ZALIG DE NIEMANDEN

             

Zoals Alfonsus, zoals Franciscus, zo willen ook wij.

                          

Copyright: Frans Boddeke en Ine Verhoeven

ZALIG DE NIEMANDEN

Over de iemanden in de niemanden

Van Frans Boddeke verschenen de boeken:

'n Bloembak blauwe begonia's - Abdij van Berne, 19­94.

Zo betoverend mooi - Etty Hillesum en de Goede - Dabar/Luyten, 1996.

Van Ine Verhoeven verschenen de dichtbundels:

Streel mijn leven, kus mijn dood - Dabar/Luyten, 1995.

Witte koekoek en roomse kamille - Dabar/Luy­ten, 1997. 

Ook verscheen van haar hand een serie van twaalf poëziekaarten - Abdij van Berne, 1997.

 

Ook Luctor kwispelt nietPRIVATE

De man in het zwart -ik zit naast hem in de lijkwa­gen- rijdt richting crematorium. Hij is een levenslustig gezelschap en dat kan van de dode achterin niet meer gezegd worden.

 

Ik voel me nooit erg happy in de lange wagen. Maar de man in het zwart is de dood gewend. Hij ziet de dood als commercie. De dood is zijn brood.

Hij rookt een licht sigaret­je en merkt paradoxaal op: 'Ik kan nooit lang van huis, de concur­rentie in mijn vak is dodelijk.'

We passe­ren een auto­kerk­hof. Ik wijs: 'Auto's worden zonder enig bedankje afge­dankt. Ze liggen daar niet bepaald met bloemen ter aarde besteld.' Hij glim­lacht beroeps­halve, ten­slotte ben ik in zekere zin zijn brood­heer.

 

Voor ik de dienst begin, bekijk ik de kaartjes aan de twee bloem­stuk­ken op de kist. 'Voor moeder' en 'voor oma'. Geen 'lieve' moe­der, geen 'lieve' oma. Bij zo'n schrale tekst vraag ik me af of deze moeder en oma van haar kinderen en kleinkin­deren heeft gehou­den. Ze was jong gescheiden en de kinde­ren waren in een tehuis ge­plaatst. Ze had zich nooit om hen bekommerd. Pas de laatste jaren was er enige toenadering geweest tussen haar en haar kinde­ren. Maar de genegenheid spatte er niet vanaf.

Toch, deze kinderen zijn bij de crematie aanwezig en ze hebben Luctor bij zich. Luctor, haar trouwe hondje. In dit beest­je had ze al haar verkrampte liefde neergelegd. Het was haar stille gesprekspartner geweest. Ze had uitdruk­ke­lijk bepaald dat haar hondje bij de crematie aanwe­zig zou zijn. En later moest het begraven worden op het honden­kerkhof, met op zijn grafje een klein steentje met de tekst 'Lie­ve Luc­tor'. Dit schiet me te binnen  als ik 'voor moeder' en 'voor oma' lees.

Er zijn geen tranen. En behalve de toespraak van de voorganger is er geen verder woord. Geen laatste groet langs de kist. Ook Luctor kwis­pelt niet. 'Afgedankt zonder enig bedank­je', peins ik. 'Hopelijk wordt ze nu begroet door onze God, die niemand af­dankt, zoals Ine Verhoeven schrijft:

'Zalig de nieman­den, want zij zullen God zien / Zalig de nieman­den, zij beërven het Land / De wezens bogen hun hoofden / Zij werden witte zielen / Het was stil / En er heerste absolute vrede.'

 

Op de terugweg -naast de man in het zwart- zie ik het autokerkhof weer. Ik kijk de andere kant maar op.

Ik word vriendelijk afgezet voor mijn huisdeur met een vrolijk 'tot ziens'.

Mijn ontroering is gewekt door Luctor. Ik herinner me flarden van een tekst van Jan Hanlo:

Hij was een hond / zijn naam was Knak / maar in zijn hondenlichaam stak / een beste ziel / een verre tak / een oud verbond / God, zegen Knak.

 

God zegene in ieder geval het vrouwtje van Luctor.

(Frans Boddeke)

 

Tranen

Je hebt gelijk, 't is waar

je ziet mijn tranen niet

 

De deur blijft dicht

de stoelen leeg

geen tafel wordt gedekt

 

Mijn stem is stil

omdat er niets te zeggen valt

geluiden zijn van buiten

niemand

 

En als ik tóch de straat inloop

omdat het hondje moet

dan kan geen mens vermoeden

hoe alles in me huilt

 

Je zei het en je hebt gelijk

je ziet mijn tranen niet.

(Ine Verhoeven)

 

Als ze omhoog gaan, klappen we

Een zaterdag in mei. Amsterdam viert in de Beurs van Berlage de jaarlijkse Aids Memorial Day. Ine en ik, we hebben de trein genomen. We willen erbij zijn. We willen solidair gedenken. We willen steunen. Getuigen. Liefhebben. De levenden en de doden. We dragen rode strikjes. Gevechtsymbooltjes tegen het moordend virus aids. En Amsterdam huilt. De wereld huilt. Wij huilen.

 

Gefixeerd kijkt een vrouw op de voorste rij naar de tegen de hoge muren zorgvuldig gedrapeerde linnen doeken vol namen. Naam voor naam drinkt ze in. Even later hoor ik haar bezwerend de naam Esther roepen.

De stenen ruimte is schemerig door de honder­den rode branden­de kaarsjes. Kleine levendige lichtjes bestrijden de grote dood.

De naam van de dode Esther wordt versmolten met de vele andere namen die mensen de hemel rustig fluisterend of hard opstandig toeroepen. Tezamen vormen alle namen één zware aanklacht tegen de dood in haar gevreesde variant aids. Ja, Am­sterdam huilt waar het eens heeft gela­chen.

De namendoeken staan vol symbolen. Ik zie bloemen afgebeeld en sterren en siervo­gels en een beertje en een kruis. Ik lees onder de naam Cees in blauwe letters de tekst: 'Abba Vader, u alleen, u behoor ik toe.'

 

'Beidt uw tijd' staat er geschreven boven de ingang van het Beursgebouw. Een raak motto, want veel 'beidt uw tijd' wordt de HIV-besmetten niet gege­ven. Ik huiver als ik de jonge leeftijden van de ons ontnomenen in mij opneem. Onwillekeu­rig raak ik mijn rood lintje op mijn revers aan. Ik voel mijn betrokkendheid. Beidt uw tijd, o mens!

 

De bijeenkomst is fascinerend ondanks of misschien júist omdat de dood de hoofdrol speelt. De dood wint tot nu toe altijd. Maar mensen zijn moedig in het uur van het grote gevaar: zelf besmet door zijn reeds gestorven vriend getuigt Richard, dat hij zich niet laat vellen door de rake klappen, maar dat juist zijn aan aids overleden vriend hem positief in het leven overeind houdt; en een jonge moeder doet de harten ineen­krimpen als ze over haar pas gestorven kind zegt: 'Hij liep met zijn vijftien jaar als een terminale bejaar­de.' Ze stelt: 'Ik weet zeker dat pappa en ik je eens zullen terug­zien.' Ik ben ontroerd als ik de sonore stem van pater Jan van Kils­donk de vele namen hoor uitspreken van de jonge mensen die hij in hun laatste levensfase begeleid heeft. Zoals hij daar stáát met de brandende fakkel, omvat met beide handen. Een priester houdt verleden mensen in leven.

 

De drieduizend -zij die gedenken- krijgen allen een witte ballon. Ieder plakt daar een sticker op met een naam. De ballon van Ine draagt de naam Bertyl, die van mij de naam Lars. Dat zijn onze nu verstilde scandinavi­sche vrienden.

Langzaam schuif­elen we gezamenlijk vanuit de stilte temidden van de stads­drukte naar de Dam. Daar zingen we het aangrij­pende lied The Rose. In onze handen wachten de ballonnen. Ze zijn reis­klaar. Als ze omhoog gaan, klappen we. Sierlijk zweven de witte ballonnen de blauwe lucht in. Bertyl raakt een tijdlang verstrikt in een tele­foon­draad. Alsof hij nog even wil bellen naar de hemel of naar de aarde. Ine geeft hem een kushand­je. We wuiven.

 

We praten na in Oibibio. Op onze tafel ligt de folder. We lezen hardop:

Sta even stil. Sta even stil.

Op een dag van stilte kan zwijgen dodelijk zijn.

(Frans Boddeke)

 

In de zon van de ziel zal mijn leven zijn

Ik zag de narcissen onder het ijs

en sneeuw bedekte de huid van de lelie

en schrale rozen taanden op rotsen

nog voor de zon van de ziel verscheen

 

En de zon van de ziel kwam vanachter de wolken

en de zon van de ziel verscheen met een lach

en de zon van de ziel bewoog mensen en volken

en de zon van de ziel gaf zijn licht aan de dag

 

Ik zag de sneeuwklokjes zachtjes trillen

en witte kamille klom op uit de grond

blauwe violen in kil zongen warm

toen daar de zon van de ziel verscheen

 

En de zon van de ziel droeg de vogels op handen

en de zon van de ziel verwarmde het lam

en de zon van de ziel droogde tranen van harten

en de zon van de ziel gaf het lief aan de mens

 

Ik zag verkleumden in moeizaam gestrompel

en verstukten gingen gebroken hun weg

en doden wilden doden begraven

tót daar de zon van de ziel verscheen

 

En de zon van de ziel lichtte op in de ogen

en de zon van de ziel genas alle pijn

en de zon van de ziel straalde op naar de hemel

en de zon van de ziel hief de armen naar God

 

Ja, in de zon van de ziel zal mijn leven zijn.

(Ine Verhoeven)

 

Ik weet niet hoe het verder ging

Betraande ogen, ontroerde gezichten bij de afscheids­dienst voor Angelique. Ontroering naast verslagenheid, tranen bij onmacht, angst in onrust. Jong en oud omarmt elkaar.

 

Angelique, lief elfjarig meisje, wordt van het ene mooie op het andere dodelijke moment door een automobilist-met-dichte-ogen letter­lijk het leven uitgereden.

Het politierapport stelt de tijd op 8.34 uur. Absurd uur. Absurde minuut. Vijf minuten eerder neemt Angelique met een hartelij­ke kus afscheid van haar moeder: dag mams, tot straks.

 

In de kerk heerst opstandig verdriet.

Iedereen krijgt op de vraag 'waarom' het zwijgende antwoord 'daarom'.

 

Ik besef mijn onmacht, probeer toch de hoop te behouden, de herinnering levend te houden. Ik probeer de Ondoorgrondelijke in dit ondoorgrondelijk drama een plaats te geven, Zijn rol in dit jonge afgesneden meisjesleven positief te verwoor­den:

 

'Angeli­que's leven en dood kunnen alleen begrepen worden in de liefde, vanuit de liefde. In liefde werd zij uit haar ouders gebo­ren, in liefde groeide zij op in het gezin, in liefde blijft zij bij ons horen. Liefde vergaat nimmer, omdat de God in Wie wij geloven alle liefde is. Bij God kan het liefdevolle gewoon nooit verloren gaan, en daarom ook Angelique niet.

Er is geen ander perspectief dan de liefde, als de enige in­vals­hoek voor voortbestaan. En dat wij van elkaar mogen hou­den, is zo uniek, dat dát beslist nooit voorbij kan gaan.

Zeker, de dood doet alles in het diepe zwarte water wegzinken, maar toch weet de liefde via het ont­snap­pingsluik van Gods genegenheid een veilige Levensoever te bereiken.

Ik luister nu naar de stem van onze Angelique en ik hoor haar. Ik ervaar haar. Ik weet haar in onze God.'

 

Na de crematie komt een klasgenootje naar me toe. Haar woorden zijn ontwapenend. In ongedwongenheid vertelt ze, niet wetend dat ze me ontroert: 'Ik vond het jammer dat de kerkdienst voor­bij was. Het was eigen­lijk heel mooi. Maar op het eind ervan begon ineens iedereen te huilen. Heel gek. Ik kon me toen niet meer inhou­den. Vannacht heb ik over haar ge­droomd. Ik droom­de dat ik door de stad liep en dat ik haar zag. Zo­maar, als iemand die langs me liep. Ik zei haar goeie­dag, maar zij zei niets terug. Ze kende me niet meer. Ik vond dat eigen­lijk ook wel eng. Ik weet niet, hoe het verder ging.'

 

Ik weet niet hoe het verder ging. Ik weet niet of de Ondoor­grondelijke mijn hoop op Zijn liefde heeft gerealiseerd. Ik weet niet hoe positief Hij Angelique uit dit drama heeft verlost. Ik weet niet of het liefdevolle niet verloren is gegaan. Ik vertrouw, maar ik weet niet hoe het verder ging.

(Frans Boddeke)

 

Kinderziel

Doodsangst

in mijn kinderziel

wijl ik van 't vaste land

in de afgrond val

 

Warme armen

houden mij omklemd

mijn bonzend hart

komt tot bedaren

 

Liefdevol strijkt God

door mijn verwarde haren.

(Ine Verhoeven)

 

Drie kruisen en nóg een                                        Het roze lampje van mijn telefoonbeantwoorder flikkert. Ik druk op de knop 'berichten' en hoor een vrouwenstem: 'Graag be­jaarden­oord De Avondster bellen. Mevrouw Lolo Overstroom vraagt naar u.'

 

Ik bel naar het huis met de glinsterende naam De Avondster. Hoopvolle ironie?

De recepti­onis­te is ver­baasd: 'Heeft mevrouw Overstroom ge­beld? Dat kan haast niet. Ze is bang voor de tele­foon!'

Ik ken Lolo Overstroom. Vier jaar geleden heb ik haar en haar man regelma­tig bezocht tijdens zijn ziekte, en hem na zijn dood be­gra­ven.

Ik herin­ner me hoe bar ongezellig het er bij de Overstroompjes uit­zag. En mevrouw Lolo zelf liep er met haar verzuurde mond ook niet bepaald bij als een gouden gave Gods. Haar man maakte veel goed: ­een vrien­delij­ke mens, die bezoek op prijs stel­de. Wel moest ik uit voorzorg steeds een extra uur inbouwen in de dag­agenda om vervolgens steevast ruim twee uur te luiste­ren naar vaagheden over van alles en nog wat.

 

Ik bezoek haar. Haar kamer oogt nog altijd schraal, als een verlengstuk van destijds­. Ze is nu tach­tig. Lopen kan ze alleen met behulp van een driepoot en ze ziet niet goed: 'Ik kan alleen nog lezen met een loep. Ik had een heel mooie loep. Maar mijn dochter heeft die ingepikt. Ze zei ijskoud: 'Jij hebt zo'n fijne loep niet no­dig.' Toen bracht ze dit kleintje mee. Een schande, dat is het.'

Ik kijk rond en zie dat er boven haar bed liefst drie grote kruisen hangen. Maar hoor aan, er is nog een ánder kruis:

'Mijn dochter heeft me bestolen. We hadden veertigduizend gulden in huis. Zij en haar man, die brutale rekel, ze hebben alles meege­nomen. 'Kom op, jij hebt geen geld nodig', zeiden ze keihard. Ze hebben al mijn geld gejat. Een schande, dat is het.'

'Veertigduizend gulden?', herhaal ik verbaasd. Ze verhoogt onmiddellijk het bedrag: 'Ja, als het geen vijftig- of zestig­duizend is!'

Ik weet niet goed wat ik met haar verhaal aan moet.

'Is er niemand met wie je dit goed kunt bepraten?'

'Ja, maar ik zeg niet met wie. We zijn geen verraders. We zijn geen leugenaars. We zijn geen bedriegers. We zijn geen ste­lers.'

Hoe ze het ook wendt of keert, merkwaardig is dat haar dochter iedere week blijkt te komen. Maar: 'Ja, we hebben dan altijd ruzie. En hij, die brutale rekel, komt gelukkig niet mee. Hij komt nooit mee. Hij was niet eens op de begrafenis van mijn man. Nee, hij komt nooit. Een schande, dat is het.'

Ik vraag of ze veel contacten binnen het huis heeft.

'Nee, ik kom nooit van mijn kamer. Nooit. En het eten is ook slecht. Nee, nooit. Zelfs de puzzel­boeken van mijn man hebben ze ver­scheurd. Nee, nooit. Een schande, dat is het.'

 

Bij de receptie vraag ik het telefoonnummer van de dochter. Als ik met haar spreek, vertelt ze: 'Ach ja, mijn moeder. Hoe komt ze toch aan die waan­idees? Haar bestelen? Ik zou me doodschamen. Ze is mijn moeder, al zegt ze steeds dat ze me nooit wilde. Ik weet wel dat ik haar niet na aan het hart lig. Maar ze is mijn moeder. Ondanks alles. Ach, zo is het toch.'

 

Arme moeder, arme dochter. Drie kruisen in huis en nóg een.

Dichtgeslagen hart. Vastgespijkerd gemoed. (Frans Boddeke) 

 

 

Lentenacht in maart

In de zwarte lentenacht

staat voor het hoge herenhuis

langs de lange vaart

de witte dodenwagen

 

En in de zwarte lentenacht

leggen witte heren

het levenloze lichaam

van de heer van 't herenhuis

neer in de witte wagen

en rijden langs de lange vaart

weg van het hoge herenhuis

 

Dag mijnheer!

 

Tussen bloesemtakken staat

langs de lange vaart

dat hele hoge herenhuis

statig overeind

met gevulde kamers vol

leegte en een erfgenaam

 

Gecondoleerd mevrouw!

(Ine Verhoeven)

 

Zalig de dieren

Een zomerse juli-avond in een gehucht aan een rivier. Een op één hand te tellen aantal huizen, een pittoresk kerkje, een schooltje en een restau­rant.

Vredig neergezeten op het terrasje van deze gezellige boerse eterij zien we vóór ons de rusteloze rivier langs kalme bomen stromen. In de verte merken we een mistige brug op.

Tussen het water en het terrasje ademt groene grond, graas­weide van twee koeien, drie ezels, zeven schapen en vier lammetjes. Hun vermaak lijkt te bestaan uit staan en liggen, uit eentonig eten en attent slapen. Iedere dag hetzelf­de ritme.

 

Op de vlonder wordt minder eentonig gegeten en gedronken. Een witte heer verorbert samen met een oranje dame een mals biefstukje. Een van de koeien sloft naderbij, beziet de biefstuk -tot voor kort 'n wezenlijk deel van een collega- draait zich waardig om en depo­neert een forse vla als dessert. Een uitgekookt protest tegen koejone­ren.

Het al of niet bewuste gedrag van mevrouw de koe roept bij mij de vragen op: Wat is de zin van het dierenbestaan, hoe zalig voelen deze niemanden zich, welke visie koestert het veebe­stand? Hoe staan de dieren over het algemeen in het leven?

En, wat wéten dieren? Zijn ze zich bewust van hun onvrij­heid? Wat voor weet hebben ze omtrent vandaag en morgen? Wat denken ze van de mens? Welke beschaving mag je een dier aanrekenen? Geen koe die een polshorloge draagt, geen lammetje dat koffie uit een kopje drinkt, geen schaap dat mes en vork hanteert, geen ezel die de land­kaart bestudeert. Geen dier dat ooit iets groots verrichtte, geen beest dat ooit rampen onder de mensen veroor­zaakte.

 

'Ben je gelukkig, wie ben je, ben je iemand?' vraag ik een der ezels die zich hunkerend over de draad buigt. Een weemoedige blik is het zwijgende antwoord.

 

Wat voor zin heeft het dierenbestaan? Ik weet het niet. Een antwoord als 'ze zijn een onmisbaar onderdeel in het geheel van de wereld' voldoet niet echt. Maar als de dieren er niet zouden zijn, zou het leven wel aanmerke­lijk verar­men. Misschien ligt er zin in de aanhankelijkheid. Dieren -zoals deze hier- ontroe­ren. Ze wekken emotie op. Een streling over hun kop, een handje­vol aangeboden gras, het toesteken van wat overge­bleven krokante frietjes, het doet hen zichtbaar goed. Een klappende staart en een onbe­stemde oogopslag geven de mens dan blijk van beests voldoening.

 

Wat voor zin heeft een dierenleven? Minstens deze: dat de mensen hen in leven houden, dat de mensen zich door hen laten ontroeren.

Niet zoveel praten, niet alsmaar redeneren, maar allereerst het gevoel en de emotie laten opbloeien. De zin van aller leven ligt immers in het hart. En de dieren? De dieren, ze zijn er. En ze zijn de moeite waard.

 

We lopen terug over de dijk. Het water van de rivier danst zich in golfjes vrolijk vooruit. De zwaluwen scheren laag. Muggen zoemen in zwermen. De flora is kleurrijk. De hemel is zwoel. Deze zomer­avond maakt dromerig.

Bij de auto kijken we nog even om. Op hun graasweide zien we de dieren.

