Ine's dagboek
Ine’s dagboek lees je van onder naar boven, d.w.z. dat je naar beneden scrolt om de dag te vinden die je wilt lezen. Op die manier lees je in de juiste volgorde. I.V.
Aantekeningen van 11 en 12 maart
Dinsdag 11 maart
Storm. En morgen moeten we naar Roermond. Ik voel me niet écht gerust in de wagen als het stormt, er komt ook regen en hagel en onweer, het is meteorologisch voorspeld. Wel, beter is het nu rustig te gaan slapen. Wat morgen is, zullen we wel zien, het is immers kome wat komt. We hadden vandaag een roerige dag met veel te doen en met veel nieuwigheidjes. Welterusten zus, het is onderhand mooi geweest voor vandaag.
Woensdag 12 maart
Telkens ben ik de kluts kwijt in de dag en de datum, het lijkt wisselend maandag en zaterdag en zondag, dat soort verwarring. Maar het is woensdag, ik prent het me in - mag je nog hopen dat geen woensdag blijft voor de rest van de week, vanwege de wankele memo. Maar het komt door gisteren, op een ongewone manier was ik al vroeg op pad om reserveringen te doen voor een ophanden zijnd feestje. Dat heeft de verwarring gezaaid. Het waren trouwens bijzondere beelden in Grave. Wie er dood was, weet ik niet, een belangrijke vendelzwaaier, geloof ik, maar het was een indrukwekkende stoet van hooggehoede mannen in kostuum die in de vroege ochtend langs trok richting kerk; een hele eer als je gestorven bent en begraven wordt en je krijgt als eer zo’n imposante begeleiding. Een geschokte vrouw in de Gouden Leeuw werd er niet goed van, ze vond het griezelig, dacht ik, en zei erbij dat iedereen maar aan het doodgaan was, het was haar te veel aan dood en ellende, tegenwoordig. Maar dat heb je als je ouder wordt, we weten het wel, de generatieboom raakt leger en leger, en het is ook niet fijn. Wij, de broze achterblijvers van vandaag, zoeken naar allerlei richtingen om de laatste tocht nog een poos te ontlopen, om de dood te ontduiken, zal ik maar zeggen, om nog een mooie poos zorgeloos mee te mogen doen in het land van de levenden. Het is nog steeds de moeite waard.
Die storm! Sybil heeft ons aandeel aan de Wittemse redactievergadering in Roermond afgeblazen, precies in de trant van de bovenmatig wilde wind, het spookt op de weg. Albert. kwam ook al wat later met de boodschappen, die ik trouwens als de wiedeweerga in de koelkast en vriezer moet opbergen, zie je wel: bijna vergeten, zo gaat het dus.
Voor mijn verjaardag heb ik aan Olivier een hoofdkussen gevraagd, een heerlijk zacht en toch weer stevig genoeg, weldadig hoofdkussen, ik heb weer veel last van mijn nek en schouders, vandaar. Van Boudewijn krijg ik het nieuwe boek van Huub Oosterhuis: Wie bestaat, hij heeft het alvast beloofd. Ook vraag ik een haffeltje biologische zonnebloempitten en verse hazelnoten aan mijn gasten, en ik zou graag een goede notenkraker ten geschenke willen krijgen; zijn dat geen ideale cadeau’s voor een 65-plusser? Ik hoef geen hebbedingen meer te ontvangen, ik heb er al zoveel, en ook niet te veel bloemen, die gaan dood, ik word er treurig van. Een potje Engelse jam, of Engelse chocolade, of Engelse thee, het is me allemaal fijn om te krijgen als verjaardagsgeschenk, en éér dan voldoende; eigenlijk hoef ik helemaal niks voor mijn verjaardag, maar men komt niet graag met lege handen, dat snap ik ook wel weer.
Deze week is druk bezet met o.a. de bezinnigsdag en de viering voor de Veertigdagentijd en volgende week is ook de Goede Week volgeboekt in heiligheid. Wat een mooi leven, eigenlijk, tel je zegeningen, zus, ze zijn er plenty.
![]()
Aantekeningen 9 en 10 maart
Zondag 9 maart
Zondagavond, het is nog net geen nacht. Ik had naar Paul de Leeuw gekeken en me verbaasd over zijn fysieke conditie en intelligentie, over zijn snelheid van reageren, alert als hij is op alles. De uitspraak van de Rijdende Rechter beviel me wel, ik had het zo ongeveer ook gedacht. De opdringerige streaker werd weggezet met een koekje van eigen deeg. Het was een belachelijke actie met een even belachelijke reactie, da’s mooi in balans. Overigens, het was schattig om te zien hoe Pauls vriend met hun twee jongens in de zaal zat; twee kleine zwarte kinderen met een van de blanke papa’s, dat is toch een beeld om blij van te worden?
Boudewijn bracht gisteren een bosje tulpen mee, ze waren nog van onbestemde kleur, groen in de knop, zal ik maar zeggen, maar vanmorgen stonden ze in geel met oranje pril te pronken in hun jeugdigheid, fris en rank, prachtig en vooral lief dat ik ze van hem gekregen heb, zomaar op een zaterdag.
Dochterlief zit in Lapland en zoonlief in Frankrijk. Of zijn ze alweer onderweg naar huis? Zij trok vandaag met de hondenslee door de Zweedse sneeuw en hij heeft geskied in de Franse bergen. Een enkele foto is al binnengekomen per laptop.
Maandag 10 maart
Het was vandaag vroeg uit de veren, eerst naar de tandarts, toen thuis ontbijten en daarna meteen weer verder naar de fysiotherapie. Het waait enorm, tot stormachtig toe, de morgen is grijs, al voel ik me niet neerslachtig hierdoor. Ik ben wél bekaf en ga op de bank uitrusten, nee, eerst de vogel sproeien en dan uitrusten. Ik had de dierenarts nog even gebeld over de medicijnen, alles opmaken behalve het medicijn voor de luchtwegen, dat mag herhaald worden. Nou zeg, het gaat de goede kant op, nu nog de groene veren terug op haar frontje en pootjes, wat zal ze knap zijn, ons dametje!
Overigens, Conner wordt erg lang en wijs en met de dag volwassener, wat gaat dat snel! Flemming heeft een knappe bril op zijn knappe neusje en hij is er nog hartstikke blij mee ook, hij is zó bijzonder, dat jong. Het waren een paar heerlijke, gemoedelijke en vertrouwde uurtjes, op zondagmiddag bij Asha, en we hebben samen knus gebruncht.
![]()
Zaterdag 8 maart
Vanwege deze Internationale Vrouwendag ontving ik lieve, vrouwelijke berichten van enkele meelevende vrouwen; ik stuurde in reactie hierop mijn expliciete groeten op deze merkwaardige dag, want dat is het vandaag toch wel een beetje, en al kan ik zelf niet zoveel met deze dag, iemand anders misschien wel. Het is in mijn bevinding meer een dag voor de onderdrukte vrouwen in de derde wereld en in andere landen waar het fenomeen vrouw met rechten niet bestaat. Persoonlijk heb ik niet zozeer een Vrouwendag nodig, ik klaar het wel, vergeet daarbij niet dat we leven in een rijk, tamelijk verwend en zeer geëmancipeerd vrouwenland dat Nederland ís. Ik loochen echter niet de problemen die veel vrouwen in een eventueel vrouwonvriendelijk milieu moeten ondergaan. Dit is mijn mening over de Internationale Vrouwendag die jaarlijks plaatsvindt op 8 maart.
![]()
Woensdag 5 maart
Wat zou een mens ongecompliceerd gelukkig kunnen zijn, elke dag opnieuw. Maar een mens heeft zijn besognes, ook elke dag opnieuw, en ze zijn alle van verschillende aard. Je moet steeds alert zijn: wat is er vandaag te doen? Wat geeft mijn agenda aan? Wat mag ik niet vergeten? Wie mag ik niet vergeten? Waar moet ik vandaag naartoe? Enzovoort. Mijn dichterlijke brein vaart er wel eens wel bij, soms vloeit er een mooie tekst uit voort, maar niet alle dagen, natuurlijk. Maar dat complexe van je dagen, heeft dat nou echt iedere mens? Ik heb het gevoel nooit echt tot rust te kunnen komen omdat er altijd wát is, maar tegelijkertijd besef ik dat dát het hele leven is, dat dat léven is. Toch, soms een momentje van volkomen overgave aan even heerlijk niets… het zou me behagen.
Vanmorgen heb ik de dierenarts gebeld om verslag van vogel Lorita’s huidige conditie te doen. Volgens mij gaat het goed vooruit met haar. Ze zat te zingen en te roepen toen ik met de dokter sprak. En dit: dadelijk ga ik de wilgen knotten, de fruitbomen snoeien, allemaal voor háár, voor haar lieve lust, want ze wil haar snavel botvieren, nu heeft ze enkel een door mij gevlochten bijttouw en een ontdooid wilgentakje uit de vriezer van de vogelkoopman, ze reageert er nauwelijks op, laat het zonder belangstelling met een plof op de kooigrond vallen. Heerlijk, ik heb een gegronde reden om de wijde natuur in te trekken, mét snoeimes. Ik zei tegen de dierarts: dat mag toch niet? Hij zei: moet je niet vragen, gewoon doen, het is nog goed voor de bomen ook. Och, denk ik vergoelijkend, ik heb maar een heel klein beetje nodig, een enkel takje voor de bijt. Maar zo’n uitstapje heb ik eerlijk gezegd nog nooit gemaakt. En nu óp naar de wilgen, waar ze ook staan! We gaan natuurvorsertje spelen. Nou, wat dat betreft: we zagen gisteren op tv Vroege Vogels, een heel interessant en schoon natuurprogramma, de moeite waard om naar te kijken.
![]()
Maandag 3 maart
In de laatste Rondom tien handelde het over de Pil van Drion (Rechtsgeleerde Huib Drion in 1992). Het was bijzonder interessant om te horen en te zien hoe men reageerde op de vraag of de Pil van Drion mag worden gelegaliseerd voor mensen die ‘klaar zijn met het leven’. Minister Els Borst had in de jaren ’90 al gepoogd de pil legitiem te maken, maar dat mislukte. In het gezelschap van Rondom Tien was een oude dokter, ex-huisarts, hij pleitte voor legalisering en onderbouwde zijn wens met harde en geldige argumenten, maar een CDA-minister, ik weet haar naam niet meer, weigerde begrip te tonen voor zulke mensen die het leven niet meer aankunnen, die het leven hebben gehad, dus ermee klaar zijn. Zij hamerde vooral op de moderne pijnbestrijding bij ondragelijk lijden: ‘pijnlijden hoeft niet meer,’ hield ze vol, en ging daarmee zonder reëel antwoord aan de werkelijke vraag voorbij. Het is een moeilijk item, niemand ontkent dat. Maar als ik aan mijn ouders denk, en dat doe ik vaak, en weer terugzie hoe ze hebben geleden aan het eind van hun erbarmelijke levensdagen, dan denk ik: wat was het humaan geweest als we hen hadden kunnen verlichten; zo verging het ook mijn broer N., ongeveer twee jaar geleden. Hij zocht in zijn wanhoop en machteloosheid in zijn woning naar middelen om in te kunnen nemen, maar er was niets bepalends te vinden en er was ook niemand die hem hielp; helemaal verkankerd ging hij langzaam tergend dood, wellicht uiteindelijk met een extra stoot morfine, wie zal het zeggen, maar zelf had hij het anders gewild, eerder en humaner, och arme ziel; kijk aan, als mijn vogel lijdzaam zou moeten sterven, dan mag ze worden geholpen, maar je liefste mensen en jij zelf, als het zover is gekomen, niet; allerlei nauwgezette wetjes maken de lijdensweg alleen maar ingewikkelder en daardoor heviger, triester. De oude dokter zei echter, dat er op de korte duur een moment zal komen waarop de Pil van Drion wordt vrijgegeven en zoals het thema van Rondom Tien luidde: dat die pil dan voortaan legitiem op je nachtkastje ligt. Kijk, en dát vind ík weer luguber, want daar hoort een doodspil niet. Men moet in evenwicht zijn, in balans zijn om zover te komen, om een dergelijk ‘medicijn’ in huis te mogen en te kunnen hebben; maar ik denk serieus dat ons land, dus ons volk, er nog niet klaar voor is, bovendien hebben we zowat met ons állen onze christelijke moraal, die moet je als gelovige mens niet geringschatten. Maar alles, echt alles heeft twee kanten, ook het christelijke denken, ook de Pil van Drion, ook de uiteindelijke wet die instemt, of niet. Vooral de integriteit van mensen is aan zet bij een dergelijk instrument van dood of leven, en ach, wat is de wetenschap hard vooruitgegaan in de tijd en wat zijn ook de levensproblemen hard meegegroeid. Moge de ware wijsheid ons mensen van 2008 en later het juiste oordeel verschaffen én de evangelische beslissing in de ware liefde voor de medemens. Het is nogal wat, dit onderwerp, daar ga je echt niet slordig mee aan de haal.
![]()
Zaterdag 1 maart
Storm op 1 maart 2008. Vannacht heb ik het slaapkamerraam stilletjes dichtgedaan omdat de wind te hard rond het flatgebouw gierde. Wat ben ik weer moe, afgemat noem ik het, denkelijk van de vele autoritten op langere afstanden van de laatste tijd, ik neem me voorlopig liever ernstig in acht, ik voel dat het wijs is. Behalve de wind is het hier rustig vandaag, met veel grauwe momenten vanuit de hemel, alles daarboven is regengrijs. Wat een onrust biedt anderzijds het nieuws op de televisie, er is veel te veel beroering door de film van Wilders die nog niet uitgekomen is, niemand weet wat erin te zien is, maar overal is de dreiging al voelbaar, die van geweld en ondergang. De wereld heeft geen rust meer, de mensheid is verdeeld, er heerst angst en ook agressie; waar gaat het naartoe? We moeten dialoog voeren, zegt men, maar hoe wil je dat doen bij zoveel onbegrip en onwetendheid, bij zoveel fundamenteel verschil in cultuur bij de partijen? In tijd van nood leer je bidden. Het is nog waar ook. Laat ons het toch goed houden in onze eigen kleine kring, want in het klein begint de grote wereldvrede. Je mag de hemel smeken om wijsheid en inzicht voor de groten der aarde, zij moeten beslissen en bepalen en vooral leren samengaan met elkaar in vrede en harmonie. Eigenlijk is het onbegrijpelijk dat men nog altijd niet in staat blijkt vrede te scheppen. Misschien ben ik daar wel zo moe van.
![]()
Vrijdag 29 februari
We waren naar Vinkel gereden om de belastingpapieren af te geven aan de consulent, we reden binnendoor in dat stukje Brabant dat ons altijd boeit en aan vakantietijd doet denken met zijn ruime weilanden, prachtige boerenhoeves en vele landerijen. Brabant is soms er mooi, maar overal ter wereld is het erg mooi. Toen we volgens de bedoeling naar Grave terugreden, via de boekhandel van de abdij van Berne waar we deze keer geen koffie kregen terwijl we er op dat moment naar smachtten en allerlei nonnen aan de leestafel zagen zitten met koffiekopjes voor hun neus, zagen we het huis van Annelies, het was witter dan ik me herinnerde, en we dachten: hoe zou het met haar zijn? In de kroeg lazen we in de Graafsche Courant haar overlijdensadvertentie en we spraken over haar dood en haar persoon met de waardin van De Gouden Leeuw. Ik ben blij en dankbaar dat ik Annelies heb mogen kennen, zei ik en meende het oprecht. Ik ook, zei Olivier. Er gebeurde van alles in mijn binnenste en ik zag Annelies in gedachten terug zoals ze zich altijd presenteerde, ik dacht beduusd: ik heb een zus verloren, een intellectuele Brabantse ziel die in het leven zichzelf was gebleven. Toen schreef ik wat woorden op en zinnetjes, ik zal ze uitwerken, straks als ik wat gerust heb. Ik maak een kleine ode aan een grote vriendin die gestorven is en morgen wordt begraven, dat gebeurt vanuit de Elizabethkerk aan de Markt in Grave. Enfin, dit is het leven en er vallen gewoontegetrouw steeds meer bladeren van de generatieboom, zal ik maar zeggen, we verdwijnen allemaal, een voor een; langzaam maar zeker varen de zielen van onze tijd allemaal op ten hemel, je mag het tenminste hopen.
Annelies van Dooren
10 juli 1942 - 25 februari 2008.
Beeldend kunstenaar
Voor mij Onvergetelijk
Denk aan jou
De wind speelt met liguster bij de kroeg.
Ik zie jouw huis in witte glorie stralen
alsof zijn muren waren opgepoetst ten groet.
Jij bent niet meer,
terwijl je lachend neerzit, weer
in de zon van vorig jaar,
je heft het glas omdat ik jarig ben
en praat in alle talen,
spreidt intellect ten toon
en spreekt van hoge kunst.
~
Je handen waren smalletjes,
je lijf was aangetast,
je wist het wel, al wist je niet
wanneer het slot zou komen.
Je sprak nadrukkelijk, zei: ik ben katholiek.
Ik ben een kunstenaar van Brabant grootgebracht.
En je lachte, huilde, sneerde, vleide, dronk;
je rookte veel, want wat zou stoppen baten?
Ach kleine vrouw, groot mens in je bestaan,
markant en kleurrijk, hoe stil ben je gegaan.
~
De wind speelt met liguster bij de kroeg.
Je huis staat onbewoond in wit met
schelpenbord en groene deur,
met zwartogende ramen, hoog en oud.
Je bent er niet, je bent voorbij, en weg.
Er rest nog de herinnering, een foto,
biervilt met adres, je handschrift in perfectie;
en ik weet nog hoe je groette en je kleedde
en sociaal was, je hart van goud liet zien, me
verse noten gaf en eenzaam, nog even, achterbleef.
Bedankt voor je hartelijke vriendschap.
© Ine Verhoeven 29 februari 2008.
Aanvankelijk geschreven in De Gouden Leeuw te Grave.
![]()
Donderdag 28 februari
In mijn droom waren overal de mooiste rozenbottels gedrapeerd in vazen en langs lichtgeschilderde muren, het was wonderschoon; ze hadden hun warme bottelkleur rood met een vleugje oranje, ik dacht: wat zijn die bloeiende knoppen schitterend in hun soort, ze zijn de vrucht van de roos, een en al levenskracht, berstensvol vitaminen voor vogel en mens, misschien niet genoeg erkend. Ik was gisteren om half tien gaan slapen, stond om half negen vanmorgen op met mooie plannen om de dag aangenaam te doen verlopen; eerst verzorgde ik de vogel die een papje maakte van haar voer dat ik met medicijntjes had aangeraakt: ze mengde al etend en wroetend de kiwi met de brokjes en de appel, die in een partje toch nog half overbleef, maar ze had intussen wel opgegeten wat ze in eerste instantie nodig had. Ze zat even later te zingen en te roepen, en ze floot de deuntjes van de mannen op straat, zal ik maar zeggen, wat een beest. Je zou niet denken dat ze oud en zwakjes is, zo helder klinkt haar stemmetje door. Ik ben benieuwd of het doktersadvies het te verwachten genezende resultaat oplevert.
We hebben Flemming van zijn nieuwe school opgehaald, gistermiddag, hij had een proefstage, of hoe zal het heten; het is een aardige school, niet groot maar degelijk, denk ik, en de kleine man ziet zijn nieuwe school wel zitten, ik minder omdat het zo ver weg is van zijn huis, maar dat hoort bij mijn ouderlijke angsten, die houd ik mijn leven lang, het is een oergegeven voor moeders en omaatjes, zo werkt het, ik weet het. Enfin. Je moet op den duur alles in je leven vertrouwenvol overgeven en loslaten, je zult het je hele leven lang moeten volbrengen, de dingen vertrouwenvol overgeven en loslaten. Sta me bij! Ja, dat is vandaag mijn morgengebedje: HEER, sta me bij, sta ons bij, de moeders en de vaders en al de kinderen die nog zo kwetsbaar zijn en speels en die zo vroeg al ernstig en educatief de grote wereld in worden gestuurd. Wees hun hoeder en de onze, en wijs de schoolgaande jeugd liefdevol en veilig de weg in het grote en drukke verkeer van al die nieuwe, hedendaagse snelwegen naar de volwassenheid. Amen.
Vandaag nog vier weken te gaan naar de ware ouderdom, het wordt een verjaardag zonder feest in de zin van grootschaligheid, maar het mag van mij een heerlijke dag worden in rust en rechtschapenheid met wie me lief zijn. Alles Deo volente, natuurlijk.
![]()
Woensdag 27 februari
Je kunt zoveel mooie woorden schrijven als je zelf wilt en je kunt heel veel verlangen en dromen, maar één goede raad geef ik je, zus: blijf bij jezelf en verwacht niets van anderen dan valt het altijd mee. Tel je zegeningen, zoals je het zo mooi in een lied hebt geschreven, tel je zegeningen, en tel ze dan ook echt. Dat heet dabar, het woord dóén, praktiseren, dus woord en daad samen laten vallen: dabar. Ach, je weet het zelf ál te goed, je moet je gemoed niet door anderen laten bepalen, je doet het leven immers helemaal zelf, dat is altijd zo geweest en dat blijft zo tot je laatste snik, het geldt voor iedereen. Blijf bij jezelf en ben gelukkig met elke dag die je nog toevalt, hora ruit, tempus fluit, dat moet je niet meer vergeten!
De zon schijnt vanmorgen lenteachtig, we gaan straks naar Tilburg, koffiedrinken bij Veronica & Joop, en gisteren belde Phily op en we babbelden als vriendinnenzusters, dat geeft een apart gevoel, een rijk gevoel, bedoel ik. Het mooie is, dat we elkaar al zo heel lang kennen, dat we elkaars ouders hebben gekend en meegemaakt en onze zussen en broers ook, en al wat er nog meer aan geschiedenis aan vastzit; het heeft met onze roots te maken en dat geeft dat rijke gevoel, denk ik. Phily reageerde ook op het dagboek, ze ging vooral op mijn droom in, dat is interessant, we zullen het droomboek gaan raadplegen van haar moeder zaliger, dat doen we als we weer bij elkaar op de koffie/thee zijn. Het is fijn om af en toe naar elkaar op te bellen, er zijn mensen in mijn kring die nooit (meer) opbellen, en die bel je dan van de weeromstuit zelf ook niet meer op. Zo gaat dat en zo neem je zonder woorden afscheid van elkaar, nou ja, zonder woorden? De e-mail werkt natuurlijk ook nog. Maar dat geeft een neutralere band, dat geeft niet meer dat klikkende contact dat je eerst samen had als je elkaars stem hoorde; het deed me altijd goed als bijvoorbeeld X. me belde, maar dát is zó lang geleden dat alle hoop op toch nog een aardige communicatie met haar intussen vervlogen is. Och, het is komen en gaan in het leven, we zijn immers allemaal elkaars passanten? En als er factoren mee gaan spelen die ernstig hinderlijk zijn, voor wie dan ook, dan is het afscheid in vrede genomen de beste remedie, het gaat immers toch niet meer. Mais c’est vrai: Partir, c’est mourir un peu, daar kun je als gevoelige mens niet onderuit.
![]()
Dinsdag 26 februari
Ja, en dan ben je met je vogel in de weer en je krijgt weer nieuwe hoop en nieuw inzicht in van alles, het is een geestelijke wisselwerking, het een roept immers het ander op. Als je vogel een streng regime nodig heeft, wat heeft een mens dan nodig aan striktheid om gezond te zijn en te blijven? Zoete koekjes en andere lekkernijen worden gebakken door en voor de bakker, hij moet ook leven, en wij, smulpapen, kopen en consumeren wat de lekkere bakker ons aansmeert, maar hoe heerlijk kan het zijn en hoe verleidelijk, ik weet er alles van. Toch leerde ik gisteren weer iets wijs van de toestand met Lorita, het is goed om af en toe met je neus op de feiten te worden gedrukt. En verder voel ik me vandaag gewoon goed, iets wat ik lang niet heb kunnen zeggen. Ik heb me vrolijk aangekleed en de oven staat gezellig te snorren met de broccolischotel erin, ik krijg zo meteen een aangename gast op bezoek.
Het regent en ik geniet ervan, het is zo Hollands, zal ik maar zeggen. Na de spanning van gisteren voel ik me vanmorgen een stuk bevrijd, er is niets belangrijker dan een goede gezondheid. Ik hoop dat ik het vast kan houden.
![]()
Maandag 25 februari
Na de ingetogen viering in het ziekenhuis spraken we zeer intensief met iemand die we waarderen, het was geen lichte kost en het was een beetje veel geworden, alles bij elkaar. Ik had trek gekregen, maar we konden niet in de refter van het ziekenhuis terecht voor een lunch, we hadden geen kaart, dus reden we naar Nieuwkuijk, naar de Emmamolen, we hadden een groentesoepje en een fris aan gekleed pasteitje, het was smakelijk. We reden de Langstraat af, ik wilde naar Made/Drimmelen en naar Geertruidenberg, allemaal jeugdsentiment, want daar was een van de door mij bezochte scholen geweest, mijn kostschool dus. In Made was ik verrast door de onherkenbaarheid van het centrumpje van nu en ruim vijftig jaar geleden; van het klooster en het pensionaat stond er alleen, met het straatnummer 10, nog de kapel als antiek object overeind, de rest was weg, behalve ook nog de kerk met een heilighartbeeld ervoor dat uit de kloostertuin kwam, ik meende het nog te herkennen. Made is geen mooi dorp, vind ik, het heeft voor mij geen andere toeristische waarde dan de herinnering aan de jaren ’50 toen het klooster er nog stond, dat gebouw staat trouwens fotografisch in mijn geheugen gegrift als een private kostbaarheid, al weet ik dat het toen al erg oud en ouderwets was. Een aardigheid was het huis weer te zien van de familie Gaymans, dokter Gaymans, zijn dochters zaten op de dorpsschool annex pensionaat, in mijn klas zat Kitty, een pittig ding, net als haar naam. Het was een aardige middag in Made, maar terugkomen zal ik daar niet meer zo snel. Hotel De Korenbeurs vind ik een lelijk ding, een playboyvertoning in een schraal dorp, zo zie ik het, omdat het uiterlijk bombastisch lelijk is en eigenlijk in zijn soort nérgens goed past behalve op de eilanden van Grand Canaria, zoiets dan. We dronken koffie in Het Jagthuys en thee en ieder een glaasje jus. Vannacht droomde ik van Jessie, ze was nog precies zoals ze vroeger was, maar ja, het was in een droom. Nu ga ik snel naar de dokter voor een exces in mijn bovenbeen, ik hoop dat het meevalt, ik hoop het echt.
11.22 uur. Dat was een opluchting bij de huisarts. Ik moet het euvel in de gaten houden en bij vermeerdering bij hem terugkomen, maar hij ziet er voorlopig niets kwaadaardigs in en dat is uitermate belangrijk. Zucht. Het is alle dagen wát. Enfin, het leven gaat (gelukkig wel) door. Dinsdag 4 maart moet ik naar SVOKON, om 9 uur. Het is maar goed dat er gezondheidszorg bestaat, ondanks dat ik er wel eens over wil mopperen. Ik ga aan de koffie, latte macchiato, straks komt Olivier op de fiets naar me toe en we zullen ergens een pannenkoekje gaan lunchen, als troost voor de onverhoedse en ongewenste ontwrichting van onze belangrijke uren. Het is trouwens heerlijk rustig in de kennissenkring, en rust is goed voor je ziel, zó had ik die versnipperde contacten kwalitatief nog niet bekeken, maar het is een voordeel, hoe dan ook.
Vanmiddag gaan we voor de eerste keer met Lorita naar de dierenarts, het is nodig, ze is een wit bolletje aan het worden, een wit bolletje met groene vleugels en een groen dekje, dat hoort dus niet, ze moet een groene vogel zijn, van onder tot boven en terug. Ben benieuwd wat hij zegt en ontdekt en adviseert, hopelijk wordt ze weer helemaal gezond, ik kan het beestje echt niet missen.
20.39 uur. Lorita kreeg een algeheel onderzoek, we keken onze ogen uit. Ze krijste als een bang kind maar moest zich machteloos alles laten weggevallen, de assistente hield haar deskundig en tegelijk liefdevol vast; het was een heel schouwspel met haar en de dokter in de hoofdrollen, dit is onvergetelijk. Ik kreeg een arsenaal aan medicijnen voor haar mee, kuurtjes en aanwijzingen om de papegaai, die ze is, op te fleuren en op te laten knappen; ze is echt heel erg oud, de dokter vermoedt zelfs dat ze al zo’n jaar of vijftig is, en ja, wat verwacht je nog van een hoogbejaard papegaaienhennetje? Toch doe ik mijn best voor haar. Ze is immers nog zeer de moeite waard? Ook met staar en ook met oude vleugels en een gekwetst vederpak op haar frontje; en nu ga ik alle richtlijnen nalezen die ik meekreeg, we moeten aan de slag.
Zaterdag 23 februari
Natuurlijk zijn verdrietigheid en boosheid en teleurstelling alleen maar emoties, ik bedoel dat ze overgaan, gelukkig wel. Emoties hebben tijd nodig, ze komen op en ze bestaan, ze moeten verwerkt worden, dan ebben ze weg en het gemoed is weer rustig, de lucht is als het ware geklaard, zo hoort het tenminste. Je mag iemand niet kwalijk aanspreken op zijn emoties, want emoties gedijen bij oorzaak en gevolg. Alles is tijdelijk, ook de emotie en dat is prima, een mens moet zijn innerlijk verwerken, elke keer opnieuw; er gebeurt een heleboel in een mensenleven, begin maar met de laatste tien minuten te beschouwen, hoeveel gedachten heb je verstouwd en hoeveel emotie ging ermee gepaard? Heeft een mens eigenlijk ooit echt rust? Wie kan zijn gedachten stilleggen? En als je je gedachten al niet kunt stoppen, dan kun je ook je emoties niet stoppen, want je bent een mens met gevoel en beleving. Daarom ook moeten de mensen altijd de vrede bewaren, een korte boosheid mag gerust maar dan moet het weer vrede zijn, het leven moet te leven zijn zonder zulke hardnekkige obstakels vanuit het gekwetste gemoed; je moet leren loslaten, de dingen leren relativeren, je moet vooral voor jezélf élke hindernis loslaten, anders kun je immers niet verder met je leven, anders blokkeer je immers je ziel, je gemoed, je levensadem, je vrijheid, je lichaam en je geest, kortom, je hele persoon. Ja, goedemorgen zus, het was een moeizame nacht, maar uiteindelijk heb je geslapen, de rust van de nacht genoten, zal ik maar zeggen. Had je het gisteren nog over een moeizame eenzaamheid, vandaag zie je het leven weer zitten. Je moet ook nooit vergeten dat alles, maar dan ook alles genade is, positief en negatief, alles is genade. Laus Deo! Amen.
![]()
Vrijdag 22 februari
Er zijn mensen die het woord eenzaamheid aan den lijve hebben leren kennen, maar er zijn ook mensen die het woord enkel kennen van horen zeggen en verder niet weten wat het aan verdrietigheid inhoud voor wie ermee is behept. Mensen die nooit de eenzaamheid hebben ondergaan, kunnen zich niet inleven in wie alleen door het leven gaat, ze kunnen niet eens ínschatten hoe moeilijk het is en hoe zwaar. Wie vrienden genoeg heeft, kent geen eenzaamheid; wie vrienden genoeg heeft, kan mensen wegdoen als ze niet meer in het patroon passen; wie vrienden genoeg heeft, kent de leegte van de eenzaamheid niet, maar is verwend geraakt bij een luxe veelheid aan mensen en dat maakt, als je niet oppast, arrogant en bikkelhard, soms wel; je hebt immers zelf niets te verliezen? Mensen zát in de aanbieding, eigenlijk veel te veel, want ja, al dat bezoek dat onverwacht aan komt waaien, al die verplichtingen om je vrienden te ontvangen bijvoorbeeld met Kerstmis of als je jarig bent, al die afspraken, soms veel te veel; nee, het valt niet mee als je veel vrienden hebt… Maar ík denk: Wat een luxe! Wat een rijkdom! Wat een boffer ben je dan! Ik ben een beetje boos, merk ik, boos op wie zich ernaar gedraagt zoals ik het hiervoor beschrijf, boos om de arrogantie van het zwijgen omdat men gelijk wil krijgen in het domme ongelijk, een zwijgen dat al maandenlang voortduurt. Maar ja, wat haalt het uit om je boos te maken? Je doet je ziel er maar zeer mee, je eigen ziel en de ander lacht erom, want die wordt gesteund en bewerkt door de negatieve onwijsheid van de achterban, de eigen kring; helaas gaat het vaak zo en in dezen ook. Ik weet het wel, en ik vind alles prima, maar soms doet het je innerlijk zóveel pijn dat je er, tégen je vredesgemoed in, een lang moment pijnlijk boos bij bent. We zijn mensen, allemaal, ik natuurlijk ook.
Vandaag is het vijf jaar geleden dat we met een groot gezelschap in De Wolfsberg feest hebben gevierd, ik zou in maart zestig worden en op die avond in februari mijn boek Van Mensen Onderweg - met Geloof, Hoop en Vrede presenteren; ik schonk alle gasten royaal genoeg een exemplaar, zo ben ik dan ook weer, ach ja. Nu vraag ik me met een groot ongeloof af waar al die feestvierende mensen zijn gebleven? Een jaar later, op veertien februari, gaf ik weer een feest in De Wolfsberg, het was een high tea voor vrienden, en alweer denk ik: waar is iedereen? Ja, ik zit vanmiddag te klagen en ik doe het tegen mijn eigen ziel, er is hier niemand anders die ik te luisteren heb. Ik schrijf het op: ik klaag aan, mensen waar zijn jullie, wie zijn jullie nú, wie waren jullie tóén? We vormden met ons allen een machtig gezelschap in een mooie ambiance en we hadden rijkelijk te eten en te drinken, er was veel entertainment en veel gastvrijheid, welkom waren jullie, maar wie weet het nog en wie ben je nog?
Straks mag ik het Deo volente beleven dat mijn vijfenzestigste verjaardag aanbreekt. Maar ik heb nog helemaal niets georganiseerd, het is niet te geloven, wie mij kent weet dat ik álles wil vieren wat er te vieren valt. En er komt een nieuw boek uit, een boek dat door tweeën wordt gedeeld, een boek dus van twee schrijvers, maar ook hier heb ik nog niet aan gewerkt. Nou ja, ik ben pas aan het herstellen van een lang en intens ziekbed. Dat maakt een mens ook gevoeliger, kwetsbaarder en eerder ontgoocheld. Laat ook maar. Het komt wel weer goed.
Vandaag was het in Nijmegen een spannende dag voor een tweetal dat op stap was, eerst ging het naar de parking op het dak van de Molenpoort, toen naar de kerk aan de Molenstraat, vervolgens naar De Heerlijckheid voor koffie en thee; in de middag kwam het span thuis, moe maar voldaan, Nijmegen was bij hen in aanzien gestegen, en ze hadden samen de heel oude Waal langs de heel oude stad zien stromen, ze zagen alles vanaf het dakterras van Vroom & Dreesman, ze hadden er blij en naar tevredenheid geluncht.
![]()
Dinsdag 19 februari
Vooral innerlijk gezien zijn het zware weken geweest, het mag gerust wat lichter worden in mijn late dagen, ook Olivier heeft het hard te verduren, in zijn kring is de spanning rond zijn oude moeder, ze is onbarmhartig ziek. Het kaarsje brandt en de hoop leeft dat ons geloof in de God van erbarmen ten beste zal worden bevestigd: dat hij mild moge zijn. In het ziekenhuis was voor ons vanochtend ook weer van alles aan onrust door drie medische meiden die cardiologisch onderzoek verrichtten en ons met vraagtekens naar huis lieten gaan, wat een zórg. En zo is het elke dag wát, precies zoals Asha zei: het lijkt wel de wet van Murphy! Gelukkig belde Veronica op, eindelijk weer een keertje, en dat was fijn. Het was gezellig gebabbel bijvoorbeeld over de grootouders in hun riante huis in Ede, destijds, en over de herinneringen van tante Greetje, met wie ze zondag een heerlijk gesprek heeft gehad, natuurlijk per telefoon. En zo gaan dag na dag onomkeerbaar voorbij, doorspekt met allerlei besognes van het leven, of je het leuk vindt of niet.
De teksten voor de bezinningsmiddag in de Chof zijn gelukkig klaar, ik heb alles uitgewerkt en geprint, het moet een heiligende bijeenkomst worden, we streven ernaar. Je wilt ieder toch het beste aanreiken van wat je te bieden hebt en ik gun het de deelnemers van harte. Ze zijn allemaal prachtige mensen, trouwe gelovigen met een zeer respectabele achtergrond en een zeer apostolisch verleden, ik heb er eerbied voor. Zij hebben hun leven in deze wereld in het heiligste voorbeeld geleefd. De bezinning en de boeteviering mogen een mooie opmaat naar Pasen zijn, maar het duurt nog een maandje voor het zover is.
![]()
Woensdag 13 februari
Ik droomde vannacht een lange droom met veel werkelijkheden en onwerkelijkheden. Het ging over een nieuwe stad in een oude stad. De nieuw-rijken hadden zich er verzameld en gevestigd, want hier konden alleen de rijksten wonen, jammer voor de armen, maar verschil moet er zijn. De nieuwe stad was een nabootsing van het paradijs, een stad met veel luxe en gemak, met veel natuur, water en boten, en alles was er voor de bewoners in goede banen geleid, er kon niets misgaan, want de prijs was zó hoog dat dat gewoon niet mogelijk kon zijn. Ik reed weer in mijn autootje uit de jaren ‘60, een gele fiat 600 met de naam (J)okertje; het karretje was helemaal opgeknapt, tegenwoordig zeggen ze opgepimpt, geloof ik, en het reed weer goed, bovendien kende ik de oude gebrekjes nog en er kon me niets gebeuren wat de kwaliteit van het wagentje betrof. Er was één grote maar: het sleuteltje was helemaal kwijt. Ik kreeg een naald van de garage en dat was voortaan mijn startsleuteltje. Die naald was een probleem, waar liet ik die? In de stof van mijn jurk, of van mijn rok gestoken? In mijn portemonnee gestopt? Het was een hachelijk probleem. Maar het autootje was in zijn formaat erg gemakkelijk uitgevallen, het was zó klein dat ik eventueel in geval van nood het wagentje kon optillen en met me meedragen, wie vindt het uit? Ik was blij met het oude karretje, het was me vertrouwd, dus ging ik toeren. Waarheen ging de rit? Ik wilde lieve mensen zoeken, kijken of er echt lieve mensen te vinden waren, warme mensen met vertrouwde vriendschap, en zie daar, de rit ging naar een nieuwe stad. Ik parkeerde het autootje aan de rand en liep de nieuwe stad binnen, dat dacht ik tenminste. Onmiddellijk kwam ik bij een smal bospad, overwoekerd met wild gewas, bloemen en struiken en bomen van allerlei soort, als in een soort jungle, zou ik zeggen. Ik ging het pad op, kwam hindernis na hindernis tegen en ik moest oppassen niet te struikelen of verstrikt te raken onderweg. Waar ging ik eigenlijk heen? Wat deed ik hier? Er stond uitleg op de borden her en der langs het pad, zo wist ik dat ik om mensen te ontmoeten eerst het pad moest afleggen, de toets van geduld moest doorstaan en zorgen dat ik heel bleef. Ik kwam op een soort binnenplein temidden van een bos, er waren overal mannen en vrouwen van duur allooi, zij droegen merkkleding of haute couture; opvallend was dat ze allemaal aardig waren, ze groetten vriendelijk, niemand was chagrijnig of bot, er heerste een tevreden stemming, zal ik maar zeggen. ‘Kan ik niet met de auto op mijn eindbestemming komen?’ vroeg ik aan een man die zijn dak met bloemen bevlocht. ‘Het kan wel, maar alleen met een heel klein wagentje,’ zei hij, ‘ik wijs u de weg.’ Hij legde me de weg uit en ik begreep het wel en niet. Ik ging te voet verder. Doorheen de wirwar van wilde bebossing zag ik eindelijk een soort nederzetting: was ik bij het centrum van de nieuwe stad gekomen? Er stond ergens een deur open en iemand nodigde me uit binnen te komen. De vrouw des huizes was jarig en ik mocht als bewijs van gastvrijheid met de familie taart eten en theedrinken. Het was gezellig bij die lui. De vrouw des huizes leek me heel aardig, ze lag me wel en ze vroeg tot mijn verbazing of we vrienden konden zijn. Ik stemde in, vond het bijzonder en ze was écht aardig. Ik keek uit raam en zei dat ik naar huis terug moest omdat het snel donker zou zijn. Ik moest ook dat hele eind nog lopen naar mijn autootje en ik wist de weg niet goed. Ik vertrok en wist me een vriendin rijker. De wereld was zo slecht nog niet en deze nieuwe stad hád wel iets, dacht ik. Onderweg voelde ik de naald prikken, ik schrok ervan, het was immers mijn enige autosleuteltje? Dat ik het niet kwijtraak! dacht ik licht in paniek. Ik stopte de naald extra in de stof van mijn rok. Ik moest me langs allerlei huizen van vreemde bouw manoeuvreren, liep door tuinen heen met mensen en honden, kwam langs open deuren en spelende kinderen, werd gegroet en nog eens gegroet, het leek heel wat te zijn aan vriendelijkheid. Maar het grillige bospad bleef aanhouden door alles heen en ik kwam eindelijk, eindelijk, eindelijk bij mijn autootje. Gauw naar huis, dacht ik. Maar ik was mijn tas met al mijn papieren vergeten, ik was mijn tas vergeten, mijn tas met mijn hele hebben en houden. Ik moest terug. Zou ik het autootje nemen? Maar het was geen doen in dat bos op die minimaal smalle paadjes, ik kon er nauwelijks lópen! ‘Doe maar gerust’, zei een wandelaar, ‘je komt er allicht.’ Ik ging met het autootje het bos in en tot mijn verbazing lukte het me door te rijden tot aan het centrum van de nieuwe stad, toen ging het niet verder en ik parkeerde het ding aan de rand van een vijver, waar allerlei mensen omheen zaten, ze waren aan het zonnen en speelden wat ter recreatie. In het gastvrije huis aangekomen, kreeg ik mijn tas aangereikt. De nieuwbakken vriendin gaf me een aantal fotootjes in lijstjes en enkele leuke hebbedingetjes mee. Wat aardig, dacht ik nog, maar wat heb ik eraan? ‘Dan kun je aan me denken’, zei ze lief, en ik dacht weer: maar wat heb ik eraan? Toch was het een aardig gebaar, vond ik en ook dat ik er blij mee moest zijn. De mensen rond de vijver keken me aan, ik dacht: wat kijken ze toch? Toen zag ik mijn autootje op een vlotje midden in de vijver staan. Hoe kwam het daar en hoe kon ik het ding vanaf het vlotje starten en op de kant rijden, hoe doe je zoiets? En hoe kom ik droog op de kant? Misschien als die mensen me zouden willen helpen? Met een paar man tilden ze het wagentje van het vlotje af en aan de kant nam ik het over. Waar was die aardige vriendig eigenlijk? Die cadeautjes waren me alleen maar ballast. Het werd alweer snel donker en ik kreeg grote haast én ik voelde me raar alleen. Het was toch maar een vreemde stad en een beetje sektarisch ook, vond ik. Wat doen al die luiaards eigenlijk in die nieuwe stad behalve rijkelijk kamperen op een uitermate luxe manier? dacht ik. Als dit dan het beoogde paradijs op aarde is en als de rijksten der aarde hun dagen vullen met luxe kamperen, bootje varen, mooi wezen en verder niets, wat houdt het dan in om een nieuwe stad van geluk te creëren? Is dit dan de begeerde hemel op aarde? Ik ben een tevreden mens, dacht ik, en hier heb ik wél mijn nieuwe vrienden ontmoet, dat is het vette pluspunt, echte vrienden zijn immers schaars? Ik wilde nu snel naar huis. In het halfduister ging ik tastend mijn weg door de wirwar van de wilde beplanting. Het autootje heb ik zo goed en zo kwaad als het ging handmatig met me meegedragen, het kon geen tweede rit door het hobbelbos meer aan. De sleutelnaald stak trouw in de stof van mijn rok. Ik zag weer overal de enorme huizen en de mensen en de kinderen en de honden, maar mijn belangstelling was over, ik zei hen gedag en wenste hen het goede van de wereld en het beste van God toe. De nieuwe vriendin was ver weg, onbereikbaar ver weg, het had allemaal helemaal niets voorgesteld aan vriendschap, het was slechts een kort incident geweest, er restte niets van haar behalve de prullaria waar ik niets aan had, het was dood spul, materie zonder ziel; er was niet eens een hartverwarmende persoonlijke herinnering. Een vriendschap kun je niet afdwingen, dacht ik op de moeizame terugweg door het bos, die krijg je immers niet cadeau, daar moet je heel wat voor over hebben, niet enkel een aardig bezoekje, maar je inzet en je goede wil en dat kost mega van je tijd en van je geduld. Halverwege het duistere bospad doorploeterend werd ik wakker. Wat een droom!
![]()
Dinsdag 12 februari
Een door het van oudsher opgelegde systeem geknechte mens moet onderhand eens afleren dat hij niet van zichzelf mag houden. Wij, de oudere generatie, leerden vooral het opofferen van je lijf en leden, je ziel en zaligheid via de oude katechismus, je moest jezelf volledig wegcijferen, kleiner dan klein maken: om meer voor anderen te kunnen betekenen en zodoende voor God. Je leert het, als serieus jong mens zijnde in die dagen, dan wel af om te denken dat jij ook een individu bent van vlees en bloed, dat jij ook een mens bent die recht heeft op hartelijkheid en aandacht, die evenveel als iedereen recht heeft op een volwaardig en volkomen mens te zullen zijn. Ik ben van vroeger uit gezien nog altijd verbijsterd over de offertheorieën van de oude theologen, van de veel te strenge kerkleraars, van de vermeende heilsprofeten en van nog meer van dergelijk, vaak kwalijk, soort. De offertheorieën die rondgingen en nóg rondgaan zijn vooral verderfelijk voor zulke mensen met een wankele geest, met een laag opleidingsniveau of met zware moeilijkheden thuis, in de relatie of elders, en deze kwetsbare mensen bestaan in allerlei religies. Toch zijn er genoeg mensen die hoog opgeleid zijn en die zich lenen ter opoffering. Eigenlijk is het maar goed dat we niet alles weten van wat er gaande is in de wereld, of in de religieuze wereld, we zouden denkelijk geen moment nog rust hebben. Het is niet alles goud wat er blinkt, dat geldt voor álles om je heen. Het is meer zaak waakzaam te zijn en je niet te laten misleiden door vrome machthebbers, wees te allen tijde op je hoede en blijf bij jezelf, zoek geen hulp bij foute mensen, ze zijn er te veel, ze zijn van die wolven in schaapskleren, pas op. Je ziet het tegenwoordig sterk gebeuren op spiritueel vlak, bij de alternieve geneeskunst, bij de waarzeggers e.d. Maar ook bij een filosoof als Kierkegaard, die ik onlangs met belangstelling heb gelezen, ik bedoel het boek Wijsheid van Kierkegaard, vertaald door Hans van Munster; je leest er bijvoorbeeld dit: “dat hijzelf (= de mens) niets is, nog minder, omdat God nodig hebben zijn hoogste volmaaktheid is.” (pagina 157) En wat kun je aanvangen met een zin als deze: “God wil niet dat een mens in geestelijke weekheid zich zal koesteren in de beschouwing van Zijn heerlijkheid.”? Ik denk dit: hoe maak je mensen het allerkleinst? Met zulke prietpraat, denk ik. Prietpraat die heel wat lijkt in te houden, maar feitelijk niets anders aanreikt dan gebakken lucht. Enfin, het is maar wijsheid, bedachte wijsheid, betweterige wijsheid, en ook nog onwetenschappelijk bepaald. Ik lees van harte in de boeken van Huub Oosterhuis, zij hebben alle hun verfrissende wijsheid, doordachte wijsheid, voelbare wijsheid, Oosterhuis’ teksten zijn eerlijk als goud en zeer eigentijds. Gelukkig maar, het kan ook anders, al moet je er doorgaans wel met een lampje naar zoeken.
Maandag 11 februari
Vanmorgen kwam ik akelig en misselijk terug van de fysiotherapie, gedurende deze stralende voorjaarsdag lig ik vooral op bed, wat een kanjer van een pech. Toch schreef ik tussendoor nog een valentijnsberichtje aan enkele oud-vrienden, ik vond en vind het de moeite waard om te doen. Wanneer mensen in zwijgen vervallen, houdt het contact met elkaar op. Het is niet eerlijk. Je kunt elkaar niet doodzwijgen om een meningsverschil, dat mag ook niet. Je kunt wel je eigen weg voortaan gaan, maar dan kun je elkaar toch ook nog welgezind blijven, dat is nobel, dat is bijbels, dat is evangelisch en alleen maar goed voor het gemoed. Je moet altijd wijs willen zijn, ook als het niet meer gaat met elkaar, en die wijsheid laat je dan bestaan uit mildheid en barmhartigheid, uit de tegemoetkoming, bijvoorbeeld met je beste regels op papier gezet en opgestuurd, of per digitale verzonden, natuurlijk. Nee, ik vind het een grote fout als je bij ‘n meningsverschil wél met anderen, dus buitenstaanders, erover praat maar niet de moeite wilt nemen je tot elkaar te wenden. Nogmaals, akkoord als de omgang zwijgend over is, maar zwijg dan ook bij anderen.
Ook in het zwijgen kunnen mensen
iets om elkaar geven.
Have a Happy Valentine!
Ine Verhoeven
![]()
Zaterdag 9 februari
Welke broeders en zusters van onze OFS-afdeling zijn naar Tilly’s gedenkdienst geweest? Ik heb het niet opgebracht, mijn constitutie biedt beperkingen en ik moet keuzes maken. Het In Memoriam van Paul, onze minister, was sterk, hij stuurde mij de tekst toe. Ik vraag de webmaster deze te plaatsen op www.ineverhoeven.tk bij Odes & Lyriek. Ik heb van Paul begrepen dat de dienst zeer sober was, zeer stil ook. Als ik Tilly’s karakter goed heb ingeschat, zou ze het zo ook hebben gewenst, want soberheid heeft haar altijd gepast.
Het is een verrukkelijke voorjaarsdag, met een lichtblauwe hemel en een zachtmoedig zonnetje, je gemoed verandert als het ware van donkergrijs naar fris geel en wit en helder rood, je blijheid wordt gestimuleerd door het prille ontluiken van de lente. Dat denk ik.
Gistermorgen onderging ik weer een paar aanvallen van AP, maar durfde geen medicijn in te nemen. Isordil is een paardenmiddel. Langzaam trok de ellende weg en ik sliep weer.
Als je ouder wordt, dans je niet meer door je dagen, je gaat met je beperkingen je trage weg, je moet het ermee doen; maar het leven is de moeite waard en alles wat je in je late dagen aan goeds toevalt, is gouden genade. Ik denk dat de oudere mens vooral door de beperktheid niet meer tegen trubbels of ongenoegen kan, zijn inboetende tijd is te teer en te kostbaar om nog moeilijkheden of onmin te zullen ondergaan. Het gaat vooral om de innerlijke vrede, om de rustigheid van het gemoed; en het gaat om de eenvoud van elke dag, om een hanteerbaar ritme dat hart en ziel opgewekt houdt, dat de oude mens heiligt.
Wanneer je met mensen te maken krijgt die vasthouden aan het ongenoegen, laat ze dan los, vergeet ze maar. Het leven is geen competitie, ik heb nooit gehouden van competitie, wel heb ik altijd gevochten voor het recht van de waarheid, voor de eerlijkheid, voor de rechtschapenheid in de ziel van mensen, in die van mezelf vooral. Je kunt gemakkelijk een fout maken, maar die is altijd te herstellen en het is niet snel te laat om samen iets goed te maken als het nodig is. Je moet daarbij wél in acht nemen dat iets wat goed is, ook goed IS, dat je niet blijft zeuren, niet in herhaling valt met wat geweest is. Over is over. Vaak is zwijgen meer dan goud. Laat het leven je heilig zijn, zus. Laat het leven je vrede geven.
![]()
Donderdag 7 februari
Dat was vanmorgen weer een bom duiten voor het onderhoud van de auto, maar je wilt mobiel blijven en dan heb je het er voor over, armoetroef of niet. Het zonnetje schijnt op een bepaalde februariwijze, ik bedoel: een beetje schraal en toch de winterwereld willen binnendringen; ik zag in de hoek van de balustrade de groene knopjes in de bloempotjes van Jans al uitkomen, voorzichtig maar zeker. Overal is leven, wil het leven leven. Ik denk aan Tilly Teulings, ze is gestorven, ook alweer weg, een leven voorbijgegaan, ze was mijn oudste zuster in Sint-Franciscus; ik heb veel beelden bij haar persoon en ik hoor nog haar mooie stem, ze las erg goed voor, altijd gedragen en ze wist wat ze las. Ze was altijd op de fiets, in haar goede tijd, en je kwam haar vooral tegen in de kerk of ergens in de buurt ervan. Ze was destijds een goede vriendin van Truus Neuhaus zaliger. En o, wat wás ze katholiek, misschien wel meer dan katholiek, sommige mensen hebben dat in zich. Maar ze was zeker een mooie vrouw, een goed mens en sociaal bewogen. Een franciscanes, zal ik maar zeggen, zoals wij franciscaner mensen in onze hoedanigheid feitelijk hóren te zijn. Morgen wordt ze herdacht, haar lichaam is aan de wetenschap afgestaan, dat gebaar hoort precies bij haar.
Margarete heeft de operatie ondergaan. Ze is weer thuis. Waar ze woont, heeft ze alle verzorging. Ze praatte vrolijk over carnaval en vroeg of we uit waren geweest en ze zei: Nu zitten ze allemaal met een lege portemonnee. En: Gelukkig zit ik weer in mijn eigen stoel, heerlijk! En: Ja hoor, het gaat goed met me, ja hoor. En: Nee hoor, ik heb geen pijn. Ze was een beetje lastig geweest in het ziekenhuis omdat ze naar huis wou. Dat is haar gelukt, ja hoor! Bijzonder mensje. Ze leeft graag en dat is naar mijn idee een heerlijke dankbaarheid naar de grote Schepper toe. En het is haar van harte gegund om te leven, zij, de kleine vrolijkheid groot. Leef maar, jij, en wees gerust.
14.05 uur. De zon schijnt nog steeds een beetje flets en wankel. Boudewijn is op de fiets naar huis vertrokken, ik had een gezelligheidsmaaltje gemaakt van saffraanrijst met kip en verse groenten in één pan. Het was verrukkelijk voedsel en de pan is leeg. Het is wel eens gezellig iemand te eten te vragen en vandaag was dus de goede Boudewijn mijn gast. Ik noemde hem Spriet, want hij is stevig afgevallen, weer mooi rank en slank van postuur. Och, je moet elkaar zo aangenaam mogelijk in leven houden, daar ben je vrienden voor. Je moet goed zijn voor elkaar, respect hebben en de ander het zijne gunnen, meedenken als het nodig is en nooit elkaars eigenheid prijsgeven, nooit te koop lopen met elkaars gegevens. Ja, een ware vriendschap stelt hoge normen, maar je krijgt er dan ook het beste voor terug: waardering, genegenheid, eerlijkheid: een (h)echte vriendschap dus.
En nu ga ik de keuken weer in, ik had te lang niet gepoetst. Ruimen moet je, zus, ruimen, al wat je deert, als je ruimt, maak je ruimte en ruimte voelt goed; je keuken is bijna je heiligste domein, maak er dus een proper pronkjuweeltje van. Gewoon even doen.
20 anemonen van allerlei kleur maken een beetje vrolijkheid op tafel. En de hyacinten van mijn buurtjes bloeien en geuren op het balkon. En o, wat is die late hemel weer prachtig daarboven, roze en grijs en beige en blauw kiekeboe spelend vanuit een donker wolkenveld over de hele luchtbreedte verspreid; zomaar een cadeautje terwijl ik uit raam kijk.
![]()
Woensdag 6 februari
Mijn kind is jarig, dan gaat je moederhart vanzelfsprekend heel bijzonder naar haar uit. Wat je je hele leven niet vergeet als moeder is het geboortemoment, is de dag waarop je werd verrast met dat nieuwe geluk, dat grote geluk van je eigen nieuwe mensenkind. Het was een zachte februaridonderdag toen ze werd geboren; het was beurtelings nat en droog, het was zo’n dag van halfslachtige regen, bedoel ik, alsof je vreugdetranen om de geboorte van een dochter, jouw dochter, in de wissel staan met de geboortepijn van het moment, hoe snel is die weg en vergeten! Ze kwam vroeger dan gedacht, ons tweede kind, ze werd een prachtige aquarius in plaats van de piscus die we hadden verwacht, pas eind februari. Dat blijft tóch een merkwaardig feit wat de sterrenbeelden betreft, want je bent van het gesternte waaronder je bent geboren, hoe dan ook. Er is intussen een tijdperk verstreken. Mijn dochter is subliem, een heel mooi mens met een heel mooie inborst en veel wijsheid en daadwerkelijk respect naar de medemens toe; ze is bijzonder en ze mag het weten ook. Ik zou nog veel meer schoons over haar kunnen schrijven, maar ik ga haar opbellen, het is bijna tien over half elf, dus wordt ze gefeliciteerd, ongeschreven traditie.
![]()
![]()
Aantekeningen van 3 t/m 4 februari
Zondag 3 februari
Het zal je maar gebeuren dat je tot carnavaleske ereburger wordt uitgeroepen na de eucharistieviering van de zaterdag en de zondag voorafgaand aan het los te barsten carnaval dat drie dagen zal gaan duren. Daar stond hij dan, in alle eenvoud zoals hij is, hartvertederend en broos, en onverhoeds werd zijn naam genoemd en ontving hij zowel in Ezelrijk als in Pothuusburg de vier ereburgermedailles aan de kleurrijke linten, hem aangereikt en omgehangen door de beide prinsen Theo d’n Vierde en prins Tita XXX, en door de beide jeugdprinsen Rik en Frank I met hun prinsessen Maartje en Celine. Ik praat over pater Frans Boddeke CSsR, ereburger Frans d’n Irste van Ezelrijk en Pothuusburg. Het was me ontroerend genoeg.
In Ezelrijk openbaarde zich aan mij het carnavaleske tafereel aanvankelijk als een twijfelachtig filmscenario, het is mijn bevinding, en ik vroeg me gisteravond bij aankomst af: is het hier nou carnaval of halloween? Een viertal oude wijven alias oude heksen stond met ‘n verkeersbord 50 bij de kerkpoort zwijgend de kerkgangers op te wachten, ik schrok er eerlijk gezegd van, en even later zeeg een tiental van zulke oude, in zwart gehulde heksen met mombakkesen voor hun ware gezicht strompelend en gebrekkig neer in de kerkbanken, ik griezelde in hoge mate; ze waren in de kerk aanwezig vanwege een nieuwbakken vijftigjarige blom die door haar kring op deze macabere wijze bij gelegenheid van haar 50ste verjaardag werd verrast. De verrassing zal geslaagd zijn, denk ik. Ik zat pal achter de griezelwijven, maar er was gelukkig nog plaats aan de overkant bij de prinselijke hofhouding en ik vertrok gezwind om me daar veilig te stellen, wég van die hekserij; het was voor de nuchtere burger geen gezicht en ik vond het onaangenaam en nogal onheilig. Maar goed, zo gaat het met carnaval en ik wil geen kniesoor zijn. Het viel me op dat menige feestvierende kerkganger als een katholiek domoortje in de kerkbank zat; men zat achterstevoren of had zich afgewend, men lette niet op wat er gebeurde aan het altaar, men seinde naar elkaar en babbelde rommelig; ook de opgroeiende jeugd besefte duidelijk niet wat de bedoeling is van een heilige mis voorafgaand aan het carnavalsfeest, de eucharistische waarde ervan ontging hen absoluut, ik zag het. Toch was het een mooie bijeenkomst, weliswaar niet heilig genoeg door sommigen ondergaan, maar de intentie was prima, die luidde zeer vrij door mij vertaald: samen vieren in de sacrale ingetogenheid om samen in het profane feestgedruis waardig genoeg te zijn naar elkaar toe; om samen het geluk in deze dwaze dagen menswaardig te delen. Het thema was Geluk, zo heb ik het begrepen. Maar goed, de mensen waren blij en dat is heel wat waard. Maar als ik het voor het zeggen had, zou ik zou erover denken geen heilige mis meer te laten gebeuren met carnaval, maar een woorddienst die door het carnavalsvolk zelf in elkaar wordt gezet én uitgevoerd. Ik denk namelijk dat een woorddienst beter zou passen bij het feestende volkje, want een aantal is niet of slechts zwakjes katholiek.
In Pothuusburg was het anders. Daar was de nodige heiligheid in de kerk wél te bespeuren, er waren van tevoren liturgische boekjes gemaakt en men was betrokken(er) bij de eucharistie; de vrolijkheid en de vreugde van het gelovige, feestende volkje waren er niet minder door.
Ik heb hier slechts ter eigen memo genoteerd wat ik persoonlijk tijdens de carnavaleske bidstonden van het gelovige volkje heb gezien en ervaren. Het was al met al een vrolijke bedoening die gekend mag zijn als het oprechte Brabantse carnaval anno 2008. Mens, durf te feesten! Boeren, burgers en buitenlui van Ezelrijk en Pothuusburg: Alaaf! Alaaf! Alaaf!
Maandag 4 februari
Vandaag wordt de 100-jarige Margarete geopereerd. Het is spannend en geeft verwondering, omdat ze al zó oud is en er desondanks een grote ingreep aan haar gebeurt. We hopen maar dat het goed zal gaan en dat ze nog een aardig tijdje moeder en oma in dubbele gradatie mag zijn, ze is nog steeds een dapper dametje, vrolijk en vriendelijk en als voorbeeldig medemens zeer de moeite voor ons allemaal waard. Het kaarsje brandt zijn vlammetje biddend hemelwaarts. Zorg goed voor haar, God.
Gisteren bezochten we de kinderen in hun nieuwe huis in Vught. Het is een heel vriendelijke woning op goede stand, ik ben erg blij met deze keuze. Het huis is schattig ingericht en van boven tot onder eersteklas kwaliteit geschilderd door niemand minder dan mijn getalenteerde zoon. Proficiat met dit magnifieke resultaat en alle geluk en vreugde en gezondheid wens ik de vier lieve bewoners van ganser harte toe.
![]()
Vrijdag 1 februari
Het was klimatologisch een rustige dag in mijn beleving, maar het verkeer op de wegen was druk. We reden via Vinkel naar Heeswijk, toefden in de boekhandel van de Abdij van Berne en reden later langs het Heeswijkse kasteel, o mooie herinnering. In gedachten zag ik Rieke weer in haar tere bruidstoilet naast haar chique bruidegom, het was toen bijna einde mei; daar zaten ze samen op de warmrode, hoge zetels in de deftige trouwzaal, een onuitwisbaar plaatje.
We moesten keren onderweg naar Nijmegen vanwege wegwerkzaamheden en we werden teruggevoerd richting Heeswijk, en weer kwamen we langs het schilderachtige kasteel. De herinnering bleef aan staan, als een film op de televisie. In de imposante laan naar het kasteel toe zag ik het tweetal weer gaan in de donkergroene sportauto met open kap, bruid en bruidegom onderweg naar het feest van hun nieuwe toekomst, wat was het allemaal bijzonder en apart.
Ik heb het vanmiddag herbeleefd, het hele feest zoals ik het toen heb meegemaakt. Er waren nogal wat hoofdgetooide dames in het gezelschap aanwezig, allemaal met prachtige hoeden, ikzelf met mijn eenvoudige zwartfluwelen rozenhoed incluis. Het was een eerbetoon vooral aan de bruid, een hoed betekent klasse en die klasse werd haar door de bevriende dames graag gegund. Wat kan een mensenhoofd toch veel denken. Hoe kom je aan al die beelden uit verleden tijd? Hoe ouder je wordt, hoe meer beelden van toen en ooit terugkomen, het lijkt me wel. Maar het was een mooie herinnering die bij me langskwam vanmiddag en die me voor een groot moment goed heeft gedaan.
18.00 uur. Het is bijna helemaal donker nu, de lucht draagt getekende vegen van grijsblauwe wolken bij een hemelkleur als smeulend vuur: blauw en groen en geel en rozig grijs in elkaar verweven, hoe krijg je het zó toch gemaakt, goede God?
Het was vandaag Berthy’s verjaardag. Sommige mensen vergeet je nooit en dat moet ook niet. Berthy was prima, we kenden elkaar goed, ze was a.h.w. mijn aangetrouwde vriendin, dat zegt niet iedereen van ‘n schoonzus. Ze is alweer bijna 15 jaar weg. Misschien helpt zij de engelen wel daarboven met Gods hemel voor ons te schilderen.
![]()
Donderdag 31 januari
De vlaggen hingen uit voor de koningin en ik zag een enorm exemplaar wapperen bij Catharinahof, kon het groter? Als je vergeten was dat Beatrix jarig is vandaag, dan had die ene grote vlag je er wel aan herinnerd. Het doet me altijd weer goed als overal de vlaggen vrolijk uithangen, niet halfstok, dat is iets heel anders. We hadden vroeger ook een vlag, die werd bij elk koninklijk festijn hoog opgehesen aan de vlaggenmast in de voortuin. Het was in onze laan (nog) niet de gewoonte om te ‘vlaggen’, maar toen we er waren komen wonen en in onze onwetendheid letterlijk met vlag en wimpel de aanzet hadden gegeven, hingen, bij gelegenheid, zelfs in de hele wijk voortaan de vlaggen uit. Alsof er een zekere gêne in de buurt was overwonnen. Ach ja, mensen beïnvloeden elkaar, al moet soms bij iets dat eerst not done was toch eerst enige weerstand worden overwonnen alvorens het positief wordt opgepakt; maar men zet elkaar in ieder geval over de dingen aan het denken. Een beetje kuddegeest is het wel. Wat doet wie en wie doet wat? Waar, waarom en wanneer? Maar ik heb me er niet erg aan gestoord, deed wat ik dacht dat goed was en wat een ander ervan vond, was niet relevant, als er maar wederzijds respect bij kwam kijken. Ik bedoel, een mens moet zuinig zijn op zijn identiteit, moet zichzelf in zijn uniciteit zien te handhaven, moet het beste uit zichzelf halen om het beste te kunnen betekenen voor zichzelf en daardoor voor zijn omgeving, voor zijn directe kring. Het goede betekenen voor elkaar, er zijn voor elkaar, de ander liefhebben als jezelf, dat is de bedoeling van samen mens zijn, de missie als het ware die het leven voor alleman goedmaakt. Wat je doet, keert op je terug, het goede en het minder goede. En alles wat gebeurt, heeft een reden. En alles wat is, is deel van het geheel, van onze wereld, zelfs van het universum. Het mag daarom iedereen gegeven zijn de zaken van het leven in hun hoedanigheid van elkaar te onderscheiden. Heb lief en je zult leven. Doe goed en het zal je goed gaan. Ik hang de vlag nog even uit per digitale: voor de koningin en voor alle landgenoten, hier en waar ook ter wereld.
![]()
Woensdag 30 januari
De groene vloog van de kooi, stapte rond in de kamer en bleef bij de schuifdeur in het duister met haar snavel tegen het raam tikken, alsof ze een partner in haar wazige spiegelbeeld zag en contact maakte. Ze is in de rui en stevig ook, ze is bijna een witte bol met groene vleugels en een groen kopje, voorop half geel omdat ze een Amazone is, en met twee witgroene klauwpoten, nog net niet vederloos. Je zou in deze toestand niet met haar naar een vogelshow kunnen gaan, het zou enkel hoon opleveren, en wellicht een boel goede raad van de betweters. Zo gaat het toch? Over betweters gesproken, ik ken er heel wat, van die betweters vanuit het primitieve denkveld. Je kunt geen kant met ze op, laat staan een prettig gesprek met ze voeren, want de denkwijdte is te smal en de blik naar voren gericht als bij paarden met oogkleppen op; je doet er helemaal niets aan, wie zo van huis uit is gevormd, verandert niet, het valt ook niet te verwachten. Het is dan de evangelische kunst elkaar tóch te respecteren, van elkaar onverkort te aanvaarden hoe ieder in het leven staat, want niemand is beter en niemand is hoger dan de ander als méns; er is wel verschil in prestatie, in intellect, in sociale betekenis en dergelijke meer, maar níét in de hoedanigheid van de mens die je bent. Mensen zijn evenveel waard als mens, hebben evenveel recht op aandacht en zorg als mens, hebben evenveel recht op een goed en aangenaam leven als mens, hebben evenveel recht op begrip en waardering van mens tot mens. Je mag nooit vergeten elkaar in je menszijn te respecteren, dát houdt de Messiaanse liefde in, dát is gerechtigheid doen en vrede maken, dát is de betekenis van de gulden regel: heb elkaar lief en je zult leven, precies zoals de bijbel het vertelt.
Waarom schrijf je dit, zus? Je had het over de groene en plots weid je uit over de waarde van de mens? Och, het is je denkwereld, die is multiple choice, zal ik maar zeggen, het is je innerlijke computer die dag en nacht aanstaat en heel erg veel programma’s heeft en een ongekende hoeveelheid bestanden van een heel leven lang. En dit: is een mens ooit één moment gedachtevrij?
![]()
Maandag 28 januari
Gisteren hebben we het imposante dorp Boxmeer aangedaan, het was een verrassing van jewelste. We zagen het nieuwe onderkomen van de paters redemptoristen en ik was verheugd, wat een schoonheid van een gebouw, wat een adel. Het kasteel ligt aan de rand van Boxmeer, naast de weiden en het water, met veel heerlijke, boerse wandelpaden, schapen in het grasland en een boel frisse lucht. Wat een zegen, een grote genade ook. Ik ben er continu mee bezig, zo’n indruk heeft alles op me gemaakt. We waren het museum binnengegaan en spraken er met de zuster van Julie Postel, Annelies, een pittige non met fris gemoed. Het was een goddelijk uur, en dat zal ik niet snel vergeten. Behalve de receptioniste die geen aanstalten maakte ons behoorlijk te woord te staan, die vanaf haar computerstoel ergens in de verte lijzig meedeelde dat we de kapel niet in mochten als buitenstaanders, het was geen gewoonte, was alles en iedereen een en al vriendelijkheid. Een prachtige herinnering die ik zeker zal koesteren. Het is een perfecte overstap voor de paters van de Nebo naar dit mooie zorghuis. Het is hun optimaal gegund.
Als ik het red, Deo volente, heb ik vanaf vandaag nog maar twee maanden te gaan naar mijn 65ste . Ik hoop het wel te halen, te beleven, het is spannend, voel ik en ik zie er, opmerkelijk voor mijn doen, naar uit.
Wat is Lorita toch een leuke vogel, ik kan van alles met haar uithalen aan capriolen, ze zit op mijn schouder, ze laat zich oppakken middels haar klauwtjes, ze fladdert haar veren uit in de vliegstand, ze daalt af op tafel en schooiert het een en ander bij elkaar: is niet goed voor jou, beestje, terug naar je voederbakje, jij. Heel gedecideerd stapt ze dan weer terug en klimt ze opwaarts naar de hoogste stok van de kooi, ze redt het wel op deze manier, en ik ook. Blij ben ik met het nieuwe thuis van Kipje & Brokje, ze zijn daar echt heel goed op hun plek, ze mogen rondvliegen in huis en vogeltje zijn, ze hebben nu meer ruimte dan ik ze hier kon bieden, denk ik. Ja, ze wonen daar onder franciscaanse vlag, dus kan het niet beter zijn, zo is het.
En weer slaat de klok 12 uur in de middag, tempus ruit, hora fluit. De ochtend is voorbijgevlogen, mijn koffie wordt koud, de strijkplank wacht met een baal strijkgoed van veel te lang en de zuurkool staat genoeglijk op het fornuis te smoren; heel huiselijk en eigenlijk voelt het diep knus aan; zoals het heel, heel vroeger thuis bij je moeder kon zijn, zo is het nu bij jou. Kan het mooier?
De Isordil bezorgt me telkens laaiende hoofdpijn, gisteravond bleven de aanvallen komen, maar ze gingen uiteindelijk ook weer weg, ik vertel het immers nog na. Ik heb geprobeerd mijn fysieke conditie te relativeren, te analyseren ook; ik denk dit: als je de heilige rust niet toelaat in je geest, in je lijf en je leden, dan word je niet beter, zus. Soms moet je beslissingen nemen die niet fijn zijn, maar die wel goed zijn voor je gemoedsrust, je kunt niet voortdurend in de verdediging gaan, daar word je hondsmoe van en verdrietig en misschien ook wel ziek; je verzetten tegen medemenselijke meningen helpt trouwens helemaal niets, wat mensen denken en vooronderstellen, kun je niet vóór zijn noch ongedaan maken, je staat bloot aan andermans beeldvorming, maar ook aan die van jezelf, en daar kun je wél wat mee, dus moet je er voor jezelf iets goeds mee doen, bijvoorbeeld de vrijheid nemen om even afstand te nemen, het kan nodig zijn voor een nieuwe, gezonde(re) kijk op dingen en situaties, en het kan je ziel zodanig opluchten dat je eigen tijd van leven weer aanvoelt als nieuw, als vernieuwd; het is voor jou een heiligende pauze, soms broodnodig om je waardigheid vast te houden, of misschien je identiteit.
En nu óp naar de therapeut voor mijn verwrongen pols, enfin, het houdt niet op en het is niet anders. Dit is het leven ten voeten uit.
![]()
Vrijdag 25 januari
Een mens kijkt, ziet en neemt waar, neemt in zich op wat hij visueel ondergaat. Er gebeurt heel wat in ons innerlijk, in ons brein, in ons gemoed door wat we zien, ervaren, proeven, voelen, denken enzovoort. En wat doe je ermee, dat is de vraag. Enfin. Ik persoonlijk zet meestal mijn bevinding op papier, op het digitale papier, wel te verstaan. Zo ook nadat we vanmorgen het dorp Wychen hadden aangedaan, een trots dorp met stadse streken, een ruim dorp, een druk dorp, een lichtelijk elitair dorp dat me aanzette terug te denken aan Amsterdam, Parijs, Londen, Stockholm en natuurlijk aan het nog altijd provinciale maar hautaine Maastricht, en bij zulke steedse gedachten zie je veel en feitelijk onverkort waarheidsgetrouw, want het beeld is in de herinnering opgeslagen en van eeuwigheidswaarde, want het stadsbeeld zal altijd van eenzelfde strekking zijn.
Stad
~
We hebben ons vergaapt vandaag
aan mooie kleren in de stad,
aan grandes met allure,
chique hoed en mantelpak.
~
We hebben ons vergaapt vandaag
aan fijne lingerie te koop,
aan parfums in de winkels,
leren schoenen veel te duur.
~
We hebben ons vergaapt vandaag
aan jonge meiden, jeans in blue,
modekapsels, welke kleur?
niets te fel en niets te gek.
~
We hebben ons vergaapt vandaag
aan arme sloebers in de straat,
aan schooiers in de marge,
aan zigeuners met hun lied.
~
We hebben ons vergaapt vandaag
aan ‘t circusbeeld in mensenland,
aan stadsgewoel en drommen
overdaad en armoetroef.
~
We hebben ons vergaapt vandaag
aan standsverschil, aan kleur en ras,
aan hoog en laag gezegend
met het lot dat op hen rust.
© Ine Verhoeven 2008
~
Het waren de veelvuldige aanvallen van angina pectoris in de nacht van 23 op 24 januari die me opnieuw in de onzekerheid hadden geplaatst. Het zat er al enkele dagen aan te komen en toen ik die ene nacht overrompeld werd door de heftige uitstralingspijnen, ontdekte ik dat ik er geen medicijnen meer voor had, de Isordil in mijn medicinale voorraad was sterk verouderd, die kon ik niet meer innemen. Wat nu? De hele nacht verwerd tot een slapeloos dagdeel, met onrust en pijn en vanzelfsprekend met een zekere angst. Ik dubde erover 112 te bellen, maar durfde niet. Tegen de ochtend ebden de aanvallen weg en ik werd rustiger, tenslotte viel ik in slaap. Er gaat in zulke kritieke momenten samengevat in één nacht heel wat door je heen, en je ontkomt niet aan het diepgaande dilemma in je gemoed van vechten en van berusting, heel dubbel. Maar gistermiddag kreeg ik het medicijn weer voorgeschreven en in het gesprek met de huisarts is voldoende reden naar voren gekomen om verder te durven, te kunnen, te willen. Ik ben wél moe, ik ben hondsmoe, zoals dat heet als je ernstig moe bent. Maar toch. Het leven gaat door en dat is weer een grote troost, want ik kan alles nog navertellen. Het is de laatste tijd wel een beetje veel tegelijk aan onrust en fysieke zorg op mijn bordje neergelegd, al ben ik toch heel wat gewend. Maar zo’n nacht confronteert je. Je ziet de betrekkelijkheid, je weet de eenzaamheid in je nood, je kijkt de eindigheid aan, voor de hoeveelste keer alweer? Zo is het leven voor elke mens, voor iedereen, alleman komt ervoor te staan, onze eindigheid is het zekerste gegeven. Laten we bidden voor elkaar, voor iedereen: In het uur van onze dood, dat we dan niet alleen hoeven zijn.
![]()
Woensdag 23 januari
Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. Ik onderstreep dit geijkte gezegde, oud al het is. Ik ben echt het liefst thuis. Met mijn vogel en af en toe met het gezelschap van mijn allerbeste vriend, dan is het helemaal goed. Het is de Einzelgänger in me, denk ik, en het is mijn moeder die nog altijd spreekt. Zij zei altijd weer: Maak je huis tot je vertrouwde thuis en houd ze (de mensen) bij je weg, het haalt niets uit, laat ze niet bij je binnen, mensen brengen alleen maar onmin mee, vrienden bestaan niet. Boude uitspraken, maar ik denk er vaak aan terug. Ze heeft trouwens nogal ‘ns gelijk gekregen, al zijn er genoeg mensen die ik echt liefheb, die ik niet kwijt wil; behalve mijn eigen kinderen bestaan er nog veel lieve mensen die ik ooit heb mogen ontmoeten, die ik graag zie, bij wie ik graag kom en die ik graag thuis ontvang. Kijk, mijn moeders leven is het mijne niet, haar ervaringen zijn in het algemeen de mijne niet, al heeft ze me veel levenswijsheid nagelaten, achteraf. Merkwaardig genoeg zijn er mensen in mijn kring van wie ik weet dat mijn moeder ze al bij de eerste ontmoeting volledig had afgekeurd, hoe hard het ook klinkt, want afkeuren, dat deed ze, onderbouwd en wel; maar dat (onderling) afkeuren van mensen was vroeger meer in zwang dan tegenwoordig, het is in onze dagen nog het sterkst aanwezig bij de oudere generatie, die indruk heb ik. Daar staat tegenover dat juist door de afkeuring van mijn moeder mijn rechtvaardige hart ging spreken en ik haalde juist díé mensen naar me toe en zij, die niet ‘mochten’ van mijn moeder, werden vaak mijn beste vrienden. Zo ging het in mijn tijd, dwars als ik was, ik liet me niets opleggen, wilde zélf nadenken en uitvinden en bepalen; geen mens had zeggenschap over mijn doen en laten, de consequenties die ervan kwamen, waren allemaal voor mij, niet voor mijn moeder of voor wie dan ook, ik had het vroeg genoeg door. Maar ik denk dat het dwarse in de genen zit, zo waren al mijn broers, zo was ik, alleen mijn zusje was gezeglijker, volgzamer, al vertrok zij in 1953 pas getrouwd naar Australië, hoe los je iets op?
Waar ik eerlijkheidshalve aan terugdenk: mijn moeder was aanvankelijk goed voor de mensen die zij ontmoette, vooral was ze heel goed voor haar eigen kring, voor haar familie, ze haalde de noodlijdenden in huis, voedde ze, gaf ze de ruimte, alle gastvrijheid, en dit alles ondanks de zorg voor haar eigen rijkelijke kinderschaar en de zware oorlogstijd. ‘Ik hielp ze allemaal met liefde en uit bezorgdheid,’ vertelde ze later, ‘maar er kwam alleen ellende van, al het goede werd beloond met achterklap, jaloezie en verwijten, met bedrog en leugens, met bemoeizucht en uiteindelijk met ruzie en familiebreuk.’ En ze zei: ‘Het zijn sterke benen, die de weelde kunnen dragen.’ Gelijk had ze wél. Zelf heb ik het ook enkele malen ondervonden: familieleden die ik gratis in huis haalde, de hoogste gastvrijheid bood, een slaapplaats en goede zorg, maar die zich uiteindelijk hebben afgekeerd en het lef hebben, nog steeds, me met grove oordelen volkomen te negeren, och, het bestaat allemaal, en de familiale geschiedenis herhaalt zich vanuit de genen, dat blijkt.
Nu de uitslag binnen is van de longarts, na het uitgebreide longfunctieonderzoek van gisteren, weet ik eindelijk waar ik aan toe ben. Allergische astma, ik had het allang, maar het is nooit als zodanig benoemd, wel als hooikoorts en allergie, maar niet als astma. Het is goed, zo. Vanaf morgen zal de huisarts me verder begeleiden, vooral met medicijnen. Zo moet het wel kunnen, denk ik. Naar Rosemarie schreef ik op 15.01: Je hebt gelogen tegen S. Doe er iets aan. Ine V. Ze schreef in antwoord terug: Spreken is zilver, zwijgen is goud. R. Heel handig geformuleerd van haar, maar eerlijk is het echt niet. Och, het is maar hoe je je eruit draait, en hier is weer zo iemand die je beter niet kunt kennen, ook niet geloofsmatig.
In Zweden wordt de Zweedse school bezocht door Piet & Caterina, hartstikke wijs, ze leren daar o.a. de taal op grondige wijze, dát zal veel schelen, als ze kunnen communiceren met de rest van het land! Succes ermee, ik vind het magnifiek.
![]()
Zaterdag 19 januari t/m zondag 20 januari
Zaterdag 19 januari
Het was een heerlijke dag van regen en wind, onafgebroken; je zag de vlagen regen langs de ramen jagen, de bomen deinden in hun winterse kaalte heen en weer, het was een prachtig beeld; vooral genoot ik van het regenbeeld vanuit De Gouden Leeuw, ik keek vanachter ons tafeltje uit op de waterpomp van de Markt, die pomp staat daar tussen enkele dunne, hoge bomen, ‘n oud en markant kenmerk voor een stadje als Grave. Ook nu regent het en ik zie de weg voor de flat natjes glimmen in het licht van een feestversiering aan het witte huis op de Wolfskuilseweg 31; dat huis is nog steeds een genot als uitzicht hiervandaan.
We hadden vernomen dat de paters redemptoristen begin december 2008 uit de Nebo weggaan, ze gaan in Boxmeer wonen; het bericht heeft intussen ook in de Gelderlander gestaan.
Zondag 20 januari
Weer is het een winderige dag. De vitrage op de slaapkamer danste vanmorgen op de wind die door het open raam woei. Dit stormachtige regenweer geeft januari een bijzondere kleur a.h.w. Van kobaltblauw naar ijsgrijs, zal ik maar zeggen, want januari is in mijn beleving op een of andere manier een maand van blauw gesternte; je verwacht nog ijs en sneeuw, je verwacht nog kou en frisheid, en dat alles is te herkennen in de oude kleur blauw, maar wel veelzijdig opgesplitst: blauw, grijs, wit, groen, zwart. Ik denk hierbij aan de halfedelsteen aquamarijn, een prachtige symboliek voor koude en schoonheid; want hoe schoon zijn de polen van onze aarde wel niet, en hoe koud? Ja, de aarde herbergt nog veel aan goddelijks dat wij, mensjes, nooit zullen weten, nooit zullen kennen, nooit zullen verstaan. Helaas, wij mensen zijn haar plunderaars, haar parasieten, wij maken de aarde moe, uitgeput, wij vallen haar aan, wij verslinden haar, en waarom? Dat geplunder is de oorzaak van de aardverschuivingen, van de zeebevingen, ik ben ervan overtuigd; we brengen de aarde met alles erop en eraan uit haar evenwicht, en dan gebeuren de rampen, we doen het zelf. Je kunt God bidden de rampen te voorkomen, je kunt ze God aanrekenen zoveel je wilt, maar wij mensen moeten ze zélf voorkomen, er is geen God die dat voor ons zou kunnen doen, wij zijn verantwoordelijk voor wat er met de aarde gebeurt, wij hebben de aarde immers in pacht? Maar dit: onze hebzucht is de grootste ramp, die hebzucht veroorzaakt het Grote Ongeluk in onze wereld, op onze aarde, die hebzucht wordt nog een keer ons einde, het wereldeinde, de catastrofale ondergang. Maar wie ben ik, kleine mens, om dit nog maar te opperen? Ik ben te gering om gehoord te zijn, te onbeduidend om serieus te worden genomen; en ja, het grote geld is de machtigste, en wie het kapitaal bezit. Er is nog altijd dat ene gouden kalf waar het in de wereld om draait: een ordinaire, ongevoelige, noodlottige geldgod. Wat wil je nou, zus?
![]()
Zondag 13 januari t/m 17 januari
Zondag 13 januari
Philomena’s katje is ziek. Ze vroeg me advies. Ik gaf haar de raad te stoppen met insuline toedienen omdat het beestje dagenlang at noch dronk. Nu, een paar dagen later, gaat het wat beter, Blacky eet weer een beetje en ze drinkt weer een beetje, ze ligt ook niet meer afgezonderd in de hal op de deurmat, al denken we allebei dat ze haar einde voelt komen. We wachten maar af.
Ik heb het plan opgevat mijn woning dusdanig te saneren dat er per dag zo weinig mogelijk stof achterblijft, het wordt een klus maar ik moet wel. Vandaag na de viering was het gezellig in de Brugstraat, we waren er denkelijk voor de laatste keer, maar je weet het niet. De verhuizing kan gebeuren, alleen hebben de ambachtslui hun werk nog niet gedaan en de goederen zijn nog niet in orde afgeleverd, tegen alle afspraken in. Het is altijd wat. Gelukkig lijden de bewoners er niet al te erg aan, ze blijven er nuchter onder. Vanmorgen las ik na de eucharistieviering het gedicht Toen ik als kind; tot mijn verrassing kwamen er reacties uit onverwachte hoek, mooi, want deze tekst is al een tijd geleden geschreven en gepubliceerd, die doet het dus nog altijd goed.
Maandag 14 januari
Blacky is vandaag overleden, om 5 voor 12 tegen de middag. RIP. De dood van een huisdier geeft altijd verdriet. We sniften samen aan de telefoon, Philomena en ik. Ik ben blij dat ze Ans had gevraagd bij haar te komen als steun en troost en niet mijnheer J. met zijn overheersende stemgeluid en zijn voortdurend tactloze opmerkingen. Wat J. betreft, hem heb ik vaak, misschien wel te vaak, met verbijstering gadegeslagen en aanhoord. Hoe lomp kun je zijn? Hoe grof wíl je zijn? Sommige mensen missen elke fijnzinnigheid, kunnen niet luisteren, willen alleen zichzelf laten praten, zijn als de olifant in de porseleinkast, volgens het gezegde; ik ken meer van zulke types en J. hoort bij dit soort. Wel jammer, je mist dan zoveel vreugde aan elkaar vooral doordat de ergernis de overhand krijgt; het zou zo anders kunnen zijn, maar is het niet.
Vanmorgen heb ik bij Makro eindelijk het droogrekje gevonden met de juiste haakbreedte, het hangt op het balkon compleet met truien en een jasje, alles om te luchten, het is me een dagboekmemo waard; ik zal de sanering doorzetten en beginnen met alles tijdig te luchten; mijn benauwdheid moet worden verlicht met allerlei foefjes en trucjes, ik heb tóch een flinke tik gekregen van de uitslag van het röntgenonderzoek. Maar ik ga het wel redden, hoor. Dat moet. Kijk aan, wat staan die twee bomen schattig naast elkaar met hun lege takken en de blauwe januarihemel op de achtergrond; het is aan deze kant van de flat beslist ook een mooi uitzicht te noemen; ik woon hier goed.
Dinsdag 15 januari
Vannacht realiseerde ik me plotseling dat mijn vijfenzestigste lente, zomer, herfst en winter al bijna zijn geweest, op één week lente na. (Ter memo: ik wilde ‘plots’ schrijven en dacht aan de mening van Catharina Visser toen ze mijn eerste dichtbundel ter publicatie nakeek: het woordje ‘plots’ zou volgens haar geen Nederlands zijn. Ik heb nooit kunnen begrijpen waarom ze dát met zoveel stelligheid poneerde, want het klopt niet. Ze zei erbij: Elk manuscript dat hier binnenkomt en het woordje ‘plots’ bevat, verdwijnt onmiddellijk in de prullenbak.’ Het was in 1994.)
12.45 uur. Ik ben van streek, kan er niet onderuit, ik krijg het ene nare nieuws na het andere. Het lijkt wel een aanslag. Wat een beproeving. En weet je wat het is, je staat er helemaal alleen voor, want zulke persoonlijke tegenslag moet je zelf ondergaan, niemand kan je daarin verlichten.
19.03 uur. In het Radboudziekenhuis UMC werd ik vanmiddag opvallend humaan geholpen, de medische staf op afdeling kaakchirurgie is daar in ieder geval prima, al was er niet direct iets met mijn kaak gaande, maar met mijn mond/keel. Er is een biopsie gedaan, een complete operatie met veel groen zeil en een chirurgisch team o.l.v. dokter Geraedts. De operatie is goed verlopen, al bibberde ik urenlang in hoge mate van de onverwachte toestand; ik was immers totaal onvoorbereid, vanmorgen wist ik nog nergens van. Maar ik dank mijn tandarts en zijn team voor de adequate inzet in dezen, hij zorgde voor een spoedbehandeling, en al was het hard nodig, dan tóch is het fijn als je de juiste, serieuze zorg krijgt. Enfin. Dit is het leven. Je weet nooit hoe je dag verloopt, alle plannen van vandaag in mijn agenda geboekt, verliepen met het uur, ook de gespreksgroep kon ik vergeten. Een lieve memo: ik kreeg een kaarsje en extra gebed, vooral van pater Frans. Zuster Jeannette gaf hem heerlijke vruchtenkoeken voor me mee, ze was jarig, nota bene: al 85! Ik wist het niet. Buurvrouw Marianne bracht me vanavond een mooi grijs potje met 3 lieflijke hyacinten en een handdoekje uit Portugal, wit met groen geborduurde poppetjes erop, attent hoor! Het doet me heel erg goed.
Woensdag 16 januari
Gelukkig is de nacht rustig geweest, ik sliep goed door. Het was wat veel verdoving die ik gisteren binnenkreeg, maar ik voel me verder goed. De eerste schrik heeft plaatsgemaakt voor berusting, en een zekere gerustheid, omdat je blij kunt zijn in onze tijd dat er goede medische zorg bestaat. Er kwam trouwens leuk bericht binnen van Patricia, ze komt met de countryband in augustus voor optredens naar Nederland. Met de vreugde erbij om de kleine man als Ciske de Rat, hij heeft vele optredens in het voorjaar en deze zomer, lijkt het tij te keren en kan ik weer blij zijn na de schrik van gisteren. Het is nu afwachten. Verder probeer ik in de week van Patricia’s verjaardag in Zweden te zijn, het zal aan mijn conditie liggen.
12.32 uur. Soms kijk ik mijn kamer rond met al haar tekorten en schoonheden, met al haar herinneringen aan toen en aan die en die; dan komt een grote tevredenheid in me op, een gevoel alsof alles helemaal goed is zoals het is; en dat is het ook. Je hebt het leven te nemen zoals het komt en je hebt je zegeningen te tellen, die er meer zullen zijn dan de hoeveelheid aan tegenslag, en dan voel je je goed. Ik denk dat tevredenheid je gelukkig maakt, blij en meer mens voor je dierbaren. En dit: je dient lering te trekken uit alles wat ooit fout ging, wat je ooit overkomen is aan negatiefs en onrecht. Je wordt er alleen maar mooier van; het gaat om herkenning, erkenning en onderkenning van de dingen die waren en zijn en je moet je eigen fouten en onhebbelijkheden niet overslaan, niet negeren; kijk ze aan en maak jezelf nieuw in liefde, eerlijkheid en trouw.
22.48 uur. Onverwachts kreeg ik vandaag enkele lieve reacties van mensen die begaan zijn, heel begripvol en ondersteunend; het is precies waar ik vooral in de voorbede zondags altijd voor bid: dat we er zijn voor elkaar als er tegenslag is of ziekte, of angst of grote onzekerheid; dat we dan niet alleen hoeven zijn. Het is heus een belangrijk gebedje, want een mens is juist in dergelijke situaties het meest kwetsbaar.
Donderdag 17 januari
De vogel is onder de douche geweest, vanavond, je zou zeggen dat er een gans gakte, een gans in nood, en geen protesterende papegaai die niet wilde douchen. Gak-gak-gak. Het nootje dat ik haar als troostje na afloop aanreikte, werd genegeerd, ze was een weinig nijdig, wilde me in reflex met haar oude snaveltje afstraffen. Arm beest, maar straks zal ze weer prachtig zijn, stralend en fris, een heel knappe vogelijn, ze is immers een vrouwtje. Bij Beestenboel staat te lezen waar de twee kleine liefdesvogels Brokje & Kipje onlangs naartoe zijn gegaan. Ze wonen samen in Vinkeveen in een riant onderkomen, ik hoorde dat ze zelfs een grotere kooi kregen en dat ze af en toe vrij mogen rondvliegen in huis; ze zullen het heus goed hebben bij hun nieuwe baasjes, al mis ik ze soms wel. Je moet echter je sentiment laten varen, je weet het toch: op den duur ‘vliegt’ alles in je leven ‘uit’, zal ik maar zeggen. En kom je zelf ook niet aan de beurt om als in vleugelslag te vertrekken? Kome wat komt, kome wat komt. Dat geldt voor elke sterveling. Iets leuks. Vandaag was ik verrast door mijn nieuwe rijbewijs, het is geen drievoudig roze papiertje meer maar een eigentijdse, handige roze card. Wel confronterend, het is geldig voor 5 jaar, vanwege de leeftijd. Och, we genieten er maar van, we hebben immers voor altijd vakantie, ik schreef het in mijn winnende verhaal in Trouw augustus 2006, dus maken we het zoveel mogelijk waar en rijden we af en toe een eindje weg mét het rijbewijs. En over 5 jaar? Dat zien we dan wel weer, je mag het hopen.
Had ik vannacht toch weer zo’n indringende droom. Iemand kwam me opeisen als oud bezit, iemand van heel vroeger, van in mijn jeugd, nooit meer gezien, nooit meer aan gedacht, maar vannacht des te duidelijker en heel dichtbij. Snel vergeten, heel snel vergeten, deze droom. Hoe diep kan je brein terugdenken, zeg. Enfin. Het komt wellicht door een onderwerp in de uitzending van Pauw & Witteman, gisteravond, of door het laatste geruzie met S. Dat laatste is best mogelijk. Door haar word ik nogal eens aan vroeger herinnerd, door haar specifieke gedrag. Maar hoe kom je erachter wat de kern is van je droom, en vanwaar?
![]()
Het dagboekjaar 2008 wordt geopend met notities van 1 januari t/m 12 januari.
Dinsdag 1 januari
Een dichte mist heeft de stad haast koesterend ingepakt, alsof we beschermd worden tegen de wijde wereld met zijn bedreigingen, hoewel, de wereld op zich is niet bedreigend, een bepaald part van het mensdom is bedreigend; vrede bestaat nog altijd alleen maar ergens denkbeeldig in de verte, ja, en natuurlijk concreet in je eigen binnenste, want daar begint de hele vrede, zelfs de wereldvrede, zo had ik het vermoed.
De goede Olivier en ik hebben oudejaarsavond heel goed gevierd, met spetterend vuurwerk in de hoge lucht en alles was feestelijk zichtbaar alsof we op de eerste rang in het theater zaten. De uitzending van Paul de Leeuw heb ik met gemengde visie gevolgd, ik weet geen goede raad met al die overdadig seksuele aanduidingen, met al die onbesuisde vrijheid in woord en beeld; ik zal de enige niet zijn. Daarentegen heb ik tóch genoten en heb ik zéér genoten van de kleine Dave Dekker, een van de Ciske’s van de musical. Dave is een talentje, ik verwacht iets van hem, iets groots, geen Hazes of zo, liever niet, maar iets méér. (Die kinderen Hazes worden over het paard getild, jammer ook dat één familie zoveel invloed kan hebben binnen de showwereld. Maar ja, ieder zijn stijl en zijn smaak, natuurlijk, en geld zal ook een rol spelen.) Dave, die kleine Dave van 10, hij gaat het maken en het zij hem gegund! Gelukkig nieuwjaar: voor álle Ciske’s en voor de héle cast van Ciske de Rat!
De mist blijft plakken in het straatbeeld, het witte huis aan de overkant lijkt beneveld, mat schijnen de feestlampjes langs het balkon, alsof ze bedrukt zijn, en dat zijn ze feitelijk ook. Alleen op nieuwjaarsmorgen is het zo rustig op straat als het nu is, het valt me elk jaar weer op. Ter memo: morgen heeft Margarete haar telefoon weer in haar woning staan. Dan mogen we haar vrolijke stem weer horen, dan bellen we haar op met onze beste wensen. Zou ze weer een lied zingen? En afsluiten met Auf Wiedersehen? Wonderlijk mooi, de gedachte, en wonderlijk mooi dat het allemaal nog kán. Het is toch genade op genade?
Woensdag 2 januari
Één beeld laat me niet los, het is het beeld van de engel in de wolk. Olivier en ik keken naar de hemel, het was oudejaarsavond en er was vuurwerk te zien, de mist had ons gebied nog niet bereikt toen daar een enorme wolk kwam overdrijven, hij trok langs ons heen en we zagen tot onze verbazing een engel met vleugels van melkwitte wolkenwol, hij bleef daar maar voortgaan, langzaam maar zeker, en toen hij bijna voorbijgetrokken was, werd hij een liggende mens, hij leek op een mens in treurnis, met het hoofd afgewend in verdriet; het was zeker geen blij beeld dat daar voorbijtrok, of toch wel? Was hij wellicht een mens die eindelijk rust gevonden had? Lag hij gewoon te slapen?
We zeiden tegen elkaar dat we ons konden indenken dat in vroegere tijden God in de wolken werd gedacht. Toen er niets aan digitale fantasie te beleven was, geen tv, geen radio, geen film, noem maar op, toen niets van dat alles bestond, kon je in je puurheid en in je verlangen God en de engelen onverlet in de wolken terugvinden; maar ook nu nog, in onze elektronische tijd, kun je de tekenen, de voortekenen en zelfs de mooiste legendes in de wolkenmassa lezen; je kunt er sprookjes van schrijven, van de wolken met hun wisselende vormen en soms bizarre beelden. Maar die engel die voorbijtrok, vergeten we niet; en het mensenbeeld uit die engel voortgekomen, ook niet. Het was verwonderlijk, bijna heilig, wat daar gebeurde aan de oude hemel in de vroege nacht van 2007 op 2008.
Prompt was de hemel onzichtbaar van de mist, was de straat niet meer te zien, waren de huizen helemaal weg en de sprankelende sterren van het vuurwerk gedoofd; het werd stil, er was geen doorkomen meer aan, de hemel zat dicht en de aarde ook. Het was alsof de grote, witte wolkenengel, die aan ons venster voorbij was gegaan, de mist als een loden deken over het land had neergelegd, alsof hij vóór de mist uit was getrokken als een trefzekere wegwijzer in de nacht; en leek het niet op een teken dat alleen de hemel het voor het zeggen heeft? De natuur is onstuitbaar in haar kracht, geen mens kan ertegenop.
Donderdag 3 januari
De nacht was wakker. Ik had te lang en te laat naar de documentaire over Jim Jones gekeken. Het fatale slot van zijn sekte gebeurde einde jaren ’70. Bijna 1000 mensen en hun kinderen stierven onder zijn sektarisch bevel in hun eigenhandig opgebouwde stad Jonestown, er was voor hen geen ontkomen aan geweest. Jim Jones was een soort miniatuur Hitler die opereerde op geestelijk drijfzand, een spirituele dictator die in zijn gekte zijn trouwe aanhang fataal de dood injoeg, en zichzelf; een duivel die zijn satanische macht had opgeëist en ten volle gepraktiseerd; mannen en vrouwen heeft hij onbeschaamd verkracht, geestelijk en lijfelijk. Hoe kon zoiets gebeuren, hoe kon het zó ver komen? Al die trouwe, goedgelovige mensen bezweken aan het fruitdrankje Kool-Aid vermengd met cyaankali. Wie niet vrijwillig dronk, kreeg het gif ingespoten. Jones zelf stierf door een kogel in het hoofd. Deze hele geschiedenis is méér dan drama alleen, ze is de ultieme hel, de uiterste slechtheid, ze is de holocaust van 1978, voortgekomen uit een waanzinnige, niets en niemand ontziende sekteleider in het oerwoud van Guyana.
Ik sliep dus niet, was weinig relaxt, maar niet onrustig of zo, ik rustte gelaten door de uren heen en dacht diep over alles na. Één ding hield me heel sterk bezig: dit is écht gebeurd, dit is écht gebeurd! Dit macabere drama heeft onder onze ogen en in onze tijd écht kunnen gebeuren! Om half vier heb ik het fornuis schoongemaakt, de pitten en het rooster. Rond half zeven sukkelde ik in slaap. Het was een lange, kille nacht vol verbazing.
Vrijdag 4 januari
Soms denk ik sterk terug aan de mensen in mijn stad toen ik een meisje was. Er was in de binnenstad vooral klassenverschil, hoewel ongeveer niemand van de middenstanders zijn kinderen hoog liet opleiden, of er moest een kandidaat priesterzoon in de familie zijn zoals bij het eenvoudige gezin Coret in de Stoofstraat, bij de ondefinieerbare familie Vervoordeldonk in de Snellestraat en in het katholieke, kinderrijke gezin van Frits van der Ven, toen woonachtig en handelend in het enorme pand aan de Markt. De meeste zonen kwamen in de zaak van hun pa zonder diploma, amper de Mulo gehaald of half gevolgd, het was heel gewoon. Nee, de volkszonen die de ambachtschool deden, brachten het ver, zij vooral werden de rijke zakenlui, de zogeheten nieuw rijken, later in de eeuw, het is opmerkelijk genoeg gebleken en bewezen. Maar dit wilde ik niet schrijven, ik dacht aanvankelijk aan de dochters van de Bossche middenstand, pretentievolle dametjes met lege hoofdjes, mooie kleertjes en veel jongens in hun schoolagenda’s geboekt. Het waren bijvoorbeeld de dochters Robeerst, neplady’s met grote monden en veel poeha op innerlijk niks; glamour en ordinaire taal, veel geschreeuw en weinig wol; ze ritselden achter de zonen van welgestelde winkeliers aan, bijvoorbeeld de jongens Mettrop die wel iets anders ter verkering uitzochten. Maar de vrijklare jeugd van de jaren ’50 en ’60 was verwaand, stiekem en hitsig, vooral die van de middenstand. Die hoogopgemaakte, geblondeerde meid van Van den Berg, haar vader was fabrikant van de Luilekkerland paté’s, zij maakte het wel erg bont naar de heersende moraal; ze verleidde de eerste neger die we in onze stad hadden ontdekt in die tijd en het kind dat er van kwam, was mooi, maar ongelukkig binnen het circuit van de grootouderlijke rijkaards; zij, de rijke Van den Bergs, hadden een naam hoog te houden en dochter Annie kreeg een moeilijk leven, zo gingen de roddels in ieder geval. Ik vond haar niet aardig. Als je haar tegenkwam in de stad, op straat of bij de slager bijvoorbeeld, dan keurde ze je geen blik waardig, al kende ze je nog zo goed, want de hele binnenstad kende elkaar erg goed. Wat een nare moggels eigenlijk, ik denk aan nog meer van zulke pretentievolle modepoppen, Jeanne Harmsen was ook zo’n portret, en de Robbens en de De Laats en de Van Dartels, en de Van den Akkers die een artistieke familie waren, pa Nico was violist bij het Brabants Orkest; dan had je nog de ‘mindere soort’, hun vaders waren ober of vertegenwoordiger in margarine, ook hún dochters waren uit op aanzien, ook zij waren arrogant en hitsig en zeer modebewust, en misschien waren ze nóg stiekemer dan het grut van het zakensoort, wie weet. Heb ik ooit écht leuke mensen ontmoet in mijn stad? De Ebbens misschien of de De Groots? Ebben handelde in kachels, hij was de kachelsmid en De Groot was een schoenmaker met een hele rij kinderen met allemaal dezelfde snoeten, ze waren echt van hém en van háár. Naast ons woonde Jansen, hij stierf te jong, hij speelde piano en was ober; zijn dochters waren aardig, Clemy en Ina en Wiesje, ze waren heel aardig. Toen ik als vijfjarige uit ons brandende huis werd gered door mijn verschroeide vader mocht ik eten en chocolademelk drinken en slapen bij deze buren Jansen; er was daar een bijzondere sfeer, er was een zekere natuurlijke beschaving en Ina trouwde dan ook met de uit Engeland afkomstige diplomaat Evans; hij reed zijn zwarte, imposante wagen voor met CD op het nummerbord: Corps Diplomatique. Schuin tegenover ons was het immense huis van de adellijke familie De Kuijper, ook zij waren aardige mensen en hun zoon de jonker was een vriendelijke jongeman, ik zie hem nog in mijn herinnering door de straat gaan, verlegen was hij wel, maar altijd zeer beleefd. De stem van mevrouw De Kuijper schalt na in mijn oor, ze belde regelmatig naar onze zaak voor hun koelsysteem, ook zij was een aangename buur én klant. Dan was er de familie Zanin, en er waren De IJsvogels; zij hadden de ijssalons in de stad. Moeder Sam, zo werd mevrouw Zanin genoemd, was een horketak, een bazin met priemende, zwarte ogen in haar Italiaanse gezicht, maar ze was eerlijk en rechtvaardig. De IJsvogels waren introvert, die kon je niet benaderen, zij werden nooit amicaal, bleven op afstand. De dochters blonken als opgepoetste poppen, zagen er onverkort uitermate verzorgd uit, maar meer lieten ze de buitenwacht niet van zichzelf zien, ze bedienden de klanten in hun ijssalon correct maar altijd met dezelfde strakke gezichten en hun blik in de verte, daar bleef het bij. Toch, vele jaren later, toen ik de veertig ruim voorbij was, zong de oude IJsvogel bij ons in het capucijner kerkkoor. Hij was een tachtiger, toen. Zijn katholicisme had me verrast, ik dacht eerder dat hij joods was. Hij was aardig, zong met diepe stem en was voor de jongere leden in die dagen al heel erg oud, stókoud. Hij werd erom geëerd.
Ik ben nu echt moe geworden, zo’n terugblik, hoe summier ook, put uit. Hoe kwam ik hier eigenlijk op? Ik heb alles en iedereen alleen maar op afstand geobserveerd, het kon niet anders, want mijn moeder stond me vooral in mijn jeugd nimmer contacten in de buurt toe. Daardoor heb ik zo’n heerlijke tijd gehad toen ik op kostschool was, daar kon je gerust met elkaar omgaan zonder restricties van ‘zij wel en zij niet’.
21.15 uur. Mensen hebben allemaal hun (on)hebbelijkheden, of je het leuk vindt of niet. We vierden eens iemands verjaardag in een mooie ambiance, ik had er blij naar uitgezien. We waren met een paar genodigden en de familie, we zaten aan tafel met een man of zeven, allemaal lieve mensen die van elkaar hielden. Er werden leuke foto’s gemaakt ter herinnering. We snoepten taart en dronken thee en koffie, het beloofde een feestuurtje te worden zoals de jarige het zich had voorgesteld. Maar toen kwam de klad erin. Iemand aan tafel kreeg telefoon, en weer een keer. Vanaf dat moment belde de ontvanger om de haverklap onrustig naar de aanvankelijke beller op. Er werd gemobield en het ging over quatsch en níks, aan de andere kant van de lijn werd alleen maar persoonlijke aandacht opgeëist, er was niets ernstigs gaande. Het vervelende telefoongebeuren liep door alles heen, verstoorde de gesprekjes onderling, vergalde de gezelligheid en echte feestvreugde bestond niet meer. De jarige hield zich goed, ik ook, maar ik was verbijsterd over zoveel onbeschaamdheid. Ik zei niets om de sfeer voor de jarige en de kinderen goed te houden. Maar ik begrijp ’t nog steeds niet: hoe egocentrisch durf je te zijn, of hoe opleggend? Er mag van mij een etiquetteboekje komen over mobiel bellen in gezelschap. Of het helpt?
Zaterdag 5 januari
Vannacht heb ik nagedacht over verschillende sociale contacten, probeerde onpartijdig naar bepaalde situaties te kijken, keek in mijn binnenste om mijn integriteit te toetsen, onderzocht mijn geweten, en de slotconclusie is nog steeds dat veel mensen niet kunnen luisteren naar wat je bedoelt, niet kunnen lezen wat er werkelijk geschreven staat. Ik weet dat schrijvers vaak worden misverstaan, ze werven vijanden juist door misverstanden, een mens leest en hoort hoe hij wil lezen en horen, en niet iedereen is je gunstig gezind. Ik weet dat mensen soms gekwetst kunnen zijn door de mening van de schrijver, je kunt je afvragen of zo iemand dan nog onbevangen kan zijn, of zo iemand dan nog met je verder kan in goede harmonie, er is iets gebeurd, men is bekritiseerd en dat verkropt men niet of moeilijk. Er zijn weinig mensen die op hun vingers getikt willen worden, ook niet al zijn ze nog zo fout. Maar het is groter toe te geven dan om de feiten heen te draaien. Men moet wél oppassen voor wraakgevoelens, die moet men onmiddellijk uitbannen, anders gaat je hele sociale kring naar de bliksem, want er is altijd wel wat. Mensen zijn mensen. Je moet goed onthouden dat alle mensen kwetsbaar zijn en gevoelig, precies zoals jij en ik, want wie is dat niet? Je moet altijd proberen de dingen in hun werkelijke betekenis te zien, ze te verstaan binnen de context; en wie ergens uit citeert, moet de essentie van het verhaal kénnen, zonder vooruitlopende bijgedachten; onderzoek alles en behoud het goede (Paulus).
Zondag 6 januari
Het was die goede koster Herman die me vanochtend de beste wensen en een stevige hand gaf. De eucharistieviering in het Gasselse kerkje was subliem, de zang opmerkelijk goed, de preek een heiligende ontboezeming over de drie wijzen en het Kind. Zoals altijd had pater Frans er een onderhoudende beschouwing van gemaakt, dat is een genadevol talent van hem, zoals hij de mensen wijzer maakt in hun godsdienstigheid. Als ik hem zo zie en hoor, dan verzucht ik vaak: och, dat dit alles voorbijgaat, vergankelijk is, och, dat er anderen komen om het woord te doen en de vieringen, het is de levenscyclus, ik weet het wel, maar zoals híj is, zeker in evangelische zin, komt er niemand meer. Het is het unieke in mensen dat nooit terugkeert, het is de unieke mooiheid naar lichaam en geest van déze mens die niet te evenaren valt, het is zíjn goddelijke uniciteit, zíjn geheiligde identiteit, onovertroffen en eenmalig. Ik denk dat dit beeld kan terugslaan op de vondst van het Kind door de drie wijzen; zij troffen de uniciteit aan van het Kind toen zij het huis binnengingen, en tegelijkertijd erkenden zij de waardevolle uniciteit van élk kind, en zij eerden het en offerden het Kind hun rijkste gaven, en in hem eerden zij álle jonge kinderen, want het gaat om het goddelijke, om de hoogste puurheid, alleen daaruit kunnen koningen geboren en gevormd worden, alleen in de gepuurde ziel kan het koningschap opbloeien, en zo zal elk kind in beginsel koning zijn en in wijsheid worden gevormd. Zo kijk ik naar het kindschap van Jezus Messias, en zo kijk ik naar deze wijze, mensengetrouwe priester, mijn vriend, die voor mij een ongekroonde koning is in God, heel evangelisch, heel bijbels en heel levensecht.
Met de vreugde nog vanuit de mooie viering en om de vriendelijkheid van de koster reed ik de auto richting het Gasselse Mariakapelletje, als een soort afsluiting van de eredienst. Het land was kaal en toch gevuld met de rustende natuur, met de wachtende knoppen aan de vroege tulpenboompjes, met de lege struiken vol nieuwe levenssappen in de kern, met de paarden, groot en klein, en de markante schaapjes met hun langdradige wolvacht en zwarte snoetjes, en met de laagstaande, zilveren januarizon. De grond was drassig waar we liepen naar de kleine kapel. In het voorjaar staat zo’n Mariabeeld er ánders bij, dan komt het liefelijke van de moedermaagd met het kind in haar armen beter naar voren dan in de winterse januarimaand. En toch, toch doet zo’n plek je altijd wel iets, bij lege of volle bomen, bij winter of zomer, het doet er niet toe, omdat het een plek is die mensen aantrekt, waar mensen komen met hun lief en leed. Toen ik vanmorgen de noeste koppen van enkele boeren beschouwde, dacht ik: wat is de mensheid kleurrijk, gevarieerd en prachtig van structuur, wat heeft God een boeiende mensen geschapen, allen afgestemd op hun omgeving, op hun talent en op hun aard, op hun bestemming en op hun volkssoort, geheel eigen en uniek; een boerenmens, bijvoorbeeld, oogt niet als een ziekenhuisarts, een winkeljuffer oogt niet als een stoere boerin, ik bedoel, elk beroep heeft zijn uitstraling, het kan zelfs herkenbaar zijn aan wie het uitoefent. En zo zie je dat verschillende bij mensen over de hele wereld bestaan, eigenlijk bij alle rassen.
We togen verder, reden naar Ravenstein om koffie te drinken, want na een viering is daar grote behoefte aan. We lunchten in Het Veerhuis, gingen over de dijken en kwamen bij de pont naar Appeltern; het water van de oude Maas was van zwart zilver en de zon blonk het enigszins op naar een lichtere zilvertint, maar het zwart bleef oergetrouw overeind. We zagen veel gevogelte groepsgewijs in het gras langs de waterkant en in de weiden pikkerig zoeken naar eten en er vlogen zwermen vogels in de lucht, in allerlei soorten. We genoten van deze rit op zondagmiddag na de mis en we kwamen voldaan maar zeer moe thuis; ik viel in slaap, mijn lief geoffreerde thee nog niet eens opgedronken.
Maandag 7 januari
Vanmorgen werd ik tamelijk uitgerust wakker, hoewel ik vannacht in consternatie de wijnvlekken uit het Perzische tapijt heb moeten verwijderen, het kostte me ruim een uur aan denken en doen, maar het is tamelijk gelukt. Dan ben je weer pront met het resultaat en je leert praktisch gezien dat je géén citroensap op een Gabbeh moet sprenkelen, tenminste niet wrijvenderwijze (wat een woord, staat vermoedelijk niet in Van Dale).
De lichaamstemperatuur was 37,2 ° Celsius, het gaat alweer een stukje beter met me hoewel ik moe blijf, erg moe. Skype weigerde vanochtend door te komen naar Zweden en terug, maar Piet belde toen via de reguliere telefoon en we hielden een prettig gesprek, ook met Caterina die vertelde dat ze net twee beren waren die hun winterslaap houden; mooi beeld vind ik dat en dat ze maar goed uitrusten, het was allemaal spannend en druk met hun internationale verhuizing. Het dooit momenteel in Zweden, regio Stockholm. Nu ga ik zuurkool koken en gehaktballen braden, ik trek vanmiddag naar de kinderen om op te passen en zorg meteen voor een lekkere winterse maaltijd. Ik hoop maar dat ze allebei van zuurkool houden, het is gezond eten, zeker voor de opgroeiende jeugd.
Dinsdag 8 januari
In Den Bosch werd geschiedenis gemaakt, in mijn beleving. De kleine man was hartvertederend, hij maakte van de verhuisdozen een fort, of was het gewoon een heerlijk onderkomen achter de hoge wal van karton? Tientallen verhuisdozen stonden gepakt in de achterkamer, met enkele lege erbij, die hij handig en vindingrijk gebruikte voor zijn spannende spel in zijn fantasiewereldje. Wat gaat er in een kind om dat een huisje bouwt in de woonkamer en er dan urenlang vertoeft? Toen ik hem zijn zuurkool met gehaktballetjes wilde aanreiken, verzocht hij me vriendelijk dat te doen via het wijnrek dat onbebouwd tegen de wand stond. Hij was uren zoet. Af en toe riep ik hem om te weten of hij er nog zat. En soms zong hij helder met zijn digitale muziekattribuutje mee, wat was dat voor een ding, dan wist ik vanzelf waar hij zich bevond. In de voorkamer was hij later op de avond bezig met een duimstok, hij maakte er een handboog van en slingerde een denkbeeldige pijl, of was het een steen, om de boog heen en schoot mikraak met een vloeiende poehwwm, wie weet waarop. Het was kostelijk om hem gade te slaan in zijn spel en in zijn ongecompliceerde kind zijn. We keken GTST en hij kroop dicht tegen me aan want het was spannend, het speelde rond Dian en haar ontvoerder Bob, een geschifte politieagent die ook nog eens een meervoudige moordenaar was, het was erop of eronder.
Later was onze kleine man in het ouderlijke bed gekropen en ik lag bij hem op het logeerbedje, we babbelden allebei honderduit en hij vertelde o.a. wat hij voelde aan moeheid als hij ’s morgens uit bed moest komen; hij verbaasde zich erover dat hij ’s avonds niet wilde gaan slapen en ’s morgens wél behoefte had aan slaap. Ik heb hem het waarom uitgelegd. Ook over eten, praatten we, over gezond voedsel dat nodig is om sterk te worden en te zijn en te blijven; goed voedsel moet je tot je nemen, anders heb je geen energie om de dag te volbrengen en word je slap, hangerig en ziekelijk. ‘Zoals een auto benzine nodig heeft?’ vroeg hij. ‘In die richting,’ beaamde ik, maar hij begreep het wel. Ik heb over vroeger verteld, over de kostschooltijd en de nonnetjes en de pater rector en over de bisschop, als je die laatste heel vroeger tegenkwam in de stad knielde je eerbiedig neer, dan groette hij je met de zegen; nu herken je de bisschop niet meer op straat, behalve als hij pontificaal in de kerk aanwezig is, bisschoppelijk gekleed met mijter en staf. ‘Wat is een bisschop?’ vroeg hij. Dat moest worden uitgelegd. Hij vond het allemaal wel mooi, geloof ik. Toen kwamen zijn ouders thuis en het verhaal was uit. ‘Volgende keer vertel ik verder,’ beloofde ik. ‘Kijken we morgen weer naar GTST, oma?’ vroeg hij. ‘Maar morgen ben ik niet hier, Flemming,’ zei ik. Ook goed, en hij babbelde vrolijk verder met papa en mama, vroeg hun of het theater in Breda mooi was, want daar kwamen ze net vandaan, er was een nieuwjaarsreceptie geweest van Meeùs. Intussen was het wéér laat geworden en moest hij écht gaan slapen. We zaten gedrieën nog na in de salon, Conner bleef op zijn kamer, groot en wijs als de adolescent die hij nu bijna is geworden; we keken naar Document, het ging over de gorilla Ivo en we waren ontroerd en aangeraakt door de emoties bij het apenvolk; en we wisten ons één liefhebbende familie, kan het mooier zijn? Het was een heerlijke avond, ik kan niet alles vastleggen, het zou een boekje op zichzelf worden, maar nog dit: de volgende morgen werd ik wakker met de kleine man voor ogen die me lieftallig kwam begroeten: ‘Goede morgen, oma. Gaan we weer GTST kijken?’ ’Oma gaat weer naar huis,’ zei zijn mama die met een brede glimlach achter hem stond. Ik keek in zijn fijn getekende gezichtje, zag twee stralende ogen en heel veel lievigheid, o hij is een kind om van te houden, onverkort. Hij hield me vast, drukte zijn hoofdje tegen mijn gezicht. Wat een genade, dit kind, wat een rijkdom. Hij is een zegen op mijn oude leventje.
Woensdag 9 januari
Vanavond hoorden we Margarete’s vrolijke stem weer terug, het heeft wel lang geduurd voor de telefoonaansluiting tot stand was gebracht, merkwaardigerwijs, maar het was een leuk gesprekje, compleet met de leuze ‘vooruit met de geit’ en haar geijkte ‘auf wiedersehen’. Haar huisarts weet, volgens Margarete, niet wat zij heeft en ze weet het zelf ook niet. Nou, dat hoeft ook niet als je meer dan honderd jaar mag zijn, ik denk dat het medische plaatje van een mens dan ook niet meer zo simpel te ontwarren is. Maar het was een feestje, dit telefoontje, een miniatuurtje van blijdschap, een hoorspelletje van de lach, wat willen we nog meer?
Vanavond vertelde Veronica per telefoon dat de telefoonaansluiting bij Margarete wél op 2 januari had plaatsgevonden. Gerard had zijn broer met nieuwjaar per antwoordapparaat laten weten dat het pas de 9de zou gebeuren en níét op de 2de. Wél een vervelend voorval, alweer een, bedoel ik. Waar komt zo’n stommiteit vandaan? Is het bemoeizucht? Soms kunnen mensen het niet laten zich met je te bemoeien. Och, ik zucht maar een keer. Donderdag 10 januari
Een mens balanceert als hij niet oppast zijn leven lang op het koord van de angst voor leven en dood, ik heb dat zelf heel lang gedaan. Met die angst werd ik opgevoed, voornamelijk door mijn moeder, zij was een bange vrouw, bang voor bijna álles, durf ik stellen; ze was niet bang voor de mensen, ze was wel bang voor de kwade kanten van het leven, voor de kwade mensen onder ons, want die bestaan, ze was bang voor (de) oorlog, bang voor de bedreigende natuurelementen zoals onweer en bliksem, en voor ziektes, daarvoor was ze erg bang. Al die angsten heeft ze overgedragen op haar kroost, zonder dat te willen, is het gebeurd. Het grootste deel van mijn leven was vergiftigd met angst. Pas de laatste 20 jaar kan ik zeggen dat ik de overdreven angsten heb overwonnen, de baas ben geworden; er is geen bijzondere angst meer in mijn ziel behalve de natuurlijke angst van een mens; gelukkig maar, want zónder enige angst zou je een koelbloedige robot zijn. Leven met te veel angst is zwaar, te zwaar; leven met angst, met voortdurende angst, dag en nacht, is ondoenlijk. Het was opmerkelijk: was de ene angst voorbij dan stond de andere angst je alweer op te wachten, dan had een nieuwe angst je alweer te pakken, alsof je niet zonder angst mócht zijn, alsof je de angst moest huisvesten in je armzalige ziel, moest meetorsen door je dagen, en waarom eigenlijk? Het was als een verregaande straf, zal ik maar zeggen, ondragelijk voor een jong mens dat in de bloei van het leven staat, het was, zeker achteraf, verspilde tijd en energie, het was als een signatuur van de hel. Denkelijk heeft ook de Kerk haar invloed op de beïnvloedbare gelovigen gehad, vooral met haar leer over hel en verdoemenis, met haar creaties van zonden die geen zonden waren, met haar minachting voor de mens an sich. Zelf ben ik verwonderd dat ik mijn levenstijd en mijn gelovigheid met al die angsten nog zo goed als ongehavend heb doorstaan. De realiteit van het leven kan ik op ‘n gezonde wijze aan, met alle voors en tegens, ondanks het grote lijden dat eraan voorafging, ondanks de vernietigende doctrines van de oude Kerk met haar hiërarchie. Mensen met angst leven zwaar, leven bijna niet; angst is hun dooddoener, angst is funest, onleefbaar. Je kunt ‘gemotiveerd’ bang zijn, dan kom je eruit, maar wie voortdurend ongericht bang is in zijn binnenste, wordt ten diepste gekweld en moet strijd leveren tegen iets uitermate gemeens dat logischerwijze niet eens te bestrijden valt. En toch is de overwinning haalbaar, maar alleen met alle geduld en met heel veel begrip om je heen, met gezond verstand en voorzichtig beleid; met loslaten wat je ooit is wijsgemaakt, met bijzaken durven verlaten; hoe zwaar kun je het hebben?
Het grote pluspunt, achteraf, van zo’n benarde levenservaring is dat je andere mensen in hun zwakte eerder begrijpt, en als je een beetje kunt schrijven, maak je de mooiste teksten vanuit je eigen oude angsten, en zo ben je hopelijk nog tot steun en tot troost voor velen die in hun angstigheid een medemenselijke herkenning zoeken, én hulp. Moge het zijn.
Vrijdag 11 januari
Gisteren zag ik het eerste bundeltje sneeuwklokjes in de tuin van Catharinahof staan, pal onder het raam van pater Frans. Het heeft iets ontroerends om ze te zien, elke midwinter weer, ze staan daar in de januarikou mooi te wezen, pril en vertederend voor het mensenoog. En vanochtend kwam de oude non Josina mopperend langs me heen gestapt, ze had een dood vogeltje in haar hand, het zat in een papiertje geklemd: Als ik er niet was, dan zou het eruitzien hier! Ik kon er niets zinnigs op zeggen, het ziet er altijd piekfijn uit, daar. Maar Josina is oud en altijd bezig met de oprit en de tuintjes te fatsoeneren, hoe krijgt ze het voor elkaar op haar hoge leeftijd, want zou ze niet al bijna negentig zijn?
De uitslag van de röntgenfoto’s was niet florissant, het blijkt een nare aandoening die me al veel langer de das omdoet dan ik zelf doorhad. De dokter schreef me vanmiddag weer een antibioticum voor, weer een kuur van acht dagen, ik ben nog steeds zo moe, zo hangerig, zo futloos. ‘Ik zweet als een paard’, zei ik onvrouwelijk. ‘Het is ‘als een otter’, probeerde de dokter literair. ’Ik zoek het straks even op bij Van Dale, al kan een paard zwéten, hoor,’ kaatste ik quasi veterinair onderlegd terug. We lachten melig. Later zei pater Frans, bij wie ik op de koffie was gegaan, dat bij Van Dale staat te lezen: zweten als een paard/zweten als een otter. Het is dus allebei goed. Was dit nou ’n competitietje op taal bij de huisarts?
De controle bij de mondhygiëniste leverde een beginnend gaatje op, dat wordt volgende week gedicht. Maar ze was heel tevreden over mijn tandverzorging en het verhemelte is rustig, kennelijk is er niets meer aan de hand. Olivier en ik reden later naar Sint-Walrick en we lunchten met pannenkoeken. Vooral de appelpannenkoek daar is van een uitmuntende kwaliteit en heerlijk van smaak, gelukkig niet vet en met een verrukkelijke appelsoort belegd. ‘Goudreinet?’ vroeg ik aan de serveerster, maar ze wist het niet, o dommetje toch. Wat ze wél wist, was dat die appels van de appelboer kwamen, zoals ze zei, van de appelboer uit Overasselt en dat was toch ook weer heel wat aan knowhow. Enfin. En zo ga je op je oude dag je dagen door; en bezig ben je ook met je te oriënteren voor de paastijd, wat zullen we maken en bieden aan moois voor de bezinning in maart? Het moet immers weer goed zijn. Ik voel wel dat ik echt moet oppassen dat de fysieke uitputting wordt ingedamd, niet aangewakkerd in ieder geval, ik doe het dus heel kalmaan, op mijn eigen akkertje in mijn eigen tempo met mijn eigen mensen, dus met niemand aan drukdoenerij te veel. Nog dit: Vincent Klep (12) en Flemming Viguurs (11) staan met een grote foto erbij geïnterviewd en wel in het Stadsblad van Den Bosch, respectievelijk als Dorus en Ciske de Rat; dat is smullen voor oma Ine, schitterend gewoon!
Zaterdag 12 januari
Mijn zoon is jarig, the one and only. We gaan het vieren met koffietijd, Boudewijn en ik. Morgen na de viering zal er het feestje van de ontmoeting zijn met de felicitatie en een verjaardagskus; het zijn de mooie momenten in familieverband, die je koestert en die je bijblijven, het is allemaal geluk en genade. Je mag elkaar weten, kennen en zíén. Je mag elkaar op zo’n speciale dag gelukwensen, liefhebben en verwennen: van harte proficiat, mijn zoon, ik wens je alle liefde, gezondheid, geluk en een goed, lang leven toe, je bent het meer dan waard. Dank je wel voor wie je bent, voor wat je bent: integer, zorgzaam, liefdevol, ik dicht het je toe in de volle waarheid; ik ben bevoorrecht met jou als mijn zoon, with you, the one and only.
![]()
Het dagboekjaar 2007 wordt afgesloten met notities van 26 t/m 31 december.
Woensdag 26 december
We hadden alles goed gepland voor de kerstdagen, de kerstavondmis in de kerk van Grave slaagde enorm, hoorde ik, en het vervoer vice versa ging probleemloos, al was ik ziek. De eerste kerstdag was ik lector in de kerstviering van het Carolusziekenhuis, ondanks een zekere heesheid kon ik de lezingen goed neerzetten en alles in deze heilige liturgie verliep sfeervol en genaderijk; er waren ernstig zieken en het was ontroerend eucharistievieren met hen erbij; je zag hun broosheid en je wist hun intense kwetsbaarheid, hun afhankelijkheid, hun sterfbaarheid én je eigen machteloosheid. Maar je weet tegelijkertijd dat het leven niet anders is, dat het ons allemaal op een keer zal overkomen.
In Grave onderging ik een openbaring, zo ook mijn medepassagier pater Frans, hem bracht ik op dat moment naar de kerk. Bij het verkeerslicht stonden we stil, het was rood. Wat kwam daar allemaal voorbij? Hele gezinnen te voet passeerden de oversteekplaats, enkelingen en fietsers groepsgewijs en per stel trokken voorbij en toen we het stadje inreden, zag ik nog talloze auto’s en voetgangers ter kerke gaan; bij de kerk aangekomen, zagen we dat er nog maar weinig te parkeren viel, het stond vol met auto’s. Het was half acht en de kerk was al bijna volgestroomd met kerstvierende kerkgangers. Het pakte me, ik zag een beeld van vroeger tijd, iets wat nauwelijks nog te verwachten viel in onze dagen, maar wat ik nu zag, was echt: al die vele, vele mensen die naar de nachtmis gingen, al was het dan naar de vroege nachtmis van acht uur, zogezegd. Een plaatje.
Toen ik rond kwart over negen het stadje nogmaals binnenreed om pater Frans weer af te halen, kwam de massale drukte me weer volop tegemoet, wéér was het druk bij het verkeerslicht en wéér zag ik al die mensen, al die families te voet en op de fiets en per auto voorbijtrekken, maar nu ging het huiswaarts. Het was een drukte van belang. Ik nam het beeld mee in mijn herinnering. Het deed me goed.
Ik was er die avond, dik ingepakt met hoed en sjaal, even tussenuit gegaan als chauffeur van de pater, en de eerste kerstdag als lector in de kerstviering in het ziekenhuis, en ik heb het kalm aan gedaan, want ik was nog steeds niet beter. Die maandagmiddag was ik nogmaals bij de dokter geweest, de klachten hielden aan, hij kon me echter geen uitsluitsel geven omdat in het CWZ in deze periode geen tijd kon worden gevonden om de uitslagen van de röntgenfoto’s naar de huisarts(en) te sturen, en er zouden intern problemen zijn. Op zijn vroegst komt de uitslag half januari binnen. Ik zwijg dan maar en wacht af.
Donderdag 27 december
Onze vriendin, de muze Mieke Morgenstern, had ons uitgenodigd te komen dineren in haar schattige dijkhuisje in Aalst. Haar gebaar gold voor tweede kerstdag. Maar ik lag in bed en sliep en sliep, alles ter genezing, hoopte ik. Het pufje van de dokter had nog niet echt gebaat, de medicijnen werkten erg langzaam en de paracetamol was niet toereikend. Ook Asha & Arold hadden ons uitgenodigd om op eerste kerstdag deel te nemen aan hun kerstdiner en hun kerstvreugde te komen delen, en wel voor de laatste keer in het oude herenhuis in de stad. Ik heb verstek laten gaan, ik was gewoon ziek. Of het jammer is?
Boudewijn en ik hadden nog een korte rit gemaakt naar
Oortjeshekken, het was in de rijp van de dagen vóór de kerst. Die tocht is onvergetelijk. Wat eens schoonheid aan natuur met land en water en met in de verte de huizen als plaatjes. Wit was de wereld bij Ooij, en ijs en watervlakte signeerden het landschap vorstelijk. De bomen droegen elk in hun soort hun beijzelde en berijpte takjes als koningskinderen hun kroontjes. Op zulke momenten is de wereld helemaal afkomstig van God, wie anders heeft alles bedacht met dit vernuft?
20.40 uur. Vanmiddag ging de tocht naar Ravenstein en naar Grave, ter oriëntatie voor morgen wanneer Veronica en Joop komen, we gaan daar samen eindejaar vieren. Het is een heerlijke middag geworden, zo samen met Boudewijn in De Keurvorst en in De Gouden Leeuw; buiten op de kleine Markt zagen we de stralende lampjes in de hoge stadsbomen hangen, ze flonkerden alle draadgewijs omheen de takken gewikkeld, het was een feestje van glinstering en lieftalligheid voor het oog. Eind december, je bent zo mooi.
Mijn dromen zijn de laatste tijd nogal bizar. Deze is van vanochtend: Er staat een oud, houten huis in een bos waar ik graag wil gaan wonen, alles bij en in het huis is donker, behalve de voortuin, die is stralend en vol bloemen. De familie die er woont, staat buiten en ik vraag of ik hun huis kan kopen. Ze lijken opgelucht dat ik het vraag en het antwoord is ja, ik hoef naar de prijs niet eens te vragen, ik heb het huis met die vraag alléén al gekocht. Ik wil het interieur graag bekijken maar in plaats daarvan neemt de familie me mee om de omgeving te verkennen en we doen er een hele dag over, we rijden langs dorpjes en over dijken, we stoppen bij bedevaartplaatsjes, minimale kapelletjes, en zien in de rotsen langs de zandweggetjes hondenkoppen gebeiteld, nee, niet gebeiteld, opgeslagen, echte herdershonden zijn in die rotsen gemetseld, zoals de ontelbare hertengeweitjes bij Joop thuis aan de muren hangen, zoiets dus; ik word er náár van, maar iedereen in de auto is er aan gewend en ik moet doen alsof het normaal is, maar dat is het niet. We rijden langs extreme woningen met allerlei soorten volk, stammen uit onbekende landen die hier gesetteld zijn maar die zich nooit vertonen in steden en dorpen, ze leven anoniem in de groene bossen van ons land, wat een droom. De rit duurt en duurt en ik heb honger gekregen en wil naar huis, maar de familie die de route heeft bedacht, tovert een picknickplaats in het bos tevoorschijn en we eten er kriskras gezeten in het gras en aan oude boomstronken het brood dat er te grabbel opgeslagen ligt, oud brood, niet te smaken. Het is allemaal niet leuk meer en ik zeg dat ik heus terug wil, want mijn vogel is alleen thuis en moet verzorgd worden, dus gaan we terug, over een dijk, nog een dijk, weer een dijk, glijdend over zandpaadjes neerwaarts de wei in, dan door een dorp met witte huizen en open deuren. En daar gaan we wéér langs een rotspartij met hondenkoppen van allemaal dode, zwarte Duitse herders. We arriveren bij het bos waar het huis ligt dat ik wil kopen, maar we komen er niet, het huis ligt direct om de hoek maar we gaan weer over hoge bergen en langs smalle dijken zonder water in de buurt, nee, we komen er niet. Dan ineens arriveren we, eindelijk, gelukkig! Maar de buren in het bos zijn tegen de verkoop van het huis, het wordt een probleem. Ze moeten het maar uitzoeken, denk ik. Weg wil ik, weg en ik wil helemaal geen huis meer kopen, ik wil er trouwens niet wonen ook, het is er donker en somber en kleurloos, en de vrolijke tuin is ook al helemaal uitgebloeid. Dat was de droom.
Vandaag kwam ik onverhoeds voor de keuze te staan naar Grave te rijden over de dijk, maar ik had via de tomtom vanuit Ravenstein al een dijk genomen die ik niet had bedoeld. Merkwaardig, denk ik, want die dijken waren vanochtend in mijn droom aanwezig geweest. Ik heb de laatste dijk maar gemeden. Zo ben ik ook wel weer.
Zaterdag 29 december
Met Veronica & Joop was onze eindejaarsontmoeting een feestje, het kan niet anders zijn. We hebben De Graof als het ware afgegraven tot aan einde 2007, we zijn er dit jaar en deze zomer vooral vaak en intens geweest, ik vierde er mijn 64ste verjaardag op het terras van De Gouden Leeuw en met V&J gaf het samenzijn in de binnenkamer van het koninklijke beestje een lieve afsluiting. We kunnen niet zeggen dat het land van Grave niet door ons wordt geëerd, wat zou die grote voorliefde toch wel betekenen, het is minstens apart?
Ik mis mijn piano, mijn kamer is te klein om er een te plaatsen, maar ik mis hem wel. Ik zag op de foto dat Piet de eens door mij geborduurde pianokruk een mooi plaatsje heeft gegeven in zijn huis in Zweden. Ik weet dat hij een digitaal snaarinstrument heeft staan, maar geen piano meer. Telkens als ik de misboekjes inkijk, zou ik de melodieën willen spelen voor de zondagliturgie, maar dat gaat moeilijk zonder piano of orgeltje, dus blijft het bij neuriën. Dit huis leent zich er trouwens niet voor. Nou ja, ook goed hoor.
Maandag 31 december 2007
De avond is gevallen en de vonken spatten de lucht in, soms mooi en sierlijk, chic van kleur, soms eenmalig geknal met een vuurvonk, rest rook en damp en dofheid. Er zijn slachtoffers in het land, vertelde het nieuws, vele gewonden, vuurwerkmissers; ook zijn er mensen opgepakt die van het vuurwerk bommen hadden gekneed. Ik vind het hele vuurwerkfestijn een verschrikkelijke uitvinding, het is zo oorlogs, zo strijdluidend, zo angstaanjagend; ook de vogel schrok bij ‘n gillend geluid, er siste iets heftigs langs de ramen, maar verder is ze rustig, zit ze boven op haar kooi en kijkt ze ver de kamer in, als ze niet plukt, tenminste, hoewel ze de kaalheid helemaal te boven is gekomen die ze had toen ze in de zomer weer bij me kwam wonen. Och, och, wat is oudjaar vieren toch leuk: knal, boem, pats, bats, hiii, huuu; als je niet oppast ben je er de rest van de avond nog nerveus van ook. En dan is er tóch weer de andere kant van het verhaal: oudjaar vieren ís leuk, vuurwerk kijken ís leuk en oliebollen eten, worstenbroodjes verorberen en champagne drinken is óók leuk. Proost! We zien het wel. Mooi uiteinde en goed begin!
![]()
Woensdag 19 december
Nieuw
Het wintert in het land
Het wintert in ons leven
Het wintert overal
Opdat we nieuw gaan leven.
~
Straks komt de nieuwe dag
Straks komt de nieuwe aarde
Straks komt de nieuwe tijd
De winter staaft zijn waarde.
~
De appels zullen bloeien
De zon schijnt stralend goud
De vogels zullen zingen
Ons kind leeft, nieuw uit oud.
~
Het wintert in het land
Het wintert in ons leven
Het wintert overal
Opdat we nieuw gaan leven.
~
© Ine Verhoeven
![]()
Maandag 17 december
Het is een heerlijke winterse dag, met een late hemel van lila en wit en grijs; ik heb de dokter bezocht vanmiddag, het ziekenhuis en de apotheker; ik meld me ziek, leg mijn schrijfwerk neer, het wordt bedrust en beteren, kuur doen en hopen op spoedige beterschap, het ziet er momenteel niet goed uit; we wachten de uitslag van de foto’s af en als er iets mis zou gaan, dan is de dokter paraat, is me gezegd. Ik kreeg een vriendelijke uitbrander omdat ik niet zuinig op mezelf ben geweest.
En toch is het een heerlijke dag, met licht winterijs her en der op de stoepen en ook is er de verrukkelijke herinnering aan zaterdag, toen Asha, die lieve Asha, met me naar de kerstfair is gegaan; die beelden houd ik bij me, ze is een blije vrouw, dapper en met veel levensmoed; maar ook de beelden van de grote man en de kleine man in de gang bij de voordeur van het oude herenhuis, toen die twee ons blij nawuifden bij ons vertrek naar de Heerlijkheid Mariënwaerdt, dat beeld is me ook een kostbaarheid, zo mooi, zo rijk, zo lief. Het leven is de moeite waard, alleen al om dit geluk van de kinderen. En daarom ook ga ik beter worden, welterusten lieve wereld, het ga je goed, ik zeg: tot binnenkort maar weer. Zodra ik een beetje meer lucht heb en koortsvrij ben, schrijf ik mijn verhaal weer op, wie het wil, mag het allemaal van me lezen.
![]()
Zaterdag 15 december
We waren samen op weg gegaan naar Mariënwaerdt, Asha en ik. Ik dacht tevoren het niet op te brengen vanwege de vele wandelingen over het landgoed, maar het viel mee; ik rustte af en toe wat op een bankje, het winterzonnetje scheen, en genoot van wat er te zien was om me heen, Asha ging dan langs de stijlvolle bezienswaardigheden, ze genoot zichtbaar; het was al met al een knusse voorloper op Kerstmis, dit vrolijke en gedistingeerde uitje naar de kerstfair in Beesd. We zagen de paarden met hun koetsiers en de reizigers in bont gehuld, we hoorden de bellen klingelen en we zagen de arrensledes die tegenwoordig met een wieltje eronder bevestigd, meelopen – er lag geen sneeuw; het was net echt, ik bedoel: het leek op een samenkomst van het standsverschil van vroegere tijden, de deftigheid, de heerlijkheid. Daar gingen ze met hun paarden en hun honden, met hun burberry outfits en ik zag met plezier de hoge mannen in chique mantels gehuld. Zo’n bijeenkomst noem je terecht een kerstfair, alles was sprookjesachtig in kerstsfeer, zelfs ons hightea-uurtje dat met de heerlijkste lekkernijen vergezeld ging; beslist geen fabriekskwaliteit, er was alleen maar heerlijkheid van de beste grondstoffen, het resultaat loog er niet om. Ik zal deze bijzondere zaterdag niet snel vergeten, het was uniek om met Asha op het landgoedpad te zijn, ook al een heerlijkheid.
Op de terugweg begon het hoesten weer, ik heb er al veel te lang last van, ik raakte zowat mezelf kwijt en Asha stelde voor een hoestdrankje en pastilles voor me te gaan halen in het winkelcentrum, ik was er blij mee; ik nam alvast wat in en het heeft al ietsje geholpen, hoewel de hoestbui onderweg naar Nijmegen weer een erg lelijke aanval was; maandag bel ik de dokter als het nog zo erg is als nu, ik ben normaal al moe, dit gehoest put me nog meer uit.
Gisteren hadden we een wonderbaarlijke middag en avond met de zusters, een zestigtal, het was gewoon een feest op weg naar Kerstmis, ze waren ontroerd en aangeraakt, allemaal; we werden honderdvoudig bedankt, ook voor de boeteviering die ingetogen was en rijk aan inhoud. Op zulke schitterende dagen van gemoedelijke heiligheid valt het te betreuren dat niet méér mensen er deel aan nemen; ik gun het hun zo. Ik had twee manden met rode appeltjes klaargezet en na inleiding en het verhaal De Kerstappels en na de liederen en de gedichten deelden we de appels uit; de zusters waren onder de indruk en blij, opvallend blij. Veel zustertjes hebben het verhaal en de appel als kerstsouvenir in het zicht in hun kamer neergelegd. Dat maakt alles, wat we tevoren hebben moeten doen om tot een goed resultaat te komen, nog meer de moeite waard.
![]()
Donderdag 13 december
Soms overvalt een mens een diepe droefenis, een niet te definiëren verdriet, een gemis, een heimwee, wie weet waarnaar? Je wilt het niet, die droefenis, maar de emotie is op dat moment sterker dan de ratio en ze viert hoogtij in je gemoed, ze wint. Heb jij dat ook wel eens? vroeg ik aan Boudewijn. Vaak, antwoordde hij gelaten, alsof ik in zijn ziel keek, maar dat deed ik niet, want dat kan ik niet, ook niet wanneer hij mij vertelt dat een bepaalde gevoeligheid hem welbekend is. Het is aardig als je samen over de dingen van het leven kunt bomen, je leert van elkaar, je wijst elkaar de weg ten goede en daar gaat het om. Ik heb gemerkt dat de jaren van een mens hem wijzer maken, mannen worden redelijker en vrouwen ingetogener, de oudere mens is liever, milder, geduldiger, en rechtvaardiger; ik denk dat het doorgaans zo is. In je jonge tijd ben je jong in alles, strijdvaardiger, weerbarstiger, je woord moet worden gehoord; je moet de kalmte en de innerlijke rust nog aanleren, een plaats geven, het kost tijd. Maar oud of jong, er gaat wel eens een vriendschap aan diggelen door onbegrip, nijd of naijver, o het is mooi en goed omgaan met velerlei mensen, maar wat is het moeilijk om het écht goed te doen, uitermate gecompliceerd soms, en het komt door de veelheid aan gemoedstoestanden en het komt omdat je niet precies kunt weten in welke gevoelssituatie iemand zich bevindt, of hij opgewekt is of chagrijnig, of ergens door terneergeslagen is of bedroefd. Hoe kun je iemand foutloos benaderen? Want je wilt de ander gewoon goed doen, het betere aanreiken, iets goeds van jezelf nalaten. Het komt niet altijd over wat je ten beste bedoelt, ieder mens heeft natuurlijk zijn eigen gedachtegang, daar sta je onverkort buiten. Maar wie het goed bedoelt, moet het goed zien te houden, wederzijds. Mensen moeten zuinig zijn op elkaar. Je kunt je ergeren, maar als je tot tien telt, ben je de wijste, want dan gaat de ergernis een heel eind over en kun je doorgaans de situatie wel aan. Ja, mensen moeten zuinig zijn op elkaar, allemaal.
Morgen is de bezinningsdag in Catharinahof. We hebben rode appeltjes gekocht en boekjes gemaakt, het gaat een feest worden, dat is de missie. Ik zal erg veel voor te lezen hebben, maar met een goede nachtrust, red ik het wel.
FlemCis wordt morgenmiddag geïnterviewd in Den Bosch, gisteren zijn alle tien de Ciske’s geïnterviewd en gefilmd in Hierden, op 29 december komen ze op het Jeugdjournaal op Nederland 3. Nog even geduld, omaatje.
![]()
Woensdag 12 december
Ik houd van rust, van veel rust en van veel ruimte, maar ik houd niet van leegte. Leegte houdt minstens verveling in, leegte houdt ook onnut in, leegte is gemis, leegte is gebrek lijden, leegte tekent zelfs het totale niets; leegte is voor ons, bezige mensen, onuitstaanbaar, maakt machteloos, behoeftig; leegte kan, denk ik, in hoge mate hels zijn, is ongoddelijk, want leegte is de vertolkster van de grote verlatenheid. Wat leeg is, is betekenloos, zegt niemand iets, reikt niets aan, kortom: leegte vertegenwoordigt de armoede, leegte is onleefbaar, we kunnen niets met de levenloze leegte. Is dat zo?
Het is een mondvol wat ik hier poneer over de leegte, maar het is me de kleine moeite van het overpeinzen wel waard. Ik staaf mijn bewering: ik houd van rust, zeker wel, ik heb de rust hard nodig. Rust betekent uitrusten, de vermoeidheid tegen gaan, het teveel in je laten wegstromen, de leegte in… De leegte in… Wat zie ik nu gebeuren? Er bestaat geen leegte, er is geen nutteloze leegte, omdat alles in alles leeft, omdat alles in alles overgaat, opgaat, samensmelt; maar er is wél de leegte ín de leegte, de lege mentaliteit, en die leegte behelst vooral de ijdelheid, de schijnvertoning, het onechte; die leegte is het niets waar een mens voor moet waken, die leegte moet je niet betreden, die leegte is ongoddelijk, is verraderlijk, want ze zit verborgen in de overdaad, in de herrie, in de haast, in de gretigheid, in de hebzucht, in de grootheidswaan van mensen; die leegte is de draagmoeder van de onverdraaglijke volheid op onze aarde, die leegte is de godin van de ondergang aan het teveel. Ik herneem mijn stelling: ik houd van rust, maar niet van leegte. Kijk, bij beschouwingen kom je nu eenmaal méér kanten tegen, méér kleuren, méér eigenschappen, méér facetten aan één object. Dus, wat is de precieze definitie van leegte?
![]()
Maandag 10 december
We togen vanmorgen naar Arcen, de laatste keer dat we er waren, was twee jaar geleden. Het was een heus feestpartijtje in het water van de weldaad; het was rustig in het bad, dat deed me ook al goed. Es gab heute viele Deutsche Leute beute. Wie het snapt, mag het zeggen, maar als ik het zég, word ik verstaan. Er poedelden wat markante seniorzakenlui in het thermaalbad rond, ze waren duidelijk de oudere garde, ze ontmoetten elkaar kennelijk onverwacht in de blauwe waterplas en ze begroetten elkaar joviaal en één welgestelde riep uit: ‘Ach, die Kriminal sind hier!’ En een andere drijvende badjas kaatste terug: ‘Hallo, Playboy. Wie geht’s?’ En ze maakten samen SpaB. Het was voor de toeschouwer als een stuk script uit een Duitse detectivefilm van Derek of van Der Alte of van Ciska. Ja, ik associeerde die goed geconserveerde lui met de duistere rijken uit de onderwereld, die ze waarschijnlijk helemaal niet vertegenwoordigen. Je kunt maar een eerste indruk van mensen hebben, of in hun geval, er eentje géven… Maar het was leuk genoeg om te onthouden voor het dagboek, dacht ik.
Allemaal nog zeer onder de indruk van de heftige Ciskeperiode dragen we de beelden van de kleine man met ons mee, van Flemming die in Maastricht zó dapper de Ciskerol heeft neergezet en uitgezongen, die zich zó fantastisch goed heeft gegeven op de planken van de musical, die zó overtuigend de kleine, ontroerende en schoffieachtige Amsterdammer heeft gespeeld, en die zich het Amsterdamse accent voor deze musical volkomen eigen heeft gemaakt. Ik ben er zo dankbaar voor, zo dankbaar dat ik dit mag beleven, ik kan het niemand vertellen, het is een kroon op mijn bestaan, hij, die kleine man die alweer met heel andere dingen bezig is, die zóveel in zijn mars heeft en die zó goed is van karakter. Volgend jaar heeft hij nog een fiks aantal malen de Ciskerol te spelen in diverse grotere steden; ik hoop van harte dat het hem goed mag gaan, dat het hem goed mag gaan in álles. En als het kan, ga ik nog een keer naar hem kijken, wat een feest!
Als ik naar buiten kijk, zie ik de hoge en lage bomen kaal en winterklaar voor het huis staan, afwachtend zonder haast, in rust, gewoon in rust, alles heeft tijd nodig, ook het nieuwe leven dat nu nog in donkerte verscholen is. Winter wordt het, winter, ik heb je lief.
![]()
Zaterdag 8 december
Het is vandaag regen en nog eens regen, het is natter dan nat op de wegen met het hoog opspattende water van de overvloedige plassen; och, als het de natuur maar ten goede komt, maar dat weet ik niet. We waren van Nijmegen naar Escharen en dan weer naar Nijmegen gereden in de kleine auto, het was een moeizaam letten op de wegmarkering, maar we kwamen heelhuids thuis. In de kleine kerk van E. was het warm en lieftallig, de viering ervoer ik als een geschenk en de preek was doordacht en bemoedigend in een tijd als de onze van onzekerheid op religieus, maatschappelijk en politiek gebied. De redemptorist Frans Boddeke is een van de beste predikanten die ik ken op medemenselijk en sociaal gebied; hij raakt te allen tijde de waarheid aan met mildheid en met respect jegens álle mensen; als dat geen kunst is, geen genade? Het ís onmiskenbaar een moeilijke tijd waarin we leven, ik houd mijn hart vast als ik aan de kleinkinderen denk: alles gebeurt in een sneltempo, waarden en normen gaan op in gewoontes van zeden die niet meer herkenbaar zijn, die eerst verwerpelijk waren en waarvoor je, zeker als kind, in bescherming werd genomen; een en al chaos is het en dat beangstigt een mens, zeker als je ouder bent, dan herken je eerder de gevaren. Maar als oudere mens mag je alleen nog bidden voor wat je dwarszit, je brandt je kaarsjes en je prevelt naar de hemel: wat kun je anders doen? Zijn wij, mensen, niet overgeleverd aan de macht van anderen, zijn we niet afhankelijk van een selecte groep hoogwaardigheidsbekleders die het, eerlijk gezegd, ook niet weten? Want hoe geloofwaardig komt de politiek nog over op de gewone man? En waar zou dat nou toch aan liggen? Ik ga hier geen kritiek leveren op de politiek, het haalt trouwens helemaal niets uit, maar hoe ouder ik word, hoe minder waarde ik hecht aan uitspraken van ministers en nog meer van zulk intellect. Het zijn mensen, allemaal mensen, en dat blijven ze, doodgewone, onzekere mensen bij wie het lot van het land en zelfs van de wereld in handen is gelegd. Zou het dan tóch waar zijn dat je alles moet omzetten in gebed, dat je je hele houding en zelfs je hele bestaan in bidden moet veranderen? Het leven is een opgave en dat is op zichzelf al een gebed, één groot gebed. Je stuurt je tranen maar beter naar de hemel toe, met je glimlach en je wensen en je zorgen erbij. We moeten goed zijn voor elkaar. Onverkort goed zijn voor elkaar. Dat zou het kleine begin van een grote vrede kunnen zijn. Hoop doet leven. God weet.
![]()
Woensdag 5 december
Het is avond en tamelijk stil in de straten, behalve af en toe een gefrustreerde knaller die hoog en luidruchtig de lucht in spat, men wil kennelijk graag de hele decembermaand lang het vuurwerk beleven; o ja, het is een mooi gezicht, al die duizenden vonken van regen en al die ontelbare cirkels van goud en groen en rood en paars, al dat kunstige gespetter en gemêleerd getintel van de vele verre vlammetjes, sterretjes als het ware; maar ik opteer met vuurwerkgebruik voor de jaarwisseling, in het uur dat de oude Silvester het jaar verlaat.
Aan de website en aan de e-mailbox is te merken dat het surpriseavond is. Het is al eventjes stil en de box blijft leeg, onze vrienden spelen voor Sinterklaas, denk ik. Vanmiddag torste pater Frans pakjes mee achter op de fiets, ze kwamen van een attente nonnetje’s Piet die in Catharinahof woont en ze bevatten vele oud-Hollandse lekkernijen, heel decembers, heel Sinterklaas. We waren naar Ravenstein getogen om inkopen te doen bij de BB voor de vogels, en we kwamen voor koffie aan een gesloten deur bij brasserie De Keurvorst, heel Ravenstein deed trouwens ietwat gesloten aan; we reden dan maar naar Sint-Walrick, het was er knus en warm binnen en we genoten van het brandende haardvuur; een heerlijk etentje hebben we toen gesmaakt, een dineetje van rode tomatensoep en bruine appelpannenkoek, van wit ijs met slagroom en gekleurde vruchten en een heerlijk rode saus. Het was een verrukkelijk feestmaal en we namen de tijd, in alle eenvoud was het onverwachte 5 decemberse etentje een grote ontmoeting geworden aan die oer-Hollandse sinterklaastafel voor twee; het is wat je er zelf van wilt maken.
De kleine goudkikker op de tafel zit onder de gouden maantjes en sterretjes, ze plakken tegen zijn brede bek en twinkelen op zijn gouden kroon, het is het goudkikkertje van het gouden feest; als een vrolijk koninkje zit hij vergenoegd te genieten van zijn gouden status en zijn overdadige rijkdom, alles is van goud, hij is omringd met goud, hij baadt in het goud, wat een grootheid, zou je zeggen… maar toch, hij blijft een kikkertje, niet meer, niet minder: een kwetsbaar kikkertje met één pootje al in zijn graf. Is het zo niet met iedereen? Ondanks zijn rijkdom en de hoogste verworvenheden blijft de rijkaard een mens, nietig en sterfelijk, niet meer, niet minder, hij is een afhankelijke mens die gestaag afstevent op zijn laatste rustplaats. Het is ieders lot, alle gouden rijkdom gaat voorbij, de heerlijkheden, de verworvenheden, ze zullen verwaaien tot stof en uiteindelijk tot niets, tot minder dan niets, en helemaal vergeten, voorgoed voorbij. Menslief, wat maak je je druk? Wie je ook bent, wat je ook hebt, blijf bij jezelf en wees blij met elk moment: je bent een voorbijgaande mens. Carpe diem. Onverkort.
Het is een mooie, goede dag geweest, met mooie gesprekken via Skype naar Zweden; met prachtige momenten bij het middagmaal; met unieke speelpartijtjes met de vogel - ze daalt langs de kooi op de tafel neer; met een heerlijke trip vice versa Ravenstein; met alles en alles en nog veel meer. Laus Deo, zegt mijn dankbaar hart. Laus Deo en gegroet jij die mij in waarheid ziet staan.
Maandag 3 december
Buiten oogt het donker en zwaar, ik zie her en der een enkel lichtpunt, toch nog vaag het witte herenhuis aan de overkant, met een schemerig lampje boven de voordeur van het portaaltje; auto’s razen met felle ogen langs en stoppen snel op het kruispunt bij rood sein; het is het beeld van de decemberse buitenwereld, heel smalletjes vanuit mijn vensterraam gezien.
Eigenlijk is het beeld vergelijkbaar met het innerlijk van een peinzende mens die in de nacht is beland met zijn gedachten; donker is het leven, heel donker en pakkend, wanneer het licht nergens brandt, het licht van helder zicht; eng is nog maar de grote wereld, je weg nog maar smal en in het uitzichtloze duister voor het moment geheel onbegaanbaar.
Merkwaardig dat de maanden zo karakteristiek van zichzelf zijn, met hun sferen en hun kleuren, hun kenmerken en hun eigen mystiek. Je hoeft er niet eens op te letten, je bevoelt het mysterie van de tijd met zijn unieke karakters alle maanden door.
Het is begrijpelijk dat Kerstmis hét lichtfeest is, dat mensen naar het donkerste moment toeleven om daarna weer met het licht terug te kunnen keren. Alles is betrekkelijk en alles en allen staan nauw met elkaar in verbinding; niemand is groter, niemand is mooier, niemand is anders als de mens die hij is; hij is maar mens, hij is maar afhankelijk van het lot, hij is maar part van de massa. Zo is het leven getekend. Zo is de wereld gemaakt. Zo zijn de mensen gevormd. Wij, de armzalige, zoekende en vorsende schepselen, wij hangen allemaal af van elkaar. Laat ons dan goed zijn, laat ons dan de mensen zijn van goede wil, met een niet te doven licht van vrede en vreugde in duistere dagen, in sombere nachten; een licht van verkwikking voor onderweg.
Ja, zie je, ik denk dat denken bidden is. Zoals er-zijn ook bidden is. Alles is bidden, omdat alles je vormt naar God, de Goede, het Goede toe. Als je het tenminste wilt.
![]()
Zondag 2 december
Op deze natte zondag speelt onze FlemCis de matinee én de avondvoorstelling in Het Theater aan het Vrijthof in Maastricht. Vrijdag jongstleden zagen we hem in zijn debuut, zijn persoonlijke première, het was één groot feest, hij heeft zijn rol glanzend neergezet, Flemming verraste ons allemaal, het hele publiek - een uitverkochte zaal - was enthousiast en applaudisseerde keer op keer en het uiteindelijke applaus bleef maar doorklinken, het is zeker: de hele musical was vakkundig en overtuigend neergezet. Danny de Munk en onze Flemming vloeiden als één geheel over in de oude en de jonge Ciske, en alles was met hart en ziel en alle mooiheid gezongen en gespeeld. O, dat heldere jongenstemmetje! Solo en in samenzang met De Munk was het stemmetje alreeds van een jeugdige professional, hoe kan het! Wat hebben we genoten en hoe vaak zei Boudewijn dat hij overrompeld was door de zangkwaliteit van de kleine man, dat die kleine man heel veel talent in zich heeft, dat die kleine man zingt als een nachtegaal, zuiver en stemvast en hij vroeg zich af hoe kan het bestaan dat een kind van elf al die tekst en al die timing zo goed kan onthouden en uitvoeren. Ik hoop dat alle optredens het grote succes in zich mogen dragen. Ik heb enorm genoten van dit onvergetelijke debuut. Zodra Ciske de Rat dichterbij huis speelt, ga ik weer kijken, Deo volente. En Boudewijn wil het dan ook weer gaan zien. Wat kan een omahart dankbaar zijn. En verwonderd, steeds weer verwonderd door wat er allemaal gebeurt aan goeds en moois en onverwacht geluk via de kinderen. Laus Deo.
In Maastricht was het goed toeven. We hebben heel de binnenstad betreden, we hebben gelopen en gelopen en genoten en gezeten en theegedronken en op Asha gewacht, die met ons dan weer naar het theater terugliep. De twee theaterleidsters, die de kinderen drie volle maanden hebben opgeleid, zaten genoeglijk in een hoekje van In De Oude Vogelstruijs. Je kunt een artiest nauwelijks ergens anders verwachten, dáár hoor je thuis in je theatrale hoedanigheid. Vroeger, toen ik in Maastricht woonde, was het ons honk, van Kees en mij, na de kerk en na de repetities voor de operette Die lustige Witwe. De Oude Vogelstruijs kan slechts zwijgen, maar herbergt geschiedenissen in zich die niemand kan bevroeden; en dat is maar goed ook, denk ik. Het is maar een eenvoudige stal, die hoeskamer van Mestreech, toch is dit de plek van vele, vele Nederlandse artiesten, zangers, musici, dichters, acteurs en noem maar op. Simone en Herma zaten daar en toen ze opstonden heb ik hen succes toegewenst met de kinderen, ze kwamen bij ons staan en vroegen hoe ik dat wist. Toen hebben we gelachen omdat ik de oma van de kleine Ciske ben. Van de weeromstuit ging het tweetal hem later vertellen dat we er die avond ook zouden zijn. Leuk hoor, ze doen het zo goed, die leraressen. Na de avondvoorstelling was er een feestje in het theater, de kinderen werden extra gehuldigd, toen was het publiek al naar huis, ik feliciteerde Flem met een blauw Ciskeshirtje en de kleine man omhelsde me en hield me stevig vast; hij keek me aan met zijn vertrouwenvolle, blije oogjes - donkerbruin - en ik was ontroerd door deze heel bijzondere lieverd, hij is altijd aanhankelijk, maar dat hij er nú de tijd voor nam! Even later zong de hele kindercast een sinterklaasliedje, alsof er geen Ciskemusical had plaatsgevonden. Ze hadden allemaal cadeautjes gekregen. Op een goede keer schrijf ik deze lieve geschiedenis nauwkeurig uit, als ik er tenminste de kracht voor heb.
Aan de koster van G. heb ik vanmorgen mijn dichtbundel gegeven: voor alle gastvrije koffieuurtjes na de mis(sen). Ik heb, wat betreft mijn eventuele aandeel in de vieringen van deze contreien, een stapje terug gedaan, mijn plaats is enkel nog op de achterste kerkbank. Mensen die monddood worden gemaakt, om welke reden dan ook, moeten maken dat ze tijdig wegkomen. Ik zal niet snel mijn pen neerleggen omdat ik ergens over moet zwijgen; wat ik meen, wat ik denk, wat ik in waarheid opschrijf in mijn eigen dagboek, of elders, is mijn goed recht, en is het goede recht van eenieder. Wie het er niet mee eens is, moet mijn dagboek niet lezen, er zit voor zulke lezers een echte uitknop op de pc. Het is trouwens, op de keeper beschouwd, een vorm van voyeurisme als je een dagboek leest om enkel bepaalde stukjes op te willen pikken, om enkel kritiek te willen leveren of om enkel te willen loeren of er iets staat waarop je de schrijver kunt pakken. Het goede, het schone dat er heel zeker geschreven staat, komt niet of nauwelijks aan bod, wordt niet snel als iets bijzonders opgemerkt, maar dit: één enkele stap in een ándere richting gezet dan die men van je verlangt, levert wél onevangelische toestanden op. Dit is weer zo’n moment dat ik met schrijven zou willen kappen, maar gelukkig weet ik dat er ook mensen zijn die het dagboek puur en oprecht geïnteresseerd lezen. Hun betuig ik van harte mijn dank.
![]()
Maandag 26 november
Maandagochtend vroeg en al enkele zwaardere brieven geschreven, het vreet je energie wél op. Langzaamaan ben ik niet langer lijdzaam genoeg, ik verlang naar ruimte, naar vrijheid, naar leven in warmte en gezelligheid, naar wandelen en theedrinken met allure, nou ja, die dingen dus. Vriendschap is mooi, maar je moet op één lijn zitten, niet worden bevoogd en zelf niet bevoogden en je moet je vrijheid behouden. Je kunt vrienden zijn met veel lieve mensen, maar het omgaan met elkaar levert altijd wel een of ander probleem op. Ik kan het me soms goed voorstellen als mensen zich van de maatschappij afwenden, als ze geen sociale liefde meer kunnen opbrengen: hun innerlijk wordt immers gebroken door diezelfde keiharde maatschappij met haar heersers, machthebbers, leiders en gemankeerde intellectuelen? Kijk naar de televisieprogramma’s en lees het in de kranten: wat voor een wereld zie je voorbijkomen? Je houdt je hart vast. Ik in ieder geval wel. Maar dan nog: je moet het hebben van elkaar, van je vrienden, en wat te doen als je het niet eens kunt worden? Een heikel vraagstuk. Je wikt en je weegt, je kiest de beste oplossing die bij jouw aard past en die voer je dan maar uit. Op hoop van zegen, of op de ondergang. Het hele leven hangt van vraagstukken aan elkaar. Problemen zullen altijd bestaan. Met je blik op oneindig kom je er ook niet. Het is dit: je moet de feiten aanzien, ze aan durven kijken, ze durven beleven, en dan komt, met voldoende ruimte en tijd, de oplossing vanzelf op je pad: komt tijd, komt raad, een gouden regel voor alle mensen en voor mij. Ach ja. Als je maar doorgaat met liefhebben, niet afhaakt als het kritiek wordt, als je maar trouw blijft ondanks de hardheid van het leven en van de vele verschillende meningen. Wat een klus, eigenlijk, wat een klus. Maar het leven gaat door en je moet er de beste kwaliteit in leggen, om te overleven; het is immers het enige dat je hebt en kent: het leven, jouw leven?
Ik ga nu even koffiedrinken bij de vogel, gezellig beest, gisteren hebben we foto’s gemaakt, ze zat op mijn schouder en ze trad over de rug van de bank met haar zigzaggende poten, o schoonheid van de schepping!
Wat zal een mens treurig zijn over kritiek? Beter ware het erover na te denken, mee te kijken met de criticasters en van daaruit kritisch te zijn op jezelf, het is in het belang van je eigen ziel, je eigen kwaliteiten, je eigen wezenlijke zijn en van je betere functioneren. Als je per krant de kritiek over je heen krijgt, verweer je dan ook per krant, maar doe niet aan ach en wee, hang de martelaar niet uit, dat helpt niet, je moet gewoon duidelijk zijn, mét compassie voor je mensen, en je moet bereid zijn tot ommekeer, tot verbreding van je bereidwilligheid, je moet bereid zijn te luisteren en te hóren waar het ten diepste om gaat, want dat verlangen de mensen van je als je aan de top staat, aan welke top dan ook. En goed voorbeeld doet immers goed volgen. Een krant wijdt geen pagina vol kritiek op jou als er niets met je beleid aan de hand is, niet alles wordt verdraaid, niet alles krijgt een andere kleur al denk je zelf heel graag dat alles wat je doet en aanbiedt ook goed ís; het mes snijdt aan twee kanten, er zijn altijd twee partijen, jij en de ander. Ja, ik las in een Graafs krantenartikel over een aantal ontevreden gelovigen. Enfin, het is altijd wel wat.
![]()
Zaterdag 24 november 2007
De ochtend is stil, het is vroeg, een enkele fietser rijdt langs de Wolfskuil, de bomen staan leeg en dromerig, slapen ze nog? Twee vogels strijken neer in de hoogste boomtop en tekenen zich af tegen de blauwe hemel waarlangs witte en grijze wolken als lichtgevende donzen dekentjes te luchten hangen. Je raakt in de stemming, maar in welke stemming dan wel? Het is alsof je ziel geraakt wordt door een onzichtbare weemoed die ergens van bovenaf op je neerkomt, het is alsof engelen je ziel roeren met een liefde die je niet aankunt. Het is mooi, buiten, en je zou alle momenten van deze schoonheid vast willen plakken in je fotoboek, dat er niet is, en je zou alles willen opslaan in je geheugen, onuitwisbaar, want de schoonheid mag niet verloren gaan, de schoonheid van de herinnering, die helaas zo vluchtig is. Maar het is je ziel die gerust raakt bij de rust van de straat in de vroege ochtend, het is allemaal zo vertrouwd. En je voelt dat je bént, dat je bestáát, dat het leven ook voor jou geldt, en dat niemand je je vreugde om dat kostbare leven kan afpakken, niet meer zoals vroeger de dingen onverhoeds van je werden weggenomen, zoals de kermisse soldatenpop die naar je neefje ging en je feestjurkje dat ineens door je nichtje werd gedragen, of zoals later de oude naaimachine van je moeder, jou van kindsaf beloofd, door je schoonzus valselijk werd ingepikt, en zo kun je nog een tijdje doorgaan; nee, het heeft niets te maken met materialisme, het is de liefde voor je familie en de herinnering die eraan vastzit, dat alles moet een gaaf geheel vormen en het is zo, dat de kleinste dingen op den duur de belangrijke onderdelen blijken te zijn; je moet er altijd voorzichtig mee omgaan, alles hangt broos aan elkaar en de draden moeten telkens verstevigd worden, anders breken ze onbarmhartig. Maar ja. Deze zaterdagochtend is van mij, is de bevestiging van de vreugde in de rust én in het leven om me heen. Allemaal voor jou, zus, wat ben je rijk vandaag!
Ter informatie: in de zijlijn van de website, bij Kerstverhalen, staat ons kerstboekje Het wordt kerst, dacht ik, uit 1998. Het mag door de lezer worden benut, maar wel met bronvermelding, dat moet gezegd zijn én gerespecteerd.
![]()
Dinsdag 20 november
De herfst lacht naar de winter, het landschap is leeg, maar mooi in zijn rust en sereenheid. Over rust gesproken: hoe moe kun je zijn, aftands moe als ik ben, je geest wil vooruit en je lichaam is bot, zegt nee, zegt rusten en slapen, ik zucht ervan. Morgen weer een trip naar Den Bosch, om samen in mijn ordeafdeling onze patrones Elizabeth te vieren, het wordt intussen overdadig. Maar het is goed om weer samen te komen, samen te vieren, je wordt er mentaal sterker van, denk ik. (Niet vergeten aan Paul te vragen of hij zijn Elizabeth-artikel uit de Bossche krant voor ons meeneemt.) Met S. afgesproken samen naar Den Bosch te gaan en daarna misschien samen op het Graafsche pad. 15 kerstboekjes liggen hier voor haar klaar, de kerstboekjes van eigen makelij. Ben benieuwd.
Ik zie de kleine Margarete voor me, broos en oud en toch helder van geest en vrolijk genoeg, hoe komt je zo kras op je oude dag, zo levenslustig nog?
Bij de begrafenis van J. hadden we gedacht dit gebed te nemen als eerste lezing, maar het is mijn gedicht O, als je niet meer bent geworden. Ik wil het hier graag vastleggen, ter memo en ter overweging voor wie het wil gebruiken, ik werkte de tekst om, iets meer in onze tijd geplaatst qua stijl:
Zonnelied van Franciscus van Assisi
Geloofd, mijn Heer, om al uw schepselen, vooral om broeder zon die de dag brengt en ons leven beschijnt; schoon is hij, stralende luister; van u Allerhoogste is hij beeld.
Geloofd, mijn Heer, om zuster maan en de sterren; aan de hemel heeft u ze
gemaakt, schitterend, kostbaar en mooi.
Geloofd, mijn Heer, om broeder wind en de lucht; om de wolken en het weer;
en ieder jaargetij dat ons in leven houdt en al uw schepselen op aarde.
Geloofd, mijn Heer, om zuster water, nuttig als zij is, bescheiden, kostelijk en kuis.
Geloofd, mijn Heer, om broeder vuur die de nacht verlicht en warmte brengt;
schoon is hij en vrolijk, krachtig en stoer.
Geloofd, mijn Heer, om zuster aarde die ons draagt en voedt en ons haar vruchten schenkt, de talrijke bloemen, de kruiden en het gras.
Geloofd, mijn Heer, om wie elkaar vergeven, die tegenslag verdragen, ziekte en verdrukking; gelukkig die in vrede volharden, u zult hen kronen.
Geloofd, mijn Heer, om zuster dood waaraan geen levend mens ontsnappen kan;
gelukkig die verzoend zijn met hun lot, geen tweede dood bereikt hen, zij leven bij u.
Loof en zegen mijn Heer en prijs hem alle dagen weer!
Vrije tekstbewerking 2007 Ine Verhoeven OFS
![]()
Maandag 19 november
Kun je bevriend zijn met iemand die niet op jouw innerlijk aansluit? Wat een opgave is het om een vriendschap tussen twee heel verschillende mensen gaaf te houden, ik word er onderhand een weinig tureluurs van; beter is het om met zo’n gebroken omgang definitief te kappen, over en uit, altijd last, maar dán niet meer; en toch, toch zit je met de gedachte dat het wel eens heel anders kan lopen dan je bevroeden zou. Dat is namelijk ook zo met het leven zelf: vaak gebeurt er iets dat je nooit had verwacht, iets moois, iets goeds, het allerbeste, en dan ben je blij dat je leeft en er zijn mag, dat je het nooit opgaf, dat je onverkort doorging ten goede; en kappen met mensen is ook nogal wat, vind ik, want je doet geen mensen weg. En gaat het niet om de vrede, de innerlijke vrede en de rustigheid die met je ziel aan de haal gaan als je een breuk forceert, terecht of niet? Och, we zien het wel weer.
Ik kreeg in de gaten dat mijn berichten aan haar ‘gefilterd’ in de tijd worden gelezen, het is een mooie truc om je aan veel dingen te kunnen onttrekken, denk ik. Wat je niet weet, dat deert je ook niet. Wat je niet weet, kan niet tot jouw verantwoordelijkheid worden gerekend. Ik denk warempel dat het hele spel zo kan zijn bedoeld, want het IS een spel. Ik merk ook dat mijn vertrouwen in sommige mensen niet sterk meer is, ik breng het niet meer op, en dat ik zeer op mijn hoede ben gaan leven: omdat ik te veel heb gehoord, gezien, beleefd en voorzichtigheidshalve maar liever verzwijg. Het is als met de drie aapjes van horen, zien en zwijgen, puur een drievoudige apenstreek ter zelfbescherming. En ja, wie onder ons is volmaakt? Ik in geen geval. En gaat het in onze gelovige belevingswereld niet enkel en alleen om geloof, hoop en liefde? Ik ga deze twee items overwegen en bestuderen, ze zijn de moeite van een ingetogen studie waard. En wie weet waarin het resulteert.
De tv viel uit, maar ik heb hem kunnen maken, puf, het lukte me toch maar mooi. In de woonkamer hangt vanaf heden een haantjesklok uit vroeger tijd, ik ben er blij mee; ik kreeg de klok van pater Frans: voor alle goede zorgen, en het is ook nog een liefelijke herinnering aan zijn hoogbejaarde mama, mijn voorbeeld in blijheid en in de lach. Dat vijzelt je vertrouwen in de mensheid op, en pater Frans is het beste dat me in mijn late tijd is overkomen, een mens die met een lampje gezocht moet worden en eigenlijk niet kan worden gevonden, zó zeldzaam is hij als naaste medemens, zo goed en rechtvaardig, altijd weer.
![]()
Zaterdag 17 november
Vandaag waren we in Het Hoge Heem bij de kleine Margarete, ooit een struise dame, knap en vol van levenslust, nu is ze hoogbejaard en kwetsbaar, broos, afhankelijk, maar toch nog met die levenslust, een sprankje nog, maar tóch. Bewonderenswaardig mensje, hoe de tijd haar heeft ingehaald, tikkertje met haar speelt van af of niet… O, we weten het wel, nog even maar, nog even en dan ís ze af, voorbijgegaan, weg. Ik heb gezien hoe de mensen daar allemaal wachten op hun beurt, hun eindebeurt; ik zag hoe ze klein en soms seniel, afwezig, stil of luid aanwezig zijn in de grote zaal, hun wachtportaal naar de hemel, waar ze af en toe nog samen eten en koffiedrinken en praten, of zwijgend gewoon wat zitten te zijn. Met respect bezag ik het personeel, dat jonge grut, ze helpen de oudjes met alles, je moet het kunnen opbrengen, ik denk dat het een roeping is: de aftandse oudjes verzorgen. Het was een heftig bezoek, met pijn en confrontatie, niemand ziet graag de dood in de ogen en dat doe je in Het Hoge Heem, je ziet er de laatste ademtocht van verbrokkelde mensen in gezamenlijkheid opgaan, langzaam maar zeker opgaan. Wat een perspectief, eerlijk gezegd!
Annelies is opgenomen in het hospice, ze gaat dood. Ik vind het een gemis; ik was nog even in De Gouden Leeuw en daar hoorde ik van Nathalie dat Annelies aan haar einde bezig is, met morfine en wat nog meer. Hemelse genade, in het hospice.
In De Gouden Leeuw zaten vóór de feestelijke Elizabethviering 3 franciscaner zussen van me, maar wat een misser! Van Rosemarie zijn ze bang, de 2, dat was helder. Christenen die onderling strijd voeren, elkaar voor dood durven verklaren, dat zijn geen christenen. Rosemarie moet nog veel leren, minstens vergeven. Rosemarie zit op de verkeerde stoel, ze kleunt mis op franciscaans gebied, zal ik maar zeggen. Wie geen vrede maakt, niet kan vergeven, niet kan groeten en ook nog liegt, die moet geen franciscaanse jas aandoen. Misschien wil iemand voor haar bidden? En wellicht ook nog voor mij…
![]()
Vrijdag 16 november
Elisabeth van Thüringen heeft momenteel alle aandacht in de Roomse wereld. In onze francicaner orde wordt ze genoemd, geadoreerd en gevierd, in Grave wordt ze feestelijk omringd en gevierd, en overal zie je de posters met haar beeltenis en de woorden Kroon,Brood en Rozen, zelfs in GTST zag ik vorige week een annonce in een huiskamer tegen de muur, het viel me op. Maar ik heb niks met heiligen, gek is dat, heiligen doen me weinig of niets, ik geloof eerder dat de meeste heiligen opklopsels zijn, dat ze als figuur buiten de werkelijkheid zijn geplaatst en grotendeels buiten de waarheid. Ik las en hoorde onlangs over de heiligverklaarde pater Pio: bedrog van de bovenste plank en tóch heilig verklaard, compleet met de stigmata die door hem zelf waren aangebracht via medische trucs; dat is verschrikkelijk, misleiding én geschiedvervalsing. Maar ik kan er niets aan doen, ik ben wars van heiligen en je moet nog uitkijken dat je je mening niet openbaart, want sommige gelovigen zien je als een ketter als je een heilige afweert. Ik zeg wat ik denk en vind. Wat is democratie anders waard? Enfin, ik heb het kort opgeschreven ter memo.
Sybil kwam down thuis, ik denk dat we in zekere zin weer een beetje goed zijn, haar nieuwe kleinzoontje heeft een vorm van de genetische afwijking PKU. Ja, dat doet je hart verdriet als ouder, dat is geen blij nieuws, dat is zorg, al hoeft het niet ernstig te zijn, de medici kennen de afwijking en zullen er alles aan doen om de behandeling in goede banen te leiden naar prima resultaat. Evengoed toch jammer: zo’n kleine man getekend als zorgenkind. Sterkte!
![]()
Donderdag 8 november
Puf, maar het kerstboekje is af. Het nieuwe kerstverhaal staat geschreven en gedrukt en de gedichten pronken mee. Het boekje heeft 32 pagina’s met twee verhalen in proza en een aantal nieuwe en oude gedichten, er zijn ook enkele werken van andere dichters opgenomen. Het is weer een kleinood geworden, ongeveer zoals de uitgave Het wordt kerst, dacht ik; maar het papier is eenvoudiger gehouden omdat het te kostbaar is, ik maak alles zelf, ook de boekjes, de productie is handmatig. Voor de verhaallijn was ik geïnspireerd door het leven van Philyzus en met mijn eigen levenservaring erbij genomen, is het eerlijke proza geworden over de onderlinge, moeizame rol van een moeder en haar dochter.
Het boekje heet DE KERSTAPPELS – een eigentijdse legende.
ISBN/EAN 978-90-76576-17-6. De prijs is € 5,00 per stuk.
Voor de boekverkopers is het boekje digitaal te vinden bij “CB Online”. Dit is het praktische gedeelte hier vastgelegd, ook voor eventuele belangstellende lezers. Men kan het boekje direct bij me kopen, liefst per e-mail ine.verhoeven@upcmail.nl maar per telefoon of via Skype kan het ook.
Vanuit het raam zie ik de straat strak staan van de regen, een fietser glijdt omlaag en klimt weer omhoog, de Wolfskuil heet het hier. Een witte bus en een rode auto passeren het verkeerslicht, de bus draait terug. Het straatbeeld is overal hetzelfde en toch altijd weer uniek, overal wonen en bewegen mensen op het ritme van de tijd, op het ritme van de fysica, het is boeiend bestuderen, het gaat maar door, in stad en land, in dorp en gehucht ademen mensen dezelfde problemen, dezelfde interesses, dezelfde belangen, het is heel gewoon en meteen weer heel verwonderlijk.
Ik zie de boompjes voor het huis schraal geworden in hun bladertooi, ze zien en iel en armetierig uit, en tegelijk zijn ze prachtig.
Lorita ging vliegen, maar ze had veertien jaar in de kooi vertoefd en ze zal het opnieuw moeten leren; het was grappig zoals ze in de hoek van de kamer neerstreek en overrompeld door de landing in de hoek snel op mijn hand stapte; ik zette haar op de leuning van de winsorstoel, sprak haar toe en wees haar de weg over de tafel, alsof ze het snappen zou, zeg. Maar jawel, na bestudering gleed ze langs de houten spijlen en stapte ze op de tafel met haar platte poten zigzaggend voor zich uit geplaatst; ze ging de fruitschaal onderzoeken en probeerde via de rand van de tafel weer vleugelmatig op te stijgen, ik raadde het af; schuin afgeslagen kwam ze bij het hekje van haar kooi dat als trapje dient en op de tafel rust, ze klom gedecideerd omhoog, en daar zat ze weer bovenop haar stok, de troon van de triomf voor haar: oewédo, hallo Lorita, de hele morgen heeft ze van alles en nog wat geroepen en gezongen, het was een waar feestje voor twee.
![]()
Vrijdag 2 november
De tocht naar Den Bosch was druk, vanmiddag, en duurde langer dan op de zondagmorgen wanneer we in de ziekenhuiskapel de viering hebben, maar ik kwam veilig aan en nu ben ik dan weer in de Brugstraat en let ik op de jongens, het is een aparte belevenis, telkens opnieuw. Conner bedient zijn playstation 3, ik kijk mijn ogen uit, en de kleine man speelt zijn runescape. Goeie hemel, dit is geen techniek meer, het is ook veel meer dan een vernuft in de elektronische wereld, ja, dit gaat alle wonderen te boven: uit wiens brein komt het allemaal voort? Het lijkt wel een toverwereld, een titatovenaarswereld… een druk op de knop, en alles staat stil.
Het balkon is leeggehaald, veel buitenspulletjes staan al in de kleine, charmante tuin van het nieuwe huis in Vught. De verhuizing is wél een hele belevenis en ja, er ligt veel sentiment op de loer, want je leven lang in je ouderlijk huis wonen, zoals Arold, er leven en werken en er je kinderen zien opgroeien met je vrouw aan je zijde, en dan op een goed moment van daar vertrekken naar een andere locatie, de stad uit en naar een dorp, zij het met naam: het is niet mis. O jawel, er gaan nog traantjes vloeien, maar bedenk wel: een verandering geeft je leven nieuwe impulsen, ze zullen nog versteld staan, mijn vier lieverds, hoe goed ze het gaan hebben in hun nieuwe leefwereld. En ik, als de liefhebbende omamao, draag op rustige wijze mijn steentje bij, dat staat.
Rieke’s moeder ligt in het ziekenhuis, ik ben er niet gerust op, maar Rieke ziet haar spoedig beter worden en daar hopen we dan maar op, een kaarsje brandt op de achtergrond in zacht geflonker: voor Thea.
Morgenvroeg, of vroeg in de middag ga ik weer naar mijn eigen huis. Het weekend mag mooi worden voor allemaal.

