'
'Geeft niet. Maar ik móet weg. De Riagg doet niets. Ik heb ze daar vanochtend nog gesproken. Ook de huisarts ziet niets in haar. Als ze jeuk op haar hoofd heeft, zit ze al bij hem op de stoep. Nee, ik blijf niet. Trouwens, ik verhuis graag. Heerlijk. Verhuizen is mijn hobby. Tientallen keren ben ik verhuisd. Nu duik ik Brabant eens in. Maar trouwen doe ik niet meer. Ik zeg niet nooit. Ik ben geen homo. Op het gebied van de seks is het ook niks. Altijd weert ze maar af. Met haar handjes vooruit. Ik wil ook geen kinderen. Deze geia is te gek. Hoe zou dat ook moeten, een kind en dan die zenuwtoevallen. Nou ja, ik ga niet naar de hoeren. Voor drie minuten honderd gulden neertellen, nee. Ik ben bezig met een boek. Vellen vol. Nu ga ik. Ik weet precies wat we eten. Altijd hetzelfde. Aardappels en groenten uit blik. Geen vlees. Eerst jarenlang iedere avond karbonaadjes. Toen ik er iets van zei, kreeg ik helemaal geen vlees meer. En altijd een plastic toetje. Zou u met mijn vrouw willen praten? Het heeft geen zin trouwens. Ze draait de feiten toch maar om. Bedankt.'
Ik kijk hem na. Zelfs in zijn lopen ligt rusteloosheid. Een zichzelf opjagende man. Korte, felle, stotende zinnen. Van de hak op de tak.
Vallend vliegtuig, mislukte piloot. Zelfs zijn arm is vol onrust. Arme vrouw. (Frans Boddeke)
Ongeheeld
Weggaan en keren weerom
om steeds te proberen
om steeds weer te leren
dat er een jij leeft in jou
dat er een jij leeft in mij
Weggaan en keren weerom
om steeds te proberen
om steeds weer te leren
dat er een ziel leeft in jou
dat er een ziel leeft in mij
Weggaan en keren weerom
door engten en ruimten
door donker en licht met
grijpende hand en hunkerend
hart naar trouw; voorgoed jou
Weggaan en keren weerom
aaneengesmede band verbroken
van God en alleman verstoken
eenzame man en eenzame vrouw
weg ziel en weg lief jou
(Ine Verhoeven)
Uitgewandeld
We staan gedrieën afwachtend aan de rand van zijn bed: de wijkverzorgster, de vrouw van het café waar Jan meer thuis was dan in zijn rommelig flatje en ik, de priester van zijn parochie.
Terwijl hij ligt zoals hij ligt, verzucht zijn waardin: 'Al z'n geld heeft ie verzopen. Hij was niet te stoppen. Méér drinken was onmogelijk.'
Ja, Jan was altijd dronken. Wie hem zag, zag een wankelend vat. Hij zigzagde voorbij, plaste naar gewoonte tegen de muur van de school en probeerde moeizaam misstappend zijn flat binnen te komen.
Ik ken Jan. Ik heb zijn vader destijds begraven. Toen kon Jan de tocht naar het crematorium al niet opbrengen. Door de drank was hij contactarm geworden en agressief. Zijn familie hing hem ellenlang de keel uit: 'Mee hun hek ginnen ene moer te make. Hullie komme hier nie binne. Ok nie as 'k kapot ben.' Het is de langste dialoog die ik hem ooit heb horen ophikken.
Toch is zijn broer de eerste, die na Jans dood zijn woning binnenkomt. 'Daar is niets aan te doen', zegt de notaris als we die raadplegen.
In huis is het een bende. Onder de tafel ligt een smak bierflesjes. De kastladen zitten volgepropt met seksblaadjes.
Er slingeren overal ongeopende giro-enveloppen rond. De wijkverzorgster
vertelt dat ze Jan een paar dagen geleden gevraagd heeft wat ze voor hem kan doen: 'Zal ik je eens lekker verschonen?'
'Gif me wè stèrruks.' Einde Jan.
We zwijgen. Trouw aan de drank. Trouw aan het gedistilleerd. Trouw Tot.
De drank, zijn waarachtige liefste en enige metgezel, had hem als mens opgelost. Zij van het café: 'Ik zei zo vaak: Jan toch, drink godverdomme niet zo veel. Eét tenminste wat. Verleden week nog heb ik mijn dochter met een pannetje eten naar hem toegestuurd. Hij knalde de deur voor haar neus dicht.'
Hij dronk, omdat hij eenzaam was, en omdat hij dronk, werd hij steeds eenzamer. En toen hij eens wilde ophouden met drinken, ging het niet. De drank was hem tot drijfzand geworden, waarin hij steeds verder en dieper wegzonk.
Achter zijn bed zie ik aan de muur de medailles en op de kast de bekers die hij ooit met wandelen binnenhaalde. Hij heeft de Kennedymars van 80 kilometer gelopen, de tocht Maastricht-Luik van 150 kilometer, en minstens viermaal volbracht hij de Nijmeegse Vierdaagse. Ja, wandelen was ooit zijn lust en zijn leven.
Nu is Jan dan onderweg naar het paradijs. Wij, gedrieën afwachtend aan de rand van zijn bed, kijken toe. Geen applaus. De waardin neemt een slokje water. Een ongekende handeling in dit huis. Frans Boddeke)
Dans mee
Trek mee, zoete bode, en zeg je woord
ach, zeg me je woord en leer me verstaan
hoe slang en drommel en angst te weren
Trek mee, zoete bode, pluk met mij vrucht
van de Wijnstok die bloeit op Jeruzalem
Ga mee, zoete bode, en wijs de weg
ach, wijs me de weg, want ik ben onwetend
en kan niet herkennen waarheen ik moet gaan
Ik ben verlegen, en toch wil ik vragen
waar over de wereld mijn huis zal staan
Dans mee, zoete bode, en zing je lied
ach, dans met me mee op mijn verre reis
langs straten en pleinen van dorp en stad
Dans mee, zoete bode, dans me naar huis
naar mijn woning naast de Wijnrank van God
Naar Marcus 16,15-20 (Ine Verhoeven)
Wat voert God toch uit?
De onbekende belt aan en valt dynamisch met de deur in huis: 'Mag ik u wat vragen? Wat voert God de hele dag uit?'
Een overrompelend begin.
'Ik ben Gods perschef niet', antwoord ik. 'Ik heb geen toegang tot Gods privédomein.'
Hij heeft scherpe ogen. Een goede veertiger. Slordig uiterlijk. Geen ring. Geen stropdas. Geen scheerapparaatgebruiker.
Wel clever genoeg, want: 'Wat voert God de hele dag uit? Wat doet Hij toch de godganselijke tijd? Wilt ú dat niet weten? Er is zo weinig systeem te ontdekken in Zijn doen en laten. Kijk, waarom mag mijn oma negentig worden en waarom moest mijn nichtje op tienjarige leeftijd dodelijk verongelukken? Waarom krijgt mijn broer van nog geen vijfendertig een hartinfarct en waarom gaf God die Hitler niet? Als Hij Hitler een beroerte had bezorgd, had Hij de wereld nogal wat leed bespaard, dunkt me. Nee, de goeden gaat het lang niet altijd zo prima en de slechten maken het meestal doorgaans opperbest.'
Ik zucht. Ongevraagd moet ik een reeks vragen beantwoorden, terwijl ik mijn lessen maatschappijleer nog moet voorbereiden. Maar hij gaat door: 'U kunt nu natuurlijk wel stellen dat God alles goed maakt met de beloofde hemel, maar is dat niet letterlijk een slag in de lucht? Prima hoor, dat alles later voor mekaar komt, maar waarom kan dat nú niet? Als God het kwade kan voorkomen, waarom doet Hij dat niet op dít moment? Welke vader overrompelt zijn kinderen met zulke abjecte beproevingen? Als Hij dan al almachtig is, waarom trapt Hij dan niet alle slechte leiders ogenblikkelijk de wereld uit?'
Hij haalt uit zijn tas een groezelig stenciltje met een tekst van Frans Kellendonk: 'Ik had niet veel op met Jezus Christus, een man in een soepjurk, die zich een doornenkroon op het hoofd had laten drukken, die, als hij in moeilijkheden zat, dreigde zijn vader erbij te halen. Zijn vader was een toornige ijdeltuit, die nooit genoeg geloofd en geprezen kon worden. Van dat stel had ik altijd een gezonde afkeer gehad.' Wat vindt u ervan? Niet zo slecht, dunkt me toch.'
Ik probeer een antwoord te formuleren:
'Ook voor mij geldt dat Gods almacht en Gods liefde niet samengaan. Almacht en liefde zijn geen gelijkwaardige grootheden. Gods almacht moet geïnterpreteerd worden vanuit Gods liefde. De liefde heeft prioriteit.
Maar goed, dat zijn theoretische gedachten. Het gaat in het leven primair om het dóén. Ik las 'ns over een man die een kruisbeeld met een corpus zonder handen en voeten zag en toen zei: 'God, voortaan zal ík jouw handen en voeten zijn. Ik zal jouw liefde versterken. Samen redden we het wel.' Kijk, teveel mensen zien God helaas nog altijd buiten zichzelf. Maar God is binnen onszelf. Het leven vraagt niet om macht, om opeisende macht, maar om liefde, om gevende liefde. Heeft Jezus niet gezegd dat het meest belangrijke in het leven de liefde is? Niet de macht, het aanzien, de gezondheid, maar de dagelijkse liefde.'
Hij kijkt me doordringend aan. 'Geen gek antwoord. Maar ik houd u niet langer op. Mag ik eens terugkomen?'
Even onbekend en dynamisch als hij kwam, is hij weer weg.
(Frans Boddeke)
God slaapt in mij
Wakkeren, wakkeren
dag en nacht door
de vlam moet branden
het vuur mag niet doven
wakker waken
en wakkeren voort
doorheen
de vlucht van de tijd
En God slaapt in mij
terwijl ik mij haast
van oord naar oord
van land naar land
en over alle grenzen
bewegen mijn ziel en
mijn voeten mij voort
En God slaapt in mij
Haastigen, haastigen
dag en nacht door
denken gedachten
bewegen de handen
bezig blijven
en doen altijd voort
doorheen
de zucht van de tijd
En God slaapt in mij
terwijl ik me verbaas
over leven en dood
en over bestaan van
handen en voeten
van botten en beendren
van ogen in wakker
Maar God slaapt in mij
(Ine Verhoeven)
Mijn bloed staat dan even stil
Hij woont links beneden in de flat. De buitenbel is gesloopt. Ik klop op de deur. 'Wie daar', klinkt het toonloos. Ik noem mijn naam. Stilte. Dan gaat de deur open.
Voor me staat een lange, gebogen man. Grijs, onverzorgd, ooit geschoren. Het ene oog kijkt anders dan het andere. Zijn vingers zijn nicotinebruin. Hij gaat aan tafel bij het raam zitten en zegt: 'Ik ben niet in orde. Tien jaar geleden was ik ook al ziek. Ik zette het bordje van de SOS voor het raam. Maar niemand lette erop. Met de grootste moeite heb ik toen de buurvrouw kunnen bereiken. Ze heeft de dokter geroepen, die van haar. En wat deed die vreemde vogel? Niets. Niet eens zijn koffertje open. 'Ik ruik het al, kolendamp', zei hij. Ik had toen vogels in de andere kamer. 'Die hebben het beter dan jij', zei die pief ook nog. Ik had toen merels.
Ik kom nu al drie jaar lang niet buiten. Ik kan niet meer tegen de winkels. Ik wachtte altijd al tot iedereen weg was.
Ik maakte een keer op straat een praatje met de autobewaarders. Ineens kon ik niet meer. En toen was het over. Toen ben ik naar huis gegaan. Voor boodschappen bel ik De Spar. En af en toe komt de bakker langs. Ik sta nooit voor twaalven op.'
Ik kijk rond. Versleten bankstel. Verschoten behang.
'Ja, er hebben hier Spanjaarden gewoond. Ze hadden daar een knots van een kast staan. Nu kan ík dat gore stuk behangen.'
Ik luister en bekijk de tafel. Puinhoop. Een vies broodplankje met etensresten. Een vies kopje. Een vies glas. Twee naast elkaar liggende vieze messen. Vier viezige ballpoints. Twee heel vieze asbakken. Twee pakjes shag op elkaar. Drie pakjes sigaretten op elkaar. Honderd bankstrookjes op elkaar. Honderd opengemaakte giro-enveloppen op elkaar.
'Ik heb door heel Europa gezworven. In 1937. Ik was toen net werkloos. Het was toen overal slecht.'
'Ja, het was de grote crisistijd.'
'Nou, dat interesseert me niet. Ver van mijn bed.'
Achter de smoezelige bank tel ik vijf lege cognacflessen. De zesde is nog half vol.
'Ik ben de laatste tijd niet in orde. Ik krijg schokken. Mijn bloed staat dan even stil.'
Ineens fel: 'Naar de kerk ga ik ook niet. Teveel volk. Ik volg de mis op de televisie. Op Nederland, dan op België, en daarna op Duitsland.' Na elkaar dus. Een merkwaardig patroon. Ik zie de tv, met een radio er bovenop.
Ik bied hem mijn hulp aan. Hij zwijgt. Hij geeft me een hand. Als ik wegga, kom ik langs de keuken. Ik zie alles op en door elkaar op een berstensvolle aanrecht.
Even later zit ik thuis aan mijn bureau. Tweehonderd meter verderop weet ik een oude man aan tafel. Hij rookt zijn shagje, drinkt zijn borrel. Het enige waar deze eenling op teert.
En 'mijn bloed staat dan even stil' bij zoveel eenzame armoede.
(Frans Boddeke)
Maar mijn raaf niet
Boven de rode dakpannen
binnen het glazen decor
van mijn ongewassen raam
hangt de grijze grond van
de waterwolken en wacht
Zullen de vogels verdwijnen
en schuilplaatsen zoeken
om daar te wonen als de
massa breekt en huilt en
woeden gaat vanuit díe grond?
De naakte boom voor mijn
groezelig venster trotseert
de grauwe dreiging en blijft
vastgeklonken aan zijn eigen
wortels staan en steunt de raaf
met zijn brede takken die de
grijpgrage klauwen laten vatten
en de pikkende snavel laten begaan
in de sappige vlezen onder hun
huid met de donkerbruine schil
Boven de rode dakpannen
gaan de wolken huilen en
ze lachen en zingen en alle
vogels vliegen op en weg van
het decor maar mijn raaf niet
(Ine Verhoeven)
De hel naar fabeltjesland
Vlak bij de Bossche binnenstad liggen veel tapperijen. Een van deze dartele gelegenheden bevalt mij uitstekend: 't Veulen.
't Veulen is klein maar levendig met z'n houten planken, krakende stoelen, wankele tafeltjes. Om het laatste niet getreurd: men legge een bierviltje onder de meest zwabberende poot van het veulentafeltje en het getapte bier blijft bewegingloos schuimen in het glas. Dit is het aantrekkelijke van het etablissement: het primitieve aanzicht, het zware veloursgordijn, het donkerbruine plafond, de lichtzwarte tapkast, de ruwe plankenvloer, de heuse grammofoonplatenmelodieën, en dan ook nog de gevatte uitbater.
Het heeft dagenlang ijzig gevroren. Gelukkig treedt vandaag een lichte dooi in. Dus spoed ik mij naar 't Veulen. Ik word verwelkomd met een aangereikte delftsblauwe aarden pot vol doppinda's. Het heerlijke is dat ik de pellen niet in de asbak hoef te deponeren. Ik word zelfs -haast smekend- verzocht ze op de grond te gooien. Een prettig nonchalante bezigheid.
De huisfilosoof van het café is ook aanwezig. Hij hangt voorover op een barkruk en is in het zwart gehuld. Een devote pet boven zijn weelderige baard voltooit zijn markante kop én het beeld van een dorstige geest op zoek naar hoger Nat. Hij staart door zijn half brilletje in de zes lege bierglazen voor zich en wijsgeert hardop: 'Als ongeborene kwam ik tot leven in het vruchtwater, als volwassene dobber ik in het gérstevruchtwater. En zo heeft alles zijn bekoring.' Hij heeft een bourgondische uitstraling en is in de regel op de maandagavond in topvorm. Hij houdt dan thema-avond. Graag converseert hij met een dichteres die hem met haar eigenzinnige denkbeelden goed partij geeft. Ze twisten, en beredeneren geloof, hoop en liefde. Mijn bourgondiër wankelt zowel door het bier als door het geloof, maar haar gedichten stutten hem. Proost!
Ik lees in de krant dat de anglicaanse kerk de hel niet meer ziet zitten. Ze heeft als nieuw uitgangspunt geformuleerd dat 'de traditionele gedachten over de hel tot doel hadden de gelovigen te terroriseren. Het was de tijd van de theologie van de verschrikking. De hel is geen eeuwige kwelling, maar een zich afkeren van God.' Het bericht komt uiteraard veel te laat voor de beminde goedgelovigen, het kerkgebouw ís al leeg, maar men preke ook voor kerkmuizen en ander ratjesgedoe.