De drie ezels staren langs ons heen. De twee koeien staan onbenullig met grote vochtige ogen. Hun blikken volgen ons. Meer niet. De vragen blij­ven. (Frans Boddeke)

 

Lage zwaluwen

Vleermuizen schielken hun

vlucht

laag door de lucht

in de zware zomeravond

vol zoete geuren

van de late kamperfoelie

de laven­del en de rozenboom

De bomen zwaaien traag

hun bla­deren

en de nacht­vlinders

vlie­gen uit

Bij de zware tros­sen

met de zw­arte be­ssen

vol­rood sappen­r­ijp

van de groene vlier

dansen in­sekten

hun dood tege­moet

en de sprin­khaan

en de kr­ekel

de tor en de luis

die­nen ter nut­ti­ging

en hun s­ter­ven

doet le­ven  

Ui­len wach­ten ge­laten

tot de dui­ster­nis valt

en zwerf­katten sla­pen

tot hon­ger hen wekt

in de don­kere nacht

Met groene ogen

en gele pupil­len

richt zich hun iris

in dun­ne streep

op prooi­en

En le­ven leeft ver­der

door dood, door dood

En alles ge­sc­hiedt

in de adem van

schij­nbare vrede

en stilte en rust

en schone schijn

 

En in sierlijke vlucht

vliegen de zwaluwen op

in de ochtend

en cirkelen onverhoeds

en laag boven de grond

Hun nesten zijn leeg

en hun jongen volgroeid

op jacht om te leven

of opgevreten

door de uil

door de kat

de buizerd

of de rat                          

(Ine Verhoeven)

 

Ouwe jongen, één, twee, drie!

De woonwijk in Noord biedt weinig aanknopings­punten met bordjes als Eerste Donk, Tweede Donk, Der­de, Vier­de, Vijf­de... Negende Donk.

Maar einde­lijk sta ik dan toch voor het opgege­ven adres. Ik zoek de vrouw van een plotse­ling overle­den parochiaan. Nou ja, plotse­ling? Als ik 's avonds een wande­lingetje maakte door West, zag ik hem nogal eens onzeker en onvast uit het café wankelen. Roofbouw op zijn lijf. Ook de buren hadden me verteld over 'die natnek van hier­naast'.

Maar stap­pen en jaje­men is er vanaf vandaag voor deze natnek niet meer bij.

 

Zijn vrouw doet open, zegt dat ze 'het' al weet en zet, al door­pra­tende, koffie: 'Ja, Charles en ik zijn, och God nog aan toe, we wáren! ge­trouwd, maar we leefden apart. Samen in één huis, dat ging echt niet. Van adres verande­ren was trouwens zijn hobby. 'Ik heb een nieuwe haven nodig', luidde het dan. Ik was niet thuis vanmor­gen. Mijn broer zag me lopen en riep uit de auto: '­Heb je het al ge­hoord? Charles is dood. Een buur­vrouw vond hem in de gang. Hij zag akelig blau­w.' ­

Ze pauzeert, steekt een sigaret op en zegt: 'Charles heeft altijd op de grote vaart geva­ren. Des­tijds woonde ik in Mexi­co. Daar leerde ik hem kennen. Ik dacht: 'Gô, wat een leuke man.' De zee was zijn lust en zijn leven. Maar bemannin­gen drinken gewoon te veel. Naïef als ik was, dacht ik: 'Dat drin­ken leer ik hem wel af.'

 

Charles is op dat moment zesenveertig jaar en zij vierendertig. Ze trouwen, hij meert af, vindt geen rust, krijgt bonje met zijn nieuwe baas en kan ook het roken en drinken niet laten.

 

'Een fles jenever per dag werd het en minstens twee pakjes sigaretten. Hij ging alleen wonen. Ik irriteerde hem. Ik zag hem hooguit in het week­end.'

Ze verdedigt hem: 'Als hij niet dronk, was hij een beste ke­rel, een goede kameraad. Ach, ik heb me vergist. Ik dacht dat ik hem kon veranderen. Maar een zeeman van tegen de vijf­tig, ­die kun je niet vastleggen op het droge. Dan raakt zo'n man helemáál aan de drank­. 'Bij gebrek aan zeewater', zei hij geheid als hij de fles pakte. Na een paar goeie slokken belandde hij steevast met dubbele tong en met lange uithalen in sentimenteel gebral:

'We'll meet again, don't know where, don't know when, but we'll meet again some sunny day'. Van die Vera Lynn, geloof ik. Hij mixte zijn smartlappen tot een potpourri, alleen de polonaise ontbrak. De woorden breide hij aan elkaar: 'Weep no more, my lady, oh weep no more today' van 'my old Kentucky home'. Hij was dan niet te stuiten, alle talen rammelde hij door elkaar: 'Auprès de ma blonde, qu'il fait bon dormir.' Een favoriet! Tenslotte, als hij de zoveelste neut ladderzat achteroversloeg, wist ik het allemaal wel weer. Ik dacht dan 'het is weer zo laat'. Voor hij op de bank in slaap viel, vertoefde hij nog even 'op de woelige baren, bij storm en bij wind'. Jaja, dan dacht hij 'steeds aan zijn blondje, dat vro­lij­ke kind'.

Had Charles op zee feilloos leren laveren, nu gaat hij lave­loos ten onder. En tegelijk zinkt de huwelijksboot. Met jenever naar de klippen.

 

Bij de afscheidsdienst wens ik dat de stuurvaste Stuurman hem veilig naar de hemelse wal loodst, en dat hij niet over­boord zal slaan in de graaiende golven van het totale niets. Witte rozen ('daar was hij altijd kapot van') deinen hem tijdens de dienst naar rust: van akelig blauw naar vrien­de­lijk wit. Een signatuur van le grand Seigneur!

Een oude maat klopt zijn laatste groet op de droge kist: 'God zegene de greep, ouwe jongen. Eén, twee, drie!'

(Frans Boddeke)

 

Ritme in leven

Hartenvreugde en zielenleed

gaan samen en raken elkaar

 

De man raakt de vrouw

en de vrouw raakt de man

en in gevoelen versmolten

varen zij samen op

naar leven en dood

steeds weer, steeds weer

naar leven en dood

ja steeds weer

en opnieuw

naar leven en dood

(Ine Verhoeven)

 

Rusteloos

Een man belt aan. Ik laat hem binnen. In de spreekkamer ploft hij neer op een stoel: 'Kan ik u spreken? Ik ga scheiden. Mag ik mijn jas uittrekken?'

Hij trekt meteen ook maar zijn trui uit, doet zijn polshorloge af en legt zijn sigaret­ten­pakje op de tafel.

Hij is vrij lang, vrij mager, en vrij sjofel in zijn T-shirt. Zijn gezicht is ingeval­len. Zijn linkerarm heeft een tic. Hij houdt haar stil door de leuning van de stoel vast te houden.

'Mag ik roken? Ik ben zesendertig. Ik heb vier jaar Havo gehad en hier en daar cursussen gevolgd. Ik zou graag piloot worden. Mijn vrouw is veertig. Geen kinde­ren. We zijn vijf jaar getrouwd. Door onze handicap voelden we ons tot elkaar aangetrokken. Zij heeft zenuwtoevallen en ik mijn arm.

Ik wil praten over mijn rothuwelijk. Ik ken u niet. Maar ik moet toch nog bij de Rijksarchieven zijn.

Mijn huwe­lijk. Ja, mijn vrouw is een lief vrouwtje. Maar ze is leeg, totaal leeg. Helemaal, helemaal. Ik heb een brede belang­stelling. Vooral vlieg­tech­niek, nou ja. Zij niet. Ze is autar­kisch. Ze leeft als een auto­maat. Altijd dezelfde dingen op dezelfde tijd.

Weet u iets van vrou­wen? Ik wel. Vrouwen willen altijd wat anders. Zij niet. Ze draagt nog steeds dezelfde jurken als toen. In vijf jaar maar twee nieuwe rokken gekocht.

Ze is een lege vrouw. ­Laatst waren we op Corsica. Ik vlieg graag. En wat gebeurt er? De eerste de beste dag doet ze haar bikini aan, pakt haar tas en zegt: 'Ik ga boodschap­pen doen.' Ik zeg: 'Ben je daarvoor op vakantie?' Mijn God, hoe is het moge­lijk. Ze is leeg. Al­tijd dat automatisme. Nooit eens uit. Altijd die tv aan. Ze kijkt niet links of rechts. Altijd dezelfde rechtvooruitblik. Immer gerade aus. Ze is te maniakaal.

Ik ga dus weg. Nou ja. Ik heb het haar verteld. Ze reageerde nauwelijks. Het doet haar niet veel. Ik zal haar een paar duizend gulden geven. Voor de rest moet ze maar zien. Het gaat niet meer. Met beide benen op de grond blij­ven. Reëel blijven. Ik heb een uur gehuild. Kamer op slot. Natte zakdoeken. En toen was het helder.'

Ik luister. Meer is ook niet nodig.

Hij vervolgt: 'Ik reis graag. Vooral met de trein. Heerlijk. Weet u hier geen kamer?'

'Nee, niet zo gauw.'

'Geeft niet. Maar ik móet weg. De Riagg doet niets. Ik heb ze daar vanoch­tend nog gesproken. Ook de huisarts ziet niets in haar. Als ze jeuk op haar hoofd heeft, zit ze al bij hem op de stoep. Nee, ik blijf niet. Trouwens, ik verhuis graag. Heerlijk. Verhuizen is mijn hobby. Tientallen keren ben ik verhuisd. Nu duik ik Brabant eens in. Maar trouwen doe ik niet meer. Ik zeg niet nooit. Ik ben geen homo. Op het gebied van de seks is het ook niks. Altijd weert ze maar af. Met haar hand­jes vooruit. Ik wil ook geen kinde­ren. Deze geia is te gek. Hoe zou dat ook moeten, een kind en dan die zenuwtoeval­len. Nou ja, ik ga niet naar de hoeren. Voor drie minuten honderd gulden neertel­len, nee. Ik ben bezig met een boek. Vellen vol. Nu ga ik. Ik weet precies wat we eten. Altijd het­zelf­de. Aardappels en groenten uit blik. Geen vlees. Eerst jarenlang iedere avond karbona­adjes. Toen ik er iets van zei, kreeg ik helemaal geen vlees meer. En altijd een plastic toetje. Zou u met mijn vrouw willen praten? Het heeft geen zin trouwens. Ze draait de feiten toch maar om. Bedankt.'

Ik kijk hem na. Zelfs in zijn lopen ligt rusteloosheid. Een zichzelf opjagende man. Korte, felle, stotende zinnen. Van de hak op de tak.

Vallend vliegtuig, mislukte piloot. Zelfs zijn arm is vol onrust. Arme vrouw. (Frans Boddeke)

 

Ongeheeld

Weggaan en keren weerom

om steeds te proberen

om steeds weer te leren

dat er een jij leeft in jou

dat er een jij leeft in mij

 

Weggaan en keren weerom

om steeds te proberen

om steeds weer te leren

dat er een ziel leeft in jou

dat er een ziel leeft in mij

 

Weggaan en keren weerom

door engten en ruimten

door donker en licht met

grijpende hand en hunkerend

hart naar trouw; voorgoed jou

 

Weggaan en keren weerom

aaneengesmede band verbroken

van God en alleman verstoken

eenzame man en eenzame vrouw

weg ziel en weg lief jou

(Ine Verhoeven)

 

Uitgewandeld

We staan gedrieën afwachtend aan de rand van zijn bed: de wijkverzorgster, de vrouw van het café waar Jan meer thuis was dan in zijn romme­lig flatje en ik, de priester van zijn parochie.

Terwijl hij ligt zoals hij ligt, verzucht zijn waardin: 'Al z'n geld heeft ie verzopen. Hij was niet te stop­pen. Méér drinken was onmogelijk.'

 

Ja, Jan was altijd dronken. Wie hem zag, zag een wankelend vat. Hij zigzagde voorbij, plaste naar gewoonte tegen de muur van de school en probeerde moeizaam misstappend zijn flat binnen te komen.

 

Ik ken Jan. Ik heb zijn vader destijds begraven. Toen kon Jan de tocht naar het crematorium al niet opbrengen. Door de drank was hij contac­tarm geworden en agres­sief. Zijn fami­lie hing hem ellenlang de keel uit: 'Mee hun hek ginnen ene moer te make. Hullie komme hier nie binne. Ok nie as 'k kapot ben.' Het is de langste dialoog die ik hem ooit heb horen ophikken.

 

Toch is zijn broer de eerste, die na Jans dood zijn woning bin­nen­komt. 'Daar is niets aan te doen', zegt de notaris als we die raad­plegen.

 

In huis is het een bende. Onder de tafel ligt een smak bier­flesjes. De kastladen zitten volgepropt met seks­blaadjes.

Er slingeren overal ongeopende giro-enve­lop­pen rond. De wijkverzorgster

vertelt dat ze Jan een paar dagen geleden ge­vraagd heeft wat ze voor hem kan doen: 'Zal ik je eens lekker verschonen?'

'Gif me wè stèrruks.' Einde Jan.

We zwijgen. Trouw aan de drank. Trouw aan het gedistil­leerd. Trouw Tot.

 

De drank, zijn waarachtige liefste en enige metgezel, had hem als mens opge­lost. Zij van het café: 'Ik zei zo vaak: Jan toch, drink godver­domme niet zo veel. Eét tenminste wat. Verleden week nog heb ik mijn dochter met een pannetje eten naar hem toege­stuurd. Hij knalde de deur voor haar neus dicht.'

 

Hij dronk, omdat hij eenzaam was, en omdat hij dronk, werd hij steeds eenzamer. En toen hij eens wilde ophouden met drinken, ging het niet. De drank was hem tot drijf­zand geworden, waarin hij steeds verder en dieper wegzonk.

 

Achter zijn bed zie ik aan de muur de medailles en op de kast de be­kers die hij ooit met wandelen binnenhaalde. Hij heeft de Kennedy­mars van 80 kilometer gelopen, de tocht Maastricht-Luik van 150 kilometer, en min­stens viermaal volbracht hij de Nijmeegse Vierdaagse. Ja, wandelen was ooit zijn lust en zijn leven. 

 

Nu is Jan dan onderweg naar het paradijs. Wij, gedrieën af­wach­tend aan de rand van zijn bed, kijken toe. Geen applaus. De waardin neemt een slokje water. Een ongekende hande­ling in dit huis. Frans Boddeke)

 

Dans mee

Trek mee, zoete bode, en zeg je woord

ach, zeg me je woord en leer me verstaan

hoe slang en drommel en angst te weren

Trek mee, zoete bode, pluk met mij vrucht

van de Wijnstok die bloeit op Jeruzalem

 

Ga mee, zoete bode, en wijs de weg

ach, wijs me de weg, want ik ben onwetend

en kan niet herkennen waarheen ik moet gaan

Ik ben verlegen, en toch wil ik vragen

waar over de wereld mijn huis zal staan

 

Dans mee, zoete bode, en zing je lied

ach, dans met me mee op mijn verre reis

langs straten en pleinen van dorp en stad

Dans mee, zoete bode, dans me naar huis

naar mijn woning naast de Wijnrank van God

Naar Marcus 16,15-20 (Ine Verhoeven)

 

Wat voert God toch uit?

De onbekende belt aan en valt dynamisch met de deur in huis: 'Mag ik u wat vra­gen? Wat voert God de hele dag uit?'

Een overrompelend begin.

'Ik ben Gods perschef niet', antwoord ik. 'Ik heb geen toegang tot Gods privédomein.'

Hij heeft scherpe ogen. Een goede veertiger. Slordig uiter­lijk. Geen ring. Geen stropdas. Geen scheerap­pa­raatge­bruiker.

Wel clever genoeg, want: 'Wat voert God de hele dag uit? Wat doet Hij toch de godganselijke tijd? Wilt ú dat niet weten? Er is zo weinig systeem te ontdekken in Zijn doen en laten. Kijk, waarom mag mijn oma negentig worden en waarom moest mijn nichtje op tienjarige leeftijd dodelijk veronge­lukken? Waarom krijgt mijn broer van nog geen vijfendertig een hartin­farct en waarom gaf God die Hitler niet? Als Hij Hitler een beroerte had bezorgd, had Hij de wereld nogal wat leed be­spaard, dunkt me. Nee, de goeden gaat het lang niet altijd zo prima en de slech­ten maken het meestal doorgaans opperbest.' 

Ik zucht. Ongevraagd moet ik een reeks vragen beantwoor­den, terwijl ik mijn lessen maatschap­pijleer nog moet voorbe­reiden. Maar hij gaat door: 'U kunt nu natuurlijk wel stel­len dat God alles goed maakt met de beloofde hemel, maar is dat niet letterlijk een slag in de lucht? Prima hoor, dat alles later voor mekaar komt, maar waarom kan dat nú niet? Als God het kwade kan voorkomen, waarom doet Hij dat niet op dít moment? Welke vader overrom­pelt zijn kinderen met zulke abjec­te beproevingen? Als Hij dan al almachtig is, waarom trapt Hij dan niet alle slechte lei­ders ogenblikkelijk de wereld uit?'

Hij haalt uit zijn tas een groezelig stenciltje met een tekst van Frans Kellendonk: 'Ik had niet veel op met Jezus Christus, een man in een soepjurk, die zich een doornen­kroon op het hoofd had laten drukken, die, als hij in moei­lijkheden zat, dreigde zijn vader erbij te halen. Zijn vader was een toornige ijdeltuit, die nooit genoeg geloofd en gepre­zen kon worden. Van dat stel had ik altijd een gezonde afkeer gehad.' Wat vindt u ervan? Niet zo slecht, dunkt me toch.'

Ik probeer een antwoord te formuleren:

'Ook voor mij geldt dat Gods almacht en Gods liefde niet samengaan. Almacht en liefde zijn geen gelijkwaardige grootheden. Gods almacht moet geïnter­pre­teerd worden vanuit Gods liefde. De liefde heeft prior­iteit.

Maar goed, dat zijn theo­retische gedachten. Het gaat in het leven primair om het dóén. Ik las 'ns over een man die een kruisbeeld met een corpus zonder handen en voeten zag en toen zei: 'God, voort­aan zal ík jouw handen en voeten zijn. Ik zal jouw liefde versterken. Samen redden we het wel.' Kijk, teveel mensen zien God helaas nog altijd buiten zich­zelf. Maar God is binnen onszelf. Het leven vraagt niet om macht, om opeisende macht, maar om lief­de, om geven­de liefde. Heeft Jezus niet gezegd dat het meest belangrij­ke in het leven de liefde is? Niet de macht, het aanzien, de gezondheid, maar de dage­lijkse liefde.'

Hij kijkt me doordringend aan. 'Geen gek antwoord. Maar ik houd u niet langer op. Mag ik eens terugkomen?'

 

Even onbekend en dynamisch als hij kwam, is hij weer weg.

(Frans Boddeke)

                                 

God slaapt in mij

Wakkeren, wakkeren

dag en nacht door

de vlam moet branden

het vuur mag niet doven

wakker waken

en wakkeren voort

doorheen

de vlucht van de tijd

 

En God slaapt in mij

terwijl ik mij haast

van oord naar oord

van land naar land

en over alle grenzen

bewegen mijn ziel en

mijn voeten mij voort

En God slaapt in mij

 

Haastigen, haastigen

dag en nacht door

denken gedachten

bewegen de handen

bezig blijven

en doen altijd voort

doorheen

de zucht van de tijd

 

En God slaapt in mij

terwijl ik me verbaas

over leven en dood

en over bestaan van

handen en voeten

van botten en beendren

van ogen in wakker

Maar God slaapt in mij

(Ine Verhoeven)

 

Mijn bloed staat dan even stil

Hij woont links beneden in de flat. De buitenbel is ge­sloopt. Ik klop op de deur. 'Wie daar', klinkt het toonloos. Ik noem mijn naam. Stilte. Dan gaat de deur open.

 

Voor me staat een lange, gebogen man. Grijs, onver­zorgd, ooit geschoren. Het ene oog kijkt anders dan het ande­re. Zijn vingers zijn nicotinebruin. Hij gaat aan tafel bij het raam zitten en zegt: 'Ik ben niet in orde. Tien jaar geleden was ik ook al ziek. Ik zette het bordje van de SOS voor het raam. Maar niemand lette erop. Met de grootste moeite heb ik toen de buur­vrouw kunnen berei­ken. Ze heeft de dokter geroepen, die van haar. En wat deed die vreem­de vogel? Niets. Niet eens zijn koffertje open. 'Ik ruik het al, kolendamp', zei hij. Ik had toen vogels in de andere kamer. 'Die hebben het beter dan jij', zei die pief ook nog. Ik had toen merels.

Ik kom nu al drie jaar lang niet buiten. Ik kan niet meer tegen de winkels. Ik wachtte altijd al tot ieder­een weg was.

Ik maakte een keer op straat een praatje met de autobe­waar­ders. Ineens kon ik niet meer. En toen was het over. Toen ben ik naar huis ge­gaan. Voor bood­schappen bel ik De Spar. En af en toe komt de bakker langs. Ik sta nooit voor twaal­ven op.'

Ik kijk rond. Versleten bankstel. Verschoten behang.

'Ja, er hebben hier Spanjaarden gewoond. Ze hadden daar een knots van een kast staan. Nu kan ík dat gore stuk behangen.'

Ik luister en bekijk de tafel. Puinhoop. Een vies broodplankje met etens­resten. Een vies kopje. Een vies glas. Twee naast elkaar liggende vieze messen. Vier viezige ballpoi­nts. Twee heel vieze asbak­ken. Twee pakjes shag op elkaar. Drie pakjes siga­ret­ten op elkaar. Honderd bank­strook­jes op elkaar. Honderd openge­maakte giro-enveloppen op elkaar.

'Ik heb door heel Europa gezworven. In 1937. Ik was toen net werkloos. Het was toen overal slecht.'

'Ja, het was de grote crisistijd.'

'Nou, dat interesseert me niet. Ver van mijn bed.'

Achter de smoezelige bank tel ik vijf lege cognacflessen. De zesde is nog half vol.