Donderdag 1 november
Vandaag waart de geest van heiligheid, we hadden een zalige viering, vanmorgen om 10 uur in Huize Rosa. De hele dag bleef in het teken staan van Allerheiligen, en ik dacht al richting morgen, als het Allerzielen is. Celebrant pater Frans Boddeke besloot de serene, bemoedigende hoogmis met zijn Hemelgangers:
De berg naar God
is mistig en glad
heel mistig en heel glad
ik rijd voorzichtig
ik heb de tijd om bij God te komen
maar kijk toch eens even
daar scheuren heiligen voorbij
ze hebben haast, heel veel haast
die heiligen, om bij God te zijn
de liefdemeter slaat ver uit
heel ver, boven de zeventig maal zeventig
turend door de mist denk ik:
zijn míjn geliefde veilig aangekomen?
De Treinman, pagina 153.
Ik had in geweten tóch last van Halloween, dat oud-Keltisch gebruik van boze geesten verjagen met boze geesten, licht en lawaai; van kerkhofbezoek in de nacht, er kan geen goeds uit voortkomen, en wie doen eraan mee? Het hele spektakel is bovendien zó uitgesproken heidens. Ik denk dat er een nieuw hardnekkig feest is opgestaan, een soort carnaval in griezelstijl, en je moet het allemaal maar leuk weten te vinden. De wereld wordt steeds chaotischer, wie handhaaft op de lange duur de orde in stad en land met zoveel totaal andersdenkende mensen door elkaar gemixt op één kluitje, op onze geode dus? Je mag van harte in God geloven, dat híj de wereld in handen houdt, maar soms denk ik dat de duivel koning is geworden, heer en meester over de aarde én het heelal, dat onstuitbaar wordt veroverd en gemanipuleerd door de allerrijksten; zij hebben de macht, geld is macht; en hún fortuin maakt óns, de doodgewone wereldburgers zonder aanzienlijke inbreng behalve ons zuurverdiende belastinggeld, in ieder geval niet gelukkig. Het is maar hoe je het hele systeem van macht, geld en regeringen bekijkt. Gelukkig hebben we een Al Gore, zo’n man geeft de bezorgde burger nieuwe moed. En hoop doet leven, leerden we. Als het maar goed gaat, ik heb mijn grote twijfels. Laat ons bidden dat ik me vergis.
![]()
Dinsdag 30 oktober
De zon schijnt tussen de wolken door en de wind is níét gaan liggen; het is weer een stralende herfstdag met de regen van gisteren voorbij, maar houden we het droog? De herinnering aan zondagavond is zoet, we wandelden gezessen door de polder en langs de bizons, al was het winterkoud, en we stapten door, het ging richting de verre overkant tot bijna aan de Waal toe, het was de bedoeling, maar ik werd moe, te moe en we keerden eensgezind terug; de jongens stoeiden onderweg en de kleine man joeg me éven nog de stuipen op het lijf, hij sprong op halve boomtakken die boven de vaste grond groeiden, en hij danste de takken op en neer, ik zag ze in mijn gedachten afbreken en dan zou hij vallen, o jee en ik zei: pas op, je mag het gevaar niet opzoeken, dadelijk val je en breek je iets, al was het niet helemaal zonder mijn eigenbaat, want ik dacht aan zijn rol van Ciske en aan zijn spoedige debuut in Maastricht, wat een zorg zeg! Maar het was fijn samen wandelen en samen Oortjeshekken binnengaan, samen ons plaatsje zoeken en samen dineren; het was een lief familiefeest, want Asha was jarig en het was ook nog hun 18de trouwdag.
Het kerstverhaal is geschreven, het was toch nog onverwacht gelukt, ik schreef het in één dag uit, de tekst moet nog een beetje gepolijst worden, dat betekent dat ik hem een paar dagen laat rusten, dan herlees en nakijk op oneffenheden, maar goed, de zusterlijke bewoners van Catharinahof krijgen in december hun jaarlijkse kerstverhaal met een kleine, rode kerstverrassing erbij, ik nam het me voor. Dit kleine verhaal van 6 pagina’s bevat een zeer beknopte terugblik op het familiale kerstfeest van Philyzus toen haar moeder nog leefde; in alle eenvoudigheid had ik de plot gezocht en gisteren kon ik hem opschrijven. Phily’s kerstgedachten hebben me altijd al geboeid, al is het meeste in de tekst wél fictief gehouden.
De dokter deelde me gisteren mee wat ik zelf feitelijk al wist, maar mijn bloed wordt zekerheidshalve onderzocht en zijn bevinding, zij het voorzichtig geuit, was: Heb je alles bij elkaar niet te veel gedaan? Bijvoorbeeld met je vele schrijven en de voorbereidingen van het feest? Je lijkt me oververmoeid, het is uitputting. Ik weet dat het wáár is en zoek een manier van goed uitrusten, van eindelijk tot rust komen en heel graag hier en nu.
![]()
Zaterdag 27 oktober
Ik vind dit een mooie, klinkende datum, 27 oktober 2007. Waarom weet ik niet precies, misschien door de dubbele 2 en de dubbele 7 en door de 10 die voor oktober staat, de maand van de volheid.
Van Karel kreeg ik misintenties door voor morgen, voor de overledenen van het GZG-koor. Het zal een waardige viering worden, ik doe er mijn uiterste best voor als de lector die ik ben; het lectorschap is mijn heilige aandeel in de eucharistievieringen.
Vanmorgen werd ik om half elf wakker, half elf terwijl ik gisteravond naar bed was gegaan om tien uur. Ik had vanochtend nog verhoging en ik ben nog steeds erg moe. Dit ter memo hier vastgelegd, het kan misschien nog eens nuttig zijn.
De vogels hebben gebaad, ze zijn weer fris voor de komende week, alsof ze kleine kinderen zijn uit de jaren ’40, zulke kinderen die een week met hun zaterdagse bad moesten doen. Zo zit het niet met mijn vogels, ik baad ze als ze stoffig zijn en dat is meestal een keer per week. Dan zitten ze daar onder de douche met hun zwarte kraaloogjes toegedaan en hun koppetjes omhoog gericht zodat de druppels er langs kunnen glijden; en Lorita laat zich het douchen welgevallen, hoewel ze vroeger toch sprankelender in bad ging dan nu op haar oude dag, het is herkenbaar, denk ik, herkenbaar voor ons, de oudere mensen van vandaag.
De muziekjes van de wekker gaan af, het is tijd om naar Escharen te vertrekken, maar me eerst op te maken voor de rit erheen. Escharen doet me denken aan Grave en Grave doet me denken aan Annelies die dodelijk ziek is. Ik zal haar naam noemen bij de intenties voor de zieken, morgen in het ziekenhuis. Ze verdient een ruggensteuntje al is het slechts in de vorm van een eenvoudig gebed.
S. en ik zijn gebrouilleerd, het is niet voor het eerst, maar het is wél het allerbeste om de vrede vast te kunnen houden, soms moet je uit elkaar gaan om verder te kunnen.
Vrijdag 26 oktober
Er zijn wel erg veel jarigen aan het einde van oktober, aan de lopende band, zal ik maar zeggen: Asha, Nathalie, André, Martin, Vincent, Pieta, Anton, Roos, Ciska, vroeg in oktober ook nog Sybil, en wie vergeet ik? En er zijn wel erg veel sterfgevallen in oktober, ik noem ze hier niet. Maar het was al van vroeger uit een sterfmaand, oktober. Het begon op kostschool dat ik het ontdekte, ik werd geroepen door de surveillerende zuster en moest naar de rector, grootvader was overleden, het was oktober 1954; maar ook de andere grootvader was in oktober gestorven, zij het in een ander jaar, en door de tijd heen enkele ooms en tantes en intussen ook alweer een nichtje en twee van mijn broers, allemaal dood in oktober. Een merkwaardig fenomeen eigenlijk. Het is ook een stemmige maand, een maand die je als het ware vergezelt naar het eindpunt; het zullen de vallende bladeren zijn, de rustieke atmosfeer, de tere wenteling van het weer, soms de woeste wind, de regens en de stormen; en het is alles de aanzet naar de winter: koudheid, frisheid, kachel aan, huiselijkheid, knusheid, de vroege donkerte en de drukte buiten die nooit overgaat. Oktober tekent de vergankelijkheid, toont de eindigheid van mensen en dingen; en toch, toch maakt oktober je ziel vrij, je ademt frisheid, voelt je geborgen alsof je bent thuisgekomen en je bent gerust alsof je een zekerheid hebt verworven waar je wijs van wordt; zo ervaar ik oktober een beetje. O herfst van oktober, aanlokkelijke verwerpelijkheid, met je weggaan en terugkomen, met je slapen en opstaan, met je wankele gemoed; o oktoberse tweeledigheid, zo wil ik je karakter noemen. Het is dan ook de periode van weegschaal en schorpioen, twee geheel andere karakters en toch in één maand te beleven. Ja, de oktobermaand, de herfstmaand bij uitstek. Er wordt geoogst, gevierd, gezongen, er wordt gebeden, gelachen, gewacht, er wordt gemind, gehaat en geveinsd, er wordt gespeeld, gegokt en gedronken, alles precies zoals het in elke tijd gebeurt, en toch is het in oktober ánders.
Zondag hebben we een feestdiner gepland voor Asha in Oortjeshekken. Het mag een heerlijke dag worden, in de morgen is er de eucharistieviering en in de middag maken we samen feest, het zal goed worden, het zal goed zijn. De kleine man is vanmiddag weer naar Amsterdam, met Asha & Conner, ze gaan over het IJ, Asha & Conner, en de kleine man gaat zijn musicalrepetitie doen, volgende maand is zijn debuut als Ciske de Rat, hij speelt dan in Maastricht. Wat een eer vind ik dat, in het Theater aan het Vrijthof, ja, ik vind het een eer. Ik heb Maastricht altijd liefgehad, van kinds af aan heb ik van Maastricht gehouden, dat gaat nooit over, dat kan gewoon niet.
Ik ga maandag écht naar de dokter, het is bar en boos met de moeheid, ik koppel het euvel aan de insectenbeten van deze zomer 2007, dit ter eigen memo.
![]()
Woensdag 24 oktober
Het is alweer bijna de pepernotentijd. Ik heb ze gekocht voor de jongens, maar vergat ze mee te nemen en daarna verdween een part van de brosse lekkernij in mijn mond, een voor een, pepernootgenot, er zat een laagje chocolade omheen, wie biedt weerstand bij zo’n verlokking? Ik niet. Voor de veiligheid liggen ze nu in de auto, dan kan ik er niet bij als de tirannieke trek opkomt, want ik kijk wel uit om in de avond naar de parkeerplaats te sjokken, trap op, trap af, dat doe je niet, dat doe ik niet voor een paar pepernoten. Och, je moet iets verzinnen om je te wapenen tegen verleidingen die niet goed voor je zijn. Toen ik vanmiddag terugkwam van de Nebo zag ik ze liggen, pepernoten omkleed met een jasje van wit, melk en puur, alle netjes opgeborgen in het zakje van Albert Heijn, met een plastic clip gesloten. Morgen deel ik ze uit, dan ben ik in Den Bosch.
Momenteel zoek ik alle kerstboeken af voor verhalen en andere teksten die geschikt zouden zijn voor de vieringen in december, het is een klus, maar zeer inspiratievol. Het is ook deugdzaam om te doen bij alle emotievolle gebeurtenissen van dood en voorbij, bij alle rouw in je lijf, bij alle hartzeer om de mensen die weg zijn, het licht je ziel een beetje op, en soms niet, dan vloeien er tranen, want je mist elkaar én je voelt en je weet met het ouder worden ten volle dat je onderhand aan de beurt bent, dat je bij de generatie hoort die op het eindstation te wachten staat op de laatste trein, de trein naar God, want daar mag je in geloven: de laatste trein is die naar God, al krijgt niemand de garantie daar ooit te arriveren, bij God. Daarom heet het ook geloven en dat betekent dat je nooit de garantie hebt; geloven is onzekerheid, hoe je het ook wendt of keert, geloven is een onzekerheid. Daarom kun je de regel geloven in God misschien beter omzetten naar denken over God. Dan zeg je niet meer: ik geloof in God, maar: ik veronderstel God, ik hoop op God, ik denk over God ten beste, hetgeen uiteindelijk toch weer resulteert, ik merk het zelf, in de stelling: ik geloof in God. En zo peinst een mens heel wat af in zijn leven, maar geloven of denken of veronderstellen of niet: God is een part van je leven, van je wezen zelfs geworden doorheen de lange periodes van studeren en nadenken, van wikken en wegen, van twijfelen en ongeloof, van zekerheid en niet. Nu, op dit moment in mijn gematigde ouderdom, zeg ik van harte: God is goed, God is enkel goedheid, je kunt van God niet slechter worden omdat hij de geest van het hoogste goed is, omdat hij de goedheid omvat, bevat, doorgeeft, uitzendt: de hoogste goedheid komt door hem, met hem en is in hem. Het is mooi te proberen zo goed als God te zijn, dat geeft je leefwereld nieuwe glans, je ziet als in een visioen de mensheid eensgezind op weg zijn naar een blije wereld van rust en vrede en waarlijke menslievendheid. Er is al zoveel over geschreven en gezegd, het visioen van wereldvrede, het staat te lezen in heilige boeken overgeleverd door profeten, apostelen en wijsgeren, door zoekers en schrijvers en alledaagse denkers. Er is nog altijd veel wanhoop onder ons, woorden schieten tekort. En toch, bij alle onheil in de wereld staat de goedheid nog pal overeind. Je moet haar alleen willen zien en willen maken, willen doen en willen doorgeven, willen vastleggen en willen vasthouden; ze moet je eigen grondwet zijn, de goedheid, ze is tóch de kern van het christendom en ze maakt de liefde in de mensenziel, in elke mensenziel van goede wil. Ja, je kunt maar beter je hand in die van God slaan, je geborgen weten in zijn heil, hem verder dragen, koesteren en voort doen leven in jezelf en in elkaar. Ik denk dat ik zelf maar een kerstverhaal ga schrijven, misschien wil het nog lukken ook.
![]()
Maandag 22 oktober
Mooi is de wereld vandaag, mooi en liefelijk en zacht en rustig, maar je weet het nooit, ook deze dag is ongewis; je mag er het beste van maken en dat doe je ook, zoveel je kunt, maar er zijn de ongeziene en de onverhoedse factoren die het leven radicaal kunnen beïnvloeden, het geldt voor alle mensen, voor iedereen. Carpe diem, je móét het doen, anders ben je je kostbare tijd kwijt, laat je je tijd verloren gaan, je tijd die van vandaag is, van nú, altijd door.
Ik ga naar buiten, het is lekker koud vandaag, daar knapt een mens van op, van frisheid. Gisteren was de wandeling in het park een zachte belevenis, we zaten op een bankje in de zon met onze boterhammen en de zwanen zwommen in het meertje en de atleten sprintten langs ons heen, en de mensenkinderen fietsten en lachten en de ouders waakten over hen, precies zoals het hoort. De rode bessenbomen van hulst stonden te pronken, alles wat vrucht heeft pronkt, kijk maar naar de mensen met hun kinderen, de vruchten van hun schoot, ze pronken zoals ze daar gaan, de wagentjes voortduwend en zij pront erachteraan gestapt, ja, dat doen ouders, als het goed is doen ze dat.
Paul condoleerde me. Het werd een kostbaar gesprek, met onthullingen en mooie weetjes, met humor, ook. Je moet de dingen relativeren, ook de geschiedenis die je samen hebt, álles moet je relativeren, dan krijg je het ware Godsrijk op aarde te beleven, dan doe je mee aan de schepping ten goede, ten beste, dan kun je samen mens zijn, mens in respect en begrijpen. Het is nooit te laat om de goedheid te laten voortbestaan, om samen tot klaarheid te komen. Als je maar in gesprek kunt blijven, als je maar wéét waar je staan moet als je met elkaar omgaat. Als je elkaar maar de ruimte geeft en de rust, de broodnodige rust. Met sommige mensen is het wel erg moeilijk om het evenwicht te verkrijgen, ze zijn te zwaar, te luid, te veel van alles wat niet hoeft te zijn, ze overdrijven, ze slaan door en blijven hangen in hun eigen ballast, er helpt geen moedertje lief aan, zo zijn ze gewoon en ze zien het zelf niet. Maar ja, dan neem je maar afstand, dan heb je niets te willen en wordt die afstand het heilige wapen van je vrede. Je hebt in zo’n situatie geen andere keus. Het geeft niet, als je het goede van elkaar maar bewaart, het goede dat er ook is. Vrede. Wie zal niet zuchten van tijd tot tijd als het om de vrede gaat?
![]()
Donderdag 18 oktober
Vandaag is Cornelis begraven in het Vlaamse Neerpelt. Een leven is ten einde gelopen, een markant leven, niet te evenaren, want Cornelis heeft heel veel bereikt, meer dan een mens hoe dan ook gewoonlijk kan waarmaken. Hij was een absoluut unicum in levensstijl en prestaties, zowel zakelijk als op artistiek gebied, maar ook in zijn private omgeving. Cornelis was een kunstenaar en niemand die hem ontmoette, kon om hem heen. Hij was heel bijzonder, heel waardevol, heel bevoorrecht, maar ook heel onberekenbaar, hij kon onredelijk reageren op de dingen en de mensen om hem heen, in ieder geval anders dan je du moment zou vermoeden. Maar het was allemaal zijn kracht en zijn wilskracht, het zat in zijn genen, ik denk van onze moeder. Hij heeft zijn tijd nooit verdaan, hij was een mens van carpe diem. En nu is hij dood en begraven. Het is een mooie herfstdag geweest, een echte begrafenisdag met een zonnig randje en vallende bladeren in rood, geel en bruin. Moge hij rusten bij God. Vaarwel broer, zeg ik, en denk terug aan de wisselende turbulentie tussen ons als broer en zus, ook deze relatie was een unicum. En de memo’s met hem en mij zijn van Den Bosch tot Maastricht en van Lanaken tot Nijmegen getekend, alles door vele lange jaren heen, alles vanaf 1950.
Gistermorgen. Twee witte hondjes met gevlekte kopjes, russeltjes denk ik, renden over het grasveld bij de kinderboerderij Kobus om in de verte de vliegende schotel van hun baasje te vangen, hebbes, ze liepen dan getweeën met de schotel in hun bekjes terug, heel parmantig, en legden de schotel voor hun baasjes voeten neer, nou ja, soms moest hij hem afpakken, maar toch. Dan ging het hele ritueel weer in werking, baasje gooit, hondjes rennen en vangen de schotel op, dan weer samen met 1 schotel in 2 bekjes terug naar het baasje en weer bis. Het was een koddig gezicht. Ik heb nog nooit zoiets gezien.
Vandaag. We hebben gewandeld op de Duivelsberg, zijn 2 heuvels op en af geweest, hebben in de wind gestaan, paddenstoelen gezocht en gevonden en bij onze terugkeer beneden hebben we heel huiselijk in het restaurantje pannenkoeken gegeten. O, het is herfst.
![]()
Zondag 14 oktober
Het is oktober in alles, zovele mensen gaan dood en er is zoveel verdriet, ik hoorde het vanmorgen bij de voorbede, het leed van jonge mensen en het leed van oudere mensen; het leven is vreugde en verdriet tezamen, niemand ontkomt eraan. In oktober vallen de blaadjes van de bomen en overal kleurt de herfst zich in het landschap, mooi en droef tegelijk. We mogen gelukkig zijn zolang het duurt en je moet er je best voor doen, je moet je tijd benutten zolang het kan, vooral in vriendschap en vreugde en vrede. Al schijnt de zon vandaag, we weten dat het herfst is in Nederland en dat de dood niet alleen aan de bomen hangt om verdord neer te vallen op de grond, maar dat ook de mensheid te lijden heeft aan het tempo van voorbijgaan, het is aan de oude generatie om op te schuiven voor de nieuwe toevoer van jonge mensen, het is de kringloop der dingen, het is de natuur. Maar wij, arme stervelingen, willen zo graag leven, we komen tijd tekort om te doen wat we zouden willen doen, we komen tijd tekort voor onszelf en voor elkaar. En daarom alleen al moet ons leven in het teken van de vrede staan, wees zuinig met elkaar, koester elkaar en houd de vrede vast, ze is onmisbaar voor een gerust leven met jezelf, voor een tevreden leven met elkaar.
Het was een zeer emotievolle viering in het Carolusziekenhuis, omdat er zoveel afscheid was van lieve mensen, zoals ook van Hillebrand, omdat de preek zo diep was dat je er helemaal stil van werd en omdat de gebeden en de gezangen tot eer en glorie van God waren gesproken en gezongen. Wat zijn we rijke mensen, wat ben ik een rijk mens. Nog elke dag die je mag leven, kun je van goud maken, van geestelijk goud, van méér dan aards verlangen. Laus Deo!
Vrijdag 12 oktober
Broer is dood, helemaal dood, voorbij en over, verleden tijd; er zijn nog de herinneringen en de beelden op je netvlies en per foto en per brief, maar samen praten gaat niet meer en samen mailen gaat niet meer en samen mopperen gaat niet meer en samen in vrede zijn, ja dat is overgebleven. Hij bleek verzot bleek te zijn, in zijn laatste mail, op deze foto die ik hem op zijn verzoek had gestuurd en waarop hij blij had gereageerd onder andere met: Onze moeder was een schoonheid, zie jij dat ook? Kijk, daar leer je dan weer van dat het nooit te laat is voor ommekeer ten goede.
Onze moeder in 1938
Een geruster afscheid had hij niet kunnen maken: met dit fotootje was hij in trots en vreugde met zijn moeder, het is vroeger wel anders geweest. De tijd heelt alle wonden en alle aangedane leed wordt tóch in de waarheid opgelost, ook al is het in een summier zinnetje dat ogenschijnlijk niks inhoudt, maar ik weet beter. Moge hij rusten in vrede bij God.
![]()
Donderdag 11 oktober
De kleine man heeft in Maastricht zijn debuut als de jonge Ciske de Rat op 29 november 2007 in het Theater aan het Vrijthof. De repetities zijn volop gaande, hij sliep gisteren uitgeput in de auto op de terugweg naar huis, hij was moe genoeg, het was hard werken geweest voor de jongens van het Ciskebataljon. In Apeldoorn draait de musical op volle toeren, ze hebben de spelers uitgewuifd, ze reizen per bus naar de speellocaties. De repetities voor de overige Ciske’s gaan door op verschillende plaatsen, maar vandaag moeten ze nog repeteren in Amsterdam én de opleiding ondergaan die eraan vastzit. Het is een magnifieke gebeurtenis die een enorme basis mag heten voor de jongetjes en hun toekomst, ze zijn allemaal fantastisch in hun zang en spel én gemotiveerd om het van harte te doen. Het is nu al een succes met uitverkochte zalen. Hoe bestaat het! (Is dit niet typisch Nederlands, Maxima, een stukje van onze identiteit dat je proeven mag, en van onze vaderlandse trots? Het zit me nog steeds hoog, merk ik, dat ze die nonsens heeft geponeerd. En nee, niet toegeven dat het fout was wat ze gezegd heeft, nog niet tenminste, en dat vind ik nog het zwakst.)
Ik heb een heleboel te doen in huis en kom alsnog niet verder dan de pc met kaartjes bestellen en e-mailen links en rechts. Kom, ga aan de slag, jij.
Ja, Lorita heeft op mijn schouder gezeten, gisteren onder GTST, ze draaide haar kopje tegen mijn hoofd en zat genoeglijk te kirren; vanochtend krauwde ze weer langs mijn arm, als ik de juiste kleding aanheb, zal ik haar weer op mijn schouder laten stappen. Het is een en al feest met dat beest.
![]()
Woensdag 10 oktober
Enkele weetjes: in Ravenstein zaten we vanmiddag in de herfstzon op het terras van De Keurvorst. We hadden eerst de griepprik gehaald bij de huisarts en ik had tevoren fysiotherapie ondergaan aan mijn pols, het moet nog baten.
Vrijdag komen Cassandra & Adam, niet donderdag, ik zie naar ze uit, Cass is een Australisch achternichtje dat op mijn zusje lijkt toen ze nog een meisje was, hoe mooi wil je het hebben? Cass is Tonnie’s kleindochter, ik ben alleen al vereerd dat ze me willen zíén en de moeite willen nemen om bij me te komen.
De Groene is onder de douche geweest, wat is ze prachtig met haar volle vedervacht. Ze klimt in en uit de kooi, slaat wijd haar vleugels uit en gisteren heb ik haar op mijn hand genomen en ben ik met haar door het huis gegaan, heel apart. Ze praat de hele dag door en ik zie dat ze erg op haar gemak is, en dat is precies wat ik gewild heb toen ze bij me kwam wonen.
In mijn gemoed wonen mensen van allerlei slag, maar er woont ook iemand met wie het zelfs niet lukken wil om als tussendoortje gemoedelijk met elkaar te converseren. Sommige types vloeken gewoon met elkaar, dat doet zij ook met mij. Ik bedoel dus: het lukt niet, het lukt niet samen, zij en ik, je kunt de hele wereld omver bidden om verbetering, maar die komt niet. Hoe houd je het dan vol in de vrede en de liefde? Het móét, maar moeilijk is het wél. Ook al omdat je een geweten hebt, een innerlijk dat feilloos aangeeft hoe gemankeerd je samen bent. Dat is niet goed, ook niet voor je ziel. In kloosters gingen monniken bijvoorbeeld in therapie, want ze moesten samen door de gang en door de deur, het bestaat dus al heel lang, en je weet het ook wel, je vecht tegen de bierkaai, en waarvoor eigenlijk? Nou gewoon, om de evangelische vrede te zullen waarmaken zoals die is bedoeld. En ja, een mens kan ongewild in een temptation geraken, een verzoeking moeten doorstaan én verwerken, en ja, hij moet er zelf doorheen zien te komen, zonder kleerscheuren als het kan, zonder scherven of brokken vooral van emotionele aard. Maar de beproeving hoort evengoed, zoals ál het andere dat je overkomen kan, bij het leven, dat is helemaal waar.
Sommige mensen willen álles van je weten, ze begluren je en als het wil lukken, zullen ze je nog bevoogden ook. Het is geen eerlijk spel. Iedereen mag mijn dagboek lezen, maar houd er je mond over dicht en bemoei je nergens mee. Ik heb vaker over dit item geklaagd, maar het resultaat blijft nul. Het heeft met opvoeding te maken, het kan niet anders. En ja, wie nu al lezende de schoen past… die trekke hem voorzichtig aan.
![]()
Dinsdag 9 oktober
Het is waar dat ik me pijnlijk heb geërgerd aan Maxima’s uitspraken over Nederland en het Nederlanderschap. Het zit me nog steeds dwars. Het is alsof ze je in een keer je identiteit heeft ontvreemd, alsof je als trouwe patriot niks meer voorstelt in je eigen land dat jou juist in je Nederlanderschap zo dierbaar is, alsof ze je onbeschaamd jouw land heeft ontroofd en je liefde voor wat uitgesproken Nederlands is als een wegwerpartikel heeft gedumpt; ze heeft in je geschokte beleving van haar woorden jouw typische Nederland met zijn eigen kleur en karakter tenietgedaan, het land waar je persoonlijkheid zich aan heeft vastgehecht, waarin je getaald bent en groot geworden, opgegroeid: je bént je land, je bént je volk, je bent er geboren en getogen, je bent een deel van het geheel dat Nederland heet. Ja, Maxima’s mallotige, denigrerende toespraak heeft me zéér gedaan, en nóg. En dan verschijnt van regeringswege juffrouw Vogelaar ten tonele, eigenzinnig en dommig, waar heeft ze haar Nederlandse inzichten opgedaan? Ook zij vaagt ons karakteristieke Nederlanderschap in één klap weg, ja natuurlijk, want mejuffrouw Vogelaar is een intellectueel wereldwijf, net als Maxima, onze Argentijnse prinses uit het volk omhoog gerezen, die de wereld rond reist en bijna nooit in Nederland thuis is. Natuurlijk heeft Maxima met haar wisselende identiteiten nog niet de kans gekregen de Nederlandse identiteit te ontdekken, ze toeft er amper en ze leeft, áls ze thuis is, in een gouden kooi van engte en van hoog boven alles staan. Maar ja, Willem Alexander zegt in zijn liefdevolle reactie op het verdriet van zijn vrouw dat ze zó haar best doet, en dat is natuurlijk waar. Raar eigenlijk dat een dergelijke uitspraak, over wie we wel of niet zijn als Nederlanders, het ganse volk in alle pijnlijkheid bereikt. En je moet het als geboren onderdaan warempel zien te verwerken, ook dat nog. Maar ja, je bent een mens met een Nederlands gemoed, en dan mag het.