Kijk aan, daar komt de dichteres binnengewaaid. Voor ze in debat gaat met haar (b)aardige huisfilosoof, komt ze even bij me zitten. We drinken een glas rode wijn. Pindadoppen knisperen onder onze voeten. We nemen ook nog een portie zwetende oude gouden kaas in lichtbruine mosterd met groene en zwarte olijven in knoflookdressing tot ons.
Ik toon haar het krantenbericht over de hel en vraag naar haar mening. Ze stelt gedecideerd: 'Goeie hemel, men komt wel láát op de gedachte om het hellevuur af te schaffen. Veel mensen verwezen de hel allang geleden naar fabeltjesland.' Ze leest ook de orakelklets van de aartsconservatieve prêtre Antoine Bodar. Deze narcissus vindt zichzelve ene 'roepende in de woestijn'. Ze schatert om een archaïsch citaat uit Diens Roomschen Kanselrede: 'Gij weet of ik bewogen word door ijdelheid!'
'Wat een hyperverwaand sujet toch', zegt ze.
De deur gaat open. 'Het vriest alweer', zegt een bezoeker voetenstampend. Vrieskoud, denk ik. Tja, ook de kerk ontdooit niet zo snel en ze krijgt nu de rekening van haar star dogmatisme gepresenteerd. Lege kerk, lege hel.
Ik vraag om de ongezouten nota. Deze is slechts licht gepeperd.
(Frans Boddeke)
Helse schimmen in verleden
Zij gaan weer hun ommegang
en een voor een kijken zij
mij aan terwijl ik te wachten
wil staan
Ik wacht daar op Jou
en zie de wezens gaan
die biddend door de straten
schrijden
en satan loopt vooraan
Zij grijnzen en grimmen
en sarren mijn ziele
en Jij komt maar niet, niet
Ze grijpen me vast
en klampen me aan
en kijken met ogen nog holler
en groter dan zwarte kolen
klaar voor de stook
in de zwarte kachel
vol helse rook
van turven en gesmolten pek
voor zielenvlek, zielenvlek
Ik zie ze gaan en herken
en erken wie ze waren, wie ze zijn
het zijn de wezens van
levend leven in mij
de wezens van banden van bloed
de wezens van lief in krijsende haat
die niet leeft in mij, niet in mij
en wie mij verlaat, verlaat ik niet
en toch ben ik vrij, ik ben vrij
En jij, gedrocht met kolenogen
bedrieg mij niet langer
Ik weet je, ik ken je, Beëlzebub
Je bent het einde van alle wrede pijn
omdat ik niet langer te raken ben
Ik zie je gaan, stoet rouwende doden
In treur om jezelve en om je verraad
zie ik hoe je gaat, dansend en schrijdend
niet aan mij lijdend maar aan jou, stoet grauw
Ik sta en wacht niet langer
ik word echt niet banger van
jouw grijpende vingren, wit van dood
Ik ben en zal zijn en schenk jullie gratie
De pret is voorbij
Die ommegang in stoet voert
terug in de graven
Sidder na van boosaardig gelach
maar niet meer om mij
Ik ben vrij
(Ine Verhoeven)
Ze zijn een teken
Ik word uitgenodigd om samen met een twaalftal verstandelijk gehandicapten, variërend in leeftijd van twintig tot veertig jaar, koffie te komen drinken in hun unit.
Vóór de koffie wordt eucharistie gevierd. In de kapel zitten de pupillen en hun begeleiders. Ofschoon er voortdurend gekletst wordt, is de sfeer goed.
De viering begint. Twee misdienaresjes in witte habijten assisteren vanuit hun rolstoel. Het zijn perfecte actrices. Ze hebben blijvend oog- en mondcontact met de andere gelovigen. Ook het Woord wordt met veel gebaren en uitbeeldingen verlevendigd. Bij de bidkaars worden de voorbeden uitgesproken. Het onbeholpen voorlezen van de tekst wordt tot dubbelgebed. Bij iedere intentie steekt een pupil een kaars aan. Elke kaars heeft een tekening zodat de nietlezers het gebedje óók kunnen volgen. De jarigen van de komende week worden onder enthousiast handgeklap en voetgestamp met name genoemd. Als slot van de voorbeden wordt feestelijk 'lang zullen ze leven' gezongen. Een van de pupillen klimt bovenop de bank met een stokje in haar hand. Ze lacht breed en dirigeert -bijna benijdenswaardig- spontaan.
Het Onze Vader wordt hand in hand gebeden. Daarna komt iedereen naar voren om het geheiligde Brood aan te nemen. Blije gezichten, lachende ogen, gelukkige kinderen Gods.
Het is een viering voor gehandicapten, maar geen gehandicapte viering.
Na deze gelukkige dienst loop ik met de twaalf pupillen naar hun woongelegenheid: een grote leefkamer en een zestal slaapkamertjes.
We drinken koffie. De pupillen gaan op in hun bezigheden. De een speelt met een wollen poesje en streelt onophoudelijk het zachte kopje. De ander bekijkt eindeloos een touwtje. Weer een ander maakt met de veters van zijn uitgetrokken schoenen een draaimolentje. Ergens daartussenin wordt iemand duidelijk kwaad. Hij vliegt ineens op en slaat wild om zich heen. De twee leidsters pakken hem op en slepen het dwarsliggertje bekwaam de leefkamer uit. Hij wordt naar zijn kamertje gebracht. Niemand van de andere pupillen maakt zich er druk over. Ze gaan gewoon door met waar ze mee bezig zijn.
Wellicht heeft mijn bezoek de opstandige pupil uit zijn gewone doen gebracht. Na een half uurtje komt hij terug. Hij speelt weer mee. De groep heeft geen problemen. 'Je hoort erbij' is het thema van de viering en de pupillen brengen deze kern ongedwongen in praktijk.
Het gemiddeld niveau ligt niet veel hoger dan dat van een vierjarige. Het is triest om te zien: mensen van veertig en zo kinderlijk. Maar ze zijn er. Ongerepte zieltjes. Zomaar onder de mensen, in een streberige wereld naar geld en carrière. Mensjes met zorgeloos vertrouwen -gewoon- op wat is. Meer niet.
Niemanden? Ze horen erbij. Als iemand. Als ik.
(Frans Boddeke)
Adonaï, doe mij jou dragen
Adonaï, doe mij jou doen
Druk jouw gezicht in mijn gezicht
vlecht je armen in mijn armen
strengel je vingren in mijn vingren
beweeg jouw voeten in mijn voeten
glans jouw ogen in mijn ogen
klop je harte in mijn harte
plant je leven in mijn leven
groei jouw wezen in mijn wezen
ga voort in mij en doe mij gaan
geef geest aan mij en doe mij geven
spreek in mij en doe mij spreken
lief in mij en doe mij lieven
Ik ben die ben doe jij mij zijn
ik mens geboren doe mij jou dragen
Ik ben die ben doe jij mij staan
ik mens geboren doe mij jou doen
Adonaï, doe mij jou dragen
Adonaï, doe mij jou doen
(Ine Verhoeven)
Niksnakkers
Op vrijdagavond, zaterdag en zondag is het welzijnswerk gesloten. Daarom neemt armoetroef uitgerekend dan zijn toevlucht tot de pastorie, die in beginsel dag en nacht bereikbaar is. Men doet gehaaid een dringend appèl op de pastor; híj dient zich rijkelijk en royaal als christen op te stellen.
Het zijn stuk voor stuk droevig opgediste spreekkamerverhalen:
Moeder de vrouw is óf ernstig ziek óf ze loopt op alle dagen.
Hij komt net uit de gevangenis -'ik zeg dat maar heel eerlijk'- óf op het perron heeft hij tot zijn bitterheid moeten ervaren dat al zijn zuur gespaarde geld gestolen is. Maar de pastor hoeft niet bang te zijn: 'natuurlijk wordt al het geleende geld terugbetaald, u mag als onderpand mijn paspoort houden.'
De laatste tijd wordt nogal eens het politiek vluchtelingschap ingezet. Ach, redenen om geld te kunnen vangen worden nog steeds bedacht, smoezen worden nog altijd verzonnen.
Ik liep eens door de tunnel. Een man greep me vast. Hij eiste geld. In een reflex rukte ik me los. Een week later zit die snoeshaan bij me in de spreekkamer. Hij zegt dat hij naar zijn moeder in Haarlem wil. Mijnheer heeft geen geld voor de trein. Hij herkent mij niet. Toch voelt hij ergens nattigheid. Ineens staat hij op en verdwijnt, vliegensvlug.
Een keurig net, gezet heerschap komt langs. Hij zegt: 'Ik heb in hoge mate kanker. Ja, u kunt het niet aan mij zien. Maandag word ik opgenomen. Mijn laatste weken gaan in. Ik wil nog één keer goed eten. Maar ik heb geen ene sou.' Ik antwoord dat ik geen geld geef. Hij vloekt me stijf: 'Krijg de kanker, rot vent.' Buiten hoor ik hem nóg schelden. Ik kijk hem na. Bijzonder veerkrachtig loopt hij richting stad.
Men kan zich als pastor ook vergissen.
Zo belt een man op tijdens Studio Sport. Dat tijdstip scoort hoog bij de niksnakkers. Pastores zijn dan doorgaans tóch thuis om sport te kijken.
De man: 'Ik heb het moeilijk. Ik ben van huis weggelopen. Het is mijn schuld. Mijn vrouw kan er niets aan doen. Mag ik nú langs komen?'
Hij komt, en ik denk dat ik hem al eens eerder in de spreekkamer zag. Een inschattingsfout. Daarnaast ga ik er bij voorbaat van uit dat het woord schuld ook hier wel 'geen geld' zal betekenen. Maar daar gaat het niet om, helemaal niet. Het gaat om zijn huwelijk. Het staat op springen.
Het wordt een lang gesprek. Als hij weggaat, bied ik hem excuus aan, ik ben in het begin zo terughoudend geweest.
Even daarna wordt er opnieuw gebeld. Een man vraagt vijf gulden. Ik wacht af welke smoes ik zal horen. Hij zegt echter: 'Ik heb gewoon zin in een borrel.'
Och, dat is nu eens eerlijk. Ik geef hem vijf gulden. Ik kijk hem na. Hij loopt het café voorbíj!!
Ik lees ter vertroosting in de keuken nog eens de kalenderspreuk, die me uitgerekend vandaag voorhoudt:
'Aalmoezen zijn stukjes pasmunt, die rijken wegschenken van het deel dat ze de armen onthouden hebben.'
Een schrále troost. Frans Boddeke)
Kom laat me je raken naar God onze God
Kom, laat me je raken
als balsem op wonden
kom, laat me je zalven
waar je ziel werd gegriefd
Weet dat mijn stem zonder leugen zal klinken
weet dat mijn woord in de waarheid zal staan
weet dat mijn hand naar genezing zal strelen
weet dat mijn voet in het heilspoor zal gaan
Kom, zie met je ogen
en wil naar mij kijken
kom, geef me je zeren
en je lijdende lijf
Weet dat ik jou als mijn herteke beschut
weet dat ik jou als mijn lammeke draag
weet ik jou tot adelaar zal scheppen
weet dat ik jou naar de horizon daag
Kom, laat me je raken naar God onze God
Naar Lucas 5,12-16
(Ine Verhoeven
God helpt haar
Ze is een lieve echtgenote en een schat van een moeder. Wanneer haar man gestorven is, na een roofzuchtige ziekte, toont ze zich ook als een dappere, zelfstandige en sociaalgevoelige vrouw.
Haar inspiratie put ze uit haar geloof in God en uit haar liefde voor haar kinderen.
Ineens pakt een dodelijke ziekte ook haar ongenadig aan. In recordtijd wordt haar lichamelijke vrijheid gebarricadeerd. Maar als mens en vrouw blijft ze overeind. Ze gaat dapper het gevecht met de tijd en de strijd om haar leven aan. Tenslotte neemt ze in vrede afscheid: 'God helpt me.' Haar adem is op.
Vaak heeft ze tijdens haar ziekbed haar teleurstelling geuit, teleurstelling omdat geen van de kinderen nog naar de kerk gaat. Met pijn heeft ze geïncasseerd dat geen enkel kleinkind gedoopt is. Ze zegt dat haar kinderen goed en meelevend zijn, en behulpzaam en vriendelijk. Maar ze kan niet bevatten hoe het toch heeft kunnen gebeuren dat haar zoons en dochters, allemaal, zomaar God hebben losgelaten.
Haar kinderen dragen gezamenlijk met zorg haar lichaam de overvolle kerk binnen.
Een van haar zoons gedenkt in het in memoriam:
'Moeder zei vaak 'zonder mij gaat het leven ook wel verder' en dat is zo.
Maar toch, het zal voor ons, voor mij, nooit meer zijn zoals vroeger.'
Een dochter spreekt haar kort maar gevoelig toe in de voorbede:
'Mama, dank je wel. Jij was iedere dag onze mama, en jij was iedere dag onze oma.'
Het valt op. Niet in het in memoriam, niet bij de voorbede en ook niet op het gedachtenisprentje wordt God genoemd. Elke gelovige duiding ontbreekt.
Door alle levenscrises heen is zij haar verbond met God trouw gebleven.
Door alle levenscrises heen is zij haar verbond met man en kinderen trouw gebleven.
Tijdens de absoute lees ik van harte voor haar dít citaat uit psalm 116:
Mijn ziel, wees niet meer onrustig,
de Heer draagt zorg voor u.
De Heer ontrukte mijn ziel aan de dood,
Hij droogde mijn tranen en steunde mijn voet.
Ik mag weer leven onder Gods oog
in het land van de levenden.
Ik ben ervan overtuigd: God helpt haar. (Frans Boddeke)
Adonaï, Hij zij geloofd!
Ik zal jou mijn woorden geven
en mijn daden: neem ze op
Ik zal jou tot voedsel zijn
en in jouw leven levend zijn
Ik zal jou tot drager zijn
over de grenzen van de dood
Adonaï, Hij zij geloofd!
Eet mijn woorden, drink mijn daden
Eet mijn lichaam, drink mijn bloed
Adonaï, Hij zij geloofd!
Ik zal jou mijn waarheid geven
en mijn harte: neem ze op
Ik zal jou tot liefde zijn
en in jouw liefde lievend zijn
Ik zal jouw behoeder zijn
voorbij de grenzen van de dood
Adonaï, Hij zij geloofd!
Eet mijn waarheid, drink mijn liefde
Eet mijn lichaam, drink mijn bloed
Adonaï, Hij zij geloofd!
Naar Johannes 6,48-59
(Ine Verhoeven)
Al tien jaar 'n boerenkool
Ik ontmoet de rector in een Limburgs klooster tijdens de middagmaaltijd. Hij blijkt goedlachs en met zijn drieënzeventig jaar kan hij nog aardig mee. Met zijn gebenedijde omvang en zijn flitsende ogen in het fletse gelaat heeft hij iets weg van een overjarige playboy. Hij is volop in de running als religieus beheerder van -zoals hij zich nonchalant verkoopt- een paar dozijn nonnen. Die dozijnsneer van hem doet me denken aan gerookte oesters, in van die smalle blikjes gepropt. Vrolijk waarschuwt hij: 'Het zijn heel aardige vrouwtjes, hoor, maar houd ze in de gaten!'
Bij nader gehoor blijkt hij behoorlijk dovig. Hij luistert dan ook nauwelijks. 'De zusters koken te lekker', zo verdedigt hij zijn clericale buik. 'Ik zeg dat altijd weer opnieuw. Dan lachen ze maar wat, de schatten. Heel bekoorlijk. Ze zetten hun moederlijke gevoelens om in al te smakelijke hapjes, baksels en kooksels. Ze willen mij als man-alleen maar wát graag vertroetelen. En elk nonnetje denkt dat ik er speciaal voor haar alleen ben. Hahaha!'
Omdat ik een weeklang meditatieve lezingen over Etty Hillesum houd bij de zusters, neemt hij nu vakantie. Maar er is altijd wel wat: 'Vannacht is een zuster gestorven. Nu, dat is redelijk. Ze is wel op het verkeerde tijdstip gaan hemelen, hoor. Maar ja, neem dát haar maar eens kwalijk. Ze was al tien jaar lang 'n boerenkool.'
Een verrassende beeldspraak. Ik kijk er extra van op. Hij smijt een lepel of drie mayonaise op de frisse veldslablaadjes en gaat verder: 'Ja, ze had goede verdiensten. Een leven lang zich ingezet voor achterlijke kinderen. Alla, op den duur werd ze zelf volkomen achterlijk. Al tien jaar lang 'n boerenkool. Onbespoten dement. Niks aan te doen.
Vanmiddag wipte ik even de dodenkamer binnen. Om haar pols een bandje met 8-9-10. Hola, zeker weer een nieuwe trend, dacht ik. Maar het bleek te staan voor 8 september 1910. Grapje rond de dood. Misschien te gebruiken voor de preek bij de uitvaart: een 8 voor haar geboorte, een 9 voor haar leven en een 10 van God.
Och, met preken heb ik geen moeite. Ik kan vier jaar vooruit. Daarna begin ik weer van voren af aan. Geen zustertje dat dat doorheeft. Die vrouwkes
kijken liever dromerig naar de bloemen bij Maria en het Heilig Hart, onder de verkondiging. Gelijk hebben ze. De meeste preken zijn weggegooide tijd.