'Ik ben de laatste tijd niet in orde. Ik krijg schokken. Mijn bloed staat dan even stil.'

Ineens fel: 'Naar de kerk ga ik ook niet. Teveel volk. Ik volg de mis op de televisie. Op Nederland, dan op België, en daar­na op Duitsland.' Na elkaar dus. Een merkwaardig patroon. Ik zie de tv, met een radio er bovenop.

 

Ik bied hem mijn hulp aan. Hij zwijgt. Hij geeft me een hand. Als ik wegga, kom ik langs de keu­ken. Ik zie alles op en door elkaar op een berstensvolle aanrecht. 

 

Even later zit ik thuis aan mijn bureau. Tweehonderd meter verderop weet ik een oude man aan tafel. Hij rookt zijn shag­je, drinkt zijn borrel. Het enige waar deze eenling op teert.

 

En 'mijn bloed staat dan even stil' bij zoveel eenzame armoe­de.

(Frans Boddeke)

 

Maar mijn raaf niet

Boven de rode dakpannen

binnen het glazen decor

van mijn ongewassen raam

hangt de grijze grond van

de waterwolken en wacht

 

Zullen de vogels verdwijnen

en schuilplaatsen zoeken

om daar te wonen als de

massa breekt en huilt en

woeden gaat vanuit díe grond?

 

De naakte boom voor mijn

groezelig venster trotseert

de grauwe dreiging en blijft

vastgeklonken aan zijn eigen

wortels staan en steunt de raaf

 

met zijn brede takken die de

grijpgrage klauwen laten vatten

en de pikkende snavel laten begaan

in de sappige vlezen onder hun

huid met de donkerbruine schil

 

Boven de rode dakpannen

gaan de wolken huilen en

ze lachen en zingen en alle

vogels vliegen op en weg van

het decor maar mijn raaf niet

(Ine Verhoeven)

 

De hel naar fabeltjesland

Vlak bij de Bossche binnenstad liggen veel tapperijen. Een van deze dartele gelegenheden bevalt mij uitstekend: 't Veulen.

't Veulen is klein maar levendig met z'n houten planken, krakende stoelen, wankele tafel­tjes. Om het laatste niet getreurd: men legge een bierviltje onder de meest zwabbe­rende poot van het veulentafeltje en het getapte bier blijft bewe­gingloos schuimen in het glas. Dit is het aantrekkelijke van het etablissement: het primitieve aanzicht, het zware veloursgordijn, het donker­bruine pla­fond, de licht­zwarte tapkast, de ruwe plankenvloer, de heuse grammofoonpla­tenmelo­dieën, en dan ook nog de gevatte uitbater.

 

Het heeft dagenlang ijzig gevroren. Gelukkig treedt vandaag een lichte dooi in. Dus spoed ik mij naar 't Veulen. Ik word verwelkomd met een aangereikte delftsblauwe aarden pot vol doppinda's. Het heerlijke is dat ik de pellen niet in de asbak hoef te deponeren. Ik word zelfs -haast smekend- verzocht ze op de grond te gooien. Een prettig nonchalante bezigheid. 

De huisfilosoof van het café is ook aanwezig. Hij hangt voorover op een barkruk en is in het zwart gehuld. Een devote pet boven zijn weelderi­ge baard voltooit zijn markante kop én het beeld van een dorstige geest op zoek naar hoger Nat. Hij staart door zijn half brilletje in de zes lege biergla­zen voor zich en wijsgeert hardop: 'Als ongeborene kwam ik tot leven in het vrucht­wa­ter, als volwassene dobber ik in het gérste­vruchtwa­ter. En zo heeft alles zijn beko­ring.' Hij heeft een bourgon­dische uitstra­ling en is in de regel op de maandagavond in topvorm. Hij houdt dan thema-avond. Graag conver­seert hij met een dichte­res die hem met haar eigenzinnige denkbeelden goed partij geeft. Ze twisten, en beredeneren geloof, hoop en liefde. Mijn bourgond­iër wankelt zowel door het bier als door het geloof, maar haar gedichten stutten hem. Proost!

 

Ik lees in de krant dat de anglicaanse kerk de hel niet meer ziet zitten. Ze heeft als nieuw uitgangspunt geformu­leerd dat 'de traditi­onele gedachten over de hel tot doel hadden de gelovigen te terrori­seren. Het was de tijd van de theologie van de ver­schrikking. De hel is geen eeuwige kwelling, maar een zich afkeren van God.' Het bericht komt uiter­aard veel te laat voor de beminde goedgelovigen, het kerkgebouw ís al leeg, maar men preke ook voor kerkmuizen en ander ratjesgedoe.

 

Kijk aan, daar komt de dichteres binnengewaaid. Voor ze in debat gaat met haar (b)aardige huisfilosoof, komt ze even bij me zitten. We drinken een glas rode wijn. Pindadop­pen knisperen onder onze voeten. We nemen ook nog een portie zwetende oude gouden kaas in lichtbruine mosterd met groene en zwarte olijven in knof­lookdressing tot ons.

Ik toon haar het krantenbericht over de hel en vraag naar haar mening. Ze stelt gedecideerd: 'Goeie hemel, men komt wel láát op de gedachte om het hel­levuur af te schaffen. Veel mensen verwezen de hel allang geleden naar fabeltjesland.' Ze leest ook de orakelklets van de aartsconserva­tie­ve prêtre Antoine Bodar. Deze narcissus vindt zichzelve ene 'roepende in de woes­tijn'. Ze schatert om een archaïsch citaat uit Diens Roomschen Kansel­rede: 'Gij weet of ik bewogen word door ijdelheid!'

'Wat een hyperverwaand sujet toch', zegt ze.

 

De deur gaat open. 'Het vriest alweer', zegt een bezoeker voeten­stampend. Vrieskoud, denk ik. Tja, ook de kerk ontdooit niet zo snel en ze krijgt nu de rekening van haar star dogmatisme gepre­senteerd. Lege kerk, lege hel.

Ik vraag om de ongezouten nota. Deze is slechts licht gepeperd.

(Frans Boddeke)

 

Helse schimmen in verleden

Zij gaan weer hun ommegang

en een voor een kijken zij

mij aan terwijl ik te wachten

wil staan

Ik wacht daar op Jou

en zie de wezens gaan

die biddend door de straten

schrijden

en satan loopt vooraan

Zij grijnzen en grimmen

en sarren mijn ziele

en Jij komt maar niet, niet

Ze grijpen me vast

en klampen me aan

en kijken met ogen nog holler

en groter dan zwarte kolen

klaar voor de stook

in de zwarte kachel

vol helse rook

van turven en gesmolten pek

voor zielenvlek, zielenvlek

Ik zie ze gaan en herken

en erken wie ze waren, wie ze zijn

het zijn de wezens van

levend leven in mij

de wezens van banden van bloed

de wezens van lief in krijsende haat

die niet leeft in mij, niet in mij

en wie mij verlaat, verlaat ik niet

en toch ben ik vrij, ik ben vrij

En jij, gedrocht met kolenogen

bedrieg mij niet langer

Ik weet je, ik ken je, Beëlzebub

Je bent het einde van alle wrede pijn

omdat ik niet langer te raken ben

 

Ik zie je gaan, stoet rouwende doden

In treur om jezelve en om je verraad

zie ik hoe je gaat, dansend en schrijdend

niet aan mij lijdend maar aan jou, stoet grauw

Ik sta en wacht niet langer

ik word echt niet banger van

jouw grijpende vingren, wit van dood

Ik ben en zal zijn en schenk jullie gratie

De pret is voorbij

Die ommegang in stoet voert

terug in de graven

Sidder na van boosaardig gelach

maar niet meer om mij

Ik ben vrij

(Ine Verhoeven)

 

Ze zijn een teken

Ik word uitgenodigd om samen met een twaalftal verstandelijk gehandicapten, variërend in leef­tijd van twintig tot veertig jaar, koffie te komen drin­ken in hun unit.

 

Vóór de koffie wordt eucharistie gevierd. In de kapel zitten de pupillen en hun begeleiders. Ofschoon er voort­durend gekletst wordt, is de sfeer goed.

De viering begint. Twee misdienaresjes in witte habijten assis­teren vanuit hun rol­stoel. Het zijn perfecte actrices. Ze hebben blijvend oog- en mond­con­tact met de andere gelovi­gen. Ook het Woord wordt met veel gebaren en uit­beeldingen verlevendigd. Bij de bidkaars worden de voorbeden uitgespro­ken. Het onbe­holpen voorlezen van de tekst wordt tot dubbelgebed. Bij iedere inten­tie steekt een pupil een kaars aan. Elke kaars heeft een teke­ning zodat de nietlezers het gebedje óók kunnen volgen. De jarigen van de komen­de week worden onder enthousi­ast handgeklap en voetgestamp met name genoemd. Als slot van de voorbe­den wordt feestelijk 'lang zullen ze le­ven' gezongen. Een van de pupil­len klimt bovenop de bank met een ­stokje in haar hand. Ze lacht breed en diri­geert -bijna benij­denswaar­dig- spont­aan.

Het Onze Vader wordt hand in hand gebeden. Daarna komt iedereen naar voren om het gehei­ligde Brood aan te nemen. Blije gezichten, lachende ogen, gelukkige kinderen Gods.

Het is een vie­ring voor gehandi­cap­ten, maar geen gehandi­capte viering.

 

Na deze gelukkige dienst loop ik met de twaalf pupillen naar hun woon­gele­genheid: een grote leefkamer en een zes­tal slaapkamertjes. 

We drinken koffie. De pupillen gaan op in hun bezig­heden. De een speelt met een wollen poes­je en stre­elt onophoudelijk het zachte kopje. De ander bekijkt einde­loos een touwtje. Weer een ander maakt met de veters van zijn uitge­trok­ken schoe­nen een draai­mo­lentje. Ergens daartussenin wordt iemand duidelijk kwaad. Hij vliegt in­eens op en slaat wild om zich heen. De twee leid­sters pakken hem op en slepen het dwarsliggertje be­kwaam de leef­kamer uit. Hij wordt naar zijn ka­mertje gebracht. Niemand van de andere pupil­len maakt zich er druk over. Ze gaan gewoon door met waar ze mee bezig zijn.

Wellicht heeft mijn bezoek de opstandige pupil uit zijn gewone doen gebracht. Na een half uurtje komt hij te­rug. Hij speelt weer mee. De groep heeft geen problemen. 'Je hoort erbij' is het thema van de vie­ring en de pupillen brengen deze kern ongedwongen in praktijk.

 

Het gemiddeld niveau ligt niet veel hoger dan dat van een vierjarige. Het is triest om te zien: mensen van veer­tig en zo kinder­lijk. Maar ze zijn er. Ongerepte zieltjes. Zomaar onder de mensen, in een strebe­rige wereld naar geld en car­rière. Mensjes met zorgeloos vertrouwen -gewoon- op wat is. Meer niet.

 

Niemanden? Ze horen erbij. Als iemand. Als ik.

(Frans Boddeke)

 

Adonaï, doe mij jou dragen

Adonaï, doe mij jou doen

Druk jouw gezicht in mijn gezicht

vlecht je armen in mijn armen

strengel je vingren in mijn vingren

beweeg jouw voeten in mijn voeten

 

glans jouw ogen in mijn ogen

klop je harte in mijn harte

plant je leven in mijn leven

groei jouw wezen in mijn wezen

 

ga voort in mij en doe mij gaan

geef geest aan mij en doe mij geven

spreek in mij en doe mij spreken

lief in mij en doe mij lieven

 

Ik ben die ben doe jij mij zijn

ik mens geboren doe mij jou dragen

Ik ben die ben doe jij mij staan

ik mens geboren doe mij jou doen

 

Adonaï, doe mij jou dragen

Adonaï, doe mij jou doen

(Ine Verhoeven)

 

Niksnakkers

Op vrijdagavond, zaterdag en zondag is het welzijnswerk gesloten. Daarom neemt armoetroef uitgerekend dan zijn toevlucht tot de pasto­rie, die in beginsel dag en nacht bereikbaar is. Men doet gehaaid een dringend appèl op de pastor; híj dient zich rijkelijk en royaal als christen op te stellen.

 

Het zijn stuk voor stuk droevig opgediste spreekkamerverhalen:

Moeder de vrouw is óf ernstig ziek óf ze loopt op alle dagen.

Hij komt net uit de gevangenis -'ik zeg dat maar heel eerlijk'- óf op het perron heeft hij tot zijn bitterheid moeten ervaren dat al zijn zuur gespaarde geld gestolen is. Maar de pastor hoeft niet bang te zijn: 'natuur­lijk wordt al het geleende geld terugbetaald, u mag als onderpand mijn paspoort hou­den.'

De laatste tijd wordt nogal eens het politiek vluchte­lingschap ingezet. Ach, redenen om geld te kunnen vangen worden nog steeds bedacht, smoe­zen worden nog altijd verzon­nen.

 

Ik liep eens door de tunnel. Een man greep me vast. Hij eiste geld. In een reflex rukte ik me los. Een week later zit die snoeshaan bij me in de spreekkamer. Hij zegt dat hij naar zijn moeder in Haarlem wil. Mijnheer heeft geen geld voor de trein. Hij herkent mij niet. Toch voelt hij ergens nattigheid. Ineens staat hij op en verdwijnt, vlie­gensvlug.

 

Een keurig net, gezet heerschap komt langs. Hij zegt: 'Ik heb in hoge mate kanker. Ja, u kunt het niet aan mij zien. Maandag word ik opgeno­men. Mijn laatste weken gaan in. Ik wil nog één keer goed eten. Maar ik heb geen ene sou.' Ik antwoord dat ik geen geld geef. Hij vloekt me stijf: 'Krijg de kanker, rot vent.' Buiten hoor ik hem nóg schelden. Ik kijk hem na. Bijzonder veerkrachtig loopt hij richting stad.

 

Men kan zich als pastor ook vergissen.

 

Zo belt een man op tijdens Studio Sport. Dat tijdstip scoort hoog bij de niksnakkers. Pastores zijn dan doorgaans tóch thuis om sport te kijken.

De man: 'Ik heb het moei­lijk. Ik ben van huis weggelo­pen. Het is mijn schuld. Mijn vrouw kan er niets aan doen. Mag ik nú langs komen?'

Hij komt, en ik denk dat ik hem al eens eerder in de spreekkamer zag. Een inschat­tings­fout. Daarnaast ga ik er bij voorbaat van uit dat het woord schuld ook hier wel 'geen geld' zal betekenen. Maar daar gaat het niet om, helemaal niet. Het gaat om zijn huwelijk. Het staat op springen.­

Het wordt een lang gesprek. Als hij weggaat, bied ik hem excuus aan, ik ben in het begin zo terughou­dend geweest.

 

Even daarna wordt er opnieuw gebeld. Een man vraagt vijf gul­den. Ik wacht af welke smoes ik zal horen. Hij zegt echter: 'Ik heb gewoon zin in een bor­rel.'

Och, dat is nu eens eer­lijk. Ik geef hem vijf gulden. Ik kijk hem na. Hij loopt het café voorbíj!!

 

Ik lees ter vertroosting in de keuken nog eens de kalenderspreuk, die me uitgerekend vandaag voor­houdt:

'Aalmoezen zijn stukjes pasmunt, die rijken wegschenken van het deel dat ze de armen onthouden hebben.'

Een schrále troost. Frans Boddeke)

 

Kom laat me je raken naar God onze God

Kom, laat me je raken

als balsem op wonden

kom, laat me je zalven

waar je ziel werd gegriefd

 

Weet dat mijn stem zonder leugen zal klinken

weet dat mijn woord in de waarheid zal staan

weet dat mijn hand naar genezing zal strelen

weet dat mijn voet in het heilspoor zal gaan

 

Kom, zie met je ogen

en wil naar mij kijken

kom, geef me je zeren

en je lijdende lijf

 

Weet dat ik jou als mijn herteke beschut

weet dat ik jou als mijn lammeke draag

weet ik jou tot adelaar zal scheppen

weet dat ik jou naar de horizon daag

 

Kom, laat me je raken naar God onze God

Naar Lucas 5,12-16

(Ine Verhoeven

 

God helpt haar

Ze is een lieve echtgenote en een schat van een moeder. Wanneer haar man gestor­ven is, na een roofzuchtige ziekte, toont ze zich ook als een dappere, zelf­stan­dige en sociaalgevoelige vrouw.

Haar inspiratie put ze uit haar geloof in God en uit haar liefde voor haar kinderen.

 

Ineens pakt een dodelijke ziekte ook haar ongenadig aan. In recordtijd wordt haar lichame­lijke vrijheid gebarricadeerd. Maar als mens en vrouw blijft ze overeind. Ze gaat dapper het gevecht met de tijd en de strijd om haar leven aan. Tenslotte neemt ze in vrede afscheid: 'God helpt me.' Haar adem is op.

 

Vaak heeft ze tijdens haar ziekbed haar teleurstelling geuit, teleurstel­ling omdat geen van de kinderen nog naar de kerk gaat. Met pijn heeft ze geïncas­seerd dat geen enkel kleinkind gedoopt is. Ze zegt dat haar kinderen goed en meelevend zijn, en behulp­zaam en vriende­lijk. Maar ze kan niet bevatten hoe het toch heeft kunnen gebeuren dat haar zoons en doch­ters, allemaal, zomaar God hebben losgelaten.

 

Haar kinderen dragen gezamenlijk met zorg haar lichaam de over­volle kerk binnen.

Een van haar zoons gedenkt in het in memoriam:

'Moeder zei vaak 'zonder mij gaat het leven ook wel verder' en dat is zo.

Maar toch, het zal voor ons, voor mij, nooit meer zijn zoals vroeger.'

 

Een dochter spreekt haar kort maar gevoelig toe in de voorbede:

'Mama, dank je wel. Jij was iedere dag onze mama, en jij was iedere dag onze oma.'

 

Het valt op. Niet in het in memoriam, niet bij de voorbede en ook niet op het gedachtenisprentje wordt God genoemd. Elke gelovige duiding ontbreekt.

 

Door alle levenscrises heen is zij haar verbond met God trouw gebleven.

Door alle levenscrises heen is zij haar verbond met man en kinderen trouw gebleven.

 

Tijdens de absoute lees ik van harte voor haar dít citaat uit psalm 116:

Mijn ziel, wees niet meer onrustig,

de Heer draagt zorg voor u.

De Heer ontrukte mijn ziel aan de dood,

Hij droogde mijn tranen en steunde mijn voet.

Ik mag weer leven onder Gods oog

in het land van de levenden.

 

Ik ben ervan overtuigd: God helpt haar. (Frans Boddeke)

 

Adonaï, Hij zij geloofd!

Ik zal jou mijn woorden geven

en mijn daden: neem ze op

Ik zal jou tot voedsel zijn

en in jouw leven levend zijn

Ik zal jou tot drager zijn

over de grenzen van de dood

 

Adonaï, Hij zij geloofd!

 

Eet mijn woorden, drink mijn daden

Eet mijn lichaam, drink mijn bloed

 

Adonaï, Hij zij geloofd!

 

Ik zal jou mijn waarheid geven

en mijn harte: neem ze op

Ik zal jou tot liefde zijn

en in jouw liefde lievend zijn

Ik zal jouw behoeder zijn

voorbij de grenzen van de dood

 

Adonaï, Hij zij geloofd!

 

Eet mijn waarheid, drink mijn liefde

Eet mijn lichaam, drink mijn bloed

 

Adonaï, Hij zij geloofd!

 

Naar Johannes 6,48-59

(Ine Verhoeven)

 

Al tien jaar 'n boerenkool

Ik ontmoet de rector in een Limburgs klooster tijdens de middagmaaltijd. Hij blijkt goedlachs en met zijn drieënzeventig jaar kan hij nog aardig mee. Met zijn gebene­dijde omvang en zijn flit­sende ogen in het fletse gelaat heeft hij iets weg van een overjarige play­boy. Hij is volop in de running als religieus beheerder van -zoals hij zich noncha­lant verkoopt- een paar dozijn nonnen. Die dozijnsneer van hem doet me denken aan gerookte oesters, in van die smalle blikjes gepropt. Vrolijk waarschuwt hij: 'Het zijn heel aardige vrouw­tjes, hoor, maar houd ze in de gaten!'

 

Bij nader gehoor blijkt hij behoorlijk dovig. Hij luistert dan ook nauwe­lijks. 'De zusters koken te lekker', zo verdedigt hij zijn clericale buik. 'Ik zeg dat altijd weer opnieuw. Dan lachen ze maar wat, de schatten. Heel bekoor­lijk. Ze zetten hun moederlijke gevoelens om in al te smake­lijke hapjes, baksels en kooksels. Ze willen mij als man-alleen maar wát graag vertroe­telen. En elk nonnetje denkt dat ik er speciaal voor haar alleen ben. Hahaha!'

 

Omdat ik een weeklang meditatieve lezingen over Etty Hillesum houd bij de zusters, neemt hij nu vakantie. Maar er is altijd wel wat: 'Vannacht is een zuster gestor­ven. Nu, dat is redelijk. Ze is wel op het verkeerde tijdstip gaan hemelen, hoor. Maar ja, neem dát haar maar eens kwalijk. Ze was al tien jaar lang 'n boeren­kool.'

Een verrassende beeldspraak. Ik kijk er extra van op. Hij smijt een lepel of drie mayonaise op de frisse veldslablaadjes en gaat verder: 'Ja, ze had goede verdiensten. Een leven lang zich ingezet voor achterlijke kinderen. Alla, op den duur werd ze zelf volko­men achter­lijk. Al tien jaar lang 'n boerenkool. Onbespo­ten de­ment. Niks aan te doen.