![]()
Zondag 7 oktober
O, zei de koster van Escharense parochiekerk, maar u bent toch pater Frans. Pater Bóddeke zou vandaag bij ons komen voor de mis.
Dat gaat in elkaar over, antwoordde pater Frans.
Huh? deed de koster.
Ik ben pater Frans Boddeke, zei pater Frans verhelderend genoeg.
De koster ging verder met zijn werk en verwerkte een en ander bij zichzelf.
Weer iets geleerd, denk ik dan maar, hoop ik dan maar. We hebben later smakelijk gelachen, dat was toen we in Grave aan de koffie en de thee zaten, met 1 bananensoes van Leur: omdat ik vandaag precies 9 jaar in Wolverlei woon, ja, ja.
Het was een zondagmorgen die in mijn geheugen zal blijven alleen al door de niet te evenaren stem en stijl en woorden van de gedegen celebrant, wat een genade, zo’n voorganger! Daar ga je God vanzelf bij danken en loven en prijzen. Te geloven wordt je gemakkelijker gemaakt als je een priester hebt die begrip voor de mensen en tegelijk zijn diepe inzicht in de bijbel, in het evangelie, uitdraagt. Laus Deo.
Gisteravond is de nog altijd jubilerende man Gods gehuldigd in de kerk van Velp, wat een feestmis! Wat een heilige vrolijkheid! Wat een attente parochianen! Allemaal lievigheid. Twee witte rozen met roze harten staan te pronken in de Zweedse vaas, ooit gekregen van Behrouz; ik had óók een roos gekregen: voor mijn bijdrage in de Velpse parochie doordat ik de pater assisteer en veilig naar de plaats van zijn bestemming rijd en omdat ik zijn trouwe assistente ben in heel veel. En zo laten de mensen elkaars harten lachen, heel evangelisch, heel sociaal, heel fijn ook. En je hoopt alles nog lang te kunnen, te mógen doen. Je wordt er gelukkiger van en klaarblijkelijk de anderen ook.
Het was verder ook een heel aardige zondag bij Philyzus. We hebben de Diezetocht gedaan, heel imponerend, en we keken een dvd van het gouden feest, ze had een en ander ter memo gefilmd. We aten broodjes en dronken koffie en thee en we hadden het heel erg goed. In de tuin bloeiden nog de zomerbloemen, kleine begonia’s en witte, mij onbekende fleurtjes, ook paarse herfstbloempjes en er zweefden lichtblauwe vliegjes, haast lavendelkleur, dansend bij de struiken en ik genoot van de doorzichtige vleugeltjes, schoonheid in miniatuur. Ik zou niet weten welk soort vliegjes het is, ik had ze nooit eerder gezien. De zon scheen 23 graden C. Het was weer even zomer vandaag. Ja, de hele dag was perfect. Ik had mosselen gekookt en voor mezelf nog een glas witte wijn ingeschonken, stokbrood gebakken en sla gemengd met tomaat en komkommer en afgemaakt met een mosterddressing en met knoflookknabbeltjes, kleine brosse vierkantjes ter smakelijke garnering.
En nu ga ik naar de kamer om thee te drinken en me voor te bereiden op Gooische Vrouwen, ik wil er niets van missen. (Voor ik het vergeet: donderdag komen Cassandra & Adam uit Australië hier. Ik verheug me erop!) Wordt vervolgd.
![]()
Vrijdag 5 oktober
Vandaag naar Asha geweest, ik had Olivier eerst afgezet bij Scala die een bijeenkomst had in Den Bosch. De hele dag had ik zin in patisserie, geen gewoon gebak maar excellent gebak van een gerenommeerde banketbakker, wat kan je gedachten beheersen? Gelukkig heb ik er geen gehoor aan gegeven. We moeten de verjaardag van Sybil nog vieren, het is beter de snoepzin op te schuiven naar die dag, naar dat moment van taartgebak, of toch maar niet?
Och die Marianne, wat aardig, ze bracht me een zak stoofpeertjes, zalig! Het sluit een beetje aan op de zucht naar gebak, stoofpeertjes zijn smakelijk en je kunt er heel wat verrukkelijks van ‘bakken’. Rieke & Francien hadden goed lijnnieuws, ze zijn niet aangekomen, maar dat is een ander item dat eerder voor de Gewichtkijkers bestemd is.
Het is vandaag al de hele dag heerlijk zacht herfstweer, met de zon erbij. Het was een keuvelmiddag bij Asha, knus. De jongens kwamen beurtelings uit school: Ha oma! Dat zijn kostbare momenten, momenten van liefhebben en elkaar van harte wéten. Met Asha gaat het wat beter vandaag. En zoon Arold kwam ook nog even thuis, het is altijd fijn hem weer te zien.
Ik ga de preek beluisteren voor zaterdag en zondag. We houden van goede kwaliteit. Daar hebben de mensen, de hoorders, recht op. Het wordt een mooi weekend met twee eucharistievieringen, altijd de moeite waard, altijd genadevol.
Mijn huis is een stofnestje, ik heb met al die feestelijkheden en wat er allemaal bij hoort, geen kans gekregen om te poetsen, ik kan nauwelijks fris naar buiten kijken, foei, wat is het stoffig. Morgen probeer ik mijn moeheid opzij te schuiven en alles aan kant te maken, een rommelig huis is niet fijn wonen, geeft geen rust, is ongezellig. Ik zal wel zien.
![]()
Donderdag 4 oktober
Hoe veranderlijk is een mens, hoe veranderlijk ben je zelf? Er zijn mensen die niets veranderen in hun gezapige leven, die vasthouden aan oude, vastgeroeste gewoontes en zelfs de trend van pakweg 50 jaar geleden handhaven, ze zijn er echt, zoals, bijvoorbeeld, in het modebeeld van kleding en meubels. Gelukkig hoef je niet in te staan voor de smaak en de ideeën van anderen, gelukkig mag je vasthouden aan je eigen inzichten en behoeftes, aan je eigen groeiproces in de tijd, gelukkig wel. Daar hoort natuurlijk ook bij dat iemand te allen tijde gerust het tijdsbeeld van 1950 mag koesteren, maar ja, het is geen 1950 meer, we zijn beland in 2007. Ach, ik noemde maar een jaartal, het is niet exact bedoeld. Elke tijd heeft zijn charmes én zijn negatieve items, of het nu vandaag betreft of zo’n 60 jaar geleden of een paar honderd jaar terug. (Even de telefoon aannemen.) Enfin, nu ben ik de draad van het betoog kwijt. En wie er gebeld heeft, weet ik ook niet, want ik was te laat.
Vandaag belde ik de dokter voor mijn schoondochter, wat een gehannes is dat als je rond 17 uur belt. Toen ik eindelijk gehoor kreeg, was het 10 minuten verder. Er volgde een keuzemenu, wat een woord, en ik had de 1 ingedrukt, dus er zwaaide wat: de 1 is voor levensbedreigende situaties. In plaats van goede raad kreeg ik een grote mond en een dwarse telefoniste te verduren. Het nam nogal wat tijd in beslag en ik belde niet voor een reprimande maar voor medische hulp. Het gebeurt niet gauw maar ik zei niks meer, en door te zwijgen werd aan de andere kant de hulpverlenende sector onzeker, ze begon me te begrijpen, tenminste, dat zei ze. De zieke moest zélf bellen, dat zei ze ook. Die is té ziek, zei ik. Is het levensbedreigend? vroeg ze. Hoe moet ik dat wéten? Ik kan niet in haar lichaam kijken, niet in haar hoofd, niet in haar aderen, zei ik, ik weet het niet, ik ben geen arts. Tenslotte moest tóch de zieke zélf bellen, ze week niet van haar standpunt af. Ik dacht: wat is dit voor doktershulp? Maar de zieke hééft uiteindelijk zelf gebeld, kreeg de avondtelefoniste, moest haar uitleggen wat er aan de hand was en kreeg via dezelfde telefoniste het antwoord van de dokter terug: ze moest pilletjes innemen en als de klacht niet over is op maandagmorgen, dan moet ze naar haar eigen huisarts gaan. Het is een merkwaardige wereld, de medische, dat vind ik en ik kan er niks aan doen. En ook: er gaat al zoveel fout op medisch gebied, men is gewoon slordig, niet adequaat genoeg en erg gesteld op gemak. Zou dat nou écht niet anders kunnen? Maar misschien verwacht ik te veel van de medische zorg, dat kan ook zijn. Hoewel… écht niet! Al heel lang niet meer. Het is de ervaring van jaren en jaren. Die ervaring leert de mens. Uit de praktijk van het leven. Je leert erdoor dat we allemaal mensen zijn met beperktheden, ook de artsen met hun artsenij. Ook de hulpverleners. Ook noem maar op wie of wat. Het geldt voor iedereen. Je moet onverkort zelf denken, meedenken en niet bang zijn. Het lot dat voor jou is weggelegd, ontloop je toch niet. O wijsheid, ben je niet moe?
Ik heb heel veel lieve reacties gekregen, van heinde en verre, op de zaterdagse feestdag van de gouden jubilaris. Één vriendin vond het nodig me te laten weten hoe slecht ik eruitzag, hoe moe ik eruitzag. Zélfs haar man had het gezien, schreef ze.
Maar dan denk ik: wat kan ik met zo’n bericht? Wat moet ik ermee? En is het niet logisch dat iemand moe is aan het einde van een intensieve feestdag? En waarom deel je het iemand per se mee? Het is een misselijke domper, erger, een muggensteek.
![]()
Woensdag 3 oktober
Daar zit je dan met je herinneringen, de nacht is lang en slapen doe je niet. Het is merkwaardig dat je dat feilloos tevoren al aanvoelt, je slaapt niet en met een beetje geluk doe je dat over een paar uur wél, maar dan is het alweer ochtend. Maar je herinneringen zijn zoet, zijn schoon en rijk en het overpeinzen waard, misschien wel júíst in de nacht.
Het valt op dat de vogel bij jouw eenzaamheid de afwezige mensen vervangt, je praat tegen het diertje en zij kijkt onverstoorbaar voor zich uit, soms met haar kopje scheef, wat zacht gekir ten antwoord en weer werpt ze haar blik vooruit; je zou wel gek zijn te geloven dat ze je verstaan heeft, ze spreekt geen mensentaal, ze is een vogel, al begrijpt ze intussen, in verhouding gezien, best veel.
Ik schreef gistermorgen een gedicht, beschouwende de engelen, denkelijk omdat het 2 oktober was. Ik heb het naar Rome gestuurd, voor de verjaardag van pater A., al heb ik al een poos niets meer van hem vernomen. En ja, je weet maar nooit. Het is herfst en er gaan toch al zoveel mensen dood, o hoe onverbiddelijk gaan alle stervelingen beurtelings op eeuwigheidreis. Maar als het hem goed gaat, wordt hij deze week 57.

Gisteren was een dichterlijke dag waarop een nieuw geschrift over een engel is ontstaan, ook heb ik ‘Je bidt in vermoeden’ geschreven en nog enkele tamelijk nieuwe teksten bijgeschaafd. De maandopdracht voor de Gerardusklok is weg, en voor de Roerom. Misschien heb ik te veel denkwerk gedaan, is mijn hoofd gewoon te moe om de slaap te kunnen vatten.
Het is toch een trieste tijd, de herfst. Ik heb hem nooit als triest ervaren, maar dit jaar is het anders; misschien doordat ik me niet echt goed voel, er hapert iets. Toen ik vanmiddag naar de postbus wandelde op de Wolfskuilseweg was ik moe, zo moe, loodzwaar woog elke voetstap, ik ging er maar beter behoedzaam mee om en nam, eenmaal terug in de flat, de lift naar boven. Bij al dat herfstige afsterven van allerlei boomblad komt je eigen einde in de picture, het zou onlogisch zijn als je er niet aan dacht. Het is gewoon de kerkhoftijd. Op dit moment zou ik de kroeg in willen duiken, maar dat is een wens uit den boze, dat doe je niet meer op mijn leeftijd, dat is voorbij – óók al voorbij! Wat een nacht!
Als klapstuk op de treurnis is het ook nog 3 oktober, de verschillende franciscaanse orden vieren in eenheid de Transitus van Franciscus van Assisi. Het is wáár, deze herfst is zwartgallig. Je zou burgerlijk genoeg op de vlucht slaan, naar Zuid-Spanje bijvoorbeeld, waar in oktober de flora bloeit.
![]()
Nijmegen, 2 oktober 2007.
’n Briefje aan vriend W. van B.
Beste W., omdat je me tijdens de feestmiddag vroeg naar de kwaliteit van de eucharistieviering met het gouden priesterfeest van F.Boddeke en je kennelijk in de veronderstelling was dat ik ‘er niets aan gevonden had’, wil ik je onderstaand dagboekdeeltje sturen vanwege het verslagje dat erin zit. Je moet weten dat ik medevoorganger was, de lector en de acoliet tegelijk, en dat er behalve de godgerichte teksten ook prachtige persoonlijke passages in de viering aanwezig waren, zowel voor Frans als voor mij. We hadden de hele viering samen opgebouwd, samengesteld en uitgevoerd. Iedereen was er blij mee, verrukt zelfs en ontroerd. Het is heel jammer dat je juist dat gedeelte niet bij ons was, niet meevierde. Het was ook een beetje pijnlijk voor me toen je aanhield: ‘zeg het maar gerust dat je er niks aan vond.’ Ik begrijp het nog steeds niet. Maar toch, het was een heerlijke dag en ook jouw bezoek hebben we gewaardeerd. Veel evangelische groeten, ook aan R., Ine
![]()
Zondag 30 september
Hoe moeilijk kan het zijn een gouden priesterfeestdag in woorden te vatten. Gisteren is voor pater Frans een dag geweest van ongekende waarde, haast van eeuwigheidswaarde, zou ik zeggen, en niet alleen voor pater Frans, ook voor mij en de aanwezigen, de familie, de confraters, de vrienden en vriendinnen - mijn kleinzoon Flemming was er ook - de staf van het Bossche Jeroen Boschpastoraat, de pastores en de kosters van Gassel en omstreken en de vele zusters van Catarinahof. Hij zag er stralend uit, onze jubilaris Frans, in zijn van goud brokaat geweven priestergewaad, hij leidde de eucharistieviering gewetenvol en sereen, hij met zijn gouden stem en geheel eigen warme intonatie. En het was een ontroerend moment toen de gelovigen ter communie gingen, het was onder twee gedaantes. En dan was er het koor dat zichzelve overtrof, het zong bij het orgelspel van Corné Pijnenburg, onder de dirigeerstaf van Karel van den Heuvel, en ze zongen heel schoon. Wat wil je voelen als het Zum Sanctus van Schubert wordt gezongen, het Veni Jesu amor mi en ook nog enkele van je eigen tere liederen? Ja, deze gouden viering was het heilige hoogtepunt van de dag, de homilie was van hoog pastoraal gehalte en de betrokkenheid van de aanwezigen was een kostbaar geschenk waar we in onze hoedanigheid mee verder kunnen trekken door het levensgedeelte dat we nog zullen mogen doen, al is het in tijdsduur betrekkelijk, dat weten we wel.
Tot zover de dagboeknotitie van vandaag, ik ga domweg mijn middag verslapen, het is nodig om weer op krachten te komen, zo’n feestdag pakt je in, maar wat zijn de vruchten zoet! Laus Deo! Wordt vervolgd.
![]()
Donderdag 27 september
Je kunt niet alle dagen je lief en leed opschrijven noch beschrijven, je kunt ook niet alles ongeschreven onthouden, een beetje is trouwens genoeg, je zou te veel ballast met je meetorsen. In die zin is vergeetachtigheid een nuttig ding, verder niet, denk ik.
De vogel is groen, ze is volgevederd groen, dat geeft me tevredenheid en voldoening. Ze is vrolijk, praatlustig en ze eet erg goed. Ze heeft veel aandacht en verzorging nodig, maar die geef ik haar graag en met veel plezier.
We waren vandaag in de Molenpoort en gingen ook nog door het Nijmeegse centrum. We kochten schoenen voor het feest. Bij De Waagh dronken we koffie en thee en in de Hema hielden we onze lunchpauze. Het was een aardige tijdspanne.
De kleine Flemming was gisteren op het jeugdjournaal, hij deed het echt goed in het interview. Darten heeft te maken met rekenen, ik wist het niet. Het mes snijdt aan twee kanten met deze primeur op school en op tv: het hoofdrekenen wordt gestimuleerd en het darten gepromoot. Zo gaat dat.
Máxima krijgt veel kritiek vanwege haar betreurenswaardige visie op het Nederlanderschap en op enkele vermeende Nederlandse gewoontes. In Trouw heb ik mijn reactie gegeven n.a.v. een column van Ephimenco, hij schreef erover. Ik ben het gloeiend met hem eens, maar wie het item weten wil, moet Ephimenco even lezen in www.trouw.nl.
Boven de stad hangt de dreiging van regen, de wind zwaait de bomen heen en weer, de atmosfeer is heerlijk koel. Eikels en bladeren en gekleurde bomen kijken je aan waar je gaat. Het is nu helemaal herfst. In de stad hebben we bij De Waagh nog op het terras in de zon gezeten, het was zo’n aangenaam zonnetje dat je niet wegbrandt maar aanhaalt ter plekke. Dat is ook herfst.
O september, bijna voorbij, maar ik heb je geleefd, deze maand. Moe als ik ben, leef ik optimaal, zo goed als het gaat, zo goed als het me is gegund. De herfst montert me op, zoals altijd.
Gisteren hadden we een kleine generale repetitie in de Nebokerk en in de hostellerie. Het moet een mooie zaterdag worden, Deo volente, daar bid je dan weer voor. Want zo zijn mensen, zo ben je gewoon: Vraagt en u zult verkrijgen, klopt en u wordt opengedaan. Nou ja, in zoverre is het in ieder geval een hoopvolle spreuk, een bemoedigend citaat uit een evangelische parabel. En wat je je ook wenst, het is altijd weer kome wat komt. En zo hoort het ook, zo moet het zijn. Daarin moet je tevredenheid verankerd liggen: kome wat komt.
![]()
Dinsdag 25 september
Bij alle bedrijvigheid is de gouden feesteling vandaag ook nog jarig. Ik had een beertje voor hem gekocht, een grappig souvenirtje uit Kevelaer, met Franz erop, maar ik kan het dingske niet vinden, te goed opgeborgen en wáár dan toch, de jaren tellen hard aan wat de memofunctie betreft. Ik koop straks een bloemetje voor hem, in plaats ván. En ja, je komt wéér uit bij de beschouwing van de tijd die vliegt, die jaagt, die nooit stilstaat, maar á là, het zij zo en de tijd geeft ons ook en vooral alle mooie dingen van het leven, ja dat doet de tijd, de tijd bergt alles in zich, alles. Vandaag wil ik de jarige vragen een stukje met me over de Ooijse dijk te gaan, het waait, de herfst laat zich weten, het móét wel een mooi moment zijn als we over de Waal de schepen voorbij zien varen en in de polder de bizons zien grazen en de paarden zien lopen en de distels zien tanen, ja als we het landschap aanschouwen en de machtige rivier, ja we gaan naar Ooij! Omdat hij jarig is.