Kent u het kerkhof? Ik mag niet te oud worden, want het is bijna vol. Die kruisentuin ligt aan het einde van een prachtige laan met aan iedere kant van die chique perenbomen. Die buigen hun hoofden naar elkaar. Zo ga je onder een boog door naar de dood. Maar er zijn ook nog twee zijlanen. Die zijlanen vormen met de hoofdlaan een kruis. Grapje van de zusters. Verkapt christendom. Slimme vrouwtjes.'
Hij vraagt losjes naar het thema van de bezinning.
Ik zeg: 'Etty Hillesum, joodse mystica.'
Hij kijkt bespoten naar buiten: 'Nooit van gehoord.'
Ik denk: 'Over 'n boerenkool gesproken!'
(Frans Boddeke)
Genade op genade
Dromer, zie Mij aan
wat doet jouw ogen blinken
wat geeft jouw hart je te verstaan
o dromer, zie Mij aan
Je ziel zal jou kleden
omdat je schittert in Mij
je hand zal jou leiden
omdat je handelt in Mij
je voet zal jou dragen
omdat je wandelt in Mij
Dromer, zie hen aan
jij doet hun ogen blinken
jij geeft hun harten te verstaan
o dromer, zie hen aan
Dromer, doe maar, laat je gaan
dromer, toe maar, zie hen aan
glans je ogen, schitterglans
je ziel naar buiten toe
en geef de arme sterveling
genade op genade
Naar Matteüs 21,33-46
(Ine Verhoeven)
De Here
Met zijn tienen staan ze daar eendrachtig de Here te verkondigen, pal naast de viskraam op de markt. 'Keert weder, keert weder, verdoolde schapen', roepen ze in koor, niet onbeoogd mijn kant uitkijkend. 'Komt allen, komt allen, wij zijn de gezondenen. Wij zijn de vissers van de Here!'
'Als jij niet heilig wordt', schampert een bolle man tegen de schriele visverkoper. Deze grinnikt en ondergaat de heilige schimpscheut gelaten. En niet minder ook beroepshalve: Hij verkoopt zíjn vis tussen witte broodjes.
Omdat ik trek heb in een lekker warm lekkerbekje, moet ik even wachten. Ik sla het hemels schouwspel gade. De leidster van het hele 'Herespul' heeft -het mag gezegd- een lekker bekje. Als een vis in lekker helder water vertelt zij prijzend van haar Here. Haar tekst is minder lekker. Ze belijdt, daar op de markt, dat ze jarenlang leefde in zonde.
De bolle man lolbroekt: 'Details graag, juffertje!'
Maar ze heeft zich bekeerd. Ze is zelfs een blijer mens geworden! En een christen is helemaal geen kwezel! Wie kan zoiets toch bedenken!
Met in de ene hand een bijbel met helrode opdruk en in de andere hand pamfletten met zwarte letters roept ze de passanten op om zich tot de Here te bekeren: 'Keert weder, keert weder, verdoolde schapen. Wij mensen worden omgeven door zonden, zoals -ja, ik wil en zal het met name noemen- zoals door de homofilie. De mens is en blijft een zondaar. En alleen de Here kan de berouwvolle ontuchtige nog redden. Toon toch berouw, toon toch berouw!'
Traag eet ik, al luisterend het gedoetje gadeslaand, mijn lekker warm lekkerbekje op.
Na haar 'gemakreel' deelt de heilverkondigster de pamfletten uit. De interesse rondom is magertjes. En wie al een pamflet aanpakt, dropt die enkele meters verder meteen op de grond.
De bekeerde zondares kijkt me strak aan. Dan zegt ze: 'Gelooft u?'
Ze heeft kortgeknipt zwart haar en is denkelijk rond de dertig.
'Ja', zeg ik, 'dat doe ik. Maar vertel eens, waarom haalde u daarjuist de homofilie aan? Zijn er geen échte zonden te verzinnen, gezien het gegeven dat homofilie geen zonde is?'
'Heel de bijbel, en echt héél de bijbel wijst de homofilie af, mijnheer.
De Here houdt wel van de homo's, maar echt niet van wat ze doen.'
Ik ga maar geen verdere discussie aan -het zou niets uithalen- en bekijk het pamflet. 'Jezus Christus geneest!' De explicerende tekst is gebaseerd op Exodus 15,26: 'Ik ben de Here, ik ben uw heelmeester.' Met vette zwarte letters staat onder de bijbeltekst dat de mens zondig is en van gebroken harte: 'De geest van de mens is ziek, de ziel van de mens is ziek, het lichaam van de mens is ziek.'
Het pamflet eindigt zowaar optimistisch: 'Liefde geneest de ziel, liefde geneest de geest, liefde geneest het lichaam. De Here is liefde.'
Ik bedenk dat het gewortelde dogma over de zondige mens niet uit te roeien valt: de dwaze erfzonde is niet weg te poetsen. En dan, wat is 'zo slecht en zondig'? Mensen zijn dan misschien onvolmaakt, maar toch niet slecht. Ik neig eerder te denken dat die van nature zondige mens van nature goed is.
Dapper hardnekkig -het begint hard te regenen, alles komt van de Here- staan ze daar met zijn tienen, nog steeds eendrachtig, bij die viskraam.
In het spoor van de eerste vrienden van Jezus beschouwen zij zich écht als evangelische vissers. Jammer alleen dat hun aas voor het viswater zo gierig is. Maar de unieke Mensenvisser heeft hen ongetwijfeld lief, in al hun onvolmaaktheid. Hij weet dat ook zij geen zondige mensen van nature zijn. En deze mensen zijn voor Hem als het lekker warm lekkerbekje voor mij.
(Frans Boddeke)
Ieder zal mijn liefste kennen
De nevel hangt boven het meer
en kriskrassende vogels
azen op hun prooi die door
het water schiet van her naar
der; het vroege morgenrood
kleurt de watervlakte licht
naar het roze van zacht lief
En wie ik liefheb, weet geen mens
en wie ik liefheb, zal herkennen
en wie ik liefheb, treedt met voeten
over paden zonder te gaan, en hij
zal staan, begaan om voortbestaan
De nevel trekt over het meer
en mannenbroeders gooien
hun netten uit in water
dat in de ochtend door de
zon de kleur van liefde weet
te vangen; voedsel nadert
in het roze van zacht lief
En wie ik liefheb, weet de mens
en wie ik liefheb, zal herkennen
en wie ik liefheb spreekt met woorden
geeft met daden te verstaan wat te doen
en hoe te gaan om voortbestaan
En ieder zal mijn liefste kennen
en ieders liefste zal hij zijn
Naar Johannes 21,1-14: Meer van Tiberias.
(Ine Verhoeven)
Jaja
Hij loopt. Met opgetrokken schouders. Handen op de rug. Ogen neergeslagen. Heen en terug in de lange kloostergang. Van nergens naar nergens. Hij gaat de weg van de neergang.
Ik groet hem die loopt, en noem zijn voornaam. Hij kijkt op met nietbegrijpende ogen. 'Jaja', mompelt hij met lage stem. Hij staat stil en kijkt me aan met verbaasde wenkbrauwen: 'Jaja.' Ik vraag hoe hij het maakt. 'Jaja.' Dan stokt ons niet begonnen gesprek. Ik voel me verlegen worden. 'Dag', zeg ik. 'Jaja', herhaalt hij traagbrommend. Hij staart me na. In de refter schenk ik een kopje koffie in. Hij is lauw. Ook al niet opwekkend.
Ik ken hem zo'n vijftig jaar. Eens waren we klasgenoten. Zijn karakter: rustig, betrouwbaar, behulpzaam, zachtmoedig, passief, gelovig. Meer stoelzitter dan initiatiefnemer. Dit laatste is drastisch veranderd. Van kalme peinzer geworden tot niet aflatende jogger. Urenlang. Heen en weer.
AD 1989. Hij verwelkomt me in de nacht op vliegveld Zanderij. Eenmaal op mijn kamer in Paramaribo legt hij uit hoe ik de klamboe moet gebruiken tegen kakkerlakken en muskieten. Op tafel staat een typemachine. Een oud beestje, een flink uitgevallen muskiet. Het lint is schraal als uitgedroogde buffelhuid. Ik probeer indrukken vast te leggen van de eerste dag. De machine is voor computervingers haast niet te hanteren.
Als ik zes weken later vanuit het vliegtuig op de stad zal neerzien, bewonder ik mijn confraters. Ze hebben niets. Ze krijgen niets. Ze lijden tekorten. Maar ze blijven bij hun mensen. Wegvliegen ligt hen niet.
In de stad voelt hij zich niet thuis. Maar zijn bestuursfunctie vereist aanwezigheid ter plekke. De functie is te hoog, zegt hij. Dat vind ik ook. Waarschijnlijk is hij gekozen als overgangsfiguur, als compromisman tussen rechts en links. Hij heeft geen greep op de situatie. Lang, te lang zit hij achter zijn bureau, vergeefs proberend beleidslijnen uit te stippelen.
Maar hoe opvallend is zijn gedaanteverandering als we het binnenland intrekken. Een heikelige vraag is of de auto het zal halen. Hopelijk gaat de uitlaat mee. Uitlaten kunnen alleen -en dan nog alleen sóms- zwart worden gekocht. Hopelijk krijgen we geen klapband. De reserveband is gestolen. Schokkend en stotend bereiken we een klein modderig dorp met lage hutten. Hier -tussen de bosnegers- is hij op zijn best. Ik versta niet veel, hij praat negerengels. Maar zijn mensen luisteren geboeid naar deze man met hart. Hier komt hij tot leven. Dit is zijn milieu.
Eenmaal teruggeplaatst in Nederland gaat hij geestelijk snel achteruit. Die rustige man van vroeger is die rusteloze loper van nu geworden. Altijd buiten zijn kamer. Altijd lopend. Heen en terug. Altijd gebogen. Nooit opziend naar de hemel. Nooit helemaal mens. Op weg van nergens naar nergens. Ferm stapt hij door. De tijd loopt met hem mee. De weg van de neergang is niet te bezweren. Wat rest hem, eenmaal uitgelopen? Jaja.
In de leeszaal blader ik in een tijdschrift. Langzaam gaat de deur open. Ik zie een hoofd. Nietbegrijpende ogen kijken me peinzend aan. Langzaam gaat de deur dicht.
Ik denk aan het ezeltje dat ik vanochtend bij de schuur van het boerderijtje heb zien staan. Zijn lijf bleef verborgen. Alleen een zichtbaar kopje. Met gelaten grijze ogen en gespitste lange oren. Indringend ontroerend.
Mij overvalt de zinloosheid van het bestaan. Ik voel me van nergens tot nergens. Als ik thuiskom, blijkt de klok stil te staan. Jaja. (Frans Boddeke)
Opgericht
Ik kon niet slapen
ik ben maar opgestaan
ik kon niet slapen gaan
de nacht is niet ontsnapt
toch bij het vroegste ochtendgloren
ben ik maar opgestaan, ik kon
niet slapen, ik kon gewoon
niet slapen gaan, niet slapen gaan
Ik heb mij opgericht
en ik ben opgestaan
om alles te volbrengen
in het vroegste uur
wat van mij werd verwacht
zolang, zo heel erg lang
was voor mij die diepste nacht
ik ben maar opgestaan
Ik kon niet slapen
ik kon niet rustig slapen gaan
en ben door hellen heengegaan
om opgericht weer op te staan
de duisternis is mij ontsnapt
en ik ben de ochtend ingegaan
het leven heeft mij opgewekt
ik ben voor altijd opgestaan
Paasmorgen 1997.
(Ine Verhoeven)
En die ondernemer zei ook nog: tot ziens
We zitten tegenover elkaar aan de keukentafel. Zijn gebogen gestalte in de zwarte trui tekent zich af tegen een witgekalkte muur. Zijn blik staat op verontwaardiging:
'Mijn zwager hebben ze zaterdag verbrand. Wat een kille, kale boel, zo'n crematorium! Niemand zei iets bij die dienst. Nou ja, ik zou ook wel niet zo direct iets goeds van hem weten, maar helemaal niks is ook maar niks. En dan ook nog dat kwijlerig gekweel van Mieke Telkamp. Ik ben geen kerkloper, maar laat mij toch maar vanuit de kerk begraven worden. Ik hoor dat u altijd zo persoonlijk bent. Ik houd me dus aanbevolen tegen die tijd. Mijn zwager was ook niet goed verzekerd. Het scheelde niet veel of we hadden hem met de bakfiets moeten begraven! En die lijkwagens hadden me een onbeschofte haast! En die doodgraver stond open en bloot te geeuwen. Het leek wel een kerkhof daarbinnen, met die bruine tandenstompjes. Een geldmannetje, sjongejonge. De as werd verstrooid op een piepklein veldje. Brandnetels, pastoor, brándnetels heb ik zien staan! Wel toepasselijk, trouwens. In de kist en hup in de oven. Stoken maar. De brand erin! Nou nou, echte vergane glorie, zegt u dat wel.'
Hij staat op: 'Luistert u eens mee, ze hadden toch voor hetzelfde geld beter dít liedje kunnen draaien?'
Hij opent de klep van een versleten pick-up en zet een plaat op. Ik bekijk de hoes. De tekst is van Freek van Leeuwen:
'Een graf zonder zerken
geen mis in de kerken
berust in uw lot
beneden de pijnen
maar boven daar zijne
we kind'ren van god.'
Als ik bij de voordeur mijn jas aantrek, beent hij moeizaam naar me toe en zegt als droevige uitsmijter: 'En die ondernemer zei ook nog: tot ziens!' (Frans Boddeke)
Wonen zal ik in Jou, mijn God
Waar ik woon, daar zal ik wonen
God mijn God, mijn welbeschut
Waar ik ga, daar zal ik gaan
God mijn God, die in mij doet
Wonen zal ik overal
en gaan over mijn wegen
maar waar mijn ware woning is
ben Jij, mijn God, ben Jij
Geen tarter zal mijn doder zijn
geen bode zal mijn helper zijn
geen wezen biedt mij zekerheid
dan Jij, mijn God, dan Jij alleen
Wonen zal ik steeds in Jou
huizen zal ik in Jouw armen
slapen zal ik in Jouw dromen
en zijn bij Jou, mijn God, bij Jou
Ja, wonen zal ik in Jou, mijn God
Naar Marcus 9,2-14
(Ine Verhoeven)
Die ene niemand
De iezegrim zit op zijn hurken in de abri, onbeschut en onbeschermd. Over zijn aftandse pet heen geeft een klok haar preciese tijd aan: 07.OO uur, bij een koelte van 08 graden Celsius.
Aan zijn rechterzijde staat een bierblikje. Brood ontbreekt. De handen van de ouwelijke prol spelen een spel. Van de ene hand worden munten naar de andere gebracht en vice versa. Onderwijl staren zijn ogen naar een punt op de grond. Waar denkt hij aan? Aan morgen? Aan gisteren? Aan vandaag? Aan vroeger? Dénkt hij eigenlijk wel? En hoe zal zijn dag rollen naar morgen?
Een uur later zit hij nog altijd zoals hij zat om 07.00 uur. Nog altijd spelen zijn handen het muntjesspel. Nog altijd staren zijn ogen naar hetzelfde punt. Alleen het bierblikje is verschoven, gelijk de pootjes van de klok.
Ik denk na over zijn bestaan. Wat beweegt deze verstilde mens? Wat boeit hem nog in zijn leven? Wat is het dat hem in leven houdt? Maar misschien is hij de grens van het menselijke al voorbij. Echt leven doet ie niet, echt geleefd worden ook niet. Leven en dood kruisen elkaar in een patstelling.
Ik weet het nú al. Vanavond om kwart voor tien -als ik mijn gang naar de brievenbus ga- zal ik deze zitter lópende tegenkomen. Hij is dan op weg naar het slaaphuis. Ook dan staren zijn ogen naar -ergens- een punt.
Vanavond. Dat is na vanmorgen en na vanmiddag. Niemand zal in al die lange uren tegen hem gesproken hebben. Niemand zal hem even bemind hebben. En niemand zal híj even bemind hebben. Deze iezegrim. Hij is een niemand.
Eens, ooit zal ook voor hem de tijd stilstaan. Misschien wel om 07.00 uur. Of -ergens- op een onbestemd moment. En niemand zal dan om hem huilen. Niemand zal dan meegaan om hem vredig met een handje zandkorrels te bedekken. Om hem veilig door de aarde te laten beschutten. Om hem met een laatste groet te groeten. Geen bloem siert zijn graf. Geen traan verzout zijn dood. Misschien zal een -ergens- opgetrommelde priester komen. Deze zal ook niet precies weten wát te moeten bidden. En voor wie? Het zal een min of meer verloren uurtje zijn. Maar ja, een christen moet consequent zijn. En het is per slot zijn brood. En de -ergens- opgetrommelde grafdelver zal gelaten wachtend onbestemd in de verte staren. Want tijd is geld. Zeker bij zo'n nietige begrafenis. En wie betaalt de kosten?