Vanmiddag wipte ik even de dodenkamer binnen. Om haar pols een bandje met 8-9-10. Hola, zeker weer een nieuwe trend, dacht ik. Maar het bleek te staan voor 8 september 1910. Grapje rond de dood. Misschien te gebruiken voor de preek bij de uitvaart: een 8 voor haar geboorte, een 9 voor haar leven en een 10 van God.

Och, met preken heb ik geen moeite. Ik kan vier jaar vooruit. Daarna begin ik weer van voren af aan. Geen zustertje dat dat doorheeft. Die vrouwkes

­kijken liever dromerig naar de bloemen bij Maria en het Heilig Hart, onder de ver­kondi­ging. Gelijk hebben ze. De meeste preken zijn weggegooi­de tijd.

Kent u het kerkhof? Ik mag niet te oud worden, want het is bijna vol. Die kruisentuin ligt aan het einde van een prachtige laan met aan iedere kant van die chique perenbomen. Die buigen hun hoofden naar elkaar. Zo ga je onder een boog door naar de dood. Maar er zijn ook nog twee zijlanen. Die zijlanen vormen met de hoofd­laan een kruis. Grapje van de zusters. Verkapt christen­dom. Slimme vrouwtjes.'

 

Hij vraagt losjes naar het thema van de bezinning.

Ik zeg: 'Etty Hillesum, joodse mystica.'

Hij kijkt bespoten naar buiten: 'Nooit van gehoord.'

Ik denk: 'Over 'n boerenkool ge­sproken!'

(Frans Boddeke)

 

Genade op genade

Dromer, zie Mij aan

wat doet jouw ogen blinken

wat geeft jouw hart je te verstaan

o dromer, zie Mij aan

 

Je ziel zal jou kleden

omdat je schittert in Mij

je hand zal jou leiden

omdat je handelt in Mij

je voet zal jou dragen

omdat je wandelt in Mij

 

Dromer, zie hen aan

jij doet hun ogen blinken

jij geeft hun harten te verstaan

o dromer, zie hen aan

 

Dromer, doe maar, laat je gaan

dromer, toe maar, zie hen aan

glans je ogen, schitterglans

je ziel naar buiten toe

en geef de arme sterveling

genade op genade

Naar Matteüs 21,33-46

(Ine Verhoeven)

 

De Here

Met zijn tienen staan ze daar eendrachtig de Here te verkondigen, pal naast de viskraam op de markt. 'Keert weder, keert weder, verdoolde schapen', roepen ze in koor, niet onbeoogd mijn kant uit­kijkend. 'Komt allen, komt allen, wij zijn de gezondenen. Wij zijn de vissers van de Here!'

 

'Als jij niet heilig wordt', schampert een bolle man tegen de schriele visverkoper. Deze grinnikt en ondergaat de heilige schimpscheut gelaten. En niet minder ook beroepshalve: Hij verkoopt zíjn vis tussen witte broodjes.

Omdat ik trek heb in een lekker warm lekkerbekje, moet ik even wach­ten. Ik sla het hemels schouwspel gade. De leidster van het hele 'Heres­pul' heeft -het mag gezegd- een lekker bekje. Als een vis in lekker helder water vertelt zij prijzend van haar Here. Haar tekst is minder lekker. Ze belijdt, daar op de markt, dat ze jarenlang leefde in zonde.

De bolle man lolbroekt: 'Details graag, juffertje!'

Maar ze heeft zich be­keerd. Ze is zelfs een blijer mens geworden! En een christen is hele­maal geen kwezel! Wie kan zoiets toch bedenken!

Met in de ene hand een bijbel met helro­de opdruk en in de andere hand pam­fletten met zwarte letters roept ze de passan­ten op om zich tot de Here te bekeren: 'Keert weder, keert weder, ver­doolde schapen. Wij mensen worden omgeven door zon­den, zo­als -ja, ik wil en zal het met name noemen- zoals door de homo­filie. De mens is en blijft een zon­daar. En alleen de Here kan de be­rouwvolle ontuchtige nog redden. Toon toch berouw, toon toch berouw!'

Traag eet ik, al luisterend het gedoetje gadeslaand, mijn lekker warm lekker­bekje op.

Na haar 'gemakreel' deelt de heilverkon­digster de pam­fletten uit. De inte­resse rondom is magertjes. En wie al een pamflet aan­pakt, dropt die enkele meters verder meteen op de grond.

De bekeerde zondares kijkt me strak aan. Dan zegt ze: 'Gelooft u?'

Ze heeft kortgeknipt zwart haar en is denkelijk rond de dertig.

'Ja', zeg ik, 'dat doe ik. Maar vertel eens, waarom haalde u daarjuist de homofilie aan? Zijn er geen échte zonden te verzinnen, ge­zien het gegeven dat homofi­lie geen zonde is?'

'Heel de bijbel, en echt héél de bijbel wijst de homofilie af, mijn­heer.

De Here houdt wel van de homo's, maar echt niet van wat ze doen.'

Ik ga maar geen verdere discussie aan -het zou niets uithalen- en bekijk het pamflet. 'Jezus Chris­tus geneest!' De explicerende tekst is gebaseerd op Exodus 15,26: 'Ik ben de Here, ik ben uw heelmeester.' Met vette zwarte letters staat onder de bijbel­tekst dat de mens zondig is en van gebroken harte: 'De geest van de mens is ziek, de ziel van de mens is ziek, het lichaam van de mens is ziek.'

Het pamflet eindigt zowaar optimistisch: 'Liefde geneest de ziel, liefde geneest de geest, liefde geneest het lichaam. De Here is liefde.'

Ik bedenk dat het gewortelde dogma over de zondige mens niet uit te roeien valt: de dwaze erfzonde is niet weg te poetsen. En dan, wat is 'zo slecht en zondig'? Mensen zijn dan misschien onvol­maakt, maar toch niet slecht. Ik neig eerder te denken dat die van nature zondige mens van nature goed is.

 

Dapper hardnekkig -het begint hard te regenen, alles komt van de Here- staan ze daar met zijn tienen, nog steeds eendrachtig, bij die viskraam.

In het spoor van de eerste vrienden van Jezus beschouwen zij zich écht als evangelische vissers. Jammer alleen dat hun aas voor het viswa­ter zo gierig is. Maar de unieke Mensenvisser heeft hen ongetwij­feld lief, in al hun onvol­maaktheid. Hij weet dat ook zij geen zondige mensen van nature zijn. En deze mensen zijn voor Hem als het lekker warm lekkerbek­je voor mij.

(Frans Boddeke)

 

Ieder zal mijn liefste kennen

De nevel hangt boven het meer

en kriskrassende vogels

azen op hun prooi die door

het water schiet van her naar

der; het vroege morgenrood

kleurt de watervlakte licht

naar het roze van zacht lief

 

En wie ik liefheb, weet geen mens

en wie ik liefheb, zal herkennen

en wie ik liefheb, treedt met voeten

over paden zonder te gaan, en hij

zal staan, begaan om voortbestaan

 

De nevel trekt over het meer

en mannenbroeders gooien

hun netten uit in water

dat in de ochtend door de

zon de kleur van liefde weet

te vangen; voedsel nadert

in het roze van zacht lief

 

En wie ik liefheb, weet de mens

en wie ik liefheb, zal herkennen

en wie ik liefheb spreekt met woorden

geeft met daden te verstaan wat te doen

en hoe te gaan om voortbestaan

 

En ieder zal mijn liefste kennen

en ieders liefste zal hij zijn

Naar Johannes 21,1-14: Meer van Tiberias.

(Ine Verhoeven)

 

Jaja

Hij loopt. Met opgetrokken schouders. Handen op de rug. Ogen neergesla­gen. Heen en terug in de lange kloostergang. Van nergens naar nergens. Hij gaat de weg van de neergang.

Ik groet hem die loopt, en noem zijn voornaam. Hij kijkt op met nietbe­grijpende ogen. 'Jaja', mompelt hij met lage stem. Hij staat stil en kijkt me aan met verbaasde wenk­brau­wen: 'Jaja.' Ik vraag hoe hij het maakt. 'Jaja.' Dan stokt ons niet begonnen gesprek. Ik voel me verlegen worden. 'Dag', zeg ik. 'Jaja', herhaalt hij traagbrommend. Hij staart me na. In de refter schenk ik een kopje koffie in. Hij is lauw. Ook al niet opwekkend.

 

Ik ken hem zo'n vijftig jaar. Eens waren we klasgenoten. Zijn karak­ter: rustig, betrouwbaar, behulpzaam, zachtmoe­dig, pas­sief, gelo­vig. Meer stoelzitter dan initia­tiefne­mer. Dit laatste is drastisch veran­derd. Van kalme peinzer geworden tot niet aflatende jogger. Urenlang. Heen en weer. 

 

AD 1989. Hij verwelkomt me in de nacht op vliegveld Zanderij. Eenmaal op mijn kamer in Paramaribo legt hij uit hoe ik de klamboe moet gebruiken tegen kakkerlakken en muskieten. Op tafel staat een typema­chi­ne. Een oud beestje, een flink uitgevallen muskiet. Het lint is schraal als uitgedroog­de buffelhuid. Ik probeer indrukken vast te leg­gen van de eerste dag. De machine is voor computervingers haast niet te hanteren.

Als ik zes weken later vanuit het vlieg­tuig op de stad zal neer­zien, bewonder ik mijn confra­ters. Ze hebben niets. Ze krijgen niets. Ze lijden tekorten. Maar ze blijven bij hun mensen. Wegvlie­gen ligt hen niet.

 

In de stad voelt hij zich niet thuis. Maar zijn bestuursfunc­tie vereist aanwezigheid ter plekke. De functie is te hoog, zegt hij. Dat vind ik ook. Waarschijnlijk is hij gekozen als over­gangs­figuur, als compro­misman tussen rechts en links. Hij heeft geen greep op de situatie. Lang, te lang zit hij achter zijn bureau, vergeefs proberend beleidslijnen uit te stippelen.

Maar hoe opvallend is zijn gedaanteverandering als we het binnenland intrek­ken. Een heikelige vraag is of de auto het zal halen. Hopelijk gaat de uitlaat mee. Uitlaten kunnen alleen -en dan nog alleen sóms- zwart worden gekocht. Hopelijk krijgen we geen klap­band. De reserve­band is gestolen. ­Schokkend en stotend bereiken we een klein modderig dorp met lage hut­ten. Hier -tussen de bosne­gers- is hij op zijn best. Ik versta niet veel, hij praat negerengels. Maar zijn mensen luisteren geboeid naar deze man met hart. Hier komt hij tot leven. Dit is zijn milieu.

 

Eenmaal teruggeplaatst in Nederland gaat hij geestelijk snel achteruit. Die rustige man van vroeger is die rusteloze loper van nu geworden. Altijd buiten zijn kamer. Altijd lopend. Heen en terug. Altijd gebogen. Nooit opziend naar de hemel. Nooit helemaal mens. Op weg van nergens naar nergens. Ferm stapt hij door. De tijd loopt met hem mee. De weg van de neergang is niet te bezweren. Wat rest hem, eenmaal uitgelo­pen? Jaja.

In de leeszaal blader ik in een tijdschrift. Langzaam gaat de deur open. Ik zie een hoofd. Nietbegrijpende ogen kijken me peinzend aan. Langzaam gaat de deur dicht.

Ik denk aan het ezeltje dat ik vanochtend bij de schuur van het boerderij­tje heb zien staan. Zijn lijf bleef verborgen. Alleen een zichtbaar kopje. Met gelaten grijze ogen en ge­spitste lange oren. Indrin­gend ontroe­rend.

 

Mij overvalt de zinloosheid van het bestaan. Ik voel me van nergens tot nergens. Als ik thuiskom, blijkt de klok stil te staan. Jaja. (Frans Boddeke)

 

Opgericht

Ik kon niet slapen

ik ben maar opgestaan

ik kon niet slapen gaan

de nacht is niet ontsnapt

toch bij het vroegste ochtendgloren

ben ik maar opgestaan, ik kon

niet slapen, ik kon gewoon

niet slapen gaan, niet slapen gaan

 

Ik heb mij opgericht

en ik ben opgestaan

om alles te volbrengen

in het vroegste uur

wat van mij werd verwacht

zolang, zo heel erg lang

was voor mij die diepste nacht

ik ben maar opgestaan

 

Ik kon niet slapen

ik kon niet rustig slapen gaan

en ben door hellen heengegaan

om opgericht weer op te staan

de duisternis is mij ontsnapt

en ik ben de ochtend ingegaan

het leven heeft mij opgewekt

ik ben voor altijd opgestaan

Paasmorgen 1997.

(Ine Verhoeven)

 

En die ondernemer zei ook nog: tot ziens

We zitten tegenover elkaar aan de keukentafel. Zijn gebogen gestalte in de zwarte trui tekent zich af tegen een witge­kalkte muur. Zijn blik staat op verontwaardiging:

'Mijn zwager hebben ze zaterdag verbrand. Wat een kille, kale boel, zo'n crematorium! Niemand zei iets bij die dienst. Nou ja, ik zou ook wel niet zo direct iets goeds van hem weten, maar helemaal niks is ook maar niks. En dan ook nog dat kwij­le­rig gekweel van Mieke Tel­kamp. Ik ben geen kerk­loper, maar laat mij toch maar vanuit de kerk begra­ven worden. Ik hoor dat u altijd zo per­soonlijk bent. Ik houd me dus aanbevolen tegen die tijd. Mijn zwager was ook niet goed verzekerd. Het sche­elde niet veel of we hadden hem met de bakfiets moeten begra­ven! En die lijkwagens hadden me een onbe­schofte haast! En die doodgraver stond open en bloot te geeuwen. Het leek wel een kerkhof daarbinnen, met die bruine tan­denstompjes. Een geldman­netje, sjongejon­ge. De as werd ver­strooid op een piepklein veldje. Brandne­tels, pas­toor, bránd­netels heb ik zien staan! Wel toepasselijk, trou­wens. In de kist en hup in de oven. Stoken maar. De brand erin! Nou nou, echte vergane glo­rie, zegt u dat wel.'

 

Hij staat op: 'Luistert u eens mee, ze hadden toch voor het­zelfde geld beter dít liedje kunnen draaien?'

Hij opent de klep van een versleten pick-up en zet een plaat op. Ik bekijk de hoes. De tekst is van Freek van Leeuwen:

'Een graf zonder zerken

geen mis in de kerken

berust in uw lot

beneden de pijnen

maar boven daar zijne

we kind'ren van god.'

 

Als ik bij de voordeur mijn jas aantrek, beent hij moeizaam naar me toe en zegt als droevige uitsmijter: 'En die onderne­mer zei ook nog: tot ziens!' (Frans Boddeke)

 

Wonen zal ik in Jou, mijn God

Waar ik woon, daar zal ik wonen

God mijn God, mijn welbeschut

Waar ik ga, daar zal ik gaan

God mijn God, die in mij doet

 

Wonen zal ik overal

en gaan over mijn wegen

maar waar mijn ware woning is

ben Jij, mijn God, ben Jij

 

Geen tarter zal mijn doder zijn

geen bode zal mijn helper zijn

geen wezen biedt mij zekerheid

dan Jij, mijn God, dan Jij alleen

 

Wonen zal ik steeds in Jou

huizen zal ik in Jouw armen

slapen zal ik in Jouw dromen

en zijn bij Jou, mijn God, bij Jou

 

Ja, wonen zal ik in Jou, mijn God

Naar Marcus 9,2-14

(Ine Verhoeven)

 

Die ene niemand

De iezegrim zit op zijn hurken in de abri, onbe­schut en onbe­schermd. Over zijn aftandse pet heen geeft een klok haar pre­ciese tijd aan: 07.OO uur, bij een koelte van 08 gra­den Celsi­us.

Aan zijn rechterzijde staat een bierblik­je. Brood ont­breekt. De handen van de ouwelijke prol spelen een spel. Van de ene hand worden munten naar de andere gebracht en vice versa. Onderwijl staren zijn ogen naar een punt op de grond.­ Waar denkt hij aan? Aan morgen? Aan gisteren? Aan vandaag? Aan vroeger? Dénkt hij eigenlijk wel? En hoe zal zijn dag rollen naar morgen?

Een uur later zit hij nog altijd zoals hij zat om 07.00 uur. Nog altijd spelen zijn handen het muntjesspel. Nog altijd staren zijn ogen naar hetzelfde punt. Al­leen het bierblikje is verschoven, gelijk de pootjes van de klok.

Ik denk na over zijn bestaan. Wat beweegt deze verstilde mens? Wat boeit hem nog in zijn leven? Wat is het dat hem in leven houdt? Maar mis­schien is hij de grens van het menselijke al voor­bij. Echt l­even doet ie niet, echt geleefd worden ook niet. Leven en dood kruisen elkaar in een patstel­ling.

 

Ik weet het nú al. Vanavond om kwart voor tien -als ik mijn gang naar de brieven­bus ga- zal ik deze zitter lópende tegenko­men. Hij is dan op weg naar het slaap­huis. Ook dan staren zijn ogen naar -ergens- een punt.

Vanavond. Dat is na vanmorgen en na vanmiddag. Niemand zal in al die lange uren tegen hem gesproken hebben. Niemand zal hem even bemind hebben. En nie­mand zal híj even bemind hebben. Deze iezegrim. Hij is een niemand.

 

Eens, ooit zal ook voor hem de tijd stilstaan. Misschien wel om 07.00 uur. Of -ergens- op een onbestemd moment. En niemand zal dan om hem huilen. Nie­mand zal dan meegaan om hem vredig met een handje zandkor­rels te bedekken. Om hem veilig door de aarde te laten beschutten. Om hem met een laatste groet te groeten. Geen bloem siert zijn graf. Geen traan verzout zijn dood. Mis­schien zal een -ergens- opge­trom­melde priester komen. Deze zal ook niet precies weten wát te moeten bidden. En voor wie? Het zal een min of meer verloren uurtje zijn. Maar ja, een christen moet consequent zijn. En het is per slot zijn brood. En de -ergens- opgetrommelde grafdel­ver zal gelaten wachtend onbe­stemd in de verte sta­ren. Want tijd is geld. Zeker bij zo'n nietige begra­fenis. En wie betaalt de kos­ten?

 

Maar ja, christenen moeten consequent zijn. Om hun brood. Om hun ziel. (Frans Boddeke)

 

De muren hebben armen

In de stad wil ik vluchten

tussen stegen met huizen en

muren die reiken zo hoog tot

gewelven met wolken en zon

af en toe

 

In de stad wil ik rusten

tussen armen van muren en

wallen die schermen zo veilig

tegen pijn en wie mij niet voelt

altijd weer

 

In de stad wil ik sterven

tussen mensen in straten en

niemand daar hoeft te beseffen

dat ik besta en loos verga

en voorgoed

 

In de stad zal mijn adem

niet meer zuchten noch spreken en

opgaan zal ik tussen stenen

en over het marktplein gaan mijn

stappen dood

 

In de stad hebben de muren

armen die strelen en warmen

In de stad ga ik voorbij aan

ieder en aan jou en ik

hoef niet meer.

(Ine Verhoeven)

 

Zuster Hartelapje

Een zuster ontbiedt ze me voor een gesprek. Als ik bij haar kamer aanbel, komt net een andere zuster langs. Die lacht, alsof ze schik heeft. ???

Terwijl de gastvrouw zwarte thee schenkt in een rood kopje, kijk ik even rustig rond. Wel wel, de omgeving is níet zo rustig: the saints go marching in! Tegenover me, achter me, boven me, naast me, overal staan en hangen heiligen­beelden en beeldjes. Maria, Jozef, Antonius, Gerardus, Theresia, Lidwina, pater Pio en, natuurlijk, Jezus zelf. Allemaal in beeld bijeen in de kamer als de meest prominen­ten.

Tussen dit kleurig en bont gezelschap zitten we aan een tafel die bedekt is met een felgroen ver­kreukeld kleed. In een hardblauwe vaas staat een wit-rood vlaggetje van Ajax! Alles valt op, en zij het meest, hoewel ze een eenvoudige, zwarte jurk draagt. Wellicht is 't dat blinkende kruis om haar hals, dat voor blikvanger speelt. De lucht in de kamer is muf. De twee ramen zijn potdicht, ofschoon het buiten heerlijk van temperatuur is.  

Ze vertelt over haar kloosterleven. Ze besluit verrassend: 'Ik vind er niks meer aan. Misschien ben ik al te lang zuster. Al zestig jaar. Buiten­gemeen eentonig hier. Volgens mij ben ik trouwens nooit echt ge­doopt.' ???

'Daar hangt mijn moeder. Ik was drie jaar, toen ze stierf. Net zoals Jezus ging ze dood op drieëndertigjarige leeftijd. Ik was vaders hartelapje. Mijn tweede moeder sloeg me haast iedere dag. Dit litteken boven m'n oog is nog een aandenken aan haar. Ze probeerde me met een fles wijwater m'n hersens in te slaan. Ziet u?'

Ik zie niets, maar knik zwijgend.

'Ik heb altijd graag toneelgespeeld. Nu nog trouwens. In de oorlog was ik verpleegster. Ik heb heel wat jonge mannen helpen sterven.'