Proficiat
aan mijn tochtgenoot!
Een kleine terugblik in de tijd
Het kan niet uitgebreid
Het gaat om de gezelligheid
En om de aardigheid:
Wat hebben we het goed gehad
Al was er ook verdriet
Wat is het alles goed geweest
Lief mens, vergeet het niet
Ik dank je voor je lieve zijn
En voor je vriendschap trouw
Je bent mijn baken onderweg
Ben ik dat ook voor jou?
De tijd die jij me hebt gegund
En die ik aan jou gaf
Die maakte alle uren goed
Die maakt mijn dagen áf.
PROFICIAT met je 76ste!
Ine
![]()
Zaterdag 22 september
Het is herfst, weinig zon en veel vermoeidheid, ik paste op de kleinzoons. Het gaat hen goed, de kleinste zingt als een nachtegaal en de oudste studeert en voetbalt ter ontspanning, het is me allemaal genade. Het huis in Vught wordt prachtig, het gaat nu nog om de inrichting, de keuken en de slaapkamers vooral. Het is een gezellig item, dit gezoek naar innerlijke woon en leefschoonheid, maar het is ook belangrijk. Een goed huis geeft een goed thuis, denk ik. Aan de karakters van de kinderen, van alle vier, zal het niet liggen, een goed thuis; ze zijn prachtig, vanbinnen en vanbuiten.
Die vermoeidheid is oud en hardnekkig, zit in me, vertrekt nooit, maar vandaag is het extreem, extra slaap zal me goed doen, dus maak ik een nap in the afternoon. Morgen hebben we weer groot feest, nu in Sint-Hubert. De pastoor, onze goede vriend, mederedemptorist en klasgenoot, viert parochieel zijn gouden priesterschap. Het was een markant feest, tien jaar geleden, met fanfare en vendelzwaaiers en met de burgemeester, met filmopnames van het halve dorp en ja, wie liepen er in de stoet naast de feesteling in de fanfareoptocht mee? Wij dus. De herinnering aan die dag is fris gebleven, ik denk door de feestvreugde die overweldigend groot was, toen, omdat het hele dorp eraan deelnam, denk ik. Zoiets indrukwekkends vergeet je niet. Er viel destijds 40 jaar priesterschap te herdenken, nu tellen we er alweer 10 volle jaren bij. We zijn er dankbaar mee en blij, want de tijd is onstuitbaar maar de vreugde ook, zal ik maar zeggen. En van de vreugde moeten wij mensen het hebben, niet van getob, dat werkt niet. En daarom vieren we dan ook van tijd tot tijd feest, grootscheeps of kleinschalig, maar er is altijd wel iets ten goede te vieren. En ja, afscheid nemen is ook samen vieren, al hebben we er allemaal maar weinig mee op, omdat afscheid is gekoppeld aan voorbij. We zijn zo gehecht aan het leven. We dragen het leven, we doen het leven, we zijn het leven. We mogen er gerust onze best voor doen, en ja kwaliteit, daar gaat het om. Je tranen zullen toch wel vloeien, als je tenminste in je tijd niet verhard bent geraakt.
![]()
Donderdag 20 september
Onze oudste vecht in de fysieke verlamming voor zijn leven, maar hersenbloedingen van dien aard zijn niet te bevechten. Ik kan alleen maar aan hem denken en kaarsjes branden naar de hemel. Je kunt iemands lot niet dragen, dat moet men zelf doen; je kunt wel met liefdevolle aandacht voor iemand bidden om troost en verlichting in het onontkoombare lijdensproces.
En zo gaan we een voor een van de aarde af, het blijft geen mens bespaard. Het is slechts een kwestie van tijd. En het is de hoogste boom die wordt geveld en het is de oudste boom die neervalt als het zijn tijd is, er is geen ontkomen aan, maar hoog of laag, jong of oud, het lot dat natuurwet heet, laat zich niet sturen, niet dwingen, niet overwinnen, bij niemand, door niemand. En zo relativeer je leven en sterven van je meest nabije, naaste mensen, van je eigen bloed én van jezelf, want jij komt ook aan de beurt. Leven en sterven betekent leven beleven in zijn totaliteit. En, zoals mijn vader het zei, de dood moet een oorzaak hebben, ergens ga je tenslotte aan dood. Broer, ik stuur je mijn bedewoord: dat het je goed mag gaan, heel goed, dat het je heilig mag gaan, heel heilig. Amen.
![]()
Vrijdag 14 september
In de luwte van herfst gingen we naar de stad, we hadden de hele ochtend nutteloos gewacht op de postzending die niet kwam, maar het gaf niet, want we maakten ons productief met koffiedrinken en de zondagpreek beschouwen en op verbeteringen nakijken. Het zal mooi zijn en goed in het eucharistische uur in de kapel van het GZG op zondag de 16de (Zie bij Liturgie).
Het was heerlijk weer vanmiddag, we gingen langs de winkels in de stad, haalden verstelgoed op bij C&A en keken bij DAMART naar een bruin truitje voor op mijn geruite pantalon. Niet geslaagd. Nu valt de regen neer, de stad is nat, de straat glimt en het donkert. Welkom herfst, ik zag vandaag voor het eerst dit jaar de bladeren van de bomen gevallen, deze stonden nog maar half aangekleed op het plein in de stad en schaamden zich niet, hun gehalveerde bladertooi was rood en geel, ja al het zomergroen voorbij, geheel volgens het recept van Gods oude natuur.
O de vogel, wat is ze mooi geworden en ze wordt nóg mooier als haar verenpak op haar frontje dikker wordt, het kost alleen wat tijd.
Via Skype was er vanochtend contact met Zweden. Het voelt dan weer zo vertrouwd om elkaar te horen en samen te kunnen bepraten hoe het nu met hen is. C. kwam een beetje down over, vond ik, maar ze moet acclimatiseren, wennen aan de nieuwe situatie, zei ze. Het is logisch genoeg.
De felicitaties komen al gestaag binnen, wat een heerlijke aanloop naar het grote, gouden feest is. De voorbereidingen zijn in volle gang en het is mooi om te doen, het is vreugde die je neer mag zetten voor feesteling en gasten, een hele eer voor mij.
![]()
Donderdag 13 september
Grijs was de dag vanochtend al, nog grijzer dan nu, het mistte, alles om de flat was dichtgeweven met Gods grijze materie, maar niet lang, de nevel trok op, de zon scheen een beetje; nu is hij weg, het is grijs, najaarsgrijs, septembergrijs. Toch is het buiten mooi, de sfeer is mooi, het is herfst.
Jan Mulder verbaast me in hoge mate. In de film Sextet doet hij als potente man wat hij kan, ik keek gisteren mijn ogen uit bij Pauw & Witteman. Hij zat er zelf bij en keek ernaar, wat denkt zo’n man op zo’n onthullend moment van zichzelf? Is hij de schaamte voorbij, ja hij is in de zestig, maar daarom juist, hij rollebolt op het witte doek als een oude bok die nog een jonge god in zijn hitsige soort denkt te zijn, goeie hemel! Sommige mensen vallen als rotte bladeren van de hoogste boom, zo dalen ze in aanzien; ik heb geen waardering, welke argumenten er ook voor staan om je seksueel te presenteren op het witte doek, nee, het kan niet. Die schrijver, die ook aanzat bij P&W, had het ook al te pakken met zijn orgiebeschouwingen, hij maakte reclame voor zijn nieuwe boek dat blijkbaar vol staat met wat de beschaafde mensheid al vele eeuwen geleden had afgezworen en toch ook weer behouden: de vrije seks. Het zou zo opwindend zijn, de verrukking zo veel meer dan een normale extase, was zijn persoonlijke bevinding. Een scène met Jan uit de sextetfilm werd aan het Nederlandse volk gepresenteerd, ja dat gebeurt plompverloren, of het volk dat nou wil of niet. Je kunt de tv-knop gebruiken, zeker wel, maar het kwaad geschiedt tóch. En wat doen we ermee? Wat kúnnen we ermee, behalve ongerust worden voor de opgroeiende jeugd, je kleinkinderen, en je afvragen wie er allemaal bij dergelijke groepsorgieën betrokken zijn, zitten ze in mijn vriendenkring, mijn kenniskring of nog dichterbij dus erger…? Je zou je rot schamen als je het ontdekte, terwijl ik juist niet wil oordelen, laat staan veroordelen. Ik besef goed dat ieder zelf moet weten wat hij doet, ik heb er niets mee te maken, maar ik wil het gewoon niet wéten, ik wil er gewoon niets van wéten! Hier geldt: wat niet weet, wat niet deert. En dan is het nóg erg genoeg. Maar nogmaals, wat moet ons Nederlandse volk ermee? Ik denk dat het item slechts een selecte groep betreft die aan dergelijke uitspattingen meedoet, er behoefte aan schijnt te hebben; beschaafde mensen met bewuste moraal denken er normaliter niet eens over na. Ook denk ik dat zulke behoeftigen niet volwassen zijn geworden in de tijd, dat ze stil zijn blijven staan en niet verder kunnen of willen denken dan hun geprikkelde lijf wanneer het om een of andere ontspanningssoort gaat. Zo, dat is eruit, ik wilde het kwijt, want het deerde me zeer, en Jan Mulder is stommer dan een loslopend rund, omdat hij als BN-er met zijn reputatie stunt, jammer voor hem dat hij niet aan God doet, hij is atheïst, maar het zegt ergens wel iets, denk ik, minstens dat hij armer is dan hij als materiële rijkaard lijkt te zijn. De armoede zit ‘m tussen zijn oren, zit in zijn denksysteem. Ik weet, besef dat ik nu oordeel, al bedoel ik het niet te doen. Ik ben geraakt, geraakt door de onmacht die je hebt bij zulke vunzigheid die je opgeschept krijgt om tegen wil en dank tóch te consumeren.
Ik ga de frisse lucht in, wandelen in het bos en langs het water, dat is goed voor een mens en het zuivert je gedachtegang.
![]()
Dinsdag 11 september
Het gaat om mensen. Het gaat om samengaan. Het gaat om communicatie. Mensen zijn kuddedieren, de een met wat meer instinct voor de eenheid in de kudde dan de andere. Wie een kudde drijft, heeft graag mooie, gezonde dieren. En wie de mensheid leidt, heeft behoefte aan een en al gezonde geest.
Kijk om je heen, en kijk naar jezelf: hoe gemankeerd zijn mensen? Hoe gemankeerd ben jíj? Hebben we niet allemaal ergens een tic, een kleine of grotere afwijking bij wat we gemiddeld normaal achten, en lijden we hierin niet allemaal een beetje aan onszelf en aan elkaar? Ik denk het wel. Ik zie in die zin overal gemankeerde personages, ík ben gemankeerd en jij hebt mankementen, in het klein of in het groot. Als je dat beseft, zoals het oude woord ons zegt dat niemand volmaakt is, dan wordt de omgang, het samengaan met mensen in het algemeen minder complex●. En wellicht maakt dat afwijkende aspect onderling het leven kleurrijker dan het normaliter al is. Het verschil mag in de juiste proporties plaatsvinden, alleen zoveel mogelijk in evenwicht gehouden is de ontmoeting, het samengaan, hanteerbaar. Al blijft een mens zich verbazen, ik kan er niet onderuit. De gemankeerdheid van de een verontrust, ergert, verwijdert, verbaast de ander, of doet hem lachen, soms is het amusant. Maar het gaat om het begrip en het uithoudingsvermogen naast het begrip. Een vermoeid mens kan minder verdragen in gezelschap dan een montere figuur. Och, en zo bepeins je in de morgenstond een beetje het leven met zijn mensdom en zijn manco’s. En je weet heel goed dat je zelf nog veel te beschaven hebt. Misschien is dat het heikele antwoord? Dat een mens enkel en alleen zichzelf moet doen? Dat je pas uitstekend mee hobbelt in de mensenstroom als je goed op jezelf past? Het blijft een lieflijk gezicht, zo’n kudde schapen teder gehoed. We mogen erop vertrouwen.
[● Het afwijkende aspect vind ik persoonlijk verhelderend terug in de horoscopen. Ik bedoel niet de voorzeggende horoscoop maar de karakterlezing erin. Elk type, van Ram tot en met Vissen, heeft zijn specifieke eigenheid die je moet leren herkennen. Maar ik maak liever geen reclamespot voor dit soort oude levenswijsheid, ze is namelijk niet ongevaarlijk: begeef je je in het alternatieve circuit, waartoe de horoscoop behoort, dan moet je extra oppassen dat je de realiteit van alledag blijft zien en géén fouten maakt bij je beoordelingen; goed horoscoop lezen vereist een serieuze studie die vele jaren in beslag neemt en levenservaring vereist. Bovendien, het moet gezegd, zijn er al veel te veel kwakzalvers, fantasten en leugenaars in omloop. Dat is, in het vorenstaande thema bezien, afwijkend en gemankeerd genoeg, zou ik zeggen. Zie ook: Van mensen onderweg – met Geloof, Hoop en Vrede, Ine Verhoeven 2003, vanaf pagina 82 hoofdstuk VXXX]
![]()
Zondag 9 september.
De BorderDoeDag was interessant, gesitueerd aan de rand van Nijmegen op het kinologenterrein. Al die bordertjes samen op één groot grasveld geeft een grappig effect. Je moet op zo’n bijeenkomst wel sterk in je schoenen staan anders ga je ook een border aanschaffen, of liever: adopteren. Wat zijn ze toch geinig met hun mooie koppetjes. Sir Paddy, de lieverd, noem ik voortaan Joris Goedbloed. Welke bijnaam bij Dobby past, heb ik nog niet ontdekt. Ze heeft zo’n mooi snoetje, en ze oogt als een heus charmant jongedametje. Merkwaardig dat je dat van een hondje kunt zeggen.
De dag van gisteren biedt beelden die niet of amper in woorden verbeeldbaar zijn. Huis, tuin, een grote waterplas, en stoelen aangeschoven aan grote en kleine tafels bezet met allemaal familie, twee grote honden hadden de ruimte en bootjes met spelevarende passanten voeren af en aan, luid de beste wensen roepend, en alles geschiedde bij de rozen en nog eens bij de rozen ter ere van haar, de mater familias, en alles vond plaats tussen de speelse feestballonnen. Zo was Margarete in het centrum geplaatst. Daar zat ze in een luie stoel en had de ereplaats, de kleine koningin, en ze ontving relaxt en blij alle roem en alle eer en alle gloria. Muziek met zang werd live de 100-jarige toegespeeld, familiaal talent, en het gedicht De Roos van mijn hand werd voorgedragen en ook nog een moederlijke brief uit 1952 aan haar jongste zoon Frans, toen nog seminarist. Die brief gaf hilariteit!
De reis was ellendig lang geweest maar de formidabele middag maakte dat leed weer goed. Toen we huiswaarts keerden, ontvingen we 2 bossen grote rode, fluweelzachte rozen, ze pronken voort in mijn kamer en geven me vandaag de herinnering terug aan een onvergetelijke dag, de verjaardag van een dierbare 100-jarige. Ja, ja, ze zat daar weer pront en stijlvol gekleed, en gerust en ontspannen alsof ze onlangs niet doodziek was geweest. Gelukkige momenten, rijk en genadevol, ik koester ze graag. Mijn leven heeft destijds een wending genomen die ik niet had kunnen bevroeden. Maar het is goed, heel goed geweest. En nog.
![]()
Vrijdag 7 september.
De herfst komt eraan, heerlijk, en morgen vieren we het feest van de hoogbejaarde Margarete: 100 jaren zal ze tellen, helemaal doorleefd. Is het nu nog haar herfst of spreken we in dezen van haar wintertijd? Ik denk het laatste. Al kan de winter schoon en warm en levendig zijn. Toen ze voor en met ons zong, veelal in de Duitse taal - het was die laatste keer dat we haar bezochten - riep ze vrolijk bij het afscheid: Auf Wiedersehen! Ik had het niet meer gedacht maar Deo volente wordt het morgen tóch een bijzonder feestelijk Wiedersehen met haar. Met een extra Hiep hiep hiep hoera! toe.
Ik ben verbijsterd over het nieuws van die 2 ouders van wie het dochtertje Madeleine McCann in Portugal tijdens hun vakantie zou zijn gekidnapt, spoorloos, weg, helemaal verdwenen. De moeder is momenteel de hoogste verdachte. Soms denk ik dat de mensheid gek is, gestoord, ziek. Maar meteen weet je dat het slechts om enkele criminelen gaat. Al is elke misdadiger er een te veel. O, je moet de mensheid hoog blijven houden anders ga je er zelf aan onderdoor. Maar wie vermoordt nou toch zijn kind? Wat kan iemand ertoe bewegen, behalve gekte of machtswellust? En de gelovige wereld maar bidden om de terugkeer van Madeleine… We zullen er meer over horen in het nieuws van half acht. Overigens, is het nieuws, het journaal, ook niet een soort entertainment? Ik denk van wel. Het draait vaak om een voyeurisme op de ellende van anderen. Ach ja, mensen zijn we, allemaal.
En je zoekt de betere tijding. Er is bij alle leed van de wereld altijd wel betere tijding te vinden. In Zweden gaat het goed met de familie, de kleine Dragos slaapt niet meer in de bench, hij mag op het grote bed, want hij hoeft de trap niet meer op. En de meeste rommel is aan kant. En het gaat goed met allemaal. Ik heb Patricia gezegd dat ze een fruitboompje moet planten in mijn naam, een pruimen of een kersen of een appelboompje. Het hoort zo bij een Zweedse tuin die de ruimte heeft. Ze zal het doen.
Er zijn nog meer fijne dingen, om blij van te zijn, we zien hier mijn jongste kleinzoon met zijn Ciskekapseltje, gisteren geknipt door de theaterlieden. Ik zet hem in mijn dagboek om het Ciskegebeuren zéker niet te vergeten.
Flemming, 6 september 2007, thuis in de keuken.
![]()
Dinsdag 4 september.
Die ezeltjes, o die ezeltjes! We reden daar bij Beers door de prachtige, lange lanen en zagen ter rechterzijde plotseling de ezelsveulens bij hun moeders dartelen. Ik stopte, wilde ze zien en niets van dit schouwspel van ezelige moeder-kindliefde in die ene, heel groene Brabantse wei missen, en ezelsveulens zijn droombeestjes om te zien. De kleintjes waren allerschattigst, ik keek en ik keek. Hun mondbekje was wit, de ogen diep en donker in het voorhoofdje geplant, de fluwelig beklede oren met de witte inzetjes oogden extra lang door het formaatje van de beestjes, de markante streep, die doorliep van de kop tot de kont, was meesterlijk getekend, ik denk door God zelf.
Het begon te regenen, per duo stapten ze regelrecht naar de overkapping, een soort open schuurtje ter bescherming, en ze stonden daar samen te schuilen terwijl de regen neerkletterde. De veulens waren als jonge kinderen, ongetemd, op onderzoek uit, nieuwsgierig en aanhankelijk naar hun moeders toe.
De regen hield op. De hoogpotige, bijbelse beestjes stapten de wei weer in. Ik reed verder. Een heerlijk beeld om te onthouden rijker.
De uitzending van Zomergasten was ongekend rijk aan informatie waar een mens, de mensheid, wat aan heeft. Paul de Leeuw deed het als gastheer/interviewer erg goed, hij is een aanwinst voor de Nederlandse televisie, een duizendpoot, zeer getalenteerd. Ik zag hartverscheurende, uitermate confronterende beelden van gemankeerde mensen en getarte dieren; een leeuw had de droefenis in zijn ogen die je als mens in je diepste ziel raakt, haast onverdraaglijk, het was gekomen door de oorlog in het Midden-Oosten. Een andere leeuw was blind, ook door de oorlog, en hongerig, uitgemergeld, hij schuurde daar stap voor stap met een stuk vlees in zijn bek langs de muren van de ontzielde dierentuin met zorgzame bewakers achter hem aan, ik zag een en al tegenstrijdigheid, beelden met de hoogste ellende en met een zekere ridicule schoonheid gelardeerd. Hoe machteloos ben je? Die oorlogen zijn van de hel! Ik ben zo boos op Bush, wetend dat ik geen enkele stem heb om in protest de regeringen te bereiken, maar wie heeft dat wel, behalve Al Gore met zijn Live Earth? Het is me toch allemaal nog te mak. Maar hoop doet leven. Zeggen ze. Laat ons bidden. Enkele memo’s:
- De maandagavondfilmserie Madame Bovary is me genoeg meegevallen om naar het laatste deel uit te zien.
- 21 boekjes liggen met een feestelijke raffiastrik omwonden kant-en-klaar te wachten op het feest van Margarete’s honderdste verjaardag op zaterdag 8 september 2007.
- deze week zal ik de brief ontvangen die ik kwijt was, een brief van mijn vader aan zijn moeder geschreven in 1916. P. belde me vanmorgen op, hij had hem gevonden tussen de verhuisspullen in Zweden, hij heeft hem vandaag naar me opgestuurd.
- mensen die in een gesprek als kippen door blijven kakelen, verdraag ik niet meer. Hun gekakel doet me zelfs bijna fysiek zeer. Ik begrijp niet hoe mensen kunnen praten en praten en praten. Ook begrijp ik niet dat je er soms jaren over hebt gedaan om het kwalijke ervan aan hun verstand te brengen en dat dan blijkt dat het niets, helemaal niets heeft uitgehaald. Hun egocentrisch gekakel gaat gewoon door. Zucht.
Een mens moet iemand hebben om het item troostvol samen te kunnen bespreken. Zelf leer ik het steeds meer af, krijg ik steeds meer aversie tegen veel praten. Je wordt er zo moe van. Wie praat en praat, leert niets van het leven, niets van de ander. Loos gepraat noem ik derhalve gekakel. Zonde van je tijd.
![]()
Zondag 2 september.
Dit is een heerlijke zondag. We waren naar Gassel gereden om de eucharistieviering te verzorgen. De lector aldaar liet verstek gaan, op het laatste moment werd ik ter lezing enzovoort gevraagd. Het kerkje heeft iets bijzonders, is goed onderhouden, straalt respect en heiligheid uit. De twee misdienaartjes waren na afloop wel erg speels bij de heiligenbeelden bezig; de kandelaar met de Paaskaars viel bijna om toen ze stoeiden met de kaarsendover bij het heilighartbeeld. Ik kwam geschrokken aangesneld en ging onverhoeds kosteren middels de dover, het is wél een heel apart beroep. Ik had de twee kinderen vriendelijk berispt, maar hun opa is de echte koster, dus ik liet het verder aan hem over.
We reden, na de smakelijke koffie bij de koster thuis, naar de Gasselse Mariakapel aan de Kapellaan. Het is een prachtige laan, een heerlijke streek, een magnifiek oord, ik was er rustig bij, ik voelde dat ik aanwezig was in de wereld op zijn mooist. We kwamen uiteindelijk bij Thekes in Herpen uit, we dronken er koffie en thee voor € 2,50 en we lachten blij om de lage prijs. Dat geeft de burger moed, zeiden we.
Thuisgekomen hebben we de fout in de liturgieboekjes voor het gouden feest zo goed mogelijk hersteld. Die fout stond me gisteren aan te kijken alsof het een heus duveltje was. Ik moet voortaan niets meer op schrijfgebied aan anderen toevertrouwen, de hele redactie liever zelf in de hand houden. Dan kan er nog genoeg verkeerd gaan, maar dan weet je dat het aan jezelf ligt en hoef je niemand anders te blameren.
Gisteren en vandaag fabriceerde ik een verjaardagscadeautje voor Margarete in de vorm van één boekje; dat is wel haute couture, heb ik gedacht. De omslag ligt momenteel te drogen in de zon bij het vensterraam. Het boekje heet 100 Woorden. Er staan teksten in van Olivier, een brief van Margarete uit 1952, gedichten van ons allebei en enkele van Rutger Kopland, die ik zo heel erg goed vind en waardeer. Ik schrijf er hier een uit ter memo:
Oude gezichten
Rutger Kopland
~
Oude vrouwen, zij kunnen soms even
glimlachen, even gezichten hebben
als oude schilderijen.
~
Ineens weet ik hoe mooi zij zijn geweest,
hoe ik naar hen heb verlangd.
~
Maar wat terugkeert in hun gezichten is
voorbij, oud goudgeel licht
over die mooie wereld die er nog is
maar alleen omdat zij er was.
Zaterdag 1 september.
6.04 uur. De vrijdagavond was goed en bijzonder. We dineerden gedrieën, gaaf gezelschap, in De GelagkameR aan de Waalkade. Ik at mosselen en later thuis verviel ik in een allergische reactie, maar het was te doorstaan en het euvel is intussen overgegaan. De autorit huiswaarts was me in het donker wat het zicht op de weg betreft ietsje tegenvallen - ik onderken het gratis ongemak van de aansnellende ouderdom. Gelukkig was er de tomtom als een reddende geleide-engel langs de mij onbekende straten en pleinen richting Catharinahof en daarna richting huis en ik dacht onervaren genoeg: dit is dan Nijmegen bij avond. Ik teken hier een van die geijkte memo’s, van die onvergankelijke souvenirs op: ik heb vanuit het restaurant de Waal in het donker zien verdwijnen, de hoge brug was schaars verlicht en de boten voeren unverfroren ondanks de zwarte hemel over de brede rivier; je zag de scheepslampjes speels aanwezig als kleine veiligheidsbakentjes: pas op, hier varen wij. Kijk aan, ik was in dat late uur als een toerist in eigen stad, al ben ik toch alweer ruim negen jaar Nijmeegs burgeres.
Op straat lopen twee vroege reizigers, een mannetje en een vrouwtje, ze trekken ieder een koffer op wieltjes voort, ze zijn gehuld in regenkleding, het regent om 7.19 uur. Waar gaan die vroege vogels heen? Denkelijk willen ze met de bus naar het station, zo ziet het eruit, maar het is vaak niet wat het lijkt, dat weet ik als geen ander. Ik duik mijn bed weer in.
Vrijdag 31 augustus.
14.30 uur. S. is zojuist naar huis vertrokken. Het was vanmiddag eventjes turbulent, we botsten omdat ze de dingen zo moeizaam aanvoelt en het gemoed van mensen niet echt invoelt; ze heeft vervelende gewoontes die ik niet herken en die ik bij anderen bijna nooit heb opgemerkt. Er is bij haar ook een zeker gebrek aan kennis van de etiquette, het is soms erg storend. Het escaleerde vandaag dus lichtelijk, ik sprak mijn onbehagen uit en zij zweeg; op mijn uitgesproken verbazing over dit zwijgen, draaide ze acuut de feiten om en probeerde zich eruit te redden met uitvluchten en gedraai, en dat is iets wat ik haat. Het was een langdurig akelig moment, maar het geschil werd uiteindelijk bijgelegd, moeizaam maar tóch. Zulke dingen hebben hoe dan ook gevolgen. Toen ik haar later in het uur vroeg of ze, als ik eventueel de vogeltjes bij haar zou brengen, goed voor de beestjes zou zijn, kreeg ik in revanche te horen: Dat vraag je aan MIJ? Wat een domme vraag! Ik moet eigenlijk niet antwoorden. Dat vraag je aan MIJ?Hoor je wat je zegt? Wat dom van je! Ik herhaalde ijzig geduldig de vraag: Ben je er dan goed voor? Weer voerde ze theatraal haar verweer met mijn domheid extra opgenoemd en aangedikt. Maar ik bleef bij mijn vraag, want die was niet dom, alleen maar bevestigend bedoeld, het ontging haar echter, want ze is ánders ingesteld en onverlet behept met een zekere competitiedwang. Okay. Zulke geesten moeten ook kunnen bestaan. Men moet ermee leren leven, of men wil of niet.
Het is intussen weer goed. Ze had de liturgieboekjes meegebracht voor het gouden priesterfeest en och, het kan ook kuisend werken, zo’n woordenwisseling, dat hoop ik dan maar, dan heeft het toch nog vrucht gehad, al is dát in al die jaren nog niet tastbaar geweest. Wat te doen? Gewoon. Moed houden, evangelisch zijn en in de liefde blijven. Zo praat je dan weer met jezelf, je roept de Allerhoogste aan en weet dat je alles aan beproeving zelf moet doorstaan, want God helpt niet, je moet het allemaal zelf doen in het leven, en dat moet zij natuurlijk ook.
Ondanks alles geniet ik van de kleine rozentuil die ze me schonk. Het is een tuiltje van vriendschap. Dat is voor een mens natuurlijk erg, erg veel waard. Laus Deo! Het leven is goed. Ik moet mild zijn in alles, in veel, in veel meer. Mildheid en begrip verlangen we immers allemaal?
![]()
Woensdag 22 augustus.
Soms lukt het niet met je gemoed, dan lijkt het zich aan te passen aan het weer dat regent en waait en kil aandoet. Ik reageer de hele dag al traag, ben moe en heb veel op de bank liggen slapen.
In de middag ontving ik plechtig bezoek, van Wim van Brederode en zijn vrouw Roos. Ze zien er beiden goed uit, Wim is 85 geworden en Roos is ergens einde 60. Het was een hele poos geleden dat we elkaar zagen en de ontmoeting was hartelijk. Wim is een causeur, weet van alles een beetje en het is allemaal interessant genoeg. Het was een van de betere bezoeken, zal ik maar zeggen. Inhoudelijke schoonheid van het gesprek doet mensen deugd, mij althans zeker. De twee getrouwen gingen 2 kleine uurtjes later naar hun volgende bezoekadres. Helderrode rozen staan op de tafel, ter herinnering. Het is goed elkaar te weten.
Langzaam maar zeker komen de reacties op gang op de uitnodiging voor het gouden priesterfeest. Er is veel te doen voor zo’n dag, veel dat nu al vreugde biedt. Ter memo: Wim vertelde dat hij destijds in De Rozenhof zijn eerste geheime afspraakjes had met zijn toenmalige geliefde, de moeder van Désanne. Een reden te meer voor hem om naar de feestelijke receptie te komen als het zover is.
Eindelijk heeft Sybil Oortjeshekken ontdekt, en een klein part van de schitterende omgeving gezien, want schitterend mooi is de Ooijpolder met de Waal die erlangs voert. Het was gisteren.
Ik hoop dat mijn trieste gemoed kalmeert, de regen buiten is ook gestopt al waait het nog fiks. Och, je kunt alles aan elkaar relateren. Het is gewoon een beetje herfst in mijn ziel.
![]()
Zondag 19 augustus.
Vandaag is weer zo’n onvergetelijke dag vol onverhoeds verheugen. We waren tegen twaalven weggereden, maar wisten nog niet waarheen. We reden de stad uit, richting Kleve, sloegen af richting Kekerdom en kwamen door een verslikking mijnerzijds in een restaurant in Millingen aan de Rijn terecht, ik moest nodig een glas water drinken. Er stond tegen het terras een bord met Mosselen € 14,50 ~ Voor 2 personen € 25,--. Ik onthield het even. Ik dronk een glas water en we zaten daar gezellig, een beetje veel in zondagse stijl, met thee en koffie en verbazing: wat doen we hier eigenlijk? Vanwege het middaguur wilden we iets eten, al hadden we veiligheidshalve ons brood in het trommeltje bij ons. De aangeprezen mosselen waren te verleidelijk. Het was geen dinertijd, zei de jonge ober, maar de kok wilde desondanks wel mosselen bereiden voor ons, hij had het hem eerst even gevraagd. Het dienstertje vertelde bij de thee en de koffie dat er een historische Sail was over de Rijn en het Pannerdensch Kanaal, ze bracht ons foldertjes. Het werd steeds leuker. De mosselpan werd gebracht, een grote volle pan met mosselen en verse groenten, en er was veel toebehoren bij geserveerd, sausjes en friet en warme broodjes. Daar zaten we, Olivier & ik, in het centrumpje van Millingen aan de mosselen, planloos op weg gegaan, aardig terechtgekomen. In de middag wandelden we door het dorp, brachten de post voor Jo en Anne-Marie naar de brievenbus tegenover de dorpskerk en gingen nieuwsgierig en vaktechnisch de dagkapel van de parochiekerk binnen. Wat een kuise schoonheid, prachtig en sereen stond daar een Mariabeeld, ik wilde een kaarsje branden voor alle goede doelen maar er waren geen lucifers; aan de zijwand blonk het tabernakel liefdevol gepoetst, je kon het zien, met een brandend godslampje erbij. Het glas-in-lood was oud en verrukkelijk om te zien, zo mooi, en je kon door de glaswand een stukje de hoofdkerk inkijken. Het nieuwe en het oude waren doordacht samengevoegd in dit interieur van gebed, of het een mooi geheel was, weet ik niet – de stoelen waren erg zwart en vierkant – maar het boeide me wel. Het was een kerk van deze tijd, dacht ik, van deze tijd van terugkerend conservatisme in kerk en samenleving. Ik had het goed gezien. Bij de wandeling rond de kerk zagen we een bordje met pastorale gegevens waaronder: Pastoor E. Smits. Die goeie Eric, ik kende hem nog van zijn studententijd in het seminarie in Den Bosch, met leuke en goede herinneringen, ja die goeie Eric was híér terechtgekomen als pastoor. Ik denk dat de mensen in Millingen geen kwaaie aan hem zullen hebben. Hij was altijd al goedmoedig, hoewel ook rechts in de leer. Enfin. Hoe kom je iemand weer eens tegen, al is het via een naambordje aan de kerkdeur? We wandelden terug naar het centrum, ik wist er een ijsjeszaak, gezien tijdens de wandeling naar de brievenbus. We zaten daar op het terrasje en keken naar de passanten, we waren er ook twee van, en keken naar de hondjes en de honden aan de lijn; een Mechelse herder werd door zijn baas losgelaten, mocht dat in Millingen? Een heftruck was druk bezig op deze zondagmiddag met veel en hoog zand: er was een evenement voor vanavond gepland, iets spectaculairs met wielrennen en/of coureurs, geloof ik. het parcours moest tijdig klaar. 2 bussen met dagjeslui arriveerden bij de hotels. Ik had de tomtom ingesteld toen we huiswaarts keerden. Hij deed het feilloos.
Ik sliep op de bank, mijn thee werd koud en de telefoon ging. Lieve mensen die naar het gouden feest van de pater zullen komen, meldden zich aan. Het was onverkort een zalige middag.
Margarete schijnt op te knappen van haar ziekbed. Ik vernam dat er plannen worden gesmeed voor haar 100ste verjaardag, het moet worden gevierd, zo is gezegd. De mens wikt, God beschikt. Gelukkig maar.
![]()
Vrijdagavond 17 augustus.
We zijn a.h.w. als een gehalveerde familie achtergebleven, we zijn vanaf vanavond voortaan zonder vader, opa & exgenoot en zonder Caterina, de derde oma. Het is nu al een vreemde gewaarwording: weg zijn ze, weg, vertrokken naar Scandinavië, en het gebeurt op hun (en mijn) oude dag. Ik denk dat het heel dapper is om naar een ver, vreemd land te durven verkassen op deze leeftijd, anderzijds is het een daad die vanuit de welstand kan worden gesteld, ik bedoel dat het niet zó moeilijk is naar een ander land te verhuizen met een dikke beurs en veel financiële zekerheid. Maar een volle beurs en veel geluk en een goede reis zijn hun van harte door mij gegund.
Voor Rieke had ik vanmorgen een gedichtje geschreven, ze is jarig vandaag:
Een en al wonder
~
Ergens komt de tijd vandaan
we weten niet vanwaar, maar toch
ergens komt de tijd vandaan
de wereld is een wonder.
~
Ergens komt de zon vandaan
de sterren, de planeten ver
ergens zijn ze uit ontstaan
de hemel is een wonder.
~
Ergens komt het land vandaan
het water, de rivieren groot
het weiland en de bergen
de aarde is een wonder.
~
Ergens komt de mens vandaan
de schepsels allerwegen ooit
met geest en met gevoelen
de schepping is een wonder.
~
Ergens komt de lach vandaan
de tranen en de vrolijkheid
het lief, het leed, het leven
het menszijn is een wonder.
~
Ergens komt de tijd vandaan
geboortedag en stervensuur
het kind en de bejaarde
in eeuwigheid een wonder.
© Ine Verhoeven
![]()
Woensdag 15 augustus.
In deze tijd is het genieten van de nazomer, van de sferen in ijlte met warmte doormengd. Je leeft op in het zoete uur, je gaat, je loopt, je doet, je weet jezelf, je bent. De bomen voor het huis strelen mijn blik met hun deinende bladeren, groen, nog groen, nog zomers groen. Straks ga ik op kort bezoek in O. We hebben gisteren een avondmaal ten afscheid gehouden, we waren gevieren en de vogel genoot als vijfde mee. Mijn foto’s zijn allemaal terug, foto’s over een mensenleven, dat mensenleven van mij. Caterina zei me dat ze alles had bewaard, dat blijkt en dat is mooi, dat is ook om dankbaar te zijn. Het is in mijn optiek toch een kleine schat aan herinneringen, misschien wel een grote. Hoe ouder je wordt, hoe meer je de dingen relativeert, ook de nu alweer oude foto’s die toentertijd zo belangrijk waren, die destijds bij elkeen ook de vraag opriepen, telkens weer: Sta ik er goed op? Wie kent het niet? Ach, het was alles ijdelheid en nu zie je het onnut ervan in. Schoonheid vergaat, wie weet het niet? En alles vergaat, iedereen vergaat, hoe grof het ook lijkt of klinkt.
16.00 uur. In O. was het een aardig uur. Ik ben met hen begaan, want verhuizen is erg, maar verhuizen naar het buitenland is erger. Het afscheid was hartelijk, ging gepaard met de hoogste wensen en met stevige knuffels. Ook de kleine Dragos deed mee. Het is een vreemde gewaarwording dat ze gaan wonen in de buurt bij onze dochter, maar ook een mooie gedachte, een prima wetenschap, ergens heel geruststellend. Ik hoorde dat de pruimen er rijp zijn, dat er nog kersen aan de bomen hangen en dat er volop bosbessen, peren en appels zijn, en wat allemaal nog meer? Caterina zei: We maken een lange tafel, een tafel voor iedereen! En ik: Dat is bijbels, een beeld uit de bijbel! Ik zie het gebeuren, een lange tafel voor iedereen. Mooier kan het niet!
Richting Heeswijk stopten we. Het woei hard. We zaten op een bankje tussen het wuivende gras, de wiegende maïskolven en de ruisende bomen, we zaten daar bij een kalme zon in de zwoele maar wilde wind, het was zo mooi, zo mooi en zo goed. Ik kon er niet genoeg van krijgen. We aten brood en een tompoes, daar op dat bankje, we hadden ze vanochtend gekocht in Ravenstein. Piet heeft bij de koffie nog chocolade bollen gegeten ten afscheid, het hoort bij hem. Caterina koos een tompoes, en ik nam ook een bol. Frans had een kaal broodje te nuttigen, voor zijn bestwil. Je hebt apostelen en martelaren, zal ik maar zeggen.
In de Bernse boekwinkel was ik snel uitgekeken. Iemand lachte heel hard en irritant en erg langdurig, het gelach vloekte bij de sfeerrijke intenties van de boekwinkel, het klonk als een vals geriedel dat je gehoor te gronde richt. Ik houd van lachen, maar liever met een zekere ingehoudenheid. Als het tenminste kan. En nu ga ik rusten, uitrusten, van de lange ritten en het lange zitten. De dag is tot nu toe goed geweest. Mensen, goede reis!
![]()
Zaterdag 11 augustus.
In Hapert hebben we genoten in de bloementuin van Louis & José, wat een weelde, wat een rust, wat een genade, en allemaal op de familiedag die niet doorging, en toch weer wel. Het was een vriendelijke bijeenkomst, en wat ik al vermoedde was waar: Veronica & Joop waren ook te gast in dat hele mooie huis aan de rand van Hapert. De Kempen zijn mooi, weelderig en vruchtbaar. Het leven is goed in Brabant, en ik onderging een rijk gevoel omdat ik tegenwoordig van Brabant én Gelderland ben.
We hadden het goed bij de gastheer en de gastvrouw, ze zijn prima luitjes, het bezoek heeft me erg goed gedaan.
We reden terug langs Hilvarenbeek, ervoeren ‘n nostalgisch verlangen bij het bordje In den bockenreijder maar reden door, we legden aan in Vught bij de kinderen; het is een heerlijk huis dat ze gekocht hebben, ik hoop dat ze er heel gelukkig zullen zijn, dat ze er alle vier een heerlijke woning hebben gevonden. Ik gun het ze zo, dat geluk, dat normale leven, dat goede en geruste leven in een eigentijdse woning.
Lorita stapte vandaag weer op mijn hand en ik droeg haar door de kamer en de gang terwijl ik tegen haar praatte alsof ze nooit was weggeweest. Het is zo prachtig dit diertje weer bij me te hebben. Hoe kan het toch bestaan: de oude vertrouwde vogel weer nieuw voor mij, terug bij mij. Ik heb Caterina vanavond gezegd dat ik haar en P. er zo dankbaar voor ben, bijna tot tranen toe dankbaar en blij.
![]()
Vrijdag 10 augustus.
Gisteren was dus de verjaardag van Co, hij werd 14, en wat is hij lang geworden, een mooie jongen, prachtig in alles, perfecte schoonheid, zo is het gewoon. De dag was bijzonder, de jongens zaten al vroeg in de kamer, rond 9 uur, aangekleed en wel. De kleine Flem droeg zijn Ciske-outfit, een geruite blouse op zijn driekwart broek, en mét bretels. Het zwarte Ciske-petje hing braaf te wachten aan de pilaster van de trap. Hij was herkend in het winkelcentrum, niet bij naam maar als een Ciske. In alle grote kranten van gisteren stond de foto van 4 nieuwe Ciskes, waaronder onze kleine man. Het Ciske-gebeuren begint een strakkere vorm aan te nemen, ik bedoel dat het allemaal echt gaat worden en dat ervaar je in de tijd. Flemming is ’s avonds met hoofdpijn naar zijn bedje gegaan: een jarige broer, een script te leren en een interview te ondergaan, een nieuw huis, het oude zal spoedig voorbij zijn, en ook nog opa en 2 babbelende oma’s op bezoek, de klusjesman erbij, en als toegift is het nog vakantie al gaat hij maandag weer naar school, het was gisteren wat veel tegelijk voor hem. Maar het zal allemaal goed komen, de tijd zal ons de toekomst leren, de toekomst van hem en van ons allemaal. Veel geluk, mijn lieve jongen, veel geluk ook Conner, veel geluk, alle mensenlief!
![]()
Woensdag 8 augustus.
Het is te zot om nu al aan Kerstmis te denken en toch doe ik dat. Op pastoraal gebied ben je bij wijze van spreken met Pasen alweer met de voorbereidingen voor het kerstfeest bezig. Ik vond het boekje Het wordt kerst, dacht ik op de computer terug, en dat boekje ga ik digitaal plaatsen in de Advent 2007.
Het boek voor het gouden priesterfeest van pater Frans B. is in de maak, het wordt gedrukt, het was éven hard aanpakken vooral voor mij, maar het zal een mooi resultaat worden. En dan zijn er de particuliere vieringen die in voorbereiding zijn, het gouden feest en een afscheid in het verschiet. Er is veel gaande, er vertrekken nogal wat mensen binnenkort, maar niet allemaal hoeven ze dood te gaan, er zijn er die naar het buitenland verhuizen, ook een soort mourir, maar gelukkig niet meer dan dat.
Morgen wordt mijn oudste kleinzoon 14 jaren groot. Vanavond koop ik gebak, denkelijk bij Makro - of toch bij AH - en morgenvroeg ben ik voor dag en dauw naar Den Bosch verdwenen; misschien komen Opa Piet & Oma Cat ook, hij heeft me nog even opgebeld en hun komst op de koffie toegezegd, onder voorbehoud, logisch, want alles gebeurt Deo volente.
In de binnenstad van Nijmegen was het rustig vanochtend, het was even een gezellig uitje, tot ik ineens doodmoe werd, intens vermoeid; we aten wat, we dronken wat en ik kikkerde niet op, bleef moe, loodzwaar, afgemat; ik moest naar huis om te slapen, te rusten, te liggen. Toch waren het een paar fijne uurtjes, zo samen in de stad; ik ben eerder een buitenmens, ga liever naar groenere oorden zoals de polder of de heuvels of het bos. Maar toch, de stad heeft ook iets, altijd bijzonder, al is het alleen nog maar het uitzicht op de Sint-Stevenskerk met haar prachtige toren, o schoonheid.
Twee sprankelende, robijnrode rozen van de hibiscus stonden er plotseling; tussen de witte lavendel en de purperen bloemetjesplant, naam mij onbekend, stonden ze ineens in volle glorie te bloeien. Het is haast een onhoorbaar tumult aan kleuren op mijn kleine balkon, en mooi, zo mooi in alle eenvoud, in al het weinige dat er ter opfleuring staat. Och, je hebt als mens zo weinig nodig om een beetje gelukkig, om een beetje sereen blij te zijn.
Met dirigent Karel zijn we gisteravond naar de Nebokerk gegaan, ter oriëntatie voor het gouden priesterfeest. Ik genoot volop van het interieur van de kerk, verloor me in de schitterende beeldhouwwerken van wijlen de redemptorist pater Gerard Mathot, en in zijn schilderingen, in zijn versierselen en in de afwerking van de lieflijke Gerarduskapel. O, wat een groot kunstenaar is hij geweest, ja, hij was onmiskenbaar een groot artiest. De Nebokerk is een sacrale plaats, je voelt het, je wordt er opgetild door de heiligheid; alles was er rustiek en in evenwicht. Het bronzen beeld van Mozes en de Braamstruik en het schitterende bronzen reliëf met het leven van Theresia van Lisieux uitgebeeld, bekoorden ons alledrie; maar ook het bijzondere kruisbeeld van Jezus met zijn moeder, samen in verdriet in het kruishout gebeiteld, ontroerde ons. Broeder redemptorist Polycarpus had ons op de gevoelige schoonheid van deze beeltenis gewezen, had ons erheen geleid. Ik ben hem zeer dankbaar. Op het oude koor heeft Karel orgel gespeeld, en de situatie getoetst omdat zijn koor er zal gaan zingen op die ene dag in september.
Het was een bijzondere avond, en ter afsluiting dronken we koffie en thee op het terras van Hostellerie Rozenhof en we bespraken het ophanden zijnde feest, maar ook de parochiële herinneringen van Karel en pater Frans werden onder de loep genomen, o.a. de schone vieringen uit de tijd van Boschveld, uit de tijd van de parochie van pasto(o)r Frans; het ging ook over de mooie stem van Rieke, over haar goede voordracht van de lezingen, over haar inzet en inbreng in die dagen voor de parochie, en over haar tekeningen voor het enthousiaste parochieblad van toen. O, het ging over zoveel. Ja, vijftig gouden jaren roepen vele, vele herinneringen op, je kunt erbij lachen en huilen, want de tijd is doorweven als een kleed met allerlei motieven.
![]()
Dinsdagmorgen 7 augustus, kwart voor acht.
Het is nog rustig buiten. Voelbaar hangt de nazomer over de bewoonde wereld. Het gras is gemaaid en geurt zoet na. Een buurman van ergens laat zijn jachthond uit. De boshaan kraait als vanouds en stapt snavelpikkerig rond. De bomen wiegen hun bladeren. De bloemen bloeien voort, ze leven op en sterven weg. De mensheid gaat haar oude gang, ik weet het wel, maar dit beeld roept voor een lang moment enkel de staat van vrede op. Het zal mijn verlangen zijn, dat antieke verlangen dat altijd weer nieuw is, want de wereld draait door en de mensen veranderen niet. Het blijft pogen en zuchten, verzuchten en weer pogen. Och, we moeten allemaal groeien aan onszelf, aan het leven zoals het tot ons komt. Als we ons hoogste ideaal maar niet verlaten. We moeten blijven geloven dat op een goede dag alles goed komt. Er is geen alternatief, behalve in het klein. Want daar kun je in woord en daad altíjd in vrede zijn, in je eigen kleine kring en minstens met je liefste, met je regelrechte naaste.
Ik zag de nieuwe stad
In de stad was alles open
vrede doordrong ons allen
niemand van ons sprak leugentaal
ieder was lieflijk
de zon scheen met rustige warmte
helder licht werd het in ons
de lucht vervuilde niet
onze geest werd kristalhelder
we deden geen kwaad
alle leed borgen we op
wij allen waren volkomen
helemaal zuiver
door de nieuwe stad
gingen jij en ik
onverdeeld goed
dank zij onze God.
© Frans Boddeke in De Treinman, pagina 88.
![]()
Woensdag 1 augustus.
Overal langs de wegen bloeien de bloemen. Wilde bloemen, onkruidbloemen, klaprozen zelfs, ik zag veel geel en wit en paars en roze in de bermen opgestaan. Ik reed via Cuyck langs Gassel naar Grave. De zomer maakte de wereld mooi. Ik zag onverwacht velden met zonnebloemen, en was opgetogen, want de herinnering aan Twente kwam boven, dat oude land met plantages vol zonnebloemen overal, het was alweer lang geleden, ergens in de jaren ’90.
Ja, wat was het een heerlijk en machtig gevoel toen ik langs de slingerende Maas het trotse vestingstadje naderde. Op het terras van de Gouden Leeuw dronk ik thee en bij bakker Leurs kocht ik brood en bananensoezen, want ik zou op bezoek gaan.
We ondergaan een echte Hollandse zomer, zo een zomer van toen en van toen en van toen, wat wil een mens uit onze contreien geboren nog meer?
Het navigatiesysteem in de auto heeft zijn nut allang bewezen. Ik zette het aan en reed van Grave naar Oss, feilloos ging de rit naar het opgegeven adres. Zonder tomtom had ik de weg niet zo snel en zo goed gevolgd, denk ik. Ze vinden wat uit, dat mag gezegd zijn, maar handig is het allemaal wel.
We zullen Margarethe nogmaals bezoeken, denkelijk op zondag. Ik zal meegaan en ik doe het voor Olivier, niet voor mezelf; ik had haar al in mijn binnenste geplant, uit voorzorg en piëteit, als een kostbare bloem, een roze roos of een andere florale schoonheid, want daar relateer ik haar vrouwzijn aan, maar ook haar moederschap. Dit tekstje in eenvoudige woorden gezet, heb ik voor haar geschreven, het was enkele dagen terug:
De roos
Een frêle roos, septembertint
Verwijlt op mijn balkon
De roep van vogels leeft op
En asters bloeien in de zon.
~
Het tere líjfje van de roos
Zucht na in levensvreugd
Een spin speelt met haar draden
En bij haar web wacht zij verheugd.
~
Het ranke steeltje aan de roos
Houdt stand in pronte staat
Terwijl de spin haar buit eet
Vermorzeld door een zijden draad.
~
Het broze roosje buigt haar hoofd
Het knakt in oud verdriet
Haar rozenhart wil leven
Maar voelt de dood in het verschiet.
~
Een frêle roos, septembertint
Sterft weg op mijn balkon
De roep van vogels sterft mee
En asters bloeien in de zon.
© Ine Verhoeven – voor M., 27 juli 2007
![]()
Maandag 30 juli.
Het is vandaag de nazomer die over onze streek regeert. In het zonlicht leeft een ijlheid die alleen de oude zomer bezit. Het afsterven van de zomer is zo karakteristiek eigen aan de maanden juli en augustus, en toch ervaar je de volheid nog van de zomertijd, de absolute volheid van de ganse zomertijd, niet een beetje maar totaal. Deze sferen van zon en wolken en wind zijn romantisch, nostalgisch, maken het verlangen los in mensen, doen het mensenhart in jeugdigheid herkloppen, doen denken aan de malse weide, het uitgestrekte polderland en de afgelegen boerderij - die daar nog altijd staat met ramen als ogen, steeds eenzaam en hitsig en geheimnisvol in de nog woelige zomer; ja deze sferen sturen de mensen op pad om de jaarkermis te gaan vieren, doen denken aan zuurstok en suikerspin, aan nougat en poffertjes, aan een oude liefde voorbij, aan ooit een geheim rendez-vous, aan toen het allemaal nog niet mocht, omdat je nog veel te jong was om lief te hebben; maar je snoof tóch de geuren op van het land, van de zon, van de grassen, van de bloemen en de grond en je bloed speelde mee, het stroomde sneller door je onthutste lijf en je begreep niet wat er gaande was met je prille ziel, je jonge hart, je zinnen. Het werd in die dagen slecht genoemd als je ontlook als meisje, als jonge vrouw; als je je bewust werd van je leven, van je innerlijk, van je wezen, van je zijn. Maar het slechte was eerder de angst van de ouders, omdat er geen slechtheid bij jou aan te pas kwam, alleen een niet-weten, maar ook een hardnekkig zwijgende moeder als je om uitleg vroeg. Hoe kom ik eigenlijk op al deze gedachten? En wie heeft er nog iets aan?
![]()
Vrijdag 27 juli.
Mensen zijn kwetsbaar, vooral in hun oudheid. Je mag elkaar koesteren tot in lengte van dagen, het moet gewoon, want we hebben elkaar allemaal hard nodig. Margarethe ligt ziek, monter van geest is ze wél, maar afgemat en onwillig is haar lichaam. Daar sta je dan, machteloos toeziende hoe haar smalle levensvlammetje langzaam maar zeker dooft. Je kunt alleen nog maar een extra kaarsje branden en bidden om heilige kracht voor haar, om het einde te kunnen doorstaan op milde wijze. In mijn hart ben ik teder met haar, ze heeft me gecharmeerd, onophoudelijk. Ik heb haar gadegeslagen en een vrouw mogen zien die het leven liefhad, alle dagen weer, die met haar mensen in harmonie leefde en toch zichzelf niet heeft verloochend. Dat is levenskunst, dat is mens zijn, dat is wijsheid. Dank je wel, Margarethe, dank je wel. Dat het je goed gaat, lieve, we komen weer snel naar je toe.
![]()
Dinsdag 24 juli.
Het is zo’n loodzware zomerdag met regen en wolken en wind, het is mooi te ervaren, brengt je terug naar je kindschap toen alles nog nieuw was en je enkel de dingen had te ondergaan in het nog onbekende van die eerste levensdagen. Zo’n zomerdag is het vandaag, zo oer-Hollands ook, denk ik. Het zit geheid in dat oude jeugdliedje: Ik zie de grauwe wolken drijven boven Hollands waterland… Och, alles is intussen herinnering geworden en daardoor is er de herkenning van de dingen, heel bijzonder omdat het telkens weer nieuw is, zo oud en zo nieuw.
Intussen wacht ik op Sybil, ze heeft de trein genomen vanwege het slechte weer, dat stond in haar sms’je. Het mag ondanks de grauwheid van de dag een stralende visite worden, ik heb het me beloofd. Syb zal binnenkort het liturgieboekje gaan maken voor het gouden priesterfeest van Frans Boddeke, redemptorist, ik zal de teksten aanleveren en zij zet alles in elkaar, ze heeft de mogelijkheid om dat te doen door haar betrokkenheid in haar Vinkeveense parochie. Heerlijk idee dat ze me ermee wil helpen. En dan is het pastorale boek van Frans ook nog onderweg van de drukkerij, morgen zal de drukproef binnenzijn, we zien ernaar uit met moed en hoop, het zal mooi worden, echt heel mooi worden, de teksten zijn indringend goed en herkenbaar vooral voor mensen die het leven weten én voor hen die het leven (nog willen) onderzoeken.
21.12 uur. En alles verliep naar wens. Syb was wat gecompliceerd in haar emoties bij aankomst omdat ze dacht dat ik niet thuis was, maar daar moet ze zelf mee leren omgaan, verder was het een blije boel, ze bracht mooie zomerbloemen voor me mee en zichzelf, natuurlijk. We zijn nu sámen een beetje druk met de voorbereidingen van het gouden feest in september, dat is alleen maar leuk en het schept een goede band.
De omslag van het nieuwe boek is intussen digitaal binnengekomen en in princiep uitgekozen, een zorg minder.
Lorita roept elke dag meer, zegt elke dag meer, klimt elke dag meer; ze eet goed en is vrolijker dan toen ze pas bij me binnenkwam. ‘n Heerlijke vogel is dit kleine, groene vedergeluk.
Ik ben moe. De dag was lang maar goed. We hebben Syb naar het station gebracht en nog even in de stromende regen Oortjeshekken bezocht, heel apart. Over de dijk ging de rit huiswaarts, langs de woelige Waal met de vele grote vrachtschepen druk in de weer; het land van de Ooijpolder en de Waal is zó mooi, zó mooi, ook in de regen en in de wind, in de dampende atmosfeer van de mengeling van regen en zonneschijn. We zagen de ganzen in troepen in het weiland, alle snaveltjes dezelfde kant op; we zagen de paarden, de schapen, de koeien, ja veel van wat Nederland aan vee te bieden heeft, zagen we daar grazen en liggen lopen; maar we zagen geen hoogpotige ezeltjes zoals destijds in Bokhoven wél het geval was. Destijds ja, want onlangs waren we weer in Bokhoven en ook daar waren de ons altijd ontroerende ezeltjes weg, verdwenen, verleden tijd: alweer een stukje herinnering erbij. Maar misschien staan ergens verderop in de wonderschone Ooijpolder nog van die vertederende lastdiertjes, wie weet.
![]()
Dinsdag 17 juli.
Ik was bezorgd over de komende familiedag: kunnen we erbij zijn onder de gegeven omstandigheden? Maar het werd geruststellend weggepraat, het is immers zoals het altijd is: afwachten. Ik weet niet of de broze Margarethe zal komen, het zou een ongekende genade zijn, maar het is ongewis, haar krachten die ze vorig jaar nog wél had, zijn verdwenen, hoewel ze nog altijd sterk is van geest, helder, pienter en bij de tijd. Ze is zo bijzonder, deze kleine, nog kwetsbare mama, dit heerlijke moedertje dat nu al bijna honderd jaar op onze oude geode als mens en vrouw bestaat. We moeten zuinig op haar zijn en op de korte tijd die ze nog maar in ons midden kan doorbrengen, al weten we heel goed hoe uitzonderlijk bijzonder het is als jouw Mater Familias 100 jaren aan leeftijd telt.
Margarethe met haar twee zonen.
Familiedag in Tilburg, augustus 2006.
Zondag hebben we om barmhartigheid gebeden, daar ging het evangelie over. Het is de barmhartigheid die alles aan misverstaan kan redden onder de mensen, die elke boosheid aankan, die met mildheid en geduld in liefdevolle gelatenheid alle onverhoedse problemen kan weerstaan. Maar wat kan het onderlinge onbegrip je ziel dichtknijpen, je nachten pijnigen, je wakker houden, en o, wat doet het zeer. En toch is het de barmhartigheid die elke mens nodig heeft, die elk schepsel weer op adem doet komen, die gewonde mensen geneest. Wees barmhartig met elkaar, wees barmhartig.
![]()
Zondag 15 juli.
De eucharistieviering vanochtend was sereen, ik ben er nog dankbaar voor. Het evangelische onderwerp was mooi, over de barmhartigheid, wat kan een mens zich meer wensen dan de barmhartigheid van zijn omgeving en van God? Het was druk in de kapel, er waren opvallend veel zieken in bedden en rijstoeltjes. Vanwege de vakantietijd had ik weinig gelovigen verwacht, maar nee, de kapel was vol. Vorige week was het ook vol geweest, vertelde Corry de kosteres, de bisschop lag toen in het ziekenhuis en was te bed naar de kapel getogen, en ja, zeg eens eerlijk, dat geeft bekijks en volk op de been, zelfs in het ziekenhuis, dat denk ik ook wel.
De dag was goed maar ik was éven uitzonderlijk neerslachtig geworden, het was in de loop van de middag. Ik voelde een nare eenzaamheid, een soort verlatenheid, een verstokenheid van lieve medemensen. Het gevoel matte mijn ziel af en ik was nog meer vermoeid dan voorheen. Gelukkig is het overgegaan, we zijn naar De Lachende Vis gereden in de vroege avond en hebben het Mariakapelletje van Oud-Empel bezocht, een verrassend bidcentrumpje aan de Maas. We hebben gewandeld, neerwaarts naar het water, tussen het gras en de bloemen door, we zagen de paarden in de volmalse wei, maar ook de twee paardjes in de tuin van een oud statig herenhuis midden in het gehucht. Ze graasden tussen de bloemenpracht en lieten wonderwel de rozenperken met rust. De bewoners zaten achter het huis in de enorme tuin en terwijl de paardjes weer langs het tuinpad terughuppelden tot we ze niet meer konden zien, schouwden we hun overtollige moppen op het gazon bezijden het tuinhek dat grensde aan de straatkant. Heel interessant.
We hebben het centrum van Ravenstein nog even aangedaan, toen gingen we naar huis terug. Ik voelde me weer een rijk mens, tevreden en gerust. Lorita was vrolijk, ze riep en ze riedelde, het was een feestje, ook de 2 uppies waren drukdoende, ze staan nu alledrie op het balkon, het is nogal warm en klam dus mogen ze nog even buiten zijn.
Mijn downstemming is nu echt weg, ik denk achteraf dat het vakantiehuis te groot voor me is, misschien ook door de intense herinneringen, dat mijn taken te zwaar zijn, dat ik een beetje te vol zit in mijn gedachtegang, dat ik rust nodig heb, wellicht verzorgende rust zodat ik éven niet hoef te denken, niet hoef te doen, niet hoef te zorgen, want ik ben zo moe. En toch, telkens komt er nieuwe kracht boven, telkens klim je erbovenuit, telkens kun je weer voortgaan, telkens ben je weer nieuw, hoe dan ook, het is nog altijd gebleken. Dan ben je toch een begenadigd mens? Ik wel hoor. Met dank aan mijn goede vriend, die wijze mens vol rustigheid. Laus Deo!
![]()
Woensdag 11 juli.
In ons regenland 2007 beleven we de mooiste vrije tijd, ondanks de regenhozen en de onweders. Toen ik vanmiddag binnenkwam in mijn eigen huis riep Lorita Mama en ze kraaide als vanouds, gewoon van blijdschap. Zelfs de 2 groene miniatuurtjes hipten verheugd over de stokjes van hun kooi en keken me aan, verwachtingvol dacht ik, maar wat zouden ze willen, behalve de kooi uit en rondvliegen en de klok attaqueren, och, och. Daar roept onze grote groene weer: Mama! O, heerlijk geluid.
Gisteren hebben we de hele dag besteed aan en in Den Bosch. We gingen van huis bij droogte en in Pilkington’s hoorden we de eerste donderbuien en zagen we de plensregen op de stoep en de straat neervallen. En de oude Sint-Jan tegenover ons kende het lied wel van de regen, de regen die ouder is dan hij. Mijn outfit was karig, ik had op de zon gerekend of minstens niet over de regen nagedacht, dus liep ik er zomers bij, zonder regenverweer. Ik snelde toen maar langs de muur van Pilkington’s naar het Brabants Jachthuis en kocht daar 2 paraplu’s, ter herinnering aan Den Bosch zomer 2007 en tegen de natheid van de regenbuien. De paraplu met de ruit is een echte Olivierplu. Ik heb hem Olivier derhalve geschonken. Memories are made of this.
We willen binnenkort de Dieze bevaren met de stadssloep, het wordt tijd dat ik als oud Bossche eens onder de Brabantse hoofdstad doorvaar en daarmee meteen de vroegere riolen bezichtig. De Dieze die ratten had en de pest, die ouderwetse ziektes verspreidde, ooit. Het was in grootmoeders tijd niet zo schoon in ons land, er was nauwelijks hygiëne, en dat was toen heel gewoon. Als kind had ik van nature iets tegen de Dieze, ik huiverde van de Dieze, brrrrr, er zaten ratten bij de Dieze. Het was alom bekend en mijn kinderziel reageerde erop, geschokt en bang, je bleef maar beter weg bij de Dieze. Enfin.
Van Patrick kreeg ik een prachtig bericht over mijn moeders afkomst, waarvan ik nare dromen had voorheen, maar dat is over. Mijn moeder vertelde nooit iets over wat dan ook, amper, nauwelijks moet ik zeggen en het is akelig als je niet weet wie je voorouders waren. Nu ben ik dankzij de tip van Patrick een eind verder gekomen en weet wat ik weten wilde: wie voor ons de eerste Vincent Burg is, hij kwam van Malta; ergens in de beginjaren van 1500 kwam deze militaire voorvader naar Den Bosch, huwde een Bosch’ meisje en ziedaar: van hem stam ik partieel af. Alle muizenissen die ik familiaal ooit had, zijn weg. Het is interessant de stamboom te bekijken én te ontdekken dat mijn moedertje 2 zusjes en een broertje dood had. Het was normaal in die tijd, de kindersterfte was groot. Tot mijn opluchting zag ik ook dat er eindelijk eens normale gegevens waren van normale mensen, we waren geen prinsen, geen adel, maar gewone mensen, en dat voelt goed. Het viel me eens op dat veel mensen die hun stambomen uitplozen, beweerden van een oude adel te zijn, of ervan af te stammen. Ik moet echt lachen als ik mensen hoor zeggen dat ze in een vroeger leven Indiaan waren of Egyptenaar, of de Zonnekoning, of een verre nicht of neef van Marie-Antoinette; ja, ja, er zijn er bij die beweren dat ze Napoleon zijn geweest of Ludwig der Bayer. Ik zou me ervoor schamen, zij niet. Enfin. Ik stuurde de stamboomgegevens gezellig naar Cornelis, hij was er net als ik best blij mee. (Terzijde: ik heb hem nooit meer gehoord over zijn vroegere beweringen m.b.t. zijn vermeende vorige leven.) Kijk aan, en neef Patrick: mijn hartelijke dank!
Nu ben ik dus weer thuis en de vogels zijn blij. Het was wel één groot feest om in het oude huis te zijn. Die leefruimte is onvoorstelbaar, je voelt je er vrijer door, ik schreef het al. In deze periode heb ik opvallend goed geslapen, wat een verkwikking! O ja, in de Ridderstraat ontdekte ik een koffiewinkeltje met een gesorteerd zitje voor passanten: Kaldie genaamd. Welnu, bij Kaldie verkopen ze truffels die je nog nooit hebt geproefd: zalig, mmmmm, te gek lekker en in allerlei smaken, ze bestaan dus niet alleen van vette room met een cacaopoedertje erop. Het is smullen daar, en de koffie is er goed en de thee ook al. Dan hebben we ook nog de deftige hondenwinkel van Rieke bezocht. Die vind je in de Vughterstraat, tegenover Pieternel van de Korput. Ze ziet er nog goed uit, onze Pieternel! Ben zó benieuwd of alles goed is in Zweden. Ik hoop het, ik hoop het.
![]()
Maandag 9 juli.
In Den Bosch beleven we deze dagen een mooie vakantie, aangenaam en verrassend. Het huis is groot, erg groot, te groot voor oude mensen, we moeten frequent de hoge trappen op en af voor een plas. Maar de heerlijkheid van ons oude huis in de stad blijft bestaan. In deze ruimte kun je alleen maar gelukkig zijn, tenminste, tegenwoordig wel, want vroeger had je andere dingen aan je hoofd en dat staat in geen verhouding met nu, nu de jaren tellen, ze onverlet voorbij zijn gegleden. In je oude ziel staat alles opgetekend en je hebt met het leven in al zijn kleuren en klanken leren omgaan. Ik bedoel dus dat de ruimte van het huis nu zo anders op je overkomt dan voorheen doordat je de ruimte in je oude levensdagen vrijelijk ondergaat, wat een heerlijke rijkdom evengoed – als je er gezond bij bent.
De 3 vogels zijn vandaag onder de douche gegaan, Lorita heb ik op mijn hand genomen en ze fladderde haar vleugels uit en bleef gezellig zitten; ik ervoer het als een weldaad door het vertrouwen van het oude, tamme beestje. Straks rijd ik terug naar den Bosch, want ik was even naar huis gegaan om de bloemen en de vogels te verzorgen. Het regent en dondert en de zon schijnt verstopt achter het wolkendek, maar de temperatuur is prima vandaag. Och, hoe verrukkelijk toch om morgen al wandelend de stad in te gaan, de oude binnenstad van Den Bosch. Ik plaats mijn gedicht van destijds, want het is op het Bossche stadsleven gemaakt:
De lach van de stad
~
Over de markt klinkt de lach
Van het lied van de beiaard
O, gouden klank die mensen leven doet!
Daar gaan ze voort, in rappe pas,
De lieden van de stad
En door de straten druist geroezemoes.
~
In smalle stegen dragen keitjes voeten
En kroegen geuren koffie, taart en gin
De bank Van Lanschot staat vol trots te imponeren
Maar ING laat ook gewóne mensen in
Chique winkels bieden stijl en curiosa
Soms kleine puien, prul en romantiek.
~
Doorheen de stad klinkt de lach
Van het lied van de beiaard
O, gouden wijsjes van weleer, zo schoon!
Daar zijn de mensen, zwarte rouw,
Die ter kerke trekken
Hun dode wacht de uittocht na de mis.
~
In de haven liggen honderd kleine boten
Het water langs de wallen kleurt lichtgroen
- Van kleine knoppen uit de treurwilg ontloken -
Langs d’oude vaart wandelt een heer in goeden doen
Richting bejaardenhuis, paleis voor d’alleroudsten
Want alles gaat voorbij, is nu en toen.
~
Langs de hemel klinkt de lach
Van het lied van de beiaard
Ook in de nacht luidt hij zijn gouden klank!
Stil slapen mensen naar de dag
Van morgen en weten
Van geen stad die bruisend zucht, kust en wacht.
© Ine Verhoeven Nijmegen
![]()
Woensdag 4 juli.
Het is weer een verwonderlijke dag, en het verwonderlijke houdt niet op, blijft ons overkomen. We waren bij Margarethe, die kleine pronte vrouw in haar piekfijne jurkje met de witte kraag. Breekbaarder dan ooit was ze, maar nog altijd levendig van geest, nog altijd evenwichtig van gemoed, nog altijd scherpzinnig op wat je zegt; ze verstaat je, herkent de dingen zoals je ze bedoelt, zal ik maar zeggen, al merk je ook dat de herinnering vluchtig is geworden, dat de gesprekjes korter worden, dat deze nog slechts van het moment zijn, en weer weg. Haar kapseltje was blauwgrijs gespoeld, heel chic, en ze was zichtbaar afgevallen, vooral in haar sprekende gezichtje. Ze eet niet meer zoveel, heb ik me door derden laten vertellen, maar dat geeft helemaal niets, denk ik, als je negenennegentig jaar en tien maanden bent. Zelf zegt ze nog een goede eetlust te hebben en als je haar mag geloven, eet ze de keuken van Het Hoge Heem arm. Nou ja, zoiets dan. We waren vanochtend rond 10 uur uit Nijmegen weggereden, kwamen rond 12 uur bij haar aan, het was file en regen, vrachtwagen na vrachtwagen werd gepasseerd, het woei en het was een onoverzichtelijke weg te gaan vanwege de opspattende regen. We bleven een uurtje bij Margarethe en zijn iets na 1 uur weer vertrokken. Om half 6 waren we terug in Nijmegen. Het was een zware rit en een even zware dag; het was bar en boos op de weg en de vermoeidheid die als een parasiet met me meeging, was niet gering. Maar we hebben het gered. Grote voldoening is ons deel. We hebben Margarethe bij het afscheid omhelsd, maar ze heeft ons niet meer nagezwaaid zoals we gewend waren, blijf maar binnen, het is te koud en te nat, zeiden we, maar beseften terdege dat het gewoon niet meer ging, dat haar vrolijke gewuif en haar Auf Wiedersehen in het vervolg niet meer zullen bestaan.
O, alles wordt herinnering, verwordt tot vaagheid en verre gedachten. Maar het leven is mooi, blijft mooi, het leven is ondanks alles altijd de moeite waard. En hoe goed is het de dappere moeder Margarethe in haar hoge ouderdom nog te weten, nog te kennen, nog te beleven. Ach, het gaat immers om het nú? Het is kome wat komt, maar leef je leven elke dag opnieuw bewust en gerust. Besef dat je er bent, want je bént er. Kom op!
![]()
Dinsdag 3 juli.
Mijn middagpsalm van vandaag heb ik gecomponeerd vanuit de hoopvolle verwachting én de evangelische ommekeer:
Nu hef ik de klaagzang op
Ik laat de treurnis achter me
De vreugde neemt de overhand
Ik laat het beste nog bestaan
Geen smart zal mij nog raken
Want God is goed, is enkel goed
Hij kleurt mijn leven rozerood
Hij vult mijn dagen vol met lief
En nergens is nog leed -
Want God is goed, is enkel goed
Ik hef de klaagzang op.
© 2007 Ine Verhoeven
Buiten valt de regen neer, de wereld is doornat zover ik kan kijken; binnen zijn de vogels, beschermd in geruste veiligheid wonen ze voortaan bij me. Hoe rijk kun je zijn? Ik dacht nog aan het gansje van Ria, waar is hij nu, is hij veel gegroeid en gaat hij mee met de boot als ze gaan varen op de plassen? Het is opmerkelijk aardiger in het leven als je met dieren bent omringd, los van de verantwoordelijkheid die je voor ze hebt, want dat is normaal, vind ik.
Hoe goed is het voor je ziel als je mensen hebt die om je geven. Je moet zuinig op hen zijn. En zij moeten zuinig zijn op jóú. Het is een wisselwerking die aandacht behoeft, wil je tenminste je mensen behouden, wil je tenminste elkaar behouden. Je kunt je hart hekelen aan het evangelie. Dan zit je goed.
Toen de organist de hostie weigerde omdat ik als vrouw zijnde die aan hem aanreikte, had ik medelijden met hem. Hij pleegde op dat moment een schisma, niet ik. Later hoorde ik vertellen dat hij in de Bossche priesteropleiding zit. We moeten, heus waar, bidden voor elkaar, we moeten inzicht en begrip hebben voor elke manier waarop mensen hun geloof uitdragen, we moeten ruimte scheppen en vrijheid bieden, gelijk we in de eucharistieviering telkens weer aan God vragen. We moeten de goede boodschap die we aanhangen niet alleen bebidden maar ook dóén. Precies zoals het bedoeld is: in de liefde, in de heilige, messiaanse liefde, zonder betweterigheid, zonder angstvalligheid, maar steeds piëteitvol naar elkaars inzichten toe. Alle mensen zijn verschillend, denken verschillend, doen verschillend, hoezeer ze ook in de basis hetzelfde zijn. Maar die ene viering met dat ene gebaar van samen aan tafel gaan, mag niet worden geschaad door een weigering vanuit een oordeelsmening. We zijn christenen, we willen allemaal Gods rijk ten beste voltooien. Dat uniforme feit staat altijd voorop. Het is heilig.
Maandag 2 juli.
Een ja hoor, ring ging de telefoon in de middag - hij gaat bijna nooit behalve in de middag, net als ik doodmoe in mijn bed lig. Als altijd ben ik blij dat ik (nog) leef, ook al ben ik wél te moe voor wat dan ook, soms zelfs te moe om te slapen, want mijn vermoeidheidssyndroom wijkt niet, nooit. Ik moet ermee leven en ik leef er ook mee, maar of het gemakkelijk is? Nee, het is een crime, het maakt je niet blijer. Het is minstens uitermate vermoeiend om met een chronische vermoeidheid te moeten leven, alsof je onverlet een onzichtbaar lastpak meetorst, dat de ene keer wat lichter is gevuld dan de andere, maar het is altijd te zwaar, het is altijd als een loden last onnuttig aanwezig, je doen en laten belemmerend; het drukt terneer, het mat af, het is als een lelijk monster dat je onbarmhartig tart, dag in, dag uit.
De zwaarte is er onverkort. Ook nu, ook gisteren, ook morgen. Je weet het en je aanvaardt het, beseffend dat je geen keus hebt en dat verzet je alleen maar moeier maakt. En dan ben ik telkens weer blij als ik in de middag eindelijk kan uitrusten van het harteloze moe zijn. Wie mij kent, weet ervan en houdt er rekening mee. Maar de belster van vanmiddag doet dat niet, ze trekt zich er weinig van aan, ze belt als ze eraan denkt te bellen, meestal onnodig, ook dat nog.
Haar rinkelende telefoontje hield me dus wéér van mijn portie middagrust af. Ben je dan hardleers of denk je privileges te bezitten, of ga je uit van een voorkeursbehandeling op anderen? Of vind je jezelf zó belangrijk dat je elke boodschap maar eventjes snel als dringend doorrinkelt, zo van: ik mag dat wel? Weet je, ik zou dat niet doen, je kunt je vergissen, maar ik zou dat toch niet doen. Van sommige vrienden wéét je dat ze hun middagdut nodig hebben en die laat je toch slapen op hun tijd? Het wordt je toch gezegd, geopenbaard, meegedeeld? Alsof het niet moeilijk is om toe te geven dat je ’s middags moet slapen. Geen (jong of oud) mens gaat er prat op, dat brom ik je. Wie ouder wordt, ziet het gedut van overdag met vreze als een lichte aftakeling, zelfs wel als de bode van de naderende ondergang, onontkoombaar.
Maar dan vertel je tóch dat je wilt slapen, en dan belt zíj je tóch weer uit bed. En het was niet de eerste keer. Enfin. Hoe moeilijk kan het zijn om er even aan te denken? Blijft staan, dat ik vanmiddag dus niet slaap maar wél in mijn dagboek schrijf dat ik het vervelend vind, en ook nog arrogant.
![]()
Zondag 1 juli.
Het is juli vandaag in alles. Het is juli vandaag in de lucht en op de grond, in de aardegeur en in de kleur van het water in de sloot. Bij Oortjeshekken zag ik de boten varen over de Waal, de bloemen bloeien in de Bisonbaai, de schapen grazen in de weilanden iets verderop en de mensen gingen over de hoge dijk en waren als sierlijke silhouetten tegen de avondzon in. Een ballonvaarder trotseerde de regenbuien die de zonnestralen tartten: het was kermis in de hel. We zaten op het terras tegen de hoge heg en onder de dichte bomenpartij, maar de regen verdreef ons tóch, we vluchtten onder een parasol die op dat moment tot paraplu werd. Over de dijk ging een vrouw met een hond, het was, ja echt waar, een borderterriër, een blauwe, zoals dat heet in die kleur. Er waren veel paartjes die lief deden, verliefd deden, het viel op, maar het is dan ook juli en vakantie en zomer toe.
In Zweden hebben ze het alle vier goed, ik kreeg een sms-bericht van Piet. Morgen is de grote dag, dan gaan ze in het huis, dan is de sleutel een feit. Ik zie het helemaal zitten. Maar zíj moeten het daadwerkelijk waarmaken, natuurlijk. Maar toch, míj voelt het helemaal goed zoals het is gegaan en zoals het is. Moge het zijn. Moge het zijn.
Zaterdagnacht 30 juni.
En alweer slaap ik niet, moe als ik ben, blijf ik wakker. Er is vast weer te veel aan de hand en dan komt je brein niet tot rust want je gedachten hebben het te druk met peinzen en overwegen. Er zijn wel heel bijzondere zaken gaande, moet ik zeggen. Ik ga niet álles opdissen, maar één ding zet ik toch als memorabele geschiedenis op papier: die kleine Flemming van ons is iets aparts, dat werd van hem gezegd vanaf zijn prille begin, dát wisten we allemaal dus allang. Ook dat hij een gouden stemmetje heeft en een sterk willetje en ook nog een heel lief karakter. En hij is behalve een zangertje ook nog een dansertje, een springertje, een slimmerdje, ja werkelijk, hij ís een heel bijzonder kind. Dat dachten we altijd hardop, zonder dat híj het hoorde. En het is nog niet zo gek gedacht, want welk joch van elf wordt uit de 170 jongetjes in aantal uitverkoren de hoofdrol te gaan spelen in een musical van Joop van den Ende?
Jazeker. Mijn jongste kleinzoon is gekozen en uitverkoren om Ciske de Rat te gaan vertolken in de gelijknamige musical van Van den Ende. Het is de planning dat hij, als alles Deo volente goed gaat, in augustus 2008 op het grote podium staat.
Ik geloof dat ik nu doorheb waarom ik wakker lig.

Op deze schoolfoto is kleinzoon Flemming nog een jaar of 9, denk ik.
![]()
Donderdag 28 juni.
Dan is de zomer er weer op een heel eigen wijze, met die iele, wisselende lucht en toch ook de vlagen van de warme zon erdoorheen. Het is te koud voor de vogels op het balkon, ze staan binnen in de wacht om naar buiten te mogen als de zomerwarmte het juiste peil bereikt. Ik denk dat het dagen zal kunnen duren, maar je weet het niet.
Bij dit weertype overvalt me een nostalgie die ik niet precies kan plaatsen, het zijn zulke herinneringen als wandelen langs het kanaal, struinen door de weilanden, liggen aan de Maas; ja, het was in de tijd van onbezorgdheid en jeugd, de tijd die nooit meer terug is gekomen; het is nog slechts de sfeer die schaars opduikt op zulke fris zomerse momenten als vandaag.
Toen we gisteravond bij Oortjeshekken richting de Bisonbaai wandelden, zei Phily: Dat dit nog bestaat! Ik bedoel hiermee de schaarste te kenmerken van de onovertroffen natuurlijke schoonheid van Gods gevende land. De wereld is mooi, wij mensen zijn de barbaren, de parasieten van God die de aarde onverkort plunderen. Toch zijn er nog mensen genoeg die haar willen beschermen en koesteren. Ik sluit me graag bij hen aan.
2 schilderingen heb ik van Caterina gekregen, en 2 schilderingen voor aan de muur. Rozen en rozen, en tulpen en Maria met haar Kind. Phily was er verrukt van: Wat móóí, zei ze, waar heb je die gekocht? Ik blijf ernaar kijken! Van Caterina gekregen. Geweldig, zei ze, kijk eens naar die gezichtjes, heel bijzonder. Ze had gelijk, ik had die gezichtjes al ontdekt op het eerste gezicht, en bijzonder, ja dat zijn ze. Je blijft er inderdaad naar kijken. Het is teder religieus neergezet en toch ook weer profaan moederlijk. Aan de zachte aura’s zie je dat het Maria met het kindje is.
De tomtom is gebracht en functioneert naar genoegen, het ding geeft rustigheid voor onderweg. Ik kreeg de helft van Olivier vergoed, geweldig! Jo bracht een draagtasje mee van de markt, voor 6 euro, ik gaf hem er 10 en hij hield het wisselgeld zelf. Ik zei toen maar: Voor ‘n kop koffie. Maar ik kan niet tegen gierige mannen, dat heb ik nooit gekund, en het ging een beetje scheef in mijn gemoed toen ik ook nog de koffie bij Oortjeshekken had afgerekend. Het heeft me wél aan het denken gezet, want Jo is al een hele poos in mijn ervaring een krenterige man. Jammer hoor.
Phily daarentegen bracht allerlei filmpjes mee van de kinderen, met foto’s en herinneringen aan alles wat was en nog is. Ze heeft me ook nog enorm geholpen met de tomtom die ze voor mij had geprogrammeerd. Zij maakte de dag van gisteren helemaal goed. En het is heel gezellig geweest, met een lekkere maaltijd uit de oven en veel gebabbel, ouderwets en vertrouwd.

Thea’s sterrenbeeld is Kreeft
Thea is jarig. Ze heeft het boekje van auteur monseigneur Muskens ontvangen en bedankte me per telefoon.
Lorita is dol op de vruchtensnoepstaaf die voor de kleintjes van haar soort in de handel is. Ze eet me nog ‘ns arm.
![]()
Maandag 25 juni.
Je kunt je leven plannen zoveel je wilt, het is het lot van hogerhand dat uiteindelijk bepaalt hoe het jou zal vergaan. De mens wikt, God beschikt.
Had ik ooit kunnen vermoeden mijn oude vogel terug te krijgen? Het is zó leuk met haar. Ze knapt zienderogen op, ze had vorige week zondag bij binnenkomst wat last van ongewisheid, ze was in de verdediging, logisch, ook een vogel voelt en ervaart en leeft de dingen die aan hem gebeuren, zo ook Lorita. Maar het is intussen alsof ze nooit weg was, ze is herkenbaar in alles, en ze steekt alweer haar kopje toe, ik mag haar in haar nekje krauwen. Ze eet met me mee, dreint steevast met haar stemmetje om een extra hapje als ik aan tafel zit. Het vergt denkwerk, want ik wil dat beestje gezond houden. Maar hoe ze dat stukje gekookte aardappel met haar snavel aanpakte, het voorzichtig naar haar voerbakje torste en het met zorg erin legde… toen at ze alles op, doodgemoedereerd en vertrouwenvol zat ze daar en at het stukje beetje na beetje op totdat het restantje uit haar klauwtje viel; je weet niet wat je ziet, ze houdt haar buit vast in haar klauwtje! Het vogelbestand in mijn huis vergt zorg en aandacht, maar het is de moeite waard, het biedt ontspanning en een lach op je gezicht, je wordt beloond.
Vanmorgen hebben Olivier en ik planten uitgezocht voor op het balkon. Het zijn vrolijke bloemen geworden, naamloos in mijn beleving, maar mooi en levendig genoeg. Ik zocht naar herfstbloemen, maar die vond ik nog niet. Die bloeien dan zo lang door als je ze vroeg genoeg neerzet, maar ze waren er niet.
Morgenvroeg ga ik naar de stad met Piet en Caterina, voor mij een feest, terwijl we alleen maar schoenen gaan kopen! Caterina heeft me haar rozenschildering geschonken, rode rozen, ik heb mogen kiezen. Morgen brengt ze de moeder met het kind mee, een werk met zachte lila tinten en wit, veel wit in tederheid neergezet als binding tussen moeder en kind, zo heb ik het gezien. Het is een mariale schildering, een knap stukje werk, ik ben erg blij dat ik het mag krijgen; wat zullen de herinneringen zoet zijn als ze eenmaal in Zweden wonen, daar ga je voor op de knieën, daar ben je dankbaar voor. Ik wel.
De uitslagen van de cardioloog duren nog een maand. Ik zal er maar niet bij nadenken.
Woensdag komt de tomtom. Phily heeft hem aangekocht en komt hem brengen, samen met Jo. Ja, je wordt langzaam maar zeker helemaal een mens van deze tijd. Waarom ook niet?
(Niet vergeten een nieuwe afspraak te maken met onze goede vriend Bernhard Speekenbrink, we ontmoeten elkaar als ik ergens in juli in Den Bosch met vakantie ben. Het is vandaag besproken en ik heb het toegezegd.)
Ik moet een beetje opletten, heb gemerkt dat een mens niet alleen van de stress gaat snoepen, maar dat hij ook van de vreugde zijn eetpatroon verlaat, in zijn vrolijkheid vrijer wordt in zijn keuzes en alles wil vieren met heerlijks en zoet, veel zoet. Ik zal het de Gewichtkijkers melden… preventief.
![]()
Zondag 24 juni.
In snel tempo gaat de vriendschap tegen de oude stroming ópwaarts, alsof er nooit iets was gebeurd waardoor onze harten werden gebroken en onze zielen waren getart. Het meest verwonderlijke in een mensenleven is de verzoening, die altijd nieuw leven geeft, opwekt tot perspectief, tot nieuw vertrouwen in elkaar én in de mensheid. Verzoening, een mens kan niet zonder, het is alle dagen onverkort aan ommekeer doen, want de mens is zoekende, trachtende, alle momenten van zijn lieve leven, het houdt niet op. Maar als het wonder van de verzoening je bereikt, en je hebt geleerd erin te geloven, dan is de vreugde alom: in de hemel en op aarde, zelfs in je eigen kleine mensenziel, en kan het grootser?
Met beloftes die tot niets leiden, kan niemand uit de weg. Ze zijn onvruchtbaar, lopen dood, want het was een belofte zonder ziel: daar sta je dan met de leegte van een vruchteloos gebaar, je hebt er een paar keer van mogen proeven en toen was het over, ook al zou het volgens zeggen gewetenvol duren tot ver in het volgend jaar. Ja, zo gaat dat met beloftes - en met mensen. Ik heb het vaker meegemaakt, heb mijn kast vol met beloftes, alle ondeugdelijk gebleken. Er kwamen alleen maar ruzies van. Blablabla.
We moeten ons bekeren, ik schreef het toch? Het is vandaag wel een mooie dag om dat te doen: het is het feest van Johannes de Doper. Hij riep op tot verzoening en bekering. En ik schreef in deze geest, ooit, dit gebed:
Herschep mij
~
Vandaag ben ik de mens nog die ik ben;
maar HEER, ik vraag u, herschep in mij
dat pure en dat mooie, dat wat aan mij
verloren ging door geesten van de tijd;
herschep mij HEER,
maak mij vandaag weer mooi.
~
Vandaag ben ik de mens nog die ik ben;
met het gezicht en met het hart van toen,
toen ik vervormd, en vervormd ben gaan
leven omdat, omdat, en anders nergens om;
herschep mij HEER,
maak mij vandaag weer mooi.
~
Vandaag ben ik de mens nog die ik ben;
maar HEER, ik vraag u, herschep in mij
het licht, leg in mijn hoofd een hart neer
van gedachten en win mijn ogen nieuw;
herschep mij HEER,
maak mij vandaag weer mooi.
~
![]()
Donderdag 21 juni.
Het is toch maar van een armetierige schaarste, zo’n website als de mijne trekt zó weinig bezoekers, al kan ik begrijpen dat niet iedereen zin heeft in al die serieuze taal. Toch is het jammer, er staat best veel op en er is variatie genoeg. Dat denk ik tenminste.
Het is mijn moeders verjaardag, vandaag. Haar gedenken houdt haar in leven.

Mama met Willem 1939
Lorita woont definitief in mijn huis, de ouwe vogel, ja, ze is intussen wel érg oud geworden. Toch blijft het leuk en de moeite waard om haar weer bij me te hebben. En de kleine birdies blijven er vrolijk onder, dat ook nog.
De lavendel staat weer op mijn balkon, ik kocht 2 potten vanochtend op de kleine wijkmarkt, ja, eindelijk weer lavendelgeur en kleur, ik miste het zo.
Ik heb van de week een oude man zien steigeren in zijn tanende macht, het was van de onmacht en van de oude hiërarchische normen die niet meer mogen gelden in onze tijd, het was mijn bedienaar in Sint-Frans en het was onlogisch van hem en onredelijk en zeer, zeer primitief, waarmee ik bedoel dat de ware capaciteit om een groep te leiden hem en zijn vice-bedienaar ontbreekt; ik schreef het hem ooit, over dat gebrek aan psychologie en zo, en dat heb ik geweten, en eigenlijk weet ik dat nog steeds. Het is allemaal geen goud wat er blinkt, zeker niet in de religieuze ordes. Ik houd mij voortaan verre van gesteggel, het is me genoeg aan gesteggel geweest in mijn leven, in de orde, in de familie, ik wil de vrede dienen, handhaven, neerzetten, laten bestaan. Maar de vice-bedienaar moet wél nog een beetje beschaving leren, hij werd in dat uur onredelijk agressief, iets wat niet thuishoort bij franciscaanse mensen. Maar ja, mannen zijn mannen, veel mannen zijn van huis uit haantjes, zij zullen kraaien, en geen enkele hen heeft of hoeft iets eraan toe te voegen, de stem die klinkt, is van hém. We moesten dan ook allemaal zwijgen, mochten niet doorgaan op het onderwerp dat helemaal uit de context werd gerukt, vooral, nee, júíst door hem. Tjonge. Het lijkt de Inquisitie wel. Een ouderwetse toestand, in ieder geval, die gevoed wordt door domheid en fout sentiment, en dat doen de mánnen… Onbegrijpelijk. Maar het zal mijn tijd wel duren, ik voed die ouderwetse mannenmacht niet; en ik zwijg er maar over. Toch heb ik dit incident noodzakelijkerwijs hier vastgelegd: voor de zekerheid, om te onthouden wat is geweest, soms kan het nog eens nodig zijn. Sybil kreeg een fikse dreun mee, ze was het kardinale mikpunt van de mannelijke aanval. Wat keek die vice-man boos! Hoe heeft hij het aangedurfd zich zó te laten gaan? Sorry, zei hij bij het afscheid, ik ging te kort door de bocht. Nou ja, toch nog iets. Ik zei hem niet meer boos te worden, voortaan, want waarom werd je zo boos? Dat is toch helemaal niet nodig? Ik kreeg 3 kussen op mijn wang. Ja, dat maakt dan toch weer veel goed. Och, we zijn mensen, allemaal mensen, alleen maar mensen. En we doen toch allemaal ons best. Met franciscaanse groet. Pax et Bonum.
De holter draag ik tot morgenvroeg, de cardiologische onderzoeken zijn geweest, het was vanochtend. Mijn hart is toch een stuk rustiger, hoewel er wat regelmaat betreft nog veel aan mankeert. Ik ben zo moe.
![]()
Maandagavond 18 juni.
Het was en is deze weken vooral bedrijvig in mijn huis: het betreft het gouden boek van pater Frans dat ik moet samenstellen en redigeren, het gaat om eten koken, bezoek ontvangen, het huishouden doen, de vogels verzorgen en wat nog meer? Vooral dit: het is feest in Huize Wolverlei, want de vrucht van geduld en vertrouwen kan worden geplukt en geoogst. Mijn geloof is sterker geworden want het Godsbewijs heb ik in handen middels de hoogste vrede uit mijn tijd. En mooier nog: de dagen worden getekend met liefde, onmogelijk gedachte liefde is waarachtig opgestaan en heeft zich gevestigd in ons aller harten. Het leven is goed. God is goed. De mens is goed. Laus Deo! Amen. Amen.
![]()
Woensdag 13 juni.
Overal bloeien de zomerbloemen en overal zingen de vogels. Het leven is goed en mooi, en heilige vriendschap opnieuw geproefd, is onbetaalbaar. In de warmte van de middag hebben we onze God geloofd, gedankt en toegezongen. Honderden mensen kruisen je pad in een enkel uur, maar elke ziel is uniek én van God en voor elke ziel is het de moeite waard te bestaan op Gods aardegrond, blijft uniek óók in de wereld van vandaag die aan de onverkwikkelijke chaos lijdt, je kunt het niet anders bedenken. Maar je vraagt je af of het doorgaat op de wijze zoals het nu overal te signaleren is, of komt er op een dag een onverhoedse ommekeer, zo’n herschepping en herschikking waar niemand op zit te wachten?
Pa en Cat gaan naar Zweden, het land is te vol, zeggen zij, ons kleine Nederland barst bijna uit zijn voegen met zoveel mensen, huizen, straten, wegen, auto’s, treinen; zelfs met al die drukke boten op de veel te volle rivieren. Ze gaan de ruimte opzoeken en de rust, want ook de mensen hier raken te vol in hun ziel en in hun hoofd.
Maar toch, de bloemen zullen bloeien, de vogels zullen zingen. Het leven zal goed en mooi zijn, hoe dan ook, waar dan ook, met wie of zonder wie dan ook. Ik geloof er heilig in, o ja, het leven is mooi, mooi genoeg.
![]()
Zaterdag 9 juni.
Voor mijn roze vriendin had ik bonbonnetjes gekocht, gisteren bij Den Otter in Den Bosch. Het was een kleine tegengift voor de pioenen, die grote rozenbollen, ook al in roze gekozen en gestuurd door haar. En met al die lievigheid wordt het leven inderdaad rooskleurig, en de kleur doet er toch niet toe, die kan ook wit zijn of rood.
Rode, witte of roze pioenrozen: dat is puurheid of vurigheid of enkel roze lievigheid uitgedrukt in de aan jou gegeven bloementuil.
Het was een snikhete middag in de binnenstad, gisteren, het was benauwd warm, ik had erg veel gelopen voor mijn doen en ook nog de Sint-Jan aangedaan. Er was een behoefte daarbinnen te gaan. Ik begaf me naar de Mariakapel, zoals altijd met enige weerzin, wellicht omdat je naar een beeld gaat kijken, ertegenaan gaat praten, een stuk gewijde steen gaat toespreken en het min of meer komt bevragen, want dat doe je immers met zo’n sacraal bezoek?
De mantel van het oude Mariabeeld vind ik agressief uitgevallen, met kerkjes en harde strepen als het kardinale dessin op moeders mantel, niet mooi, niet liefelijk, niet mariaal, behalve de stof die volgens mijn kennersoog van pure zijde is, die is wel oogstrelend in mijn optiek.
De kathedraal is nog altijd even hoog en even kil en even donker, en de drie mannetjes die daar achterin ter vergadering en bewaking stonden te koekeloeren naar de bezoekers om ze op fouten en wangedrag te betrappen, deden me als altijd hoogst onsympathiek aan. Dat noemt zich christen.
Ik had twee kaarsjes aangestoken, voor mijn liefste mensen, mijn dierbaren allemaal. Zou zo’n vlammetjesboodschap de hemel werkelijk bereiken?
Het regent vandaag. Het is een rustige dag vol grijsheid, maar dat vind ik niet erg. Mijn computerkamer is een rommelig hok geworden, ik zucht bij de aanblik van al die paperassen die overal rondslingeren en waarvan ik de herkomst en de inhoud niet eens meer weet. En toch, besef ik, hoef ik maar te beginnen met ruimen, dan is het snel genoeg netjes gemaakt. Och ja. In De muren hebben armen schreef ik in 1999 dit en het geldt blijkbaar nog steeds:
Pro memorie
Chaos ben ik, dacht ze.
Niks meer. Leeg hoofd.
Vegen op de ramen.
Smoezelige deur en
beslagen tegels op het
toilet. Paperassen uit
de laden, kranten op de
grond en brieven kwijt.
~
Chaos ben ik, dacht ze.
Weg mens. Leeg hoofd.
Geen kinderhandjes en
geen vlekken op de tafel.
Met nergens kruimels op
de grond en geen vogel
in ’n kooi. Leeg bed en
kussen niet verschoond.
© Ine Verhoeven 1999
Intussen breekt de zon door de wolken heen, moeizaam, heel moeizaam, maar hij wil het wel. Dan stort uit de hemel de regen neer - nog nét geen kermis in de hel - en een politiewagen loeit met hoge snelheid door de straten. Het leven gaat door, de wereld draait door, de mensheid telt haar generaties. Het mensengedrag zal altijd gelijk zijn.
![]()
Donderdag 7 juni.
Het is een oude feestdag vandaag, het visioen gaat 45 jaar terug naar het Raadhuis in Vught. Ik droeg een katoenen japonnetje, gemaakt door Magda, met paarse bloemen op een wit fond, en mijn lichtblauwe regenmantel had ik aan voor onderweg, die jas kwam van Modehuis Suisse dat toen nog op de Hogesteenweg was gevestigd. Ik weet nog dat ik lachte in dat ambtelijke uur: van puur geluk, want mijn droom kwam uit, de droom van hij en ik. Die droom bleef bestaan tot januari ’93, toen was het slaapje uit, de roes allang verdwenen en een nieuwe toekomst keek me aan, een nieuwe dag die nog altijd voortduurt, nooit gedacht, maar het gebeurde tóch. De herinnering verlaat je niet, die krijg je mee, voor altijd. En het is goed om terug te denken, om om te zien naar wat is geweest, maar niet te lang, want dan komen ook de beelden die je wilt vergeten tevoorschijn, niet doen! Niet doen!
En toch is het leven goed zoals het aan je geschiedt, ik kan niet anders zeggen. Ik voel en weet me rijk in alles, ondanks verlies, ondanks tegenspoed die iedereen van tijd tot tijd ervaart, uitzonderingen daargelaten, want mensen in altijddurende voorspoed, die bestaan ook.
Mijn innerlijk is geruster dan in de afgelopen tijd, nog niet perfect, echt niet, maar het gaat wel weer. Er is ook zoveel aan goeds gebeurd in deze weken. Het is me een zegen, de kinderen hebben een heerlijk huis gekocht, pa en zijn vrouw hebben vriendschap met me gesloten – een destijds niet te verwerkelijken droom die tóch is uitgekomen – en de toekomst lacht iedereen vriendelijk blij toe.