Maar ja, christenen moeten consequent zijn. Om hun brood. Om hun ziel. (Frans Boddeke)
De muren hebben armen
In de stad wil ik vluchten
tussen stegen met huizen en
muren die reiken zo hoog tot
gewelven met wolken en zon
af en toe
In de stad wil ik rusten
tussen armen van muren en
wallen die schermen zo veilig
tegen pijn en wie mij niet voelt
altijd weer
In de stad wil ik sterven
tussen mensen in straten en
niemand daar hoeft te beseffen
dat ik besta en loos verga
en voorgoed
In de stad zal mijn adem
niet meer zuchten noch spreken en
opgaan zal ik tussen stenen
en over het marktplein gaan mijn
stappen dood
In de stad hebben de muren
armen die strelen en warmen
In de stad ga ik voorbij aan
ieder en aan jou en ik
hoef niet meer.
(Ine Verhoeven)
Zuster Hartelapje
Een zuster ontbiedt ze me voor een gesprek. Als ik bij haar kamer aanbel, komt net een andere zuster langs. Die lacht, alsof ze schik heeft. ???
Terwijl de gastvrouw zwarte thee schenkt in een rood kopje, kijk ik even rustig rond. Wel wel, de omgeving is níet zo rustig: the saints go marching in! Tegenover me, achter me, boven me, naast me, overal staan en hangen heiligenbeelden en beeldjes. Maria, Jozef, Antonius, Gerardus, Theresia, Lidwina, pater Pio en, natuurlijk, Jezus zelf. Allemaal in beeld bijeen in de kamer als de meest prominenten.
Tussen dit kleurig en bont gezelschap zitten we aan een tafel die bedekt is met een felgroen verkreukeld kleed. In een hardblauwe vaas staat een wit-rood vlaggetje van Ajax! Alles valt op, en zij het meest, hoewel ze een eenvoudige, zwarte jurk draagt. Wellicht is 't dat blinkende kruis om haar hals, dat voor blikvanger speelt. De lucht in de kamer is muf. De twee ramen zijn potdicht, ofschoon het buiten heerlijk van temperatuur is.
Ze vertelt over haar kloosterleven. Ze besluit verrassend: 'Ik vind er niks meer aan. Misschien ben ik al te lang zuster. Al zestig jaar. Buitengemeen eentonig hier. Volgens mij ben ik trouwens nooit echt gedoopt.' ???
'Daar hangt mijn moeder. Ik was drie jaar, toen ze stierf. Net zoals Jezus ging ze dood op drieëndertigjarige leeftijd. Ik was vaders hartelapje. Mijn tweede moeder sloeg me haast iedere dag. Dit litteken boven m'n oog is nog een aandenken aan haar. Ze probeerde me met een fles wijwater m'n hersens in te slaan. Ziet u?'
Ik zie niets, maar knik zwijgend.
'Ik heb altijd graag toneelgespeeld. Nu nog trouwens. In de oorlog was ik verpleegster. Ik heb heel wat jonge mannen helpen sterven.'
Ze praat onsamenhangend verder over haar onduidelijke rollen als actrice en verpleegster. Plotseling verandert ze van thema:
'Ik zal u nóg iets vertellen. Een diep geheim. Eens kwam de overste hier met een man. Hij zat daar, op uw stoel. Ik moest met hem praten. Maar ineens was ik bewusteloos. Ik viel op de grond. Er is toen rectaal en vaginaal iets met me gebeurd. Ik voel het nog altijd.'
Ik denk: Zozo! Het ene merkwaardige litteken na het andere!
'Ik kan het niet vergeten en ook niet vergeven. Ik zeg steeds tegen Onze Lieve Heer: 'Nou ja, u weet wat ze me hebben aangedaan. U zou het ze ook niet vergeven.' Mag ik nu de absolutie van u?'
Ik bid om Gods barmhartigheid voor haar. Ze geeft me een weke hand.
Ik ga haar kamer uit en loop regelrecht naar de uitgang. Buiten adem ik diep de frisse lucht in. Ik overdenk de act van zojuist. Arme zuster. Snakkend naar aandacht. Middelpunt tussen versteend publiek.
Die avond zie ik haar zitten, apart en op de laatste rij. Ik ontwaar haar terwijl ik de woorden bemediteer, die Etty Hillesum schreef aan haar vriendin Maria Tuinzing:
'Velen voelen zich hier kwijnen in hun mensenliefde, omdat ze van buitenaf niet gevoed worden. De mensen geven je hier niet veel aanleiding om ze lief te hebben, zegt men. 'De massa is een afzichtelijk monster, de individuen zijn erbarmelijk', zei iemand. Maar dit ervaar ik steeds weer in mezelf: er is geen enkel causaal verband tussen het gedrag van mensen en de liefde, die je voor ze voelt. Die liefde voor de medemens is als een elementaire gloed, waaruit men leeft. Die medemens zelf heeft er nauwelijks iets mee te maken. Och Maria, het is hier een beetje kaal met de liefde en ik voel me zo onnoemelijk rijk, ik zou het geen mens kunnen uitleggen.'
Ik zie zuster Hartelapje de zaal uitgaan. Past Etty niet bij haar heiligen? (Frans Boddeke)
Kind van God
Tussen prikkeldraad en muur
doolde ik rond in eenzaamheid
en verstond niemand meer
en bestond zelf niet meer
Wanhoop
Uitgestrekte hand naar God
die 'k niet bereiken kon
door verstarring van mijn geest
Mijn hart klópte slechts
en zonder regelmaat
Al levend was ik dood
Dood voor mezelf en dood voor jou
terwijl 'k toch alles geven wou
wat ik nog in me droeg aan goed
Maar ik was dood
Toch weet ik in mijn diepste ik het leven
God, neem mijn hand en trek mij uit 't gevang
van prikkeldraad en muur
en vorm geweende tranen om in paarlen
schitterend voor Jou en voor mijn medemens
Bevrijd mij, God, en laat mij nú de kans
Gun mij de lach op m'n gezicht
en kinderlijk geschater
Nu is het leven, God, 't is nú
Verhaast mijn vlucht uit duisternis
Leg vrede neer in mij
Geef mij nog duizend dagen, God
nog duizend nachten, God
hier, als kind van Jou.
(Ine Verhoeven)
Hartstikke katholiek
De bel gaat als een op hol slaande wekker. Dat is dus Lowenda.
Lowenda zat geruime tijd in een psychiatrische inrichting. Ze heeft het nog altijd over 'dat rare huis'.
Ze is teruggeplaatst in de maatschappij. Ze krijgt een flatje toegewezen. Ze trouwt met Eric, ook uit 'dat rare huis'. Ze slijten hun dagen met veel gekrakeel. Hij slaat haar. Ze loopt weg naar een onderduikadres. Eric maakt amok op de pastorie: 'Ik eis dat ik alle kamers hier mag inzien!'
En Lowenda lost alles en niets op: ze gaat weer terug naar hem.
Ze ploft neer op een stoel in de spreekkamer: 'Kan ik u spreken over iets?' Dat iets is zonneklaar: ze zit zonder geld. Ondanks de regelingen met de instanties staan Lowenda en Eric overal in het krijt. Geld móét onmiddellijk op aan gokken, drinken en roken.
Met de maatschappelijk werkster heb ik de afspraak de twee geen geld te geven, hoogstens wat eten. Over haar nijdast Eric: 'Ze benadeelt ons. Ik kan haar strafrechtelijk achtervolgen.'
Het vastgestelde spreekuur bestaat niet voor Lowenda. Ze komt, al is het zondagochtend vóór zonsopgang. Haar verweer is dan simpel en trefzeker: 'U bent er om ons te helpen. Daar zijn priesters voor! Heel erg, als u niet helpt, dan hebben we vandaag niks te eten. U ben toch van God. We zijn hartstikke katholiek.'
Ik opper dat ze een rol beschuit kan krijgen. Ze negeert de beschuiten: 'Ik heb het zo koud.' Rillend kijkt ze me aan in haar dunne, verschoten rode jasje. Ze wipt zonder ophouden met haar rechter witte rubberen laarsje. 'Lowenda, slaap je wel voldoende?'
'Ik ga altijd om acht uur 's avonds naar bed.' Geen aarzeling. Gisteravond rond elf uur zag ik ze allebei nog aangeschoten over straat zwalken.
'Je moet niet zoveel drinken.'
Ze buigt naar voren: 'Ruik maar aan m'n adem. Ik heb helemaal niks op.'
Ik herhaal mijn beschuitaanbod: 'Ik geef geen geld, Lowenda.'
Nu gaat ze hakkelen, zoals altijd als een gesprek niet naar haar zin is. Ze bladert plotseling driftig in een van de tijdschriften op de tafel.
Ze nukt: 'Ik had bloemen willen meenemen. Maar ik kijk wel uit. Ik vind u geen goede pastor. Die van dat huis, dat was pas een goeie pastor.'
Ik negeer: 'Hoe gaat het met de buren?'
'We gaan in een nettere buurt wonen. We zoeken een huis op stand, met tuin. Die stinklui van beneden. Viezeriken. Ze schelden me uit voor hoer. Ik heb woensdag op de Parallelweg gestaan. Ik had geld nodig. Ik mocht van die andere wijven. Maar toen ik tweehonderd gulden had verdiend, toen trokken ze ineens mijn jas aan flarden en pikten m'n geld weg. Ze gaven me stompen en een trap.'
'Dat is ook stom van je. Het is hún terrein. Je hebt nog geluk gehad. Ben je trouwens niet bang voor enge ziektes of aids?'
'Wat kan mij dat schelen. Ik heb geld nodig. Mijn zus werkt ook op straat. Maar die is niet getrouwd. Die heeft het maar goed.'
'Ik wil je een paar gulden geven. Beloof je daarvoor een frietje te kopen?' 'Ja!' De gulden heiligt de leugen.
We staan op. Zoals ze daar naast me staat met haar halfgeverfde haren, zie ik nu pas goed hoe klein, mager en smal ze is.
Ze kijkt naar de grond. Kleine vrouw zonder toekomst. Op haar rubberen laarsjes glijdt ze uit. Altijd weer. Tot.
(Frans Boddeke)
Zalig de Niemanden
De aarde verduisterde en er kwam een hevige storm die joeg
over de landen en raasde langs de harten van de wezens die
zich bukten en kromden in doodsangst; zij lagen plat terneer.
De grond die hun voeten had gediend, droeg nu hun bange lichamen.
Toen de woedende wind was gaan liggen, sloegen alle angsten op
de vlucht en de wezens keken verbaasd om zich heen.
Zij zagen een schone wereld met verrukkelijk bloeiende bloemen
en sappige vruchtbomen.
En de wezens aanschouwden Gods gelaat: Het was de Aarde zelf,
het Begin en het Einde, de Alfa en de Omega.
En samen trokken zij op, hand in hand, in lange stoeten naar
de Lachende Zon.
Zij zongen vreugdeliederen, en cirkelden zich rondom hun God.
Zij wisten dat ze opgenomen waren; zij zagen de waarheid van
Gods beloften.
En zij kusten elkaar en streelden de gelaten van de niemanden,
van de ontkenden, van de wezens zonder profielen.
Zij raakten elkaar aan, en de niemanden.
En in deze Liefde zagen zij het Lam.
En het Lam straalde.
De engelen kwamen, tilden de stoeten op en juichten:
'Zalig de Niemanden, zij beërven het Land.'
De wezens bogen hun hoofden.
Zij werden witte zielen.
Het was stil.
En er heerste absolute vrede.
En alle bloeden die ooit stroomden, voerden naar grote zeeën
en vermengden zich met alle zilte tranen.
En alle verdrieten van de Aardwezens verdwenen.
Zonnestralen dansten en verdampten ellendenen.
De Niemanden waren voor altijd verlost.
En God lachte en nam Zijn Schepping in Zijn wiegende armen.
En er heerste rust en ware gelukzaligheid.
(Ine Verhoeven)
Sacramentele vrouwen
Het lichaam van de despoot was ondermijnd. Roofbouw, door veel drank en weinig spijs, zorgde ervoor dat zijn gestel de attaque niet kon verwerken. En was hij als man altijd al kinderlijk geweest, nu werd hij helemaal infantiel.
Onafgebroken zat hij boven op zijn kamertje, apart en alsmaar koffie slurpend, en alsmaar shagjes draaiend, en alsmaar video kjkend: de ene oorlogsfilm na de andere, afgewisseld door cowboyspectakels.
Verbraste hij vroeger al te gemakkelijk en onmiddellijk de duiten, nu hield hij als een bezetene elke cent vast. Als hij jarig was, stond demonstratief zijn geldkistje op tafel. Elk kind werd dan geacht aan hem een enveloppe met inhoud te geven. Zijn dank was schaars: 'Donder nou maar weer op!' Ruzies lokte hij uit met zijn kleinkinderen, hummeltjes van nog maar drie en vier jaar, om een simpel rolletje drop.
Bij dit alles bleef zijn vrouw hem trouw. Zoals ze altijd toegewijd was gebleven in dat weinige lief en dat vele leed. In die schaarse goede en die overdadige kwade dagen. Wonderbaarlijk sterk bleef ze -zoals ze altijd al sterk was geweest- bij veel kinderen en weinig menselijkheid, bij veel scènes en weinig hartelijkheid.
Van háár was de uitspraak: 'Hij is best een goeie vent.' Maar niemand die dat zo zag.
De tweede attaque volgde. En zestien lange weken lang zat zij trouw aan zijn bed in het ziekenhuis, de aftakeling aanschouwende van hem die niet meer kon bewegen, die niet meer kon praten; die niet meer zelf kon eten, die niet meer zelf kon plassen. En ze praatte tegen hem, iedere dag tweemaal twee lange uren vol. En als ze niets meer wist te verzinnen, las ze hem voor uit de krant. Zij, die al zijn dronkemansgedoe aan den lijve had ondergaan. Zij, die al zijn scheldpartijen had aanhoord. Zij, die met het minimale al haar bloedjes had moeten kleden en voeden. Zij, die haar kinderen lijfelijk tegen hem had moeten beschermen. Zij, die ongeschoolde volksvrouw, zij was er. Zij was er altijd. Voor hem. Voor haar kroost.
En zij werd tot sacrament voor hem en voor hen. Zij werd tot sacrament voor haar omgeving.
Hij stierf. En zij, ze huilde. Een van haar acht kinderen sloeg een arm om haar heen: 'Moe, je bent hardstikke goed en hardstikke gek.'
Ja, zo zijn ze, die sacramentele vrouwen.
(Frans Boddeke)
Heb ik je tranen gedroogd
Heb ik je tranen gedroogd toen je huilde en
waren mijn armen voor jou, mijn lief mens?
Toen jij de pijn van het leven bevoelde
toen jij werd geslagen, bijna gedood
toen jij lag vermorzeld door vallend gesteente
van harten als rotsen, ja toen moordende angst
jou benauwde, beklemde, zo een bang waarvan
géén weten kan behalve jij, behalve jij toen
je lijdzaam moest wachten op mij, op mij
Heb ik je tranen gedroogd toen je huilde en
waren mijn armen voor jou, mijn lief mens?
Ogen zochten en handen tastten in duister
van dagen, in het licht van de nachten
vingers omstrengelden vingers aan handen
van mannen en vrouwen zoekend naar zacht
van lieven, van leven, van wetend verkennen
in ogen met kleuren van donker naar licht
reflex van herkenning in het ander gezicht
Heb ik je tranen gedroogd toen je huilde en
waren mijn armen voor jou, mijn lief mens?
(Ine Verhoeven)
Nana van de koeliedrijver
Soms zie ik op het kerkhof het eenvoudige kruis staan. In plaats van een corpus is er een porseleinen hartje aan bevestigd met de woorden 'Voor mijn zorgzame Nana'.
Ik heb Nana meegemaakt als een heel oud, heel klein en heel zwijgzaam vrouwtje. Ze was niet naamloos, maar wel leeftijds- en geboorteplaatsloos. Niemand wist wanneer en waar zij uit de baarbuik van haar moeder was gekomen, daar ergens in het vroegere Indië.
Als ik bij hen op huisbezoek kwam, moest ze zwijgen van haar man. Ze zat dan nederig apart.
Hij beheerste thuis alles. Hij, de voormalige koeliedrijver, die door de Jappen vernederd was. Die door de Indonesiërs uitgespuugd was. Die door de Nederlanders nauwelijks getolereerd werd.
Het was voor deze trotse man niet meegevallen toen hij klamboes, klewangen en klapperbomen moest verruilen voor een laaglandse flat op vierhoog.
In Indië had hij een riant huis bewoond. Steeds weer liet hij me de foto's van dit huis tussen de uitgestrekte sawa's zien.
Hij was verbitterd geraakt en reageerde zich af op Nana. Soms sloeg hij haar met een rieten roetje. Dat mocht, volgens zijn opvatting.
Tegen mij, als de gezagdrager namens de hoogste autoriteit God, was hij uitermate beleefd. De koffie die hij me aan het begin van elk gesprek aanbood, was van een corrupte kwaliteit. Maar de koffie weigeren, dat kon niet. En zo dronk ik vele bittere koppen koffie, onderwijl moed puttend uit de troost dat ik straks thuis nog wel iets beters onder de kurk had.
Zijn specialiteit was -naar zijn zeggen- het leegslurpen van ongekookte eendeneieren: dat was goed voor de bloedsomloop.