Ze praat onsamenhangend verder over haar onduidelijke rollen als actri­ce en ver­pleegster. Plotseling verandert ze van thema:

'Ik zal u nóg iets vertellen. Een diep geheim. Eens kwam de overste hier met een man. Hij zat daar, op uw stoel. Ik moest met hem praten. Maar ineens was ik bewusteloos. Ik viel op de grond. Er is toen rectaal en vaginaal iets met me gebeurd. Ik voel het nog altijd.'

Ik denk: Zozo! Het ene merkwaardige litteken na het andere!

'Ik kan het niet vergeten en ook niet vergeven. Ik zeg steeds tegen Onze Lieve Heer: 'Nou ja, u weet wat ze me hebben aangedaan. U zou het ze ook niet vergeven.' Mag ik nu de absolutie van u?'

Ik bid om Gods barmhartigheid voor haar. Ze geeft me een weke hand.

Ik ga haar kamer uit en loop regelrecht naar de uitgang. Buiten adem ik diep de frisse lucht in. Ik overdenk de act van zojuist. Arme zuster. Snakkend naar aandacht. Middelpunt tussen versteend publiek.

 

Die avond zie ik haar zitten, apart en op de laatste rij. Ik ontwaar haar terwijl ik de woorden bemediteer, die Etty Hillesum schreef aan haar vriendin Maria Tuinzing:

'Velen voelen zich hier kwijnen in hun mensenliefde, omdat ze van buitenaf niet gevoed worden. De mensen geven je hier niet veel aanleiding om ze lief te hebben, zegt men. 'De massa is een afzichte­lijk monster, de individuen zijn erbarmelijk', zei iemand. Maar dit ervaar ik steeds weer in mezelf: er is geen enkel causaal verband tussen het gedrag van mensen en de liefde, die je voor ze voelt. Die liefde voor de mede­mens is als een elementaire gloed, waaruit men leeft. Die medemens zelf heeft er nauwelijks iets mee te maken. Och Maria, het is hier een beetje kaal met de liefde en ik voel me zo onnoemelijk rijk, ik zou het geen mens kunnen uitleggen.'

 

Ik zie zuster Hartelapje de zaal uitgaan. Past Etty niet bij haar heiligen? (Frans Boddeke)

 

Kind van God

Tussen prikkeldraad en muur

doolde ik rond in eenzaamheid

en verstond niemand meer

en bestond zelf niet meer

 

Wanhoop

Uitgestrekte hand naar God

die 'k niet bereiken kon

door verstarring van mijn geest

Mijn hart klópte slechts

en zonder regelmaat

Al levend was ik dood

Dood voor mezelf en dood voor jou

terwijl 'k toch alles geven wou

wat ik nog in me droeg aan goed

Maar ik was dood

 

Toch weet ik in mijn diepste ik het leven

God, neem mijn hand en trek mij uit 't gevang

van prikkeldraad en muur

en vorm geweende tranen om in paarlen

schitterend voor Jou en voor mijn medemens

Bevrijd mij, God, en laat mij nú de kans

Gun mij de lach op m'n gezicht

en kinderlijk geschater

Nu is het leven, God, 't is nú

Verhaast mijn vlucht uit duisternis

Leg vrede neer in mij

Geef mij nog duizend dagen, God

nog duizend nachten, God

hier, als kind van Jou.

(Ine Verhoeven)

 

Hartstikke katholiek

De bel gaat als een op hol slaande wekker. Dat is dus Lowenda.

Lowenda zat geruime tijd in een psychiatrische inrichting. Ze heeft het nog altijd over 'dat rare hui­s'.

Ze is teruggeplaatst in de maat­schap­pij. Ze krijgt een flatje toege­we­zen. Ze trouwt met Eric, ook uit 'dat rare huis'. Ze slijten hun dagen met veel gekra­keel. Hij slaat ­haar. Ze loopt weg naar een onderduik­adres. Eric maakt amok op de pastorie: 'Ik eis dat ik alle kamers hier mag inzien!'

En Lowenda lost alles en niets op: ze gaat weer terug naar hem.

 

Ze ploft neer op een stoel in de spreekkamer: 'Kan ik u spreken over iets?' Dat iets is zonneklaar: ze zit zonder geld. Ondanks de regelingen met de instanties staan Lowenda en Eric overal in het krijt. Geld móét onmid­del­lijk op aan gokken, drinken en roken.

Met de maat­schappelijk werkster heb ik de afspraak de twee geen geld te geven, hoogstens wat eten. Over haar nijdast Eric: 'Ze benadeelt ons. Ik kan haar straf­rechtelijk ach­tervolgen.'

Het vastgestelde spreekuur bestaat niet voor Lowenda. Ze komt, al is het zondagochtend vóór zonsopgang. Haar verweer is dan simpel en tref­zeker: 'U bent er om ons te hel­pen. Daar zijn pries­ters voor! Heel erg, als u niet helpt, dan hebben we vandaag niks te eten. U ben toch van God. We zijn hartstikke katholiek.'

 

Ik opper dat ze een rol beschuit kan krijgen. Ze negeert de beschuiten: 'Ik heb het zo koud.' Rillend kijkt ze me aan in haar dunne, verschoten rode jasje. Ze wipt zonder ophouden met haar rechter witte rubberen laarsje. 'Lowenda, slaap je wel voldoende?'

'Ik ga altijd om acht uur 's avonds naar bed.' Geen aarzeling. Gis­teravond rond elf uur zag ik ze allebei nog aange­schoten over straat zwalken.

'Je moet niet zoveel drinken.'

Ze buigt naar voren: 'Ruik maar aan m'n adem. Ik heb helemaal niks op.'

Ik herhaal mijn beschuitaanbod: 'Ik geef geen geld, Lowenda.'

Nu gaat ze hakkelen, zoals altijd als een gesprek niet naar haar zin is. Ze bladert plotse­ling driftig in een van de tijdschriften op de tafel.

Ze nukt: 'Ik had bloemen willen meenemen. Maar ik kijk wel uit. Ik vind u geen goede pastor. Die van dat huis, dat was pas een goeie pastor.'

Ik negeer: 'Hoe gaat het met de buren?'

'We gaan in een nettere buurt wonen. We zoeken een huis op stand, met tuin. Die stinklui van beneden. Vieze­riken. Ze schelden me uit voor hoer. Ik heb woensdag op de Parallelweg gestaan. Ik had geld nodig. Ik mocht van die andere wijven. Maar toen ik tweehonderd gulden had verdiend, toen trokken ze ineens mijn jas aan flarden en pikten m'n geld weg. Ze gaven me stompen en een trap.'

'Dat is ook stom van je. Het is hún terrein. Je hebt nog geluk gehad. Ben je trouwens niet bang voor enge ziektes of aids?'

'Wat kan mij dat schelen. Ik heb geld nodig. Mijn zus werkt ook op straat. Maar die is niet getrouwd. Die heeft het maar goed.'

'Ik wil je een paar gulden geven. Be­loof je daarvoor een frietje te kopen?' 'Ja!' De gulden heiligt de leugen.

 

We staan op. Zoals ze daar naast me staat met haar halfgeverfde haren, zie ik nu pas goed hoe klein, mager en smal ze is.

Ze kijkt naar de grond. Kleine vrouw zonder toekomst. Op haar rubberen laarsjes glijdt ze uit. Altijd weer. Tot.

(Frans Boddeke)

 

Zalig de Niemanden

De aarde verduisterde en er kwam een hevige storm die joeg

over de landen en raasde langs de harten van de wezens die

zich bukten en kromden in doodsangst; zij lagen plat terneer.

De grond die hun voeten had gediend, droeg nu hun bange lichamen. 

Toen de woedende wind was gaan liggen, sloegen alle angsten op

de vlucht en de wezens keken verbaasd om zich heen.

Zij zagen een schone wereld met verrukkelijk bloeiende bloemen

en sappige vruchtbomen.

En de wezens aanschouwden Gods gelaat: Het was de Aarde zelf,

het Begin en het Einde, de Alfa en de Omega.

En samen trokken zij op, hand in hand, in lange stoeten naar

de Lachende Zon.

Zij zongen vreugdeliederen, en cirkelden zich rondom hun God.

Zij wisten dat ze opgenomen waren; zij zagen de waarheid van

Gods belof­ten.

En zij kusten elkaar en streelden de gelaten van de nieman­den,

van de ontkenden, van de wezens zonder profie­len.

Zij raakten elkaar aan, en de niemanden.

En in deze Liefde zagen zij het Lam.

En het Lam straalde.

De engelen kwamen, tilden de stoeten op en juichten:

'Zalig de Niemanden, zij beërven het Land.'

De wezens bogen hun hoofden.

Zij werden witte zielen.

Het was stil.

En er heerste absolute vrede.

 

En alle bloeden die ooit stroomden, voerden naar grote zeeën

en vermengden zich met alle zilte tranen.

En alle verdrieten van de Aardwezens verdwenen.

Zonnestralen dansten en verdampten ellendenen.

De Niemanden waren voor altijd verlost.

En God lachte en nam Zijn Schepping in Zijn wiegende armen.

En er heerste rust en ware gelukzaligheid.

(Ine Verhoeven)                                               

 

Sacramentele vrouwen

Het lichaam van de despoot was ondermijnd. Roofbouw, door veel drank en weinig spijs, zorgde ervoor dat zijn gestel de attaque niet kon verwer­ken. En was hij als man altijd al kinderlijk geweest, nu werd hij helemaal infantiel.

Onaf­gebroken zat hij boven op zijn kamertje, apart en alsmaar koffie slur­pend, en alsmaar shagjes draaiend, en alsmaar video kjkend: de ene oorlogs­film na de andere, afgewisseld door cowboyspectakels.

Verbraste hij vroeger al te gemakkelijk en onmiddellijk de duiten, nu hield hij als een bezetene elke cent vast. Als hij jarig was, stond demonstra­tief zijn geldkistje op tafel. Elk kind werd dan geacht aan hem een envelop­pe met inhoud te geven. Zijn dank was schaars: 'Donder nou maar weer op!' Ruzies lokte hij uit met zijn kleinkinderen, hummeltjes van nog maar drie en vier jaar, om een simpel rolle­tje drop.

Bij dit alles bleef zijn vrouw hem trouw. Zoals ze altijd toege­wijd was gebleven in dat weinige lief en dat vele leed. In die schaarse goede en die overdadige kwade dagen. Wonderbaar­lijk sterk bleef ze -zoals ze altijd al sterk was geweest- bij veel kinderen en weinig menselijkheid, bij veel scènes en weinig hartelijkheid.

Van háár was de uit­spraak: 'Hij is best een goeie vent.' Maar niemand die dat zo zag.

 

De tweede attaque volgde. En zestien lange weken lang zat zij trouw aan zijn bed in het ziekenhuis, de aftakeling aanschou­wende van hem die niet meer kon bewegen, die niet meer kon praten; die niet meer zelf kon eten, die niet meer zelf kon plassen. En ze praatte tegen hem, iedere dag tweemaal twee lange uren vol. En als ze niets meer wist te verzinnen, las ze hem voor uit de krant. Zij, die al zijn dronkemansgedoe aan den lijve had onder­gaan. Zij, die al zijn scheldpartijen had aanhoord. Zij, die met het minimale al haar bloedjes had moeten kleden en voeden. Zij, die haar kinderen lijfelijk tegen hem had moeten be­scher­men. Zij, die onge­schoolde volks­vrouw, zij was er. Zij was er al­tijd. Voor hem. Voor haar kroost.

En zij werd tot sacra­ment voor hem en voor hen. Zij werd tot sacrament voor haar omgeving.

 

Hij stierf. En zij, ze huilde. Een van haar acht kinderen sloeg een arm om haar heen: 'Moe, je bent hard­stik­ke goed en hard­stikke gek.'

 

Ja, zo zijn ze, die sacra­mentele vrouwen.

(Frans Boddeke)

 

Heb ik je tranen gedroogd

Heb ik je tranen gedroogd toen je huilde en

waren mijn armen voor jou, mijn lief mens?

 

Toen jij de pijn van het leven bevoelde

toen jij werd geslagen, bijna gedood

toen jij lag vermorzeld door vallend gesteente

van harten als rotsen, ja toen moordende angst

jou benauwde, beklemde, zo een bang waarvan

géén weten kan behalve jij, behalve jij toen

je lijdzaam moest wachten op mij, op mij

 

Heb ik je tranen gedroogd toen je huilde en

waren mijn armen voor jou, mijn lief mens?

 

Ogen zochten en handen tastten in duister

van dagen, in het licht van de nachten

vingers omstrengelden vingers aan handen

van mannen en vrouwen zoekend naar zacht

van lieven, van leven, van wetend verkennen

in ogen met kleuren van donker naar licht

reflex van herkenning in het ander gezicht

 

Heb ik je tranen gedroogd toen je huilde en

waren mijn armen voor jou, mijn lief mens?

(Ine Verhoeven)

 

Nana van de koeliedrijver

Soms zie ik op het kerkhof het eenvoudige kruis staan. In plaats van een corpus is er een porseleinen hartje aan bevestigd met de woorden 'Voor mijn zorgzame Nana'.

 

Ik heb Nana meegemaakt als een heel oud, heel klein en heel zwijgzaam vrouwtje. Ze was niet naamloos, maar wel leeftijds- en geboorteplaatsloos. Niemand wist wanneer en waar zij uit de baarbuik van haar moeder was gekomen, daar ergens in het vroegere Indië.

Als ik bij hen op huisbezoek kwam, moest ze zwijgen van haar man. Ze zat dan nederig apart.

Hij beheers­te thuis alles. Hij, de voormalige koelie­drijver, die door de Jappen vernederd was. Die door de Indone­siërs uitge­spuugd was. Die door de Nederlanders nauwelijks getolereerd werd.

Het was voor deze trotse man niet meegevallen toen hij klamboes, klewangen en klapperbo­men moest verruilen voor een laaglandse flat op vierhoog.

In Indië had hij een riant huis bewoond. Steeds weer liet hij me de foto's van dit huis tussen de uitgestrekte sawa's zien.

Hij was verbit­terd geraakt en reageerde zich af op Nana. Soms sloeg hij haar met een rieten roetje. Dat mocht, volgens zijn opvat­ting.

Tegen mij, als de gezagdrager namens de hoogste autoriteit God, was hij uiterma­te beleefd. De koffie die hij me aan het begin van elk gesprek aanbood, was van een corrupte kwali­teit. Maar de koffie weigeren, dat kon niet. En zo dronk ik vele bittere koppen koffie, onderwijl moed puttend uit de troost dat ik straks thuis nog wel iets beters onder de kurk had.

Zijn specialiteit was -naar zijn zeggen- het leegslurpen van ongekookte eendeneieren: dat was goed voor de bloedsomloop.

Als ik de flat dan weer verliet, bleef hij in de deuropening staan. Dan boog hij twee­maal dieper dan diep. Aan het eind van de trap, bij de bocht, knikte ik op mijn beurt naar hem. En hij boog nogmaals twee­maal. Een onbuigzaam man in een buigzaam spel.

 

Nana en hij. Ze werden ouder en ouder en belandden uiteindelijk in het bejaarden­huis. Tot ontsteltenis van de andere oudjes gaf hij tijdens de gezamenlij­ke maaltijden Nana menigmaal een fikse tik in haar gezicht. Het kon gewoon niet anders: de medebewoners spraken er schande van. Als hij niet in de buurt was.

De enige die zweeg, was Nana. Zoals ze ook zwijgend doodging.

 

De begrafenis van de heel oude, heel kleine en heel zwijgzame Nana was heel eenvoudig. Ten afscheid boog ik tweemaal diep voor haar. Hij boog mee. De andere oudjes niet.

 

Kassian, ik heb de nonna Nana nooit leren kennen.

Kassian, ze was voor mij slechts Nana van de koelie­drij­ver.

(Frans Boddeke)

 

Til mij over grenzen

God, in mijn wanhoop

heb ik Jou geroepen

Je hoorde niet

God, ik riep en mijn geroep

galmde de ruimte in en verliep

totdat mijn eigen oor

mijn eigen stem niet meer verstond

en ik niets meer horen kon

't Werd stil en niet bleef bestaan

 

Antwoordloos ben ik in het nu

en hef mijn handen op

Ik wacht op Jou, mijn God

omdat ik niet geloven kan

dat Jij niet leven zou

Raak mij toch en streel

Til mij over grenzen

van deze dood naar Licht

en leid mij naar Jouw waarheid.

(Ine Verhoeven)

 

Een engel wiekt op

Terwijl we een korte wandeling maken door het lange gras met de spannende rechte bomen, denk ik aan de woorden van Vasa­lis: '() dan splijt met een verblindend licht/ de hemel open en slaat dicht/ met een donderende slag ()/ Mijn hart werd plotseling wit en heet/ 't was of ik zelf werd omge­smeed/ Ik heb het angstig ondergaan/ Ik kwam er sterk en nieuw vandaan.'

 

Als ze me haar leven vertelt, profileert zich één woord in mijn ziel: verwaarloosd. Als kind niet gewenst, als vrouw niet gekend, als echtgenote niet gewaardeerd. Ont­nomen wordt haar identi­teit. Verwacht wordt dienst­baar­heid aan man, gezin en zaak. Vrouw van. Moeder van. Repre­sen­tan­te van. Een bestaan van uitsluitend ondergeschikte beteke­nis.

 

Ze is intelligent, begaafd, aanhankelijk. Maar waar ze naar verlangt, bestaat niet: harte­lijk­heid, warmte, aan­dacht. Ze zoekt handen om vast te houden. Ze tast in leeg­ten.

 

Maar naast gevoelig is ze ook gelovig. Dus zoekt ze troost in het geloof. Troost die haar fataal wordt. Ze belandt in een sekte, die haar het laatste restje vrouwzijn ontneemt. Ze krijgt onderricht in engelen. Haar aanhanke­lijkheid en gewekt enthousiasme doen haar deze engelenleer vurig omhel­zen. Merkwaar­dig, zo intel­li­gent en toch in te palmen door valse vroomheid. De sekte heeft als hoog­ste 'Stufe' de totale slacht­offering -Sühneweihe- voor God. Want God wil, volgens de leiders, dat mensen zich klei­ner dan klei­n maken. Want mensen deugen niet. Want zij deugt niet. Maar de engelen zullen haar, als zij tenminste wil bidden en bezin­nen, als zij tenminste boete doet en altijd weer haar 'Schichtebeichte' opbiecht, wel 'umtauschen'­. Maar wee, als zij niet naar de engelen luis­tert! Dan wacht de hel. Want satan werkt hard. Heel hard. Om iedereen en haar te pak­ken. ­

 

Dus, waar de bewe­ging stelt dat God vernedering eist, vernedert ze zich. Ze gaat op -en door- de knieën voor priesters in zwarte togen. Ze reist, inmiddels doodziek geworden, weke­lijks naar het zuiden, naar het nostalgi­sche, witte kasteeltje. Daar vindt donderdags en vrijdags de trage­die van Jezus' lijden plaats: de Passio Domini. Daar onder­gaat ze donder­dags en vrijdags haar eigen Passio. Daar gaat haar portemonnee open. Daar rollen haar duiten in de schorten van de nonnen. Nonnen in zwarte habijten. Soli Deo!?

 

Even verwonderlijk als haar vastlopen, is haar bevrijding. Haarscherp voelt ze plotseling aan -middenin de totale verniksing- dat deze zwarte leiders, met hun bijgeloof en franjerieën, hebben getracht haar onvrucht­baar te maken; dat ze haar alreeds dood lieten zijn.

Maar mensen mogen leven. Ze mogen rechtop door het leven gaan. Want God bevrijdt. Hij is liefde. Hij is dé liefde. Die liefde zaait geen angst.

 

Ze heeft met veel pijn draad voor draad losge­sneden. Ze heeft een heilzame therapie gevolgd. Ze heeft een gezonde afkeer gekre­gen van dodelijke religie. Ze heeft zich losge­scheurd van aller­lei ang­sten. Ze heeft de vrijheid van de kinderen Gods in zich toegelaten. Ze heeft haar huwelijk tegen het licht gehouden. Ze heeft durven kiezen voor zich­zelf. Ze heeft zich­zelf omge­smeed: 'Ik heb het angstig ondergaan, ik kwam er sterk en nieuw vandaan.'

 

Hier is iemand uit niemand opgestaan. Een engel wiekt op.

(Frans Boddeke)

 

Aanklacht

De geest die vrijheid aantast

van mijn doen en denken

de geest die mij wil vangen

in het godenweb

de geest van fanatieke spinners

mij met lokaas klevend

in het onzichtbaar rag dat mijn

wezenlijke ik doet sterven

 

die geest klaag ik aan, mijn God

(Ine Verhoeven)

 

Hij heeft een springerig kind gestolen

Na een paar pittige kapitteldagen rijden we terug naar huis. De stemming is aangenaam: we zijn confraters, we zijn vrien­den. We vertellen elkaar ervaringen en belevenissen en we hebben het over de afgelopen levendige dagen. Maar daar wenkt ons een hand, die ons bezwe­rend duidt om licht te rij­den.

 

Op de smalle weg staat een geelgroezelige melkwagen. Tegen hem aan ligt een gerib­beld fietsje met een los sandaaltje. Even ver­der zien we, ach, een spierwit, lichtelijk opgebold la­ken op het grijze wegdek. Het spierwitte laken is omringd door grau­we passanten, stille honden en een bijna-wijze geit van de over­kant. Zij allen lijken getekend met bangheid, met angst.