Vlak voor Patricia’s vertrek naar Zweden, woensdag 23 mei 2007.
Het nieuwe zal zich vooral in Zweden afspelen, daar gaan ze samen wonen, dicht bij ons kind. Ik zal de vogel opnemen in mijn stulpje, ben al drukdoende met plaatsmaken voor het groene beest: welkom jij, mijn oude papegaai, we zullen het goed hebben samen! En ik zal over jou verhalen in Beestenboel, van harte zal ik je beschrijven in de Lorieta-legende, want dat ben je al bij je leven: meer dan veertig jaar oud moet je zijn.
Ja, wie weet hoe oud die gevederde lachebek precíés zal zijn? Ze was al minstens 8 jaar toen ze kwam, en ze is ruim 32 jaar in onze familie, niemand weet hoe oud ze was toen ze haar intrede bij ons deed, goeie hemel, hoe verwonderlijk toch!
Het boek van pater Frans vordert gestaag, de feestplannen liggen klaar, we zullen ons voorbereiden op een mooie middag, laat in september, en Deo volente gaat alles door.
Deze zomer is verrukkelijk. We hebben de dijk van Ravenstein tot Alfen overwonnen met de auto, we hebben genoten, zijn de Maas overgestoken in Megen en lunchten een lichte maaltijd op de hoek van het Alfense kruispunt, toen voeren we over naar Oyen, het was op zondagmiddag. Soms denk ik dat we in een kneuterig landje wonen, maar dan beleef ik alles om me heen weer als heel erg mooi en wijd. Het waarderingscijfer wisselt gevoelsmatig, het komt ook door de kleine geesten die je ontmoet, die je ook benauwen, het zijn er veel meer dan ik hoopte. Soms ervaar ik de engte tussen mensen te hevig, terwijl we toch allemaal ménsen zijn, mensen met dezelfde basis en dezelfde levensbehoeften. Och ja.
Mijn getrouwe Sybil stuurde me een enorme bos roze pioenrozen wegens ons 10-jarig bestaan in het elkaar kennen. Ik had haar geïnterviewd voor het Franciscaans Maandblad, vandaag 10 jaar geleden. Ze belde me daarna in franciscaanse sferen op, ik woonde destijds in Den Bosch, omdat het vooral harerzijds klikte en ja, het is altijd een opmerkelijke romance gebleven, ondanks de grote tegenpolen in karakter en denken en doen. Wél een mooi ding.
Voor eerdere dagboek geschriften zie "Archief Dagboek"
Dagboekaantekeningen woensdag 30 mei t/m 3 juni.
Wat wil een mens anders dan gewoon gelukkig zijn, niet opzienbarend, maar gewoon gelukkig? Dat kan, als je op goede voet staat met de mensheid om je heen. Hoe heerlijk is het niet voor je gemoed als je goed bent met hen die je na aan het hart liggen? Je doet je uiterste best om a.h.w. met iedereen een feestje te kunnen vieren, en om samen te kunnen rouwen als het moet, zo is het toch? Maar er zal altijd de teleurstelling bestaan, ik denk wel voor alle mensen, van een enkele narrige ziel die jou niet mag, die jou niet aankijkt, die niets van jou moet hebben, zelfs bevooroordeeld is door helemaal niets en jou, als de mens die je bent, hardvochtig wegwijst: het gebeurt in elk mensenleven, en vaak genoeg.
Hoe komt dat? Komt het door bepaalde karakters die elkaar negatief aanvoelen en elkaar niet willen? Door een van nature ingebouwd afweermechanisme naar de ander toe, misschien? Door levensgrote jaloezie die in princiep niet te overwinnen valt? Het gebeurt bij de mensen, maar ook zie je het bij de dieren bestaan: Wie ben jij? Ik ken jou niet! Hup, weg met jou! Wegwezen! Honden, katten, paarden, bokken & geiten, herten, apen, noem maar op; enfin, de meeste dieren vertonen bij een eerste kennismaking dat wegwijsgedrag wel. Maar de mens, wat doet hij ermee? Nou gewoon, die groeit er maar niet overheen, hij roemt zich om zijn cultuur, zijn educatie, zijn intelligentie, zijn gelovigheid, zijn godsvrucht, zijn bijbelkennis, zijn menslievendheid, zijn goede wil… maar over het ingebouwde wegwijsgedrag tegenover de vreemde eend in de bijt komt hij niet heen, hij selecteert en is er zeer nauwgezet in, telkens weer, hij kan niet anders. Soit.
Toch moet de mensheid gezamenlijk zo harmonieus mogelijk verder. Toch moet iedereen ten beste willen samengaan, alleen al voor de lieve vrede van de hele wereld; om díé vrede te laten opgroeien, doorgroeien, om díé vrede waar te maken zal de mensheid elkaar minstens medemenselijk moeten bejegenen. Jules de Corte zong onder meer zijn gesigneerde regel: en we zijn al zo lang onderweg naar de vrede toe. Ja, we blijven denkelijk altijd onderweg naar de vrede toe. We zullen de volmaakte vrede nooit bereiken, altijd zal het geschil bestaan. Dat neemt niet weg dat we desondanks de vrede zullen nastreven, op onze verlanglijst laten staan, liefst bovenaan. Weet je, een mens heeft vrede nódig. Het is geen leven voor hem als de vrede weg is, als de haat en de onrust zijn hart teisteren. Het is ook geen leven voor een mens om de ander iets aan te willen doen, zijn hart zal vol onrust zijn en zijn ziel zal knarsetanden van ellende. Wat een hels beeld, maar dat is het ook: hij maakt zijn eigen hel op aarde met haat en afgunst, met strijd en onmin, met achterklap en jaloezie, met moord en doodslag. Hoe erg kan een mens het maken voor zichzelf en voor de ander?
Vanmorgen zijn we naar Sionshof geweest, het hotel met zijn grand café ligt tegenover de Nebo, het is een prachtige ambiance in rustieke sfeer, binnen en buiten, echt heel mooi. Het zal de feestlocatie worden voor het gouden priesterfeest van de redemptorist Frans Boddeke, het zal in het najaar zijn. O, dan hoop ik dat zo’n uitgesproken feestdag de mensenzielen laat lachen en juichen, blij laat zijn en dat we daardoor allemaal een stapje dichter bij Gods vredesvuur komen te staan, dat we bijbels met elkaar zullen samenzijn, oprecht evangelisch samen zullen feesten, en dat we dan later in de vrede en de liefde van die heilige dag ons pad mogen vervolgen, dat het samenzijn helend zal zijn naar lichaam en geest, voor mijn vriend pater Frans die zijn vijftig gouden priesterjaren uitermate evangelisch heeft ingevuld, trouw aan zijn gelofte en trouw aan de HEER, en daarmee trouw aan iedereen die hij in de HEER ontmoet heeft, ooit en vandaag nog altijd. We zijn allemaal vrienden met elkaar, het is niet moeilijk om goed te zijn in zulke mooie uren, maar mooier zou het zijn als vanuit zo’n hoogstaand feest de ware vreugde van de herkenning van medemensen blijft bestaan, een vreugde die niet vervaagt maar houdbaar blijkt te zijn, houdbaar ten einde toe, naar iedereen toe: een medemenselijkheid, onuitroeibaar voor alle naties en rassen. Zoals in de Apocalyps?
Ja, het is missiewerk, en dat zal het vredesideaal altijd zijn, hoelang werken vooral de religieuze mensen er al niet aan? Eeuwen en eeuwen en eeuwen lang proberen ze vrede te brengen, te preken en te doen. Wat is een mensenhart beperkt, eigenlijk, want hoe snel kan ikzelf niet dichtklappen als ik me ongelukkig voel en miskend weet? En hoeveel misstanden komen er niet voort uit onderlinge onbegrepenheid? En hoe onnodig is het allemaal? Hoe onnodig ook is het lijden aan elkaar? We moeten niet lijden aan elkaar. We moeten goed zijn met elkaar. Als het echt niet lukt, schud het stof van je schoenen, hef je hoofd op en ga een ander huis binnen waar men wel vriendelijk met je is… maar bewaar de vrede. Moeilijk hoor, de ware vrede te vinden en te dóén. En toch moet je doorgaan met ernaar te zoeken, doorgaan met het vervolmaken en het volbrengen van de christelijke leer, en ik bedoel: de wáre christelijke leer die de naastenliefde op één lijn stelt met de liefde die je hebt voor God. Vrede. Je zou jezelf en de mensen om je heen tekortdoen als je je vredesmissie staakt. Ik denk het echt.
Het nieuwe boek van Frans vordert. Het is een hele klus, maar het komt eraan. Wat zal het worden? Een mooike of een braafke? Of allebei? Het is tóch telkens weer spannend, zo’n nieuw boek. Maar ik weet wel dat het een echte Boddeke wordt, raak en verrassend. Is dit geen mooie gedachte, geen heerlijk perspectief?
Op mijn balkon staan de potten met rozen, de roze en de rode rozen, o heerlijkheid van de zomer, de rozen. Op de salontafel staan de hardroze pioenrozen, ze breken uit hun knoppen en ze zijn onweerstaanbaar voor het oog, zo schoon, zo schoon! Ik heb het alleen al druk met naar al die bloemen te kijken, en ik raak maar niet uitgekeken. De schoonheid!
Zusje Tonnie wordt vandaag 77 jaar, ik telefoneerde maar er werd niet opgenomen. Ik heb haar nog een paar recente familiale foto’s gestuurd, het zal de moeite waard zijn; dit ter memo.
Donderdagnacht 31 mei.
Ik lag tamelijk vroeg in bed en wat gebeurt er weer? Ik lig wakker. En nu schrijf ik dit om 0:53 uur. Ja, wakker liggen. Er is ook veel te veel te denken. Hot news was de crime met de drugs en de HIV-besmetting, die een bepaalde groep mensen in Groningen op anderen toepast om onbeschermd seks te kunnen hebben met elkaar. Het lijkt wel een terreursekte die tekeer gaat in een nieuwsoortige horrorfilm, of een soort Frankensteinmonster dat is opgestaan om in de 21ste eeuw alweer met morbide interventies zijn gruwelen uit te voeren, de dood te verspreiden, want dat is wat er gebeurt in ons Nederland van vandaag. Wereld, wat is er gaande met jou? Chaos, denk ik, grote mentale chaos. En de mensheid raakt gestaag verziekt. Is er dan helemaal niemand bij machte de moderne terreur van de criminele geesten in deze wereld, om die terreur op de alledaagse mensenziel te stoppen? Ik probeer weer te slapen.
Donderdagochtend. De lucht is grijs, in de keuken staat de pan met stoofvlees op het vuur te pruttelen, buiten bloeien de rozen voort en de geraniums doen lustig mee, het is een feestje op mijn balkon, vooral toen het roodborstje aan kwam vliegen en neerstreek tussen de bloempotten en verder hipte om te zoeken naar, ja naar wat precies? Hup, daar ging hij opwaarts om een kijkje te nemen in het balkontuintje van de bovenburen. Er lagen hier geen kruimels voor hem.
Donderdagavond. Je kunt over de vrede schrijven, in je dagboek en in je brieven, zoveel je wilt; je kunt uitleg geven aan wie erom vraagt van wat je ten diepste beweegt, zoveel je wilt; je kunt je verdedigen in een conflict, al wat je wilt; je kunt hopen bij een meningsverschil op begrip en inzicht van wie dan ook, maar dit ene staat als een paal boven water: als de liefde er niet is, als de boosheid wordt gevoed, dan houdt alles op. Je kunt je dan maar beter omkeren en verder je eigen weg gaan, zonder poespas, zonder gedoe; en wens je vijand de innerlijke vrede toe, maar doe het in stilte en doe het oprecht. Geef de tijd de ruimte zodat hij ieder genezen kan. De tijd heelt alle wonden, niet jij, niet ik, niet wij, niet zij, er is alleen maar de tijd die leed en gekwetstheid genezen kan.
Vrijdag 1 juni.
De zomerzon weerkaatst zijn warmtelicht op mijn balkon en over de stad, het is een weldadige zomermorgen. Ik moet de cirkel doorbreken van de mensen met het onbegrip, het betreft de aantekeningen van april over het Bloemendaalse incident. Sommige mensen menen dat je niet het recht hebt je ervaringen neer te schrijven in een publiekelijk dagboek, ik weerstreef die mening ten volle. Op valt dat het wél de mensen zijn die zich aangesproken voelen door wat je opschrijft over wat jij meemaakte in hún bijzijn. Dan hoor je: Ik ben diep gekwetst. En dan zeg ik: Je moet lezen wat er wérkelijk geschreven staat, je moet je emotionele bijgedachten niet voeden maar bij de féíten blijven. Lees wat er staat en hoor wat er echt wordt gezegd; en doe er iets goeds mee. Veel mensen kunnen niet lezen en veel mensen kunnen ook niet luisteren, het valt me telkens weer op. Dat is jammer, want er gaat op die manier veel aan goeds verloren, ook aan opbouwende kritiek, want die opbouwende kritiek wordt vaak als een persoonlijke aanval gezien, en nog dit: veel mensen lezen slechts een enkel woord en halen het uit de context, en dan? Daar gaan we weer, daar gebeurt het weer: ongenoegen en boosheid, onbegrip en opgefoktheid, ja alles wat niet nodig is, niet mooi is, niet bedoeld is, geen enkele levenswaarde toevoegt, ja daar gaan we weer, wegglijdend in het geijkte denkstramien van de domme, de primitieve, de verhitte mens – als je niet oppast tenminste. Je ziet het allemaal gebeuren, als in een déjà vu. Het is geen fraai moment als je tegenover een volgeschoten mens komt te staan, een mens, volgeschoten met woede en onredelijkheid. Ja zie je, die woede lost niets op, verergert de situatie die onverhoeds en ongewild is ontstaan, want ik heb geen woede beoogd, ik streef wél de vrede en de goedheid na, maar ook wil ik de waarheid laten bestaan. Bij de waarheid hoef je niemand te ontzien, want de waarheid ontziet jou ook niet. De waarheid is goed voor je ziel, voedt op, laat zien waar het om gaat in het leven dat je leidt met elkaar en dít is het hot item: heb elkaar lief en genees elkaar van de pijn en de teleurstelling die zijn ontstaan door wat dan ook; en kijk daarbij in de spiegel van alle partijen maar vooral in die van jezelf. En ja, ik ben het eens met Paulus in 1 Korinthiërs 13: als ik de liefde niet heb, ben ik niets. Eigenlijk is dat ene stukje geschrift van hem in al zijn eenvoud een geweldig erfstuk voor het hele mensdom: Als ik de liefde niet heb… ben ik niets.
Zaterdag 2 juni.
Het is een ongekende sensatie te beseffen dat binnenkort de halve familie in Zweden zal wonen. Perfect. Het is ook een zaligheid te weten dat de onderlinge verstandhouding al lange tijd uitermate goed is. Het is een zegen en, althans voor mij, een heel grote zegen. Pa heeft een heerlijk huis gekocht nabij Stockholm, hoe wonderbaarlijk kan het met je gaan? Ze zullen er deze zomer al helemaal wonen. Ze gaan Zweeds leren en door het land trekken; en bij onze dochter wonen, op tien minuten loopafstand. Wie denkt dat wonderen ficties zijn, komt in dit geval bedrogen uit, alleen al het feit dat hij samen met Cat gekozen heeft om naar Zweden te gaan, mag als een wonder worden geboekt. Het overtreft de stoutste verwachtingen, de stoutste dromen, dus is het een wonder, in mijn optiek. Moge het hen goed gaan, heel goed, mogen ze nog heel lang leven in een goede gezondheid en met blijdschap. Op Lorieta wordt gepast, voortaan, door mij. Ze zal volgende week bij me intrekken. Lieve mensen, ik wens jullie allen Vrede & Alle Goeds! En het kaarsje brandt natuurlijk. Je weet maar nooit waar het goed voor is.
De viooltjes die ik goed zou verzorgen, hangen vanavond op half elf. Het is te warm voor ze geweest, ik heb ze nog flink wat water gegeven en hoop op een verrijzenis, maar het ziet er somber uit zoals ze erbij liggen. Best vervelend voor de buurtjes, als ze van vakantie thuiskomen, zien ze meteen dit verdrietje.
Zondag 3 juni.
Onze paus is een zeer representatieve figuur, wie ziet het niet? Hij heeft vanmorgen vier mensen heilig verklaard in Rome, het was indrukwekkend genoeg. We hebben als roomsen wel een deftige kerk, een kerk met stijl en standing. Het is weer chic om katholiek te zijn, stond een tijd geleden te lezen in De Bazuin, nu Volzin geheten. Als je dat alles zo ziet en ervaart zoals vanmorgen in Rome is het wel erg wáár. Wat de heiligverklaring betreft: ik houd niet van heiligen. Het leven van een gewone mens wordt opgeklopt, zijn daden krijgen een onnatuurlijke glans, zodanig hoog opgepoetst dat de waarheid ver zoek is. En dit: er zijn nog zoveel ononopvallende heiligen onder ons, echte heiligen die hun heil brengen aan de mensheid zonder dat ze opvallen, ze doen het gewoon, het is hun tweede natuur: gewoon goed zijn voor mens en wereld en daardoor dien je God. Heiliger kan het niet, dunkt me. Maar zo’n heiligverklaring heeft natuurlijk iets heel bijzonders en ja, het zet je wél aan het denken. Wellicht geeft het mensen een nieuwe impuls om steeds het goede, God, te zoeken en Hem ter heiliging van de mensheid uit te dragen. Het is een merkwaardig rijk, dat komende rijk van God op aarde. In Etty Hillesum lees je ook over heropbouw van ingestorte steden: als over een nieuw koninkrijk dat komen gaat na de algehele vernietiging van haar volk in WO II. Mensen behouden hun goede moed en hun vertrouwen in een betere wereld, ja, wie niet? Toch is het mooi om bij deze kerk te horen, en je kunt je altijd distantiëren van de dingen die je niet kunt delen en die zij onverbiddelijk uitdraagt, al zijn het er weinig, gelukkig wel. Verschil van mening is gezond voor een evenwichtige samenleving, mits er met respect mee wordt omgegaan. Anders is het weer een reden tot strijd en met strijd, tastbare strijd, win je niets en niemand. Daarom zijn we onderweg naar de grote vrede, de wereldvrede. Wij zullen het niet meemaken, onze kinderen ook niet, al zal het er eens van moeten komen: vrede overal. Als je daar niet in gelooft, waar zul je je dan mee troosten? Ik denk: met vrede in je eigen kring. Die is een eerste vereiste. Maar de praktijk laat zien hoe scheef het kan gaan, en ook gaat, alleen al tussen enkele mensen onderling. Het is vallen en opstaan en met goede moed verdergaan. Het is moeilijk, zeg ik, het is bijna niet te doen. Blijf maar bidden en hopen dat je het verdragen kunt die moeizame weg naar de vrede te gaan. Ben je dan eigenlijk al geen heilige, als je dat volhoudt tegen alles in? Het leven is goed, dat mag geen mens vergeten. En kome wat komt. Laus Deo! Amen.
![]()
Maandag 21 mei.
Het is altijd bijzonder om weer in de Brugstraat te zijn. Ik was opgeroepen om op de jongens te passen. Terwijl ze film kijken - Conner hangt daarbij half op de bank en de kleine Flemming leest tussendoor iets voor op een of ander voor mijn idee onbestemd modern apparaatje - poog ik de memorabilia neer te schrijven van vandaag. Het zijn er vele, alle klein van formaat maar groot in mijn beleving.
Henk heeft gebeld, en hij stuurde per digitale route de directe foto’s op uit de studio van RTV Noord, mooie foto’s van Vivien, Andreas, Mark-Peter en Patricia, en ook van zichzelf en van Karel Oosterhuis die het programma verzorgde. De wereld wordt steeds kleiner, alleen al door de sublieme techniek. Henk en ik hielden vervolgens een diep gesprek over enkele medische menselijkheden, die niet door iedereen worden verstaan. Zo ontstaat weer een zielscontact, al is het op afstand. Als je zo’n gesprek ontleedt, wordt het een verwonderlijk gegeven, omdat je het voerde met iemand die je nooit hebt gezien. Het moet een herkenning zijn van binnenuit. Het gebeurt wel vaker dat mensen hun ziel aan je prijsgeven. Zelf ben ik de meeste tijd ook een open boek, dat ben ik altijd geweest, gewoon omdat ik vind dat mensen allemaal mensen zijn, met dezelfde beproevingen en dezelfde ervaringen, met dezelfde hebbelijkheden en dezelfde onhebbelijkheden. Met dezelfde kansen op vreugde én op verdriet. De een wat meer, de ander wat minder, maar mensen verschillen niet in hun oer. Wat zul je je schamen een mens te zijn, met het menselijke gevoel en het menselijke weten der dingen?
Ik was moe, vandaag, moeier dan moe. De onrust giert af en toe door mijn lijf, niet te herleiden, ondefinieerbare onrust, mijn hart is van slag. En toch, ik heb mijn zegeningen geteld, het waren er veel. En ook, een mens kan niet altijd rechtop lopen, zal ik maar zeggen, een mens heeft recht op een beetje afglijden, op een beetje meer voor zichzelf, van zichzelf, op een sabatical time, op een tijdje helemaal niets, ik denk het heus. Maar hoe moeilijk is het jezelf te herzoeken, en te hervinden als je zo intens moe bent! Als je bij je moeheid je huishoudentje moet doen, en wat allemaal nog meer, want alles gaat gewoon door, ook in het leven van één persoon. Enfin. In ons land is het nog goed voor de mensen geregeld, hoe dan ook. Als je in de marge belandt, is het een ander verhaal, natuurlijk, maar doorgaans is het in ons landje niet slecht voorzien. Ik schreef het al, ik telde mijn zegeningen, dat wil ik benadrukken, en blijven doen.
Patricia belde vanuit Groningen op. Of ik morgen naar Barneveld kom, naar de regiostudio voor de live opnames en het interview met Vivien? Ik weet het nog niet, het ligt aan mijn conditie. De Pasar Malam in Den Haag is ook wel aanlokkelijk, daar treedt Vivien morgen ook op; maar S. reageerde weer eens niet op mijn digitale invitatie, ik had er morgenvroeg met haar naartoe willen gaan, of haar daar willen treffen. Het hangt niet van háár af waar ik ga of sta, natuurlijk niet, maar Patricia had S. via mij uitgenodigd en nu gaat het samen-uit-plannetje met S. alweer de mist in. Enfin, er zijn nog veel meer zegeningen en dit is echt niet erg, wel een beetje onhandig dommetjes, en het lijkt onderhand op een kat-en-muis-spel. Intussen is het buiten aan het donkeren, ik ga de kleine man naar bed brengen, Conner mag nog even opblijven, maar de kleine moet echt gaan slapen. Ben benieuwd of het vlot zal lukken. Het is heel bijzonder, de kleine jongen naar bed brengen in dit grote, oude huis, waar ik destijds mijn eigen kleine jongen naar bed bracht, mijn kinderen allebei, ze scheelden maar dertien maanden, dus gingen ze samen tegelijk naar boven, hun bed in. Merkwaardig is het wel, hoe je steeds later in de tijd zulke momenten met je kinderen scherper terugziet dan ooit tevoren. Alsof het ouder worden je geest prikkelt naar de herinnering toe, misschien doordat de toekomst geen bloeiperiode meer biedt, geen ver uitzicht meer heeft? Het is de tijd van oogsten, ik schreef het al eerder op, de ouderen mogen oogsten wat ze hebben gezaaid en geplant, hebben gekoesterd of niet; wat ze hebben teweeggebracht aan goeds - en de nare onderdelen van je leven wis je ook niet uit, de narigheid die je beleefde, blijft realiteit; je kunt iemand vergeven wat die je aandeed, maar alles is wél gebeurd, heeft zich wél gevestigd in jouw leven in het negatieve, helaas. Ik denk hierbij aan de woorden van mijn oude moeder: Het is voorbij, ja, maar het is wél gebeurd, er valt niets meer aan goed te maken. Het werd voor mij een gouden regel van haar, zo’n zinnetje om te koesteren, om iets goeds mee te doen, al is het voor onze nazaten, al vertel je het hun gewoon maar door. Ieders leven houdt lessen in, grote en kleine levenslessen, ook om door te geven aan wie na hem komt: denk na bij wat je doet en houd van elkaar, beschadig elkaars leven niet, nooit. Ook zulke eenvoudige, maar waardevolle inzichten zijn de vruchten die we in onze late natijd mogen oogsten en proeven, en uitdelen. Het leven is helemaal goed.
Zaterdag 19 mei.
Daar komt het vliegtuig, zei pater Frans, en ik veerde op om te kijken en te zien, en ja, daar laag in de lucht vloog het toestel, en ik wist het vol mensen, en ik wist er mijn kind binnenin. Het deed me wat, ik schoot vol tranen en mijn ontroering droeg ik nog even met me mee, wat een fenomenaal verschijnsel, zo’n toestel met vertrouwenvolle reizigers in de hoge lucht, dat langs je vliegt en neerdaalt, rijdend verdergaat en stopt, om even later weer te starten en dan zachtjes maar gestaag aan te komen glijden over de landingsbaan. De deuren gingen open en het vliegvolkje kwam naar buiten, over de uitgerolde trappen naar het platvorm. Er werd gezwaaid, verheugd geroepen, en het ging van: Is ze dat? En daar kwamen ze, Patricia de manager, zangeres Vivien met haar countryhoed en Andreas, de gitarist. Het was een hartelijk weerzien en een fijne kennismaking van het muzikale trio met Philyzus en haar familie: Mark-Peter, Inge, Dennis en Carlijn. En Jo was ook gekomen. Wat zagen die twee kleintjes er weer schattig uit, in kleertjes door hun mama gemaakt, gewoonweg haute couture. Ik genoot. Ik genoot van alles. Even tevoren had ik het gepresteerd om weer een akelige verslikking te ondergaan, waarin eigenlijk? Een lieve vrouw klopte al passerende op mijn rug terwijl ik zat te happen en gieren van de luchtdichte benauwenis, ik weet nooit of ik het red, bij zo’n intense aanval van afsluiting van mijn luchtwegen. Het gebeurt wel erg vaak. Maar ik kan het nog navertellen, dus ik kreeg weer lucht en adem. Het was wel gek, ik genoot extra van het leven op het moment van weerzien. Wat zo’n aanval nog meer met je kan doen dan schrik aanjagen en je met doodsgevaar confronteren. Och ja. We hebben de aankomst en de ontmoeting hartelijk gevierd in De Mistelhoef. Ik heb het volste vertrouwen dat dit verblijf zal slagen. Mark-Peter gaat het drietal gericht en op tijd door Nederland rijden, naar alle adressen voor interviews en optredens; ik vind het fenomenaal, wat een vriend! Het is een zorg minder, want in een huurauto in haastigheid over de Nederlandse wegen gaan, is niet te doen. Het is een regelrecht geschenk, dat aanbod van Mark, en misschien is het ook wel van de hemel gezonden. Je zou het bijna gaan denken.
Vandaag is mijn rustdag, ik sliep tot 12 uur in de middag, het was broodnodig. Met een beetje poetserigheid in huis kom ik er wel, deze zaterdag, de roze rozen staan nog altijd fier, ze staan al ruim een week, verwonderlijk lang. Vivien was vanochtend te horen op Omroep Brabant in een interview en met twee liedjes, wat is dat een leuke ervaring! Ja, haar promotiedagen zijn gestart, en alles gebeurt in Nederland, wie had dat ooit kunnen denken? Ik niet.
![]()
Vrijdag 18 mei.
Een merkwaardige datum, met merkwaardige memo’s en ook nog met toekomstverwachtingen die niet mis zijn. Vandaag zevenenvijftig jaar geleden deed ik mijn eerste communie in een sneeuwwit jurkje met ruches en geborduurde bloemetjes, het jurkje is er nog, niet sneeuwwit meer, maar gekleurd door de tand des tijds en door mijn moeder ingekort toen ik een jaar of negen was, ik groeide hard en wilde toch graag bruidje zijn bij de processies in de stadse parochie Sint-Cathrien, dus werd het jurkje omgetoverd tot een kort exemplaar, toch nog lang genoeg, en ik kon het nog een hele poos dragen. Op Liesbeth’s kleine, houten hangertje, dat ze beschilderd heeft met ongewisse maar schattige bloemetjes, hangt het in de gang van mijn appartementje te pronken, want ik vind het jurkje nog steeds mooi genoeg. Dat is een memo die ik bewaar, de tweede is de verjaardag van broer Nic zaliger, die me een sterkere verbintenis gaf met hem juist door het samenvallen met de dag van de eerste communie. Wat een mensenkind toch allemaal beleeft in zijn/haar kleine innerlijk door zulke feitelijk onbelangrijke dingen. De derde memo is Patrick's geboorte in 1966, de vierde memo is Berty’s sterven in 1993. Er zijn nog meer sterke memo’s m.b.t. 18 mei, maar die schrijf ik niet op, die onthoud ik liever zo. Nu hoop ik dat al die memo’s toekomstig geluk willen geven, soms is een bepaalde dag in de familie een gesigneerde dag, in ieder geval is de dag van 18 mei variabel gesigneerd voor Patrick, mijn neef.
En vandaag komt Patricia over uit Stockholm, samen met de countryzangeres Vivien Searcy en haar ‘guitarman’. (Kijk voor informatie bij www.ragdollproduction.com of www.viviensearcy.com) Ze gaan door het land trekken voor optredens o.a. bij een countryfestival in het noorden en voor verschillende interviews bij de radiozenders in de diverse regio’s, en ze treden ook op in Turnhout, België, dat is morgenavond. Het is alles bij elkaar genomen een hele belevenis, in ieder geval voor moeder zelf, voor mij dus. Als moeder blijf je behept met zorgdragen voor je kinderen, dat zal zo zijn tot de laatste snik, of laat het een zucht zijn. (Hoe komen we toch aan al die uitdrukkingen, die begrippen, die ‘slangs’, zoals ze heten in het Engels? Het is best interessant. Ga de spreekwoorden maar eens na, je komt van alles wat tegen, soms bijna niet herleidbaar.) Maar ik hoop en bid dat ze een mooie tijd zullen hebben in ons landje, en dat ze hun missie goed en naar tevredenheid mogen volbrengen.
Vanochtend vroeg vond ik de broodtrommel leeg, snel naar de Coöp gegaan, brood gehaald en nog wat boodschappen gedaan en bloemen gekocht voor het driespan, ter opvrolijking en begroeting als het vanmiddag arriveert op Welschap. Ik wens hen een goede vlucht toe, een goede reis, een veilige landing. Ik hoop dat ik fit genoeg ben om de bloemen persoonlijk aan te kunnen reiken.
De foto van Asha en haar moeder heb ik uit de Margriet gescheurd en ingelijst; vanaf de muur van mijn computerkamertje lachen ze me vrolijk toe. Een fijne memo aan twee mensen die me dierbaar zijn. Tot zover mijn aantekeningen van deze morgen. Ze komen literair inhoudelijk gezien misschien over als niemendalletjes, maar ze zijn heel waardevol voor mij.
![]()
Woensdag 16 mei.
Toen belde Paul af, we waren met te weinig mensen om in franciscaanse zin vanmorgen samen te komen, te mediteren en de eucharistie te vieren. Ik vind het regelrechte flauwekul. Ook zou het weer te slecht zijn, al was het pas half 8 in de morgen toen hij afbelde en dat slechte weer behelsde een beetje regen, soms iets meer, verder niks. Ik denk dat de reden dieper gaat dan ‘maar 6 mensen’ en ‘het slechte weer’. De bijeenkomst afblazen betekent in mijn optiek niet veel anders dan alweer een gemiste kans om nader tot elkaar te komen. De praktijk heeft me geleerd, dat het soms heel goed is als een georganiseerde groep een keer ietsje kleiner is. Maar ik heb niets te zeggen, dus ik zwijg verder maar. Toch jammer, en het was zo laat, dat afzeggen, vlak voor de aanvang, eigenlijk. Een merkwaardig incident.
De tandarts was doenlijk genoeg, al was ik druipnat geworden van de plotselinge hagel en de pijpenstelenregen. Het gebeurde toen ik van de auto naar de parkeermeter liep en weer terug, met het kaartje uiteraard. En zonder paraplu. Het was een grillig moment van moeder natuur, zo aprils, en ook weer een beetje van mei, och, het weer is het hele jaar door toch ongewis? En Sybil maar thuisblijven en in de zon zitten en bedenken hoezeer Paul zich had vergist in het weer. In haar Vinkeveense contreien is het de hele dag stralend weer geweest, als ik haar kan geloven, want overdrijven is een expliciete eigenschap van haar, ik kan er verhalen van opschrijven. Maar ik doe het niet.
Nu ga ik theedrinken, zonder koekje, want in het ziekenhuis vanmiddag snoepte ik een troostend ijsje op. Mijn gewicht blijft mooi, zakt nog steeds lichtelijk en dat is fijn, ik wil het graag doorzetten, want ik loop erg goed sinds de ergste kilo’s weg zijn. En de gezondheid moet me verder dragen, de laatste levensfase door, tót.
Ik schreef een gedicht, best toepasselijk voor morgen in de hemelvaartse viering, ik lees het graag voor aan het slot:
~
HEMEL
Ik zie mijn kleinste ziel
In de bloemen, in de vogels
Ik zie mijn liefste tederheid
In vlucht gedragen door de zon.
O kleine vogelijn
O zachte bloesemglanzen
O schepping van het hoogste goed
O wondertuin gemaakt van God.
En in mijn kleinste ziel
Zijn hemel en aarde vereend
Daar leven alle liefsten mijn
Gezegend in het licht van God.
O lieve dode mens
O zoete herinnering
O mens in God opnieuw geraakt
O verre ziel, verrijzenis.
© Ine Verhoeven mei 2007
![]()
Maandag 14 mei.
Onze trouwe vriendin Ferdinanda O.P. is jarig. Ze kreeg daarom vanmorgen van pater Frans en mij 20 zalmkleurige rozen en het gebed van Bruder Klaus; het is haar 84ste verjaardag en dat gebed leent zich uitstekend voor déze levensfase vooral.
Mein Herr und mein Gott,
nimm alles von mir,
was mich hindert zu dir!
Mein Herr und mein Gott,
gib alles mir,
was mich fördert zu dir!
Mein Herr und mein Gott,
nimm mich mir,
und gib mich ganz zu eigen dir!
Bruder Klaus, Fluëli.
Ze was fris gekapt, met mooie zachte, zilveren krullen. En ze vertelde honderduit, maar langzamer dan voorheen en met tussenpozen. Ze had heerlijke koffie gemaakt en een stukje feestelijke aardbeientaart geserveerd. Het was een gezellig uurtje, daarboven in haar private domein. Ze is trouw in haar vriendschap, en nu ze vaker thuisblijft, zal ik haar vaker op gaan zoeken. Het zal ons allebei goed doen. Het is zo schattig: ik zag daar al onze boeken op een rijtje staan te pronken bovenop de kast met ook nog een foto van mij ernaast, de foto die Patricia maakte in Stockholm, in de Zweedse sneeuw van maart 2005. Dat zijn tedere confrontaties, en ik ben er dankbaar voor. En soms, als je je eenzaam voelt, kun je je het beste deze momenten herinneren; dergelijke ervaringen zijn eigenlijk de mooiste feiten in een mensenleven, klein maar fijn, en daardoor bijna het grootste goed dat je overkomen kan! Het is net als liefhebben, dat druk je niet uit in grote gebaren en dikdoenerij, maar wél met je subtiele aandacht, en in zulke gebaren met van die gepaste tederheid. Het is fijn als mensen aan je denken, als ze aan je wíllen denken. Je gedachten gaan dan vanzelf positief naar hen terug, dat maakt een mooie wisselwerking. O, wat zou de wereld er mooi uit kunnen zien.
Toen kwam ik de buurvrouw tegen van de hoek, zij groet mij niet en ik forceer het maar niet, al heb ik haar wél toegeknikt. Het mocht niet baten. Ik denk wel eens dat protestanten in het algemeen niet vergevingsgezind zijn, halsstarrig in hun ongelijk, ik denk het heus, zelfs als er recht is gesproken van hogerhand blijven ze wars en star. Waar staat dat in de bijbel? Ik vind het ongoddelijk, niet evangelisch. Maar ja. Die hoekse buurvrouw is dus protestant.
Ik voel me ellendig, het duurt al veel te lang, heb het medicijn gehalveerd, ben duizelig en tergend moe. Er is iets niet goed met me, maar over negen dagen kan ik bij de specialist terecht. Ik heb bijna zes lange weken op mijn beurt moeten wachten. Ik vraag me af, bij deze slechte gezondheidszorg in Nederland, waar dat naartoe moet met al die patiënten die dringend hulp nodig hebben en er, net als ik, ziek, zwak en misselijk wekenlang op moeten wachten; én ik vraag me af hoe het trage medische hulpproces te rijmen valt met de hoge ziektekostenverzekeringen, die wél op tijd worden gedeclareerd. Nog vóór je échte medische hulp ontvangt, heb je je al scheel betaald aan de huisarts en allerlei bedachte medicijnen. Je eigen risico wordt éérst in rekening gebracht en je betaling geschiedt echt geen minuut te laat. We leven in een geldmaatschappij. Het is erg genoeg.
![]()
Donderdag 10 mei.
Soms ga je hoopvol de nacht in, moe als je bent en zéker van jezelf dat je in slaapt valt zodra je je bed voelt. Maar nee, niks slapen, wakker ben je, langzaam maar zeker steeds meer wakker ben je, en dan, zelfs klaarwakker ben je. En daar zit je dan weer in de kamer met een kop thee voor je neus, je benen op de salontafel; je bent gehuld in je badjas, want het is toch weer fris geworden, de veel te vroege zomerse warmteperiode van dit vreemde voorjaar is voorbij, je voelt het overal doorheen. Je leeft weer terug in Nederland, buiten is het nat en nachtkil, precies zoals het nú klimatologisch bij dit landje hoort. De klok slaat half vijf. Toe maar, zo kan het wel weer. En je hebt echt nog geen oog dichtgedaan.
De hele nacht lag ik te denken, zat ik te denken, liep ik te denken. Wat denkt een mens véél, eigenlijk denken mensen dag en nacht, zonder ophouden. Als je erop gaat letten, is het rampzalig wáár. Zet je gedachten maar eens stil… Zal het je lukken? Nee, let maar op, dat breintje werkt altijd door. Maar wat heeft het voor nut, al dat denken, al dat onafgebroken denken? Het zal nog een part erfenis zijn van het ingebouwde biologische waaksysteem uit onze oertijd, denk ik, maar ik weet het niet. ’s Nachts denk je anders, heb ik ontdekt. De mooie dingen van het leven zijn dan mooier, en de narigheid is dan veel ellendiger. Alles aan positief en negatief is in de nacht getekender, scherper omlijnd, zal ik maar zeggen. En je vroet in het ongúnstige geval ongewild met je gedachten door allerlei doemscenario’s heen, die zó waarachtig zijn in de nacht dat je erin gelooft tot je allang weer het daglicht ziet, die zó werkelijk lijken dat je in die nachtelijke uren als een heuse helderziende bent, een onheilsprofeet die het zwarte gat van de nacht weet te vullen met nog meer zwart aan ongelukkigheid.
Gelukkig blijft het niet zo. Het wordt vanzelf weer ochtend en in de ochtend kraait de haan, die wekt je, die wekt jou en je eindelijk in slaap gevallen hoofd, dat gewoon over is gegaan op dromen… dat gewoon verder is gegaan met denken, in je gedroom nóg helderder dan bij je nachtelijk wakkere staat. Het is me wel een fenomeen, het leven is gecompliceerd genoeg overdag, je krijgt er ook de streken van de nacht nog bij, precies wanneer je geacht wordt te slapen. En weet je, het zijn uitgerekend je gedachten die met je aan de haal gaan, met jou en je broodnodige nachtrust. Feitelijk houd je jezelf wakker met je gepeins, laat je zelf je hoofd niet met rust; dat maakt het nog erger, je kunt niet slapen en je bent zelf de oorzaak van je slapeloosheid? Ik zeg niet dat dit de regel is, maar het is vaak wél wáár.
Hoor, de klok slaat vijf! Ik ga voorbij de nacht alweer de vroege morgen in, mijn bed wacht en hopelijk val ik nog een poosje in slaap. Ben benieuwd wat ik nú weer droom, nee, denk. Zie je, het houdt niet op, het is altijd denken, denken, denken. Een mens is soms té moe van zijn gedachten. Ik heb wel eens aan yoga gedaan, om niet te hoeven denken. Eerlijk gezegd is het me nooit gelukt zonder enige gedachte te zijn, en zeg eens eerlijk, wie lukt dat wel? Het zal eerst sterven aan jezelf zijn, een soort klinisch dood zijn, jawel, in de staat van algehele verdoving heb ik ooit niet gedacht, geloof ik, was ik gedachteloos zo onder al die operaties, al ben ik er ook weer niet helemaal zeker van. Het zal wel. Maar om voor een denkvrije nacht een anesthesist in te schakelen, dat gaat me toch te ver. En hem natuurlijk ook, zou ik denken. Welterusten, het is kwart over vijf, ik zie het goed op het computerklokje.
![]()
Maandag 7 mei.
Toen we vanmiddag door de regen liepen, wist ik dat het echt niet het ideale weertype was om de stad in te gaan; we zijn er te oud voor, denk ik, ik bedoel om door de regen te banjeren. Bij Damart lag een leuk cadeautje klaar, dat hebben we opgehaald, maar voortaan zal ik wel twintig keer nadenken, en het doel afwegen op het belang, vóór ik weer door de regen ga. En toch was het gezellig, al was ik ook nog slepend moe. Bij Selexyz hebben we boeken gekeken en theegedronken, ik nam ook nog een schuimgebakje van Strik, met grote hazelnoten erop. Ben de laatste tijd weer opvallend zoekerig naar zoet.
Asha staat met haar moeder in de Margriet! Heel verrassend en open, met foto en interview. Ze is echt een duizendpoot, een heel unieke duizendpoot. Gôh, wat een leuke verrassing! Die foto wordt ingelijst!
In Escharen en in Velp heb ik na de eucharistievieringen De Bloesemvrouw gelezen, dat was in het weekend. Toen ik zondagmorgen uit de Roerom voorlas, ging het een beetje fout. De tekst staat ongelukkig op de bladzijde, dat was van invloed. Maar ja.
Zaterdagavond was het groot feest in Grave, iets met carnavalske herinneringen. We zaten tussen het Graafsche publiek en de muziekske in. Het was een ouderwetse toestand en Annelies merkte terecht op, dat het de Vlimmensfeer was, en ook het karakter had van Help, de dokter verzuipt. Een kostelijke avond, die me lang aangenaam zal heugen. Echt Brabant, zoals ik het uit de oude streekromans herken, en ook een beetje vanuit mijn eigen vroegste jeugd. Ja, en dit liedje komt dan vanzelf weer boven:
Brabant, ik zing van je groene gouwen/
goudgeel kleurt zich de hei met de brem/
heerlijk bloeien uw landouwen/
rijen zich langs bos en ven/
d’herder hoedt zijn blatende schaapkens/
langs de dreven ongerept/
vlucht naar kooi als ’t klokske/
in de avondstilte klept./
Refrein:
Dan moet ik zingen van mijn Brabant/
waar toch eens mijn wiegske stond/
van mijn volk gehecht aan zeden/
dat bij strijd zijn menneke stond./
Dan moet ik zingen van het liefste/
wat ik ooit bezat op aard/
van mijn goeie Brabants moeke/
trouwe ziel van huis en haard.
~~~
Brabant, ik zal nooit de tijd vergeten
Dat ik als jungske ‘n belleke trok
Schutje speulde, fijn gong repen
Schooide mee d’n rommelpot.
Ik zal nooit mijn aarde verzaken
mmmmmmm (weet het niet meer)
Vol van leut bij het feesten
Thuis geleerd bij de oude haard.
Ja, en dan volgt weer het schattige refreintje. Ik weet niet wie de tekstschrijver was, wás ja natuurlijk, want die kan intussen echt niet meer leven. Jammer, dat ik niet meer aan mijn moeder kan vragen hoe die tekst precies luidt, zij wist het, zij kende werkelijk álle liedjes die je maar opnoemde, allemaal! Maar dat is voorbij, ze is weg, monddood, ze zingt niet meer, nooit meer. En dan weet je weer hoe tijdelijk de mens is, hoe tijdelijk álle mensen zijn, zij en jij en ik ook. Het is een kringloop, de mensheid. Maar weer mag het worden gezegd: het is de moeite van het beleven waard, het hele mensenleven op deze oeroude aarde.
![]()
Donderdag 3 mei.
We reden terug van Appeltern over de slingerdijk door de polder, het was de dijk die vanaf Megen naar Ravestein loopt. Het was een meesterlijke rit, de pittoreske dijk was omgeven door allerlei bloeisels, door bomen en struiken in alle kleuren groen; er waren de vele schapen die kaal geschoren graasden tegen de dijk omhoog, er waren de tere lentekleuren van de bloesemende bomen en van de prille bloemen overal in het gras. En ik zag verbaasd rode rozen bloeien in de tuinen van de dijkhuisjes, alsof het volop zomer zou zijn. Het was dinsdagmiddag, en het was toen we ons bezoek aan Brabant waardig, en ook verheugd om de aardse sferen van hemelallure, afsloten.
Op de Ooijse dijk was het gistermorgen alweer een lentefeest, met hetzelfde profiel van bloesems en jong vee, van groen en wuivende bomen, van bizons en sierlijke konikspaarden die daar samen in de verte graasden en domineerden: het was hún terrein. De boten en schepen voeren af en aan over de Waal, een lust voor het oog, die statige boegbeelden op het weidse water. En de ganzen vlogen over en weer, en de kraaien en de eenden, ze deden allemaal mee aan het heerlijke spel van de hemelvluchten. En ze streken eigenwijs neer, net als je als toeschouwer dacht dat ze de aarde waren vergeten, zo hoog als ze gingen en dan weer zo laag, terug in het gras.
Op het terras van Oortjeshekken rustten we uit van de wandeling, en de mussen en de merels, die op hun beurt de omgeving van Oortjeshekken bevolken, die daar feitelijk resideren, gaven het aanzicht van de volle tuin een hartverwarmend extra mee aan tederheid.
Dan is het leven mooi. Als je ongecompliceerd in de vrije natuur kunt zijn, tussen de vogels en de weiden, het water en de dijk, bij het vee en de hond van de wandelaar, tussen de passanten van allerlei aard, dan ben je begenadigd. Het lukt niet altijd en zeker niet iedereen om hier te zijn, maar de momenten dat je het gerustzijn op zulke godenplaatsen beleeft, zijn goud waard voor je ziel. Zo ervaar ik het, telkens weer. De rijkdom!
Van Rieke kreeg ik de foto’s van koninginnedag gestuurd. Ik plaats er eentje ter memo.

Bij Rieke met koninginnedag, weer voldoende goedheid bij haar opgedaan om mooie teksten te kunnen schrijven.
En ik schrijf er memorabel bij dat Rieke een ongekende lieverd is, een vriendin van de hoogst goede soort, een mens om heel zuinig op te zijn. Dat ben ik dan ook.
En nu ga ik slapen. als ik langer doorschrijf, zal het me wakker houden vannacht, dat moet niet. O, wat is het ouder worden vaak complex. Maar zeer de moeite waard. Het leven is goed, dat blijf ik zeggen. Al heb ik vanmiddag gehuild toen ik per video naar ‘Helvoirt’ heb gekeken en zag hoe een dertienjarige jongen, een kind nog, thuis lag te sterven aan leukemie. De pastor huilde toen hij het kind troostte. Omdat er niets te troosten viel.
![]()
Zaterdag 28 april 00.00 uur.
Als je ouder wordt, verandert alles, ik bedoel vooral fysiek. Eigenlijk blijft er alleen de zorg over voor elkaar, de zorg voor de ander en die voor jezelf, natuurlijk. Je zorgt ervoor dat de ander het zo goed mogelijk bij je heeft, en daardoor heb jij het in je late dagen zelf nog zo goed mogelijk. Dat denk ik.
In deze tijd valt het me op dat veel kinderen van de jaren ’60 zo heel anders reageren op hun ouders dan wij dat deden op onze ouders in onze jonge tijd. Natuurlijk, dit is de generatiekloof die door de eeuwen heen onvermijdelijk bestaat én doorgaat, het is de evolutie van de mensheid, zal ik maar zeggen. Toch vind ik het momenteel een hard gelag voor veel ouderen. Je kunt je afvragen hoe het komt dat er vaak, opvallend genoeg, een opmerkelijk grote afstand bestaat tussen ouders en kinderen, maar ik kom er niet achter. Ik denk er diep over na, ik vind het antwoord niet. Op zichzelf is het geen slecht ding als kinderen hun gang gaan en de ouders doen dat ook, of in geval van ouderlijke apartheid: de moeder of de vader doet dat ook. Maar het kan op afstand niet consequentieloos blijven doorgaan, vroeg of laat komt tóch de harde confrontatie: hoe moet het verder met hem, met haar, of met beiden? En: wie brengt hen uiteindelijk weg naar het bejaardenhuis? En dit: zouden dezelfde kinderen tegen die tijd nog wéten, nog beséffen dat ergens nog een moedertje of vadertje bestaat.? Ik zal de droeve fase van dood en begrafenis hier maar buiten beschouwing laten.
Het is het eeuwige probleem van ouders en kinderen die niet in de familiale sfeer samen zijn gebleven, die te weinig contact hebben gehouden, die naar elkaar toe een afstand hebben geschapen die nauwelijks nog overbrugbaar is. Dat is jammer, dat is koud, dat is genadeloos. Ik benoem het in deze rang, omdat het goed noch gezond is voor directe bloedverwanten als ze uit elkaar groeien, als ze van elkaar dreigen te vervreemden, erger, als ze elkaar gewoonweg vergeten zijn.
Ik heb het over de zestigers, maar ik vraag me af hoe het met de generaties gesteld is van de jaren ’70 en ’80 en ’90 en hoe het de generatie van 2000 zal vergaan… Ik vraag me af of het relatiegedrag van kinderen met hun ouders cirkelgewijs getekend zal zijn, als een tijdsverschijnsel, bijvoorbeeld zoals de religie momenteel zichtbaar en voelbaar kentert van links naar rechts, van gematigd naar streng, van zacht naar hard, en dan, let maar op, weer vice versa. Het is a.h.w. een zwalkend verschijnsel. Ik zal er de nodige literatuur op naslaan om dit fenomeen te doorvorsen. Ik wil het graag wetenschappelijk inzien. Misschien helpt het, en wie weet voor wie.
En nu ga ik slapen, deze dag was lang en vol, en mooi en goed en rustig. April is heet, is zomers te over. Ik was woensdag bij Truus, die er een grote hekel aan heeft, ik begrijp haar wel. Er is ook de menselijke angst voor het ongewisse van het klimaat dat kennelijk een opdonder heeft gekregen van ons economisch gedrag, ons najagen van luxe en geld. De wereldrekening wordt hoog, daar kun je geheid op rekenen. De winter verdwijnt en de polen smelten, ze warmen op, zoals heel de aarde dat doet. Knap, als ergens iemand is die dit kwaad nog ten goede weet te redden. Maar ik geloof er niet in.
En toch, welterusten voor vannacht. Het is de kunst van het leven te blijven genieten; en hoe het leven zich ook aandient, elke dag is van God gegeven, elk moment van bewust goed te leven, is zeer de moeite waard. Houd elkaar maar vast, ook in de eenzaamheid, laat elkaar maar bestaan, het is immers goed zoals het is. Deo gratias. Maar God, red onze kinderen, zij erven deze aarde, zij bewerken haar na ons. Amen.
En verder? Och, je lichaam is eerlijk, het laat je duidelijk genoeg weten hoe je ervoor staat, en je weet heel goed dat je leven vergeestelijkt, dat Gods goedheid je nog even verder draagt, dat je als kwetsbare mens alleen nog een wijze streling kunt zijn voor de ander, een vonkje hoop, een tederheid. Maar ja, dan moet je het ook werkelijk zíjn.
![]()
Maandag 23 april.
Ik mis Dobby. Ze moet al flink gegroeid zijn en ik heb haar niet meer gezien sinds ze allerkleinst was. Och toch. Ik denk dat ik Deo volente spoedig in het omakoetsje stap en naar Den Bosch rijd, het is heus de hoogste tijd.
Mijn balkon staat er weer extra fleurig bij, met roze geraniums, vandaag van Olivier gekregen, zo vriendelijk, zo zacht, zo vol warme lente, ook. En de lavendel is in bloei, en de rozenstruik begint knoppen te tonen, en wat noem ik nog meer aan jonge flora? Het is een liefelijk aanzicht, dat prille gewas. Als in mei Patricia in Nederland is, zal alles haar bloeiend toelachen, denk ik.
Ik zag vanavond een interview van Chris Kijne met de schrijver Amos Oz. Je mag hopen dat de Israëlische ziel inkeert bij de huidige gemoedstoestand, zoals genoemd. Toch rijst er hoop, hoop dat de kentering ten goede echt gaat komen, dat de twee twistende buurvolkeren vredig zullen samengaan, maar ja, wanneer en hoe? En hoeveel offers gaan nog gebracht worden middels mensenlevens? Oz benoemde het perspectief: de uitputting die de strijd vanzelf opheft. Dat is invoelbaar, denk ik, want moeheid legt je lamzalig terneer, heft uiteindelijk ook de strijdlust op. Het is wél een ontplofbare brandhaard, daar in het Midden-Oosten. Toch moet de wereld blijven hopen en blijven werken naar de vrede toe, anders is de ondergang van een groot deel van de mensheid nabij. God verhoede het. Dat is mijn avondgebed voor vandaag: God verhoede het. Amen.
![]()
Zaterdag 21 april.
Vandaag stond het halve huis op zijn kop. Het was een raar, nee, een onwennig gezicht. Mijn huis staat nooit op zijn kop, ik kan er niet tegen. Maar vandaag was het anders. Het was al met al zelfs een aangename happening. Je moet toch wel een dikke vriendin zijn als je 114 kilometer verderop iemand gaat helpen met het huishouden, er de ramen gaat zemen en als toegift het balkon schrobt, als je belangeloos die lange rit met je auto maakt, ook nog rozen meebrengt, een chique zomerhoed, een ingelijste foto ter memo én jezelf als de goede fee in de aanbieding hebt. Het was voor mij een ongekend luxe ervaring en ik bezie deze zaterdag dankbaar en als heel bijzonder. De rozen staan te pronken, de ramen blinken me tegemoet en het balkon is een plaatje, ontroerend schoon. Ik heb afknapperig op de bank gelegen, we hebben gebabbeld en naar elkaar geluisterd, we waren ontroerd en dan weer niet. Wat een merkwaardige vriendschap is dat met Sybil. We aten ieder een schaaltje spagetti, dronken koffie en thee, namen er een madeleintje bij, snoepten ijs met advocaat, nog een enkel paaseitje en de tijd is omgevlogen. Eerlijk gezegd is deze poetsdag voor mij een feestje geworden. Gezellig en gemoedelijk, zelfs vertrouwd. Ik zal er vaak aan terugdenken, met een lach in mijn ziel, omdat er goede mensen bestaan, dat heeft ze onverkort vandaag bewezen, Sybil. Dank je wel.
![]()
Donderdag 19 april.
Wat wil een mens in zijn leven eigenlijk van de ander verwachten? Waar moet hij zelf aan voldoen om alleen nog maar een béétje sociaal te worden gewaardeerd? Menselijke mentaliteitsvorming wordt vooral gedaan met de ervaringen. Hoe meer goede ervaring je hebt met de mensen om je heen, hoe meer je vertrouwenvol en liefdevol en inspiratievol kunt zijn voor je naaste omgeving. Je zou het wel denken.
En toch, er is altijd weer die terugslag, dat onbegrip, die wegwijzing tussen mensen onderling. Dat maakt tranen in je hart, in je hele zielement, maar soms gebeurt het. En wég zijn je rotsvaste geloof, je gevestigde hoop en je onvergankelijke liefde. Wég is alles wat je opbouwde aan goeds, aan heerlijks, aan een beetje hemel op aarde, al was het er nog maar momentsgewijs. Wég?
Welnee. Niks wég! Éven lijkt de bodem weggezakt onder je voeten, éven, maar echt niet langer dan éven. Zo’n dieptemoment van verlatenheid kan eindeloos lijken te zijn, maar is het niet. En dit is evident: bedenk in zo’n leegtemoment dat je nog altijd verder kunt met jezelf, jij bent jouw allerbeste maatje, jouw eigen regelrechte zielsverwant. Jij bent, jij doet, jij leeft jouw leven, niemand anders dan jíj.
Je moet dus nooit jezelf in de steek laten, je moet dus nooit jezelf verlaten. Jij en je ziel, daar gaat het om, jij, uniek en bestaanbaar als je bent, jij mens van lijf en geest. Maak je niet afhankelijk, van niemand, van niets, nooit. Afhankelijkheid maakt mensen zwak, feilbaar, en soms zelfs chantabel. Blijf bij jezelf, blijf in schoonheid bij jezelf, daar gaat het om.
Maar het is waar, érgens moet jij je goede inspiratie uit kunnen blijven putten om niet teloor te gaan aan zo’n onomkeerbare teleurstelling. Érgens moet je je gestaafd weten in jouw menszijn, in jouw persoonlijkheid. Érgens moet je je in je menselijke waardigheid bevestigd weten: vooral door wie mét jou gaat of met jou wil gaan. Maar dat is vaak het punt niet. Je directe medemens kent jou door en door, aanvaart jou, bevestigt jou - als er tenminste een directe medemens ís. En zo niet, dan nog niet gewanhoopt. Meestal is er immers wel ergens iemand die jou herkent, die inhaakt op jouw visie, die zich met jouw persoon en jouw gedrag getroost weet. Die jou troosten kan. Meestal wel.
Ik bid vandaag: God, zegen de eenzamen. God, teken in hun harten jouw milde hart. God, draag allen voorbij de leegte. God, maak de mensheid wegwijs in rustige empathie. God, doe iets. God, doe iets. God, leer ons allen iets te doen, iets heiligs te doen voor elkaar. God, leer ons te leven met elkaar. God, leer ons verstaanbaar te leven met elkaar. Amen.
![]()
Zondag 15 april.
We waren op zaterdag naar Bloemendaal gereisd, met de trein door het zonnige landschap, de zon hoog aan de hemel, veel te warm alweer voor de tijd van het jaar. Op 14 april stond Nederland in volle bloei, overal bloesems in wit geel roze, ‘n liefelijk aanzicht, als je van de lente houdt. Het was een trip die ik niet snel zal vergeten. We reisden 3 volle uren herwaarts en moesten in Bloemendaal nog zoeken naar de ambiance waar we werden verwacht. Alles bij elkaar waren we twee maal 4 uur onderweg, op een dag dus vice versa. Opgeteld 8 uur reizen in 10 uren, dat breng je alleen op als je met vakantie gaat, denk ik. Maar wij hebben Oliviers familie willen verblijden met onze aanwezigheid op de gouden bruiloft, of, zoals het echtpaar het zelf stelde: bij hun 50 jaar samenzijn. Wij gingen door Bloemendaal en dachten aan de chic van dit dorp, en zagen tegelijkertijd de betrekkelijkheid in van al dat duurs aan auto’s en hoge huizen; toch was het bijzonder, vooral door de kennis dat Godfried Bomans er had gewoond en geleefd en gewerkt aan zijn boeken die we hebben verslonden, Olivier en ik.
Wij kwamen aan in Het Dorpshuis en zagen in de verte de familie aankomen, Oliviers moeder die in haar 100ste levensjaar is en Oliviers broer en schoonzus, moeders private mantelzorg. Wij waren moe van de reis en ik hunkerde naar mijn eerste kop thee, het waren lange, droge uren geweest, maar ik moest nog even wachten. Wij hebben graag de bruid gefeliciteerd én de bruidegom, ik gaf aan hem ons cadeau, een dichterlijke creatie ingelijst ter heilige memo. De bruid was druk doende met de gasten te ontvangen, het waren er zeer vele. We togen vermoeid de tuin in en vonden er de neven en de nichten op het grind gesitueerd in groene stoeltjes. We sloten ons aan, het was een aardig weerzien. We zaten daar buiten in de schaduw en rustten wat uit, zo’n lange reis gaat in je lijf en leden zitten en je oude dag telt volop mee, dat is zo.
Toen hebben we ons binnen verzameld, enkele speeches gehoord en een dansje van kleinkinderen passeerde de revue, ik ging weer buiten zitten, het was met de hermetisch gesloten deuren binnen voor mij te benauwd én te druk, te lawaaierig, mijn hoofd duizelde en mijn getergde oor ontving de geluiden verkeerd, het was nog niet alles, ik had veel last van de hartritmestoornis die me al maandenlang plaagt tot zorgen toe. Buiten hield ik het wel vol, dacht ik, en zat er zo rustig mogelijk.
We waren intussen weer met enkele gasten in de tuin, het was er aangenaam verpozen en ik was zeer blij daar te mogen zijn, ondanks het fysieke ongemak. We dachten dat de gasten met het bruidspaar en met elkaar mochten babbelen, maar we werden binnengeroepen, we zouden met ons allen een dikke bundel liedjes gaan zingen, liedjes vooral van toen, oude liedjes gezongen aan één stuk door, en door het hele gezelschap.
O, mijn arme hoofd, o mijn foute gehoor, o mijn doodmoeie lijf, o de schaarse tijd die we hadden om elkaar te spreken, te ontmoeten… we zouden immers rond vijf uur huiswaarts gaan, het was vooraf duidelijk meegedeeld, ook dat we niets zouden nuttigen vanwege het strenge regime van Olivier, dat in de loop der tijd door de gewenning ook voor een deel het mijne is geworden.
Ook voor Olivier was het gezang te veel, een dik uur lang werd er gezongen, lied na lied, zonder pauze, het hield niet op. We wilden praten met elkaar, met moeder en broer en zus en met allemaal; die liedjes sloegen nergens op, we herkenden het thema niet, begrepen de relatie tot het bruidspaar niet, het gezang gaf ons moeheid en schorheid, het was gewoon niet leuk, deed ergens denken aan een bootreis met ‘n smartlappenarrangement.
Ik had dorst, maar je moest naar binnen om iets te drinken en de tuindeur was vanbinnenuit gesloten. Kortom, het afscheid was nabij en de middag voorbij gevlogen met bijzonder weinig communicatie en persoonlijke aandacht. Om 5 uur stond de soep klaar, maar we zouden niet mee-eten en we moesten naar huis, ook de terugreis zou lang zijn en we hadden al te veel ondernomen om bij hen te kunnen zijn, onze fysieke gesteltenis loog niet.
De bruid was boos. Bij het afscheid, dat toch hartelijk had moeten zijn, kreeg ik de verwijten over me heen. Alleen maar verwijten. Ik stond paf, had geen verwijten verwacht, ze ook niet aan voelen komen. Wat had ik nou weer fout gedaan? Olivier zocht zijn directe familie om afscheid te nemen, maar die was niet te vinden, hoe kon dat nou? Ook de bruidegom vond hij niet. Het was een slot vol teleurstelling.
We zijn op reis gegaan om elkaar feestelijk te ontmoeten, we hebben het opgebracht om van ver te komen, maar het was kennelijk niet genoeg. Ik denk dit: mensen hebben eisen naar elkaar toe, mensen eisen dingen van elkaar, en dat kan niet, mag niet. Wat jou aan goeds toevalt, moet je voldoende zijn, en je moet roeien met de riemen die je hebt, meer kan een mens niet doen, en het is trouwens al heel veel.
Toen ik hun onlangs een lange, diepe brief heb geschreven en ik er geen enkel antwoord op kreeg, heb ik hun lauwheid gelaten ondergaan, heb ik van hen niets ge-eist. Natuurlijk voel ik dat zwijgen op mijn moeite diep aan, zwijgen is dodelijk, zwijgen wijst af, immers. Maar: er valt níéts te eisen, van niemand, door niemand.
Het was een jammerlijk slot, in Bloemendaal, maar de zon scheen nog steeds en de bloesems bloeiden door en de dag was heel erg mooi en de terugreis verliep uitstekend en we waren weer blije mensen toen we in Nijmegen arriveerden. Om klokslag zes uur hebben we onze pillen geslikt, dat was in de trein ergens bij Amsterdam. Het kon niet anders, alles op uur en tijd, dus een regelmatig leven hoort bij de medicinale regels, bij het regime ter genezing, om verder te kunnen leven, als het kan met elkaar en nog een beetje lang. Maar ja, de bruid was wel boos.
![]()
Donderdag 12 april.
De zon schijnt, de hemel lacht en de wereld is volop in bedrijf, o, wat is de mensheid druk geaard. Vanmorgen kwam ik binnen in de therapeutische praktijk en werd er onmiddellijk overrompeld door de radioreclame, hard en luid en schreeuwerig, van de hak op de tak, en ook de twee therapeuten (f) stonden samen ongeremd te beraden, je kon alles wat ze zeiden en belachten horen. Het was me nogal overweldigend, al die drukdoenerij, en ik verlangde naar een stille plaats om in te kunnen keren, om de rust te zullen ontmoeten, om in alles en met alles en door alles stil te mogen zijn, in plaats van deze herrie te moeten ondergaan. Een wachtende dame had ook last van het storende lawaai, ik had het niet alleen. Het was een trubbelig halfuurtje. En ik was al zo moe.
In tijd van nood leer je je vrienden kennen, wie kent het spreekwoord niet? Ik heb intussen een aardig inzicht vergaard over sommige van mijn mensenvrienden, en ja, de een slaat op de vlucht, die voelt zich kennelijk bedreigd in zijn/haar portemonnee, de ander denkt met je mee en gunt je iets van zijn/haar overtollige bezit, weer een ander zwijgt in alle talen en toonsoorten, die is voor jou niet meer thuis.
Toen ik rijk was, met een heerlijk inkomen, ontmoette ik heel ándere mensen dan in deze tijdelijke periode van afzien, maar het is minstens interessant om het draaiboek gade te slaan. Je leert werkelijk je vrienden kennen. Ik had het zó niet ingeschat, denk altijd dat álle mensen evangelisch denken en handelen, maar dat denkbeeld moet ik verlaten.
Wij waren in Heusden op de eerste paasdag, Olivier & ik. Helaas zijn we Rieke & Wim en hun hondenschare misgelopen. Tóch heb ik a.h.w. gevoeld dat zij ook in Heusden waren, ik heb hen de hele tijd gezocht met mijn ogen. Het was weer als vanouds verrukkelijk in Heusden, de hele sfeer was weer aanwezig, ongeveer zoals ik het in Rozengrafke had beschreven. Rozengrafke is best een schattig paasverhaaltje, de moeite van het lezen waard, het is te vinden in de zijlijn van deze website, bij aanklikpunt Rozengrafke. Ja, Heusden. Zo is er mijnerzijds Grave voor in de plaats gekomen, maar Heusden blijft toch Heusden, het is het stadje nog van onze oer. En we komen elkaar daar tegen, ook al zien we elkaar niet meteen. Het is meer het wéten van elkaar, het weten van elkaars vreugde om die kleine vesting aan de Maas.
![]()
Maandag 9 april.
Als je in de vroege morgen van de tweede paasdag je kleinste ziel tegenkomt in de bloemen en de vogels, in een enkele vroege hommel die dansend langs de stille lavendel gaat van je nederige balkon, en je ziet hoe de opgestane zon het land overgiet met haar prille stralen en hoe ze zelfs doorheen de ramen van jouw nederige woning naar binnen wil schijnen, dan gebeurt er iets moois in je, dan word je stil van verwondering, dan word je een blij en tevreden mens, dankbaar met zoveel schoonheid in die simpele gebaren van Gods voortreffelijke natuur. Ze valt niet te evenaren, niemand kan in kennen en doen tippen aan de grootheid van zelfs de kleinste natuurtekenen, het is alles goddelijk en anders niet. En alles staat op, alles is nieuw, de dag en het leven. Werkelijk, het is Pasen, Pasen 2007.
En we waren in Zenderen op de Zwanenhof en hebben er tussen 32 gegoede mannen, allen welgesteld en onderlegd, God gepredikt middels de oorlogsgeschiedenis van de joodse Etty Hillesum én via de literatuur van de dichter Rainer Maria Rilke, en we hebben er samen Witte Donderdag en Goede Vrijdag gevierd, en Paaszaterdag, en we zongen vroeg in de morgen al: Het is Pasen! En alle mannenstemmen klonken in mijn hoofd en in mijn hart, ik wist me bevoorrecht want er was nog geen vrouw in hun sociëteitsgeschiedenis geweest die zich bij hen had gevoegd, het was tot dan toe altijd strikt een mannenzaak geweest, ik ben de eerste vrouw die haar aandeel heeft geleverd en wel aan hun bijeenkomsten, de vieringen en de inleidingen van AD 2007. Als dat niet vol van genade is?

Gisteren was de eucharistieviering in het ziekenhuis van een hoge heiligheid, ik ervoer het. Ook de mensen hebben het zo ervaren, ze hebben het me verteld. Ik ben moe, dat is waar, maar het weegt niet op tegen de dankbaarheid voor al deze gelukkige uren en dagen en nachten, ze zijn van God gegeven. Laus Deo! Alleluja. Amen.
![]()
Maandag 2 april.
Vandaag schrijf ik mijn dagboek in Catharinahof, pater Frans heeft in de namiddag de Viering van Vergeving te leiden in Huize Rosa en ik verzorg het muzikale gedeelte, vandaar dat mijn schrijfplaats vandaag hier is. Heel bijzonder trouwens, ik heb hier in de loop der jaren veel genade verkregen, voornamelijk middels pater Frans die mijn trouwe gezel en mijn allerbeste begeleider naar de uiteindelijke eindplaats is. Ik geloof het echt. Hem zij lof en dank, de goede!
Gisteren hebben we genoten in de achtertuin van Veronica & Joop, we bivakkeerden tussen de bloemen, de vogels en de vissen, de zon scheen en het ware vreugdedeel van deze zondag waren de twee lieverds in hoge mate zelf, zij die altijd zo verschrikkelijk gastvrij zijn. Het is bij hen altijd weer vreugde en lach, al kennen we gezamenlijk ten diepste de tranen…
We bereiden ons voor op de retraite in de Zwanenhof, het zal goed worden, het móét goed worden. We zijn allemaal onderweg naar Pasen en hoe heilig is deze tijd. Gisteren waren we bij de graven van Pa en Ma, en van Anneke. Zo’n bezoek brengt altijd iets teweeg in je ziel, je denkt terug en je kijkt vooruit. We hebben allemaal hetzelfde te verwachten, we verliezen op den duur onszelf en elkaar, we moeten altijd voorbereid zijn ten beste. We moeten goed zijn voor elkaar, al doen we dat allang. Maar als je onenigheid met iemand hebt, moet je het rechtzetten, wie je ook bent en waarover het ook gaat. Je moet elkaars leven mooi maken, onbevooroordeeld zijn - maar wél wakker blijven, niemand mag je ziel aantasten en jij mag niemands ziel aantasten; je mag wél leren van elkaar en als je dat niet wilt, of niet doet, dan zijn de consequenties voor jezelf. Maar laat de ruzie buiten staan, doe de onmin de deur uit, probéér minstens elkaar te verstaan, en wees eerlijk, altijd eerlijk, want zonder eerlijkheid houd je jezelf voor de gek, niet eens de ander, jezélf. En met haat, hoe érg eigenlijk, kom je er niet, met haat en nijd kom je nergens. Het leven is moeilijk genoeg, je hebt elkaar broodnodig in het lieve, het goede. En dit: probeer niet iemands leven te regisseren, doodleuk omdat je de touwtjes in handen wenst te houden, dat mislukt altijd, vroeg of laat faal je dan hevig omdat niemand, ik tenminste niet, zich laat regisseren. Je kunt niemand kopen, en je mag niemand kleineren, zeker niet iemand die zijn ziel aan je laat lezen in zijn nood. Nooit doen, blijf op afstand, en lenig de nood op gepaste wijze, onopgemerkt maar trefzeker, als het enigszins mogelijk is. Enfin. Met elkaar omgaan kan moeilijk zijn, je gaat qua inborst niet altijd samen, en je kunt ook té verschillend zijn.
In mijn huis staan duizend bloemen, het geurt er naar zalige parfum. Ik kreeg een dozijn topjes van Veronica, allerlei topjes in allerlei kleurtjes, schattig gewoon en ze pássen nog ook! Ja, zo kan het ook zijn, zo kun je ook samen je zusterschap delen in humaniteit en zelfs in daadwerkelijke christelijkheid, en je verjaardag wordt ook nog eens erg leuk gevierd. Dank je wel, lieve Vroon!
![]()
Zaterdag 31 maart.
Neef Jan is jarig vandaag. We hebben elkaar via de e-mail gefeliciteerd, elkaar dus, vanwege mijn verjaardag op 28 maart. Als ik aan neef Jan denk, zie ik een stukje heerlijk verleden, dat zich voornamelijk afspeelde in het majesteitelijke dorp Berlicum. De Hoogstraat, waar de familie toen woonde en gedeeltelijk nóg woont, slingert zich trefzeker voort tot aan het Mercuriusplein, dat voor mij nog steeds het nieuwe gedeelte betekent, ik heb het dorpsdeel destijds zien bouwen en alles eromheen zien komen én gaan. Toen ik er woonde, begin jaren ’60, ging deze doorgangsweg nog zijn oude gang, er stond ook een molen en daar ergens heeft nog mijn grootmoeder gewoond, maar dat is een vaag begrip, want mijn moeder vertelde me bijna niets. Maar bij mijn tante waren het onverkort mooie momenten, in alle eenvoud was het er altijd bijzonder, ik kwam zo graag bij haar.
~
Ik moet het beeld vasthouden van de zusters met die ene pater die in de volle zaal me toezongen en alle handen gingen de lucht in: hiep hiep hoera. Toen werd er geschertst, want ik bedankte, verlegen maar fier, de zusters en vergat de pater dominicaan te noemen die hartelijk meegezongen had, ik heb het rechtgezet want er kwam schoon protest. Het is een onvergetelijk beeld, een droomplaatje, want wie overkomt het nou te worden toegezongen door zoveel prachtige mensen? Dan ben je rijk. Dan ben ik rijk. Ik weet het. O, ik weet het helemaal. Ik ben vanbinnen schatrijk.
~
Deze verjaardag ben ik verwend als nooit eerder. De post, de telefoontjes, de gulle gaven, de bloemen, maar bovenal al die trouwe mensen die aan me gedacht hebben, ik ben er zo dankbaar voor.
~
We bereiden ons voor op de Goede Week, het zal een ongewone tijd worden in Zenderen, maar mijn aandeel zal goed zijn, ik ga het beste van mezelf geven aan al die vertrouwenvolle mensen en aan het team. Mijn dankbaarheid zet zich om, dat beoog ik, in het delen van het beste in mezelf met anderen. Ik denk ook dat het zo moet zijn. Je geeft het beste van jezelf door aan de ander, precies naar het voorbeeld van Jezus die het ons heeft voorgedaan. En je moet niets terug verwachten, je moet het doen zonder enige terugverwachting. O, wat denkt een mens veel.
![]()
Dinsdagavond 20 maart
Moe, zo moe als ik ben, het komt door de nieuwe medicijnen, ik moet er nog aan wennen.
Ik kan soms zo opstandig zijn over de halve wereld, al wil ik alleen maar liefhebben, enkel liefhebben, de mensen, de vrienden, zelfs de oude familie, maar soms is de teleurstelling te groot en kan ik alleen maar verdrietig zijn en bozig om de teloorgang van relaties tussen mensen. Het had zo mooi kunnen zijn, in ieder geval zoveel beter dan nu, er is niets meer overgebleven van de oude nestgeur, om het zo maar eens te zeggen, ook niet van de vrienden van toen, en het waren er zeer vele. Nieuwe vriendschappen zijn moeilijk te verwerven, want je bent gevormd door het leven, je past niet meer zo snel bij iemand, je leerde van het leven op jóúw manier en de ander is gevormd op zíjn/háár wijze. Dat vergt te veel aanpassingsvermogen en energie en dat maakt mensen op leeftijd moe, mij in ieder geval wel. Ach, dat is nu eenmaal zo.
En toch, toch kun je rustig je zegeningen tellen, want de wereld draait tóch door en de mensen blijven tóch bestaan, ook al gaan ze een voor een natuurgetrouw dood ook in jóúw familiekring, ook in jóúw omgeving, ook jij en ik op een zekere keer, maar het mensdom op zichzelf blijft immers overeind. En telkens ontmoet je wel iemand die jou kan raken ten goede, kan vertederen of verbazen, en jij kunt die iemand wellicht raken ten goede, misschien ook wel vertederen of verbazen, al is zo’n ontmoeting meestal een witte raaf.
Ik denk dat dat het heilige restant is, als je ouder wordt, van wat ooit je toekomst heette: die spoorslagse ontmoetingen met passanten van allerlei aard en kleur, het is wel boeiend, hoor. Je leert trouwens ook humaner kijken en zien en berusten, je beluistert hun verhalen en je leert naar hen toe geduldig te zijn, maar ook kun je hooglijk vergeven al wie je lief is en was, al lukt dat laatste niet op álle momenten van hartzeer en verdrietigheid, van heimwee en verlangen naar oude vriendschap en nieuwe hartelijkheid. Soms is de pijn om de onnodige verwijdering te groot, te indringend om de vredige gelatenheid oprecht te laten bestaan. Maar telkens gaat het over, de pijn verdwijnt en de glimlach komt weer op als de milde zon in de morgen, het is gewoon zo. Je hebt immers geleerd tevreden te zijn met je lot? Je leeft immers op de genade die jou nog altijd toevalt? Genade. Het is wel een dubbel woord.
Het fotootje van Dobby en mij in Rieke’s huis wil ik hier graag memoreren:

Het was de 10de maart 2007.
![]()
Zaterdag 18 maart.
Wat kan een mens hartverscheurend verdriet hebben. En alles moet hij zelf verwerken, op zíjn wijze, in zíjn beleving, op zíjn tijd. Ik heb in mijn leven heel wat mensen zien huilen, en ook getroost, maar ik heb ook zelf gehuild, net als die mensen vol van verdriet. Och ja, het leven geeft je alles: vreugde en pijn, lief en leed, en het gaat gewoon door, het gaat altijd door, omdat het leven dít gegeven alle dagen met zich meebrengt, dat de lach bestaat naast de traan, zoals de dood samengaat met het leven.
Geen droom kan jou onttrekken aan de realiteit van alledag. Het geldt voor iedereen. Alle mensen zullen zelf het leven moeten doorleven, niemand kan het voor jou op zich nemen, of overnemen, je moet alles helemaal zelf doen.
~
Het regent en het is koud. Ik heb de ramen gesloten en dat wil veel zeggen. Mijn rijsttafel van gisteren was volledig gelukt, al kookte ik een heel pak rijst voor 2 personen. Ik ga de restjes van de groentes en het ontbijtbrood straks naar het kleine, blonde paard brengen, het staat in Neerbosch-oost op koud, kaal zand alleen maar te zijn en het is hongerig genoeg, heb ik gemerkt. Het is een lief beest met mooie ogen en een streep op zijn rug. Ik denk dat het een Zweeds paardje is, waarvan ik de naam niet weet, ik zocht het op en kon het niet vinden. Maar dit paardje in het zand van Neerbosch-oost lijkt qua vorm op het Zweedse Dalarna-paardje. Dat is me voorlopig aan kennis wel voldoende.
Dalarnapaardje
En nu ga ik koffie drinken en stofzuigen en stoffen en het bed dekken en de badkamer oppoetsen en de was aanzetten, het gehakt aanbraden en wat allemaal nog meer? Gelukkig is de tekst voor de viering van morgen al in orde en dat is een zorg minder. Eigenlijk is het huishouden runnen best een leuke bezigheid, je ziet meteen het resultaat, al komt het zorgsysteem steeds terug. Nou ja, als dat geen luxe is?
![]()
Maandag 12 maart.
De zon schijnt volop, het lijkt wel zomer, en de vogeltjes staan sinds vanochtend op het balkon.
Mijn hart is van slag, het is erg onrustig en het maakt me toch bang, al wil ik dat niet. Vanmorgen is in de huisartsenpraktijk de bloeddruk gemeten en de onregelmatige hartslag bleef niet onopgemerkt, ik kreeg het advies snel ermee naar de dokter te gaan en dat doe ik morgenvroeg dan maar. Zo kan het ook niet verdergaan, dat voel ik wel.
We hebben heerlijk gewandeld, ondanks mijn trubbelige inborst, en we genoten van de vogels, de ganzen, de meeuwen, van de schapen en wat nog meer? We zagen de schepen over de Waal gaan, ze voeren gestaag en majesteitelijk, zo mooi om te zien. En de hemel was breed en de bomen nog kaal genoeg en het water stond hoog en het weiland was ondergelopen en de zon scheen vriendelijk en wij waren twee tevreden mensen, blij met de schoonheid van de wereld rondom Oortjeshekken en vanaf de Ooijse dijk gezien.
Gistermiddag reden we naar Den Bosch, we hebben in Huize Liefdevol de kleine hond begroet en kregen beschuit met muisjes: we vierden a.h.w. de tweede geboorte van de borderterriër little lady Dobby van Rieke & Wim. Ze is een snoesje, een kleine rijkdom, je wordt blij van zo’n beestje, ik wel. Het volgende tekstje is ter herinnering.

Little Lady Dobby bij Asha op schoot.
![]()
Wie ben je wel, jij kleine
Jij hondje nog zo broos?
Wij zullen voor je zorgen
Je leven lang, altoos.
~
O kleine hond van standing.
O hondje van geluk.
O hondje welkom in ons huis.
De vriendschap kan niet stuk.
~
Waar ben je dan, jij kleine
Jij schepsel, vacht van bont
Jij zieltje op vier pootjes
Jij zwartgekleurd en blond?
~
O kleine hond van zachtheid.
O hondje, lief geluk.
O hondje voel je veilig thuis.
De vriendschap kan niet stuk.
© 2007 Ine Verhoeven
![]()
Vrijdag 9 maart 2007.
En dan keer je terug van een paar zalige dagen in de Zwanenhof, ze waren alle inhoudelijk verrijkend, en rustgevend en heiligend, zo voelt het me aan, en het is te danken aan de gouden stem van pater Frans die teksten neerzet in hun ware glorie, en het is zijn sacrale medemenselijkheid die zo voelbaar is en ervaarbaar, hij zal altijd en overal iedereen waarderen en het beste van zichzelf aanreiken, en mijn eigen aandeel van die dagen was daarbij dan weer míjn verworven genade. De zusters bleken grote vrouwen vol innerlijke rijkdom en ervaring, het deed me goed, en de tengere Margarita zat daarbij zo broos en toch weer krachtig aan de eettafel en vertelde verhalen uit haar lange, werkzame leven in Indonesië, wat een schat aan historische gegevens maar ook aan anekdotes draagt zij met zich mee! Ze heeft een regelmatig gezicht, er staat iets onverstoorbaars op te lezen, en ogen die oplichten als ze haar binnenpretjes aan het gezelschap meedeelt, zo mooi om te zien. Ik zal enkele van haar wederwaardigheden binnenkort beschrijven en ze dan plaatsen onder Beestenboel, want er zit een lieve aap in verweven. Maar het moet nog komen.
Ik wil straks Rieke & Wim bellen, ze moeten hun kleine bambini intussen thuis hebben, het is Dobby herself. Hoe zal de nacht zijn geweest? Heeft Wim de verrassing dankbaar laten gebeuren? Want Rieke heeft de kleine hondenpup een dag eerder naar binnen gesmokkeld, het is heus waar. Ik zal het wel horen.
S. was ook in Zenderen, ik ben haar dankbaar voor haar aanwezigheid, vooral omdat ik denk dat dit onze voorlaatste retraite is geweest die we hebben gegeven, ofschoon je het nooit helemaal zeker weet. Als pater Frans het fysiek goed maakt, dus redelijk genoeg, dan is er altijd een kans dat we nog een keertje op aanvraag zullen doorgaan, maar die kans is wel klein, want het is een krachttoer voor ons, mensen op leeftijd, om een retraite te geven, te leiden, hoe zegenrijk en schoon, hoe genaderijk en heiligend het allemaal ook is. Maar ja, het is tóch de liefde voor het vak, zal ik maar zeggen, die je besluit nogal eens doet kenteren. We zien het allemaal wel. Voorlopig is het wel genoeg, al komt in de Goede Week de retraite nog voor de gegoede heren. Ook dat zal een bijeenkomst van genade zijn, dat beloof ik mezelf alvast. We zullen het goed maken in die ernstige tijd. We mogen in onszelf geloven. En de gegoede heren natuurlijk ook.
Toen ik S. in de avond bij een glas wijn aanmoedigde om de buitenwereld los te laten gedurende de retraitetijd en ze daarop aangaf dat ze dat helemaal niet wilde en zei: Zo zit ik nu eenmaal in elkaar, toen wist ik dat alle moeite die ik ooit deed om haar een zekere rustigheid aan te leren, vergeefs was geweest. Ik zei: Okay. Het is aan jou, niet aan mij. En ik dacht, perplex als ik tóch was: Nu heb ik voortaan vrijaf, ik hoef helemaal niet aan haar gedrag te sleutelen, ze houdt vast aan zichzelf precies zoals ze is. Ze ziet het niet, ze heeft niet door dat ze met gepaste bescheidenheid beter bij mensen zou overkomen, meer voor hen zou kunnen betekenen, ze ziet het niet en ze zal het denkelijk nooit zien. En ik op mijn beurt zal het voortaan respecteren, al voelde ik alweer die grote afstand tussen ons oprijzen, omdat ik met deze kwaliteit van haar alleen al uit zelfbehoud niet frequent met haar kan omgaan. Best jammer, nee, echt jammer, maar als iemand de eigen obstakels en de eigen hindernissen aldoor niet onderkent, dan houdt alle moeite voor verbetering, ook voor de ander, op. Het geeft ook wel weer rust, ik hoef me nergens meer over te verbazen. Ze heeft haar standpunt bepaald, en dat mag. De consequentie is voor háár.
Indrukwekkend bleek het gedicht Heilig is de tijd. Het zal worden gekalligrafeerd door Margaret Dekker, lieve vrouw, mooie religieuze, warm en empathievol ingesteld. Als je haar, en de andere zusters, zo beziet, zou de wereld zo schoon en gelukkig kunnen zijn, als we allemaal en overal van die mensen zouden zijn van goede wil, onverkort. Maar goed en kwaad gaan samen, het is een gegeven waar we niet onderuit kunnen, geen mens, we moeten ermee leven, hoe moeilijk het ook is. En we moeten bidden, bidden om inkeer, om inzicht ten beste, voor de vrede, voor de medemenselijkheid, voor de eerlijkheid, voor de gerechtigheid voor ieder van ons. In theorie is alles te beleven, maar de praktijk, daar gaat het om. Ik doe mijn best, zal mijn best blijven doen om de wereld een stukje mooier te maken, te beginnen in mijn eigen kleine kring, elke dag opnieuw. God moet het doen lukken, en ik. Meewerken met de genade, zeiden ze vroeger, je moet meewerken met de genade die je toevalt. Het is vrij vertaald meewerken met de talenten die je toevallen, met de inzichten en met de moed, die elke mens toch wel meekrijgt, want je moet ook de moed hebben je innerlijk prijs te geven, als je je innerlijk niet aan anderen laat lezen, kun je weinig voor het gemoed van de ander betekenen, daarvan ben ik overtuigd. Zekerheid biedt uitkomst, niet het giswerk naar de ander toe, wel de zekerheid. Onzekerheid maakt mensen wankel, zekerheid geeft mensen hun richting aan. Ik denk het wel.
~
HEILIG IS DE TIJD
~
Tijd o tijd, van eeuwigheid
doordrongen is mijn geest.
Alles wat is geweest
heeft mij tot mens gemaakt
heeft mij tot God gebracht.
Alles wat is geweest
heeft vruchten afgeworpen
alleen maar goed, alleen maar groot
alleen maar heilig door de tijd.
~
Heilig is de tijd.
Alleen maar heilig is de tijd.
Alleen maar eeuwigheid in God.
~
Tijd o tijd, van eeuwigheid
gezegend is mijn geest.
Alles wat is geweest
heeft mij tot ziel gemaakt
heeft mij tot God gebracht.
Alles wat komen gaat
is zegen van de Hoge
alleen maar puur, alleen maar schoon.
alleen maar zalig in de tijd.
~
Heilig is de tijd.
Alleen maar heilig is de tijd.
Alleen maar heerlijkheid in God.
© 2006 Ine Verhoeven
![]()
Dinsdag 27 februari.
De Gauwe Blauwe is weg. Twaalf jaar lang heeft hij dienst gedaan, trouw en degelijk als hij was, maar nu is hij weg. We hebben hem een klopje op zijn oude neus gegeven bij het afscheid en we wisten de vergankelijkheid van de Gauwe Blauwe, van álle materie - en van onszelf.

Een indruk van de Gauwe Blauwe, 1995 - 2007.
Afscheid moeten nemen van wie of wat dan ook is een indrukwekkende confrontatie waar we als sterfelijke mensen vaak mee te maken krijgen, iedereen kent het, maar in dit geval is het, in de persoonlijke sfeer gebleven, alwéér het loslaten, alweer het moeten loslaten van de vertrouwde dingen die jou hebben gediend, maar vooral van de jaren die vervlogen achter je liggen, van de tijd die maar doorgaat en doorgaat en nooit eventjes teder stopt en gedienstig wacht om je wat meer tijd en ruimte toe te staan; het is de tijd die jou geeft en die jou alles weer afneemt; en dan heb ik het verdrietig genoeg niet eens over onze geliefde mensen die gestaag en beurtelings moeten afhaken in de tijd, die allemaal op een keer zullen verdwijnen, zullen sterven en over zijn, onherroepelijk voorbij, wijzelf incluis.
Het is de Veertigdagentijd, momenteel. Je hoeft, vooral als oudere mens, niet bewust te vasten of je bewust iets te ontzeggen van wat je na aan het hart ligt, het overkomt je vanzelf wel, helemaal vanzelf, je hoeft er niets voor te doen. Het leven zelf legt de mens aan banden, zet de mens op rantsoen, maakt de mens magertjes in zijn beleving van het leven, daar is geen vastentijd voor nodig, geen boetedoening, nee, geen enkel soort van zielentuchtiging hoef je op je oude dag nog na te streven, het leven zelf doet zijn straffe werk, punctueel, natuurgetrouw, vaak onbarmhartig.
En toch, ik zeg het telkens weer, toch is het allemaal de moeite waard geweest en nog steeds, hoe alles in het leven zich ook heeft gekleurd voor jou, zwart of wit, grijs of rood, oranje of lichtblauw, roze of groen, paars of bruin, gemêleerd of effen, het maakt niet uit, je hebt als mensje immers de kleuren van de regenboog beleefd, doorleefd, ja, wie heeft dat eigenlijk niet?
Vanmorgen was ik bij de KNO-arts, het was weer een ondergaan van de voorbije dingen, het was weer een bevestiging van het beste dat voorbij is. Je wordt rap doof als een kwartel - zijn die beestjes trouwens écht doof of is het een volksgezegde dat een voorgewende doofheid van iemand die niet wil horen, uitdrukt? Enfin. We roeien maar door met de riemen die we nog hebben en we zeggen maar wat vaker: WAT? Of ietsje beleefder: Ik versta je niet. Echt niet.
~
Nog even over de Gauwe Blauwe gesproken. Toen hij gisteren naar de garage werd gereden door pater Frans brak symbolisch het armpje van de ruitenwisser af, het regende. De ruitenwisser was onbestuurbaar, de regen gutste en daar ga je dan met de laatste ontgoocheling over de brug en rechtsaf geslagen, recht naar het eindpunt van jouw actieve deelname als goede chauffeur aan het wegverkeer. Dan denk je: Hoe bestaat het! Op het kardinale moment breekt er iets heiligs af, alsof een engeltje je ergens een goede bevestiging van het afscheid toespeelt. Zou het dan toch waar zijn?
![]()
Vrijdag 23 februari.
Wat doe je als je hart onrustig is? Waar komt je onrust uit voort? Soms verwondert het me in hoge mate hoeveel ongewisheid en trubbels over één mens kunnen worden uitgestort, hij heeft er niet om gevraagd. En toch gebeurt het, de ene zorg na de andere komt voor je te staan, de ene tegenslag na de andere krijg je te verduren en alles aan onheil heb je gelaten te ondergaan. Je doet er niets aan, en je hoefde er ook niets voor te doen: het gebeurt onverkort. En dan wordt je hart onrustig, het klopt verkeerd, slaat onregelmatig, fel bonsend en met versneld tempo. O onrust, ga alsjeblieft heen! De rust in je dagen is je lief, de gerustheid van je hart is het meest begeerde goed. Want datzelfde hart belemmert je in je doen en laten. Wat een ongezegende situatie. Je wilt leven, in gerustheid je dingen doen, afmaken waar je mee bezig was. En je hart is als een op hol geslagen wekker, zoiets dan, en je moet je stil houden, bent bang dat het ophoudt te kloppen. En je zit in je stoel en je doet niets, en als je wel iets doet, is het strikt nodig. Je vermoeide hart houdt jou gevangen, of zou het je hoofd zijn dat jouw hart verontrust? Het komt wel weer goed, alles komt uiteindelijk weer goed, dat is een hele oude wet. Je mag erop vertrouwen: straks is alles weer goed. Ga maar wat lezen, iets moois, iets liefs, iets goeds, iets waar je blij en verwonderd van wordt, iets waar je God in herkent, want Hij is toch je troost in je kleine bangheid? Is dit gedicht hieronder niet mooi op zo’n onrustig moment?
~
Met engelen te zingen
~
Ik heb de stilte aangetikt;
ik vroeg haar met weinig woorden
of ik binnen rusten mocht, want
ik was zo moe van het lawaai van
alledag; en de stilte liet mij toe.
~
En in de stilte heb ik water
horen zingen in de beken;
en langs de rotsen floot
de wind haar melodie;
en aan de bomen ruisten
bladeren hun talen;
en heel de wereld leefde op
in biddend lied.
~
Ik heb het mogen horen
toen ik daar te rusten zat
in die genadetuin van God;
want ik was zo moe
van het lawaai van alledag,
van het jachtige verkeer,
de snelle tred; van de chaos,
van de herrie, van de haast.
~
Maar dat is voorbijgegaan;
verzaligd heb ik in Gods stilte
Zijn stem beluisterd in het leven
om me heen: zelfs de allerkleinste
kelen trillen klanken naar de wereld;
alle zielen, zelfs de bloemen
zingen langzaamaan naar rust ~~.
~
Het is het wonder van de schepping,
godgegeven; tonen van leven,
geheiligd tot 'n lied, hemels gezang:
ballades ~~ voor de engelen.
~
Uit de weldaad van Gods stilte
ben ik verkwikt teruggekeerd.
© I.V. in Van Mensen Onderweg – met Geloof, Hoop en Vrede.
~
Ik wil als memorabilia een kleine passage uit het bovengenoemde boek vastleggen in dit dagboek, het is van belang, denk ik, het af en toe eens rustig na te lezen.
Citaat 1: Uit de brief van 28 augustus 2002 aan mijn beminde geloofsbroeder de journalist Leo Jacobs in Monviel, Frankrijk.
'Gezegenden zijn wij dat wij ze mogen kennen, onze kinderen en onze kleinkinderen. Overweldigend is het te mogen zien hoe de ene generatie de andere opvolgt, hoe de kinderen van onze kinderen, al of niet op ons gelijkend, verdergaan over onze wegen. We mogen ook zien, hoe weinig een generatie toevoegt aan veranderingen in de levenskern: Blijft immers de oerbehoefte niet tot in details dezelfde als die van altijd en eeuwig? Het is zoals het onlangs eenvoudigweg benoemd is door de zanger Herman van Veen met: 'Andere namen'. Het zijn inderdaad slechts de andere namen, de rest ten leven blijft overeind om zich in het kind, in het kleinkind te herhalen. Ik bedenk dat het zó wis en waarachtig zal zijn.'
~
De middag ligt wijd en open voor me, de kinderen zouden komen, maar het is intussen niet zeker meer, omdat oma Ciska erg laat in Den Bosch zal arriveren met de trein uit Hoek van Holland, met de auto dan weer doorrijden naar Nijmegen zal misschien te vermoeiend worden. Ik wacht het af. De dag is lang genoeg.
16.26 uur. Ze komen niet, de kinderen, ze komen niet. Ik had vandaag nog ouderwetse omasoep getrokken, een grote pan vol, maar ze komen niet. Oma Ciska is pas om 5 uur in Den Bosch. Dat wordt inderdaad voor iedereen te laat. Tot de volgende keer dan maar weer. Het is trouwens een mooie vrijdag. De zon is er en de lente wil zich vestigen, je voelt het, je ruikt het. De vogeltjes zitten weer te broedselen in hun kleine kooi. Er lag alweer een eitje tussen hun papieren snippers, vanmorgen, het was nog warm toen ik het oppakte. Ik heb een kleine doos in de kooi gelegd en wat raffia, ben benieuwd wat ze ervan gaan maken, die twee. O, wonderlijke wereld van God, ook het miniatuurwereldje van Brokje & Kipje. En jongens, wat zijn ze druk in de weer. Nestje bouwen, heet dat. We gaan, echt waar, weer richting Pasen. Het paasgevoel ontwaakt. De paassfeer tikt ons aan. Op het balkon staan de blauwe druifjes van Sybil, de gele narcisjes van Marianne & Frans, de rode kerstbesjes nog van pater Frans en ook nog van hem de witte ranonkels, alles is in blije vergadering met de dieppaarse krokussen, die voluit hun glanzende pracht tonen aan de grote wereld eromheen. Mijn balkon is mijn heilige getuige. God is goed.
![]()
Maandag 19 februari.
Op de voorbije zondagmorgen reden we naar Velp. De pater zou daar de heilige mis opdragen en prins carnaval en zijn prinsessen, de raad van elf en de nar en nog veel meer carnavaleske figuren en het ganse gelovige kerkvolk zouden in dat ene zondagse gebedsuur de heilige viering bijwonen. We togen dus naar het dorp en reden rond 09.45 uur het oude Velp binnen. De kerk moest aan de zijkant van het plein zijn, of wellicht iets verderop, maar we zouden rechtstreeks en zonder mankeren de kerk bereiken, het was gezegd, en we waren ook nog ruim op tijd. We voelden ons gerust en tevreden.
We reden daar dus op die feestelijke zondagmorgen en kwamen bij het plein en we zagen geen kerk. Vergissinkje. Dan maar doorrijden, het VVV-bordje gaf het aan: 10de eeuwse kerk, díé kant op. We reden díé kant op, gingen langs de lange straat die versierd was met de Velpse geelblauwe ballonnen - het deftige dorp heet in deze dagen De Zandkruiers - we zagen het woonhuis van Prins Bernhard dun eerste, we zagen geen mensen, we zagen niemand en ook zagen we geen kerk. Dit kon niet bestaan, maar het bestond wel. Ik keerde de auto aan het einde van de lange dorpsweg, stopte bij een vrouw met een hondje en vroeg naar de parochiekerk. Ze wist het niet, stuurde ons naar het 10de eeuwse stuk antiek van het VVV-bordje en we reden verloren, geen mens te zien, een doodsomber kerkje en iets verderop stonden drukdoenerig tientallen geparkeerde auto’s bij de capucijnenkerk die ook met de geelblauwe feestballonnen was gemarkeerd, maar daar moesten we echt niet zijn. Dan maar weer terug. Aarzelend stopten we aan de uiterste rand van het dorp, welke kant dan toch op, die kerk moest toch érgens zijn? Wéér de lange weg afgereden, ik begon licht paniekerig te transpireren en de pater had last van een doemscenario. Ik ook, trouwens. We reden zigzaggend door Velp, zagen weer iemand lopen, nu een jongeman met twee enorm grote honden, ze deerden ons niet, we vroegen dapper de weg. De jongeman was uiterst behulpzaam, maar ook hij wist niet waar de parochiekerk was. Ook hij zond ons naar het 10de eeuwse krotteke. Ik snapte er helemaal niets meer van. De rit ging weer richting kapucijnen, we reden langs een hoge kloostermuur - onsympathiek geval - en kwamen moedeloos bij de minderbroeders aan: ‘Hier is het helemaal niet!’ Ik durfde mijn horloge niet te raadplegen, maar dat had de pater al gedaan, hij zag witjes, en zat er eerlijk gezegd een beetje futloos bij. Ik begreep het volkomen, bleef kalm en wist: ik móét het redden! D’n prins, de prinsessen, de nar en de raad van elf… en al die mensen die feestelijk plechtig naar de mis zullen zijn gekomen vanmorgen, zucht, oef, help, hoe moet het nou verder, waar is die kerk dan toch?
We belden aan bij de kloosterpoort, hoorde gregoriaans gezang, zwaar en mannelijk, niks carnavalsviering hier! We keerden om, gingen weer in de auto, reden achteruit en waren bijna wanhopig. Toen kwam een vrouw naar buiten, vroeg wat er gaande was. ‘Het is tien voor half elf en de pater moet om half elf de carnavalsmis doen in de parochiekerk van Velp, maar we kunnen de kerk niet vinden. Weet u misschien waar die is?’
Mijn paniek werd mijn verdriet.
‘U moet helemaal terug, mevrouw, het oude dorp door naar de grote weg en dan bij de verkeerslichten rechtsaf en dan doorrijden en bij de benzinepomp meteen rechtsaf slaan en daar is de parochiekerk.’
‘We halen het niet meer’, riep ik smekend, ‘wilt u alstublieft voor ons de parochiekerk bellen om te zeggen dat de pater in ieder geval nog komt, dat de mis doorgaat, dat we onderweg zijn?’
Nou, dat deed ze natuurlijk niet, zei wel sussend dat we het gemakkelijk konden halen, we hadden nog tien minuten.
Ik begreep haar wel, maar ik zou het wél hebben gedaan voor alle mensen in zulk soort nood. Enfin.
We reden terug, de klok reed mee, de tijd ging nog sneller dan anders.
We begrepen de weg niet die ze ons had ingestuurd, het was ook niet te snappen, ik had er geen beelden bij, niets herkenbaars.
Een meisje met blaadjes voor in de brievenbussen liep daar onschuldig en we vroegen haar ten einde raad waar de kerk dan toch wel was. In de paniek die nu onverbiddelijk toesloeg, wisten we het gewoon niet meer. Het meisje zei vriendelijk en gedecideerd: ‘Oversteken bij de grote weg en dan rechtdoor en linksaf en dan weer rechtsaf en daar is de kerk.’ ‘Ja’, zei ik, ‘maar dat is de kerk van Grave! We moeten naar de kerk van Velp.’ ‘Die weet ik niet’, zei het meisje. Het leek erop dat we in een horrorfilm meededen, wij waren de acteurs, dit was niet echt, kón niet echt zijn. Maar het wás echt, en het was niets anders dan echt. De kerk van Velp was onvindbaar. We reden weer een stukje terug, moedeloos en toch ook weer ferm: het kon niet bestaan dat er geen kerk was! De jongeman met de grote honden liep daar weer en hield ons aan met opgestoken hand: ‘Nog niet gevonden? Dan denk ik dat u naar Nieuw-Velp moet.’
Nieuw-Velp, waar ligt dat nou weer? We weten niks van Nieuw-Velp! We moeten híér zijn, in Velp!’
‘U moet deze weg helemaal terugrijden en rechts de grote weg opgaan en dan almaar doorrijden, tot aan het benzinestation, die weg moet u inslaan en daar zal ergens de kerk dan wel zijn, denk ik. Succes.’ Ik kon wel huilen, maar deed het niet. De pater zei: ‘Ik geef het op, laten we maar omkeren, huiswaarts gaan, we vinden het niet en het is al half elf voorbij. Er is niks aan te doen.’ Ik hoorde droefheid in zijn gouden stem.
‘Is er een telefoonnummer?’
‘Nee, ik heb helemaal niets bij me, ook niets doorgekregen.’
Toen ging ik inene kordaat en met grote spoed de lange weg af, reed over de hobbels en de nare drempels, zag een boer in carnavalskiel op de fiets en verder was er niemand, ik reed rechtsaf de grote weg op, reed door en door, zag een benzinestation met een piepklein weggetje ernaast en sloeg nog eens rechtsaf, precies zoals de jongeman als laatste het had aangegeven. Naar Nieuw-Velp dan maar! Het was daar het industrieterrein of iets dergelijks. We gingen door een straat met gelijke huizen. Er reed een auto, stop! Een lieve mevrouw stapte uit, zag waarschijnlijk de nood op onze gezichten getekend staan, maar de parochiekerk, nee, die wist ze niet. Ook het kleine meisje in de auto wist niet waar de kerk was. En inderdaad, we zagen nergens een kerk. Nog altijd zagen we geen kerk. Het was niet te geloven.
Ik draaide de auto, reed terug het kleine weggetje uit en kwam weer op de grote weg. Ik ging linksaf naar het benzinestation, stapte uit de auto en ging naarbinnen. ‘Juffrouw’, zei ik, nu innerlijk echt gebroken en nerveus, maar uiterlijk kalm, dacht ik, ‘weet u de parochiekerk van Velp? We moesten er om half elf zijn, de pater moet er de mis doen, maar we kunnen de kerk niet vinden.’ De juffrouw voelde de nood goed aan, nam een boekje en zei: ‘Hoe heet die kerk, mevrouw?’
Ik wist het niet. Ik wíst het niet!
‘Is het de hervormde kerk?’
‘Nee, de katholieke.’
Kijkt u zelf even in het boekje, misschien ziet u het aan de naam.’
Ik vond de kerknaam en ze legde rustig uit hoe we er konden komen.
~
We gingen weer rechtsaf de weg op, reden een eind verder en zagen weer een benzinestation, bij de verkeerslichten en ja, daar stond het bordje VELP. ‘We zijn er’, juichte ik iets te vroeg. Ik zag een klooster ter linkerzijde en in mijn verheugde blijdschap reed ik de oprijlaan van het complex op. Er werd daar verbouwd. En er was geen kerk te zien. ‘Dit kan niet waar zijn’, zei ik gesmoord, ‘die mis kunnen we wel vergeten, het is bijna kwart voor elf.’ Aan de overkant van de kloosterlijke uitrit stond bij een huis een jonge vrouw. ‘De parochiekerk, weet u die misschien?’ Ze wees: ‘Daar, iets verderop is de kerk, mevrouw.’
~
Om kwart voor elf ging de pater de begeerde parochiekerk van Velp binnen.
Ik parkeerde de auto en had het warm, erg warm. Toen herstelde ik me, ging door het voorportaal, hing mijn jas aan de kapstok en stapte de kerk in. Er was nog een plaatsje vrij naast de raad van elf.
De blaaskapel speelde wonderschoon, de liederen klonken warm en gastvrij, bemoedigend zelfs. De pater schreed met twee caravaleske misdienaresjes naar het altaar. Hij heette de prins met zijn gevolg welkom, vertelde de gelovigen van de onfortuinlijke rit en iedereen lachte erom. Hij zette me als zijn chauffeuse in benauwde tijden in de Zandkruierszon, men zag me daarbij verlegen genoeg in de kerkbank zitten.
~
Maar de hele viering was een weldaad, de mensen waren tevreden, blij, vol vreugde zelfs, en de preek van de pater was een sprookje - over folklore, over God en over medemenselijke goedheid - dat alleen levensechte waarheid bevatte. De mensen waren blij met zijn terugblikkende en ook veelbelovende gesproken woord, het werd hem na afloop nadrukkelijk gezegd; we konden het ook zien en merken aan de mensen om ons heen. We dronken koffie met de prins die iedereen krentenbrood had beloofd, maar dat was in een keer erg snel op: d’r wâr doar veul volk mee lèkkere zin.
~
De blaaskapel had zijn best gedaan, een muzikante droeg een vrolijk hoedje terwijl ze haar instrument beblies, het hoedje schitterde zijn kleurtjes in het kaarslicht en gaf het geheel daar achter het altaar een extra vrolijke noot. Mijn gedicht, waarmee ik de preek van de pater had mogen afsluiten, werd bejubeld, men vond het mooi en vroeg om de tekst. De vreselijke rit lag ver achter ons. En toch, ik heb de routes nog vaak herhaald, mijn geest moest het onheil van die morgen nog verwerken.
Maar de carnavalsmis 2007 van Velp was een feest om nooit te vergeten. De rit ernaartoe was een ongelofelijke gebeurtenis, een boze droom die bizar genoeg echt aan ons gebeurde. En toch was de dag van goud. De mensen waren van liefde, ze deden aan liefde en ze gingen aan de lach. Wat kun je nog meer wensen?
~
Ik was uitgeput, haalde chinees, want we moesten toch ook eten, en ik ging slapen in de namiddag. De tocht was alles bij elkaar de hele moeite waard geweest. De viering was van God, dankzij de pater die ferm standhield in dat heilige uur. Deo gratias!
De lach zegent het leven
Deze dagen zal het carnaval gloriëren, het halve land zal op zijn lieve kop staan.
Er zal drank vloeien bij gelach en gezang en bij veel lievigheid die later wellicht uiteenspat, want ze is gemaakt van de waan van de tijd.
Maar één ding, één heel lief ding staat vast als een tróóst bij de waan van de tijd, het is de mensenlach die naast de tranen der bedroefden het ménsenhart optilt, het liefelijk óplicht uit de troosteloosheid van de waan van de tijd, van de dag, van het moment. IJdelheid en leegheid? Je mag het leven vieren!
De lach zegent het leven
Lach dan, mensenkind, lach!
Want de lach van het hart
is een goddelijke ode
aan het grootse leven
van toen en van nu en van ooit.
Want de lach van het hart
is een kleinood van God
dat hoog opstijgt uit het lieve.
Want de lach van het hart
is het kostbare goed van de mens.
De lach zegent het leven.
~
© Ine Verhoeven
![]()
Maandag 12 februari 2007.
En dan is de tijd aan het overgaan naar een nieuw seizoen, maar ook sleept de tijd de mensheid met zich mee naar telkens opnieuw nieuwe dingen ten leven. De kinderen zijn op hun bestemming, het was vandaag de eerste dag in het nieuwe pand waar zaak en mankracht voortaan zijn gehuisvest. Het zal goed zijn, het IS goed. De twee zijn nijvere mensen, nooit lui geweest, wel altijd paraat en correct in de arbeid die hen ten deel valt. Ik ben vaak verbaasd over hun beider condities. Het mag hen goed gaan, heel erg goed.
Intussen wachten we op Burby, die misschien Dobby gaat heten. Mij kan het niet schelen, de namen passen allebei bij de borderterriër, denk ik. Maar ja, ik wil onderhand op visite, op de beschuit-met-muisjes-visite. Maar eerst wordt het carnaval. Ik doe in princiep niet aan carnaval, maar pater Frans celebreert de carnavalsviering in Velp; ik neem er graag deel aan met een korte tekst waarmee de preek zal worden besloten. Het zal een carnavalesk heilig uur zijn, want d’n prins en z’n prinsessen met hun hofhouding zijn er dan ook. We zullen allemaal onze God lof en dank en alle eer brengen in de eucharistieviering van 10.00 uur in de parochiekerk van Velp/Grave. En het zal goed zijn, daar vertrouw ik op.
Gisteren droomde ik over mijn schoonzus Julie. Ik zag haar in verschillende decennia. Ze was jong en gaaf en ze was mooi zoals ze altijd mooi is geweest. Het was een vredige ontmoeting in verschillende fases. Het voelde goed dat ze bij me was, hóé ze bij me was, rustig als altijd, tevreden en zachtmoedig. Het was een heilige ontmoeting. Toen ik wakker werd, dacht ik: ik zal een mailtje sturen om te vragen wat er met haar aan de hand is. Voor mijn gevoel was er iets ingrijpends met haar gaande, iets heel anders dan gewoonlijk. De droombeelden waren te indringend geweest. Ik moest me reppen naar de Dominicuskerk en was in een haast geraakt, en na de mis reden we door naar Eindhoven en ik kon dus niet e-mailen naar mijn broer. Toen ik in de vroege avond thuiskwam, stond er een e-mail voor me klaar met het bericht dat J. was opgenomen na een val en waarschijnlijk niet meer thuiskomt. De droom was helder en klaar: ik had die nacht afscheid genomen van Julie, nee, we hadden afscheid genomen van elkáár. Mijn broer kan me emotioneel niet op bezoek hebben, momenteel. Maar die droom is me meer waard dan een bezoek. Deo Gratias.
Het regent en regent, maar de tijd zal alles keren, de zon zal weer schijnen en de bomen zullen ontluiken en de tuinen zullen bloeien en de vogels zullen zingen en lang zal het niet meer duren, het heeft er alle schijn van. En toch, het is nog altijd winter, dus je weet het niet.
P. was verguld met het gedicht, dat ik memorabel onder Odes & Lyriek heb geplaatst. Ik ben er zo blij en dankbaar om… Ja echt, de tijd kan alles keren, en met een beetje geluk en goede wil gebeurt het ook. Als je goed bent met elkaar maak je elkaar tot meer mens, maak je elkaar van vrede. Het leven draait om liefhebben, onverkort, en elkaar vergeven wat elkaar is aangedaan. De wereld zou er mooier van worden, het zou hier beter toeven zijn, voor iedereen, echt voor iedereen. Dit moet doordringen bij elk individu. Daar kun je gerust voor bidden, denk ik. Al heft bidden op zichzelf de onzalige onvrede niet op, het zet wel aan tot goed te doen. Je mag het hopen.
![]()
Maandag 5 februari.
Mijn hoofd en mijn hart zijn in gevecht.
Mijn hoofd en mijn hart botsen met elkaar.
Mijn hoofd en mijn hart spreken andere talen.
Mijn hoofd en mijn hart worden het niet eens.
~
Ja, die ratio en die emotie, wat kunnen ze samen lastig zijn in een mensenlijf. Mijn hoofd duizelt en mijn hart slaat over, ik kan ze inhoudelijk niet samenvoegen, ze kunnen het niet eens worden; denken en voelen zijn differenties die je niet kunt dwingen, ook niet als dichter, ook niet als schrijver, ook niet als christen, ook niet als de alledaagse mens die ik ben.
~
Het is nogal wat, te weten dat het huis verdwijnt, de zaak verdwijnt, je kinderen in een moeizame fase zitten, en ook nog dat je er niet voor hen kunt zijn, gewoon door de omstandigheden, voortgekomen vanuit het leven, en ze duren al jaren en jaren. Langzaam maar zeker word je verdreven naar de rand, naar de marge; je rijke leven is over, je moet eraan geloven, of je wilt of niet. En toch. Diep in je ziel weet je dat je nooit verloren zult gaan, zelfs dat je goed terecht bent gekomen, dat je op je plaats gevallen bent, juist toen je die ene weg bent ingeslagen, toen je sámen die ene weg bent ingeslagen: de weg van het afscheid. Maar nu blijkt dat er geen afscheid is, er ook niet kan zijn, je blijft samen verbonden door van alles en nog wat, en vooral door je kinderen: ook hier moet je aan geloven, ook hier geldt: of je wilt of niet.
~
En dan kijk je in de spiegel en je ziet wie je bent geworden, want je bent niet meer die je was, je bent die je nú bent, onverkort ouder geworden, getekend, de jeugd voorbij, de rijpe vrouw die je toen was voorbij, en je weet dat je onderweg bent naar ergensland ver weg, of niet. Alles is zo vaaglijk, nooit krijgt een mens zekerheid, alles verglijdt, ontglipt je, niets kun je vasthouden, het is alles ijdelheid, of zoals het tegenwoordig heet: het is alles leegheid.
Ik verzet me tegen het bijbelse begrip over ijdelheid, over leegheid. Het is niet waar dat alles ijdele leegheid is. Alles is juist volheid. Het leven is een en al volheid. Er is zoveel volheid dat je niet eens meer uitgerust raakt, ja, zóveel volheid biedt het leven je, dat je moe bent en moe blijft, nooit eens monter, altijd moe.
En toch. En toch ga je door, wil je leven. Toch is het de moeite waard om er te zijn, om er te mogen zijn. En met die gedachte bevestig je dan weer de dankbaarheid die je, ondanks alles, voor je ouders reseveerde, ooit en nog steeds. Geschokt denk je terug aan het gezicht van je moeder dat ze jou getoond heeft met vreugde en verdriet, met de hardheid, de zachtheid, de ongenaakbaarheid, met de ingekeerde tranen, en niet. Hard was het leven met haar, en soms verrassend zacht, maar dát nooit lang, dat hield ze niet vol. Ik was haar lieveling niet, en dat kan, dat mág zelfs. Ook zij heeft het recht gehad. Ook zij heeft haar leven moeten leiden, moeten leren, moeten ondergaan met alle voors en tegens… wat zal het haar zwaar te moede zijn geweest in die oude tijd, in die loodzware oude tijd.
~
Hoe kom je op bepaalde gedachten? Hoe relateer je je denkwereld aan je dagelijkse leven? Ik zag gisteren een schitterende uitzending van de KRO met Herman Finkers. Ik denk dat hij me opnieuw en opnieuw aan het denken heeft gezet, want zijn visie was/is ongeveer gelijk aan die van mij; ik was verrast en ook blij met zijn diepere levensvisie, wist daardoor dat ik goed zat met de mijne. Mensen hebben van tijd tot tijd herkenning nodig. Mijn vrienden zijn schaars, al zijn zij, die ik liefheb, wél erg goed en gedegen als vrienden. Maar herkenning is moeizaam te vergaren, je wilt niet zeuren, niet doordrukken wat je denkt, niemand belasten ermee. Finkers nu dacht en denkt zijn dagen en zijn nachten door, ik doe hetzelfde, het zit in de kunstenaar, denk ik, in het diepere gevoelen van de artiest, in zijn rusteloze beleving der dingen; in zijn angsten ook, zelfs in zijn doorgroeide angsten. God, wat heb ik in mijn leven angsten gekend, niemand zal dat beter weten dan Jij. Als een levenslange veroordeling: bang zijt ge en bang zult ge blijven. Maar dat laatste klopt niet, de angst gaat over, op een goede keer leer je de angst hanteren en zelfs verdrijven, weg ermee. Het heeft wel veel tijd nodig, veel leerproces, veel geduld en vertrouwen. Wie zei destijds dat het leven een geschenk is? Het is het moeilijkste wat een mens kan overkomen: het leven te leven. Het leven góéd te leven. Maar het is te allen tijde de grote moeite waard. Als je maar niet vergeet lief te hebben, je buren en de passanten, je kinderen en je vrienden, je bloedverwanten en wie nog meer, hen allemaal lief te hebben, daar gaat het om. De wereld schreeuwt erom, de mensheid smeekt erom: heb lief en we zullen leven.
![]()
Donderdag 1 februari
In februari voelt een mens de verre lente komen. Deze winter was het nog altijd geen winter, nauwelijks of niet. Maar je weet niet wat er nog komen gaat, of het nog sneeuwen wil, of vriezen, het kan best zijn. Op mijn verjaardag, einde maart, heeft het menige keer nog gesneeuwd, wat was dat verrassend en teder en mooi, in mijn nostalgische beleving. Maar deze februaridag begint zacht en natjes, en ergens luidt de lente haar klokjes ongehoord maar wel gezien, zoals de sneeuwklokjes daar staan te pronken in de kleine tuin van pater Frans. O Catharinahof, wat heb je veel teweeggebracht in mijn late leven, veel aan goeds, veel aan dieps en heel veel aan liefs. Wonderlijk zijn de wegen die mensen gaan. Wonderlijk ook is het geloof in God. Wie kan het plaatsen? We denken, we praten, we doen, we lachen, we huilen en we vieren gedachtenis rond God, de Hoogste in ons leven, de Eeuwige die we niet kunnen noch willen missen. Wat is het leven zonder God? Hij is in ons denken en doen geworteld, in ons diepste binnenste beweegt altijd ons geloof in God. Soms wintert het met hem, soms wil het zomeren met hem, uitbundig zomeren, en soms kijkt de lente om de hoek van je benarde leven; kijk en weet dan gerust: daar is de vrucht van God die je liefheeft, die jij liefhebt. Het goede leven ontkiemt, staat op en groeit en bloeit tot ieders eer en glorie; je eigen kwetsbare leven herstelt zich vanuit de diepe neergang. Goddelijker kan toch niet?
Wat het ook inhoudt, God liefhebben, het streven ernaar alleen al brengt goede vrucht voort, als je God tenminste innig evangelisch liefhebt. God liefhebben en de mensen, dat moet op één regel te lezen staan, dat moet in één adem worden uitgesproken en in één handeling gebeuren. Je kunt het een niet loskoppelen van het ander, God alleen liefhebben gaat niet, de mensen beminnen zonder God (Goed) als zuiverste kern, gaat ook niet. God (Goed) moet het hart vormen, de ziel zijn van alles wat je doet, en van wie je bent: want God is Goed. Je moet als mens ook alleen maar goed wíllen zijn, slecht of kwaad dient niet tot leven, slecht of kwaad maakt stuk, vermorzelt de mens, verwart de ziel, maakt het hart ziek, geeft geen toekomst. Februari, februari, wat doe je weer met mij. Ik ga koffiedrinken, op Catharinahof.
![]()
Woensdag 31 januari
Met nekklachten rondlopen, doet niemand met plezier. Het verstoort je dagritme, je vreugde, je doelstelling, je rust. Ik heb derhalve fysiotherapie, twee keer in de week, vanmorgen was de eerste behandeling. Dat alleen al maakt een mens als ik rustiger. Gestaag ouder worden, wat houdt het allemaal in!
Om half 11 waren we bij onze goede vriendin zuster Brigit. Ik had vannacht (bij alweer een kleine slapeloosheid) een schattig lijstje uitgezocht en het zachtroze ribbelpapier erbij gekozen om het januarigedicht met de musjes van © Sten Oomen - dat momenteel het Openingsgedicht is van mijn website - daarop af te drukken. Het is beeldig geworden en Brigit is er blij verrukt mee. Ik heb graag rekening gehouden met haar sobere maar zeer gedistingeerde smaak. Heerlijk is het haar blij te weten, ze is een prachtige vrouw, innerlijk en uiterlijk mooi en beschaafd. O, dan weet je weer dat vriendschap heilig is.
Sybil, piekvriendin, was gisteren bij me gekomen. Ze bracht kleine roze bloemetjes mee, veel gebak en chocoladeflikken met studentenhaver erop, van LeonarD, de beste banketbakker van Vinkeveen. We snoepten ook nog cakejes die ik in Asha’s bokaal had gelegd en ja, ik dacht: daar ga je weer, Ine, je wordt vast en zeker snel weer dik(ker). ☺ Vanmorgen zag ik op de weegschaal dat ik 1½ kilo ♥ ben afgevallen. Het zal vooral van de extra dagelijkse beweging zijn, we hebben gisteren in Nijmegen gewinkeld en het was, lopend en wel, gezellig genoeg. Het resultaat geeft de burger moed, ik ben snel weer op mijn rantsoen overgestapt. Houden zo.
Sybil is echt een portret dat je moet leren verdragen. Het begint me aardig te lukken, al liet ze me gistermiddag probleemloos een dik half uur in de auto wachten toen ze doodgemoedereerd even in haar uppie op visite ging bij een gezamenlijke franciscaanse kennis. Ik dacht: ze roept me wel binnen als het uitkomt bij M., of ze haalt me even uit de auto als het leuk wordt, of als het bezoekje wat langer gaat duren. Maar Sybil koos ervoor om me stil en koud te laten zitten waar ik zat en ze vertelde tegen M. dat ze tevoren bij mij op bezoek was geweest en háár nog even kwam begroeten omdat ze tóch in de buurt was. - Het was nota bene mijn idee geweest om naar M. toe te gaan. - Enfin. Ze dronken samen een kop thee, met koek erbij en ze hebben in die heel ruime flat van M. warm gebabbeld; ik had het buiten in mijn krappe auto stil, saai en koud. Toen ik op de terugweg hoorde van S. dat ze had gelogen over mij, heb ik in eerste instantie liever gezwegen. Ik dacht: och, laat maar zitten. Maar met het telefoontje met P. erbij geteld, waarbij ze ter plekke verzon dat ze aan de koffie zat en eraan dacht hem te bellen voor het adres van Cor G., die in het ziekenhuis ligt, en waarbij ze P. niet vertelde dat ze bij mij was en we sámen een kaart naar Cor wilde sturen, werd het weer anders. Aan het einde van de dag van gisteren wist ik het allemaal weer. Ergens in de jaren ’90 ‘vergat’ ze me bij een officieel gezamenlijk bezoek voor te stellen aan de franciscanen in Megen, ze noemde me van alles behalve bij mijn naam. Haar gedrag van gisteren is gerelateerd aan dat ene voorval van toen. Ik ga het nog eens overdenken, maar nu ben ik te moe. Toch was het een leuke dag, ik kan me niet herinneren dat er een dag met Sybil zou zijn geweest die vlekkeloos verliep. Denk ik, bijvoorbeeld, aan ons bezoek destijds aan Kevelaer, dan moet ik diep zuchten. Misschien schrijf ik nog eens een klassiek verhaal over mijn wederwaardigheden met Sybil. Verder is ze prima, het abc’tje laat haar van tijd tot tijd toe. Wat wil je nog meer?
![]()
Maandag 29 januari
Sommige vrouwen hunkeren naar een arm om zich heen, doorgaans vooral zij die alleen zijn, die weduwe of gescheiden zijn. Het is een klassieke regel of eerder een klein dramatisch volksbegrip geworden in de loop der tijd, denk ik: iemand die alleen is, mist een arm om zich heen. Ik heb het menigeen horen zeggen, vaak emotievol, soms verontwaardigd om het gemis, het ontbreken van die bron van aanhaligheid, de armen van een ander.
Maar wat is dat eigenlijk, een arm om je heen? Waarom wil iemand omarmd worden bij grote of kleine(re) verdrieten, enzovoort? En is het wel de arm om je heen die je mist? Is het menselijkerwijs niet eerder een klankbord dat je mist, een mens om mee te praten, iemand die naast je staat om je diepere levenservaringen mee te delen? Een arm om je heen is lijfelijkheid, samen praten is geestelijke vervulling. Waar gaat het dus om? De omgeslagen arm kan leiden tot een lijfelijke ontmoeting, het samen praten heeft nauwelijks of geen lijfelijke consequenties. Ik overwoog dit item toen ik vandaag mijn oude poëzietje nalas in De Muren Hebben Armen (1999) pagina 46:
~
In maandagochtendlief
~
Zacht wil ik zijn
heel zacht wil ik zijn
En lief wil ik zijn
heel lief wil ik zijn
En heel vleselijk
~
Voelen wil ik
Heel zacht en heel lief
en heel vleselijk
wil ik voelen
het heel vleselijk zijn
~
En huid aan huid liggen wij
heel zacht, heel lief, heel vleselijk
En ziel aan ziel verzielen wij
heel zacht, heel lief, heel vleselijk
ons zijn
~
in maandagochtendlief.
![]()
Vrijdag 26 januari.
Aarzelende vlokjes komen uit de grijze wolkenhemel, ze dwarrelen op en neer, in de rondte en terug; dan is er de kleine windvlaag die ze opjaagt, alsof ze ineens haast hebben; ze zien eruit als verkeerde regendruppels, nu zijn ze miniem van formaat maar ze zijn nog altijd sneeuw; wat een merkwaardig wintertje.
Tonnie belde, ze had onlangs een big hug van me gekregen, en nog een, via Judy. In Australië is de droogte koning, ze woekeren daar met water, ze wassen geen ramen, geen auto’s; ze sproeien het gras niet en de bloemen van buiten en binnenshuis krijgen water van de was, uit de wasbak opgeschept met kleine pannetjes en kommetjes. De Sleeping Beauty is dark as always, maar ze wordt omgeven door geel, door droogte, met nergens nog gras. Het moet wel een trieste gewaarwording zijn.
> Het sneeuwt niet meer, dát was kortstondig! <
Voor vriend Wim heb ik een gedichtje gecomponeerd, hij wordt vijftig, heilig getal vanwege Abraham. Wim zelf heeft ook iets heiligs, in mijn optiek, maar dat komt omdat hij waterman is, die hebben allemaal iets heiligs; o ja, ze zijn doorgaans bijzondere mensen, dat heb ik in de loop van mijn leven ontdekt.
Pater Frans komt straks met de fiets hierheen, de sneeuw is opgehouden te bestaan en de straatweg is droog en rustig. We zijn druk doende met de voorbereidingen op de Bezinning voor Religieuzen in De Zwanenhof. Het geheel moet in die dagen gewoon mooi, goed en indrukwekkend worden, in die zin dat de deelnemers en wij er zóveel aan hebben dat we er allemaal weer een poosje mee vooruit kunnen op geestelijk vlak, en dat geestelijk vlak moet met het profane vlak overeenstemmen, ik bedoel: je moet het aangeboden leer en leesmateriaal inhoudelijk in praktijk kunnen brengen voor jezelf en je omgeving. Dat is mijn streven, ons beider streven, dat mag ik wel stellen.
Veronica & Joop waren naar Den Bosch gekomen op zondagmorgen, ze vierden met ons de eucharistie in de kapel van het GZG. We hebben later bij Central gevieren soep gegeten, maar die wordt daar wel erg duur betaald, zeg. 4 schriele kopjes met een al even schriele inhoud en van een schriele kwaliteit voor liefst 4 x 4 = 16 euro. Ik neem maar voortaan mijn boterhamtrommeltje mee… Samen delen, zal ik maar zeggen.
Wel, Patricia’s videoclip met zang en optreden van Vivien Searcy is ook in Australië uitgezonden, wat een heerlijke vooruitgang, ‘n mooi succes! Ter memo leg ik hun internetadressen vast: www.ragdollproduction.com of www.viviensearcy.com, je weet nooit waar het goed voor is. De disk Guitarman is een toppie en het album Water On Soil is intussen een megatopper in countryland, ook in ons Nederland! RTV Noord zond de muziek onlangs een week lang uit en de hits van het publiek waren veelvoudig en stuk voor stuk positief. Kijk maar eens bij www.rtvnoord.nl. Nu is Vivien een dijk van een zangeres, en ja, dat wordt herkend, natuurlijk! Ik gun haar graag een grote doorbraak in Nederland, van harte, niet alleen voor háár, maar ook voor het Nederlandse publiek. We zullen zien.
Het is wachten op Burby. Wie wordt Burby? We moeten echt eens samen wandelen over de Ooijse dijk bij Oortjeshekken, Rieke, Wim, Boudwijn en ik, met Paddy en Burby, al is ze nu nog veel te klein. O. Helemaal in stijl. Wat is de Ooijpolder toch mooi, rustiek en waardevol. In de blijdschap ga je God ervoor bedanken. Ik wel.
![]()
Zaterdag 20 januari.
Het regent pijpenstelen. Zoveel regen tegelijk is er als het ware vandaag ook in mijn binnenste. Wat zijn mensen eenzaam en alleen, als het eropaan komt. Niemand kan andermans ziel lezen, maar o, wat maken veel mensen zich schuldig aan oppervlakkigheid, maar ook geldt dit: gelukkig niet iedereen. Elke mens is een wereld op zichzelf, er zijn eilandjes in die intermenselijke wereld die anderen nooit zullen betreden, die ze nooit zullen vinden, ook niet herkennen. Het is enerzijds maar goed ook, anderzijds schept het verdriet, eenzaamheid en onbegrepenheid: een mens reageert immers niet altijd rationeel, dat is ondoenlijk. Vanuit je innerlijke gesteltenis mag je je leven doen, je kunt niet anders, al maakt menigeen een waar toneelstuk van zijn leven, meestal puur uit zelfbehoud. Och ja. Het leven is en blijft een ontdekkingsreis, die voor de een wat zwaarder uitvalt dan voor de ander, die voor de een zelfs voortdurend licht kan zijn en tegelijkertijd zeker niet licht is voor de ander. Wij mensen leven als het ware samen aan één grote levensboom, we zijn de bladeren die allemaal anders uitgevallen zijn, we bezetten gezamenlijk als één geheel de rijke kruin van de boom, die de wereld verbeeldt; de een leeft wat langer dan de ander, de een valt er voortijdig af, weer een ander blijft eraan vastzitten, soms ver over de menselijke eeuw heen getild.
Die boom, die grote boom vol bladeren is het beeld dat ik vaak voor me zie: dat beeld is me tot troost, doet me begrijpen, leert me verstaan dat het leven, dat álle leven, vergankelijk is. Dat beeld vertelt me ook dat de tijd kostbaar is, dat het leven vandaag moet worden gedaan, dat er in feite geen morgen is, omdat het altijd hier en nú is aan die grote boom van God. Als je afvalt, is het over, je hebt dan plaats gemaakt voor een nieuw leven, op hetzelfde plekje waar jij al die tijd bent geweest, waar je werd geboren, ademde, leefde, en uiteindelijk dood bent gegaan, daar aan dezelfde tak komt eenzelfde vrucht: nieuw leven, volgend jaar, in der eeuwigheid amen, maar altijd weer nieuw leven. Het is me tot troost. Zo werkt God, denk ik. En buiten is de regen ijverig in zijn hoedanigheid, niet te stuiten vandaag, en de wind loeit af en toe met hoge tonen over de stad en tussen de bomen voor het huis. Maar mijn binnenste is rustig, nu, ik heb het stil gedacht. En de eenzaamheid valt ook wel mee. Je moet het leven zelf doen, kijk maar naar de bladeren aan de bomen. Zouden ze kunnen denken als ik, als wij, de mensen van goeden wil?
![]()
Donderdag 18 januari 2007.
Het stormt in ons land. Het is lang geleden, naar mijn gevoelen, dat het stormde zoals nu. Ik vind het heerlijk. Overal is de volkomen frisheid, en je hoort de zingende wind en ondergaat de loeiende stormvlagen; alles wordt nieuw, lijkt het vierwindenlied te heten, alles wordt nieuw. Mijn slaapkamerraam laat de windvlagen kiergewijs mijn huis binnenkomen en ik sliep in de middag als een winterroos, vreemd genoeg geeft de storm me een geborgen gevoel, geen angstig of onzeker, nee, een geborgen gevoel; met de storm veilig thuis te zijn, is immers geborgenheid? Misschien ervaar ik het zo intens aangenaam omdat de storm zo oud is als de aarde en je als kind al bekend ermee was?
Het is knus in mijn huis, de bijzondere kerststal staat nog steeds, die kan ik nog steeds niet opruimen, iets houdt me tegen, raar fenomeen. Ik heb nooit een echte kerststal in mijn kamer geplaatst, nu wel en gek genoeg pas ná de kerst. Het is een beauty, deze stal, mooier ook dan die weggepropte stal in de Sint-Jan, al kun je ze niet met elkaar vergelijken. Maar wel dit: hier ben ik in vrede en dat was op die ene vrijdag niet in de Sint-Jan. Okay. Passé.
In mijn binnenste is het ambivalent, vanwege de verschillende ontwikkelingen der laatste tijd. Ik heb de komende anderhalf jaar veel te sprokkelen, ik moet zien dat ik uiterlijk rustig en innerlijk gerust erdoorheen kom, maar het is problematisch en geeft een benard gemoed waar ik mee om moet leren gaan. Enfin. C’est la vie. Deze noot is mijn private memo.
Ik hoop dat de kinderen een dijk van een huis vinden waarin en waarmee ze zich helemaal happy zullen voelen. Ik gun hun alle geluk van de wereld, ze zijn het zo waard. Welnu, de laatste loodjes wegen het zwaarst. Maar er komen heel goede tijden voor hen aan, dat is de belofte, for sure.
![]()
Zondag 14 januari.
Het is een dag vol zonneschijn en we hebben de Ooijpolder aangedaan. Vanochtend waren we al vroeg in Oortjeshekken, eerst wandelden we over de dijk, het was er al druk met de passanten en hun honden van allerlei rassen. Dit oord leent zich ervoor om je gelukkig te wanen; het weidse land, de uiterwaarden, de paarden en de uitheemse runderen, de vogels, vooral de eendensoorten die de lucht bevolken en sierlijke banen trekken van her naar der, ze strijken neer op het wateroppervlak en óp gaan ze weer, hoog naar de hemel en dalend ter aarde, het is een en al schouwspel en verrukking; rechts van de dijk zijn de enkele vriendelijke huizen met de private imitatieweilandjes, de tuinen met de geit, de bok, de zwaan, de gans, de hond en de kat, en soms ook nog een varken, en natuurlijk zijn er de ongeziene muizen, maar die tel ik niet mee; links is het water, de brede rivier met de boten, vooral handelsschepen, die onvermoeid doorvaren, het hele jaar lang en ook op zondag; er valt hierbij geen seizoensbinding te bespeuren, ze varen altijd door.
Het is een dag om blij te zijn, om rustig te worden van alle beslommeringen die het leven in zich draagt en je telkenmale aanreikt; ik denk dat het leven ophoudt als er daadwerkelijke rust valt. Maar op zo’n dag moet je niet denken aan je eindigheid, zo’n dag als vandaag belooft je het goede van het leven, dat ook voor jou bestaat.
Olivier is naar huis gefietst, ik ben naar bed gegaan om te rusten, het middageten was heerlijk: rode kool met stoofvlees en aardappelpuree, vooraf een groentesoepje. Ik had een baileys gedronken toen het eten opstond, dat doe ik nooit, maar vandaag wel, misschien door de zonnige blijdschap?
Burby is geboren, op de verjaardag van mijn zoon, dat moet een lief hondje zijn, dat kan niet anders. In Huize Liefdevol is het groot feest, al blijft het spannend, maar okay, nog een kleine negen weekjes en het heerlijke gezin is compleet. Woensdag wil ik proberen bij hen alvast beschuit met muisjes te gaan eten, dan ben ik in Den Bosch.
En nu ga ik een annonce vertalen van Engels naar Nederlands. Best pittig, want ik ben een perfectionist. En dat moet natuurlijk ook. Wat je doet moet je zo goed mogelijk doen. Zoals, bijvoorbeeld, Sybil de snelheid aanhangt en daardoor vaak de boot mist, zo ben ik een langzame pietlut met veel aandachtigheid en weinig rust, maar met grote voldoening als de dingen uiteindelijk goed zijn. Ik kan geen oppervlakkigheid velen, Sybil wel. En zo zijn alle mensen verschillend en dat is maar goed ook.
O die jongste kleinzoon van mij, hij was gisteren zo lieftallig in zijn lichtblauwe peignoirtje, hij kwam me goedemorgen zeggen, de lieverd. En de oudste kleinzoon is ook zo’n schat, ik bracht hem naar De Zwaluw in Vught, hij moest trainen. Ik heb hem gadegeslagen met grote liefde in mijn hart, hij is een jongen die het beste verdient, alleen al door wie hij is en door hoe hij doet. Ja, onze kinderen, daar gaat het om. Ik kan het niet genoeg benadrukken hoe belangrijk het is goed voor hen te zijn. Uiteindelijk zullen ze onze vruchten erven, zoals het hoort. Het moeten goede vruchten zijn, dat zijn we aan onszelf maar vooral aan de kinderen verplicht. Wij hebben ze op de wereld gezet, wij zijn de verantwoordelijken, niemand anders, alleen wij.
![]()
Donderdag 11 januari.
Gisteren was de dag verwarrend. Om de boel symbolisch een beetje te ordenen, gingen Olivier en ik naar de kapper. De rit was lang, voerde via Berghem en Oss naar Nistelrode, dus met een omweg. Soms rijd je kilometers die je niet bedoeld had, ik weet niet precies waar dat aan ligt, het overkomt me vaker. Maar alles aan verwarring trok weer bij, kreeg een plek, alleen mijn vermoeidheid is gebleven. En bij de kapper was het gezellig, zoals altijd. Kelly knipte mijn haar en ze deed het goed. Huub heeft Oliviers kostbare hoofd gekapt en ook hij deed het goed. Ik moet altijd lachen om Huub, hij ‘versiert’ als het ware de mannenhoofden, met extra geur en blingbling en veel gestuif. Bij Van Tilburg nuttigden we een sobere lunch, daarna zijn we maar huiswaarts gekeerd, want de regen hield aan en ik was erg moe, wilde slapen, mijn nap doen, verder niks.
In de vogelkooi is het een druk gedoe met eitjes leggen. Brokje & Kipje hebben het zwaar, want de bevruchting lukt niet. Na elke mislukte poging snelt Brokje driftig naar de bel om hem al even driftig te luiden. Het is geen gezicht en het lijkt op een grap, maar het is heus waar, de bel wordt geluid telkens als de paring is mislukt. Goeie hemel!
Voor mijn bijna jarige zoon schreef ik een klein gedicht, uit respect en moederliefde. Vaak gaan je moederlijke gedachten terug naar de eerste fase met je kind, met je kinderen, dat heb ik gemerkt, en toch kun je er steeds de grote lijn in vinden van het verdere leven dat je, hoe dan ook, samen deelde, het begin is de unieke basis, altijd.
![]()
Dag lieve zoon,
ik groet je in je dagen
en laat je weten dat ik
zielsveel van je houd.
Als ik terugdenk aan de dag
van je geboorte
met sneeuw en ijs, o ja wat was
het koud, dan voel ik weer
de warmte om jouw leven,
om het geluk om jou, ons toevertrouwd.
Jij was ons kind, ons mensje hoog verheven.
Jij was ons liefste wezentje op aard.
Jij was het koningskind van onze dagen.
Jij was de toekomst, onze ziel
van huis en haard.
Ja lieve zoon, mijn liefde is gebleven.
Je mag steeds weten dat ik van je houd.
Ik zie de goedheid leven in jouw blauwe ogen,
mijn warmtemens, al was het destijds koud.
Dag lieve zoon,
ik groet je in je dagen,
wil nooit vergeten dat ik
zielsveel van je houd.
Mama
Ine Verhoeven, Nijmegen, 8/12 januari 2007.
![]()
Donderdag 4 januari.
Het is nacht, het is hartstikke nacht. Ik zou een mooi gedicht willen schrijven, uit liefde voor het leven, uit respect voor wie me lief zijn. Maar je schrijft geen gedicht op commando, ook niet op je eigen commando. En toch, altijd is er die drijfveer om te schrijven, vast te leggen, mee te delen, en dat laatste vaak ook weer niet omdat je al schrijvende subtiel bent. Och ja, schrijven. Je vangt je gedachten, houdt ze vast en schrijft ze uit. Het is best een karwei, maar wel een lief karwei. Je bent nooit zonder werk als je schrijft: denken en schrijven gaan hand in hand, maar denken doe je dag en nacht, ik wel, en schrijven natuurlijk niet. Je moet ook nog elke dag op uur en tijd je potje koken, je wasje doen en je huisje een beetje bijhouden. Maar okay, ik ga een voorzichtige dichtpoging wagen, al weet ik nog niet waartoe het leidt.
Klein Schrijvertje
Waar denk je aan, mijn kind?
Wat droomt je blik de verte in?
Wat ben je stil, wat staar je?
Waar kijk je naar, wat zie je?
Waar denk je aan, mijn kind?
~
Waar ben je nu, mijn kind?
Ben je nog hier of verderop
Waar hoge bomen groeien
Waar tere rozen bloeien?
Waar ben je nu, mijn kind?
~
Wat schrijf je daar, mijn kind?
Wat heeft je zieltje aangeraakt
Dat jou in ’t schrift doet schrijven?
Je zult in ‘t leven blijven
Met wat jij schrijft, mijn kind.
i.v.
Nou ja, zoiets dan. Het resultaat is natuurlijk geen hoogstandje, maar ik laat het hier toch staan. Goeie hemel, dan denk je tussen de regels en de woorden door aan de tijd dat je kind was en kleine tekstjes schreef, ik deed dat toen al zo graag. Maar mijn moedertje vond dat ik te veel fantasie had, ook vond ze dat ik te veel las. ‘Je verleest je hele verstand’, zei ze doodgemoedereerd (wat een wóórd, zeg, waar komt dat oorspronkelijk vandaan? Moet ik opzoeken, hoor). Maar dat klopte niet, dat was een onlogische voorspelling van haar. En ik voorvoelde dat van nature, want ik las rustig door. Ongehoorzaamheid, heette het dan. Maar zo kon je aan de gang blijven. Dat deed ze dan ook vaak genoeg. Ze moest me opvoeden, immers. Och ja, iedereen heeft zijn herinnering, zijn geschiedenis, zijn verleden. Daar ben je oud voor geworden. En hoe je leven ook was, je houdt te allen tijde het beste eraan over. Bijna aan het eind gekomen, is het leven op zijn mooist. Ik bedoel dus niet de uitzonderingen. Ik bedoel de kardinale vrucht van ieders leven, van bijna ieders leven, ervan uitgaande dat de meeste oude mensen iets goeds hebben betekend, en dat ene, unieke goede brengt de heilige vrucht voort die je tenslotte nog mag smaken. Hoop ik. Ik ervaar de oude dag tot nu toe als mijn beste tijd. Ik weet dat alles vergankelijk is, het leven broos is en kwetsbaar, dat een mens niets te zeggen heeft, o, ik weet het allemaal. Maar ik mag en kan blij zijn met het leven zoal het is geweest, zoals het is en zoals het zal zijn. Eindig zijn we allemaal.
![]()
Woensdag 3 januari.
De hondjes van Rieke & Wim zijn op nieuwjaarsdag geboren, althans een deel ervan. Er is al keuze uit meisjespups, hun Burby komt er dus zeker. Ik keek op de site www.yenoblewoods.nl en zag de moeder van de borelingen, Arwen, toen ze nog een pup was. Kijk maar even mee:
Arwen de borderterriër in de herfst.
Nu moet Luna nog bevallen. Het heeft heel wat voeten in de aarde, want iedereen leeft met haar mee, is nieuwsgierig naar het jonge grut. Van Luna vind ik geen fotootje dat ik hier kan tonen. Dan moet de verbeelding maar meespreken, ze is een border, net als Arwen. In Huize Liefdevol heerst opgewondenheid, want de hondjes zijn de vreugde van de baasjes en dat zal straks worden gevierd, als Burby haar intrede doet. Hoe zal het nieuwe hondje samengaan met Paddy? Het is heus een spannende tijd!
En toen kwam er een lieve mail van Asha binnen, om me op te monteren bij al mijn zorgen. Ik heb gehuild, het was zó lief. Ik koester deze brief, want hij is goud waard voor mijn ziel. Soms komt de genade uit onverwachte hoek, daar mag ik dankbaar om zijn, en dat ben ik ook. Het leven is goed en het zal goed zijn, wat er ook gebeurt. Ik weet het allemaal zo goed van mezelf en toch is een mentaal steuntje in de rug van je dierbaren af en toe hard nodig. Carpe Diem, schreef de lieverd. Dat zal ik doen: Deo Volente.
Ik vernam dat opa vandaag met de kleinzoons naar de stad was om nog kerstcadeautjes te kopen, wat lief! Dat bedoel ik nou met ‘er voor elkaar zijn’, voor elkaar bestaan en de kinderen, de erfgenamen, de nazaten, mooie herinneringen meegeven, want met opa naar de stad gaan, zal hun een beeld geven dat altijd bijblijft. Ik herinner me de ontroerende gave van mijn opa toen ik jarig was, hoe oud werd ik toen, misschien 8 hoogstens 9? Hij kwam de straat in wandelen en gaf me een wit zakje met 2 kokoskoeken, ik lustte toen geen kokoskoeken maar heb ze met vreugde aangenomen, helemaal blij, en ze met liefde opgegeten. Ik was toen ontroerd door dat ene, eenvoudige gebaar van mijn oude opa, en dat ben ik nóg trouwens.
Wat is de nieuwe Gerardusklok een mooike geworden! Om blij van te zijn. Dat kleine, maar inhoudsvolle blad verdient echt veel meer abonnees. Maar ja, de mensen moeten er ook zin in hebben, natuurlijk. (Klik voor info op www.redemptoristen.nl of op www.stclemens.org)

Omslag Gerardusklok 2007
Maar wie het blad alsnog ontdekt, is er content mee. Het heeft een serene inhoud, altijd gericht op de mensen met als grondtoon onze God, onze liefde, onze evangelische medemenselijkheid vanuit het oude en toch ook weer nieuwe geloof. Mooi toch?
![]()
Dinsdag 2 januari.
Ik sliep tot in de middag en Sybil belde me wakker. Gelukkig Nieuwjaar 2007! Toch had vanochtend mijn zusje al gebeld, voor mij vroeg genoeg om daarna weer in slaap te vallen. Het gaat redelijk met haar, ze heeft medicijnen tegen de duizeligheid en ze proeft van het leven, samen met haar beloved husband Fer. Ze zei tenslotte: Dag lieve Ineke, bye darling. Ik wil dit onthouden, want dat is bijzonder; zoiets liefs zegt mijn hele, nog levende familie echt niet tegen mij. De broers bellen me niet eens op, sturen geen kaartjes, geen wensen, zwijgen in alle talen. Ze houden niet van mij. Ze waren/zijn bevooroordeeld vanaf den beginne. Ze hebben mijn geboorte betwist, zeiden dat ik uit eigen vrije wil in deze familie was geboren, het was MIJN keuze geweest bij hen geboren te worden, mijn keuze vanuit het vagevuur… Hoe krijg je het verzonnen, en hoe krijg je iemand klein? Door zijn/haar geboorte te ontkennen, door zijn/haar bestaansrecht af te nemen met een dergelijke, fnuikende stelling, zo simpel is dat. Ik schreef erover in mijn boek VAN MENSEN ONDERWEG~ met Geloof, Hoop en Vrede, hoofdstuk VIII. Nee, deze familiale mannen zijn geen lieve mensen, nooit geweest ook. Enfin, ik leef ermee en vergeef het hun telkens opnieuw. Er zit niets anders op. Je kunt het bebidden: Moge het ooit nog goed worden, HEER GOD. Maar Uw wil geschiede. Amen.
Je weet het nooit. De verzoening met P. heeft ook plaatsgevonden, iets wat tot voor kort nog ondenkbaar was. Verzoening heeft een mens, hebben álle mensen nodig. Je mag niemand vastprikken op wat hij je heeft aangedaan, of andersom, op wat jij hem/haar hebt aangedaan. Maar als je hoe dan ook weer samen verdergaat, moet je het wel oprecht menen, moet je daadwerkelijk alles loslaten wat geweest is en elkaar van harte accepteren en, waar mogelijk, de schade herstellen die wellicht is aangericht. Anders heeft het geen enkel nut om je te verzoenen. Ons geloof is Messiaans, is bevrijdend genoeg om alle mensen een goed, menswaardig leven te gunnen. Je moet er wél achterstaan, en bovenal, je moet het wél begrijpen als je bidt: vergeef ons onze schuld zoals wij aan anderen hun schuld vergeven. Kleinburgerlijkheid, kortzichtigheid, jaloezie en naijver zijn dé boosdoeners in de wereld van de mensen onderling. Daar moest iedereen zich op voorhand aan weten te onttrekken: je moet elkaar het leven gunnen, je moet elkaar het héle leven gunnen. Kijk naar jezelf, werk aan jezelf, wees goed voor elkaar en laat de ander respectvol met rust. Dit laatste regeltje zou ik alsnog aan mijn broederlijke familie willen schrijven als betere wens voor 2007. Met de nadruk op respectvol. Dat betekent namelijk: zonder achterklap. Eerlijkheid kan hard zijn, maar eerlijkheid geneest de mens, uiteindelijk wel, maar dat doet elkaar doodzwijgen in stilte niet, en ook niet de achterbakse roddel die onbarmhartig dodelijk en vermorzelend op de ander uitwerkt! Evangelisch gezien is elkaar beminnen het eerste, het grootste gebod. Het is het gebod voor allen, voor ons allemaal, niemand uitgezonderd, ook de broers niet. Ik schrijf dit in mijn dagboek als krachtige memo voor mezelf en als hart onder de riem voor wie het leest. Ik sta met dit pijnlijke, intens verdrietige onderwerp echt niet alleen. Vandaar.
![]()
Maandag 1 januari 2007.
Het is vroeg in de morgen, 1:39 uur. Het was een marvellous evening en ik genoot, samen met Olivier, van Paul de Leeuw, van het vuurwerk in de wijk, dat vanaf het deftige landgoedje in de Wolfskuil werd afgestoken, en ik dronk mijn eigensoortige champagne, roze van kleur en zacht van smaak. Arold belde me op en het was een fijn gesprek, in de bijzondere sfeer van de nieuwjaarsnacht. Ik hoorde de jongens en hun moeder en er was ook nog oma Ciska aan de telefoon.
Het ziet er allemaal veelbelovend uit, de toekomst glimlacht ons toe. We voelen ons gezamenlijk bevrijd, geloof ik. Ik hoop dat, Deo volente, het leven voor ons allemaal wat vrolijker wordt, wat gelukkiger, wat vrediger, vooral onderling als familie. Het begin is goed. Welterusten.
19:34 uur. De dag is goed geweest, behoudens wat gehyperventileer. Enfin. Het was stormachtig in het land. De tocht naar Eindhoven beleefde ik gevoelsmatig enigszins dubbelzinnig, het was een rit met ambivalente windstoten en veel druk, wisselend kleinverkeer: het ging in slowmotion en in quickstep. Een enkele auto zwierde links en rechts, waar kon dat aan liggen? We waren op de snelweg, niet op de dansvloer. Maar bij Phily was het heel aardig, ik zag eindelijk haar pontificale kerststal terug. Zo’n stal is een memorabilium, doorspekt met nostalgie. Een oude sfeer in nieuwe tijden om af en toe eens te herproeven. Het was een stemmig uurtje met gebabbel en herinnering. Ik snoepte tegen de regels in 3 stukjes zalige banketstaaf. Och ja. Waarom ook niet? ‘
De kinderen hadden me aanvankelijk voor vandaag uitgenodigd, maar kwamen uiteindelijk tot de conclusie dat ze hun relaxte, langdurige pyamaochtend hadden, en ze moesten nog naar Oss, dus ben ik niet naar hen toegegaan. Ja, de jaarwisseling ging toch wel door. Het was een heerlijk feestje, zo midden in de nacht met mooi, exclusief gezelschap, vuurwerk en roze champagne. Op mijn hoogte was het vanuit de flat gezien een eersterangs spektakel. Haast koninklijk bevoorrecht was ik met dat schijnbaar voor mij, voor óns alleen opgevoerde, sierlijke stukje vuurwerk tegen de hoge, zwarte hemel. Wat wil je meer?
![]()
Archief dagboek tot 31 december 2006
Zondag 31 december.
Iedereen is weer terug op de plaats van bestemming: Patricia is thuis in Västerhaningen, Piet is uit het ziekenhuis, Asha is terug uit Parijs. Alleen Marianne en Frans zijn nog in Portugal, ik mis hen vandaag wél. Buiten knalt het, loeit het, schittert het vuurwerk; en het is doorheen de bewolking ook nog eens volle maan. Vanmorgen zijn Olivier en ik naar Oortjeshekken gegaan; we wandelden over de Ooijse dijk en dronken daarna koffie en thee met notenbrood als versnapering, gewoon ter afsluiting van 2006. Het waren gezegende uurtjes in dat weidse gebied met als rustpunt het knusse logement. Het einde van dit jaar, met de kersttijd erbij genomen, is goed geweest; mijn hyperventilatie wordt minder, is beter hanteerbaar, ik ben nu kennelijk rustiger, gelukkig wel. Er is ook zóveel gebeurd, het was werkelijk waar te veel voor 1 mens, ik herhaal het. Maar het is mijn lot; ja dat veel aan gebeurtenissen, aan extreme lotgevallen is heus mijn lot; dat is trouwens al mijn hele leven zo. Toch hoop je op een gegeven moment dat het over is, dat er rust valt, dat er goede tijden komen met een normaal leefpatroon. Ik doe mijn best, en houd de goede hoop levend. Het leven is genade, het is allemaal genade, maar er komt ook wel eens grote ongenade naar binnen geglipt. Och, ik heb het wel geleerd. Het kan nu alleen nog maar beter worden, want er zijn grote verzoeningen geweest, onverwachte verzoeningen, niet voor wáár te houden. Maar het is gebeurd, het IS waar. Dat stemt een mens dankbaar. Dat stem mij dankbaar. Het leven is de moeite waard, hoe dan ook. En de liefde? Die is vooral in de geest noodzakelijk: om te overleven en jezelf tevreden te stemmen en je medemensen gelukkig(er) te maken. Het is het enige wat we te doen hebben: goed zijn in alles voor allen. Zalig Nieuwjaar 2007.
Vanavond is het de roze champagne die ik aanhang en met genoegen tot mij neem. ‘n Kallende kurk en bruisend vocht, feestelijk genoeg. Ik toost op alle lieve mensen, in het bijzonder op mijn allerbeste vriend, op mijn kinderen en hun vader, op mijn vrienden en vriendinnen, op de vijanden die ik ook heb. Mogen zij tot de inkeer komen hoe waardevol het is evangelisch te leven, het goede te zoeken en te willen vinden, het lieve te doen, vergeving te betrachten en geen naijver. Mogen zij inzien niemand te oordelen, want hun oordeel keert op hen terug. De tijd heelt alle wonden, maakt alle wijsheid, geneest de menselijke hartenpijn. Vijanden mogen vrienden worden. Het moet kunnen. Het is de Messiaanse boodschap: Hebt elkaar lief. Mensenlief, houd toch van elkaar. Moge het zijn.
Als een zwarte damp hangt de executie van Sadam Hoessein over de wereld. Het is verdrietig genoeg te noemen, de dood van een dictator. Ik ben er niet blij mee. Weer is er een mens gedood, terechtgesteld in tegenprestatie: wat is het beste? Gij zult niet doden. Het blijft oog om oog, tand om tand. De doodstraf: het blijft een slecht ding. Ook al heeft hij gemoord en vernietigd: van adel moet je zijn en hem vergiffenis schenken, hem vervolgens laten leven in afzondering, in het gevang. Dan kleeft er geen bloed aan jouw handen, dan doe je wat het beste is, denk ik. Maar ja. Wie bepaalt het? Ik niet. Jij niet. Wij niet. De scène van de handwassing van Pontius Pilatus gaat altijd door: wie wast er niet zijn handen in onschuld als het er daadwerkelijk op aankomt?
En daarbuiten juicht het vuurwerk en het spattert en spettert zijn gekleurde vonken hoog naar de hemel, alsof er gebeden wordt… Men dacht in vroeger tijd dat de boze geesten met lawaai moesten worden verdreven, zodat het nieuwe jaar gezuiverd kon beginnen; ergens is dit geknal nog van hetzelfde gedachtegoed, denk ik, alleen niet meer bewust in die zin van geesten verdrijven toegepast door de fervente knallers onder ons. Ik vind het trouwens eng, vuurwerk afsteken, en ik ga niet naar buiten om het allemaal beter te kunnen zien. Er zullen vast weer slachtoffers vallen, met brandwonden en nog meer ergs. God verhoede het. Amen. Al moet men helemaal zelf uitkijken wat hij doet, hoe hij doet, waarom hij doet. Het is toch altijd nog spelen met vuur. En nu ga ik een douche nemen. Dan ben ik zéker fris in het eerste uur van 2007. Morgen is er de eucharistieviering in Huize Rosa. Het belooft mooi te worden, heel mooi. Om me te verheugen. Het jaar mag goed beginnen.
![]()
Donderdag 28 december.
Hoe zou een mens zijn levensdagen kunnen verwoorden in de precieze betekenis? Het is best mooi om een dagboek bij te houden, maar de werkelijke geschiedenis laat zich raden, omdat je het een wél en het andere níét opschrijft, het is maar goed ook.
Deze kersttijd is verwonderlijk in alles. Grote verzoeningen vonden plaats, onverwachte ommekeer. Hoe bestaat het? En als het allemaal echt waar is, komt Lorretje weer bij me terug. Oude Lorretje, de papegaai van de erfenis, ze is oud, stokoud naar de begrippen van mensen: meer dan 40 moet ze nu zijn. Ik hoorde dat ze de harde noten, zoals de paranoot en andere hardschalige, niet meer kan openbreken met haar snavel. Voor de rest is zij nog levenslustig, zingt haar lied, spreekt haar woord en lacht als altijd: ha-ha-ha – oewedo!
We waren naar Wychen gegaan, Patricia en ik. We kochten kleine dingetjes en keken nog wat rond in de straten en in de winkels. Toen gebeurde het dat ik een grote rode wibratas met gele streep kocht voor € 1, dit ter ondersteuning van een of ander goed doel. Ik ging, als zo vaak, zwierig gekleed met mijn favoriete tierelantijnen; ik droeg de bruine hoed met de fluwelen roos opzij, had de klassieke, zijden sjaal omgeslagen en het zwarte nepbontjasje aangetrokken. Het oogde niet alledaags, ik weet het wel. We gingen daar langs en in de winkels, heel bijzonder, mijn dochter en ik, samen op pad; het gebeurt bijna nooit, nu wel. Toen werd ik moe, en terwijl Patricia een pc-zaak opzocht om een nieuw toetsenbord te kopen, zat ik even neer op een bankje, daar buiten in het koude centrum.
Daar kwam ze aan, recht op me af, een grijze vrouw met een fiets aan de hand waaraan een plastic tas bungelde. Ze keek vriendelijk, had blauwgrijze ogen die haar blik zacht maakten. Je ziet er mooi uit, zei de vrouw, heel mooi! Het lijkt wel gekócht! Ik glimlachte en knikte haar toe. Die kleren zijn zeker al heel oud, ging ze verder. Nee, zei ik, ze zijn tamelijk nieuw. Ze lijken wel gekocht, zei ze weer. Ik heb ze ook gekocht, was mijn verdediging. O ja? Goh. Ze nam me op van top tot teen, haar blik ging naar mijn tas en weer langs de kleren en óp naar de hoed. Ze keek me pal aan: Het staat echt heel mooi. Kóóp jij je kleren? Jazeker, zei ik, en kreeg een vermoeden. Ik voelde me er wat ongemakkelijk bij worden, maar tegelijk vond ik dit bizarre gesprekje heel leuk, en haar vond ik aardig.
Toen kwam Patricia terug en we wandelden gearmd verder. Ik zwaaide haar toe, de oude, grijze vredesduif, en zij keek ons na. Ze was enigszins verward, de zwerfster, net als ik. Ze had me ‘herkend’ aan de tas van de Wibra, en ze had me geadopteerd als haar lotgenoot. Mijn eenvoud en mijn trots, dat laatste vooral van mijn moeder geërfd, mengden zich tot een ondefinieerbaar geheel, tot een verwarrend uiterlijk. Welke gegoeden stand droeg al winkelend een wibratas met zich mee door een trots dorp als Wychen? Ik had, voor een kort, maar mooi moment, een vriendin gemaakt. Er zijn er die me nooit een compliment zullen maken. Zij wel, de vreemdeling, de vrouw aan de zelfkant, mens van het uitschot, verworpene. Hoe bijbels mooi.
![]()
Dinsdag 19 december.

In deze eindejaarse wintertijd dromen velerlei mensen weg bij de lampjes van kleurrijke schittering, van getoverd geluk. Ik reed vanavond langs de versierde huizen toen ik Olivier mobiel naar huis bracht. Het was lichtelijk glad en dofjes donker in ons steedse buitengebied, maar ik zag daar de vrolijke kerstversierselen in de tuinen en tegen de huizen oplichten in de zwarte avond. Je merkt dat mensen ergens naar hunkeren, dacht ik, ze willen het bijzondere, ze willen warmte, gezelligheid, romantiek… Hoe haalbaar is in werkelijkheid wat zij wensen? Gelukkig kan een scheppend mens zelf mooie dingen maken en de sfeer neerzetten die hij in het resultaat van zijn creatie wenst te ondergaan. Mensen zijn duizendpoten als het eropaan komt, dacht ik, ze kunnen veel, maar niet álles.
~
Mijn lieve Zweedse dochter arriveerde vanavond op Schiphol, nam de trein naar Den Bosch en belandde onmiddellijk in een vertraging, er was weer een ongeluk gebeurd, en van 1 trein gingen de deuren niet dicht, dat werd dus reizigers overhevelen. Nederland, hoe moet het toch?
Maar mijn kind is op haar voorlopige bestemming, veilig en wel, gelukkig maar. Je blijft als moeder ongerust als je kind naar je toe komt vliegen. Ze wilde vanavond nog haar vader bezoeken die onverwachts in het ziekenhuis ligt; maar door de lokale mist kon ze voor vandaag niet meer op tijd bij hem zijn. Deo volente zien ze elkaar morgen van harte weer.
~
De adventsviering ofs ligt klaar, alles is keurig gebundeld in 12 boekjes. Morgen komt Sybil al vroeg bij me aan, dat is het plan, ze gaat mee naar de franciscaanse bijeenkomst, mooi is dat. En Rieke belde vanavond op om me moed in te spreken, want het is heus een hard gelag dat P. plotseling is opgenomen. Ik schreef hem een kaart ter bemoediging, dat doe je toch voor je exgenoot? Het geeft allemaal wél een nostalgisch familiaal gevoel, ik hoorde zoon en dochter samen tegen me praten door de telefoon. ‘n Unieke gebeurtenis, ‘n heel unieke gebeurtenis, zeer memorabel ook, voor mij zeker wel.
Denkelijk zal ik dit jaar niet veel tijd meer hebben voor het dagboek, dus ik groet preventief wie mijn geschriftjes leest, of lezen wil: Gelukkige dagen, gelukkige wintertijd, gelukkige kerstnacht en veel heil en zegen in 2007. Ik wens het allen van harte toe.

In 2007
Zing je lied en leef je leven.
Heb het goed, laat het bestaan.
Leg de handen in elkander.
Kijk elkaar tevreden aan.
~
Weet dat mensen zielen hebben
Die de mensentaal verstaan.
Maak elkaar tot goede mensen
Die de weg van vrede gaan.
~
Zing je lied en leef je leven.
Heb het goed, laat het bestaan.
Leg de handen in elkander.
Kijk elkaar tevreden aan.
~
Troost de zieke, groet de eenling,
Broze mens van lach en traan.
Gun elkaar het goede leven.
Laat elkander voortbestaan.
~
Zing je lied en leef je leven.
Heb het goed, laat het bestaan.
Leg de handen in elkander.
Kijk elkaar tevreden aan.
© 2006 Ine Verhoeven
![]()
Donderdagnacht 7 december.
Je kunt de wereld en God zelf de richting van je leven willen afdwingen, je kunt wensen dat alle dagen goed zijn, dat alle mensen goed zijn, dat je zelf goed bent; je mag ook nog hopen dat iedereen het goed hééft en jij ook, maar het leven loopt zoals het loopt en inhoudelijk valt er niets te voorspellen, nooit. Je mag hopen en afwachten, meer niet. Die onzalige zekerheid van de Onzekerheid heb je te aanschouwen, te ondergaan, te aanvaarden, hoe het ook zij, kome wat komt, er zit niets anders op. Ik denk dat deze - oude - bevinding die ene enge droom verklaart over de onverjaagbare muizen die ik met angst en beven, maar tenslotte gelaten, hun gang liet gaan, in mijn beleving toeliet dus.
Mijn haar zit in de krul, eindelijk weer eens professioneel gekapt, het voelt wel gezellig. Maar wat is het leven leeg zonder mijn getrouwe vriendinnen in de kamer, zonder babbelbezoek bij de high tea. Ik heb soms van die profane buien, dan wil ik niet serieus hoeven denken en gewoon een beetje van de buitenwereld zijn. Maar de lieve dames hebben doorgaans geen tijd, ze moeten van alles en nog wat. Ze zijn op hun oude dag drukker dan ooit voorheen in hun lange leven van werken en gezin bijstaan. Een waar fenomeen! Gelukkig is er Olivier, de oude vriend die me bezoekt op de fiets door weer en wind; en Bertram telt hoogstaand mee, terwijl intussen Boudewijn zich heeft aangediend als chic wandelmaatje, ik had hem via Oortjeshekken ontmoet, hij is de gezel van de significante burberryman met de jonge borderterriër, hoe bestaat het.
Gisteren kreeg ik spontaan een grote kerstroos van pater Frans, de lieve geest. Een dieprode pronker met fluweelgroene bladeren. Mooi, zo mooi! Mijn kamer vult zich intussen gestaag met rozen, het is dan ook de tijd van de hoogste verwachting, de mariale rozentijd, de heilige Advent. De roze beauty’s met de frêle doorntjes, de rozen die Boudewijn zaterdagavond voor me meebracht, staan wijd open te bloeien, vol in hun schoonheid. Wat klaagde ik net nou toch over vriendinnengemis? Ja, je wilt wel eens dingen delen die expliciet voor doorleefde vrouwenoren zijn bestemd, al weet je nooit waar je verhaal later naartoe gaat. Maar nee, ik herroep dit, want vrienden zijn wijzer, althans, míjn vrienden zijn wijzer én altijd ‘n piëteitsvol aandachtig, aangenaam gezelschap. Wat kan een mens zeuren, zeg, zo midden in de nacht. Welterusten!
11.14 uur. En toen belde Rieke, de engel, en ze verloste me van mijn vriendinnensmart. Ze had duizend goede woorden, duizend begrippen en duizendvoudig liefs te melden, ze is dan ook in haar middelbare jaren van wijsheid gekleurd; met niemand van de vriendinnen heb ik déze bijzondere begripsband, alleen met haar. Daar word ik stil van en dankbaar en ingetogen blij. Mijn wereld is opeens weer vol innerlijke zon. Mooi hè.
![]()
Dinsdag 5 december
De herinnering aan de voorbije surprisezondag is bijzonder. Naast een berg pakjes, was er een berg gedichten en spreuken, ik selecteerde er enkele voor Ine’s dagboek. Ook was er weer de zondagse omasoep met balletjes en vlees en groente, met als vermicellitoetje verrukkelijke mosterdsaus. En er was het pannenkoekenbakken. Ik had het heel lang niet meer gedaan, maar het lukte me als omaatje op leeftijd nog prima. Ik had welgemoed mijn schorteldoek voorgebonden en ben toen aan de slag gegaan. Het resultaat was heerlijk met een ouderwetse smaak en toch weer nieuwe genoeg; het werd al doende een hedendaagse sinterklaasdag uit de oude doos, met 2 blije kindergezichten en 2 tevreden ouders, én met 1 voldaan vermoeide oma, die alles niet had willen missen. Wat een genade, zoveel vreugde samen te mogen en te kúnnen delen met je kroost!

Flemming
moet leren SPAREN
~
Wie niet sparen kan, moet weten:
Kijk, dit beestje heeft een buik
Die je helemaal kunt vullen
Met wat je toe valt in de tijd.
Kleine centen, grote munten
Ach, het doet er niet echt toe
maar dit beestje moet je spekken
Straks heb JIJ een centje toe.
~
In zijn buikje zit jouw buitje
Eens vergaard met groot geduld
Maar zorg eerst dat jij voortdurend
Zijn buikje met jouw centjes vult
Je zult er veel plezier van hebben
Geduldigheid wordt steeds beloond
Met een vetpot: als jíj dit beestje
Met krijgertjes van jou beloont.
~
Probeer het maar eens uit,
Jij vrolijke, kleine, grote guit!
Een lieve groet en een lieve cent!
Succes van SCenterklaas.
Letters
voor allemaal
~
Letters voor jullie
Letters voor allemaal
Letters die namen beduiden
En letters voor woorden
En letters voor werken
En letters voor kleine gedichten
En letters met grote gewichten:
A is van ons allemaal, altijd Attent en Aandachtig
A is van ons hart, altijd Aardig en Alert
C is van Contente mens, Continu tevreden
F is van Ferme man, Fantastisch en Fijn.
Groetjes van de heilige Lettertjesklaas
Asha
(bonbons van Albèrt)
Dit is voor het lijntje
Houd het alsjeblieft wel strak
Met af en toe een lekker smaakje
Zonder dat het lijntje brak…
Groeten van de heilige Lijnklaas
Arold
(boekje Happinez)
Sint zegt:
Mijn zoon, het is de Liefde
Die alle onrust overwint
Die alle goedheid naar je toebrengt
Ten gunste van je hart.
~
Mijn zoon, het is de Liefde
Die mensen diep verblijdt
Die al je wensen koestert
Je vrijwaart van de smart.
~
Probeer het maar eens uit
Met geloof en met geduld
Met hoop en met vertrouwen
Met liefde als je metgezel…
Probeer het maar, het lukt je wel!
~
Groeten van de heilige Lieveklaas
Asha
(2 hofdametjes met kaarsjes)
De poppen aan het dansen?
~
In huize B…straat is rumoer
Het is de tijd van Sint
Maar ook van grote plannen
Die ieder prettig vindt.
~
Twee poppen met een lichtje
Heeft Sint bijeen gespaard
Opdat ze vrede brengen
In Huis en bij de Haard.
~
Géén poppen aan het dansen
Maar wel het liefdesvuur
Symbool voor goede tijden
Van lange, lange duur!
~
Vertrouwen in het leven
Vertrouwen in de mens
Vertrouwen in toekomst
Is wat ik jullie wens.
~
Groeten van de heilige Wensenklaas
Conner
legt een kaartje
~
In dit pakje zit papier
Met mooi gekleurde dingen
Je kunt je wensen schrijven
Met heel veel kerstplezier
Maar eerst moet je nog klaren
Waaróp je schrijven zult
“Ik wens je een goed kerstfeest
Vol lievigheid gevuld!”
~
Tja, zegt Paperklaas… (fonetisch: peperklaas)
Arold
& Asha
(theedoek met geborduurde bloemetjes)
Stoffen herinnering
~
Een bloemengroet voor allemaal
Een teder nieuw begin
Dat wenst de Sint van Goede Tijden
Aan een heel lief mooi gezin.
~
Het is nu wintertijd
Maar dat doet er niet toe
Een veldboeket vol korenbloem
Zijn de fleurs van Sintermoe.
~
Je kunt er mee drogen
Je kunt er mee zwaaien
Je kunt er mee poetsen
Je kunt er mee aaien.
~
Je kunt ook ernaar kijken
En denken met vreugd:
Die kleine blauwe bloemen
Doen óns grote deugd!
~
Straks is het weer lente
Straks komt weer de zon
Straks bloeien de bloemen
Straks keert alles om.
~
Groetjes van de heilige Bloemenklaas
Flemming
& Conner
(ieder 1 blauw boekje met geschept papier + boter, kaar & eieren)
Een boekje
om woordjes te schrijven
En versjes en namen
Adressen misschien…
~
Een speeltje
Om tijd te verdrijven
Om samen te spelen
Misschien wel alleen…
~
Groetjes van de heilige Raadselklaas
Arold
Toch nog een flesje wijn
Om een beetje tipsy van te zijn
Als de zorgenvloed van alledag
Je weer een keer niet sparen mag.
~
Santé!
Groetjes van de heilige Wijnklaas
Arold
(onderzetters)
Soms wil een mens een steuntje
Een duwtje in de rug
Soms wil een mens heel stevig staan
Als een wijnglas sterk en stug…
Kijk maar vlug!
Van de heilige Steunklaas
Happinez
voor allemaal
(kalender met wijze spreuken)
De pieterman had een cadeau
Gekozen voor gelukkig zijn
Hij bracht het bij de sinterklaas
Die zei: waar is de Wijn?
~
O nee, zei Piet, geen wijn vandaag
Maar ‘n hoge wijze woordenschat
Voor alle dagen in het jaar
Waar menigeen al iets aan had.
~
Pak het maar in, jij wijze Piet,
Had Sint alras gesproken
Dan maar geen wijn, maar wél
Het Woord in goedheid ongebroken.
~
Groetjes van de dagelijkse Woordenklaas
Familie
Met Kerstmis sturen we kaarten rond
We sturen ze hier, we sturen ze daar
We sturen ze overal heen, naar wie niet?
Een voorraadje klein, een voorraadje groot
Een kerstwens is mooi, en meestal in het rood…
Kleur van liefde, nooit van chagrijn
Wat zullen de kerstvrienden vrolijk zijn…
~
Groeten van de vrolijke kerstkaartenpiet
Flemming
Een Donaldje Duck met de sint en met kerst
Heeft vaak al een mensengeheugen ververst…
Veel leesgroeten van de heilige Donaldklaas
Conner
Een Asterixje links en rechts
Met Obelix en wie nog meer
Met everzwijn en Idéfix
Je leest je gek, het is niet niks…
Veel leesplezier van de heilige Asterixklaas
~
En nu óp naar Kerstmis! Er is een heleboel te doen in deze maand vol heiligheid en schone verwachting: veel schrijfwerk, verschillende pastorale bijeenkomsten en, niet te vergeten, liggen er de bijzondere eucharistievieringen met Kerstmis in het verschiet: de Nachtmis en de Dageraadsmis. Ik mag daarin de begenadigde lector zijn.

![]()
Donderdag 30 november.
Daar hangt de nevel over de stad, nog maar dun, het is al ver in de morgen en de hemel wil klaren. Nu is het herfst, eindelijk. Je ziet dungetrilde lovers, bomen in silhouet, je ervaart leegte in de lucht die gevuld is met de hogere mystiek; je kunt het niet verzinnen, ook niet namaken, je creëert het mystieke in geen enkel decor; je kunt wachten tot het komt, het zich natuurgewijs aankondigt, en dan ervan genieten; maar snel en hebberig moet je zijn, want vluchtig is de tijd, ook in de herfst.
De herfst is mooi, maar in een mensenleven vaak genadeloos; onbarmhartig is hij voor wie het noodlot treft van de versnelde aftakeling van de geest. Het is een uitermate ingrijpend proces, dat realiteitsvol te zien is in de film Iris, een film waar je niet vrolijk van wordt, wél wijzer, begripvoller voor wie met de onverkwikkelijke dementie wordt geconfronteerd.

De film Iris, Oscar 2002
Wat is het moeilijk omgaan met verwarde mensen. Ik denk bezorgd aan R., die vreemd doet en lelijk erbij, ze vergeet te veel, en in deze lijn denk ik aan N., en aan J. en aan T., zij zijn intussen al jaren dement. Ik denk hierbij ook aan het bijzondere gedicht van Frans Boddeke, knap en gevoelig neergeschreven over mensen die onder ons zijn en zienderogen in sterke mate geestelijk voorbijgaan. Ik denk eraan met de wens dat de inhoud van zijn levensechte compositie niet zal stroken met de toekomst van mijn lieve mensen, van mijn lieve kring, van mijn naaste, van mijzelf. Je wilt het verschrikkelijke voor niemand - hoe houd je het tegen? Het doet zo’n pijn, het is zo erg. En het erge, hóé erg, staat hieronder te lezen. De medemenselijke schrijvershand van Frans is iemand onder ons misschien wel tot troost:
We wáren
~
Hij staart door het raam, ziet niets
naast hem staart zij mee, ziet niets
zij is zonder intelligentie geworden
zij, heerlijke schrijfster van weleer
~
hij denkt: we zijn niet meer, we wáren
gisteren gaf hij haar haar eigen boek
in de hoop op herkenning, ze had blaadjes
uit het boek gescheurd, omhoog gegooid
~
hij denkt: we zijn niet meer, we wáren
ze is van een andere tijd geworden
ze is in een andere wereld ingetreden
we hebben alle samenhang verloren
~
hij denkt: we zijn niet meer, we wáren
soms komt agressie op en schreeuwt hij:
ga weg, weg, dan kijkt ze hem onthutst aan
en wordt hij verdrietig: hoe moet het verder
~
hij denkt: we zijn niet meer, we wáren
zij blijft desondanks bij mij, voor altijd
al zuigt haar leegheid mij geestelijk leeg
kome wat komt, kome wat komt, kome…
~
hij denkt: we zijn niet meer, we wáren
loopt ze het huis uit, hij zoekt haar terug
strompelt ze het bed uit, hij legt haar terug
doet ze raar, hij laat haar maar, toe maar
~
hij denkt: we zijn niet meer, we wáren
ze leeft in een andere wereld, niet meer hier
onze wereld heeft ze reeds verlaten, ik ga met
haar mee in die andere wereld, dat wil ik
~
dan brengt men haar naar het verzorgingshuis
als hij meegaat, ziet hij dat ze gaat leven tussen
akelige rolstoelen, tussen uiteenvallende mensen
tussen mensen van een andere wereld, zonder hem.
~
© Frans Boddeke
![]()
Zondag 26 november.
Wat haal je binnen in je nacht vol onrust? Er waren muizen vannacht, tientallen muizen, er waren zóveel muizen vannacht dat mijn muizenangst er niet tegen bestand was en ik het ongedierte uiteindelijk gelaten toeliet, er was niets aan te doen, ze waren er, de muizen.
En toch. Ik probeerde ze uit te bannen, te verjagen, riep de hulp in van ik weet niet meer wie en het hielp helemaal niets, er waren die muizen en ze bleven er; ze zaten in mijn huisje, op mijn erf, in de gang, in de slaapkamer, in mijn kussensloop; ze roetsten de trappen op en af en waren te vangen noch te verdrijven, ik schreef het al op. Wat een droom! Wat een nachtmuizerij!
Een van de meest onaangename oneffenheden in mijn leven is gemaakt van muizen. Dat is zo mijn leven lang al gaande: geen muizen, nee, geen muizen! Vannacht waren ze bij me binnengekomen in groten getale, ze plaagden me tot het uiterste met hun opdringerige aanwezigheid, en hoe getart dan ook, ik moest me uiteindelijk met angst en al gewonnen geven. Die muizen waren van oudsher mijn griezelige vijandjes, grijs en snel en onverwacht, maar ik heb ze vannacht tot mijn vriendjes gemaakt, let wel, alleen vannacht toen ik ze droomde. Ze zijn in mijn wakkere staat weer veilig vertrokken, weg, geen muizen meer, wel nog enkele muizenissen, maar niet meer die compacte zenuwbeestjes die met hun aanwezigheid een mens de stuipen op het lijf jagen, mij althans wel.
Wat kun je dromen? Waar komt je droombeeld vandaan? Dit muizige gedroom is eenvoudig te verklaren: er gebeuren onverhoedse dingen in je leven die je helemaal niet wilt. Akelige dingen, die je leven onrustig maken, het overhoop halen; die je niet tegen kunt houden, die als zwarte spookjes binnendringen in je dagelijkse bestaan. Goedendag zeg, machteloos ben je, sommige dingen zíjn onafwendbaar, je kunt er alleen maar gelaten naar kijken, ze laten komen en als het kan, ze weer laten gaan. Als ze blijvend zijn, ben je ertoe veroordeeld, je moet ze ondergaan, hoe dan ook. Dan is er tóch nog de rustigheid om je te beschermen, zoals er de vriendschap is die de vijandigheid verdrijft.
Wat een nacht, evengoed! Heb ik eindelijk kunnen slapen, zijn er die miezemuizen weer, is ook deze nacht door de kleine levensonrust groot verstoord.
Is het mensenbrein inderdaad complex of denk ik het maar? Zou de menselijke denkwereld niet eerder knap gestructureerd te noemen zijn, zelfs geestverschonend kunnen zijn juist door de kleine nachtmerries die je de weg wijzen naar jouw diepste waarheid? De droom kan je redding zijn, denk ik, als je het antwoord op je probleem maar onderkent. Dromen zijn schoonmakers, geloof ik, knappe schimmen op de achtergrond met van die relativerende gedachten, onontbeerlijk voor geweten en gemoed.
De
muizenissen omgekeerd…
Mooi is dat. Je kunt je angsten omzetten naar het positieve gevoel, dat jou redt van de ondergang: je moet ermee leven, de dingen rationeel laten gebeuren, dan heeft de onrust het nakijken en je goede dagen tellen weer mee. Want alles komt goed, alles komt uiteindelijk helemaal goed. Tijd en feit gaan samen over in eeuwigheid. Het zal je tijd wel duren.
![]()
Vrijdag 24 november.
Water on Soil, zo heet het nieuwe album van mijn geliefde, zeer getalenteerde zangeres Vivien Searcy uit Stockholm. Ik ontving het album alvast van dochterlief Patricia, die haar producer is via Ragdoll Production’s, en nu luister ik naar heerlijke muziek, een prachtige stem, een mooi repertoire, naar de meer dan prima teksten, en alles is rustgevend en vrolijk tegelijk, kan het mooier? (www.ragdollproduction.com.)
2 alinea’s moet ik weglaten uit mijn kerstverhaal 2006, naar de bevinding van mijn franciscaanse minister. Het betreft 2 passages die een tikkeltje profaner getint zijn dan de rest van het verhaal. Het zou schelen in de tijd, zei hij. Enfin. Ik zal gehoorzamen, al heeft dat niets met geloven of met geloof praktiseren te maken, eerder met compromissen sluiten die de hoogste vrede dienen. Kerstmis komt gauw, heet het verhaal. Zo is het ook, en Kerstmis is in alle toonaarden hét feest van de vrede. Wie wil het niet, de ware vrede? Soms moet je er een beetje voor offeren, en wat geeft het ook, als het maar ten goede vruchtbaar is.
Wie heeft op Talpa Lotte gezien? Het is zo’n ongeschonden serie, ik kijk er met plezier naar, iedere avond om precies half 7. Het verhaal is schattig en levensecht tegelijk, de spelers zijn prima en natuurlijk genoeg.
Pastor Wim Baars is verhuisd naar Weurt. In het majesteitelijk gedeelte is hij gaan wonen, ik zag het op Internet. Jazeker, het gehuchtje Weurt heeft een majesteitelijk woongedeelte, in mijn eenvoudige optiek dan.
De rozen van Sybil staan verwonderlijk te pronken, abrikozenkleurig getint zijn ze, en teder en prachtig zijn ze met hun voorzichtig geopende kelkjes, of noem ik ze blaadjes? Rozenblaadjes. Ze staan in de oude vaas van mijn moeder, in tuil gedecoreerd met het donkergroene appelblad, winters romantisch te zijn.
Óp naar Kerstmis. Op het balkon staan de kaarsjes de winter binnen te halen, ze branden vrolijk en gestaag, zeer tot mijn vermaak in de natte novemberavond. Sfeervol genoeg. November, bijna voorbij.
Vanmorgen zagen we de deftige heer met baard en Burberryuitstraling oefenen op de dijk bij Oortjeshekken met zijn jonge borderterriër, het beestje moest leren naast de fiets van zijn baas te lopen. Borderlief keek alle kanten op, nieuwsgierig diertje, maar níét vooruit. Ze oefenden samen langdurig genoeg, wisten niet van ophouden - ik bedoel de baas, natuurlijk, Bordertje liep vanzelf wel mee. Het was een mooi plaatje, dat tweespan gaande daar hoog over de dijk. Toen we vertrokken, kwamen ze de oprit van Oortjeshekken in, de baas voor zijn koffie mét en de border voor zijn bakje water. ‘n Vredig samengaan, bijna broederlijk te noemen, dit man-met-hondschap.
De liturgie voor zondag is klaar, de preek zal erg goed worden, over het koningschap van Christus. Best een moeilijk onderwerp om in deze tijd te beschouwen, maar pater Frans B. heeft er weer een sublieme overweging van gemaakt. Je boft maar met zo’n predikant. En met zo’n vriendschap, natuurlijk. O, het is allemaal genade, zomaar om niet, genade van goedheid en schoonheid, van zegeningen ongekend, onbevroed ooit, maar tóch in je leven gekomen. Laus Deo! Amen.
![]()
Donderdag 16 november.
We liepen daar hoog op de dijk langs de Waal, Bertram en ik, het was een wandeling vol rustigheid, vrede en evenwichtigheid. We gingen langs de enkele huizen, her en der gelegen in dit verrukkelijke landschap, langs de konikpaarden, de bisons, langs de groene weiden met de grazende schapen, langs de bokken en de geiten in de private tuinen der rijken; we traden binnen in Oortjeshekken en dronken in de huiskamer onze koffie en thee en we smulden van een versgebakken broodje met tonijn en groene tierlantijnen, heerlijk genoeg. De enige wanklank van dat heiligmakende uur in Oortjeshekken was een ambivalent telefoontje van een merkwaardige man, ik was even van streek, maar voel me nu weer goed.

Ganzen in de Ooijpolder (foto van Internet)
We reden tussen de weilanden vol met ganzen, eenden en ander fraai gevogelte terug naar de dorpskern en kochten er in de plaatselijke supermarkt ons dagelijks brood. Even eruit vandaag, en het is goed geweest.

Lief hè! 2 konikspaardjes in Gods land van Ooij. (foto van Internet)
Ik zag daar in het heerlijke polderland tot mijn verrukking een kleine Paddy, een jong bordertje met een mooi getekend koppetje, chic glad jasje van eigen bont; zijn baasje was een elitair ogende man, met burberrytrekken en dito kleding. Ik dacht blij aan Rieke en aan haar bijna 2 borderterriërs. Het zijn echt bijzondere honden.
Er stonden op de dijkse parkeerplaats 2 oldtimers van zeer goede snit en beide in zeer goede staat. Toen arriveerde een nostalgische reiskoets, met 2 zwarte Friezen ervoor, statig stappend en tenslotte sierlijk op de parking gestopt; ze werden gemend door 2 deftige koetsiers met hoge hoed. Het reizend gezelschap stond daar oneigentijds te verpozen; de passanten genoten ervan, Bertram en ik ook.
En zo maak je onverwacht weer een stukje hemel op aarde mee, het lijkt allemaal zo eenvoudig en het is zó groot! Ik heb me weer op en top rijk gevoeld vandaag, alsof nergens de wereld in pijnscheuten omvalt, alsof overal vrede heerst, gewoon van nature, gewoon van nature. Zo zou het moeten zijn, altijd en overal: alles en iedereen tesamen in rustigheid en vrede, gewoon van nature. Amen. Amen. Moge het zijn.
![]()
Woensdag 15 november.
- Diep in de nacht vol van gepeins en wakker zijn. -
Ik denk er ernstig over mijn geliefde dagboek definitief te sluiten. Ik voel nog maar weinig animo om mijn zielement prijs te geven per digitale schriftuur. Dit dagboek bijhouden, kost me meer tijd, energie en denkwerk dan de boeken en bundels die ik ooit schreef. En er is te weinig response, geen bemoedigende weerklank, bijna nihil. Het is als praten in jezelf, zoals de eenzame dat doet, en geen mens heeft je gehoord bij al je geredeneer, het zijn de muren die je klanken opvangen, meer niet. De stilte is je antwoord, de stille stilte, meer niet. Ben ik nu ondankbaar of alleen maar alleen?
En toch. Ik twijfel alweer. Het is immers goed om te doen, niet zozeer praten in jezelf, maar wel neerschrijven wat je denkt en beleeft aan de dingen én aan de tand des tijds. Is het niet een rijke schrijfperiode geweest, en is het geen rijkdom te kúnnen verwoorden wat je denkt, voelt, ervaart? Is het niet heel bijzonder je innerlijk en je gedachtegoed mee te willen delen aan wie je wél lezen wil?
Ik ga nu maar slapen, het is bijna half 5 in de ochtend. Ik zal erover nadenken. Ach, je moet ook niet over 1 nacht ijs gaan, want dan zak je erdoor… het zou je nog kunnen spijten. Welterusten. Dag God, waar zit je toch vannacht?
12.15 uur. Wat is toch die onrust, niet heilig maar zwart van de angst in je ziel? We hadden vanmiddag het godsbeeld van Huub Oosterhuis, dat zeer bijbels is, bestudeerd en die teksten gaan zó diep, misschien sleep je ze wel mee door de nacht heen, onbevroed? Wat te denken van dit citaat uit Deze geboren vreemdeling, op bladzijde 77:

… enzovoorts.
Ik heb het niet kunnen klaren vanmorgen naar Den Bosch te rijden, ik sliep te kort en mijn lichaam is moe. Ik had Paul een mailtje gestuurd en me tegen 9 uur telefonisch bij hem afgemeld voor de vergaderochtend in het Franciscushuis, wel jammer, maar ik heb in ieder geval de ‘s-Hertogenbossche OFS- kerstviering 2006 klaar, dat voelt nou weer meer dan goed, echt prima.
12.30 uur. Toen kwam buurman Frans de stoofperen van deze herfst brengen, voor de aardigheid. Ze zijn echt lekker, zei hij. Dat vind ik zo mooi aan goede buren, je kunt gerust jezelf zijn en je gunt elkaar nog eens iets. Het mooiste in een mensenleven is samen die dingen delen waar je blij van wordt, niet grootschalig maar van tijd tot tijd vanuit het eenvoudige gebaar, dat alle mensen nodig hebben ter bevestiging van hun wezen, van hun zijn, van hun mógen zijn. De mensheid. Is er iets complexer dan de mensheid? Maar het leven van mensen is altijd nog de moeite van het meebeleven waard. Je moet proberen evangelisch te denken, je evangelisch te vormen en eruit te leven; het evangelie is wijs en rijk aan mensenkennis, al moet je ook daarin weer leren onderscheiden en verstaan wat wordt bedoeld. Over complexheid gesproken.
![]()
Zaterdag 11 november.
11 november was de trouwdag van mijn ouders, in 1925. Raar eigenlijk dat zo’n historisch weetje altijd bij je blijft. Je kunt er niets mee, je doet er niets mee, het is voor mij gewoon een kleine herinnering, meer niet. Ofschoon, ‘n kleine? Er is wél een grote familie uit voortgekomen, eerst de 8 kinderen en later volgde de vertakking met de uitbreiding van de familiale stamboom.
Toen mijn ouders 25 jaar getrouwd waren, was ik 7 jaar, ik ging die dag verkleed als ‘n kaboutertje met ’n witte baard; ik droeg een versje voor, het had vele strofen, met allerlei gebaren erbij gemaakt, maar ik weet niet meer hoe de inhoud was, natuurlijk niet. Wél weet ik nog goed dat er een groot feest was, met veel bezoek en veel gezang en later op de dag veel gehos door het hele huis, van boven naar beneden, van beneden naar boven, door de gangen en door de showroom, door het kantoor en langs het magazijn, toen speels nog even door het portiek een stukje de straat in, een eindje maar - geen burengerucht! Mijn moeder was jarenlang nog trots geweest op dit zilveren feest, ze sprak er graag over, ze had enorm genoten. Ik zie een enkel fragmentje nog helder terug, zoals de dikke kok, hij heette Dansen, die het diner bereidde, en de 3 meisjes die de gasten bedienden aan de feestelijk gedekte tafel met het porselein, het kristal en het tafelzilver; waren die meisjes mijn Berlicumse nichtjes niet? Ik denk van wel.
Het was Elf-Elf en dat betekende veel carnavaleske muziekskes op trektocht door Den Bosch en veel volk op de been in de binnenstad. Maar veel meer weet ik me niet te herinneren, ik zal toen wel vroeg in bed zijn gelegd, ik, snottertje van 7. In 1975 was er de gouden bruiloft, die werd in het toenmalige El Dorado in Vught gevierd, nu De Vughtse Hut genaamd. Dat feest was compleet met muziekskes van de Vughtse Harmonie, vanwege de vijftig gouden jaren en de dorpse bekroning erop. Er werd gedanst, er werd getoost, mijn ouders zwierden over de dansvloer en waren stapelgek op elkaar. Er zijn nog fotootjes van dat familiespektakel; mijn zusje was er ook, helemaal uit Australië komen vliegen. Ach ja, zo gaat het. Het begon allemaal in 1925, alweer lang, lang geleden. Ja. De tijd geeft je de ruimte, laat je leven, zorgen, spelen en diezelfde tijd neemt je mee in de eeuwigheid; want vergankelijk als we zijn gemaakt, sterven we op onze tijd, en dan zijn we voorbij, ben je voorbijgegaan. Maar het leven is de moeite waard, ook al is het afscheid onontkoombaar, onherroepelijk op een zekere dag. Het is nu eenmaal zo gemaakt, vastgelegd in de wet van het leven.
~
Bij Liturgie staan de voorbeden genoteerd voor dit weekeinde. Bij Odes & Lyriek staat een aardige ode aan Ben, de nieuwe kleinzoon van Sybil; ik had een teder gedicht voor de kleine man gemaakt, wellicht uit heimwee naar mijn eigen jonge moedertijd, dat zou kunnen. Huub Oosterhuis heeft een uitglijer gemaakt naar Rita Verdonk toe, dat is jammer, je kunt het wettelijke asielbeleid van vandaag niet vergelijken met de handelingen der collaborateurs in de 2de Wereldoorlog. Ik hoop dat deze grote mens en profeet Oosterhuis er zijn onderbouwde beweegredenen voor heeft en deze aan het Nederlandse publiek duidelijk kenbaar wil maken. Ik begrijp hem wel, maar het vergelijk is veel te straf. Ik ben benieuwd naar het vervolg. Och ja. Er gebeurt momenteel ook zoveel in ons land, beangstigend genoeg.
~
Het hondje Burby, dat nog geboren moet worden, heeft al een kleine dagboekstory. Het meisje Kelly wordt haar metertje, nu nog een petertje. Het beestje gaat in ieder geval beschreven worden, en zijn levensloop erbij, want de 9-jarige Kelly is een heuse schijfster in spé, ik las talent in haar kleine verhalen; en ik herinner me dat ook ik begon te schrijven op mijn 7de, het is heus. Mooi is dit vergelijk, zeker voor mezelf, en ik moedig Kelly dan ook van harte aan door te gaan met schrijven en dichten. Talent laat zich niet loochenen.
~
Mijn kinderen zijn me lief, heel lief. Dat mogen ze nooit vergeten.
![]()
Maandag 6 november.
Soms is een korte briefwisseling bewaren voldoende voor de memorabele feitjesvoorraad die bij de erfenis hoort. En het scheelt in de vermoeienis, hetgeen denken en opschrijven toch is, onverkort. Soms ben je er te moe voor, zoals ik vanmorgen. Ik sliep de hele nacht niet, alweer niet. Wat een ongezien gespook! Het ging van draaien in bed naar theedrinken en tv kijken in de kamer, van liggen op de bank en snuffelen in de computer, op internet bedoel ik, naar mijn nieuwste kerstverhaal lezen, de inhoud herzien en meteen corrigeren. Ik heb tussendoor nog de maandagsoep getrokken en de gehaktbasis aangebraden voor de chili con carne van rond 12.00 uur. Uiteindelijk kon ik slapen, of beter: het moest. Het was rond 6.30 uur. Maar hier komen de 2 brieven, in volgorde van binnenkomst en ietsje ingekort:
Sent: Sunday, November 05, 2006 8:34 PM
Lieve, lieve Ine,
Vanmorgen is Paddy naar school geweest, hij gedroeg zich als een grote broer, zo goed deed hij het op school, en dat kan in de krant, meestal doet hij alsof hij van de commando's nog nooit gehoord heeft. Een echte terriër, zullen we maar zeggen. Heb je een fijn weekend gehad? Wij wel. De keuken is nog niet klaar, maar we zijn wel een eind opgeschoten. Kom maar gauw kijken. Luister eens, tante Ine, jij bent de peettante van de Burby, die nu toch echt op komst is, als je dat wilt? Je voorgangers zijn Jos Brink en Frank Sanders van Keppeltje; Margriet en Ruud van Fleurtje; Cocky en Willem van Paddy en jij van Burby. Liefs van Rieke, en een dikke knuf van Paddy.
~~~
Datum: zondag 5 november 2006 22:28
Hoera! Lieve Rieke!
Geweldig dat puppie Burby eraan komt en ik echt de peettante van haar ga zijn. En Paddy? Hij weet wat adel is, daarom luistert hij doorgaans niet naar het gewone klootjesvolk, maar hij wordt ook ouder, een heuse jongeman al, en hij ziet al een beetje in dat hij plichten heeft als dé sir in zijn hoogstaande hondensoort. Vandaag heeft hij dat inzicht bewezen op de hogeschool voor paddies en andere rassen.
Ik wil jullie keuken zien... Ja, gisteren heb ik de hele dag besteed aan mijn interieurverzorging, stoffen en zo.
Vandaag heb ik de hemel beleefd. Jullie moeten een keer met me mee naar de Ooijpolder... Bertram en ik wandelden over de dijk langs de Waal nadat we in Oortjeshekken koffie hadden gedronken, met notenbrood en vruchtenpeperkoek erbij. Toen zijn we van de dijk naar beneden gegaan, in het laagland van de Bisonbaai, waar Hooglanders en wilde paarden grazen en lopen en liggen en naar je kijken... We gingen over het distelland, en over het zandstrand tot aan de branding, klotsend water, het leek alsof we aan de grote zee waren, en we genoten, voelden ons herboren, en gelukkig. ‘Een plek voor Rieke’, zeiden we tegen elkaar... De Ooijpolder is maar 6 á 7 kilometer hiervandaan. Je bent er bijna meteen als je het centrum van Nijmegen uitkomt. Zoiets als Vught bij Den Bosch. Wat willen we meer? Liefs, Ine
![]()
Zaterdag 4 november.
De paarden van Marrum zijn veilig gered. 4 meisjes met lokpaarden hebben ze opgehaald van het armzalige maar levensreddende stukje grond in het grote Friese water. De schoonheid van de reddingsactie is onvergetelijk, de ontroering ook. Boer wordt mens, schreef ik gisteren, maar maakte er een foutje mee, ik moest gebieden: Boer, word mens! Ik zag en hoorde de man, de paardenbezitter, met zijn wegwijzende reactie op tv en werd er koud van. Boer, word mens!
Buiten zie ik de bomen, groot en klein, geel verschralen naar de kale winter toe. De herfst houdt zijn schoonheid vast door leeg te worden, leeg te maken. Als er geen seizoenen waren, hoe zou het leven in stad en land er dan uitzien? Hoe zou het jaar verlopen, zo zonder wisseling van weer en gemoed? De geelroze dahlia’s van de Graafse vrijdagmarkt staan op mijn tafel te pronken als herfstteken van God. Eigenlijk is dat dé kleur van de herfst: gebroken geel.
4 november 1961, avond van verloving, onvergetelijk moment in een getart mensenleven. Toch blijft het leven mooi, de moeite van beleven en waarderen waard. De mens heeft ten opzichte van zichzelf de plicht zich te ontworstelen aan het juk van de ander. Verloven en trouwen betekent niet dat je de ander gevangen zet. Toch gebeuren zulke dingen als elkaar tot je lijfeigene maken. Het is het ingebeitelde systeem van mannetje tegenover vrouwtje, hij is de baas. Maar niemand is de baas in een relatie, zeker niet JE baas. Evenwaardigheid moet er zijn, geen dominantie die 1 van de 2 overheerst of tegen elkaar in botst. Maar soms staat het captainship tevoren al vast, je weet het niet, je beseft het niet, het is de structuur vaak van de beide families die zich voortzet: he has the captainship of the weddingboat. Je kunt daarmee intekenen op een scheiding, hoe lang die ook op zich laat wachten, zij komt er. Want een gevangengezet mens wil uiteindelijk loskomen, eerbiedwaardig vrij zijn, niet geknecht, niet vernederd, niet afhankelijk tot de dood ons scheidt. Er zijn mensen die het aandurven zich los te koppelen van het jarenlange stramien van onderdrukking, een stramien met veiligheid, dat wel. De veilige zekerheid valt weg bij een scheiding, de zekerheid van brood op de plank, van onbekommerd je dagen slijten m.b.t. je inkomen, zíjn inkomen. Scheiden van de bullebak is de meest dappere zet van een vrouw die je je kunt indenken. Zij springt in het donkere gat van niets meer, niemand meer, nooit meer, maar de gevangenschap was dermate bar dat de sprong voor haar levensreddend is; zij het in armoede, zij het in rijkdom, maar ze is vrij, eindelijk vrij.
Je zou het theoretisch allemaal zo kunnen bedenken. Maar een mens komt nooit van zijn verleden af. Wat hij voelt of gevoeld heeft, blijft hij herkennen. Je blijft de mens herkennen, je blijft elkaar herkennen. Ik zou het willen rondbazuinen: mensen, oordeel niet, je weet niet wat je doet. Wat Toine gisteren schreef over Het gezin is wáár, maar de praktijk van het leven kleurt de werkelijkheid vaak heel anders in, juist doordat je mens bent, samen mens bent, je bent niet alleen. Enfin. Ik dacht alleen maar even terug aan 4 november 1961.
![]()
Donderdag 2 november.
Een mens kent het levensproces heel goed, van alfa tot omega, en de fase waarin hij is aangeland, voelt hij feilloos aan: de tijd verstrijkt met zijn leven. Ik zei gisteren gekscherend serieus tegen Janneke en Margareth, de 2 ijverige doktersassistenten: De tijd neemt ons mee. De tijd eet ons op. Wij, mensen, lijden aan de tijd, wij lijden allemaal aan de tijd. De tijd is ons enige euvel, anders niet. De griepprik werd lachend geplaatst en de bloeddruk hoopvol gemeten. We zullen doorgaan, we zullen doorgaan, met Ramses gesproken en gezongen. Laat het maar winteren, nu.
Van Toine kreeg ik een ontroerend gedichtje gestuurd, ik bewaar het ter dankbare herinnering.
Gezin
Een moeder is een moeder zoals een moeder moet zijn
Een vader is een vader zoals een vader moet zijn
Een zoon is een zoon zoals een zoon moet zijn
Een dochter is een dochter zoals een dochter moet zijn
Een gezin moet zijn zoals een gezin moet zijn
Met zijn ups en downs zoals het moet
Houd het in ere, dit erfgoed.
Toine
![]()
Het nieuws van de paarden in het water op de Wadden doet zeer. Ze hebben geleden, er zijn er gestorven, ze moeten wel onderkoeld zijn geraakt, hoe moet dit verder? Ik bid niet snel rechtstreeks tot God, maar vannacht heb ik mijn hoofd gebogen en mijn handen gevouwen, ik heb gebeden voor de paarden, opdat ze gespaard blijven, en de redders erbij. Maar er hoefde niet meer gered te worden, het water begon te zakken. Wat een triestheid de beesten lijdzaam te zien, samengedromd als een soort schipbreukelingen, samen op een kluitje op een stukje onzichtbaar land afwachtend, afwachtend. Er is een oud gezegde: Boer wordt mens. Ik herhaal: Boer wordt mens. Mens met je dieren, mens met je vee. Hun hoeder moet je zijn, geen winstjager. O, wat een kwellend beeld, die paarden in de zee.
Kipje heeft een eitje gelegd. Brokje en zij hadden enorm veel snippers verzameld, ik had alles laten liggen deze keer, en vanmorgen lag er een eitje in de kooi. Een klein witje, maar echt een ei. Schattig genoeg, vertederend.
Patricia en Wivvi zijn verhuisd naar een lieflijke woning in het weidse land van Zweden. Gisteren zijn ze erin getrokken, samen met de hondjes Lucas en Sita. Veel geluk en vreugde, wens ik hen toe, en een lang en mooi leven samen in dit zo begeerde huis.
![]()
Maandag 30 oktober.
Bijna november, het weer zal snel omslaan, de winter komt eraan. Binnen zijn de lampen gedimd en de kaarsjes aan; het ruikt in mijn huis naar spruitjes en gebraden vlees. De vogeltjes kwetteren geborgen in de veiligheid van mijn woning. De bloemen staan beschut op de vensterbank, ik ben benieuwd of de hibiscus, die ik deze zomer van buurvrouw Marianne kreeg, blijft bloeien, en hoelang. Ja, bijna november. Het is in dit getij gewoon knus om thuis te zijn.
Maar moe ben ik, mateloos moe. Gisteren heb ik de vernissage van Annelies van Dooren weer gemist, ik zou naar haar toegaan in kasteel Hernen, maar de vermoeidheid sloeg toe en ik reed vanuit Eindhoven regelrecht naar huis, ben gaan slapen in mijn vertrouwde, naar ik hoopte verkwikkende bed.
De viering in het Carolusziekenhuis was sereen, ingetogen en inspirerend. Het thema was blind zijn en toch zien. Bij Liturgie staan de voorbede, het tussengebed en het slotgedicht te lezen. Het evangelie over de genezing van de blinde Bartimeüs zette een mens als ik onwillekeurig aan het denken en vandaag schreef ik, door de vermoeidheid heen, een kleine overweging over geloven: Geloven is…. Het werkje staat te lezen bij Woordje van de Week.
Mijn hart is dankbaar. De week is turbulent geweest, maar mooi, zo mooi en zo vriendelijk. Mijn 3 reizende metgezellen in 1 zijn mijn grote rijkdom, momenteel. En ik houd van mijn kinderen en ik koester daarbij bijzonder de 2 kleinsten - wat wil een mens nog meer bezitten? Als je dan rustigheid ervaart en evenwichtigheid om je heen hebt, is het leven perfect, het kan niet mooier. O, soms weet je het zo goed.
Het verrukkelijke oord Oortjeshekken in de Ooijpolder is morgen nog open op dinsdag, volgende week niet meer, ik wil er met Sybil naartoe gaan, misschien.
Mijn doofheid verergert snel, de klokken tikken nog maar zwak vanuit de slaapkamer gehoord, dat was eerst een helder geluid, nu bijna niets meer.
Tonnie heeft me gebeld met slecht nieuws. Annie is vorige week gestorven en bij Tonnie is Alzheimer geconstateerd. Ze zal het proces van de aftakeling ondergaan, mijn lieve zus, mijn enige echte lieve zus. Het leven is mooi maar hard, heel hard.
![]()
Maandag 23 oktober.
Rieke heeft een klassieke loveseat gewonnen uit de Seasons van deze maand. Een beauty! Vanochtend heb ik de markt bezocht, het was vroeg dus rustig, de marktlui waren nog niet eens klaar met het optuigen van hun kramen. Olivier stapte dapper naast me voort met de paraplu, het regende. Tegen mijn bedoeling in kocht ik een jasje met een bijpassende onderblouse. Het was maat 44, dubieus genoeg, maar ik mocht het eventueel ruilen. Eenmaal thuis constateerde ik tot mijn verrassing dat het setje paste. Het gaat goed met het gewicht, mag ik wel zeggen. Die heldhaftige Veronica gaat sinds kort naar de Weight Watchers, en valt af. Het is zó belangrijk goed in je vel te zitten, je te kunnen bewegen zoals het feitelijk hoort. Ik denk dat al haar prachtige kleren haar straks nog mooier zullen staan dan ze al doen. Gisteren droeg ze paars, mooi bij haar rode lippen. De tuin van Ons Jachthuis is zo goed als klaar, de bomen zijn geveld, au!, maar alles staat er verder puik bij. Arme Joop, hij is niet in orde, maar het moge hem goed gaan, veel beter zelfs, dat hoop ik echt. Je weet toch niet waardoor een mens zich ten diepste ziek voelt. Veelal speelt de psyche een rol, maar ik ben geen arts, ook geen psychiater, ik weet het dus niet.
En verder is het herfst en dat voelt voor mij erg goed. Bij Veronica & Joop snorde gisteren de open haard. Ook in De Heerlijckheid in de binnenstad brandde vanochtend de kachel, zo knus dronken Olivier en ik er onze maandagmorgenkoffie. Ik hoop dat Rieke veilig en wel door haar dip komt: wat is het leven moeilijk als de innerlijke rustigheid telkens opnieuw door je vingers glipt, wegebt, en de angst slaat toe, pakt je in, beheerst je leven. Ondragelijke tijdspanne, hard om te ondergaan, zwaar om te dragen. Maar het leven gaat door, je moet verder, zij, Rieke, ook. Sterkte, lief mens, het komt goed. Op den duur komt het goed. Heb geduld. Houd moed. Je hoeft het niet te geloven, maar ik weet het zeker. Het komt goed.
Ik hoorde dat mijn 5de broer de weduwnaar een vriendin heeft. Ik vernam het aanvankelijk van mijn oudste broer. Dat vind ik zo misselijk, ik had mijn 5de broer hartelijk geschreven en nog eens hartelijk geschreven, we hebben nog 1 keer met elkaar gebeld, hij vertelde van alles genoeg en zweeg in alle talen en toonaarden over zijn relatie. Ik had het nieuws graag van hém vernomen, niet van een kletsende figurant. Ik heb intussen geen trots of waardering meer over voor de nog levende familie. Alleen mijn enige zus heb ik familiaal gezien lief, haar kan ik ten volle waarderen, zij is wijs en gedegen, zij is lief, de anderen niet, helemaal niet.
![]()
Zaterdag 21 oktober.
In Oortjeshekken was het vanochtend goed en vertrouwd toeven. We hadden koffiegedronken en 1 snede notenbrood gedeeld, dat doen we vaak, samen delen wat op ons bordje ligt, het geeft je een eucharistisch gevoel, het heeft iets Messiaans. Vanuit Oortjeshekken liepen we naar de Bisonbaai en zochten de dieren, de paarden en de runderen, ze hielden zich verstrooid op in het omliggende land. Er waren vele bomen gekapt, ze lagen a.h.w. in mootjes gehakt op de drassige poldergrond. In de vroege ochtend van vandaag was de wereld in Ooij een getuigenis van Gods hand. We stapten, vertederd vanwege zoveel schoonheid en innig tevreden om de gulheid van de prachtige aarde, door. Daar stond bij de kromming van de baai een fors bruin rund, dat je, volgens de voorschriften, met rust moest laten. Hoe verbonden kun je je weten met de diergaarde van God? Alles leek daar in harmonie te zijn, en was het ook. We keken en verzuchtten de mystieke wereld om ons heen, alles daar was op dat ogenblik immers mystiek, en toch minstens een groot mysterie? Waartoe dient het eenzame rund, wat is de betekenis van de gakkende ganzen die overvliegen, wat doen die late bloempjes daar nog in de wei, wat is het nut van die dieprode bessen aan die vaalgroene struik en waarom staan de ontelbare distels dor en droog in het veld? En we wandelden, zonder een uitgesproken antwoord op zulke logische vragen te hebben gekregen van wie of waar dan ook, over het meesterlijk van gras en mos geweven tapijt, terug naar de auto. We reden over de dijk pal langs de Waal, af en toe stopte de rit omdat we wilden kijken, over het wijde water uit wilden kijken.
Over de rivier voeren de boten en de schepen van kaliber onder Gods zon door. Dit was de machtige, fel blinkende Waal in de jonge morgen, onafgebroken stromend, fris en verkwikkend, in zilverglans inspirerend genoeg, maar desondanks steeds zwaarwichtig verheven vanwege de brede watermassa, die voortstuwt en het wint van het minieme landwezen. Je moet als kleine mens de rivier met rust laten. O water dat levend maakt en doden kan.
Rivier bij nacht
~
Het water stuwt voort
in massief, beladen met
de nacht vol dood en
leven zonder gezicht
~
Alleen het levensdriftige
in onrust zwaar, stroomt
met bronstig kloppende koppen
zonder schuim door het zwart
~
Alleen het licht van de maan
trekt aan en nodigt, nodigt
uit om mee onder te gaan.
© Ine Verhoeven in Zalig de Niemanden 1997.
In het kleine centrum van Ooij kochten we herfstbloemen voor op mijn tafel, 2 ervan vielen uit toen ik ze thuis in de vaas wilde zetten, maar 3 staan volop te pronken, ze leven nog en bewijzen in hun soort en op hun wijze de herfst, het seizoen van de vallende bladeren en de stervende bloemen. Volgende week breng ik een bloemstuk naar het graf van mijn ouders. Misschien willen Bertram en Olivier met me meegaan? We passen gedrieën precies in mijn brave autootje, dat scheelt.
![]()
Vrijdag 20 oktober.
Vannacht heb ik slecht, eigenlijk nauwelijks geslapen. Dan sleep je je door de dag, maar o feest! De kleine Flemming en zijn mama zijn naar me toegekomen en we hadden een heerlijke dag, zo moe als ik was. Het is een Graafse dag geworden, een dag van sfeer en Brabants gemoed, van oma zijn en schoonmama, van theedrinken bij De Gouden Leeuw, van Annelies ontmoeten. De kleine man ging oberen en deed het nog hartstikke leuk ook. Natuurlijk ving hij fooitjes, en al had hij in de cafékeuken een kopje gebroken, hij mocht het tipgeld houden, ik geloof 1,50 euro. De Franse stijljurk uit De Roos is geweldig, staat Asha denderend, was voor haar gemaakt. Flemming stapte op nieuwe Geox-schoentjes naar huis en voor de vogeltjes heb ik een pak krachtvoer gekocht, uitgebalanceerd voer, dus. En verder ben ik moe, heel erg moe.
We aten, eenmaal thuisgekomen, soep en groentekroketten met dunne frietjes en veldertjes van AH. Ik nam er rabarber bij, maar het was geen succes, die rabarber. Och ja, vanmiddag heb ik gezondigd, ik at na een onbekende tijdspanne een bananensoes, vermeldenswaard, want de volgende zal ergens volgend jaar worden genuttigd, misschien. De kunstenares Annelies van Dooren heeft me uitgenodigd haar boekpresentatie in Grave in de zomer van 2007 in te leiden, ik vind het een eer en heb ingestemd, zij was er blij mee, ik ook. In de Roerom staan deze keer 3 gedichten van mijn hand te lezen, waarbij 1 gedicht door de befaamde componist Willem Vogel op muziek is gezet, ik was blij verrast. Naarmate mijn tijd verstrijkt, wordt alles in het leven goed, in ieder geval een stukje beter. Mooi hoor, troostrijk ook. Mijn laatste seizoen is een bloeiseizoen, wie heeft het ooit zó kunnen bedenken?
![]()
Donderdagnacht 19 oktober.
Soms is de herinnering aan de voorbije dag ambivalent, ik bedoel dat je dan niet precies weet hoe je de kwaliteit van die dag inhoudelijk moet of kunt aanduiden. De feitelijkheden waren duidelijk en stabiel genoeg. Er was het noodzakelijke gesprek met de gespecialiseerde bankemployé. Er was de thee bij Hotel Vught, de broodmaaltijd in de auto en de koffie bij Rieke. Er was de veilige terugreis naar Nijmegen. Er was de verlate middagdut, thuis. Er was de voedzame avondmaaltijd. Gewone normale gegevens die gewoon normaal zijn verlopen op een gewone normale dag. En toch. Onderhuids broeit het ongewisse van een wankele toekomst en je weet gewoon dat je op termijn 100 stappen achterwaarts moet doen. Je zoekt een klankbord, je hoopt op iemand die met je meekijkt naar de feiten, die je de weg wijst naar een hanteerbaar leefpatroon zonder al te veel zorgen aan te voeren om je lijfsbehoud dat aan karigheid ten onder zou kunnen gaan. Je moet wel heel goede vrienden met iemand zijn om daarover te willen en te kunnen praten, maar ook om begrip te zullen ontvangen, een meedenken met goede raad, met waarachtig inzicht en/of met correcte wetenschap. Het is de moeilijkheid. Mag je van je medemensen verwachten dat ze in je zorgen treden op de wijze zoals je het nodig hebt? Ik denk het wel en ik denk het niet. Ach, denk ik er meteen tevreden en dankbaar bij, gelukkig is er die ene grootmoedige mens die je onverkort steunt, die je hoort en veel van je wéét en altijd zijn betere raad voor je over heeft. Maar een mens heeft blijkbaar meer visies nodig. Uit een gesprek met X. bijvoorbeeld was helaas geen passend antwoord naar voren gekomen. Als exit sociaal raadsvrouw wist ze praktisch nog maar weinig aan deskundigheid te duiden. Dat is jammer, want ik had eindelijk de euvele moed opgepakt om háár - ik bleef voorzichtig - een paar, op sociaal gebied, financiële problemen voor te leggen, maar ze gaf me, zij het met de beste bedoelingen, volkomen foute adviezen. Intussen ben ik alweer deskundig geadviseerd door experts, ik heb dus mijn eigen inzichten gevolgd en ernaar gehandeld, gelukkig maar. En zo blijf je leren, je hele leven lang.
Donderdagochtend, 10:41 uur.
En de zon schijnt over de wereld, de herfst hangt lachend tussen hemel en aarde. Ik wil op pad, eruit, de wijde wereld in, mijn voeten neerzetten op Gods goede grond en alle zorgen van gisteren lijken vanmorgen weg, ver weg, en dat zijn ze ook. Het leven is goed, dat gegeven kan niemand me ontnemen - ja, er valt iets bijzonders te koesteren, het is het mooiste gebaar van Godswege: het leven is goed.
Kleine hindernis in de marge: mijn allergie is teruggekomen, is volop aanwezig, de zakdoeken liggen overal als behoedzame, katoenen wachters die me ondersteunen bij de onstuitbare watervallen en de branderige ogen. Zou het misschien aan het Gabbeh tapijt liggen, of aan het nieuwe bankstel? Of heb ik gewoon te weinig gestofzuigd in de afgelopen tijd? Het is maar lastig, hoor.
Barbara is terug in mijn beleving. Ik was haar kwijt, o dijk van een vrouw, ik heb haar gemist, maar ze is er weer. Hoe verwonderlijk kan de tijd je helpen de juiste mensen opnieuw te ontmoeten, precies op dat ene wankele tijdstip van hopeloos niet meer in je broeder en zuster te geloven. Mooi is dat. Het land van gelovigen hangt kwalitatief af van grote denkers, wijze mensen. Ze zijn schaars, en ook weer niet. Barbara is zo’n wijze vrouw, ik reken haar onder hen.
Ik dacht aan de zusters van de literaire leesgroep in Catharinahof. Ze vormen een prachtige stoet van hedendaagse heiligen, een bijzondere groep van wijze vrouwen. Ik dacht aan hen en zag ze voor me zoals ze altijd aanwezig zijn tijdens de leesuren over God; en ik bezag met een glimlach de haastige spoed van Augustino, de dove belangstelling van Ferdinanda, de wakkere aanwezigheid van Anne-Marie, de blije kennis van Jeannette, de jammerlijke slaapziekte van Ernestine, ze wil toch alles volgen, de tedere opmerkzaamheid van Mirjam, de charismatische inbreng van Carla, de oude gedegenheid van Benigna, de alleroudste gehoorzaamheid van Amélie, de gouden aanhankelijkheid van Mariëlle. Ik zou niemand van hen willen missen, ze zijn zonder het te weten allen een troost van God, in ieder geval voor mij. Ja, en dan zag ik in gedachten de maestro terug, de gedegen leraar pater redemptorist Frans B. die nimmer zijn gewonnen inzichten verloochent, dat vind ik zo knap aan hem, dat en nog veel meer. En ikzelf, de lector van het gezelschap? Ja, naar mezelf kan ik niet kijken, maar ik weet dat deze groep elkaar en Frans én mij ten volle waardeert, en hun waardering is in de loop der tijd mijn verworven goed geworden. Mooi hoor.
Onder Brieven in de zijlijn heb ik een brief geplaatst van mijn geloofsvriendin Leny S. Ik heb het met warmte gedaan, en al krijg ik veel bemoedigende brieven, deze wil ik graag digitaal sparen vanwege de inhoud waarin de vreugde om het vinden van een verguisde mens te lezen staat. Heerlijk is het als mensen mensen kunnen aanzien en waarderen, juist hen die collectief onbegrepen zijn in hun levensstijl, dichterlijkheid en geloof. Dát is echt christen zijn, vind ik, willen openstaan voor de visie van de andersdenkende, van de ruimdenkende, zonder oordeel of afwijzing, maar minstens met een bepaald levensinzichtelijk respect. Niets menselijks moge je vreemd zijn, dan ben je een ware christenmens van elke tijd en trend en van werkelijk weten gekleurd. En je helpt de wereld een beetje naar vreedzame eenheid toe.
![]()
Zaterdag 14 oktober.
Het is herfst, in weer en gemoed. Op mijn balkon deinen de verschraalde blaadjes van de seringenboom, de hortensia ziet bleek en de witte strobloemen staan herfstig te verkleuren, toch dapper overeind met nog een enkele boreling. De rozenstruik heeft een laatbloeier en de bottels floreren ongesmukt. Wat zijn ze sierlijk, op hun manier. De gentiana scabra staat kleumerig met dichte kelkjes, geen koningsblauw te zien, en de heide treurt geschrokken in haar tanende tint. De crysanten en de geraniums bloeien onverstoord, ze lijken van de herfst gevoed. Alleen de lavendel is klaar voor de winter, staat in stille afzondering te wachten op wat komen gaat, volgend jaar beter. Het is daar een klein tafereel, maar vol, zo vol en zo eerlijk. Het is herfst, geen ontkomen aan. Ik mis de vogels, ze eten niet van de pindabol. Zouden ze weg zijn, naar zuidelijker oorden? Wel zijn er de duiven die in het Wolfskuilse bos in de hoge bomen wonen, gelukkig maar. Zonder vogels zijn wereld en hemel leeg. En de oude, markante hanenstoet is allang opgehouden, ik zag pas nog twee verwaaide kippen langs de kant van de Graafseweg rondpikken, wellicht een moment van Kobus weggevlucht, maar de oude hanen met hun hennen, die ooit hier in het kleine bos vermakelijk voorbijtrokken, zijn allemaal voorgoed voorbijgegaan. Rest het beeld in de herinnering voor wie de klassieke optocht en het vertrouwde hanengekraai in de Wolfskuil hebben gekend. Je zou het kunnen missen, maar hoe bedoel je dat?
14 oktober was de verjaardag van grootvader Burg. Merkwaardig, zoveel Weegschalen én Watermannen mijn levenspad kleurden en kleuren, het lijkt wel een overdadig herfstboeket, maar mooi, zo mooi in de herinnering en in het wéten, nu.
![]()
Donderdag 12 oktober.
Het was gisteren maar een schrale gewaarwording op het Van Kilsdonkplein in Zeeland. We waren benieuwd erheen gereden, we wilden daar die kleine, grote mens Jan van Kilsdonk eren op onze eigen wijze. We wisten via de media dat er een bronzen borstbeeld van hem stond, het was pas onthuld. Er waren nogal wat notabelen op de been geweest en zelfs Huub Oosterhuis was van de partij, lazen we. In het bisdom Den Bosch had de hogere geestelijkheid geprotesteerd tegen de onhulling van ‘de kop van Jan’, het vermeende borstbeeld zou te hoog gegrepen zijn voor de kleine pater jezuiet, het zou te veel eer voor hem zijn. Och, hoge geestelijken denken en doen óók in partjes en treden, het zijn soms net mensen zonder wijding.
Maar er viel niets verhevens voor de pater te bespeuren: in het groene grasveld stond een vierkante, grauwe paal met daarop de in brons gegoten afbeelding van het hoofd van onze geliefde jezuïet. Het viel me bar tegen. Wat jammer nou toch. Ik was ontdaan, niet ontroerd, toen ik deze schone mens van grote waarde daar zo iel en kwetsbaar (hij is haast een kopje kleiner gemaakt te noemen) op die totempaal in het Brabantse grasveld zag afgebeeld. Alsof er de moedwil van de beeldhouwer zelf achter heeft gezeten. Alsof hij deze grote mensenziel bewust klein heeft willen houden. Van Kilsdonk ís klein van postuur, dat klopt, maar zijn lieve hoofd zo afgekort neergezet op dat eveneens afgekorte paaltje? Met de bril veel te groot, te zwaar, niet kloppend, ook dat nog. Brons of niet, het kon niet grover en niet nietiger tegelijk. En de verkozen plek was saai, leeg, raar zelfs. Ik was beduusd. Of schiet mijn kunstgevoel voor beeldhouwen en bronsgieten tekort? Ik geloof het niet. Wat mooi is, moet je mooi houden. En deze mens is mooi, mooi in zijn karakter, mooi in zijn uitstraling, ja, de frêle Van Kilsdonk is ontroerend mooi in zijn unieke wezen. Het beeld dat men van hem boetseerde, is dat niet. Het stond daar onzeker, een beetje verloren in de ruimte van het grasveld, maar misschien is dat juist de symboliek van het mensenlot: verloren staan in een grasveld. De boom der beschutting stond verhoudingsgewijs ver weg, met zijn takken dun omhoog geheven, de bladeren druk opwaarts zwaaiend naar de verre God. Ik vond het allemaal niet mooi genoeg, niet artistiek genoeg, geen eer genoeg. Ik was opgelucht toen ik déze foto van die goede mens via Google tegenkwam. Een verademing, nu kan ik dat hardgetekende brons vergeten. Het was niet eens een borstbeeld, welnee, alleen Jans goede, oude hoofd is vereeuwigd daar in zijn geboortedorp Zeeland, en dat steunpilaartje voor zijn kleine koppie mag dan van beton zijn of van marmer of van graniet, het kan allemaal best, maar eerlijk is eerlijk, écht geweldig is het monumentje niet. Een gemiste kans voor kunstminnend Zeeland. Het jaloerse bisdom kan gerust zijn, het beeld van de kleine grote pater is klein gehouden. Maar het zal, klein en wel, niet kunnen verhinderen dat men hem liefheeft. In het hele land. Wie kent en eert hem in zijn grote eenvoud niet? Wiens hart heeft hij niet aangeraakt? Zo zijn de mensen die van God getuigen: stille aanwezigen onder de mensen, troostend en helend, zonder omhaal en kordaat. Misschien is dát de diepe betekenis wel van dat eenzame, kleine beeld op die ruime, grote grond in Zeeland? We hebben daar in de middag ons brood opgegeten, mediterend op het bankje naast de afvalbak. Ik keek Van Kilsdonk vragend aan, probeerde het tenminste. Leven er daar, in zijn degelijke geboortedorp, óók van die armzalige zwervers, misschien? De afvalbak was schoon en leeg.