Als ik de flat dan weer verliet, bleef hij in de deuropening staan. Dan boog hij tweemaal dieper dan diep. Aan het eind van de trap, bij de bocht, knikte ik op mijn beurt naar hem. En hij boog nogmaals tweemaal. Een onbuigzaam man in een buigzaam spel.
Nana en hij. Ze werden ouder en ouder en belandden uiteindelijk in het bejaardenhuis. Tot ontsteltenis van de andere oudjes gaf hij tijdens de gezamenlijke maaltijden Nana menigmaal een fikse tik in haar gezicht. Het kon gewoon niet anders: de medebewoners spraken er schande van. Als hij niet in de buurt was.
De enige die zweeg, was Nana. Zoals ze ook zwijgend doodging.
De begrafenis van de heel oude, heel kleine en heel zwijgzame Nana was heel eenvoudig. Ten afscheid boog ik tweemaal diep voor haar. Hij boog mee. De andere oudjes niet.
Kassian, ik heb de nonna Nana nooit leren kennen.
Kassian, ze was voor mij slechts Nana van de koeliedrijver.
(Frans Boddeke)
Til mij over grenzen
God, in mijn wanhoop
heb ik Jou geroepen
Je hoorde niet
God, ik riep en mijn geroep
galmde de ruimte in en verliep
totdat mijn eigen oor
mijn eigen stem niet meer verstond
en ik niets meer horen kon
't Werd stil en niet bleef bestaan
Antwoordloos ben ik in het nu
en hef mijn handen op
Ik wacht op Jou, mijn God
omdat ik niet geloven kan
dat Jij niet leven zou
Raak mij toch en streel
Til mij over grenzen
van deze dood naar Licht
en leid mij naar Jouw waarheid.
(Ine Verhoeven)
Een engel wiekt op
Terwijl we een korte wandeling maken door het lange gras met de spannende rechte bomen, denk ik aan de woorden van Vasalis: '() dan splijt met een verblindend licht/ de hemel open en slaat dicht/ met een donderende slag ()/ Mijn hart werd plotseling wit en heet/ 't was of ik zelf werd omgesmeed/ Ik heb het angstig ondergaan/ Ik kwam er sterk en nieuw vandaan.'
Als ze me haar leven vertelt, profileert zich één woord in mijn ziel: verwaarloosd. Als kind niet gewenst, als vrouw niet gekend, als echtgenote niet gewaardeerd. Ontnomen wordt haar identiteit. Verwacht wordt dienstbaarheid aan man, gezin en zaak. Vrouw van. Moeder van. Representante van. Een bestaan van uitsluitend ondergeschikte betekenis.
Ze is intelligent, begaafd, aanhankelijk. Maar waar ze naar verlangt, bestaat niet: hartelijkheid, warmte, aandacht. Ze zoekt handen om vast te houden. Ze tast in leegten.
Maar naast gevoelig is ze ook gelovig. Dus zoekt ze troost in het geloof. Troost die haar fataal wordt. Ze belandt in een sekte, die haar het laatste restje vrouwzijn ontneemt. Ze krijgt onderricht in engelen. Haar aanhankelijkheid en gewekt enthousiasme doen haar deze engelenleer vurig omhelzen. Merkwaardig, zo intelligent en toch in te palmen door valse vroomheid. De sekte heeft als hoogste 'Stufe' de totale slachtoffering -Sühneweihe- voor God. Want God wil, volgens de leiders, dat mensen zich kleiner dan klein maken. Want mensen deugen niet. Want zij deugt niet. Maar de engelen zullen haar, als zij tenminste wil bidden en bezinnen, als zij tenminste boete doet en altijd weer haar 'Schichtebeichte' opbiecht, wel 'umtauschen'. Maar wee, als zij niet naar de engelen luistert! Dan wacht de hel. Want satan werkt hard. Heel hard. Om iedereen en haar te pakken.
Dus, waar de beweging stelt dat God vernedering eist, vernedert ze zich. Ze gaat op -en door- de knieën voor priesters in zwarte togen. Ze reist, inmiddels doodziek geworden, wekelijks naar het zuiden, naar het nostalgische, witte kasteeltje. Daar vindt donderdags en vrijdags de tragedie van Jezus' lijden plaats: de Passio Domini. Daar ondergaat ze donderdags en vrijdags haar eigen Passio. Daar gaat haar portemonnee open. Daar rollen haar duiten in de schorten van de nonnen. Nonnen in zwarte habijten. Soli Deo!?
Even verwonderlijk als haar vastlopen, is haar bevrijding. Haarscherp voelt ze plotseling aan -middenin de totale verniksing- dat deze zwarte leiders, met hun bijgeloof en franjerieën, hebben getracht haar onvruchtbaar te maken; dat ze haar alreeds dood lieten zijn.
Maar mensen mogen leven. Ze mogen rechtop door het leven gaan. Want God bevrijdt. Hij is liefde. Hij is dé liefde. Die liefde zaait geen angst.
Ze heeft met veel pijn draad voor draad losgesneden. Ze heeft een heilzame therapie gevolgd. Ze heeft een gezonde afkeer gekregen van dodelijke religie. Ze heeft zich losgescheurd van allerlei angsten. Ze heeft de vrijheid van de kinderen Gods in zich toegelaten. Ze heeft haar huwelijk tegen het licht gehouden. Ze heeft durven kiezen voor zichzelf. Ze heeft zichzelf omgesmeed: 'Ik heb het angstig ondergaan, ik kwam er sterk en nieuw vandaan.'
Hier is iemand uit niemand opgestaan. Een engel wiekt op.
(Frans Boddeke)
Aanklacht
De geest die vrijheid aantast
van mijn doen en denken
de geest die mij wil vangen
in het godenweb
de geest van fanatieke spinners
mij met lokaas klevend
in het onzichtbaar rag dat mijn
wezenlijke ik doet sterven
die geest klaag ik aan, mijn God
(Ine Verhoeven)
Hij heeft een springerig kind gestolen
Na een paar pittige kapitteldagen rijden we terug naar huis. De stemming is aangenaam: we zijn confraters, we zijn vrienden. We vertellen elkaar ervaringen en belevenissen en we hebben het over de afgelopen levendige dagen. Maar daar wenkt ons een hand, die ons bezwerend duidt om licht te rijden.
Op de smalle weg staat een geelgroezelige melkwagen. Tegen hem aan ligt een geribbeld fietsje met een los sandaaltje. Even verder zien we, ach, een spierwit, lichtelijk opgebold laken op het grijze wegdek. Het spierwitte laken is omringd door grauwe passanten, stille honden en een bijna-wijze geit van de overkant. Zij allen lijken getekend met bangheid, met angst.
De melkwagen met zijn lange, gele lichaam doet grotelings bizar aan als reus tegen het gedeukte kind. Hij kijkt schuldig. Een rode plek op zijn grote lichaam geeft aan dat hij jong leven als oude melk heeft doen wegstromen. Hij heeft een springerig kind gestolen.
Wij kijken, op kousenvoeten rijdend, toe met bange ogen. Rond het stil gemaakte kind is het donkerblauw en koud, is de vriendelijke lucht dichtgestoten met ondoordringbare mist.
In mij wordt het onprettig warm, ik ontwaar een laaiend vuur in mijn hart van schroeiende angst.
'God, gun ons toch dit aardse leven! Hier ligt pril leven voorbij. Waar is nu uw beminnelijkheid?', flitst door mijn hoofd.
De tijd sterft niet, en hij zal dit wegdek wissen. De terugreis is voorspelbaar. We zullen even napraten en snel vergeten -het leven loopt gemakkelijk over de dood heen- maar elders stoten de gealarmeerde ouders hun deur open met bange knien, niet wetend of ze nog bestaan of dat ze ook zijn gestorven.
Wit laken van Vasalis:
'Ik droomde dat ik in een boerenkamer zat.
Er stond een lange tafel met een spierwit laken
over een houten schraag.
Ik was omringd door dieren:
pikkende kippen, maagre, kromme honden,
een bijna-wijze geit; het waren vrienden.
En in het midden was een laaiend vuur.
Toen werd de deur ineens opengestoten
en buiten was het donkerblauw en koud.
Er stond een grijze wolf met lange, gele ogen.()
De wolf trad binnen zonder rond te zien
en drong zich vast tegen mijn bange knieën
en hij was warm.()
Ik wist niet of ik voor het eerst bestond
of was gestorven.
Witte dood, verdriet in zwart.
(Frans Boddeke)
Het kindje
Kindje met je ogen toe
wat slaap je nu, wat slaap je
je was niet moe, nog lang niet moe
je was niet uitgespeeld, niet moe
kindlief van mij, wat slaap je
en waarom zijn je ogen toe?
Kindje met je lief gezicht
wat droom je toch, wat droom je
je hebt je ogen dicht, zo dicht
je was toch wakker, nu zo dicht
kindlief van mij, je ogen toe
wat droom je, waarom slaap je?
Kindjeklein voorbij gegaan
je bent gewoon voorbij gegaan
de boze wereld keek je aan
en toen ben je voorbij gegaan.
(Ine Verhoeven)
Ja, jongen
Karakteristiek is zijn pet. Hij is nooit zonder, al is het broeiend heet. In de kamer hangen, boven de schoorsteen met de kachel, drie foto's van hemzelf. Op alle drie de kiekjes draagt hij een pet. Onder die foto's gaat een aardige man schuil. Een vrolijke, slagvaardige, optimistische, door het leven getekende, aangename mens. Vaak zegt hij: 'Ja, jongen.'
'Ja, jongen. Ik ben van 1903. Ik heb de eerste radio nog meegemaakt. Ik was op legeroefening in Arnhem, toen een heel eind van huis. Iemand zette me een koptelefoon op en ik hoorde tussen veel gekraak zomaar iemand praten. Een mirakel vond ik het!
Ja, jongen. Ik diende toen bij de Jagers. Ik kreeg vurig kippenvel toen ik het eerste vliegtuig zag. Wat een mirakel!
Alleen de rijken hadden toen een rijtuig. Dat was al heel wat. Dat vond ik al zo'n mirakel!
Ja, jongen. Auto's waren er toen haast niet. Ik wilde graag leren chauffeuren. Maar mijn vrouw was doodsbenauwd. Ik deed het dus maar niet. De vrouw had het toen al voor het zeggen, haha! Ik was toen schoenlapper. Lopen was voordeliger dan autorijden. Dat zei ik toen voortaan maar.
Ja jongen. En toen de oorlog. Koud dat we het hebben gehad! Het was me toch een strenge winter! Ik had een grote kachel gekocht en daar zaten de kinderen omheen. Als schoenmaker had ik natuurlijk veel afval. Daar maakte ik de kachel mee aan.
Ja jongen. Wat erg was, was de jodenvervolging. Ik heb gezien hoe ze die stakkerds weghaalden. Ik zei tegen mijn vrouw: 'Als de SS bij ons in de buurt komt, bijt ik ze persoonlijk de strot door. Ik had veel joodse vrienden. Een van hen zei: 'Ze maken ons af.' Hij kreeg gelijk. Hij is er ook aangegaan. Negen kinderen had ie en een lastige vrouw. Geen boffer, dus. Van hen zijn maar twee dochters teruggekomen. Mijn God, jongen, wat schrok ik, toen ik die twee weer zag. Wat waren die deerntjes mager geworden. En toen hadden ze al drie maanden in het ziekenhuis gelegen om bij te komen.
Ja, jongen. Die ene zei:' Praat me nooit weer over die katholieke God van jou.' Maar na een paar jaar zei ze: 'Weet je, ik word katholiek.'
'Wat zeg je?', zei ik helemaal verbaasd. 'Ja, ik heb een katholieke jongen ontmoet.' Nou jij weer. Een mirakel, jongen.'
Soms belt hij de pastorie op om een paar intenties op te geven. Daar moet dan steevast tijdens de viering van zaterdag voor gebeden worden. Zonder uitzondering zijn de gebeden voor zijn kinderen en kleinkinderen: 'Dat het hen goed mag gaan.' En steeds stelt hij: 'Maar ze mogen het niet weten! En kom maar langs om het geld op te halen, dat vind ik gezellig.'
Als ik dat doe, ga ik er alvast vanuit dat ik geruime tijd geëntertaind zal worden door zijn aangename causerie.
Hij zit dan in zijn leunstoel bij de kachel en vertelt over vroeger. En over hoe die goeie ouwe tijd vaak ook geen goeie tijd was.
Als hij zit te babbelen, kijk ik meestal de tuin in. Daar scharrelen enkele magere kippen rond, op zoek naar een vet wormpje. 'Ze leggen slecht, jongen. Ik voer ze toch goed. Een raar mirakel!'
Het mirakel is, dat ik zijn gééstelijke eitjes altijd met veel smaak en genoegen verorber.
En die petfoto's in de kamer boven de schoorsteen, die vrolijken op. Dat ook nog. Ja, jongen. (Frans Boddeke)
Jouw warme stem
In de donkerte trekt de trein
over zijn rails en
slingert zich door het landschap
Ik rijd mee en zie alleen
de duisternis
die vage silhouetten
van boom en huis omhult
O, als ik in mijn woning ben
en slapen zal, ja slaap
tot in de morgenstond
lig ik gerust, gerust
tot ik ontwaak, ontwaken zal
Streel dan mijn oor
en laat mij luisteren
naar vogels en jouw warme stem.
(Ine Verhoeven)
En wat kun je verder dan nog?
Hij toont me zijn identiteitskaart: rechercheur. Tegelijk laat hij een ander, vervaagd kaartje zien. Het is het kaartje dat ik altijd achterlaat in de brievenbus bij de mensen, die ik niet thuis tref. Mijn naam, adres en telefoonnummer staan erop.
'We hebben vanochtend een vrouw uit het water gehaald. In haar jas vonden we dit visitekaartje. Wilt u meegaan om haar eventueel te identificeren?'
Tijdens de rit in de dienstwagen vertelt de rechercheur, dat het nog niet duidelijk is of de vrouw door een ongeluk verdronk of zich verdronken heeft. Ze vonden haar in de Dommel, bij de brug in de buurt van de paterskerk: 'Die kent u zeker wel?'
We arriveren bij het kerkhof. In de koude ruimte van het lijkenhuisje slaat hij het laken opzij. Zíj is het. Anna. De confrontatie is schokkend. Haar getekend gezicht ziet er opgeblazen uit.
Ik had in mijn bezorgdheid haar psychiater eens gebeld. Hij gaf een clicheetje: 'Houd u maar zoveel mogelijk contact. Tja, zelfdoding is in dit geval niet uitgesloten. Maar wat moet je? Ik kan haar toch niet vastbinden of haar haar tabletten afnemen? Ze is nog te goed. Ik kan geen blijvende opname rechtvaardigen. Ik doe al wat ik kan, maar ik ben ook maar beperkt. Net zoals u, neem ik aan.'
Ja, wat moet je? Dat had ik me al zo vaak afgevraagd. In het begin had ze alle vertrouwen in me. Maar ook priesters hebben geen pasklare oplossing bij zoveel psychotische problematiek.
Van tijd tot tijd had ze waanbeelden. Ze zag bloedvlekken op het behang en meende dan dat ze Jezus zelf zag. Ook Maria was haar veelvuldig verschenen, meestal in een wit gewaad. Dat was 'heel rustgevend' geweest.
Bij ons laatste gesprek had ze me beschuldigd. Ik zou geheime zendertjes in haar huis hebben geplaatst: 'Ik vind dat heel erg! Een priester doet zoiets niet!'
Zo naast haar verdronken lichaam weet ik niet wat ik precies voel. Het zweeft ergens tussen onmacht, spijt en verdriet. Ik herken wel -en dat vind ik akelig- een soort opluchting.
Later steek ik in de kerk, bij háár Mariabeeld, een lichtje op. Ze was altijd al een arme drommel, eenzaam en hopeloos. En van de hemel had ze ook al niets te verwachten gehad. Zelfs die visioenen hadden haar niet overtuigd.
Ach ja. En wat kun je verder dan nog? (Frans Boddeke)
Een niemand in het water
Ze was eerst in de kerk gegaan
en toen over de brug gegaan
en bij de oever bleef ze staan
toen weer over de brug gegaan
ze dacht aan God en haar bestaan
maar verder kon ze niet meer gaan
toen is ze langs de kant gegaan
bleef stille staan, bleef stille staan
en in haar ogen kwam een traan
die eenmaal bij 't te water gaan
werd weggewist, is weggegaan
zo stopte ze met haar bestaan
maar eerst was ze over de brug gegaan
had weifelend bij de oever gestaan
En toen geen mens haar kon verstaan
heeft zij het gedaan, heeft zij het gedaan
ze is het water in gegaan
en zo voorgoed, voorgoed gegaan
Ze dreef langs kerk en huizenhoog
onder de brug door met die boog
zo dreef ze onbekend
zo dreef ze onbemind
naar een land dat zij niet kende
naar een land dat niemand kennen kan
ze dreef naar niemandsland
met honderd mensen langs de kant
zo dreef ze naar de overkant
dood en verlaten, onbekend
een niemand in het water
(Ine Verhoeven)
Bij de engeltjes
Prinsje met zijn vier jaartjes was heel de dag lief geweest. 'Daarom', zei zijn mama, 'daarom mag je nog even naar papa in de garage. Neem maar een paar snoepjes mee. Eerlijk delen met papa, hoor. En daarna gezellig naar bed. Dag jongen.'