 

De melkwagen met zijn lange, gele lichaam doet grote­lings bizar aan als reus tegen het gedeukte kind. Hij kijkt schul­dig. Een rode plek op zijn grote lichaam geeft aan dat hij jong leven als oude melk heeft doen wegstromen. Hij heeft een springerig kind gestolen.

Wij kijken, op kousen­voe­ten rijdend, toe met bange ogen. Rond het stil gemaakte kind is het donker­blauw en koud, is de vriende­lijke lucht dichtge­stoten met ondoordring­bare mist.

In mij wordt het onprettig warm, ik ontwaar een laai­end vuur in mijn hart van schroeiende angst.

'God, gun ons toch dit aardse leven! Hier ligt pril leven voorbij. Waar is nu uw beminnelijk­heid?', flitst door mijn hoofd.

 

De tijd sterft niet, en hij zal dit wegdek wissen. De terug­reis is voor­spelbaar. We zullen even napraten en snel vergeten -het leven loopt gemak­ke­lijk over de dood heen- maar elders stoten de gealar­meerde ouders hun deur open met bange knie­n, niet wetend of ze nog bestaan of dat ze ook zijn ge­stor­ven.

 

Wit laken van Vasalis:

'Ik droomde dat ik in een boerenkamer zat.

Er stond een lange tafel met een spierwit laken

over een houten schraag.

Ik was omringd door dieren:

pikkende kippen, maagre, kromme honden,

een bijna-wijze geit; het waren vrienden.

En in het midden was een laaiend vuur.

Toen werd de deur ineens opengestoten

en buiten was het donkerblauw en koud.

Er stond een grijze wolf met lange, gele ogen.()

De wolf trad binnen zonder rond te zien

en drong zich vast tegen mijn bange knieën

en hij was warm.()

Ik wist niet of ik voor het eerst bestond

of was gestorven.

 

Witte dood, verdriet in zwart.

(Frans Boddeke)

 

Het kindje

Kindje met je ogen toe

wat slaap je nu, wat slaap je

je was niet moe, nog lang niet moe

je was niet uitgespeeld, niet moe

kindlief van mij, wat slaap je

en waarom zijn je ogen toe?

 

Kindje met je lief gezicht

wat droom je toch, wat droom je

je hebt je ogen dicht, zo dicht

je was toch wakker, nu zo dicht

kindlief van mij, je ogen toe

wat droom je, waarom slaap je?

 

Kindjeklein voorbij gegaan

je bent gewoon voorbij gegaan

de boze wereld keek je aan

en toen ben je voorbij gegaan.

(Ine Verhoeven)

 

Ja, jongen

Karakteristiek is zijn pet. Hij is nooit zonder, al is het broeiend heet. In de kamer hangen, boven de schoorsteen met de kachel, drie foto's van hemzelf. Op alle drie de kiekjes draagt hij een pet. Onder die foto's gaat een aardige man schuil. Een vro­lijke, slagvaardige, optimistische, door het leven geteken­de, aangename mens. Vaak zegt hij: 'Ja, jon­gen.'

 

'Ja, jongen. Ik ben van 1903. Ik heb de eerste radio nog meege­maakt. Ik was op legeroefening in Arnhem, toen een heel eind van huis. Iemand zette me een koptelefoon op en ik hoorde tussen veel gekraak zomaar iemand praten. Een mirakel vond ik het!

Ja, jongen. Ik diende toen bij de Jagers. Ik kreeg vurig kippenvel toen ik het eerste vliegtuig zag. Wat een mirakel!

Alleen de rijken hadden toen een rij­tuig. Dat was al heel wat. Dat vond ik al zo'n mirakel!

Ja, jongen. Auto's waren er toen haast niet. Ik wilde graag leren chauffeu­ren. Maar mijn vrouw was doodsbenauwd. Ik deed het dus maar niet. De vrouw had het toen al voor het zeg­gen, haha! Ik was toen schoenlapper. Lopen was voor­de­liger dan autorij­den. Dat zei ik toen voortaan maar.

Ja jongen. En toen de oorlog. Koud dat we het hebben gehad! Het was me toch een strenge winter! Ik had een grote kachel gekocht en daar zaten de kinderen omheen. Als schoenmaker had ik natuur­lijk veel afval. Daar maakte ik de kachel mee aan.

Ja jongen. Wat erg was, was de jodenvervolging. Ik heb gezien hoe ze die stakkerds weghaalden. Ik zei tegen mijn vrouw: 'Als de SS bij ons in de buurt komt, bijt ik ze persoonlijk de strot door. Ik had veel joodse vrienden. Een van hen zei: 'Ze maken ons af.' Hij kreeg gelijk. Hij is er ook aangegaan. Negen kinderen had ie en een lastige vrouw. Geen boffer, dus. Van hen zijn maar twee dochters teruggekomen. Mijn God, jon­gen, wat schrok ik, toen ik die twee weer zag. Wat waren die deern­tjes mager geworden. En toen hadden ze al drie maanden in het ziekenhuis gelegen om bij te komen.

Ja, jongen. Die ene zei:' Praat me nooit weer over die katho­lie­ke God van jou.' Maar na een paar jaar zei ze: 'Weet je, ik word katho­liek.'

'Wat zeg je?', zei ik helemaal verbaasd. 'Ja, ik heb een katho­lieke jon­gen ontmoet.' Nou jij weer. Een mirakel, jongen.'

 

Soms belt hij de pastorie op om een paar intenties op te geven. Daar moet dan steevast tijdens de viering van zaterdag voor gebeden worden. Zonder uitzonde­ring zijn de gebeden voor zijn kinderen en kleinkinde­ren: 'Dat het hen goed mag gaan.' En steeds stelt hij: 'Maar ze mogen het niet weten! En kom maar langs om het geld op te halen, dat vind ik gezel­lig.'

Als ik dat doe, ga ik er alvast vanuit dat ik geruime tijd geëntertaind zal worden door zijn aangename cause­rie.

Hij zit dan in zijn leunstoel bij de kachel en vertelt over vroeger. En over hoe die goeie ouwe tijd vaak ook geen goeie tijd was.

Als hij zit te babbelen, kijk ik meestal de tuin in. Daar scharre­len enkele magere kippen rond, op zoek naar een vet wormpje. 'Ze leggen slecht, jongen. Ik voer ze toch goed. Een raar mirakel!'

 

Het mirakel is, dat ik zijn gééste­lijke eitjes altijd met veel smaak en genoegen verorber.

En die petfoto's in de kamer boven de schoorsteen, die vrolijken op. Dat ook nog. Ja, jon­gen. (Frans Boddeke)

 

Jouw warme stem

In de donkerte trekt de trein

over zijn rails en

slingert zich door het landschap

Ik rijd mee en zie alleen

de duisternis

die vage silhouetten

van boom en huis omhult

 

O, als ik in mijn woning ben

en slapen zal, ja slaap

tot in de morgenstond

lig ik gerust, gerust

tot ik ontwaak, ontwaken zal

 

Streel dan mijn oor

en laat mij luisteren

naar vogels en jouw warme stem.

(Ine Verhoeven)

 

 

En wat kun je verder dan nog?

Hij toont me zijn identiteitskaart: rechercheur. Tegelijk laat hij een ander, vervaagd kaartje zien. Het is het kaartje dat ik altijd achterlaat in de brievenbus bij de mensen, die ik niet thuis tref. Mijn naam, adres en telefoonnum­mer staan erop.

 

'We hebben vanochtend een vrouw uit het water gehaald. In haar jas vonden we dit visitekaartje. Wilt u meegaan om haar eventueel te identificeren?'

 

Tijdens de rit in de diens­twagen vertelt de rechercheur, dat het nog niet duide­lijk is of de vrouw door een ongeluk verdronk of zich verdron­ken heeft. Ze vonden haar in de Dommel, bij de brug in de buurt van de paters­kerk: 'Die kent u zeker wel?'

We arri­veren bij het kerkhof. In de koude ruimte van het lijken­huisje slaat hij het laken opzij. Zíj is het. Anna. De confron­ta­tie is schok­kend. Haar getekend gezicht ziet er opgeblazen uit.

Ik had in mijn bezorgdheid haar psychiater eens gebeld. Hij gaf een clicheetje: 'Houd u maar zoveel mogelijk contact. Tja, zelfdo­ding is in dit geval niet uitge­sloten. Maar wat moet je? Ik kan haar toch niet vastbinden of haar haar tabletten afnemen? Ze is nog te goed. Ik kan geen blijvende opname rechtvaardigen. Ik doe al wat ik kan, maar ik ben ook maar beperkt. Net zoals u, neem ik aan.'

 

Ja, wat moet je? Dat had ik me al zo vaak afgevraagd. In het begin had ze alle ver­trouwen in me. Maar ook pries­ters hebben geen pasklare oplossing bij zoveel psychotische proble­matiek.

Van tijd tot tijd had ze waanbeelden. Ze zag bloedvlekken op het behang en meende dan dat ze Jezus zelf zag. Ook Maria was haar veelvuldig verschenen, meestal in een wit gewaad. Dat was 'heel rustge­vend' ge­weest.

Bij ons laatste gesprek had ze me beschul­digd. Ik zou geheime zender­tjes in haar huis hebben geplaatst: 'Ik vind dat heel erg! Een priester doet zoiets niet!'

 

Zo naast haar verdronken lichaam weet ik niet wat ik precies voe­l. Het zweeft ergens tussen onmacht, spijt en ver­driet. Ik herken wel -en dat vind ik akelig- een soort opluch­ting.

 

Later steek ik in de kerk, bij háár Mariabeeld, een lichtje op. Ze was altijd al een arme drom­mel, eenzaam en hopeloos. En van de hemel had ze ook al niets te ver­wachten gehad. Zelfs die visioenen hadden haar niet over­tuigd.

 

Ach ja. En wat kun je verder dan nog? (Frans Boddeke)

 

Een niemand in het water

Ze was eerst in de kerk gegaan

en toen over de brug gegaan

en bij de oever bleef ze staan

toen weer over de brug gegaan

ze dacht aan God en haar bestaan

maar verder kon ze niet meer gaan

toen is ze langs de kant gegaan

bleef stille staan, bleef stille staan

en in haar ogen kwam een traan

die eenmaal bij 't te water gaan

werd weggewist, is weggegaan

zo stopte ze met haar bestaan

maar eerst was ze over de brug gegaan

had weifelend bij de oever gestaan

 

En toen geen mens haar kon verstaan

heeft zij het gedaan, heeft zij het gedaan

ze is het water in gegaan

en zo voorgoed, voorgoed gegaan

 

Ze dreef langs kerk en huizenhoog

onder de brug door met die boog

zo dreef ze onbekend

zo dreef ze onbemind

naar een land dat zij niet kende

naar een land dat niemand kennen kan

ze dreef naar niemandsland

met honderd mensen langs de kant

zo dreef ze naar de overkant

dood en verlaten, onbekend

een niemand in het water

(Ine Verhoeven)

 

Bij de engeltjes

Prinsje met zijn vier jaartjes was heel de dag lief ge­weest. 'Daarom', zei zijn mama, 'daarom mag je nog even naar papa in de garage. Neem maar een paar snoepjes mee. Eerlijk delen met papa, hoor. En daarna gezellig naar bed. Dag jon­gen.'

 

Prinsje was lief geweest. Was hij dat maar níet geweest.

Soms loopt een kinderleven door die liefheid onbarmhartig af.

 

Blij gaat het kind naar papa toe. Op dát moment -hora irae- ja, juist op dát moment schiet in de garage een verschroeiende vlam van papa's snijbran­der door de ruimte. Het kwetsbare kind wordt gevangen in de helse bundel. Zijn papa deinst ontzet terug en trekt zijn zoon­tje bliksemsnel uit de baan van ver­schrik­king. Zijn mama hoort hoog gegil, onmis­ken­baar van háár kind, rent naar de garage, pakt het op en ijlt naar de douche. Het kind -háár kind- ziet haar aan met wijd open ogen. Kramp­achtig houdt zijn handje de snoep­jes vast. En ook zijn ouders kijken met wijd opengesperde ogen toe. Binnen enkele secon­den is hun geluk as geworden.

Om even voor bedtijd zijn ze alle drie onherken­baar. Dag jongen.

 

Ook in het brandwondencentrum kijkt men toe. 'Alleen de snoep­jes waren niet verbrand', zegt zijn mama later op de avond.

'Hij is bij de engeltjes', repeteert ze, met nietsziende ogen in het niets van de nacht kijkend. Dag jon­gen.

 

Tijdens de afscheidsdienst -ook God kijkt toe- haal ik Ed Hoornik aan:

De mensen op het dak en in de bomen

gingen naar huis, maar ik blijf van hem dromen.

Morgen ben ik de eerste die hem zie.

 

Op het witte kistje ligt één rood roosje. Van zijn lieve­lings­vriendje. 'Och, dan hoeft hij niet alleen weg' hoor ik zijn moeder fluisteren in de kille wind, daar in de begrafenistuin.

Toevend bij het allerlaatste kijkt ze me smalletjes aan: 'Mag ik nog één keer het kistje aanra­ken?'

Knie­lend in het zand kust ze haar kindje. Dag jon­gen.

Ik neem haar bij de hand: 'Hij is bij de engeltjes.'

 

In het ziekenhuis, waar Prinsje's papa verpleegd wordt, vraagt ze me later: 'Ko­men we er ooit doorheen?'

Ik antwoord nietsziende: 'Hij is bij de engeltjes, hij zit op een kleurige regen­boog en zwaait: dag mama, dag papa.'

Ze antwoordt nietszeggend: 'Fijn.'

 

Ik denk aan een strofe van Neeltje Maria Min:

De dag ging over in de nacht

en in de kamers woedde brand

en in de kamers heerste wind

en het leven verging.

 

Dag jongen.

(Frans Boddeke)

 

Heeft de dood je gewaarschuwd, mijn lief?

Hebben waters gedreigd, hebben golven gewroken

hebben wolken geweend, hebben stranden geschud?

 

Heb je getwijfeld aan hemel en aarde

heb je gestaard in een onbekend niets

of heb je gezien naar borlende wellen

en heb je gehoord naar die suizende wind?

 

Hebben muren bewogen, hebben stenen gesproken

hebben zanden gezongen, hebben gronden gegromd?

 

Ben je geschrókken van hemel en aarde

ben je verblind door een onbekend niets

of ben je verward door borlende wellen

en ben je verdoofd door die suizende wind?

 

Heeft de dood je gewaarschuwd, mijn lief,

verteld, dat Gods armen te kort zouden zijn

om de wereld te vangen en om te behoeden

ja, om te behouden wat Hij heeft gemaakt?

Heeft de dood je gewaarschuwd, mijn lief,

je hart doen bonzen, de klop doen versnellen

je trage verstaan op hol doen slaan

je hoofd doen tollen in duizenden angsten

zodat je nóch strompelend verder kon gaan?

 

Heeft de dood je gewaarschuwd, mijn lief?

Dan zal ik zeggen, als jij wilt horen

dan zal ik vertellen, als jij wilt zien

dat leven het laatste woord zal dragen

dat leven het laatste woord in zich heeft

dat jij wordt begraven, niet onder de golven,

niet onder de stenen, niet onder het zand

maar liggen zult, rusten bij lavende wellen

want je naam, je kostbare naam, bange lieve,

staat levend gebeiteld in Gods heilige hand.

 

Heeft de dood je gewaarschuwd, mijn lief?

(Ine Verhoeven)

 

En God lacht mee

De zon beweegt zich door de wekenlange grauwte op het moment dat we bij de Maranathakerk in Tilburg aankomen.

Ine moet een interview houden met de werkgroep 'Homosexuali­teit en Geloof'. 'Zal het lukken?', vraagt ze bescheiden. Ik glimlach met de zon mee. Onlangs publiceerde ze immers nog een fonkelend artikel in Vroom & Vrolijk over het kloosterleven. Later op de avond zal een bourgon­dische vriend, gezeten aan een rond tafeltje op een terrasje in de stad, lovend opmer­ken: 'Je artikel over die homofiele religieus is perfect. Het is het helemaal! Wat ben jíj toch verrassend.'

Míjn opdracht is het om, voor ons maandblad Frontlijn, de roze viering van deze zondag te verslaan.

 

De Maranathakerk heeft iets weg van een arena. De oplopende ronde banken geven een rustig zicht op de bruine ambo, de blanke tafel en de zevenarmige Menorah. Op de tafel staan twee witte aardewerk bekers wijn met twee rieten mandjes vol matses. Geurende violieren comple­teren het geheel. De priester zit op de eerste bank naast de andere voorgan­gers: twee jonge vrouwen en een man met 'n roze strikje.

De viering rond Schrift en Tafel vertelt van 'Delen is helen' naar aanlei­ding van 'Roze zondag'. Volgens mij vindt ook God zich in dit thema: op het roze gordijn speelt fijnzinnig de zon met haar stralen deze viering mee.

De dienst is te volgen middels roze boekjes. Het geheel zal puur en gaaf blijken: doorleefde teksten, geestrijke liederen, heilvolle gebeden, en dit alles met vreugde als grondtoon.

De roze strikjesman houdt de overweging. Als uitgangspunt neemt hij het evangelie over de brooddeling: Eerst jezelf door Jezus laten helen en dan je leven delen met blank, zwart, jong, oud, hetero, homo: bij Jezus was iedereen gelijk. Hij gaf, zonder voorwaarden vooraf, alle vijfduizend te eten. Hij checkte niemands geaardheid. Hij controleerde geen enkele huids­kleur. Ongetwijfeld was het daar, in het groene gras, toen één bont en kleurrijk gezelschap.

'Delf mijn gezicht op, maak mij mooi' is het amen op de overweging. En mooi gemaakt is het gebed over het Brood en de Beker:

'Enige, Hartsvriendin en Boezemvriend,

jij hebt ons aan elkaar toevertrouwd:

vrouwen aan mannen, mannen aan vrouwen,

vriendinnen aan vriendinnen, vrienden aan vrienden,

om elkaar te troosten en uit te dagen,

om naar lichaam en ziel te genieten van elkaar,

om samen mens te worden.

Gezegend jij dat je ons zó gemaakt hebt.

Jij die niet voor één vorm van tederheid te vangen bent,

jij die zoveel kleuren aan onze relaties gegeven hebt

als tinten aan de regenboog,

jij die mensen glanzen doet en in ons aan het licht wilt komen:

gezegend jij, om zoveel liefde.'

We eten van het Brood en drinken uit de Beker. De voorgangers eindigen met de sprankelen­de zegenbede: 'De Enige, Vader, Moeder, ons diepste Zelf, zegene ons.' Na deze wens kussen ze elkaar. Er wordt omhelsd.

Zoveel vriend­schap, zoveel warmte kan niet bestaan zonder God. Deze aardige homo's en hartelijke lesbo's zijn ons onomstotelijk tot Godssacra­ment.

 

Na afloop wandel ik vredig de bloementuin in. Buiten zie ik hoe Ine binnen praat en lacht met de werkgroep. Ik zie in de stralende zon God meelachen. (Frans Boddeke)

 

Wat leeft in jouw harte

Reik me je hand

en ik zal met je meegaan

en nimmer jou vragen:

Wat is je geheim?

 

Wat leeft in jouw harte

dat laat ik daar leven

Wat leeft in jouw wezen

dat leeft daar in jou

 

Ik mag het niet raken

en niet retoucheren

Ik mag je respecteren

als mens, wie je bent

 

Wát zal ik jou zeggen

hoe jij moet wezen

hoe jij mag leven

hoe jij mag zijn

wat zal ik je doen-

en-je-laten bekijken

als ik het hart van

mijzelf, mijn diepste

verlangen, mijn eigen

bewegen, als ik mijzelf

nee, mijzelf niet eens ken?

 

Reik me je hand

en ik zal met je meegaan

en nimmer jou vragen:

Wat is je geheim?

(Ine Verhoeven)

 

Mijn goede oude socialist

Het is een zure stem. Zo'n stem, die meer de wet dan de mens liefheeft:

'Ik bel u. Mijn broer is zeer ernstig ziek. Hij maakt het niet lang meer. Binnenkort moet hij zich voor God verantwoorden. Hij moet nog een aller­laatste kans krijgen, vindt u ook niet? Hij is zo fel anti-katho­liek geworden. Verschrikkelijk. Van mijn ouders heeft hij dat niet meegekregen. Zelf ben ik zuster. Maar laat u niet merken, dat ik gebeld heb!'

Ik leg de hoorn neer en denk: 'Zo, die heeft haar geweten gesust. Nu kan ze rustig haar puddingbroodjes eten en alles doorroddelen.'

 

'Een priester aan mijn bed', schampert hij. Zijn gegroefd gezicht lijkt nog getekender.

Een moeizaam gesprek volgt. Hij is opstandig. Ik sus hem. Ik zeg dat ik zijn kritiek op de kerk best kan begrijpen, en die ook wel kan delen.

 

En zo begon het. Ik mocht terugkomen. En ik gíng terug. We voerden lange en intense gesprekken. En hij -de oude goud­eerlijke socia­list- en ik, we werden zowaar goede vrien­den. En hij vertel­de over vroe­ger. Hij gaf aan hoe grof hij zich door de kerk behandeld en genegeerd wist. En vaak moest ik hem echt gelijk geven.

Hij had pijn, Veel pijn. Veel te veel pijn: 'Geef me toch 'ns alle pillen tegelijk. Dan kan ik, nou ja, je snapt me wel.'