Jan van Kilsdonk, priesterlijke mens, menselijke priester.
Foto: via Internet COC Amsterdam.
![]()
Dinsdag 10 oktober.
Nacht 1:33 uur. Een weldenkend mens zal zijn verbazing nooit te boven komen binnen gelovigenland. Er zijn bar weinig zielen die de betekenis van de Messiaanse zending van Jezus de Nazarener en diens evangelische, vrijmakende waarden doorhebben, de meeste blijven graag steken bij de oude plaatjes, de oude leerstellingen, de oude sferen, de oude catechismus, en dat laatste nog niet eens. Er bestaan ook nog zogeheten christenen die vanuit hun gegroepeerde thuisbasis uitroepen: vrede en alle goeds! en er verder niets mee doen. Taal zal alleen verwoesting zaaien, dichtte Huub Oosterhuis, en van hun woord geen daad beklijfd. Oosterhuis is een knappe profeet, eigentijds en Nederlands. Hij wordt door zulken derhalve nogal eens verguisd. Ik bedoel momenteel te zeggen dat er ook in de wereld van geloof geen vrede komt, geen eenheid en geen waarheid. Het is alles ijdelheid, tegenwoordig leegte genoemd, zelfs wat uit het heilige boek verkondigd wordt en aangeprezen. Ik heb het over de franciscaanse seculieren, de drogclub met zijn te vele verkapte strebers, die macht en aanzien grijpen middels het vaandel van de armoede, middels hun lokroep over vrede, middels hun gepatenteerde maar onechte nederigheid, middels hun vermeende minderbroeder en zusterschap. Het is niet waar, het is de schijn. Hoogmoed is de deugd die verschillenden van hen dienen. Met hun zodanig gekwalificeerde minder zijn verheffen ze zich. Staan ze boven de anderen. Ze komen niets tekort, ze lijden geen honger, ze gaan niet schraal gekleed, ze offeren niets op, het gaat hun goed. En dat mag. Maar niet vermomd als dé nederige heiligen, als de eenvoudigen van hart en kledij, als de vredebrengers bij uitstek, als de directe aansprekers van God zelf. Ze bestaan niet. Mijn broer had destijds gelijk toen hij naar Hein & Brigit S. verwijtend schreef dat franciscanenland werd gebruikt door iedereen en voor van alles, behalve voor het christendom dat expliciet van Jezus komt, behalve voor onze God. Hun denkwereld is esoterisch, occult, hun vermaledijde gebed niet meer dan een kringelende wierook gemengd met zwavelgeur die opstijgt naar ergens, en ze dansen er graag bij, kleine pasjes en in de ronde kring. Tekenend genoeg. Nou ja, genoeg ook hierover. Ik heb vandaag mijn onfranciscaanse portie wel gehad. Gelukkig zijn er ook mooie mensen in de orde, hele mooie mensen. Die malafide zijn, slaan we maar over. Maar soms heb je het nodig je te uiten, het onrecht, juist onder gelovigen, werkt verstikkend, je kunt er niet mee leven. En je grijpt naar een verlichtend gebedje, je houdt een kort digitaal gesprek met de hemel waar de volmaakte heiligheid woont en rust en op de verwarde mensheid wacht. Goede, rechtvaardige God, haast u mij te helpen. Ook ík maak fouten. Goede, heilige God, haast u óns te helpen. We zijn allen van mensen gestructureerd, van mensen grootgebracht. Aanvaarden, heet het. De ander aanvaarden. Elkaar aanvaarden. Het lot aanvaarden. Ik weet het immers wel. Amen.
Je staat er niet direct bij stil dat je kunt vallen op een kleine oppervlakte. Het overkwam me toen ik achter de computer vandaan kwam om te gaan eten. Het ging te rap, ik bleef haken, ging struikelen, kon me niet meer tegenhouden en viel toen languit in de gang, plat op de grond, met mijn gezicht in de slaapkamer. Hoe krijg je het voor elkaar? En ja, het deed zeer. En ja, ik was van slag. En ja, de wereld draaide. En ja, toen sliep ik op de bank. Ik was er heus erg moe van geworden. Ik droomde dat Paddy mijn witte muiltje opknabbelde. Ik zag het gebeuren en liet hem begaan. Terwijl ik toch emotioneel gehecht ben aan die witte muiltjes, ze zijn vorig jaar in Vaals gekocht ter herinnering. Maar ja, op onze telg Paddy word je ook in je dromen niet boos.