Prinsje was lief geweest. Was hij dat maar níet geweest.
Soms loopt een kinderleven door die liefheid onbarmhartig af.
Blij gaat het kind naar papa toe. Op dát moment -hora irae- ja, juist op dát moment schiet in de garage een verschroeiende vlam van papa's snijbrander door de ruimte. Het kwetsbare kind wordt gevangen in de helse bundel. Zijn papa deinst ontzet terug en trekt zijn zoontje bliksemsnel uit de baan van verschrikking. Zijn mama hoort hoog gegil, onmiskenbaar van háár kind, rent naar de garage, pakt het op en ijlt naar de douche. Het kind -háár kind- ziet haar aan met wijd open ogen. Krampachtig houdt zijn handje de snoepjes vast. En ook zijn ouders kijken met wijd opengesperde ogen toe. Binnen enkele seconden is hun geluk as geworden.
Om even voor bedtijd zijn ze alle drie onherkenbaar. Dag jongen.
Ook in het brandwondencentrum kijkt men toe. 'Alleen de snoepjes waren niet verbrand', zegt zijn mama later op de avond.
'Hij is bij de engeltjes', repeteert ze, met nietsziende ogen in het niets van de nacht kijkend. Dag jongen.
Tijdens de afscheidsdienst -ook God kijkt toe- haal ik Ed Hoornik aan:
De mensen op het dak en in de bomen
gingen naar huis, maar ik blijf van hem dromen.
Morgen ben ik de eerste die hem zie.
Op het witte kistje ligt één rood roosje. Van zijn lievelingsvriendje. 'Och, dan hoeft hij niet alleen weg' hoor ik zijn moeder fluisteren in de kille wind, daar in de begrafenistuin.
Toevend bij het allerlaatste kijkt ze me smalletjes aan: 'Mag ik nog één keer het kistje aanraken?'
Knielend in het zand kust ze haar kindje. Dag jongen.
Ik neem haar bij de hand: 'Hij is bij de engeltjes.'
In het ziekenhuis, waar Prinsje's papa verpleegd wordt, vraagt ze me later: 'Komen we er ooit doorheen?'
Ik antwoord nietsziende: 'Hij is bij de engeltjes, hij zit op een kleurige regenboog en zwaait: dag mama, dag papa.'
Ze antwoordt nietszeggend: 'Fijn.'
Ik denk aan een strofe van Neeltje Maria Min:
De dag ging over in de nacht
en in de kamers woedde brand
en in de kamers heerste wind
en het leven verging.
Dag jongen.
(Frans Boddeke)
Heeft de dood je gewaarschuwd, mijn lief?
Hebben waters gedreigd, hebben golven gewroken
hebben wolken geweend, hebben stranden geschud?
Heb je getwijfeld aan hemel en aarde
heb je gestaard in een onbekend niets
of heb je gezien naar borlende wellen
en heb je gehoord naar die suizende wind?
Hebben muren bewogen, hebben stenen gesproken
hebben zanden gezongen, hebben gronden gegromd?
Ben je geschrókken van hemel en aarde
ben je verblind door een onbekend niets
of ben je verward door borlende wellen
en ben je verdoofd door die suizende wind?
Heeft de dood je gewaarschuwd, mijn lief,
verteld, dat Gods armen te kort zouden zijn
om de wereld te vangen en om te behoeden
ja, om te behouden wat Hij heeft gemaakt?
Heeft de dood je gewaarschuwd, mijn lief,
je hart doen bonzen, de klop doen versnellen
je trage verstaan op hol doen slaan
je hoofd doen tollen in duizenden angsten
zodat je nóch strompelend verder kon gaan?
Heeft de dood je gewaarschuwd, mijn lief?
Dan zal ik zeggen, als jij wilt horen
dan zal ik vertellen, als jij wilt zien
dat leven het laatste woord zal dragen
dat leven het laatste woord in zich heeft
dat jij wordt begraven, niet onder de golven,
niet onder de stenen, niet onder het zand
maar liggen zult, rusten bij lavende wellen
want je naam, je kostbare naam, bange lieve,
staat levend gebeiteld in Gods heilige hand.
Heeft de dood je gewaarschuwd, mijn lief?
(Ine Verhoeven)
En God lacht mee
De zon beweegt zich door de wekenlange grauwte op het moment dat we bij de Maranathakerk in Tilburg aankomen.
Ine moet een interview houden met de werkgroep 'Homosexualiteit en Geloof'. 'Zal het lukken?', vraagt ze bescheiden. Ik glimlach met de zon mee. Onlangs publiceerde ze immers nog een fonkelend artikel in Vroom & Vrolijk over het kloosterleven. Later op de avond zal een bourgondische vriend, gezeten aan een rond tafeltje op een terrasje in de stad, lovend opmerken: 'Je artikel over die homofiele religieus is perfect. Het is het helemaal! Wat ben jíj toch verrassend.'
Míjn opdracht is het om, voor ons maandblad Frontlijn, de roze viering van deze zondag te verslaan.
De Maranathakerk heeft iets weg van een arena. De oplopende ronde banken geven een rustig zicht op de bruine ambo, de blanke tafel en de zevenarmige Menorah. Op de tafel staan twee witte aardewerk bekers wijn met twee rieten mandjes vol matses. Geurende violieren completeren het geheel. De priester zit op de eerste bank naast de andere voorgangers: twee jonge vrouwen en een man met 'n roze strikje.
De viering rond Schrift en Tafel vertelt van 'Delen is helen' naar aanleiding van 'Roze zondag'. Volgens mij vindt ook God zich in dit thema: op het roze gordijn speelt fijnzinnig de zon met haar stralen deze viering mee.
De dienst is te volgen middels roze boekjes. Het geheel zal puur en gaaf blijken: doorleefde teksten, geestrijke liederen, heilvolle gebeden, en dit alles met vreugde als grondtoon.
De roze strikjesman houdt de overweging. Als uitgangspunt neemt hij het evangelie over de brooddeling: Eerst jezelf door Jezus laten helen en dan je leven delen met blank, zwart, jong, oud, hetero, homo: bij Jezus was iedereen gelijk. Hij gaf, zonder voorwaarden vooraf, alle vijfduizend te eten. Hij checkte niemands geaardheid. Hij controleerde geen enkele huidskleur. Ongetwijfeld was het daar, in het groene gras, toen één bont en kleurrijk gezelschap.
'Delf mijn gezicht op, maak mij mooi' is het amen op de overweging. En mooi gemaakt is het gebed over het Brood en de Beker:
'Enige, Hartsvriendin en Boezemvriend,
jij hebt ons aan elkaar toevertrouwd:
vrouwen aan mannen, mannen aan vrouwen,
vriendinnen aan vriendinnen, vrienden aan vrienden,
om elkaar te troosten en uit te dagen,
om naar lichaam en ziel te genieten van elkaar,
om samen mens te worden.
Gezegend jij dat je ons zó gemaakt hebt.
Jij die niet voor één vorm van tederheid te vangen bent,
jij die zoveel kleuren aan onze relaties gegeven hebt
als tinten aan de regenboog,
jij die mensen glanzen doet en in ons aan het licht wilt komen:
gezegend jij, om zoveel liefde.'
We eten van het Brood en drinken uit de Beker. De voorgangers eindigen met de sprankelende zegenbede: 'De Enige, Vader, Moeder, ons diepste Zelf, zegene ons.' Na deze wens kussen ze elkaar. Er wordt omhelsd.
Zoveel vriendschap, zoveel warmte kan niet bestaan zonder God. Deze aardige homo's en hartelijke lesbo's zijn ons onomstotelijk tot Godssacrament.
Na afloop wandel ik vredig de bloementuin in. Buiten zie ik hoe Ine binnen praat en lacht met de werkgroep. Ik zie in de stralende zon God meelachen. (Frans Boddeke)
Wat leeft in jouw harte
Reik me je hand
en ik zal met je meegaan
en nimmer jou vragen:
Wat is je geheim?
Wat leeft in jouw harte
dat laat ik daar leven
Wat leeft in jouw wezen
dat leeft daar in jou
Ik mag het niet raken
en niet retoucheren
Ik mag je respecteren
als mens, wie je bent
Wát zal ik jou zeggen
hoe jij moet wezen
hoe jij mag leven
hoe jij mag zijn
wat zal ik je doen-
en-je-laten bekijken
als ik het hart van
mijzelf, mijn diepste
verlangen, mijn eigen
bewegen, als ik mijzelf
nee, mijzelf niet eens ken?
Reik me je hand
en ik zal met je meegaan
en nimmer jou vragen:
Wat is je geheim?
(Ine Verhoeven)
Mijn goede oude socialist
Het is een zure stem. Zo'n stem, die meer de wet dan de mens liefheeft:
'Ik bel u. Mijn broer is zeer ernstig ziek. Hij maakt het niet lang meer. Binnenkort moet hij zich voor God verantwoorden. Hij moet nog een allerlaatste kans krijgen, vindt u ook niet? Hij is zo fel anti-katholiek geworden. Verschrikkelijk. Van mijn ouders heeft hij dat niet meegekregen. Zelf ben ik zuster. Maar laat u niet merken, dat ik gebeld heb!'
Ik leg de hoorn neer en denk: 'Zo, die heeft haar geweten gesust. Nu kan ze rustig haar puddingbroodjes eten en alles doorroddelen.'
'Een priester aan mijn bed', schampert hij. Zijn gegroefd gezicht lijkt nog getekender.
Een moeizaam gesprek volgt. Hij is opstandig. Ik sus hem. Ik zeg dat ik zijn kritiek op de kerk best kan begrijpen, en die ook wel kan delen.
En zo begon het. Ik mocht terugkomen. En ik gíng terug. We voerden lange en intense gesprekken. En hij -de oude goudeerlijke socialist- en ik, we werden zowaar goede vrienden. En hij vertelde over vroeger. Hij gaf aan hoe grof hij zich door de kerk behandeld en genegeerd wist. En vaak moest ik hem echt gelijk geven.
Hij had pijn, Veel pijn. Veel te veel pijn: 'Geef me toch 'ns alle pillen tegelijk. Dan kan ik, nou ja, je snapt me wel.'
Ik nam de pillen en een vol glas water: 'Hier dan. Ik zet ze binnen handbereik. Ik vind dat je werkelijk te veel moet lijden. Beslis zelf.'
Hij huilde zacht. Ontroerd hield ik zijn hand vast. Toen vroeg ik hem om mij nogmaals zijn levensverhaal te vertellen: 'Wacht nog even, vertel me eerst wat ik zeggen moet als het zover is. Ik wil in de kerk aan iedereen jóúw woord laten horen.'
Ik schreef zijn boodschap op: Mensen, houd toch eens van elkaar. Leef niet zo kinderachtig. Denk niet zo in kleinigheden. Bouw de wereld óp en heb daar alles voor over.
'Wil je dit zeggen als ik tussen de plankjes lig?'
'Dat doe ik. En ik klop, als het goed gaat, even op die plankjes van jou.' We lachten allebei door onze tranen heen.
De volgende dag was hij dood. Ik legde mijn hand op zijn hoofd, zalfde hem en wenste hem alle vrede en genade, daar aan de overkant bij God. Terwijl ik zo naar hem keek, zocht ik naar woorden die bij hem pasten. Die kwamen:
'Als je later stil gaat wonen in een huisje op de hei, dan begin je pas te leven, als je daar ten langen leste helemaal jezelf mag zijn.'[1]
Van mijn homilie maakte ik veel werk. Ook omdat het zíjn woorden waren. En omdat hij dat had verdiend, mijn goede oude socialist.
Tijdens de absoute legde ik mijn hand op de kist en klopte zachtjes op het hout. Hij zal gelachen hebben, daar aan de overkant bij God.
De volgende ochtend in alle vroegte belt zijn 'genadige' zus me op:
'Fijn hè, pastor, dat ik u toen gewaarschuwd heb, vindt u niet?'
Ik zeg dat ik in gesprek ben en dat ik haar nog terug zal bellen.
Dat is nog altijd niet gebeurd.
(Frans Boddeke)
Daar aan de overkant bij God
Daar aan de overkant bij God
in de grazig groene weiden
daar gaan de mensen van verzet
daar gaan de wilde meiden
Daar aan de overkant bij God
tussen hoge groene heuvels
daar toeven socialisten
daar toeven communisten
Daar aan de overkant bij God
aan de zachte groene oevers
daar liggen alle slechten neer
die lieverds van de lieve Heer.
(Ine Verhoeven)
Was het toen ook geen drie uur?
In Tilburg is de hemel somber. Het is drie uur.
Het college over spiritualiteit in proza en poëzie begint pas over 'n uur.
Ik loop de stad in en kom via de markt in het winkelcentrum. Ik trakteer mezelf op milkshake met aardbeien. Bij de Hema overweeg ik een halve worst te verorberen, maar ik zie ervan af: de calorieën spatten me tegemoet.
Bij Kreymborg koop ik een kreukvrij overhemd. Als ik naar buiten loop, bots ik bijna tegen een zwerver op. Zijn vuile, gescheurde overjas met de uitpuilende zakken riekt me tegemoet. Ik zou graag willen weten wat hij allemaal in die zakken meesleept.
De zwerver ziet een vuilnisbak. Hij loopt er resoluut naar toe, kijkt niet op of om, werpt een vluchtige blik in de bak, graait, en haalt een stuk boterham op. Met forse happen schrokt hij het beschimmelde brood naar binnen. Ik kijk toe. Hoe komt zo'n man toch terecht aan die kant van de wegwerpmaatschappij? Schrikt de lucht, alleen van de bak al, hem niet af? Is hij niet bang zich te verwonden aan glas of aan een spuit?
Hij loopt nu verder naar de volgende bak. Zijn dessert komt uit een kartonnen bekertje. Hij zuigt slokkerig aan het rietje.
Hij zwalkt mijn kant op. Ik ontwijk hem en kijk in de etalage van een juwelier. Ik registreer dat een vulpen liefst f 450,-. kost. Zo'n pen ligt natuurlijk niet gauw in een vuilnisbak, anders zou ík misschien ook wel gaan graaien. Ik houd van pennen.
Hij passeert me en loopt verder. Maar waarheen? Spelen ruimte en tijd een rol in zijn zwerversbestaan? En draagt hij überhaupt een horloge?
Weer terug bij mijn auto bedenk ik, dat ik hem had kunnen groeten. Ik ben toch christen? Ik ben toch solidair met de kwetsbaarsten?
Misschien had ik hem moeten aanspreken. Misschien had hij dan vannacht, ergens opgerold in een portiek, liggen overdenken: 'Die man, hij zág me.'
Maar wie is het die dat durft?
In een flash back zie ik weer dat verdrietige gezicht van die ene joodse vrouw. Ze keek me aan, door een kier van een goederenwagon. Dat was in 1942 op het Centraal Station van Amsterdam. Ik was nog een kind, maar het lijden op dat gezicht vergeet ik nooit.
Tijdens het college over spiritualiteit in proza en poëzie schrijf ik met mijn lievelingspen mijn aantekeningen. Ik merk dat ik in de kantlijn opeens een kruis teken. Het is het symbool van die haveloze joodse man, die door God en alleman verlaten aan het kruis stierf.
Was het toen ook geen drie uur?
(Frans Boddeke)
Nu ik leef
Als ik dood ben, hoef je niet te komen
breng me geen bloemen
zeg geen lief woord
noem me niet bij mijn naam
Als ik dood ben, ben ik dood
Nu ik leef, mag je komen
breng me bloemen
zeg een lief woord
noem me bij mijn naam
Nu ik leef, leef ik
Ontken mij niet, praat mij niet stuk
Want dan ben ik voor altijd gebroken.
(Ine Verhoeven)
Op de rots gebouwd
De kille grijsgranieten trap, die mij vanuit de drukke winkelstraat naar een stille wereld voert, staat symbool voor killer Aids.
Het Aidscentrum 'Noachs Ark' heet mij desalniettemin hoopvol welkom als inleiding op het Congres van de komende dagen. Op de balie van de receptie staat een schaal met gekleurde snoepjes. Het blijken condooms te zijn.
Minzame Nonne, vrouw vooraan in de dertig, lesbienne, werkt temidden van hen, die de slopende ziekte in zich dragen. In rustig engels vertelt ze hoe het virus ook in Zweden toeslaat. Er zijn veel slachtoffers. Tijdens het gesprek passeert een broodmagere jongeman met ingevallen gezicht. Hij is een van hen.
In het centrum werkte tot voor kort een Nederlandse priester. Hij koos echter voor het kloosterleven. Als pater heeft hij de naam Johannes aangenomen. Johannes betekent genadig. Hij bidde.
Nonne brengt mij naar de bezinningskamer. Aan de muren van de ingetogen ruimte hangen tientallen foto's, rouwadvertenties en herinneringsteksten.
Temidden van de aangrijpende berichten hangen schilderijen, geschilderd door een dokter met aids. Ze ontroeren door de wanhoop: onontkoombare vernietiging.
's Middags lunch ik bij een jonge dynamische vrouw. Haar opgewekte relatie eet mee. Twee pittige meiden, opgebouwd uit moeizaam verworven omgaan met elkaar.