Ik nam de­ pillen en een vol glas water: 'Hier dan. Ik zet ze binnen handbereik. Ik vind dat je werkelijk te veel moet lijden­. Beslis zelf.'

Hij huilde zacht. Ontroerd hield ik zijn hand vast. Toen vroeg ik hem om mij nogmaals zijn levensverhaal te ver­tellen: 'Wacht nog even, vertel me eerst wat ik zeggen moet als het zover is. Ik wil in de kerk aan iedereen jóúw woor­d laten horen.'

Ik schreef zijn boodschap op: Mensen, houd toch eens van elkaar. Leef niet zo kinderachtig. Denk niet zo in kleinighe­den. Bouw de wereld óp en heb daar alles voor over.

'Wil je dit zeggen als ik tussen de plankjes lig?'

'Dat doe ik. En ik klop, als het goed gaat, even op die plank­jes van jou.' We lachten allebei door onze tranen heen.

 

De volgende dag was hij dood. Ik legde mijn hand op zijn hoofd, zalfde hem en wenste hem alle vrede en genade, daar aan de overkant bij God. Terwijl ik zo naar hem keek, zocht ik naar woorden die bij hem pasten. Die kwamen:

'Als je later stil gaat wonen in een huisje op de hei, dan begin je pas te leven, als je daar ten langen leste helemaal jezelf mag zijn.­'[1] 

Van mijn homilie maakte ik veel werk. Ook omdat het zíjn woorden waren. En omdat hij dat had verdiend, mijn goede oude socia­list.

Tijdens de absoute legde ik mijn hand op de kist en klopte zachtjes op het hout. Hij zal gelachen hebben, daar aan de overkant bij God.

 

De volgende ochtend in alle vroegte belt zijn 'genadige' zus me op:

'Fijn hè, pastor, dat ik u toen gewaar­schuwd heb, vindt u niet?'

Ik zeg dat ik in gesprek ben en dat ik haar nog terug zal bellen.

Dat is nog altijd niet gebeurd.

(Frans Boddeke)

 

Daar aan de overkant bij God

Daar aan de overkant bij God

in de grazig groene weiden

daar gaan de mensen van verzet

daar gaan de wilde meiden

 

Daar aan de overkant bij God

tussen hoge groene heuvels

daar toeven socialisten

daar toeven communisten

 

Daar aan de overkant bij God

aan de zachte groene oevers

daar liggen alle slechten neer

die lieverds van de lieve Heer.

(Ine Verhoeven)

 

Was het toen ook geen drie uur?

In Tilburg is de hemel somber. Het is drie uur.

Het college over spiritualiteit in proza en poëzie begint pas over 'n uur.

 

Ik loop de stad in en kom via de markt in het win­kelcentrum. Ik trakteer mezelf op milkshake met aardbeien. Bij de Hema overweeg ik een halve worst te verorberen, maar ik zie ervan af: de calorieën spatten me tegemoet.

Bij Kreymborg koop ik een kreukvrij over­hemd. Als ik naar buiten loop, bots ik bijna tegen een zwer­ver op. Zijn vuile, gescheurde overjas met de uitpuilende zak­ken riekt me tegemoet. Ik zou graag willen weten wat hij allemaal in die zakken mee­sleept.

 

De zwerver ziet een vuilnisbak. Hij loopt er resoluut naar toe, kijkt niet op of om, werpt een vluchtige blik in de bak, graait, en haalt een stuk boterham op. Met forse happen schrokt hij het beschimmelde brood naar binnen. Ik kijk toe. Hoe komt zo'n man toch terecht aan die kant van de wegwerpmaatschappij? Schrikt de lucht, alleen van de bak al, hem niet af? Is hij niet bang zich te verwonden aan glas of aan een spuit?

Hij loopt nu verder naar de volgende bak. Zijn dessert komt uit een kar­tonnen beker­tje. Hij zuigt slokkerig aan het rietje.

 

Hij zwalkt mijn kant op. Ik ontwijk hem en kijk in de etalage van een juwelier. Ik registreer dat een vulpen liefst f 450,-. kost. Zo'n pen ligt natuurlijk niet gauw in een vuilnisbak, anders zou ík misschien ook wel gaan graaien. Ik houd van pennen.

Hij passeert me en loopt verder. Maar waarheen? Spelen ruimte en tijd een rol in zijn zwerversbe­staan? En draagt hij überhaupt een horloge?

 

Weer terug bij mijn auto bedenk ik, dat ik hem had kunnen groeten. Ik ben toch christen? Ik ben toch solidair met de kwetsbaa­rsten?

Misschien had ik hem moeten aanspre­ken. Misschien had hij dan vannacht, ergens opgerold in een portiek, liggen overdenken: 'Die ­man, hij zág me.'

Maar wie is het die dat durft?

 

In een flash back zie ik weer dat verdrietige gezicht van die ene joodse vrouw. Ze keek me aan, door een kier van een goede­ren­wa­gon. Dat was in 1942 op het Centraal Station van Amsterdam. Ik was nog een kind, maar het lijden op dat gezicht vergeet ik nooit.

 

Tijdens het college over spiritualiteit in proza en poëzie schrijf ik met mijn lievelingspen mijn aantekeningen. Ik merk dat ik in de kantlijn opeens een kruis teken. Het is het symbool van die haveloze joodse man, die door God en alleman verla­ten aan het kruis stierf.

 

Was het toen ook geen drie uur?

(Frans Boddeke)

 

Nu ik leef

Als ik dood ben, hoef je niet te komen

breng me geen bloemen

zeg geen lief woord

noem me niet bij mijn naam

Als ik dood ben, ben ik dood

 

Nu ik leef, mag je komen

breng me bloemen

zeg een lief woord

noem me bij mijn naam

Nu ik leef, leef ik

 

Ontken mij niet, praat mij niet stuk

Want dan ben ik voor altijd gebroken.

(Ine Verhoeven)

 

Op de rots gebouwd

De kille grijsgranieten trap, die mij vanuit de drukke winkel­straat naar een stille wereld voert, staat symbool voor killer Aids.

Het Aidscentrum 'Noachs Ark' heet mij desalniettemin hoopvol welkom als inleiding op het Congres van de komende dagen. Op de balie van de receptie staat een schaal met gekleurde snoepjes. Het blijken condooms te zijn.

 

Minzame Nonne, vrouw vooraan in de dertig, lesbienne, werkt temidden van hen, die de slopende ziekte in zich dragen. In rustig engels vertelt ze hoe het virus ook in Zweden toeslaat. Er zijn veel slachtoffers. Tijdens het gesprek passeert een broodmagere jongeman met ingevallen gezicht. Hij is een van hen.

 

In het centrum werkte tot voor kort een Nederlandse priester. Hij koos echter voor het kloosterleven. Als pater heeft hij de naam Johannes aangeno­men. Johannes betekent genadig. Hij bidde.

 

Nonne brengt mij naar de bezinningskamer. Aan de muren van de ingetogen ruimte hangen tiental­len foto's, rouwadvertenties en herinne­ringsteksten.

Temidden van de aangrijpende berichten hangen schilderijen, ge­schilderd door een dokter met aids. Ze ontroeren door de wanhoop: onontkoombare vernieti­ging.

 

's Middags lunch ik bij een jonge dynamische vrouw. Haar opgewekte relatie eet mee. Twee pittige meiden, opgebouwd uit moeizaam verworven omgaan met elkaar.

Het huis is sober ingericht. De enige kostbare materie is het muziek­instrumentari­um. De gastvrouw zingt en speelt cd-tjes vol.

De twee vrouwen houden van elkaar op spontane wijze. Ze zijn aardig, ze zijn goed. Ik voel me aangetrokken door hun innemendheid.

Het huis van de Zweedse is op rotsen gebouwd. Buiten loop ik inderdaad op brokstukken rots.

'De regen viel neer, de bergstro­men kwamen omlaag, de wind stak op en ze stortten zich op dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rots ge­bouwd.'(Matteüs 7,24).

 

In de namiddag bezichtig ik Gamla Stan. Stockholm heeft bin­nenstad met uitstra­ling.

 

's Avonds ben ik te gast bij twee samenwonende mannen. De ontvangst is vriendelijk. Zweedse 'vafflor' etende bedenk ik dat het leven anders is dan de leer. Mensen die elkaar eerbie­digen, zijn kinderen Gods. Relaties hangen niet af van biologie, maar van opkomen voor elkaar.

 

Ik keer terug naar het huis op de rots. Het staat veilig. Het is gebouwd op lief­de.

(Frans Boddeke)

 

Af jij, zwarte ziel

Het leven is me gegeven

ik mag het beleven

ik mag het lachen

ik mag het huilen

ik mag, ja moet het

nemen zoals het komt

Maar ik vroeg er niet om

 

En de mannen en de vrouwen

die mijn leven gadeslaan, die

oordelen, die weten hoe mijn

hele leven moet, die poetsen

en poetsen, die mij bekijken

en stellen, die mij vertellen:

Af jij, zwarte ziel, er is

een stukje glans weggevallen

 

Bij die mannen en bij die vrouwen,

bij hen is een stukje glans weggevallen.

(Ine Verhoeven)

 

Schitterende gestalte

De laatste maal dat ik haar sprak, maakte ze aanvankelijk een afwezige indruk. Maar aan haar verwil­derde blik zag ik dat ze weer last van van alles had.

 

'Waarom laat u me schaduwen? Ik zie ze wel, die rechercheurs! Waarom stuurt u ze achter me aan?' Ik probeerde haar te kalmeren. Maar het hielp niet. Ze bleef geagi­teerd. Ze schreeuwde, verviel in hysterie en sloeg met haar vuisten tegen de kast­. En zelfs het keffer­tje deelde in de malaise. Hij staarde bedrukt naar m'n linker­schoen.

 

Het was duidelijk dat ze snel moest worden opgenomen. Dat dacht ­ook haar man, die ik 's avonds tegenkwam toen hij het keffertje uitliet.

Maar zover kwam het niet. De volgende ochtend -het zou een zonnige dag worden- verliet ze haar huis en kwam niet terug. Niemand wist van hoe of wat.

 

Ze werd gevonden in de Drunense Duinen. Men had haar losgemaakt. Ze hing in een boom. Haar fiets lag onderuit­ge­trapt in het losse zand.  

'Une faute pas' flitste in me op, toen ik in de chapelle ardente mijn hand op haar voor­hoofd legde, om daarna de deken in een laatste gebaar zachtjes terug te leggen. Een mens krijgt soms vreemde gedachten.

 

Na haar begrafenis bezocht ik haar man. Hij was onnatuurlijk rustig. Het gesprek vlotte niet. Ik wist geen bemoedigende woorden tot leven te wekken. Ineens sprak hij over de droom die hij de nacht tevoren beleefd had. Hij had gedroomd van een donkere tunnel met aan het einde schitte­rend, door­drin­gend, uitnodigend licht. Overweldigend was het geweest. Een lange stilte volgde na deze ontboezeming. Het leek alsof hij niet aanwezig was.

 

De volgende morgen hoorde ik hoe hij zich tegen middernacht voor de trein had gegooid. 'Une faute pas' dacht ik wederom.

 

De avond van diezelfde dag moest ik naar een vergadering. Ik nam de trein. Op het perron keek ik langs de rails de donkerte in. Gitzwarte verte. Uit het donker rolde aangenaam hoorbaar een schitterende gestalte naderbij. Hij had drie grote lichten: rustge­ven­de, doordrin­gende ogen, me onontkoom­baar indringend strak naar zich toetrekkend.

 

Ik huiverde en deed een snelle stap terug. Une faute pas was zo gemaakt.

(Frans Boddeke)

 

Dodenmystiek in wit

De dodenakker lonkt

ik kijk terug en zie de stenen

op de graven

waar alle lieve doden rusten

in vergetelheid

O lieve vergetelheid

hoe puur heb je mij geschoond

van alle lieve levenden

in mijn kwetsbaar brein

Het harde pad bevroren

en de gronden koud van ijs

herinneren mij aan dode dood

en alle gedroomde warme armen

en hete kussen voorbij

De dodenakker lonkt

uitdagend achter de gegoten

poort met groene lak en

schoongeboende punten van

glad geslepen staal als

sierende pieken in goud

ter bescherming tegen wat?

De stenen op de bedden zijn

vragende ogen geworden en

als deuren dichtgeklapt

smeken zij mij hen open

te breken

Ik zal het niet doen

O nee, nee, nee

Eens zal mijn versteende

lichaam toch vergenoegd

rusten in de verijsde aarde

en niemand komt kijken

als ik een geworden ben met

mijn eeuwigheid

 

De raaf zal komen in zwart

met hoge hoed en witte sjaal

Als een ekster pikt hij in

de grond die glinsterend goud

belooft

O ja, ik houd van raven

van hun kriskrasgekrijs en

hun pikkend houweel

Hoezeer verlangt mijn hart in

mij naar vergetelheid

Die dodenakker is mijn liefste

vriendin, de mannen zijn aan

mij voorbijgegaan met hun

monopolie, en voorgoed

R I P: requiescat in pace

Ik had geen naam

 

De dodenakker lonkt in wit.

(Ine Verhoeven)

 

Complete toekomst

Veertig jaar lang zorgde ze toegewijd voor haar gezin.

Veertig jaar lang kwam ze trouw naar de kerk.

Veertig jaar lang blonk ze uit in goed­geefsheid.

 

Maar dan.

Gruwelijke vrees bevangt haar. Schijnbaar ineens.

Ze is verdoemd, zegt ze. Voor eeuwig, zegt ze. Door God, zegt ze.

Wurgende angst.

Geen enkele behandeling is afdoende.

Verstikkende angst overheerst.

Geen heilige absolutie kan de hel door­breken.

Ze is verdoemd, vindt ze. Voor eeuwig, vindt ze. Door God, vindt ze.

 

Verdoemd. Voor eeuwig. Door God: is dat niet complete gekte?

 

Ik bezoek haar. Ze stelt: 'Ook jij, priester, bent verdoemd. Voor eeuwig. Door God.'

Ik leid haar af: 'Wat hangt daar een prachtige antie­ke klok.'

Ze ant­woordt: 'De tijd tikt in mijn nadeel weg.'

Het toor­nige oordeel van God sluipt per seconde naderbij.

 

Verdoemd. Voor eeuwig. Door God: is dat niet complete gekte?

 

Menselijk bestaan is bedreigd bestaan.

Maar het is niet God, die wille­keurig mensen uitkiest om de een heil te geven en de ander te verwer­pen.

Begrippen als oordeel en vergelding, hel en verdoemenis, roepen het beeld op van 'oog om oog, tand om tand'afrekening. Een strafpartij van jewelste.

De Schrift sugge­reert een heerlijk aanschouwen van God. De Bijbel spreekt van Hem als de God, die onverdeeld goed is. En Jezus van Nazaret is de grote Getuige van Gods ongebroken trouw.

 

Uit de eerste brief van Johannes, hoofdstuk vier:

'Geliefden, als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkander liefheb­ben. Nooit heeft iemand God gezien, maar als wij elkander liefheb­ben, woont God in ons, en is zijn liefde in ons volmaakt geworden. Dit is het teken dat wij met hem verbonden blijven, zoals Hij verbonden is met ons: dat Hij ons heeft laten delen in zijn Geest.'

 

God laat niemand vallen met het veiligheidsnet van Zijn liefde.

Niemand werpt Hij op de belt van de verdoemenis.

Ik weet mijn voortbe­staan voorzover ik liefde ben.

Een bemoedigend houvast.

 

Gered. Voor eeuwig. Door God: is dat niet complete toekomst?

(Frans Boddeke)

 

Passie

Zoals het Lam zich door de tijd beweegt

de zwaarte torst van alle moede daden

gekruisigd door de kruisen van het leven

dat zijn goedheid heeft verraden.

 

Zoals het Lam verdwijnt

gekromd onder vernedering

verslagen.

Zoals de vrouwe treurt

ontkend in haar verdriet

kapot.

 

Weg is de Weg, de Waarheid en het Leven.

Weg is het Geloof, de Liefde en de Hoop.

 

Het lijden heeft het lot getart tot eeuwigheid.

 

Vrouw, niet wenen.

Tranen verdampen.

Zilt doet zeer op open wond.

(Ine Verhoeven)

 

De verdronkene

Een koude maandagochtend. Op de pastorie rinkelt de telefoon: 'Ons vader is dood gevonden in het water. Hij heeft zich verdronken. Kunt u komen? We doen er wel niet zoveel aan. Maar hij is toch katho­liek.'

 

Even ben ik geïrri­teerd. Onverwacht is mijn agenda weer anders inge­vuld dan ik gepland had. Maar dan geneer ik me. Er zijn ergere dingen, zoals dit drama. Ik ga naar het beproefde gezin, dat woont in een grijze volksstraat.

De woning is kit­sche­rig ingericht: druk uitgevallen bankstel, bombas­tische beeldjes, tranen­schreiende schilde­rij­tjes, bonte ­vloerbedek­king.

Maar de mensen zijn aardig. Ze zijn direct. Ze spre­ken com­promisloos. Ze maken van hun hart geen moordkuil.

Zijn dochter: 'Kijk, vader was tof. Hij had in wezen een hart van goud. Hij haatte onop­rechtheid. Maar de laatste jaren was hij zo'n kouwe kikker. Zo ver­stard. Zo leven­loos. Zo akelig. Ons moeder had geen leven meer. Maar ze is wel bij hem gebleven. Ik zou dat nooit gedaan hebben. Hoe kon hij dat nou doen, zomaar het water in lopen? Hij kon niet zwemmen, dus dat was gauw gepiept. Griezelig, bij zo'n dun ijsvelletje.'

Zijn vrouw: 'Misschien is hij nu wél gelukkig.'

Zijn zoon: 'Eerst zien en dan geloven.'

 

Ik blijf hangen bij het schuchtere: Misschien is hij nu wél gelukkig.

Ik denk aan wat Gerrit Achterberg eens neergeschreven heeft:

Misschien weet jij een land van zoveel licht

dat hun verstar­ring er niet tegen is bestand

en drijven zij daarheen uit ons gezicht.

 

En in Achterbergs gedicht De Verdronkenen komt als kern naar voren:

Hun hoofden hebben zij bijeengelegd dien laatsten nacht.

Voor zij te water gingen hebben zij gezegd: vaarwel en wacht.

En ieder is toen voor zichzelf verdronken, want een ander

kan niet voor mij verdrinken,

maar zij kwamen weer boven en toen vonden ze elkander

onder de bruggen drijven met hun hoofden.

 

'Misschien is hij nu wél gelukkig', zei zijn vrouw.

 

Bestaat geluk?

Nu, en tot over het water?

Komen wij na onze dood boven drijven? ­

Vinden we elkaar?

Is God een schuilplaats onder de brug?

Of blijven we bij de verdronkene als kouwe kikkers?

 

Misschien is er wellicht een land van zoveel licht, dat onze verstarring er niet tegen bestand is.

Misschien drijven we wellicht met hoofd en hart in de goede richting naar vaste vredige groene grond.

God alleen weet het.

 

Misschien. Wellicht. Het ijs is een dun velletje. Ik houd mijn adem in.

(Frans Boddeke)

 

Rivier bij nacht

Het water stuwt voort

in massief, beladen met

de nacht vol dood en

leven zonder gezicht

 

Alleen het levensdriftige

in onrust zwaar, stroomt

met bronstig kloppende koppen

zonder schuim door het zwart

 

Alleen het licht van de maan

trekt aan en nodigt, nodigt

uit om mee onder te gaan.

(Ine Verhoeven)

 

In de verte dondert het

Diep inademend genieten we van de geur van de dennentakjes. Hulst met rode besjes kijkt ons blozend aan. Lopend tussen trotse bomen aan­schouwen we de fraaie bouwval­len op het rustieke landgoed. De alleenstaande toren kijkt zwart neer op de rivier: wee degene die het waagt zonder bekendmaking van identiteit door te varen. Heerlijke tijden, die vervlogen tijden?

 

Middels honderd versleten treedjes dalen we af naar de gebeukte waterkant. Dit is De Waalkade. Talloze restaurantjes geven deze kade met stijl een uitnodigend aan­zicht. We gaan een studenti­koos café binnen: houten bruine stoelen en blanke tafels met heerlijke berichten tegen de muur.

Eén mededeling valt meteen op: met grote letters staat op een kaartje SEX!! Met lichte verlegenheid lezen we toch de tekst. Een studente zoekt een kamer. Om de aandacht te trekken heeft ze 'sex' boven het kaartje gezet, en daaronder: een geintje, mijne heren! In de loop van de avond zie ik menig heerschap brutaal het sexkaartje bekijken. Een geintje, mijne heren!

Een boeiend vergezicht valt ons ten deel. De imposante brug, het vlakke water, de opkomende nevel, de windstille bladeren, het groene schip aan de kant met slingers van lichten: het geheel intrigeert aangenaam.

We spreken over trouw, moed en volharding; over belangeloos omgaan met elkaar; over geparasiteer in relaties, in huwelijken; over rechtshulp die geen rechtshulp blijkt; over mannenmacht die nog altijd heerst; over de ondergeschikte rol van de vrouw in gezin, kerk en maatschappij.

We spreken over God en de laatste dingen; over de karige affectie tussen mensen onderling; over broeders en zusters die geen broeders en zusters durven zijn; over kinderen die hun ouders het nakijken geven; over klein­kinderen wier oma wordt vervangen door opa's nieuwste liefje; over geld als het verdeelmes in families en gezinnen. We spreken over de broosheid van geluk: dat klotst voortdu­rend tegen de waterkant van het onvermo­gen stuk. 