Paddy’s verjaardag 27 augustus 2006.
10.25 uur. De nacht was eenzaam, soms overkomt het alleenzijn je extra. Alle gepeins en alle gezorg houden je uit de slaap. Och ja. Zo leren de mensen in gesprek gaan met zichzelf. Wie betrapt zich af en toe niet op een monoloog, hardop georeerd? Bij het keukenkastje, bij de koelkast, bij de televisie, of op je hoofdkussen in je lege bed? Het is maar goed dat er schrijvers bestaan. En dichters. En acteurs. En denkers. En hele goede mensen. Van die mensen met mantelzorgneigingen. Ze maken de toesnellende ouderdom, voor wie het overkomt en aan den lijve herkent, dragelijker, soms wel. Want je moet het leven per slot van rekening alleen doen. En dat is paradoxaal genoeg maar goed ook.
![]()
Dinsdag 3 oktober.
En de vogels vlogen los op zondag. Ze hebben het een dagdeel goed gehad. Ze kwetterden vrolijk en klapperden met hun vleugeltjes. Vrijheid, vrijheid! Een vogeltje heeft ruimte nodig, het moet zijn vleugeltjes kunnen uitslaan, ópwaarts. Ik zou een grote vogelkooi willen maken op het balkon, een volière dus, om ze een beetje uit hun gevangenschap te verlossen. Wat kun je anders nog meer verzinnen?
~
In de middag gingen we naar Persingen. In het kerkje toonden 3 kunstenaars hun cultuurwerken, onder wie Frans van den Heuvel. Het was een serene inkomst, met slechts weinig te zien, al had Frans goed werk aan de muur hangen.
Het kerkje van Persingen.
Na Persingen ging de autorit naar Ooij, ik vond er niet veel aan. Het dorp oogde troosteloos en bleek tamelijk nieuw, ik vond het er kantig en sfeerloos. Bij Fletcher's kwam niemand naar buiten om ons op het terras te bedienen, bij De Vink was de bediening ook al mondjesmaat, je kon er amper je thee bestellen en bij het betalen duurde het een eeuwigheid voor je je geld kwijt kon. Het hele centrumpje zei me dus niks. Eenmaal buiten de dorpskern werd het panorama interessant, we reden door en arriveerden via de dijk bij Oortjeshekken. Daar was het zalig toeven, met heerlijke koffie, reine thee, dikke koek en broodpillen; met mussen te over, op de tafels, op de grond, in de groene struiken langs de muur van het oude pand. (Het is daar een uitgelezen plek voor dichters.) We hebben de bisons begroet, ze zagen er niet uit, verschrikkelijk met al die distels op hun bontjassen. O, het was intens genieten in Gelders landschap aan ruim water, bij bebossing en een aardig natuurreservaatje.
![]()
Maandag 2 oktober.
Wat gebeurt er per toch veel in een mensenleven. Hoe houd je daarbij je brein in evenwicht, je gesteltenis optimaal? Is het zo verwonderlijk dat je een en ander vergeet? Je peinst en piekert terug naar de ochtend, de middag, ertussendoor: wat was er ook alweer? Ik ben steeds weer opgelucht blij als ik de precieze herinnering weer oppak. Het zal je gebeuren dat er vlekken ontstaan, leegtes komen die blijvend zijn. Het zal je gebeuren. Nee toch?
De voorbije dagen waren mooi, de zaterdag, de zondag, alles was mooi en goed en teder en de moeite van beleven waard. Olivier en ik waren naar Hernen getogen: het was daar één feest van kunst en zang, van veel mensen en toespraken, het was het feest voor en van Annelies, en alles gebeurde in het oude kasteel, stemmig, sfeerrijk, de ziel optillend en de eigenwaarde opbeurend, de eigenwaarde ook van het hele publiek. Tijdens de toespraak van de befaamde journalist van De Gelderlander keek ik naar buiten, door de kleine vensters heen, en bij de Russische ballades oogde het kleine landgoed passend genoeg; ik zag de koeien grazen en langzaam voorbijgaan in de wei, de vogels tierelierden langs de torentjes, de eenden in de vijver duikelden om en om, het water spatte op en het was alles bij elkaar een verrukkelijk gezicht voor de toeschouwer, voor mij. Het publiek stond beleefd naar de sprekers gericht, alsook naar het zingende en musicerende vijftal in klederdracht. Dat vond ik jammer van het landschap, dus luisterde ik goed naar binnen en keek ik goed naar buiten. Ik was er blij mee.
Ik keek mijn ogen uit toen het begenadigde publiek de ruimte kreeg om rond te kijken, Annelies’ werk te beschouwen, haar sculpturen en schilderijen. Wat ik aan schoonheid heb gezien… Ik was onder de indruk geraakt, er was niet veel moeite voor nodig. Annelies van Dooren uit Grave schildert indringend, in prachtige kleuren, veelal ingetogen, ze gebruikt onderwerpen waar je niet omheen kunt, waar je gebiologeerd naartoe getrokken wordt, ik wel. Het was een rijke vernissage. Ik wil er zaterdag weer naartoe gaan. Misschien koop ik een schilderij. Misschien wel.
~
O herfst, je zon speelt zijn spel van afscheid, maar het is slechts het afscheid van de zomer, want de zon zal er altijd zijn, het hele jaar door zal de zon er zijn. O herfst, wat heb je veel geregend vandaag. Je hebt je zon gestuurd en je regen neergelaten, je wind laten loeien en je bladeren laten gaan. Het is oktober de 2de, dus ook nog een vrome engelendag. Goeie genade, wat een heiligheid vandaag, juist nu Sybil jarig is.
![]()
Woensdag 27 september.
Het waren dagen vol van gevarieerde emotie. We hebben de verjaardag van de pater redemptorist en mijn vriend Frans gevierd. Het was feest op zondagmiddag. Met een zeventigtal mensen was de lounge van Catharinahof aardig gevuld. Ballonnen sierden de ruimte vrolijk op. De catering had een High Tea verzorgd en het was een bijna overdadig buffet geworden met naast de thee en de koffie de Engelse scones, cakes, bonbons en cookies, allerlei sandwiches, en met glanzend gevulde wijnglazen; er werd telkens weer frisse champenoise ingeschonken en verse jus d’orange. Het was feest, we vierden deze dag en er waren sprekers en spreeksters genoeg; ook was er Harrie die blokfluit speelde en piano; we spraken, we zongen, we grapten, we droegen voor, alles ter verhoging van de feestvreugde om en voor Frans. Het gastenpubliek was subliem. Ik heb me verwonderd over zoveel mooie mensen, niet de geringste, die allen de moeite hadden genomen naar Catharinahof in Nijmegen te komen om feestelijk hun sympathie tegenover Frans uit te drukken. Ook sir Paddy was gekomen, hij droeg een groene strik om zijn hondennekje, groen zoals de outfit van zijn bazinnetje en baasje. Later torste hij een groene ballon met zich mee, die werd opgelaten met de andere ballonnen tijdens een speels moment bij de tuinvijver. Maar het hoogtepunt was wel de speech van de jarige Frans zelf, te lezen bij Odes en Lyriek in de zijlijn van de frontpage. Hij wist als altijd precies de kern te duiden.
Daar was ook nog Billy, tere hond, kleine tekkel, die mijn hart lang geleden al heeft gestolen. Ik kon hem moeiteloos dragen, sir Paddy niet, die is veel zwaarder. Beide zijn koddige hondjes en hartendiefjes als geen ander. En er waren de 2 jongens, last but not least. De 2 jongens van mijn hart, met hun lieve ouders van mijn hart. Ze zijn dan ook van mijn bloed en mijn liefde. Het is mooi om je eigen lievelingen te zien als het feest is.
Ik was vanuit Wittem naar mijn familie in Lanaken gereden, naar mijn broer met zijn zieke vrouw, uitgeblust wezen maar met nog altijd haar lieve ogen en haar edel gelaat. Ik ben minstens blij en dankbaar dat ik háár nog 1 keer heb mogen zien.
Vandaag was de dag zwaar, loodzwaar. De autorit was moeizaam vanwege het veel te drukke vrachtverkeer vooral op de A2. Ik heb toen de afslag naar Venlo genomen en ben naar Thorn gereden om er even te verpozen, op adem te komen, koffie te drinken en tranen te laten. Het was een emotionele ochtend, ik was te moe, nog te weinig uitgerust na deze 3 totaal andere dagen, of gold het een hele week? Er waren ook wel erg veel emoties in korte tijd te behappen; een mens heeft bovendien maar 1 lijf en 1 geest en kan maar 1 ding tegelijk doen, om het zo maar eens te duiden. Het kan je ook wel eens te veel zijn, of te veel worden. Zo voelde het. Nu gaat het weer.
Vanmiddag reden we naar de Maasoever in Neer. Water en boten, groene oevers en houten picknickbanken en overal bomen langs de kant. Dat was een heilig halfuur. We hebben er ons brood genuttigd. En een beetje gerust. Het was nog een lange weg te gaan via Eindhoven. Het voelt nu alsof ik niet meer uit rijden zal gaan. Maar ja…
Margarethe kwam niet op het feest. Er was de interne weigering om haar te brengen, te begeleiden. Het heeft me aan het denken gezet. Kun je je hoogbejaarde moeder zoiets onthouden? Nee, dat kun je niet. Toch is het gebeurd. Je zult een ruim geweten moeten hebben om je in dezen schoon te pleiten, ook tegenover jezelf. Er werd naar haar gevraagd, wat moest ik antwoorden? Het was een hard gelag.
O dat mooie feest! Dametjes van einde tachtig droegen hun liedjes voor, van de Franse gouvernante tot de mix van evergreens. En toen de ballonnen de lucht ingingen, ten hemel voeren, ja toen was iedereen ontroerd; het raakt immers je ziel als je die dansende dingetjes naar boven stuurt met je wensjes en gebedjes. Ik kreeg van Phily vanmiddag de film, kon alles weer terugzien en voelen. Het deed me wat. Wat me ook geraakt had, was de aanwezigheid van Frans van den Heuvel. Die man brengt overal vreugde, die maakt iedereen blij. Hij is een gave ziel, een mens die heil brengt.
Ik ga slapen, ik val om. Welterusten en niet meer denken, slapen en uitrusten, dan kun je morgen weer de nieuwe dag doorkomen. Deo volente. Amen.
Nog even. Mijn zusje belde enthousiast op om haar stempel van herkenning te drukken op het verhaal We hebben voor altijd vakantie. ‘Dat zijn wíj’, zei ze. ‘Je hebt óns leven beschreven. Zo doen wij ook altijd!’ Ik heb maar een beetje met haar gelachen. Maar het was een heerlijk compliment.
![]()
Woensdag 20 september.
We waren naar Grave getogen in de namiddag, het was gisteren. Ik had eerst 2 brieven gepost in Dukenburg, 1 voor Ries en 1 voor Coby c.s. Toen we over de grote regenboogbrug reden die Gelderland en Brabant met elkaar verbindt, was de gezelligheid (onbewust) al in volle gang. In de plaatselijke herberg De gouden leeuw ontmoetten we haar, een excentrieke dame in ‘n ondefinieerbare outfit, alles in blauw, van geruit tot genopt, dat waren haar sokken, en er was het effen blauw van de spijkerbroek, of had ik het niet goed gezien? Ze dronk jenever en praatte honderduit tegen haar begeleider, een rustige man met een klassieke en toch gemoedelijke uitstraling. Het was een bijzonder koppel, zij sprak en hij luisterde, knikte af en toe, maar zweeg. Ik keek en bleef kijken; ik kon er niks aan doen, ze trok de aandacht, de mijne dus. En toen ineens, toen keek ze terug, keek weer voor zich en op een gegeven moment zat ze aan ons tafeltje, ‘ze’ was Annelies van D., Gravese kunstenares, ze verkondigde het luid, ze staat in de Brabantse Encyclopedie, of zoiets. Ze schildert, beeldhouwt en schrijft, alles handmatig. Ik observeerde haar. Ze was grof gebouwd, toch nog vrouwelijk genoeg. 2 lange donkere haarvlechten hingen langs haar gezicht. Ze sprak luidop, wellicht deed dat de veelheid aan borrel, ik weet het niet. Ik kon haar leeftijd niet echt peilen, maar ze sprak over de katholieke tijd van vlak na de oorlog en vooral in de jaren ’50. Ze was hartstikke katholiek en verkondigde het met verve. Enfin. Het was een boeiende ontmoeting en toen ze ook nog uitgebreid vertelde dat ze een beeldende expositie had op 30 september in het kasteel van Hernen, toen zei ik op mijn beurt dat ik de publieksprijs had gewonnen in dagblad Trouw. Zo gaat dat, je biedt tegen elkaar op, ook als je jezélf aan het verkopen bent, al of niet gewild. Mensen zijn mensen, zij - en ik ook.
Maar het is een aparte middag geworden, ik had dit exclusieve theater in mijn Gravese stamkroeg niet willen missen. De tijd vloog om. We behandelden de Russische schrijvers zoals Dostojewski, Boris Pasternak zelfs en wie nog meer. Ook Rainer Maria Rilke werd ontleed, het gebeurde allemaal daar in die kleine, oude kroeg. We spoedden ons haastig huiswaarts, het ging al tegen 18.00 uur. We namen met wederzijdse buiginkjes afscheid, beloofden te komen naar haar expositie in Hernen, ik zie ernaar uit. We hebben gewuifd naar de Maas, en de regenboogbrug met een weemoedig adieu gegroet. De lach van de avond betrof Annelies, bijzonder mens, intellectueel, levenskunstenaar, in ieder geval iemand om niet gauw te vergeten.

22.30 uur. Het was vanochtend in de ofs een karige mis met allemaal mannen, maar wel eerbiedig. De vergadering leverde een gebakje op, Joke was 80 geworden. Hans P. had het krantenknipsel meegebracht met mijn vakantieverhaal, hij had mijn naam omcirkeld. Wat een lieve man is hij toch. Het valt me elke keer op. Deze groep steekt momenteel goed genoeg in elkaar. Al vormt het ledental a.h.w. de heilige rest, we worden nu allemaal wel erg snel en zichtbaar ouder. Als ze deze groep in de Taukring laten overvloeien, dan ga ik weg. De Taukring is geen kleur voor mij, is mentaal ook niet oprecht franciscaans te noemen. Enfin. De tijd zal het leren.
In de Bossche Verkadefabriek vond tussen de middag een onverhoedse ontmoeting plaats. Ik heb een kort gesprek gevoerd met P. Het zal weinig of niets baten, maar ik heb kunnen zeggen wat ik hem al jaren geleden had willen zeggen. Moeilijk was het wel, en toch ook weer niet. Maar ten minste heb ik het aangedurfd. Vrede, heb ik o.a. gezegd, innerlijke vrede, daar gaat het om. En ik heb hem c.s. het beste gewenst, heel, heel oprecht. Ik ben een mens van vrede, een mens vóór vrede. Ik wil de vrede hanteren en uitdragen, al weet ik heel goed dat er altijd mensen zullen zijn met wie je niet kunt accorderen. Op den duur win je het, zegt Olivier altijd, op den duur komt alles goed. Daar geloof ik in. Hoe dan ook. Welterusten. Morgen weer een hoop te doen, vooral voor het feest van zondag. Laus Deo. Amen.
![]()
Zondag 17 september.
Vandaag begin ik met de voorbereidingen voor het feest van mijn goede vriend pater Frans, volgende zondag. Het moet een mooie middag worden, die niemand vergeten wil. Ik ga zorgen voor memorabele verassingen, feest moet het zijn, feest zal het zijn. Deo volente.

Eindelijk voel ik me uitgeslapen en in staat de zondagse biezen te pakken, ik wil naar de Hilver. Vermoedelijk zal Olivier meegaan, hij is, net als ik, dol op de Hilver. En o, over memorabel gesproken: heerlijke reacties komen nog steeds binnen. Wat te denken van de vraag van de fractievoorzitter van de SP, die mijn artikel We hebben voor altijd vakantie heeft opgevraagd om te gebruiken in de SP-actie Grijs op reis in West-Brabant? Nou ja, daar zeg ik geen nee tegen en als de SP-stunt bij me binnenkomt, zal ik het bericht hier plaatsen. Overigens, wat een geweldige voetnoot is het, dat Huub Oosterhuis op de 30ste plaats van de SP-lijst staat. Ik wist wel dat deze partij deugt…
En een echte franciscaanse reactie is binnengekomen, zij het via Sybil, van Henk Pot ofm: hij noemt het verhaal een meesterwerk(je), ontroerend en herkenbaar. Dat maakt veel goed.
En nu op naar de Hilver. Wat trek ik voor dit tripje aan? Een mens blijft zorgend, al is het bijbelse thema van onbezorgd zijn en naar de vogels in de lucht te kijken en naar de leliën in het veld, die zich allemaal niet druk maken en eigenlijk de dag plukken zoals die komt, doorlopend actueel. Je zult je tóch moeten kleden. O bomen daarbuiten, jullie worden herfstig schraal. De mist trekt op en ik ruik september, precies zoals ik het sfeergewijs bedoel. Het leven is goed. Deo gratias. Amen.
![]()
Woensdag 13 september.
Er zijn veel prachtige reacties binnengekomen op mijn Publieksprijs voor het vakantieverhaal in Trouw. De meeste waren hartverwarmend en een enkele een beetje jaloers of men reageerde helemaal niet, dit laatste is kenmerkend voor de franciscaanse hoek. Vandaaruit zweeg het merendeel, ondanks het blije bericht dat ik mijn orde had gezonden. Gek is dat, bij zo’n gebeurtenis leer je alwéér anders naar mensen kijken. Je ontdekt, steeds verrassend opnieuw, de menselijke goede kanten en de dito zwakke kanten. Zo stond er bijvoorbeeld in mijn mailbox: Ik heb je bijdrage gelezen. Proficiat. H.S. Daar sta je als dichter dan geheid even stil bij het woord ‘bijdrage’. Het is wél de publieksprijs die je ontving voor je verhaal dat gewonnen heeft in een landelijk dagblad. Ik ga er maar opgewekt vanuit dat H.S. mijn bericht in ieder geval beleefd afhandelde, hij reageerde immers, zij het koel, en afstandelijk genoeg. De blijdschap glorieert door het positieve en de warmte bij alle overige reacties. Ja, ik ben een dankbaar mens. In Trouw staat vandaag alweer in de rubriek Podium te lezen hoe blij en bevestigd 2 mensen hebben gereageerd op ‘Wij hebben voor altijd vakantie’.

Daar word je stil van, en je bent meer dan tevreden. Je hebt zomaar en zowaar met pen en papier en je geschreven woorden vreugde uitgedeeld, beantwoorde vreugde, ook dat nog. O, het is een van de mooiste handelingen die een mens kan doen: vreugde uitdelen. Het is mijn hobby, het is waar, mijn grootste liefhebberij. Want vreugde brengen is je eigen verworven genade(n) delen met anderen. Ik zal het blijven doen zolang ik besef dat ik leef en de kracht en de kennis en het middel ertoe me zijn gegeven. Vreugde brengen en troost bieden waar nodig is. Je mag erom bidden. Ik zal het doen.
![]()
Werner is gestorven. Hij zal nu ook al begraven zijn. En weer is een redemptorist, die ik liefhad en hooglijk waardeerde, doodgegaan. Mooi zijn de herinneringen aan vorig jaar in de herfst, toen we in Roeselaere mochten doceren over Gerardus en Etty Hillesum, toen we mochten celebreren en voorgaan in de oude paterskerk, toen we met Werner mochten reizen door West-Vlaanderen, dat schone land met de vele bekoringen - en de dood in zijn geschiedenis; met zijn dichters, en de oude Vlaamse steden mooier dan ons eigen Amsterdam. Och Werner, je zult niet weg zijn voor mij, ik denk aan je en je bent. Je staat in mijn geheugen gegrift, ik zie je voor me en ik hoor je weer vertellen over al wat je weet, rijk en gevoelig en priesterlijk hoog. Dag Werner, mijn beste, het ga je goed in gerustheid en groet Walter daarboven. Kon hij je niet missen misschien?
![]()
Zaterdag 9 september.
Lieve medemensen,
Ik ben een blij mens. Ik had gisteren bericht gekregen dat ik de Trouw publieksprijs heb gewonnen met mijn verhaal We hebben voor altijd vakantie. Het staat vandaag te lezen in dagblad TROUW. Je kunt het ook vinden op www.trouw.nl. Dank aan allen die hun gewaardeerde reacties hebben gegeven.
Liefs, Ine Verhoeven
Juryrapport
(geplaatst door webmaster www.ineverhoeven.tk zie ook "verhalen"op deze website))
![]()
Zondag 3 september.
Elke mens is een wereldje op zichzelf. Ieder mensenlichaam is a.h.w. een fenomenaal wereldje apart. We vormen met zijn allen een massaal samengaan van wereldjes. Hoe wonderlijk toch. Er gebeurt nogal wat in de wereld, zo ook in de mens, in de innerlijke mens. Je kunt bijna alles met elkaar vergelijken, veel is heus vergelijkbaar, en ik heb vannacht in diep gepeins de wereld en de mens met elkaar vergeleken. Prachtig, machtig, turbulent en beangstigend, precies zo levendig als de wereld is, is het lichaam van de mens. Maar het gaat me momenteel te veel energie kosten verder op dit onderwerp door te borduren, ik schreef er trouwens destijds al over in mijn boek Van mensen onderweg – met geloof, hoop en vrede. Maar het is waar, je komt nooit uitgedacht over het leven op onze planeet, over de wederwaardigheden in de wereld én in het menselijk lichaam. Interessant genoeg. 01:52 uur. Ik moet nu heus gaan slapen; en minstens een miniem gebedje doen, zou niet misplaatst zijn. Laus Deo. Amen.
10:30 uur. Saai is september, vandaag alwéér. Regen en grauwheid, niks vrolijks in de lucht. Alsof de engelen wenen met de mens die vanmorgen bedroefd is. Alleen de bomen voor mijn huis deinen en dansen licht op de wind, dat breekt visueel een beetje de meteorologische treurnis.
Op televisie is de eucharistieviering vanuit Onze Lieve Vrouw Van Goede Raad in Brussel te zien, heel mooi, heel gevarieerd en bemoedigend naar de mensen toe.
Gisteren heb ik geleden aan de laatste interne gebeurtenissen. Wat kan de boze domheid van 1 mens veel schade doen in andermans leven. De nacht was moeizaam en vol dromen. Ik ben moe. Mijn gemoed smelt een beetje samen met de neerslag buiten. Al wil ik er niet op ingaan. Alles komt goed. Een mens mag het vertrouwen in het goede niet kwijtraken. Dat doe ik ook niet. Maar het gaat om je kinderen. En dat geeft zorg, doet je moederziel pijn. De tijd zal alles wel aantonen op den duur. Dan moet het gewoon goed komen.
Ik hoop dat Rieke gauw reageert. Zou de rubriek Gewichtkijkers nog doorgaan? Ze duurt zo lang met haar septemberse openingsbericht. De kleine sir Paddy - hieronder afgebeeld terwijl ik hem vasthoud - zit wel erg ongemakkelijk, zie ik. Alsof ik hem smoor. Maar het arme dier is zeer bemind, dat maakt veel goed aan het gebrekkige poseren op deze foto. Volgens mij was Rieke de fotograaf. Ik ben best wel tevreden.