Het huis is sober ingericht. De enige kostbare materie is het muziekinstrumentarium. De gastvrouw zingt en speelt cd-tjes vol.
De twee vrouwen houden van elkaar op spontane wijze. Ze zijn aardig, ze zijn goed. Ik voel me aangetrokken door hun innemendheid.
Het huis van de Zweedse is op rotsen gebouwd. Buiten loop ik inderdaad op brokstukken rots.
'De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de wind stak op en ze stortten zich op dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rots gebouwd.'(Matteüs 7,24).
In de namiddag bezichtig ik Gamla Stan. Stockholm heeft binnenstad met uitstraling.
's Avonds ben ik te gast bij twee samenwonende mannen. De ontvangst is vriendelijk. Zweedse 'vafflor' etende bedenk ik dat het leven anders is dan de leer. Mensen die elkaar eerbiedigen, zijn kinderen Gods. Relaties hangen niet af van biologie, maar van opkomen voor elkaar.
Ik keer terug naar het huis op de rots. Het staat veilig. Het is gebouwd op liefde.
(Frans Boddeke)
Af jij, zwarte ziel
Het leven is me gegeven
ik mag het beleven
ik mag het lachen
ik mag het huilen
ik mag, ja moet het
nemen zoals het komt
Maar ik vroeg er niet om
En de mannen en de vrouwen
die mijn leven gadeslaan, die
oordelen, die weten hoe mijn
hele leven moet, die poetsen
en poetsen, die mij bekijken
en stellen, die mij vertellen:
Af jij, zwarte ziel, er is
een stukje glans weggevallen
Bij die mannen en bij die vrouwen,
bij hen is een stukje glans weggevallen.
(Ine Verhoeven)
Schitterende gestalte
De laatste maal dat ik haar sprak, maakte ze aanvankelijk een afwezige indruk. Maar aan haar verwilderde blik zag ik dat ze weer last van van alles had.
'Waarom laat u me schaduwen? Ik zie ze wel, die rechercheurs! Waarom stuurt u ze achter me aan?' Ik probeerde haar te kalmeren. Maar het hielp niet. Ze bleef geagiteerd. Ze schreeuwde, verviel in hysterie en sloeg met haar vuisten tegen de kast. En zelfs het keffertje deelde in de malaise. Hij staarde bedrukt naar m'n linkerschoen.
Het was duidelijk dat ze snel moest worden opgenomen. Dat dacht ook haar man, die ik 's avonds tegenkwam toen hij het keffertje uitliet.
Maar zover kwam het niet. De volgende ochtend -het zou een zonnige dag worden- verliet ze haar huis en kwam niet terug. Niemand wist van hoe of wat.
Ze werd gevonden in de Drunense Duinen. Men had haar losgemaakt. Ze hing in een boom. Haar fiets lag onderuitgetrapt in het losse zand.
'Une faute pas' flitste in me op, toen ik in de chapelle ardente mijn hand op haar voorhoofd legde, om daarna de deken in een laatste gebaar zachtjes terug te leggen. Een mens krijgt soms vreemde gedachten.
Na haar begrafenis bezocht ik haar man. Hij was onnatuurlijk rustig. Het gesprek vlotte niet. Ik wist geen bemoedigende woorden tot leven te wekken. Ineens sprak hij over de droom die hij de nacht tevoren beleefd had. Hij had gedroomd van een donkere tunnel met aan het einde schitterend, doordringend, uitnodigend licht. Overweldigend was het geweest. Een lange stilte volgde na deze ontboezeming. Het leek alsof hij niet aanwezig was.
De volgende morgen hoorde ik hoe hij zich tegen middernacht voor de trein had gegooid. 'Une faute pas' dacht ik wederom.
De avond van diezelfde dag moest ik naar een vergadering. Ik nam de trein. Op het perron keek ik langs de rails de donkerte in. Gitzwarte verte. Uit het donker rolde aangenaam hoorbaar een schitterende gestalte naderbij. Hij had drie grote lichten: rustgevende, doordringende ogen, me onontkoombaar indringend strak naar zich toetrekkend.
Ik huiverde en deed een snelle stap terug. Une faute pas was zo gemaakt.
(Frans Boddeke)
Dodenmystiek in wit
De dodenakker lonkt
ik kijk terug en zie de stenen
op de graven
waar alle lieve doden rusten
in vergetelheid
O lieve vergetelheid
hoe puur heb je mij geschoond
van alle lieve levenden
in mijn kwetsbaar brein
Het harde pad bevroren
en de gronden koud van ijs
herinneren mij aan dode dood
en alle gedroomde warme armen
en hete kussen voorbij
De dodenakker lonkt
uitdagend achter de gegoten
poort met groene lak en
schoongeboende punten van
glad geslepen staal als
sierende pieken in goud
ter bescherming tegen wat?
De stenen op de bedden zijn
vragende ogen geworden en
als deuren dichtgeklapt
smeken zij mij hen open
te breken
Ik zal het niet doen
O nee, nee, nee
Eens zal mijn versteende
lichaam toch vergenoegd
rusten in de verijsde aarde
en niemand komt kijken
als ik een geworden ben met
mijn eeuwigheid
De raaf zal komen in zwart
met hoge hoed en witte sjaal
Als een ekster pikt hij in
de grond die glinsterend goud
belooft
O ja, ik houd van raven
van hun kriskrasgekrijs en
hun pikkend houweel
Hoezeer verlangt mijn hart in
mij naar vergetelheid
Die dodenakker is mijn liefste
vriendin, de mannen zijn aan
mij voorbijgegaan met hun
monopolie, en voorgoed
R I P: requiescat in pace
Ik had geen naam
De dodenakker lonkt in wit.
(Ine Verhoeven)
Complete toekomst
Veertig jaar lang zorgde ze toegewijd voor haar gezin.
Veertig jaar lang kwam ze trouw naar de kerk.
Veertig jaar lang blonk ze uit in goedgeefsheid.
Maar dan.
Gruwelijke vrees bevangt haar. Schijnbaar ineens.
Ze is verdoemd, zegt ze. Voor eeuwig, zegt ze. Door God, zegt ze.
Wurgende angst.
Geen enkele behandeling is afdoende.
Verstikkende angst overheerst.
Geen heilige absolutie kan de hel doorbreken.
Ze is verdoemd, vindt ze. Voor eeuwig, vindt ze. Door God, vindt ze.
Verdoemd. Voor eeuwig. Door God: is dat niet complete gekte?
Ik bezoek haar. Ze stelt: 'Ook jij, priester, bent verdoemd. Voor eeuwig. Door God.'
Ik leid haar af: 'Wat hangt daar een prachtige antieke klok.'
Ze antwoordt: 'De tijd tikt in mijn nadeel weg.'
Het toornige oordeel van God sluipt per seconde naderbij.
Verdoemd. Voor eeuwig. Door God: is dat niet complete gekte?
Menselijk bestaan is bedreigd bestaan.
Maar het is niet God, die willekeurig mensen uitkiest om de een heil te geven en de ander te verwerpen.
Begrippen als oordeel en vergelding, hel en verdoemenis, roepen het beeld op van 'oog om oog, tand om tand'afrekening. Een strafpartij van jewelste.
De Schrift suggereert een heerlijk aanschouwen van God. De Bijbel spreekt van Hem als de God, die onverdeeld goed is. En Jezus van Nazaret is de grote Getuige van Gods ongebroken trouw.
Uit de eerste brief van Johannes, hoofdstuk vier:
'Geliefden, als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkander liefhebben. Nooit heeft iemand God gezien, maar als wij elkander liefhebben, woont God in ons, en is zijn liefde in ons volmaakt geworden. Dit is het teken dat wij met hem verbonden blijven, zoals Hij verbonden is met ons: dat Hij ons heeft laten delen in zijn Geest.'
God laat niemand vallen met het veiligheidsnet van Zijn liefde.
Niemand werpt Hij op de belt van de verdoemenis.
Ik weet mijn voortbestaan voorzover ik liefde ben.
Een bemoedigend houvast.
Gered. Voor eeuwig. Door God: is dat niet complete toekomst?
(Frans Boddeke)
Passie
Zoals het Lam zich door de tijd beweegt
de zwaarte torst van alle moede daden
gekruisigd door de kruisen van het leven
dat zijn goedheid heeft verraden.
Zoals het Lam verdwijnt
gekromd onder vernedering
verslagen.
Zoals de vrouwe treurt
ontkend in haar verdriet
kapot.
Weg is de Weg, de Waarheid en het Leven.
Weg is het Geloof, de Liefde en de Hoop.
Het lijden heeft het lot getart tot eeuwigheid.
Vrouw, niet wenen.
Tranen verdampen.
Zilt doet zeer op open wond.
(Ine Verhoeven)
De verdronkene
Een koude maandagochtend. Op de pastorie rinkelt de telefoon: 'Ons vader is dood gevonden in het water. Hij heeft zich verdronken. Kunt u komen? We doen er wel niet zoveel aan. Maar hij is toch katholiek.'
Even ben ik geïrriteerd. Onverwacht is mijn agenda weer anders ingevuld dan ik gepland had. Maar dan geneer ik me. Er zijn ergere dingen, zoals dit drama. Ik ga naar het beproefde gezin, dat woont in een grijze volksstraat.
De woning is kitscherig ingericht: druk uitgevallen bankstel, bombastische beeldjes, tranenschreiende schilderijtjes, bonte vloerbedekking.
Maar de mensen zijn aardig. Ze zijn direct. Ze spreken compromisloos. Ze maken van hun hart geen moordkuil.
Zijn dochter: 'Kijk, vader was tof. Hij had in wezen een hart van goud. Hij haatte onoprechtheid. Maar de laatste jaren was hij zo'n kouwe kikker. Zo verstard. Zo levenloos. Zo akelig. Ons moeder had geen leven meer. Maar ze is wel bij hem gebleven. Ik zou dat nooit gedaan hebben. Hoe kon hij dat nou doen, zomaar het water in lopen? Hij kon niet zwemmen, dus dat was gauw gepiept. Griezelig, bij zo'n dun ijsvelletje.'
Zijn vrouw: 'Misschien is hij nu wél gelukkig.'
Zijn zoon: 'Eerst zien en dan geloven.'
Ik blijf hangen bij het schuchtere: Misschien is hij nu wél gelukkig.
Ik denk aan wat Gerrit Achterberg eens neergeschreven heeft:
Misschien weet jij een land van zoveel licht
dat hun verstarring er niet tegen is bestand
en drijven zij daarheen uit ons gezicht.
En in Achterbergs gedicht De Verdronkenen komt als kern naar voren:
Hun hoofden hebben zij bijeengelegd dien laatsten nacht.
Voor zij te water gingen hebben zij gezegd: vaarwel en wacht.
En ieder is toen voor zichzelf verdronken, want een ander
kan niet voor mij verdrinken,
maar zij kwamen weer boven en toen vonden ze elkander
onder de bruggen drijven met hun hoofden.
'Misschien is hij nu wél gelukkig', zei zijn vrouw.
Bestaat geluk?
Nu, en tot over het water?
Komen wij na onze dood boven drijven?
Vinden we elkaar?
Is God een schuilplaats onder de brug?
Of blijven we bij de verdronkene als kouwe kikkers?
Misschien is er wellicht een land van zoveel licht, dat onze verstarring er niet tegen bestand is.
Misschien drijven we wellicht met hoofd en hart in de goede richting naar vaste vredige groene grond.
God alleen weet het.
Misschien. Wellicht. Het ijs is een dun velletje. Ik houd mijn adem in.
(Frans Boddeke)
Rivier bij nacht
Het water stuwt voort
in massief, beladen met
de nacht vol dood en
leven zonder gezicht
Alleen het levensdriftige
in onrust zwaar, stroomt
met bronstig kloppende koppen
zonder schuim door het zwart
Alleen het licht van de maan
trekt aan en nodigt, nodigt
uit om mee onder te gaan.
(Ine Verhoeven)
In de verte dondert het
Diep inademend genieten we van de geur van de dennentakjes. Hulst met rode besjes kijkt ons blozend aan. Lopend tussen trotse bomen aanschouwen we de fraaie bouwvallen op het rustieke landgoed. De alleenstaande toren kijkt zwart neer op de rivier: wee degene die het waagt zonder bekendmaking van identiteit door te varen. Heerlijke tijden, die vervlogen tijden?
Middels honderd versleten treedjes dalen we af naar de gebeukte waterkant. Dit is De Waalkade. Talloze restaurantjes geven deze kade met stijl een uitnodigend aanzicht. We gaan een studentikoos café binnen: houten bruine stoelen en blanke tafels met heerlijke berichten tegen de muur.
Eén mededeling valt meteen op: met grote letters staat op een kaartje SEX!! Met lichte verlegenheid lezen we toch de tekst. Een studente zoekt een kamer. Om de aandacht te trekken heeft ze 'sex' boven het kaartje gezet, en daaronder: een geintje, mijne heren! In de loop van de avond zie ik menig heerschap brutaal het sexkaartje bekijken. Een geintje, mijne heren!
Een boeiend vergezicht valt ons ten deel. De imposante brug, het vlakke water, de opkomende nevel, de windstille bladeren, het groene schip aan de kant met slingers van lichten: het geheel intrigeert aangenaam.
We spreken over trouw, moed en volharding; over belangeloos omgaan met elkaar; over geparasiteer in relaties, in huwelijken; over rechtshulp die geen rechtshulp blijkt; over mannenmacht die nog altijd heerst; over de ondergeschikte rol van de vrouw in gezin, kerk en maatschappij.
We spreken over God en de laatste dingen; over de karige affectie tussen mensen onderling; over broeders en zusters die geen broeders en zusters durven zijn; over kinderen die hun ouders het nakijken geven; over kleinkinderen wier oma wordt vervangen door opa's nieuwste liefje; over geld als het verdeelmes in families en gezinnen. We spreken over de broosheid van geluk: dat klotst voortdurend tegen de waterkant van het onvermogen stuk.
Mijn gesprekspartner kijkt door het raam. De ruit wordt gebroken door twaalf houten spijltjes. Symbool van geketend zijn. Mij schiet trefzeker een citaat van Vasalis te binnen:
Daar zie ik ook mezelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak,
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin.
Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gesleten lange heden.
Het daglicht wordt opgenomen in de over het water oprukkende duisternis, zoals eens deze Waalbrug overrompeld werd. De boot met de vele lichtjes lijkt nog vrolijker. In de salon zien we mensen lachend het glas heffen. Waarop?
Een eenzaam vaartuig waagt het met een kordaat zwaailichtje een weg te banen naar, ja naar waar?
De brug verdwijnt in de donkerte. Mij overvalt de gedachte dat er geen brug meer is. Er is geen verbinding meer naar God, naar mensen, naar elkaar. De brug is teruggetreden als middelaar tussen twee kanten.
We staan op. We moeten de honderd treedjes naar boven klimmen. In de verte dondert het. (Frans Boddeke)
Rendement
Dertig seringen nam ze mee
uit haar eigen tuin
steeds kwam haar voor ogen
hoe hij haar had bedrogen
ze dacht, dat 't stelen wat ze deed
zo, uit die eigen tuin
symbool stond voor hetgeen
ze nog van hem moest krijgen
Dertig jaren nam hij mee
zomaar uit haar tijd
ze had ze hem gegeven
en hem gevraagd: wat gaan wij doen?
zijn antwoord luidde: niets!
Dertig seringen nam ze mee
en dertig zilverlingen
kropen door 't zand
nog vóór ze omkeek, wist ze het...
hij had ze opgepakt
en hield ze stevig vast, omklemd
met angstig grote ogen
zij was bevrijd
en dertig munten hadden hem bedrogen.
(Ine Verhoeven)
Arm heilig snijdertje
Vijfentachtig jaar is hij. Zijn bril wordt steeds groter en hijzelf alsmaar kleiner. Een half jaar geleden is zijn vrouw gestorven: 'Puf.Puf. En weg was ze.' Dan tuurt hij, wazig starend, door het beslagen raam.
Haar dood is zijn neergang. Ze was zijn hulp, zijn verzorging, zijn toeverlaat, zijn alles. Zo was ze omdat ze van hem hield, maar ook omdat ze bazig was. 'Mijn heilig kleermakertje', noemde ze hem, omdat hij dagelijks driemaal bad.
Nu betaalt hij de tol van zijn door haar opgelopen afhankelijkheid.
Kinderen heeft hij niet: 'We zijn niet op tijd getrouwd.'
Een bejaardenhuis lokt hem niet: 'Ik ben niet suf.'
Maar op zichzelf wonen gaat ook niet: 'Kan ik makkelijk.'
De buurvrouw wil hem opvangen, maar hij weert af: 'Niks aan de hand.'
Ik druk een paar keer nadrukkelijk op de huisbel. Ik weet dat hij liever niet opendoet: 'Meestal zijn het kwajongens.'
Hij laat me binnen en we gaan aan de tafel zitten. De borrelfles rijst als een waarschuwend uitroepteken tussen ons op. Een eenzaam glaasje staat er leeg en beslagen bij.
'Het was een mooie uitvaart, pastor. Zeker, zeker. En wat een volk, zeg. En er was niet eens een advertentie!'
Hetzelfde verhaal als de vorige maand en hetzelfde verhaal als al die vele maanden daarvoor. Drijfzandgegraaf in wazige herinnering.