 

Mijn gesprekspartner kijkt door het raam. De ruit wordt gebroken door twaalf houten spijl­tjes. Symbool van geketend zijn. Mij schiet trefzeker een citaat van Vasalis te binnen:

Daar zie ik ook mezelf. Alleen

mijn hoofd deint boven het watervlak,

beweegt de mond als sprak

het, een verbaasde zeemeermin.

Er is geen einde en geen begin

aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,

alleen dit wonderlijk gesleten lange heden.

 

Het daglicht wordt opgenomen in de over het water oprukkende duisternis, zoals eens deze Waalbrug overrompeld werd. De boot met de vele lichtjes lijkt nog vrolijker. In de salon zien we mensen lachend het glas heffen. Waarop?

Een eenzaam vaartuig waagt het met een kordaat zwaailichtje een weg te banen naar, ja naar waar?

De brug verdwijnt in de donkerte. Mij overvalt de gedachte dat er geen brug meer is. Er is geen verbinding meer naar God, naar mensen, naar elkaar. De brug is teruggetreden als middelaar tussen twee kanten.

 

We staan op. We moeten de honderd treedjes naar boven klimmen. In de verte dondert het. (Frans Boddeke)

 

Rendement

Dertig seringen nam ze mee

uit haar eigen tuin

steeds kwam haar voor ogen

hoe hij haar had bedrogen

ze dacht, dat 't stelen wat ze deed

zo, uit die eigen tuin

symbool stond voor hetgeen

ze nog van hem moest krijgen

 

Dertig jaren nam hij mee

zomaar uit haar tijd

ze had ze hem gegeven

en hem gevraagd: wat gaan wij doen?

zijn antwoord luidde: niets!

 

Dertig seringen nam ze mee

en dertig zilverlingen

kropen door 't zand

nog vóór ze omkeek, wist ze het...

hij had ze opgepakt

en hield ze stevig vast, omklemd

met angstig grote ogen

zij was bevrijd

en dertig munten hadden hem bedrogen.

(Ine Verhoeven)

 

Arm heilig snijdertje

Vijfentachtig jaar is hij. Zijn bril wordt steeds groter en hijzelf alsmaar kleiner. Een half jaar geleden is zijn vrouw gestorven: 'Puf.Puf. En weg was ze.' Dan tuurt hij, wazig starend, door het beslagen raam.

 

Haar dood is zijn neergang. Ze was zijn hulp, zijn verzorging, zijn toeverlaat, zijn alles. Zo was ze omdat ze van hem hield, maar ook omdat ze bazig was. 'Mijn heilig kleermakertje', noemde ze hem, omdat hij dagelijks driemaal bad.

 

Nu betaalt hij de tol van zijn door haar opgelopen afhankelijkheid.

Kinderen heeft hij niet: 'We zijn niet op tijd getrouwd.'

Een bejaarden­huis lokt hem niet: 'Ik ben niet suf.'

Maar op zichzelf wonen gaat ook niet: 'Kan ik makkelijk.'

De buurvrouw wil hem opvangen, maar hij weert af: 'Niks aan de hand.'

 

Ik druk een paar keer nadrukkelijk op de huisbel. Ik weet dat hij liever niet opendoet: 'Meestal zijn het kwajongens.'

Hij laat me binnen en we gaan aan de tafel zitten. De borrelfles rijst als een waarschuwend uitroep­te­ken tussen ons op. Een eenzaam glaasje staat er leeg en beslagen bij.

'Het was een mooie uitvaart, pastor. Zeker, zeker. En wat een volk, zeg. En er was niet eens een advertentie!'

Hetzelfde verhaal als de vorige maand en hetzelfde verhaal als al die vele maanden daarvoor. Drijf­zandge­graaf in wazige herinnering.

'Mijn vader, die was ook kleermaker. Die kon er wat van. Die had het druk. Die werkte ook 's nachts. Maar tegenwoordig? Tegen­woordig krijgt de jeugd alles cadeau. En oude mensen zijn maar restjes. Treurig, treurig. Tegen­woordig is het maar niks. Mijn vader stond bij het raam. Hij zei tegen mijn moeder: 'Hé, het sneeuwt' en hij piepte hem.'

Ik stel wéér de hamvraag: 'Kunt u zich wel redden, zo als man alleen?'

Hij reageert fel, te fel:

'Ja makkelijk. Heel makkelijk. Mij krijg je hier niet uit. Ik heb toch niks verkeerds gedaan? Het is al zot, dat zij van hiernaast een sleutel heeft. Ze zeurt me de kop gek. Laat ze liever dat rotjong van haar opvoeden.'

Hij is duidelijk ontstemd. Nukkig tuurt hij inene in de krant.

Ik sta op: 'Als ik u met iets kan helpen?'

 

Onderweg naar het volgende adres denk ik na over het inhoudelijke van dit korte huisbezoek. Niet alleen zijn ramen zijn beslagen. Welke driemaal daags biddende heilige kleermaker zou dit vergrijsde stoffen leven weer opnieuw kunnen bekleden? Wie scheurt het wolkendek voor hem open en wie warmt hem ooit nog eens op met van die zachtzijden zonnestra­len?'

 

Misschien kan zijn vrouw hem van boven af met de manteld er liefde bedek­ken. Maar ook het hemelraam lijkt beslagen. De hemeldeur wordt niet geopend. De hemelbel is denkelijk stuk.

 

Zijn liefste. Zij zwijgt in de doodste stilte. Arm heilig snijdertje. (Frans Boddeke)

 

Ik zal jouw voedsel zijn

Kom, ga je scharen

bij mensen uit dorpen

uit steden, uit landen

kom achter Mij aan

 

Kom mee naar die berg

naast spiegels van meren

bij groen van de grassen

kom, laat ons gaan

 

Strek uit je armen

en open je handen

dan krijg je mijn gaven

kom, wil Mij verstaan

 

Eten we samen

van brood en van vissen

In woord en in daden

kom, neem van Mij aan          

 

Kom onder de zon

en onder de manen

beluister mijn woorden

om nooit te vergaan

 

Ziedaar, de hemel

de vliegende vogels

zo hoog bij de wolken

kom, wil met Mij gaan

 

En zo zal Ik dragen

door nachten, door dagen

-allen, die vragen-

naar God, onze God

 

Ja, Ik zal jouw voedsel zijn

altijd jouw adem zijn

altijd jouw leven zijn

jouw lief zijn in God

Naar Johannes 6,1-15.

(Ine Verhoeven)

 

Alle lichten branden

Bij nacht en ontij belt hij op. Soms huilt. En huilen is, als een man sníkkend huilt, dubbel naar. Onwillekeurig houd ik dan de hoorn wat van me af. Ook híkt hij als hij snikt. Drank, tranen en onmacht. 

 

Zijn vrouw is van hem weggelopen en ik denk terecht. En hoewel hij geijkt de mond vol heeft van zijn ingebeelde overtuiging 'Man en vrouw zijn één tot in de dood, zo wil God het' is hij voor zichzelf uitgesproken mild betreffende deze bralzin. Sinds het vertrek van zijn vrouw is hij een rokkenjager bij uitstek. Nood veran­dert nu eenmaal de moraal, en de wet geldt inene alleen voor de ánder. Met zijn verlopen kop lijkt hij me nog weinig aan­trekke­lijk voor een 'nieuw aardig vrouw­tje'. Ja, drank maakt meer kapot dan hij­zelf denkt te denken.

 

Waarom drink je?

Om te vergeten.

Om wát te vergeten?

Om te vergeten dat ik me schaam.

Waarom schaam je je zich dan?

Omdat ik drink.

-Antoine de St.Exupéry-

 

Ieder telefoongesprek eindigt steevast met de belofte 'Ik heb nog geld voor de parochie.' Tot op heden niets ont­van­gen.

Als ik het niet met hem eens ben, doet hij wat veel mensen in hun machte­loosheid doen. Dan haalt hij het kerkelijk gezag erbij.

'Het is goed voor de priesters dat er een degelijke, echte, katho­lieke bisschop is. Hij moet jullie maar eens goed aanpakken. Zo wil God het.'

Drank geeft een mens blijk­baar ook grootse visies op Gods bedoelingen.

 

En dan plotseling zweert hij om nóóit meer een fles aan te raken. Zo wil God het.

'Vanmiddag om drie uur heeft Jezus mij gered. Ik heb alle flessen buiten op straat stukgegooid. Ik zal nooit meer drin­ken. De Heer zei: 'Tot zo ver en niet verder.' Ja echt, dat zei de Heer. Ik was ineens volkomen nuch­ter. Alle lichten in huis gingen fel branden. Zo wil God het. Er is hoop voor mij. De kracht van God heeft me gered. Het Heilig Hart heeft me op de vingers getikt. Maria heeft me toegelachen. Ik heb zwakke zenuwen. U heeft ge­lijk: drank lost niets op.'

 

De drank lost het in zekere zin wél op. Hij wordt dood gevon­den met twee lege flessen naast zich. Alle lichten in huis branden fel.

Zo wil God het niet.

(Frans Boddeke)

 

Adem mij

Adem mij, adem mij

adem van mijn leven

laat mijn laten en mijn doen

van jouw adem zijn

geef kleur aan mijn gelaat

straal lichten in mijn ogen

doe jou bewegen in mijn lijf

beweeg mijn lippen

vorm mijn mond

en spreek in mij jouw taal

gun mij jouw adem in mijn lach

streel jouw sprankels langs mijn huid

en adem mij voorgoed, voorgoed

Adem mij, adem mij

adem van mijn leven

adem mij tot leven

adem met mij mee

in rust

reis dan met mij

ten leven op, voorgoed

opwaarts ten leven

adem mij, adem mij

adem mij voorgoed

Pinksteren 1997.

(Ine Verhoeven)

 

De dood is soms vrolijk

De ondernemer zorgt dat ik ruim vóór de familie in het crema­torium ben. Merkwaardigerwijs heerst achter de coulissen in het dodenhuis altijd een opgewekte, ja zelfs een ietwat overmoedige sfeer. De zwarte draagvaders maken dan onder elkaar gewaagde grap­jes. Waarschijnlijk om de kwade geesten te verdrijven. Te veel dood roept grappig cynisme op. Het leven en de dood.

 

Ik word vrolijk welkom geheten met het onschuldig vraagje erbij: 'Wilt u hierna nog een diens­tje doen? Anders wordt het voor die mensen zo'n kale boel. Hier is het bidprentje. Dan weet u iets. U maakt er wel iets van.'

Ik veraf­schuw dat terloopse optrommelgedoe. Ik vind een dienst, zomaar uit de lucht gegre­pen, een serieus tekort­schieten tegenover de dode en de familie, maar ik be­denk ook: 'beter iets dan niets.' Ik zeg 'ja' en de dodendien­ders zijn weer 'ns opgelucht. Het werk en de dood.

 

De ondernemer krijgt van alleman een ferme knip­oog, of­schoon hij, zodra hij zijn hielen heeft gelicht, het middelpunt is van achter­klap en gekheid. De vrouwelijke assistente van het cremato­rium­we­zen trip­pelt licht­voetig heen en weer over de granieten vloer. Ze is, zoals de aanspre­ker het begrip EHBO vertaalt, de 'Eerste Hulp Bij Omgeval­le­nen'. De vrouw en de dood.

 

Ook de lege aula ademt vóór de dienst niets droevigs. De kist wordt zwierig met een stijlvol bochtje binnenge­reden. De bloe­men worden onder zacht gefluit gerang­schikt en een aangetast stukje vloer­kleed wordt handig met een weel­derig bosje bloemen bedekt. Eén kaars wil niet branden. Dat ontlokt: 'hier is wel méér het licht uitge­gaan.' De humor en de dood.

 

Als alles verzorgd is en het juiste bloemstuk op de juiste plaats ligt, bespreekt men op aangepaste toon, maar niet minder heftig, de weer 'ns tegengevallen prestatie van Ajax. 'Wa­arde­loos! En die Arena­mat kan niet op tegen het gras van ons dorpskerkhof', klassineert de jongste zwarte­ling. Hij beklem­toont zijn zegje door licht op het deksel van de bloemversierde kist te trom­me­len. Hij gaat er blijk­baar vanuit dat de dode ook in het uurtje vóór zijn verbranding het voetbal w­el­gezind is. De sport en de dood.

 

Daar is de beproefde familie! Interessant nu is de per­fec­te rolwisse­ling. De ge­zichten van de hanzen staan in een oogwenk op volle ernst. Iets te nauwe jasjes worden dicht­ge­knoopt en de hoofd-undertaker buigt in stijl naar links en naar rechts. De jongste gildebroeder vouwt eerbie­dig zijn trom­me­lvin­gers. Het ge­bed en de dood.

 

Och, zo gaan die dingen nu eenmaal. In het huis van de onder­gang zijn de doden onbekend, dus onbemind. Ook die zwarte slipjassen moeten Deo volente overleven. Wat gedaan moet, wordt voor het oog van het kerkvolk goed ge­daan. En mag men méér vragen? Meeleven met acht families per dag wordt automatisme zonder meeleven met die acht families per dag. De gewen­ning en de dood.

 

'Prima dienstje, pastor', zegt een van de zwartraven na af­loop. 'Mooi, en kort genoeg. Dat lange gemekker haalt niets uit. Dat doet de fami­lie geen deugd. Nee, en dan die domi­nees! Die zeuren zo! Die zijn altijd over tijd. Ik zie u nog wel.' Haastig stapt hij, waarachtig gelijk een zwarte raaf, weg naar de volgende familie. Het brood en de dood.

(Frans Boddeke)

 

Er is een mens voorbij

Als een spin spint de dood

een kroon rond het hoofd

van haar uitverkoren lief

 

Zij tikt aan zijn hart

met knokkels van haar vingren

en grijpt hem graaigraag

met botbenen armen en

zij vergulzigt zich aan hem

en verslindt zijn ziel

met een naarstigheid van

een dorstigheid, te lessen

op het heetst van een

zonnige zomerdag

 

En weer is er een mens voorbij

 

Het leven van een mens voorbij

gegaan door tijdenwet van dood

onderweg naar verre eeuwigheid

 

En weer is er een mens voorbij

 

Een mens ontstaan uit zaad

door grond gevoed, ontkiemd,

volgroeid, gedragen en dordood

weer teruggelegd in aarde;

teruggelegd in de huls

van afgestorven zaad dat ooit

ontsproot uit niet om niet

 

Er is een mens voorbij

Herinnering aan Henk Manders CssR

Ine Verhoeven)

 

Zonnebloemen

De Zonnebloemboot vaart tussen het wuivende riet van de Bies­bosch. Het klotsende water brengt verborgen vogeltjes ijlings tot leven, ze vliegen vleugelslag naar een rustiger oord.

 

Het is vandaag feest voor de zieken en de gehandicapten. Een hele dag níét op dezelf­de kamer, níét in dezelfde omgeving. Normaliter kunnen zij zich niet ijlings verplaatsen, normaliter zijn ze vleugellam, soms gebonden aan een té rustig oord.

 

In de salon raak ik in gesprek met een jonge vrouw van tweeëntwintig jaar, die samen met haar moeder aan boord is. Door haar reuma is ze afhankelijk van haar moeder. 'Ik stoot wel tien maal per dag mijn knie. Maar dat kleurt goed bij mijn broek.' Ze wijst naar haar verschoten blauwe jeans. Om opgeruimd en levensblij te blijven, relativee­rt ze met humor.

Enthousiast vertelt ze over haar vliegtrip naar Engeland. Dat dat mogelijk was! 'Ik heb een uitke­ring. Mijn opa heeft ons de reis cadeau gegeven.' Haar moeder valt bij: 'Ja, haar vader liet ons stikken. Maar zij is mijn geluk.' Ze lachen tegen elkaar. 

 

Een andere vrouw, zo rond de dertig, vertelt over haar twee lieve kinderen en haar goede man. Ze lacht, ze praat, ze rookt een shagje. Ze ziet er blij uit, al is ze haar beide benen kwijt. Ze stelt gedecideerd: 'Je kunt beter dít hebben dan reuma. Ik beschik over een aangepaste wagen en ik kan weggaan wanneer ik wil. Thuis schar­rel ik wat rond op míjn manier. Natuur­lijk heb ik de pest aan die rolstoel. Maar het is wel een uitkomst! En, o ja, ik léér zelfs. Wat? Lach niet. Ik heb lees- en leer­moei­lijk­heden. Altijd al gehad. Maar ik wil vooruit. Mijn kinderen gaan naar de basis­school en komen met allerlei vragen aanzetten. Aan een ook nog stomme moeder hebben ze natuur­lijk helemaal niets.' Ze kijkt me guitig aan en vertelt en passant dat ze een gelovige aard heeft.

 

Ik loop naar een man. Hij zit alleen. Ik zie dat hij blind is en ook zijn beide benen mist. Hij zit voor het raam en 'kijkt' naar buiten!! Hij rookt een filtersigaret. Hij zegt: 'Ik mag niet klagen. Alleen, ik kan geen asbak vinden. Verder gaat het pri­ma.'

Ik haal een asbak voor hem. Zo'n man gun je toch zijn rokertje.

 

Later op de dag zingen we een zonnige smartlap:

Laat de zonnebloem maar bloeien

zaai haar uit al waar je gaat

laat haar overal maar groeien

zij is waard dat zij bestaat

laat schijnen de zon over het land

ziek en gezond bijeen

bewaar steeds de pit, die er in zit

mooier is er geen een, geen een.

 

Zonnebloemen stralen hun kleur en zaden naar de zon. Die kaatst alle moois weer terug. Op zieken en gezonden. Zo ervaar ik het tussen deze zieken, al varende op die zonnebloemenboot. 

(Frans Boddeke)

 

In harmonie vol lief

Als harten verstenen

als stemmen verharden

als blikken verstarren

als de hand niet meer wuift

als de voet niet meer gaat

over paden van vrede

als geen zieke bezocht wordt

geen naakte gekleed

als de hongerige mens

niet herkend noch gevoed wordt

met het brood en de wijn

die voor elk zijn bedoeld

als de moraal mensen adem

beneemt, ja, als wetten

het winnen van God onze God

dan is de boodschap van liefde

verloren en zullen holle

cymbalen en ontstemde citers

slechts resten met klanken

in vreemde naargeestige

kakofonie, slechts kakofonie

 

Maar met handen in handen

en ogen naar ogen

en armen om armen

en kleden op huiden

en lachen na tranen

en broden voor harten

en wijnen voor zielen

van God onze God

dan zullen mensen samengaan

samengaan en blijven geloven

en hopen op lief, samen lief

dan zal het altijd amen zijn

in harmonieuze harmonie

in harmonie vol lief

 

Amen, laat het amen zijn

in harmonie vol lief.

(Ine Verhoeven)

 

Inhoud

1    Ook Luctor kwispelt niet

1a   Tranen

2    Als ze omhoog gaan, klappen we

2a   In de zon van de ziel zal mijn leven zijn

3    Ik weet niet hoe het verder ging

3a   Kinderziel

4    Drie kruisen en nóg een

4a   Lentenacht in maart

5    Zalig de dieren

5a   Lage zwaluwen

6    Ouwe jongen, één, twee, drie!

6a   Ritme in leven

7    Rusteloos

7a   Ongeheeld

8    Uitgewandeld

8a   Dans mee

9    Wat voert God toch uit?

9a   God slaapt in mij

10   Mijn bloed staat dan even stil

10a  Maar mijn raaf niet

11   De hel naar fabeltjesland

11a  Helse schimmen in verleden

12   Zij zijn een teken

12a  Adonaï, doe mij jou dragen

13   Niksnakkers

13a  Kom laat me je raken naar God onze God

14   God helpt haar

14a  Adonaï, Hij zij geloofd!

15   Al tien jaar 'n boerenkool

15a  Genade op genade

16   De Here

16a  Ieder zal mijn liefste kennen

17   Jaja

17a  Opgericht

18   En die ondernemer zei ook nog: tot ziens

18a  Wonen zal ik in Jou, mijn God

19   Die ene niemand

19a  De muren hebben armen

20   Zuster Hartelapje

20a  Kind van God

21   Hardstikke katholiek

21a  Zalig de Niemanden

22   Sacramentele vrouwen

22a  Heb ik je tranen gedroogd

23   Nana van de koeliedrijver

23a  Til mij over grenzen

24   Een engel wiekt op

24a  Aanklacht

25   Hij heeft een springerig kind gestolen

25a  Het kindje

26   Ja, jongen

26a  Jouw warme stem

27   En wat kun je verder dan nog?

27a  Een niemand in het water

28   Bij de engeltjes

28a  Heeft de dood je gewaarschuwd, mijn lief?

29   En God lacht mee

29a  Wat leeft in jouw harte

30   Mijn goede oude socialist

30a  Daar aan de overkant bij God

31   Was het toen ook geen drie uur?

31a  Nu ik leef

32   Op de rots gebouwd

32a  Af jij, zwarte ziel

33   Schitterende gestalte

33a  Dodenmystiek in wit

34   Complete toekomst

34a  Passie

35   De verdronkene

35a  Rivier bij nacht

36   In de verte dondert het

36a  Rendement

37   Arm heilig snijdertje

37a  Ik zal jouw voedsel zijn

38   Alle lichten branden

38a  Adem mij

39   De dood is soms vrolijk

39a  Er is een mens voorbij

40   Zonnebloemen

40a  In harmonie vol lief    



    [1] Cor Ruys.