'Mijn vader, die was ook kleermaker. Die kon er wat van. Die had het druk. Die werkte ook 's nachts. Maar tegenwoordig? Tegenwoordig krijgt de jeugd alles cadeau. En oude mensen zijn maar restjes. Treurig, treurig. Tegenwoordig is het maar niks. Mijn vader stond bij het raam. Hij zei tegen mijn moeder: 'Hé, het sneeuwt' en hij piepte hem.'
Ik stel wéér de hamvraag: 'Kunt u zich wel redden, zo als man alleen?'
Hij reageert fel, te fel:
'Ja makkelijk. Heel makkelijk. Mij krijg je hier niet uit. Ik heb toch niks verkeerds gedaan? Het is al zot, dat zij van hiernaast een sleutel heeft. Ze zeurt me de kop gek. Laat ze liever dat rotjong van haar opvoeden.'
Hij is duidelijk ontstemd. Nukkig tuurt hij inene in de krant.
Ik sta op: 'Als ik u met iets kan helpen?'
Onderweg naar het volgende adres denk ik na over het inhoudelijke van dit korte huisbezoek. Niet alleen zijn ramen zijn beslagen. Welke driemaal daags biddende heilige kleermaker zou dit vergrijsde stoffen leven weer opnieuw kunnen bekleden? Wie scheurt het wolkendek voor hem open en wie warmt hem ooit nog eens op met van die zachtzijden zonnestralen?'
Misschien kan zijn vrouw hem van boven af met de manteld er liefde bedekken. Maar ook het hemelraam lijkt beslagen. De hemeldeur wordt niet geopend. De hemelbel is denkelijk stuk.
Zijn liefste. Zij zwijgt in de doodste stilte. Arm heilig snijdertje. (Frans Boddeke)
Ik zal jouw voedsel zijn
Kom, ga je scharen
bij mensen uit dorpen
uit steden, uit landen
kom achter Mij aan
Kom mee naar die berg
naast spiegels van meren
bij groen van de grassen
kom, laat ons gaan
Strek uit je armen
en open je handen
dan krijg je mijn gaven
kom, wil Mij verstaan
Eten we samen
van brood en van vissen
In woord en in daden
kom, neem van Mij aan
Kom onder de zon
en onder de manen
beluister mijn woorden
om nooit te vergaan
Ziedaar, de hemel
de vliegende vogels
zo hoog bij de wolken
kom, wil met Mij gaan
En zo zal Ik dragen
door nachten, door dagen
-allen, die vragen-
naar God, onze God
Ja, Ik zal jouw voedsel zijn
altijd jouw adem zijn
altijd jouw leven zijn
jouw lief zijn in God
Naar Johannes 6,1-15.
(Ine Verhoeven)
Alle lichten branden
Bij nacht en ontij belt hij op. Soms huilt. En huilen is, als een man sníkkend huilt, dubbel naar. Onwillekeurig houd ik dan de hoorn wat van me af. Ook híkt hij als hij snikt. Drank, tranen en onmacht.
Zijn vrouw is van hem weggelopen en ik denk terecht. En hoewel hij geijkt de mond vol heeft van zijn ingebeelde overtuiging 'Man en vrouw zijn één tot in de dood, zo wil God het' is hij voor zichzelf uitgesproken mild betreffende deze bralzin. Sinds het vertrek van zijn vrouw is hij een rokkenjager bij uitstek. Nood verandert nu eenmaal de moraal, en de wet geldt inene alleen voor de ánder. Met zijn verlopen kop lijkt hij me nog weinig aantrekkelijk voor een 'nieuw aardig vrouwtje'. Ja, drank maakt meer kapot dan hijzelf denkt te denken.
Waarom drink je?
Om te vergeten.
Om wát te vergeten?
Om te vergeten dat ik me schaam.
Waarom schaam je je zich dan?
Omdat ik drink.
-Antoine de St.Exupéry-
Ieder telefoongesprek eindigt steevast met de belofte 'Ik heb nog geld voor de parochie.' Tot op heden niets ontvangen.
Als ik het niet met hem eens ben, doet hij wat veel mensen in hun machteloosheid doen. Dan haalt hij het kerkelijk gezag erbij.
'Het is goed voor de priesters dat er een degelijke, echte, katholieke bisschop is. Hij moet jullie maar eens goed aanpakken. Zo wil God het.'
Drank geeft een mens blijkbaar ook grootse visies op Gods bedoelingen.
En dan plotseling zweert hij om nóóit meer een fles aan te raken. Zo wil God het.
'Vanmiddag om drie uur heeft Jezus mij gered. Ik heb alle flessen buiten op straat stukgegooid. Ik zal nooit meer drinken. De Heer zei: 'Tot zo ver en niet verder.' Ja echt, dat zei de Heer. Ik was ineens volkomen nuchter. Alle lichten in huis gingen fel branden. Zo wil God het. Er is hoop voor mij. De kracht van God heeft me gered. Het Heilig Hart heeft me op de vingers getikt. Maria heeft me toegelachen. Ik heb zwakke zenuwen. U heeft gelijk: drank lost niets op.'
De drank lost het in zekere zin wél op. Hij wordt dood gevonden met twee lege flessen naast zich. Alle lichten in huis branden fel.
Zo wil God het niet.
(Frans Boddeke)
Adem mij
Adem mij, adem mij
adem van mijn leven
laat mijn laten en mijn doen
van jouw adem zijn
geef kleur aan mijn gelaat
straal lichten in mijn ogen
doe jou bewegen in mijn lijf
beweeg mijn lippen
vorm mijn mond
en spreek in mij jouw taal
gun mij jouw adem in mijn lach
streel jouw sprankels langs mijn huid
en adem mij voorgoed, voorgoed
Adem mij, adem mij
adem van mijn leven
adem mij tot leven
adem met mij mee
in rust
reis dan met mij
ten leven op, voorgoed
opwaarts ten leven
adem mij, adem mij
adem mij voorgoed
Pinksteren 1997.
(Ine Verhoeven)
De dood is soms vrolijk
De ondernemer zorgt dat ik ruim vóór de familie in het crematorium ben. Merkwaardigerwijs heerst achter de coulissen in het dodenhuis altijd een opgewekte, ja zelfs een ietwat overmoedige sfeer. De zwarte draagvaders maken dan onder elkaar gewaagde grapjes. Waarschijnlijk om de kwade geesten te verdrijven. Te veel dood roept grappig cynisme op. Het leven en de dood.
Ik word vrolijk welkom geheten met het onschuldig vraagje erbij: 'Wilt u hierna nog een dienstje doen? Anders wordt het voor die mensen zo'n kale boel. Hier is het bidprentje. Dan weet u iets. U maakt er wel iets van.'
Ik verafschuw dat terloopse optrommelgedoe. Ik vind een dienst, zomaar uit de lucht gegrepen, een serieus tekortschieten tegenover de dode en de familie, maar ik bedenk ook: 'beter iets dan niets.' Ik zeg 'ja' en de dodendienders zijn weer 'ns opgelucht. Het werk en de dood.
De ondernemer krijgt van alleman een ferme knipoog, ofschoon hij, zodra hij zijn hielen heeft gelicht, het middelpunt is van achterklap en gekheid. De vrouwelijke assistente van het crematoriumwezen trippelt lichtvoetig heen en weer over de granieten vloer. Ze is, zoals de aanspreker het begrip EHBO vertaalt, de 'Eerste Hulp Bij Omgevallenen'. De vrouw en de dood.
Ook de lege aula ademt vóór de dienst niets droevigs. De kist wordt zwierig met een stijlvol bochtje binnengereden. De bloemen worden onder zacht gefluit gerangschikt en een aangetast stukje vloerkleed wordt handig met een weelderig bosje bloemen bedekt. Eén kaars wil niet branden. Dat ontlokt: 'hier is wel méér het licht uitgegaan.' De humor en de dood.
Als alles verzorgd is en het juiste bloemstuk op de juiste plaats ligt, bespreekt men op aangepaste toon, maar niet minder heftig, de weer 'ns tegengevallen prestatie van Ajax. 'Waardeloos! En die Arenamat kan niet op tegen het gras van ons dorpskerkhof', klassineert de jongste zwarteling. Hij beklemtoont zijn zegje door licht op het deksel van de bloemversierde kist te trommelen. Hij gaat er blijkbaar vanuit dat de dode ook in het uurtje vóór zijn verbranding het voetbal welgezind is. De sport en de dood.
Daar is de beproefde familie! Interessant nu is de perfecte rolwisseling. De gezichten van de hanzen staan in een oogwenk op volle ernst. Iets te nauwe jasjes worden dichtgeknoopt en de hoofd-undertaker buigt in stijl naar links en naar rechts. De jongste gildebroeder vouwt eerbiedig zijn trommelvingers. Het gebed en de dood.
Och, zo gaan die dingen nu eenmaal. In het huis van de ondergang zijn de doden onbekend, dus onbemind. Ook die zwarte slipjassen moeten Deo volente overleven. Wat gedaan moet, wordt voor het oog van het kerkvolk goed gedaan. En mag men méér vragen? Meeleven met acht families per dag wordt automatisme zonder meeleven met die acht families per dag. De gewenning en de dood.
'Prima dienstje, pastor', zegt een van de zwartraven na afloop. 'Mooi, en kort genoeg. Dat lange gemekker haalt niets uit. Dat doet de familie geen deugd. Nee, en dan die dominees! Die zeuren zo! Die zijn altijd over tijd. Ik zie u nog wel.' Haastig stapt hij, waarachtig gelijk een zwarte raaf, weg naar de volgende familie. Het brood en de dood.
(Frans Boddeke)
Er is een mens voorbij
Als een spin spint de dood
een kroon rond het hoofd
van haar uitverkoren lief
Zij tikt aan zijn hart
met knokkels van haar vingren
en grijpt hem graaigraag
met botbenen armen en
zij vergulzigt zich aan hem
en verslindt zijn ziel
met een naarstigheid van
een dorstigheid, te lessen
op het heetst van een
zonnige zomerdag
En weer is er een mens voorbij
Het leven van een mens voorbij
gegaan door tijdenwet van dood
onderweg naar verre eeuwigheid
En weer is er een mens voorbij
Een mens ontstaan uit zaad
door grond gevoed, ontkiemd,
volgroeid, gedragen en dordood
weer teruggelegd in aarde;
teruggelegd in de huls
van afgestorven zaad dat ooit
ontsproot uit niet om niet
Er is een mens voorbij
Herinnering aan Henk Manders CssR
Ine Verhoeven)
Zonnebloemen
De Zonnebloemboot vaart tussen het wuivende riet van de Biesbosch. Het klotsende water brengt verborgen vogeltjes ijlings tot leven, ze vliegen vleugelslag naar een rustiger oord.
Het is vandaag feest voor de zieken en de gehandicapten. Een hele dag níét op dezelfde kamer, níét in dezelfde omgeving. Normaliter kunnen zij zich niet ijlings verplaatsen, normaliter zijn ze vleugellam, soms gebonden aan een té rustig oord.
In de salon raak ik in gesprek met een jonge vrouw van tweeëntwintig jaar, die samen met haar moeder aan boord is. Door haar reuma is ze afhankelijk van haar moeder. 'Ik stoot wel tien maal per dag mijn knie. Maar dat kleurt goed bij mijn broek.' Ze wijst naar haar verschoten blauwe jeans. Om opgeruimd en levensblij te blijven, relativeert ze met humor.
Enthousiast vertelt ze over haar vliegtrip naar Engeland. Dat dat mogelijk was! 'Ik heb een uitkering. Mijn opa heeft ons de reis cadeau gegeven.' Haar moeder valt bij: 'Ja, haar vader liet ons stikken. Maar zij is mijn geluk.' Ze lachen tegen elkaar.
Een andere vrouw, zo rond de dertig, vertelt over haar twee lieve kinderen en haar goede man. Ze lacht, ze praat, ze rookt een shagje. Ze ziet er blij uit, al is ze haar beide benen kwijt. Ze stelt gedecideerd: 'Je kunt beter dít hebben dan reuma. Ik beschik over een aangepaste wagen en ik kan weggaan wanneer ik wil. Thuis scharrel ik wat rond op míjn manier. Natuurlijk heb ik de pest aan die rolstoel. Maar het is wel een uitkomst! En, o ja, ik léér zelfs. Wat? Lach niet. Ik heb lees- en leermoeilijkheden. Altijd al gehad. Maar ik wil vooruit. Mijn kinderen gaan naar de basisschool en komen met allerlei vragen aanzetten. Aan een ook nog stomme moeder hebben ze natuurlijk helemaal niets.' Ze kijkt me guitig aan en vertelt en passant dat ze een gelovige aard heeft.
Ik loop naar een man. Hij zit alleen. Ik zie dat hij blind is en ook zijn beide benen mist. Hij zit voor het raam en 'kijkt' naar buiten!! Hij rookt een filtersigaret. Hij zegt: 'Ik mag niet klagen. Alleen, ik kan geen asbak vinden. Verder gaat het prima.'
Ik haal een asbak voor hem. Zo'n man gun je toch zijn rokertje.
Later op de dag zingen we een zonnige smartlap:
Laat de zonnebloem maar bloeien
zaai haar uit al waar je gaat
laat haar overal maar groeien
zij is waard dat zij bestaat
laat schijnen de zon over het land
ziek en gezond bijeen
bewaar steeds de pit, die er in zit
mooier is er geen een, geen een.
Zonnebloemen stralen hun kleur en zaden naar de zon. Die kaatst alle moois weer terug. Op zieken en gezonden. Zo ervaar ik het tussen deze zieken, al varende op die zonnebloemenboot.
(Frans Boddeke)
In harmonie vol lief
Als harten verstenen
als stemmen verharden
als blikken verstarren
als de hand niet meer wuift
als de voet niet meer gaat
over paden van vrede
als geen zieke bezocht wordt
geen naakte gekleed
als de hongerige mens
niet herkend noch gevoed wordt
met het brood en de wijn
die voor elk zijn bedoeld
als de moraal mensen adem
beneemt, ja, als wetten
het winnen van God onze God
dan is de boodschap van liefde
verloren en zullen holle
cymbalen en ontstemde citers
slechts resten met klanken
in vreemde naargeestige
kakofonie, slechts kakofonie
Maar met handen in handen
en ogen naar ogen
en armen om armen
en kleden op huiden
en lachen na tranen
en broden voor harten
en wijnen voor zielen
van God onze God
dan zullen mensen samengaan
samengaan en blijven geloven
en hopen op lief, samen lief
dan zal het altijd amen zijn
in harmonieuze harmonie
in harmonie vol lief
Amen, laat het amen zijn
in harmonie vol lief.
(Ine Verhoeven)
Inhoud
1 Ook Luctor kwispelt niet
1a Tranen
2 Als ze omhoog gaan, klappen we
2a In de zon van de ziel zal mijn leven zijn
3 Ik weet niet hoe het verder ging
3a Kinderziel
4 Drie kruisen en nóg een
4a Lentenacht in maart
5 Zalig de dieren
5a Lage zwaluwen
6 Ouwe jongen, één, twee, drie!
6a Ritme in leven
7 Rusteloos
7a Ongeheeld
8 Uitgewandeld
8a Dans mee
9 Wat voert God toch uit?
9a God slaapt in mij
10 Mijn bloed staat dan even stil
10a Maar mijn raaf niet
11 De hel naar fabeltjesland
11a Helse schimmen in verleden
12 Zij zijn een teken
12a Adonaï, doe mij jou dragen
13 Niksnakkers
13a Kom laat me je raken naar God onze God
14 God helpt haar
14a Adonaï, Hij zij geloofd!
15 Al tien jaar 'n boerenkool
15a Genade op genade
16 De Here
16a Ieder zal mijn liefste kennen
17 Jaja
17a Opgericht
18 En die ondernemer zei ook nog: tot ziens
18a Wonen zal ik in Jou, mijn God
19 Die ene niemand
19a De muren hebben armen
20 Zuster Hartelapje
20a Kind van God
21 Hardstikke katholiek
21a Zalig de Niemanden
22 Sacramentele vrouwen
22a Heb ik je tranen gedroogd
23 Nana van de koeliedrijver
23a Til mij over grenzen
24 Een engel wiekt op
24a Aanklacht
25 Hij heeft een springerig kind gestolen
25a Het kindje
26 Ja, jongen
26a Jouw warme stem
27 En wat kun je verder dan nog?
27a Een niemand in het water
28 Bij de engeltjes
28a Heeft de dood je gewaarschuwd, mijn lief?
29 En God lacht mee
29a Wat leeft in jouw harte
30 Mijn goede oude socialist
30a Daar aan de overkant bij God
31 Was het toen ook geen drie uur?
31a Nu ik leef
32 Op de rots gebouwd
32a Af jij, zwarte ziel
33 Schitterende gestalte
33a Dodenmystiek in wit
34 Complete toekomst
34a Passie
35 De verdronkene
35a Rivier bij nacht
36 In de verte dondert het
36a Rendement
37 Arm heilig snijdertje
37a Ik zal jouw voedsel zijn
38 Alle lichten branden
38a Adem mij
39 De dood is soms vrolijk
39a Er is een mens voorbij
40 Zonnebloemen
40a In harmonie vol lief