Ine & sir Paddy
Een zekere Nine de C. reageerde op mijn wedstrijdvakantieverhaal in Trouw. Het gaf commotie. Ze had het verhaal letterlijk genomen en was gebelgd dat ik pas 63 ben. Nou ja. Op www.trouw.nl/schrijf is alles te vinden en af te lezen, ook de reacties op Wij hebben voor altijd vakantie. 100 mensen, 100 zinnen. We blijven een busgezelschap. Alles aan karakter reist mee. Maar och, met Nine is het misverstand intussen opgelost.
![]()
Donderdag 1 september.
Vanmorgen miste ik de specifieke septembersfeer zoals ik me die herinner van andere jaren en vooral van mijn jeugd. Er was voorheen - steevast reeds op de eerste dag - een authentieke herfstwaas in de vroege ochtend, een soort lyrische uitnodiging, compleet met rag en spin en een mager zonnetje dat op den duur wel wilde doorbreken. Maar dit jaar was het anders. Er was geen herkenbare septembersfeer naar mijn gevoelen. Het was een gewone, open ochtend, zonder spirit, haast de saaiheid zelf. Het komt me zelfs voor alsof september vandaag zijn identiteit kwijt is, zich nog niet kan presenteren als de chicste herfstmaand, hetgeen ik hem graag toedicht. Maar niet getreurd. Het zou te kinderachtig zijn om over de sfeer van een doodgewone septemberdag te wanhopen. Er komen er nog vele, Deo volente. Alles is goed.
September
~
De ziel die van september is,
kust het jongste ochtendgloren.
Met fijn geweven sluiermist
kleedt zij haar herfstgetij.
~
De dag vangt aan, kent heil
en niet; alles ontwaakt en de
mensheid weet dat het najaar
opstaat, ook in haar hart.
~
En de gloed van de zon
vertelt van trouw en eeuwigheid.
En de kracht van de wind
verhaalt van macht en God.
~
Geuren van appels en notenbast
dringen zich op en verlokken.
Bottels rood aan de rozenstruik
staan fier en pronken voort.
~
Het rag van de grauwe ijverspin
verzinnebeeldt werken voor brood.
Een bij zoekt honing, er moet nog zijn,
maar bloemen sterven ook.
~
De ziel die van september is,
bidt en verwacht erbarmen.
![]()
Zondag waren we bij Rieke. Het was een heel gezelschap dat daar ter ere van sir Paddy, maar ook nog van Rieke zelf, in de huiskamer zat. 2 visitedametjes hadden zich later op de avond stilletjes afgezonderd, zij spraken samen in Rieke’s tuin, over wat? Ik wilde voor vertrek nog even de tuin in het donker betreden, voelen hoe het er voelen zou in de avond tussen de bloemen, de bomen en de struiken en de tuinverlichting. Maar ik ging weer naar binnen, want ik stoorde kennelijk. Raar is dat eigenlijk, er zijn van die momenten dat je zonder dat iemand iets zegt instinctief wéét dat je weg moet wezen. Misschien juist doordát niemand iets zegt? Wie zwijgt, kan er veel mee uitdrukken. Door te zwijgen, kun je zelfs een hele kamer vullen. Ja, raar is dat, maar ook een interessant fenomeen dat ik graag nog eens psychologisch wil onderzoeken. Blablabla.
![]()
… ‘n Kaarsje brandt voor Pluk …
Pluk lag op sterven. Dat schokte me zeer, want ik wist niet dat het zo ernstig was met de rode poezenkat. Het bericht was als een zwarte wolk die plotsklaps dreigend langskwam op een vrolijk zomerfeestje. Vandaag is Pluk gecremeerd. Waar zou zijn zieltje zijn? Bij zijn vrouwtje, denk ik, bij Thea. Ze is zó goed voor Pluk geweest.
Wat maakt de mensheid, een deel ervan, zich druk over God, zeg. Bij www.katholieknederland.nl staat te lezen hoe de discussie over God in de Europese Grondwet oplaait. What a brains! Maar het zal nodig zijn door de vele extreem gelovigen, die God in hun broekzak hebben. Dáár loert het gevaar, bij wie God wéten. Er komt geen gelovigheid aan te pas, zij wéten God met zekerheid. Is dat niet overgelovigheid? Ik bedoel dus: over de gelovigheid heen? Een mens heeft heel wat te (over)denken. Je blijft er wel wakker bij, ook ’s nachts.
Van Nestor kreeg ik via Herman Post een goed bericht terug op mijn reclame over mijn gedicht dat misvormd geplaatst was in Nestor nummer 9 2006. In november zal een ander gedicht van mij verschijnen met een redactioneel bijschrift. Zo is alles geruststellend genoeg opgelost. Denk ik.
Het weekend begint. Ik wil graag mijn dochter bellen. O, wat woont ze toch ver weg, véél te ver weg. Enfin. als ik een toverstokje had, kon ik haar even naar Nederland toveren. Maar zó rijk ben ik niet. En toveren kan ik ook niet. Hoewel, ik ervaar elke dag opnieuw de computer als een toverdoos. Als je bij dit fenomeen stilstaat, kun je je alleen maar verwonderen over dat kleine kastje met knoppen en draadjes dat je overal naartoe brengt, alles laat zien, educatief of ludiek, en je eenzaamheid gedeeltelijk opheft doordat je in contact kunt treden met wie je wilt. Maar dit is alleen de onschuldige versie. Verder wil ik ook niet denken. Alles is plus en min.
![]()
Dinsdag 29 augustus.
Vandaag is mijn zomervakantie voorbij. Het was een heerlijke tijd met veel vreugde, met soms iets te veel hitte, maar het was zondermeer fijn en heel bijzonder. Ik heb van harte enkele lieve mensen ontmoet en sommige vrienden en andere lieverds in mijn huis ontvangen. Goed is de herinnering. Ze staan opgetekend in dit dagboek.
Toen ik vorige week over de dijk reed, van Ravenstein naar Haren, heb ik weer een overwinning geboekt. De dijken heb ik altijd gemeden, uit angst, ze waren te hoog voor mij en te smal. Maar de angst is weg en ik rijd nu over de dijken en voel me vrij en bevrijd, heel redemptoristisch. Bertram en Olivier en Frans zijn beurtelings met me meegereden, ze genoten met mij van de ritten langs de heerlijke uiterwaarden en de prachtige Maas. Die dijkdorpen, gehuchten zijn het, zijn pittoresk; ze doen ook lieflijk aan, alsof ze a.h.w. zacht van aard zijn, al zou ik er niet expliciet willen wonen. Ik denk dat je vrijheid dan betrekkelijk wordt. Het kan natuurlijk meevallen. Zo woont Mieke Morgenstern in een dijkhuisje en zíj heeft haar vrijheid behouden. De mentaliteit van dorpsmensen is natuurlijk ook aan verandering onderhevig, denk ik. Al blijf je altijd portretten houden.
Over verjaardagen gesproken: mijn oudste broer wordt volgende maand 80 jaar. Goeie hemel, de tijd komt en gaat voor iedereen, geen uitstel mogelijk. We zijn nog met ons vijven. Wie het ’t laatst vertelt, die leeft nog. Het was mijn eigen moedertje die dit altijd zei. Nou ja.

Mijn broer Cornelis Verhoeven, zomer 2006
![]()
Maandag 28 augustus.
Het is in het leven altijd wel wat. Maar tegenwoordig wil het ook nog wel eens wat leuks zijn. Kijk mee in het perspectief, steeds Deo volente: Als pater Frans in september zijn 75ste verjaardag viert, zullen we er een feestje van maken. Het is een godsgenade dat hij nog bij ons is gezien zijn situatie in januari. Reden genoeg om deze prachtige genade te vieren, te gedenken, ervoor te danken. Je kunt een verjaardag negeren - vaak heb ik de mijne overgeslagen - maar je kunt je verjaardag ook een vreugdestempel meegeven: als de kostbare herinnering. Vluchtig is het leven, wie weet het niet, en nog vluchtiger zijn de dagen. We zullen maar liever vieren wat er te vieren valt, zolang het nog kan. Laus Deo! Ik duik de planning in.
Ine & pater Frans tijdens de boottocht naar Gorkum, 19 augustus 2006.
Veronica zag er weer stralend uit vandaag. Ze droeg als hoofdkleur turquoise. Haar jasje was fraai gebloemd en mooi in combinatie met de effen rok; een grote kralensnoer droeg ze aangepast en eigentijds en haar gezicht was knap en lief als altijd, karakteristiek omlijst door haar prachtige kapsel. Mooi is dat, zo’n aangenaam mens op maandag te mogen ontmoeten, met haar bevriend te mogen zijn. Je wordt er blij van. Ik wel.
De twee kleine tierelieren zitten kooigewijs in de nazomerzon van vandaag te tjilpen, het lijkt erop dat ze levenslustig blij zijn. O, die vederen vogelvriendjes, scháttig zijn ze. Het is een denkmoment waard over hoe een mens van zulke kleine schepseltjes kan houden…
In Nestor nummer 9 2006 staat bij Uw gedicht onder redactie van Herman Post mijn gedicht Wie in mijn hart woont afgedrukt, onleesbaar gelayout en met een paar vette fouten. Foei! Ik heb gereageerd. Dit kan echt niet. Ik vroeg daarom de redactie een rectificatie in de volgende Nestor. Afwachten maar.

Wie in mijn hart woont
~
Wie in mijn hart woont
laat ik niet meer gaan.
Wie toch vertrekken moet
zal ik niet vergeten.
~
En altijd wil ik bidden
ieder weer te mogen zien
die door het deurtje van
mijn hart is in en uitgegaan.
~
Er staat geschreven dat
een mens uit eeuwigheid
bestaat, geen mens verloren
gaat al is hij dan gestorven.
~
Wie wil het wagen lieve
wetten te weerspreken?
Wie in mijn hart woont
laat ik niet meer gaan.
~
© Ine Verhoeven
![]()
Vrijdag 25 augustus.
Met Olivier ben ik vandaag naar Kevelaar geweest. Het was er apart als altijd, heel bijzonder. Terwijl we koffiedronken op een terras trok een bedevaartstoet uit Twente voorbij, zingend, biddend en een levensgroot Mariabeeld op een draagbaar meezeulend; het werd gedragen door 4 in het wit geklede vrouwen, of beeldden zij 4 maagdelijke bruiden uit? De harmonie was er ook bij en speelde Marialiederen uit de oude doos. Ik zag en hoorde al die gelovige grijsjes en witjes vol overgave met de muziek meezingen. Ik kreeg een brok in mijn keel en tranen in mijn ogen. Daar ging een stukje jeugdherinnering voorbij. De stoet trok richting kerk. Priesters en misdienaars waren deftig katholiek aanwezig, heel prominent. Ik was ontroerd en tegelijk besefte ik de engte van het roomse geloof op deze manier uitgedragen. Kijk, deze mensen lopen mee in de stoet, ze zetten geen pas verkeerd anders vallen ze buiten de katholieke gratie. Op die nauwgezette manier zouden ze zich ook in het dagelijkse leven kunnen gedragen. En hoe kortzichtig kun je worden met een orthodoxe structuur en zonder onderlegd theologisch inzicht?
Ik keek de processie met al die oudjes na en dacht: daar loopt heel wat levenservaring, daar gaat heel wat geschiedenis, heel wat zondigheid, heel wat goedheid, heel wat frustratie, heel wat geroddel, heel wat onbegrip, heel wat armoede en heel wat rijkdom, ja, daar trekt daar heel wat menselijkheid en onmenselijkheid door de processiestraten. Maar goed dat het allemaal niet aan de buitenkant af te lezen valt. Raar eigenlijk, al die mensen die vol overtuiging achter een beeld aanlopen, het adoreren en het zelfs durven beminnen. Raar en ook weer mooi, o ja, het is dubbel genoeg.
We hebben een kaarsje aangestoken bij het genadebeeld, het waren er 3, we deden dus niet anders dan de andere pelgrims. Ik stond onder het piëtabeeldje bij de talloze kaarsen, waarvan de vlammetjes de wind trotseerden en bleven branden, en dacht: het zou een godsgenade zijn als mijn bede wordt verhoord. Tegelijk wist ik dat verhoring niet bestaat, dat God niet doet aan willekeur, dat je zélf je lot moet zien te benaderen ten goede. Dat is míjn geloof in wonderen, verder reikt het niet, en het wordt niet door iedereen gedeeld. Dat hoeft ook niet. Ik geloof in God. Dat is voor mij hét wonder op zich, een ander is overbodig.
![]()
Donderdag 24 augustus.
Vandaag bij van
www.trouw.nl gezien dat een aantal welwillende lezers heeft gereageerd op mijn wedstrijdvakantieverhaal Wij hebben voor altijd vakantie. Het is me zeer aangenaam, stemt me dankbaar en geeft me weer wat meer vertrouwen in de goedheid van de mensen.

Onze border is bijna jarig, op 27 augustus wordt het beestje 1 jaar. Hier, op de foto, houd ik hem vast terwijl ik ook een cadeautje voor Rieke meetors, het was op maandag. (Zie bij
Beestenboel) Vandaag heb ik onze sir nog een blije kaart gestuurd met de woorden:
O kleine Paddy
Speelgoedhond
Van levend bont
Ik kom je blij begroeten
Omdat je bijna jarig bent!
~
Je krijgt een zusje binnenkort
Met wie je dan gezellig snort
Op ’t vloerkleed van je baasjes!
Proficiat, jij grote vent!
Hierbij nog ’n verjaardagscent…
~
Ine Verhoeven
Nijmegen, 24 augustus 2006
~
Nou ja, het wordt onderhand een beetje te veel van het goede, het is in verhouding met mensen maar een hond en op deze leeftijd moet je oppassen niet voor debieltje door te gaan. Ik heb intussen de feestsfeer al geproefd en de cadeautjes zijn op hun plaats en dat was het. Genoeg is genoeg, heb ik gedacht. Blijft staan dat Paddy een droomhondje is. Je gaat vanzelf van ‘m houden. Raar of niet.
21.50 uur. Gelukkig komt de serie Gooische Vrouwen begin september terug op de buis. Het vervolg ervan, dus. Er waren kostelijke scènes, herinner ik me, levensecht. Ik zag net nog ‘n herhalingsaflevering.
We gaan weer herfstige tijden tegemoet, met lange avonden en knusse seizoensfeertjes. Ik heb de heide al in potten op het balkon neergezet. Je ruikt de nazomer, zeker als het geregend heeft. Het wordt genieten, hoor.
23.37 uur. En dan tol je om van de slaap en je gaat naar bed en je bent nerveus en je weet niet precies waarom. Ergens dreigen de schaduwen van het leven. Je kunt er niet omheen. Je moet alles maar afwachten. En je gaat slapen, blij dat je alleen bent. Gelukkig maar. Je levenslot kan altijd nog je beste kameraad worden. Zo, dat staat.
![]()
![]()
Je weet niet wie je tegenkomt op een Gorkumse boottocht. Wie zat er zaterdag op De Sluizer zijn feestje te vieren? De pastoor van Appeltern. Als dat niet snoezig is? Ik zag pas in Gorkum 2 armzalige mannen rampzalig gekleed, beide ogend als 2 zwakjes gefatsoeneerde zwervers maar nog net minderbroederlijk genoeg en dacht: ken ik die 2 nergens van? Zijn dat niet 2 kapucijnen? Maar ik kon ze niet thuisbrengen. De kapitein van De Sluizer onthulde aan het eind van de bootreis mijn raadsel en gaf het bootpubliek te kennen dat de pastoor van Appeltern op De Sluizer zijn gouden priesterfeest vierde. Lang zal hij leven! Applaus! Denkelijk waren de 2 armzaligen zijn gasten en voeren ze mee met de feestboot. En nee, zij droegen geen feestkleding, die 2, heel onbijbels maar zeer franciscaans, dat wel.
Ik overdacht de situatie in de Orde van Franciscaanse Seculieren en zie dat de tamelijk nieuw gekomen afdelingsministers niet allemaal theologisch deskundig onderlegd zijn, ik bedoel bijvoorbeeld de huidige minister van H. die haar afdeling drijft op ongewisse gevoelens, spirituele instincten, en niet op kennis die nodig is om religieuze gelovigen goed en gedegen te (bege)leiden. Ik kijk nog even verder. De landelijk minister vind ik momenteel te rechts en de Taukring is mijns inziens én naar eigen bevinding op de zweverige toer, er zijn er daar bij die niet gelovig maar globaal spiritueel bezig zijn. Zo is Ine Bakker van Doortocht niet bekwaam als hoofdredacteur, kan niet schrijven en formuleert de God van het katholieke geloof merkwaardig door middel van een vergezochte, eigen god, dit blijkens haar vermeende journalistieke inbreng in Doortocht. Zoekers zijn ze, en dat mag. De club zou alleen wat beter grondpersoneel mogen hebben, zodat de seculieren in Sint-Frans veilig de weg naar de hemel leren bewandelen. Enfin. Ik denk al heel lang dat deze club voor een deel uit opportunisten bestaat, mensen van zwak allooi die een mooi aanzien denken te verwerven door de OFS. De club is arm aan theologen, dus wie maalt om de waarheid? Ik dus. Maar ik word dan ook verguisd. En ik denk dat je beter verguisd kunt zijn dan bejubeld door dergelijke nitwits. Blijft staan dat het jammer is een goede zaak, lees kans, verloren te zien gaan. Ik ben niet dol op wonderen maar in de OFS moet eerst een fiks wonder gebeuren. Het wonder van de redding. S. heeft haar best gedaan tijdens haar regeerperiode, maar ook zij had de kennis en het inzicht niet. Daardoor zijn in de afgelopen jaren vele gemankeerde schapen in de nog altijd gammele OFS-stal binnengetreden. Al die gemankeerde schapen hebben behoefte aan een goede herder, maar hij die ze nu hoedt, is een kunstenaar en als leider van een onduidelijke geloofskleur, maar wel voldoende hiërarchisch. Je kunt e.e.a. aflezen op www.ofsnederland.nl. Ik schrijf dit in mijn dagboek ter memo voor mezelf, om wakker bij de feiten te blijven. En meningen mógen er zijn, ook de mijne.
![]()
![]()
Met een gekneusde voet (en heel veel gekapte krullen op mijn hoofd) beleef ik mijn dagen. Het eerste gestrompel is gelukkig voorbij, ik loop weer goed, al is mijn voet nog pimpelpaars en eigenaardig blauw. Het wordt wel beter. Toen ik mijn voet bekeek, de bloeduitstortingen, dacht ik terug aan mijn toenmalige verblijf in Australië. Ik liep daar ongelukkigerwijs rond met een blauw oog en vierde daardoor, grappig genoeg, mijn verjaardag als een getekende. Een blauw oog is altijd opmerkelijker dan een blauwe voet, of een blauwe teen of vinger(s). Een blauw oog zet aan het denken, een blauwe teen niet direct. Bij een blauw oog zie je ze vorsen, de mensen: Waar heeft ze dat opgelopen? Klappen gehad? Ik maakte het desondanks mee dat mijn zwager pas na drie dagen ontdekte dat ik met een black eye rondliep. Ja, hij keek wel érg langs me heen in die tijd. Maar goed, dat is een herinnering van lang geleden. Wie maalt er nog om? In die Australische maanden heb ik heel fortuinlijk o.a. de cookaburra’s gezien en gehoord, de emu’s en de koala’s gadegeslagen. Wonderbaarlijk land, mooi, woest en vol van Gods rijkdom. Onuitwisbare herinneringen. Schitterend. Ik zal er nog vaak genoeg op terugkomen.

Kookaburra
www.copyright-free-pictures.org.uk
Dan die krullen. Al heb ik slag en krul van mezelf, ik prefereer tegenwoordig met enige regelmaat de krullende kapperskunst te ondergaan en ik ben er blij mee. Raar eigenlijk, dat je haardracht van invloed is op je stemming. Zouden mensen die ouder worden, of zijn, ijdeler dan voorheen door het leven gaan? Ja, je moet je huid verhullen, je huid wordt ouder en is van de strakke schoonheid van de eens jonge vrouw die je was, ontdaan. Misschien ga je dáárdoor betere kleding kopen, geef je meer geld uit aan je outfit? Misschien ga je, doordat je fysiek je natuurlijke zekerheden verliest, je wapenen met uniciteit en uiterlijk vertoon? Ik weet het niet, ik denk maar wat na. Ik zag onlangs enkele herhaalde afleveringen van het programma Showroom met zijn excentrieke oude mensen en het viel me vooral op bij een kleine, bezige heksenvrouw met overal oogjes. Ze was zodanig gekleed dat haar oude lijfje niet de volle aandacht opving, haar opmerkelijke kleding en hoofdtooi leidden af. Het is interessant te zien hoe juist de oudere mensen zich vaak als goudhaantjes tooien. Ik zal er mijn psychologieboeken eens op naslaan.

Met krullen en ook de tand des tijds al zichtbaar genoeg.
Ine 19 juli 2006.
© fotografie S. vd Maat
Enfin. Zolang we in leven zijn, is het de moeite waard het leven te leven, te beleven. Daar horen goed zijn voor jezelf en je mooi aankleden en laten kappen ook bij. Én winkelen, shoppen heet het tegenwoordig, is er een onderdeel van. Als het rustig is in de stad, meestal ‘s morgens, is winkelen een aangename bezigheid. Je mag gerust ter verpozing en ter verstrooiing leuke dingen kopen, van die dingetjes die blij maken, die jou of ánderen blij maken. Ja, en uit zulke gedachten komen de tegenwoordige krullen voort. Oude ijdelheid. Och ja.
![]()
![]()
De twee oude beuken zijn geveld, ze stonden langs de Wolfskuilseweg en tegenover het Wolverleiappartementencomplex. De bomen waren ziek, zo was het gemeld. Raar eigenlijk, dat zoiets zeer doet, dat het sterven van bomen je innerlijk raakt. Nuchter gezien: het zijn maar twee bomen die moesten worden gekapt. Wat doe je nou moeilijk? Sybil had een paar jaar geleden ook geen moeite met het laten verwijderen van haar gezonde kastanjeboom, ik vind dat iets zeggen over een mensenkarakter en het is ruimtelijk gezien nogal onfranciscaans. Bij Veronica & Joop heb ik destijds ook zo geleden aan de 2 oude eiken in hun tuin die ze straf lieten omkappen. Het levensvocht van de beide bomen stroomde rijkelijk uit het afgekapte wortelgedeelte. Ik leed eraan bij het zien van dat vocht dat alle kanten opdroop, maar niet verder kon om leven te geven. Deze bomen waren gezond, maar stonden de decoratieplannen in de weg, er moest ruimte komen, dus werden de oersterke, levenslustige, prachtige eikenbomen geruimd. Ik vind zoiets ongelofelijk verkeerd, anderen hebben er weer geen moeite mee. En nu moet daar weer een prachtige, hoge spar tegen de vlakte. Waarom heb je hem dan geplant?
Zondag was de JansenErvenDag in Tilburg. Het is een heilzame dag geworden, met een tocht naar Peerke Donders en naar Maria van de Hatertse kapel. In de ochtend was ik lector in de eucharistieviering van het Carolusziekenhuis (zie bij Liturgie) en bij de voorbede sloot ik een intentie in voor deze enthousiaste Jansenfamilie. Het is een mooie middag geworden. Helaas was de familie die morgen niet aanwezig bij de zondagsviering, wat ik jammer vond, want een eucharistieviering is een geweldig mooi begin voor een familiedag. Het is ook‘n gemiste kans, vind ik, vooral omdat pater Frans de voorganger was en zijn oude moeder van bijna 99 jaar op deze manier niet van de eucharistieviering, door haar priesterzoon opgedragen, heeft mogen profiteren. Jammer, maar ja.
Broer Ries gaat binnenkort naar Canada. Het gaat hem goed, schreef hij. Daar ben ik blij om. De dood van Anneke staat in veel geheugens gegrift, ik ben ervan overtuigd. Maar de uitvaart was mooi, goed en heilig. Met de diaken erbij heeft pater Frans toen de mis opgedragen. Na afloop was het hele dorp uitgenodigd voor de lunch bij De Bolle Keizer. Het was een drukte van jewelste, je keek je ogen uit.

Anneke bij hun villa in Spanje (herinneringsprentje).
Alles wordt uiteindelijk herinnering, alles en iedereen. Het is een goede zaak je herinneringen in schoonheid te laten voortbestaan, maar dat kan alleen als je herinneringen ook mooi zíjn. Wat me nog altijd goed doet, is de manier waarop Anneke me aansprak en omhelsde bij de uitvaart van broer Nic. Ik wist op dat moment dat ik heel veel van haar hield. Niemand dacht toen dat Anneke de volgende familiale dode zou zijn. O ja, de dood slaat in stilte toe, je houdt hem niet tegen; hij zal mij en jou bezoeken, hij haalt iedereen weg. Maar je groeit in je menszijn en je leert te leven met deze eindige wetenschap. Je moet de angst om te sterven loslaten, wil je nog een beetje kunnen genieten van het leven. Leven in angst is ondoenlijk. Och ja, wij mensen, we hebben ons leven en al het andere kennen we niet, behalve van de traditie en de overlevering. Allemaal vage onzekerheid. Je moet het ook kunnen en willen geloven. Logisch dat we gehecht zijn aan lijf en aarde. Heel logisch, denk ik.
Vandaag is Maria Tenhemelopneming. In het ArchiefDagboek in de zijlijn staat er niets over te lezen bij 15 augustus 2005. Maar vandaag, dus dit jaar, wil ik een mariale tekst van mijn hand in mijn dagboek plaatsen, zodat hij niet verloren gaat:
![]()
~
Maria, gij moeder van Jezus
gij koningin van het godsvolk
gij vrouwe van deugden gemaakt
gij mens van schoonheid gevormd
~
Maria, gij beeld van ongereptheid
gij icoon van leven in God
gij ziel in mensenharten gevangen
gij mens, gij moeder van ons
~
Maria, gij troost van de bidders
gij glimlach ter bemoediging
gij vreugde van pelgrims op aarde
gij mens, ongestorven in ons
~
Maria, gij heilig teken van God
gij jonkvrouw doorheen alle tijden
gij lieflijke ster aan het firmament
gij mens in de hemel gekroond
~
Maria, gij licht van sterren en maan
gij zonlicht, gij moeder der aarde
gij hart dat de mensheid bemint
gij mens en vrouw uit de heilige God
~
Maria, gij geliefde van Gods geest
Bid voor ons.
![]()
![]()
In dagblad Trouw, de Verdieping Podium, stond vandaag bij ‘Ooit was ik fan van het dappere Israël’ weer e.e.a. te lezen over de oorlog tussen Israël en Libanon, geschreven en ingezonden door Piet de Visser (oud lid van de Tweede kamer - PvdA). Ik heb gereageerd:
‘Ik schreef het al in mijn digitale dagboek www.ineverhoeven.tk: WO3 is in de maak. De gedegen visie van Piet de Visser valt te delen. Sedert 1967 schaam ik me, als gelovige christen, bij de psalmen die Israël bezingen, Jeruzalem beloven en Gods grootheid bejubelen. Maar ik zou ze ruim willen zien, het gaat om de mensheid, de heiliging van de wereld, niet om de macht van een enkel land of van méér landen. Als kenner van de nagelaten geschriften van de intellectuele Joodse Etty Hillesum ben ik bedroefd dat haar vredelievende teksten, direct gerelateerd aan de volksvernietigende shoah van WO2, geen daadwerkelijke invloed hebben (gehad) op de huidige visie van haar volk. Palestijnen, Libanezen, Iraniërs, Israëliërs, noem maar op: niemand wil als volk noch als mens naar de rand van de afgrond worden ‘gedeporteerd’. Iedereen mag zich veiligstellen, maar wie uit ‘zelfverdediging’ andermans land steelt, duizenden mensen vermoordt en onverbloemd een nieuwe wereldshoah creëert, is onverkort fout.’ Ine Verhoeven, Nijmegen (15-08-2006, 10:54:07 uur)
![]()
![]()
De hete zomer is voorbij. Wie zal er niet opgelucht bij ademhalen? O augustus, ik zie je aan. Je wolken drijven over het land en je houdt je zon verscholen. Geen hitte die mijn huid nog brandt, geen stralen die verzengen. Je regendruppels vallen neer en lome grond wordt groen. Juli heeft het gras geschroeid, verbleekt met zomerzon. O augustus, ik zie je aan. In het land van de lyrische tekstschrijver(s) wordt augustus bezongen als een god, in ieder geval door mij. Merkwaardig is het, hoezeer de maanden op zichzelf telkens mijn aandacht trekken en tot beschrijven inspireren. Er zit zoveel in elke maand, denk ik, van weemoed tot vreugde, of andersom. Ik denk aan mijn augustusgedicht, nog in de vorige eeuw geschreven, gepubliceerd in 2005. Het is een beetje een brutaal tekstje, maar wel mooi genoeg, geloof ik.
Augustuszon
~
De zon van de augustus baart haar waan
Zij klimt op langs de einder
Ik heb mijn rode truitje aan
~
De zon van de augustus zengt met stralen
Zij legt mijn lichaam in het zand
en laat mijn ziel verdwalen
~
De zon van de augustus raakt mij aan
en tegelijk tast zij langs zee en golven
Ik heb mijn rode truitje uitgedaan
~
De zon van de augustus kust mijn huid
Zo innig! Wil zij ook mijn hart verschroeien?
De zon en ik, wij paren en wij gloeien
~
De zon van de augustus richt mij op
Als zij verdwijnt, nog even vleugend met de maan
trek ik mijn rode truitje aan.
© Ine Verhoeven
Hemelse genade! Ik zit onder de insectenbeten: van een onbekend beest, een mug en een kreng, én ik kreeg een heuse, venijnige wespensteek in mijn bovenarm. Au! Het gebeurde op de boot. Iemand had de wesp weggeslagen en de boosaard kwam míj straffen met zijn giftige angeltje. Enfin. Je hebt apostelen en martelaren. En een beetje gemarteld voel ik me wel.
Wesp (© www.gezondheid.infoblog.be)
12.13 uur. En je zit als grootmoeder te mijmeren, denkt na over alle voorbije jaren, ziet de kleuren van de tijd en de kleuren die je kinderen voor je maakten: het zijn de kleuren van liefhebben. Morgen is hij jarig, de eerste kleinzoon Conner Charlie. Ik zie het beeld nog voor me: wat een weelde, dat prachtige kind in mijn armen en wat een broosheid tegelijkertijd. Het was in 1993:

10 augustus 1993.
Oma Ine met Conner pas geboren op 9 augustus.
En de tijd gaat door, neemt iedereen mee op zijn tocht, spaart dag noch uur. Wie je was toen je jong was, die ben je allang niet meer. Maar alle tijden in je leven zijn van belang voor jou als mens, voor wie je ten diepste bent. Later komt de puzzel klaar, ligt het meeste aan vraagtekens op zijn plaats. Maar o, wat blijft er nog veel te ontraadselen. Toen ik deze week met De Sluizer over het water voer en om me heen keek en zag hoe groot en hoe klein de wereld feitelijk is, besefte ik al te goed hoe kwetsbaar nietig een mensje is en dat hij globaal niets te zeggen heeft, heel weinig in ieder geval. Je mag enkel een dankbare mens zijn en proberen uit te groeien tot een wijze mens, tot een evenwichtige mens. De evenwichtigheid is zo goed als de belangrijkste eigenschap die we nodig hebben om menswaardig te overleven. En weet dit: laat je nooit iets wijsmaken, door niemand, lees, leer en onthoud, én ‘onderzoek alles en behoud het goede’ (Paulus). Ik zou mijn kleinzoons zoveel willen meegeven aan raad en goede daad. Als ze bij me zouden komen met vragen, zou ik eerlijk zijn en zeggen wat er te zeggen valt, niets opblazen, niets verdonkeremanen, niets ophemelen, niets verslechteren; je moet je kind respecteren en geven waar het recht op heeft. Een kind moet weten wie hij is, waar hij vandaan komt, wie zijn voorouders waren. Als je weet wie je bent, groei je gezonder op, word je een heler mens. Daar geloof ik in.
En hier is Conner op 12-jarige leeftijd.
~
Conner
Klein was jij, en mooi, zo mooi.
Dat ben je nog, en groot gegroeid.
Hoe zal het leven voor je zijn
Nu je al 13 bent?
~
Ik stuur een handvol groot geluk
En ook een handvol liefde.
Mijn korreltjes zilvergruis en goud
Strooi ik denkbeeldig uit.
~
En ik fluister in je oor
Ik zeg het luid, ik zing het uit:
Ik wens je heil en alle goeds!
Van harte veel geluk!
Oma Ine
![]()
![]()
Met een glimlach en grote dankbaarheid in mijn hart denk ik terug aan de boottocht van gisteren. We voeren over de Maas en de Waal, zagen het mooiste landschap en gingen langs pittoreske plaatsjes zoals Ravenstein, Beuningen, Grave, Weurt, Nijmegen, Ophemert, Lith, Tiel en zo meer. Een en al weldaad overkwam ons op De Sluizer. Veel passagiers zaten luxe uit te waaien op het zonnedek, maar er bleven ook opvarenden eenvoudigweg binnenzitten, ze babbelden wat of legden een kaartje. O ja, het was voor mij een zomerdag om bij weg te dromen. Ik toefde steevast bovendeks, genoot vooral van het regelrechte uitzicht, de verrassende, rustgevende natuur in de vorm van het machtige water met zijn serene oevers, ze waren gemaakt van groen en nog eens groen, of van zand en van groen, of van bouwstellingen, steenfabrieken en huizen op de wal, met in de verte een kerkje dat bij het betreffende dorpje of stadje hoorde. We voeren door een oud, schilderachtig rivierengebied. Wat is het land van Maas en Waal toch mooi. En tijdens de hele reis ervoer ik hoezeer er terdege vrede onder de mensen kan zijn. Aan boord was iedereen a.h.w. in harmonie met de genade van de dag. Dat voel je, ervaar je, proef je. Geweldig. De wereld is mooi, eenvoudig en schatrijk tegelijk. Mens, wat ben je kwetsbaar en nietig maar ook sterk en wijs. Aarde, wie ben je? O schoonheid, zo oud en zo jong (vlg. Augustinus). Laus Deo! Amen.
Tekst anno 1975.
Terugdenkend aan het Hollands Diep.
Zo stralen van de zon
van water zilver maken,
zo kan het water zelve
mijn diepste ziele raken,
mijn geest en mijn gedachtegang
zo intens vrede gunnen.
Geen mens, geen levend wezen
bezit dit Goddelijk kunnen. I.V.
![]()
![]()
Als ik ooit een mooie kattenfoto zag, is het deze wel. Het is mijn Keppeltje (zie onder Beestenboel), ook al is Keppeltje officieel van Rieke & Wim. Moet je de uitdrukking zien van het beestje, die kattenoogjes en die kleuren van zijn vachtje! En kijk eens naar de lay-out van de foto? Helemaal goed! Keppeltje is de kat met de bel. Als je de kat de bel omdoet, zal hij rinkelen waar hij gaat. Zo is Keppeltje menigmaal veilig terug gevonden. Rieke heeft het onlangs gepresteerd de repeterende harmonie tot zwijgen te brengen omdat ze de kat zocht, Keppeltje dus. Ze zei tegen het gezelschap dat ze een half uur moesten stoppen met muziek maken, want ze moest Keppeltje zoeken en het was hun schuld dat het beestje weg was, hij is bang van de harde herrie. Als ze nou even stíl waren, dan kon ze Keppeltje’s belletje horen terwijl ze hem met een blikje voer lokte. En zo is het gebeurd. Keppeltje was inderdaad snel terecht toen het stil geworden was. Iedereen weer blij en opgelucht, je liefste kat zoek is niet niks, en de Bossche harmonie kon doorgaan met oefenen op de maat.

Keppeltje zelf.
Ja, als Rieke dagelijks haar verhaal zou doen, zou ik het in mijn dagboek plaatsen, of op een aparte webpagina op haar naam. Misschien komt dat nog? Voorlopig gaan we door met De Gewichtkijkers en houden we af en toe ‘n mooie mensen of beestenfoto tegen het licht. Zoals deze van Kep.
18.51 uur. Vandaag kwam de tapijtenman op bezoek met 3 vloerkleden. Ze waren prachtig maar in de kamer viel het resultaat erg tegen. Maar we kijken vrolijk verder, morgenmiddag komt hij met andere exemplaren, zo’n kleed moet ineens van ‘yes’ zijn anders moet je het niet kopen. Het is een smak geld.
Veronica belde. Ze ziet vol verlangen uit naar de Jansenervendag in Tilburg. Ik iets minder, maar het ís leuk. Als Margarethe ook zou kunnen komen, dan is het feest helemaal áf, met een gouden randje, zei Veronica, en Margarethe krijgt de ereplaats. Vanzelfsprekend! Ze is bijna 99 jaar. En als je zó oud geworden bent, dan ben je onderhand heilig, vind ik. Zíj krijgt dus de ereplaats, van harte. Als ze kómt.
22.07 uur. Al 3 dagen aan een stuk ben moe, het is sinds de regen is gekomen. Moe en onrustig. Toch blijf ik actief genoeg, ging de stad in vandaag en liep tegen de helling van de Marikenstraat op, ik bedoel: voorheen zou ik de invalidenlift omhoog hebben genomen, maar dat is over. Best fijn!

Marikenstraat, Nijmegen
De broodjescorner bij de boekhandel was gesloten, het werd dus een middagmaal bij V&D. Ik moet zeggen dat het verrukkelijk was. Ik verorberde een mals biefstukje met zalige aardappelpartjes in de schil, en een half kommetje salade van alles wat. Vooral de mosterdsaus was apart van smaak. Het donderdagse dessert was voor mij een ananassmoothy. Ik kon er weer tegen, vanmiddag. Thuis viel ik in slaap, ik rolde eerder bijna om, nog op het La Placeterras van V&D, daar hoog boven de huizen uit en naast de Stevenskerk, die bezijden de Markt wakend lonkt naar de spoorbrug over de Waal. Machtig interessant. Ja, het was een mooie, maar intens moeie dag. Och ja.
Vrijdag 4 augustus.
Vanochtend in de kapsalon door een Turks sprekend meisje mijn haar laten watergolven: krullen! En ze leverde chic werk! Vanmiddag is de kledenman weer geweest, ik heb de kleine huiscollectie bekeken en gekeurd; hij had een Gabbeh vloerkleed tot het laatst bewaard. Dat is het ook geworden. De Perzische tapijten waren prachtig, vooral die in de oude kleuren, maar deze Gabbeh won het in rust en eenvoudige schoonheid, past door deze eigenschappen in mijn interieur. Een rijke aanwinst, dit tapijt, en zeer zacht aan mijn voeten. De vlekken en de slijtage in de onderliggende vloerbedekking zijn duur maar perfect weggewerkt op deze manier. Ik zocht achteraf nog eens op Internet Google naar de herkomst van de Gabbeh kleden en het is de moeite waard om daar rond te snuffelen. Je ziet een prachtig volk, kleurrijke zwervers in Iran; zij leven van de kledenproductie, alles wordt handgemaakt en is van pure schapenwol.
Dit Gabbeh tapijt lijkt een beetje op het mijne.
Niet alles is rozengeur en maneschijn. Ik moet zeggen dat ik de kinderen zeer mis, weet niet hoe ik het beste bij hen kan komen. De grote boze wolf blijft een akelig obstakel. Enfin, ik zie wel. Nu zijn ze van vakantie terug en ik zou hen graag willen begroeten. Maar ja, die wolf, hè, die oude grommer. Hoe kan iemand toch zo halsstarrig zijn en blíjven?
Zaterdag 5 augustus.
00.00 uur. Straks is de boottocht vanuit Appeltern, de Gouden Ham. We zullen varen langs 5 sluizen en diverse plaatsen vanaf het water zien zoals Grave, Nijmegen, Tiel, ik weet de precieze volgorde niet, de sluis Sint Andries enzovoort. Het zal mooi zijn, ik geloof het vast. En nu ga ik slapen, de nacht is kort. Morgen weer fris en kwiek op, ik hoop het, want het wordt voor mijn doen een lange dag.

www.desluizer.nl
Voor de kinderen had ik een mooie boottocht in gedachten, maar alle tochten zijn al helemaal volgeboekt. Maar misschien kan het in oktober, met de herfstvakantie. Dat zou een feest zijn, in ieder geval voor oma zelf. Jaja. Goedenacht.
Wie denkt dat het schrijversduo Verhoeven & Boddeke niets uitvoert behalve zomervakantie houden, komt bedrogen uit. Er zijn plannen voor enkele nieuwe uitgaven. Er staat bijvoorbeeld voor Kerstmis een aardig werkje op stapel en ook nog iets magnifieks voor het gouden priesterfeest van pater Frans, volgend jaar. Maar voor alles wat je wilt ondernemen, geldt natuurlijk: Deo volente. Je kunt alleen maar je plannen maken en proberen je doel te bereiken. De tijd van mensen is beperkt, alleen God weet wanneer die voorbij zal zijn. Maar hoop doet leven, en in ons geval nieuwe teksten creëren. En zo hoort het ook.
![]()
Maandag 31 juli.
Een merkwaardige datum is dit, bedenk ik, maar weet (nog) niet waarom. De zomer is weer chic, in mijn beleving is het weertype nu precies zoals het moet zijn. O, wat hebben we deze weken genoten van Gelderland en Brabant, gisteren wéér, maar alle dagen van de julimaand waren perfect, alleen al door de schone plekjes in Gods natuur waar we onvoorbereid verzeild zijn geraakt. Maasbommel bijvoorbeeld bood gisteren een uitzicht op de prachtige Maas en uiterwaarden waar je alleen maar van kunt drómen als je thuis op je primitieve balkonnetje zit. En wat te denken van onze lunchambiance, het Ravensteinse cafeetje waar we ons brood mogen oppeuzelen, mits we de consumptie daar gebruiken? We kijken er, vanaf het terras onder de hoge bomen, uit op de Maas met alle zeil en ander vaarverkeer, op de dijk, de spoorbrug en, ach, ik schreef het allemaal al op. Deze zomer behelst voor mij optimaal vakantievieren in Nederland.
In Bergharen vonden we ’s middags onverwacht een mariaal heiligdom: Onze Lieve Vrouw ter Nood Gods. We hebben door het bos langs de kruisweg gelopen, niet rouwig, niet treurig, want het was een feest om te doen. 2 vrouwen, een was verstandelijk gehandicapt, brandden een kaarsje in het kaarsenkapelletje en bewandelden daarna het kleine, maar heerlijke bos. Ze baden niet, ze oreerden luidop. Dat kwam door het kleine verstandje. Maar ze waren een lieftallig duo, ik denk moeder en dochter. Mooi beeld om vast te houden. Sommige mensen stralen iets moois, iets goeds uit, dat deden deze 2 ook.
En nu ga ik als de wiedeweerga naar Olivier. Hij verwacht me met mijn lunchpakket, het lijkt wel alsof we met de bus naar de Gavarni in de Pyreneeën gaan, dat ging ook altijd met een dergelijk lunchpakket gepaard. O ja, in gedachten zie ik weer dat hoge, witte huis met zijn koeienletters: ENGLISH SPOKEN. Je kunt er van maken wat je wilt, maar ik vind het nog altijd een gek iets, die zwarte kreet op dat witte huis.
KRO Kruispunt van gisteravond was in zekere zin een flop. De ex-abdis Chiara had de kijkers weinig gelovig houvast te bieden over God, Messiaanse goedheid en geloof. Het mooie van de hele uitzending waren de Megense natuuropnames, de overtocht met het Megense veerpontje en de beelden van het Megense nonnenklooster met de rijke hof.

Voorkant Clarissenklooster Megen
Wat me minder beviel, was een soort achteraf treurigheid over de ingeslagen, kloosterlijke weg: het kloosterleven zou zwaar zijn, evenals abdis (moeder) zijn over een 20-tal zusters; en er was het gemis van eigen kinderen, een echtgenoot en 'een arm om je heen'. Het is allemaal zo cliché. Ik word er moe van. Alsof het leven in de maatschappij niet precies dezelfde problemen oplevert, ergere nog, denk ik, wéét ik. Het is zo hoogverheven religieus, dat gezeur over het gemis van ‘het een’, religieuzen hebben, als de heilige uitverkorenen, toch Het Ander? En taai is het leven voor elke mens, of je moet ontzettend geboft hebben en door specifiek geluk aan de moeilijkheden van het leven voorbij kunnen gaan. Ik weet niet of ik déze clarissen nou zo franciscaans acht. In het klooster leven ze a.h.w. als adellijke dames met een of enkele jongere zuster om zich heen als werkbijtje(s). Zij hebben alles op uur en tijd, geen zorgen voor de oude dag, geen zorgen over Het Leven, in ieder geval niet zoals het geijkte burgerlijke zorgenpakket vaak op de alledaagse mens afkomt. Nee, Chiara is gedistingeerd, maar zonder bijzondere wijsheid. Inhoudelijk krijgt ze van mij een 6- en dat is weinig voor een ex-abdis. Je mag verwachten dat clarissen, zeker op latere leeftijd, meer geestelijke bagage meetorsen. Maar nee. Ik denk dat het de moeizaam verworven status van kloosterling is die veel zusters aan het klooster bindt, misschien wel vastketent; of is het tóch de zekerheid van de geborgenheid in Gods hand, nu al, hier al? Maar dat laatste heb ik de eerwaarde zuster Chiara Bots niet horen zeggen. Enfin. Het zou haar wellicht deugd doen op een goede keer de nagelaten geschriften van de jodin Etty Hillesum te beschouwen of te bestuderen. Etty’s boeken zijn verrijkend en hoogwaardig gelovig te noemen. Daarin lees je geen absoluut antwoord over het bestaan van God, je leest er geen oude man met baard en blauwe ogen, maar je leest er wél een heldere visie op een godgerichte levenshouding die goud waard is en die middels E.H. door en door van God getuigt. Geen zuster, geen mens, heeft iets aan een abdis die publiekelijk aan God twijfelt en theologisch gezien niet over de twijfel heen groeit. Als je niet groeit, heb je de wereld ook niets te melden, laat staan dat je een getuige kunt zijn van Gods barmhartigheid, Gods grootheid, Gods levendige goedheid. In mijn optiek zijn veel franciscanen doorgaans onvoldoende als christelijk te benoemen, ze zijn vaak ál té franciscaans. Men behandelt in de kleine, afgeronde leergroepen veel over de geschriften van Franciscus en Clara en weinig over het evangelie dat Jezus ons bracht, terwijl de franciscaanse wereld toch een rasechte Roomse uitloper is van het christendom.
Dan zag ik in de kloosteruitzending nogal wat gespook in de kapel, ik zag dansende nonnetjes met brandende kaarsjes, mooi, spannend, spiritueel, maar wat is de christelijke uitleg ervan? Zou het Amsterdamse New Age ‘leerhuis’ La Verna, dat ‘centrum voor spirituele ontwikkeling’ wordt genoemd en dat o.a. door franciscanen wordt geleid, dan toch van (grote) invloed zijn op de gehele franciscaner orde? Ze zijn daar in Amsterdam in de loop der tijd nogal op de wiccatoer gegaan, ver over de christelijke grenzen heen, je kunt het telkens constateren in hun nieuwsbrief en lezen op www.laverna.nl. Het zal me verheugd verbazen als daar de eucharistieviering nog bestaat. In de La Vernafolder met de veelsoortige cursusaanprijzingen vind je in het algemeen niets of weinig terug van de Messiaanse leer van Jezus de Christus. Heeft niemand dit ooit eerder opgemerkt? Ik hoop toch van wel. Want de verwarring is al groot genoeg onder de christenen.
Er moet me nog iets van het hart. Zolang de kerk bestaat, zijn de verschillen tussen arm en rijk in de wereld niet opgeheven. Francisus en Clara van Assisi hebben hun soberheidverdiensten als heilige voortrekkers wel bewezen, maar wat doen hun volgelingen van vandaag er, missionair gezien, mee? Het interview met ex-abdis Chiara Bots heeft me niet kunnen overtuigen van het sociale belang van de zusterlijke kloostergemeenschap in Megen. Ik miste in de uitzending het sociale karakter van de gelovige christenmens, hoorde niets over de zin van de universele barmhartigheid noch het simpele woordje ‘vrede’ kwam aan bod. We leven in een hachelijke tijd zonder veel vrede en met te veel oorlog. In het Midden-Oosten staat de wereld in brand, van daar dreigt het oorlogsvuur over te slaan naar Europa. Je zou als franciscaanse vrouw, als claris, in deze situatie minstens aan vrede denken, aan DE wereldvrede. Maar er was alleen het klooster, Chiara’s moeizame abdis-zijn gedurende die 6 jaar, de huidige zorg voor de zusters, voor hun welzijn en hun sterven. De grote boze wereld leek me, als toeschouwer, ver weg voor de 20 clarissen. Zij sprak er in ieder geval niet over.
Abdis Chiara heeft de Nederlandstalige tv-kijker haar twijfel aan Gods bestaan gemeld, ze heeft getuigd van een zekere leegte, van heel weinig ‘God’. ‘Van aangezicht tot aangezicht’, zei ze in een poging haar wankele godsvisie te redden, maar bijna gelijktijdig vroeg ze zich af of ze misschien toch gelijk hadden, die wetenschappers, en is er inderdaad geen God?
Toch was deze uitzending voor mij boeiend genoeg om twee keer te bekijken. Dat is een pluspunt waard. En dit persoonlijke betoogje heb ik hier als evaluatietje voor mezelf - als franciscanes ofs - opgetekend.
10.46 uur. Ik ga me aankleden en vertrek naar Olivier B. Bommel. We gaan de zomertoer 2006 verder doen in mijn grijze rijtuigje. Wat brengt deze zomerse vakantiedag van 31 juli weer aan goeds? Laus Deo! Zegen ons vandaag, en zegen al onze lieve mensen met hun kinderen: úw lieve mensen met hun beminde kinderen. Amen.
23.51 uur. Trijntje Oosterhuis, zangeres en dochter van Huub, heeft vanochtend haar 2de zoontje Marijn Benjamin gebaard, broertje van Jonas. Het is ‘n bijzondere dag vandaag, ik schreef het toch?
![]()
Vrijdag 28 juli & zaterdag 29 juli.
Eindelijk ligt er een meteorologische schaduw over de Nijmeegse regio. De zon blijft braafjes achterwege. De vogeltjes staan weer buiten op hun plekje op het balkon, het kan weer. De ramen staan tegen elkaar open, een bries tocht door het huis ter verfrissing. Het is nog altijd warm, maar goed te doen.
Van Sybil ontving ik boottochtfoto’s, ze zijn mooi. We voeren op 19 juni door de Gouden Ham en dit is een van de aardige plaatjes die ter memo bewaard zijn. Het tafereel vond plaats op het terras bij Moeke Mooren in Appeltern. Sybil zei tegen de serveerster die de foto nam: Dit is historisch. Het is in ieder geval een nooitgedachtfoto, denk ik. Vreedzaam genoeg. Gelukkig maar.

Gewichtkijkers? Het was ijsjeswarm die dag.
18.20 uur. Ine’s Lyriekje: Toen gromde de hemel naar beneden en de engelen droegen zwarte wolken aan, zij hingen ze als dekens over de huizen, de bomen, de tuinen, de straten, de markt; en de mensen vluchtten huiswaarts zo snel als maar kon. Slechts enkele lome druppels regenden op de wereld neer, dat stukje wereld dat Gelderland heet en waar ik sinds ’98 nog altijd woon. De atmosfeer ademde ongewisheid en enkele orthodoxe katholieken gingen snel met wijwater door het huis, ze baden om bescherming als het noodweer over hen zou komen. En de straten werden leger, de stad en de zomertuinen ook. Een merkwaardige stemming heerste in de rondte, akelig of niet? Och. Het is Moeder Natuur. Je kunt er ook van houden, als je wilt.
www.meteomelissant.nl
19.28 uur. Het bliksemt. Het dondert. De wereld is donkergrijs.
22.48 uur. Het onweer bleef uit op een enkele bliksemflits en donderslag na. De regen was schaars, kwam mondjesmaat uit de hemel vallen. De droge aarde zucht nog steeds om gedrenkt te worden, de enkele regenbui is te oppervlakkig; lokaal wil het volop plenzen, wel elders, niet hier. Enfin, ik schreef het al eerder: het wordt vanzelf Kerstmis. En als dan de veelbezongen kerstsneeuw heus valt, roept iedereen weer om de zomerse zonneschijn. Sommige welgestelde mensen vertrekken dan ook naar Spanje of zo. Je moet er trouwens zin in hebben, ik dus niet, ik houd van Holland. Gelukkig verschillen de meningen. Het zou anders maar saai worden. Denk ik.
Zaterdag 29 juli.
De kinderen gaan vannacht rijden vanuit Oostenrijk, ze zullen om 4 uur vertrekken, richting thuisbasis. Ik zal blij zijn als ze veilig en wel zijn gearriveerd. Het vakantiegebeuren van de kinderen is altijd een spannende factor voor de ouders. Je wilt ze bij je hebben, thuis weten. Ze zijn ook zo kostbaar, zo onvervangbaar, je kinderen. Je bent van nature zuinig op hen. En je bidt als moeder nog altijd voor je kinderen, niet meer zo frequent als toen ze klein waren, nog bij je waren, maar wel nog steeds. Het resulteert vaak in een kaarsje dat de hele dag blijft branden. En nu zijn er je kleinkinderen bijgekomen, die je al even na aan het hart liggen, en Asha, hun moeder ook. En zo heb je drie extra lievelingen te bewaken, ook zij zijn je kostbaarste schat. Amen.
9.50 uur. Het is fris geworden, de nacht heeft de wereld afgekoeld. Je kunt weer normaal mens zijn. Kipje & Brokje staan op het balkon, frank en vrolijk tussen de late zomerbloemen. Mijn rozenstruik bloeit weer op, er zijn 4 nieuwe rozen open en er zitten volop nieuwe knoppen. Ik dacht aan Rosemarie, die hier altijd rozen liet bezorgen door Sybil. Dat waren lieve gebaren maar ik heb er nooit in geloofd. Gek is dat: je voelt innerlijk feilloos aan bij wie je past en bij wie je niet past. Enfin, de episode Rosemarie is ook alweer afgesloten. Gelukkig wel in dezen, ik wil liever niets te maken hebben met stemmen en spoken. Het volgende incident gebeurde haar recentelijk, het was onderweg van Brussel naar Hilversum, op ongeveer 45 kilometer van Brussel af. ‘Psssst’, deed De Stem. En weer: ‘Pssssst’. ‘Ben je er weer?’ zei R. ‘Wat heb je nou weer?’ ‘Je tas!’ sprak De Stem luidop, ‘Je tas! Je vergat je tas!’ R. schrok, stelde vast dat er geen handtas in de wagen lag en keerde om, ze moest nu wel extra kilometers maken maar haalde toch opgelucht haar tas op. Kijk, en dat zou ik ook hebben gedaan zónder De Stem. Je zou ook gewoon kunnen denken: Oei. Mijn tas! Ik heb mijn tas vergeten. Maar kijk ‘ns aan: R. heeft iets met Een Stem. En daarvan wil ik geen getuige zijn, ik wil er ook niets over horen. Ze moet met een stem in haar brein eerder de psychiater raadplegen, niet mij proberen te overtuigen van haar vermeende bovennatuurlijke instincten. Veel ongeschoolde mensen gaan zo te gronde, bewegen zich fout in het mysterie, denken dat ze helderziende zijn, of nog erger. Zulke mensen willen steeds meer, vorderen het universum, eisen alles wat ruim en goddelijk en de mensheid onbekend is, op. Als je hun vraagt: Ben je een wicca? dan zijn ze nog nijdig ook. Enfin. Het mag R. goed gaan. Ik heb ondanks alles liever met S. te doen. Al kan die ook onbesuisd spoken, en dan denk ik alleen nog maar aan de toverkollenkaart uit Blokhus en alle commotie die eruit voortkwam. Maar het is wel zo. En die scènes zijn voorbij. R. had er ruimschoots van willen profiteren en dat is niet gelukt. Je moet zuinig zijn op elkaar, en allereerst op jezelf. Pas dan kun je samengaan, kun je onbekommerd en eerlijk samengaan. Je hebt te maken met mensen, en je bent als iedereen een unieke, maar alledaagse mens. Niet meer, niet minder. Onbetrouwbaarheid in een vriendschap maakt goed omgaan met elkaar onmogelijk. Er lopen ontelbare huwelijken op stuk, laat staan vriendschappen. Ach, ik heb het al zovaak geschreven: Je moet vriendschap altijd integer praktiseren. Maar ja. Je zult je best moeten blijven doen om het allemaal waar te maken. En dan je voordeur, die altijd op een kier moet blijven staan. Je moet elkaar opnieuw kunnen begroeten, wat er ook is gebeurd, wat er ook gebeurt. Makkelijk gezegd, maar het is de grondhouding van de christenmens. Sluit niemand uit, neem de tijd om na te denken, kom, als je boos bent, eerst rustig tot jezelf en kijk dan verder wat je doet. Maar wees bijbels, evangelisch en christelijk, als je je tenminste een christen noemt. Dat wil niet zeggen dat je de gebeurtenissen niet mag evalueren. Natuurlijk wel. Maar je kunt jezelf en anderen een rijkere ziel bezorgen als je heilzaam bent voor je medemens. Ik heb nooit beweerd dat dat gemakkelijk is. Het is wél de moeite waard. Onverkort.
Vriendschap
Vriendschap is heilig
Moet heilig blijven
Ik mag haar
Met heilige verwondering
Beschouwen
Met heilig respect
Benaderen
En nooit zonder heilig doel.
© 2000 Ine Verhoeven in Ook de Heer in Harristweed)
![]()
Dinsdag 25 juli & woensdag 26 juli.
Het heerlijke land van Maas en Waal heeft mijn hart gestolen, ik denk voorgoed. Gisteren tuften we naar de uiterwaarden en zagen onderweg de mensen zonnen langs de waterplas. O zomer 2006, wat ben je zomers en ouderwets warm. We reden Megen voorbij, wuivend, en via een slingerende polderweg arriveerden we bij Maasbommel. Daar voeren we met het pontje over de Maas, de veerman had de slagbomen omhoog gedaan om ons nog snel toe te laten, het pontje was al startklaar en vol met zomerse fietsers. Mijn Grijsje was de enige auto en ik vond het gebaar van de veerman zeer vriendelijk. Het leverde hem een fooi op. In het idyllische dijkdorp gearriveerd, genoten we ervan. Het uitzicht op de rivier was haast ontroerend mooi. We hadden eerst koffieochtend gehouden bij café ’t Pumpke in Ravenstein, ook al zo’n plek om lief te hebben. Je zit buiten op het terras tegen de dijk aan en ziet daarvandaan boten in het water, treinen over het spoor, vliegtuigen in de lucht, fietsers op de overkantse dijk en auto’s en motoren over de hoge brug van de snelweg gaan; in de verte gaat ook nog een boerentractor en eenzaam is daar een rolschaatser, van alles wat, voor ieder wat, ongekend different en boeiend.
Woensdag 26 juli.
Mijn communiejurkje hangt chic op het handgeschilderde houten hangertje, dat heeft Liesbeth voor me meegebracht met mijn verjaardag. Ik denk vaak aan Liesbeth, hoe zou het met haar zijn? Ze is nog net een vijftiger, meen ik, en ik weet te goed wat het decennium van 50 naar 60 teweeg kan brengen in een vrouwenlichaam en geest. We zouden altijd nog bij haar aangaan, om samen maaltijd te houden of koffie te drinken, maar op een of andere manier gebeurt dat niet, en zo is het al jaren. Wel zien we elkaar bij feesten en heilige bijeenkomsten, zo ook Gerard, onze geliefde vriend, Liesbeth’s eega. Toch blijft de vriendschap recht overeind staan, als het ware zoals mijn communiejurkje, op het mooie hangertje, dat aan de kastdeur in de gang blijft hangen, onvervroren maar met lieve herinneringen. O, het jurkje. Twee jaar geleden was ik uitgenodigd deel te nemen aan de redemptoristische priesterretraite in Zenderen, op De Zwanenhof. Ik herinner me dat het toen ook erg warm was, we zaten bijeen in de tuin en bespraken er onze idees over God en mensheid, over goddelijkheid en menselijkheid enzovoort. In de slotviering nam ieder een geliefd privaatvoorwerp mee en ik bracht mijn communiejurkje naar het altaar. Daar lag het kleinood, gehavend en wel, stuk door het leven maar heel in zijn stoffen wezentje: mijn heiligste jurkje. In de bijeenkomst, voor de aanvang van de viering, bespraken we de betekenis voor onszelf van onze voorwerpen en ik dus die van mijn jurkje, dat daar in de tuin aan een lage tak hing te zwaaien in de wind, soms viel het op de grond, stoffig. Beeld van leven, denk ik. Je valt op de grond en je bent stoffig. Je moet gekuist worden, zoals Rieke’s vriendin, de maanvrouw Maria, dit weekeinde gekuist werd op haar overgang naar haar vijftigste levensjaar. Heel bijzonder. Alle rituelen bestaan uit doordachtheid, uit vorsen en kennis. Het is overigens een gouden verhaal dat Rieke me aanreikte over de ceremonies van Maria & Mark, met wie ze zich heeft verbonden op de eerste dag van haar vijftigste levensjaar. Mooie wicca’s, mooie mensen, gelukkig dat ze bestaan, ze leven vanuit een oerreligie, ze zijn natuurvorsers en innige gevoelsmensen. Het gaat om het respect. Het gaat altijd om het respectvol omgaan met elkaar, of je nou christen bent of wicca, moslim of heiden, boeddhist of quaker, je moet en niet te vergeten, je mág de handen in elkaar slaan en samengaan, het kán en het móét kunnen. Wie ben je wel te denken dat jouw geloof het ware is, dat jouw geloof het enige geloof is dat bestaansrecht heeft? Onze God is 1 persoon maar pluriform van aard waar het zijn mensdom betreft. Godsdiensten bepalen zich volgens de geboortestreek, zoals de rassen verschillen van kleur en gewoontes door de geboortestreek. Logisch toch? Jezus is er vast en zeker voor alle mensen, maar zijn medegangers zoals Mohammed en Boeddha, beiden ook niet gering en zeer heilig, eveneens. Je moet het willen zien, durven zien en kunnen ervaren. Je moet het in je toelaten, het is een heilig feit en de enige manier om tot eenheid in de wereld te komen: samengaan in vrede, samen bidden, samen werken, samen zijn. Pluriform. Wij met onze priesters onder onze paus, zij met hun leraren, de imams en de monniken van hoog tot laag. We hoeven elkaars godsdienst niet aan te nemen, we moeten wel elkáár aannemen. Je kunt de ander nooit afwijzen om zijn religie, behalve als het satanische religie behelst, dan zeg je nee. En terecht. Het slechte in de wereld mag nooit worden gevoed noch aangehangen. Het slechte moet worden geweerd, maar nooit het goede, dat de meeste religies gegarandeerd in zich dragen, de religies die van God zijn, en dus van zijn hemel.
Wat het communiejurkje op het hangertje van Liesbeth Benders vandaag aan gedachten teweegbracht, zeg! Gedachten die de hoop aanwakkeren, de hoop op eenheid en op vrede. Maar ja, die vrede is ver te zoeken. Het Midden-Oosten is een brandhaard, het vecht elkaar kapot. Ik vrees voor WO III. En Amerika toont zich momenteel te mooi, te zoetsappig, de wereld moet daarom extra alert zijn. Het is allemaal zeer dreigend, zéér dreigend. Je kunt er niet omheen.
Ik wil tere ere van de vijftigste verjaardag van Maria haar mijn gedicht offreren dat ik spontaan bij haar vond passen, met nog mijn allerbeste wensen voor haar verjaardag, haar nieuwe jaar, haar nieuwe geboorte:

~
De klaproos en de korenbloem
de gouden aar en de lupine
de lelie en de leeuwenbek
de ridderspoor, de akelei
het kruidgewas, het halmgras
rondomheen het mensenkind
dat dromend in Gods liefde
nog geloven mag
met hart
met ziel
bij aardegrond
vanwaar de bloemen zijn geplukt
alwaar het leven is ontstaan
en waar haar voeten stappen gaan
over wegen en die weg
van hoop en grenzeloos verlangen
Zonder angst en onbevangen
klemt zij zich in ene krans
en houden bloemen haar gevangen
~
Droom, ja droom maar mensenkind
en laat je wiegen door jouw God
die jou omarmd heeft
met zijn krans; spring op en dans
en neem je krans en tooi je
hoofd voor hem; en maak je mooi
voor hem; jij kleine bruid van God
je zult je wegen gaan en eenmaal
zal een laatste krans van bloemen
met je gaan; voortgegaan je weg gegaan;
dan zal jij voor jouw Gode staan
slaapdromend opgetild uit dood
bevrijd naar hemellicht
~
Droom, ja droom maar mensenkind.
(© 1997. Uit: Witte koekoek en roomse kamille, Ine Verhoeven)
![]()
19:30 uur. De avond is gevallen, de zon staat laag en het blijft heet. In het land van Maas en Waal was het vanmiddag verkwikkend genoeg, we voeren met het pontje over bij Megen naar Appeltern en reden naar Moeke Mooren om er thee te drinken. Op het terras was het ginnegappen, er lunchte een koppel met Burberrycaps, potsierlijk genoeg, en vóór ons zat een stel dat precies op George & Mildred leek, ongelofelijke overeenkomsten: hij had hetzelfde profiel, kaal kopje en stijf nekje, zij had hetzelfde paardengebit, dezelfde neusvorm, dezelfde bouw, a.h.w. waren ze van dezelfde snit. Ik heb beiden bij hun vertrek nagekeken van verbazing en de conclusie bleef staan: sprekend. Zouden ze dat zelf doorhebben? Hebben anderen het ooit tegen hen gezegd? Ze waren het toch niet? Nee, daarvoor was dit stel nog te jong.
Toen kwam er een verwend nest aan, ze ging met een macho naast ons zitten. Het was heerlijk rustig op het terras aan het water, zo in de middag in de hitte onder de parasol en bij de ijsthee. Het nest zei tegen de serveerster: Zet wat muziek op. De serveerster: Nu toch niet? Het nest: Jawel. De serveerster: Goed, dan muziek! En het ging van retteketetteketoverbal. Och, zo gaat het soms. En ja, we gingen toch weg.
Morgenvroeg heeft p. Frans de eucharistieviering in Catharinahof. We hebben de liturgie doorgenomen en besproken. Het zal weer mooi en goed worden, het is de dag van Titus Brandsma en enkele van diens teksten zijn in de viering verwerkt.
Titus Brandsma
Olivier en ik waren vanmorgen al vroeg naar Soeterbeeck in Ravenstein gereden. Het is een prachtig gebouw, kloosterlijk. De conferentiezalen zijn praktisch gesitueerd en architectonisch prima uitgevoerd. De tuin is mooi aangelegd, nog jong, nog vers. De Soeterbeeckse buurman is een tuinteler, of hoe noem je dat? Er staan prachtige bomen langs het pad bij diens woning, laurier en nog meer mooi groengewas. Het was allemaal de moeite van het bezichtigen waard, ondanks de hitte van heden.
![]()
Woensdag 19 juli – vrijdag 21 juli.
Het is snikheet en nog een beetje vroeg: 9:56 uur. Het is al zó benauwd dat de vogeltjes binnen moeten staan. Ze hebben een lichte douche gekregen en zitten nu braafjes mak op hun stokje rond te suffen. O zomer toch!
Soms is het goed een briefje ter memo te sparen en gemakshalve te plaatsen. Het scheelt in de moeite bij dit warme weer, want een hittegolf is het wel en dat denkt en doet niet vlot.
Goeiemorgen Philyzus,
Gisteren hebben we gevaren op de plassen van De Gouden Ham bij Appeltern. Het is hartstikke leuk bij Moeke Mooren, zoals het bijbehorende hotel-restaurant heet. Ik ben ervan opgeknapt, het was een echte zomermiddag waarvan ik niet meer wist dat het zo kon bestaan. Ik geef dit adres even door zodat jullie er ook heen kunnen gaan en ervan genieten: www.moekemooren.nl
Vanmorgen heb ik me even ingespannen en zie daar: de tussenkast is opgeruimd en netjes, iedereen mag erin kijken. Het was gewoon ongeordend, meer niet. Dus Jo hoeft niet op te komen draven met zijn professionele gereedschap inclusief de boor noch met zijn gouden handjes. Bedank je hem voor het vriendelijke aanbod? Echt heel mooi van hem!
Houd je het een beetje uit? De Nijmeegse 4-daagse is ook al over en uit: gelukkig wel, dit weer is moordend, ook voor fanatieke wandelaars enzovoort. Helaas 30 mensen in het ziekenhuis, zeker 1 in levensgevaar en 2 overleden... Nou ja zeg, waar ben je als trotse gemeente dan mee bezig?
Dus, let goed op jezelf, drink, drink, drink water vooral, en doe het kalm aan. Deal? Lieve groetjes, Inezus
![]()
Toch heb ik gisteravond het vierdaagse vuurwerk aanschouwd, het was hoog in de lucht. Het gebeurde bij de Waalbrug en het kwam in de verte boven de Wolfskuilse bomen uitgeschitterd. Het gaf me een dubbel gemoed. Er was feest en tegelijkertijd hield het vuurwerk ‘n afscheidsceremonie in, ter nagedachtenis aan de 2 overleden wandelaars, heb ik gedacht. De vogeltjes zaten geschokt in hun kooi bij alle lawaai. Het leek wel oorlog. Ik was moe van de lange vaartocht en de erg warme zomerdag, ging naar bed en sliep toch bij het stadse gedonder in. Het was maar vuurwerk.
Soms denk je: waar is God? Waar zou hij zijn? Over God raak je niet uitgedacht. In de tijd van de pluriforme goderij bestond onze God niet. Onze God is nog niet zo oud in de heel lange wereldgeschiedenis. Niet veel mensen staan daarbij stil, maar het is wel zo, wij hebben, in de tijd gezien, een nog jonge god. Je kunt er beter niet te veel over nadenken, want je valt van je geloof af als je alles weet. Denk ik. Dát heeft de orthodoxe geloofsleer tegen op de hedendaagse theologen: ze zijn niet hardnekkig gelovig te noemen, precies door de vergaarde theologische wetenschap over het begin van God in de geschiedenis van de mensheid.
Maar het weten, het op de hoogte zijn ván, is alleen al eerlijkheidshalve belangrijk genoeg. Kijk, voorheen had je goden met hun eega’s (alles volgens de gnostische overlevering), hoogverheven godinnen, maar zij zijn, kerkelijk gezien, allang als heidens afgeschaft. Interessant is dit gegeven wel. Vooral als je bedenkt dat de katholieken de maagd Maria, tegelijkertijd de moeder van God, in de plaats hebben gekregen van de godin Gaia. Tenminste, daar lijkt het veel op.
GAIA is de
oermoeder, geboren uit Chaos, het ongevormde niets voor het begin van de
tijd. Later baarde zij uit zichzelf Pontus – de oceaan – en Uranus – de
hemel, die ze tot haat echtgenoot maakte. Het huwelijk was volgens de
Griekse scheppingsmythe niet erg gelukkig. Er kwamen allerlei monsters
uit voort: de Cyclopen en Titanen, waaronder Saturnus. Titanus was zó
ontzet door de aanblik van zijn lelijke kinderen, dat hij ze verbande
naar de onderwereld – de Tartaros, diep onder de Aarde. (© Foto en tekst
ontleend aan
www.zorgdiensten.com)
De oermoeder, destijds de godin zonder mannelijke god, staat tegenover de hemels verheven vrouw en moeder aller tijden, de vrouwe van alle volkeren (vlg. Ida Peerdeman, Amsterdam), de maagd en de jonkvrouw Maria. Maria is dus de katholieke oermoeder, oervrouw, stammoeder. Als je de precieze mariale benamingen wilt weten die haar werden en worden gegeven, bekijk dan de litanie van Maria eens en je ziet de vele titels die ze door de katholieke kerk kreeg toegedicht.
Er is dus voortaan 1 hemelse god (mannelijk) en er is voortaan 1 verheven vrouw (reinheid en deugdelijkheid) die in de hemel boven alle engelen en heiligen is geplaatst (Maria). Bij de reinheid en de deugdelijkheid zie je een overeenkomst met het Victoriaanse gedachtegoed: reinheid, kuisheid, seksloosheid, en deze deugden zie je ook terug in de figuur Maria zoals ze in de loop der tijd a.h.w. kerkelijk werd geboetseerd, uitvergroot en tenslotte gedogmatiseerd. Uit welke geestessoorten zouden de mariale beelden zijn ontsproten? Misschien uit de mannengedachten die weerzin in zich koesterden tegen de vrouw? Of uit het brein van de kloosterlijke homoseksueel die geen vrouw wilde begeren noch door een vrouw begeerd wilde worden? Hoeveel heiligen kent de kerk niet die contra elke vorm van seksualiteit waren, er geen raad mee wisten en haar verguisden als groot kwaad, die haar zelfs als Gods wraak benoemden: seksualiteit zou bestaan om de (zondige) mensen ermee te straffen. Och, je kunt je dagen onverveeld vullen als je over deze dingen gaat nadenken, of erover gaat lezen. De meest verwrongen gedachten, beelden en leerstellingen zijn ontsproten uit het angstige, vaak bijgelovige en a-seksuele brein van kerkelijke heiligen. Ik noem bijvoorbeeld een Hildegard von Bingen, de abdis van het bijgeloof en de vermeende edelstenenartsenij. Wie kent niet haar ongezouten visies over de kwaliteit van de kinderen die werden geboren uit de kwaliteit van het zaad en uit de kwaliteit van de gesteltenis van de vader en de moeder? En wie kent niet haar geheiligde projecties over zwarte katten en ander onheilbrengend gedierte zoals bontgevlekt en zwart pluimvee, ruwharig of gemankeerd vee en ook nog iets over duivels kikkergedoe en muggengezift in smerige poelen en andere wateren? Ik noem hier nog maar iets simpels op. Maar ja, het is achterafdenkwerk wat ik hierover verricht, want door de eeuwen heen hebben de kwakzalverijen gefloreerd, en nóg, op de verkondigingen en theses van zulke verkapte, heilige heksen, want een abdis is een hooggeplaatste non, nietwaar? En nonnen zijn mediums net als heksen; en nonnen dragen een kap en heksen een (punt)muts. Ze staan beiderlei in verbinding met het bovennatuurlijke, met de bovennatuur, alleen is het de kunst de geesten van elkaar te kunnen onderscheiden: heb je te doen met een goede of een kwade geest? De nonnen zijn doorgaans christelijk naar de hemel georiënteerd en de heksen via de aardse krachten en machten. Maar goed, er is vrijheid in godsdienst, gelukkig maar, en hier laat ik het maar bij, het is een aardig onderwerp maar vandaag liever niet. O zomer 2006, wat ben je benauwd en warm.
Donderdag 20 juli.
En dan zit je op de vroege ochtend in de zomerhitte met je deuren en ramen wijd open, je oude angst voor onverhoeds bezoek van landlopers en ander gespuis trotserend, want je snakt naar verfrissing en het is aan de zonzijde nu al heet. Aan de hemel is het blauw geen blauw meer, er hangt een verdichtende grijswaas, alsof het weer veranderen zal. Toch schijnt de zon, te heet.
Je wilt in de zomer eropuit trekken, zeker bij stralend weer. Maar je kiest voor de lange zit in je huiskamer, die jij denkt koel te houden met een ventilator van Blokker of De Kijkshop. Je probeert het, want de benauwde atmosfeer dringt overal doorheen en de capaciteit van zo’n windwaaier is matigjes bij het warmteprobleem. Och. Met deze ultieme zomerse tekens weet je minstens waar je naar hunkert als het regent, sneeuwt of vriest. Je zou er dán minder van gaan mopperen, maar een mens vergeet het klimatologische lijden snel. Het is nooit goed, tenminste, bij velen is het nooit goed. Ik haat weerverslagen, zeker in de lift, de winkel, de stad of in het dorp. Nu bezondig ik me er zelf aan. Ik kreun digitaal de warmte weg. Was het maar waar. Ik ben geen zomerkind. Ik heb de winter lief, de herfst en ergens de lente, maar de zomer is boring, taai en vaak opdringerig. Ik kan er niet veel mee, en dat is altijd zo geweest en wel sedert mijn kindschap, zoals ik me herinneren kan. O, die bloedhitte in 1947, ik weet het nog. Ik zie en voel weer de zengende warmte hangen in de straat. Ik zie me lopen in mijn hemdje en op mijn blote voetjes. Raar eigenlijk: het is heet en je loopt op je blote voeten. Dat schroeit toch? En wat ik nog meer heel goed weet, zijn de slapeloze nachten in die oude zomer. Een kind dat niet kan slapen en vader en moeder slapen ergens ver weg, boven in het oude herenhuis. Eenzaam ben je dan. Maar je leert het wel. Het leven leer je vanzelf. Alles wat je meemaakt, heeft nut ten goede. Dat ondervind je later wel. Mooi eigenlijk: uit het lijden de troost trekken, uit het afzien de goede vrucht plukken: de vrucht van het verstaan der dingen, van het aanvaarden der dingen, van de berusting in de dingen zoals ze tot je komen.
Ik had tijdens een zomerse ontmoeting een kleine klacht over eenzaamheid tegen S. geuit, heel summier. Ik kreeg van haar onmiddellijk, zonder me verder te hebben gehoord, mijn eigen wijze lessen op mijn bordje gepresenteerd: ‘Je moet het leven nemen zoals het komt, berusten in de dingen die je overkomen.’ Goeie hemel, dacht ik, heeft ze dan helemaal níéts van zichzelf? Ik had op een aardige gedachtewisseling gehoopt, maar die sneed ze hiermee abrupt af. En Olivier vertelde, hij wílde er iets over vertellen, dat het klooster in Roeselaere zo heel erg oud is. Als een bok op een haverkist reageerde ze: Oud? En jullie hebben het daar zo goed gehad? Ik dacht dat jullie het daar zo goed hebben gehad? Kijk, en dan klap je dicht, je zegt niks meer, want het oordeel is al uitgesproken in de domheid van iemand die niet kan of niet wil luisteren naar de andere mens. Olivier bedoelde iets te vertellen over de schoonheid in de oudheid van de kloosterbouw, geen kans. Je moet wel kunnen converseren met je gezelschap en dat lukt met S. nog altijd niet, behalve als ze op haar eigen praatstoel plaatsneemt en bijvoorbeeld de middenstand doorlicht van haar dorp, de modezaken, de bloemisterij, de bakkerij, de slagerij, de winkel van de kaasboer, de supermarkt enzovoort. De tekening ontbreekt erbij, maar je zou alle informatie over V. kunnen innen bij S. Je hoeft alleen maar te luisteren naar haar monoloog. Oef. Ik ging maar een beetje wandelen, toen, terwijl O. het oninteressante relaas in details over zich heen kreeg. Dat is erg voor een intellectueel als hij, vind ik. Maar ze ziet het niet in. Als ze praat, praat ze. Ik word er nog steeds zó moe van. Zeker als je een rustige middag hebt gehad, broodnodig, en het gekrakeel vangt tóch weer aan: O ja. Ze was met familie naar Breukelen gefietst, langs de Vecht. Haar kleinkind van 5,5 heeft een zwemdiploma. Bij haar schoonzoon op de boerderij en in het boerenland zitten helemaal geen ratten, nooit iets over gehoord. Haar man vernieuwt de tuin, of liever, bestraat de binnenplaats en fabriceert er bloembakken bij; dit alles in de hitte van de zomertijd 2006. ‘Hoelang blijft dat haar zo zitten? Ga je iedere week naar de kapper? Waar? Bij welke kapper?’ Ik durf geen onderwerp aan te snijden, ze veegt het telkens weg met haar onbesuisde conclusies. En dan dat voortdurende gekopieer van alles wat ik ooit zei of schreef of deed. In de ofs zei men eens dat ze aan vereenzelviging (met mij) deed. Helaas heeft men daarin minstens een beetje gelijk. Maar goed, als ik die zwarte vlekken vergeet, was het eergisteren tóch een mooie ontmoetingsmiddag. En daar gaat het om. En niet te vergeten: ik kreeg van haar een gratis toegangskaartje voor de boot en later ook nog een aardbeienijsje op het terras van Moeke Mooren, een naam die ze hardnekkig als Mieke Morre bleef uitspreken, ondanks het veelvoudige vlaggengewapper rondom het hotel-restaurant met de naam Moeke Mooren erop, ondanks de uitleg van de bootgids dat de naam Hanneke Mooren later Moeke Mooren is geworden. S. bleef Mieke Morre zeggen. Ik snap dat dan weer niet. Maar het was een mooie middag. Ik ben dankbaar genoeg. Amen.
Buur en webmaster Frans en zijn eega Marianne zijn naar Engeland gevaren. Er kwam vandaag een kaart binnen uit Cockington (= Hanenstijn? I.V.), een Engels plaatsje waar je als Englandminder van droomt, denk ik.
Zo hebben wij, Nederlanders, onze typische folkloreplaatsjes in Drenthe en Friesland en Groningen en Utrecht en feitelijk in het hele land. Ik zag op tv Amsterdam, gezien door de ogen van buitenlandse toeristen: een heel aparte stad, uniek in zijn soort en nergens ter wereld terug te vinden qua bouw en structuur. De meeste mensen zijn erdoor geïmponeerd, ik kan het me voorstellen. Eigenlijk is elke plek op aarde uniek. Zoals Etty Hillesum het beschreef, moet men zich thuis voelen op elke plek onder de hemel, dus overal. Dat onderschrijf ik. Maar het te doen, is iets anders dan het te vinden en te onderschrijven. Praktijk en theorie zijn differenties.
Vrijdag 21 juli.
Weer een warme dag. Je moet oppassen dat je niet uitgeput bent voor de ochtend goed en wel is begonnen. Gisteravond kreeg p. Frans weer een hypo, zo akelig. Hij kwam even langsgefietst voor de gezelligheid en zijn avondommetje, maar toen moest ik hem plotsklaps ‘oprapen en bijdweilen’, ja, zo heb ik het achteraf gezegd. Met een bordje vers fruit en 2 droge boterhammen kwam hij langzaamaan een beetje bij. Het is altijd weer schrikken. Best een heikel item. Een man alleen moet het maar zien te rooien met zijn tere gezondheid. Ook in het klooster sta je alleen. Wie denkt met je mee? Wie ondersteunt je, adviseert je bijvoorbeeld bij een cruciaal moment als een hypo of erger nog? In het evangelie van komende zondag staat dat we elkaar tot herder moeten zijn. Dat betekent dat je elkaar moet hoeden, moet behoeden vóór. Je kunt geestelijk wel een goede herder hebben zoals Jezus, maar je moet het herderschap zelf doen, praktiseren, uitvoeren in het leven. We moeten elkaar hoeden, behoeden voor (of tegen). Je kunt het niet alleen. We zijn kuddedieren, en dat mag. Kuddedieren met elk een kleine herder in zijn ziel. Enfin. Wij, mensen, leven ons leven en proberen zo goed mogelijk door te gaan, overeind te blijven, te leven en te laten leven. Want het leven is uniek en mooi en de moeite waard. Je zou het niet altijd zeggen, maar het is wel zo. Laus Deo. Het liep gisteravond gelukkig (weer) goed af.
Bertram stelde vandaag voor een kijkje te nemen in Appeltern, even neer te strijken op het terras aan het water bij Moeke Mooren. Maar de hitte van de middag vloert me weer. Ik sliep na het eten mijn middagdut uit en belde hem daarna op: ik blijf thuis, voor de veiligheid. De zomerzon maakt de mensen futloos. Ik heb bewondering voor de Tour De France, voor de wielrenners die bij een temperatuur van dik in de 30 graden Celsius kunnen blijven rijden, met hun beentjes blijven trappen en zich als een soort balletdansers op de fiets langs de stoet zoevende mannen manoeuvreren. Het is mooi om te zien en met het geluid van de tv uitgezet haast een onwezenlijk gebeuren: had ik het over de herder en de kudde? Een meesterstaaltje van kuddegeest en toch zeer individueel is volgens mij de Tour de France. Je moet in zo’n getrainde groep respect hebben voor je evenmens, een groot karakter, anders kun je niet meegaan, red je het niet. Och, het zal wellicht een interessant onderwerp zijn voor psychologen, denk ik. Het is al zo moeilijk in het gewone leven in goede harmonie met elkaar om te gaan, laat staan bij een warme fietstocht van een kleine maand. Ja, de Tour geeft mensen gevarieerd denkwerk mee, als je er tenminste gevoelig voor bent.
Ik ga de bloemen van de buurtjes water geven. Morgen komen ze weer terug uit Old England. Dan moeten de bloempjes hen tegemoet stralen. Anders is er geen welkom thuis. Ik heb nog een fles frisse zomerwijn, witte, die ik op hun tafel zal zetten, als een ‘blij dat jullie terug zijn’. Ik doe het graag.
![]()
Dinsdag 11 juli.
Zon, zee en strand, zo zag het blije weekeinde eruit. Maar tot nog meer vreugde leidde de tocht door het Gooi, op maandag, langs Hilversum en Loenen, van daar ging het langs de Vecht en we stopten op een goed moment, gingen aan boord en deden de Vechtse rondvaart in een specifieke, oude theeboot. Het was pittoresk als op een antiek schilderij. De kleine koepels van de theehuisjes sierden de oevers. Vogels, bloemen, struiken en watergroen, met tussen het kroos soms de witte waterlelies, o, het was er allemaal en het meeste gewas stond volop in zomerbloei. Sommige grassen oogden bleekjes, het hoge riet wuifde in de wind, zijn dikke bruine toppen stonden fier te pronk en boden tegenwicht. Watervogels zwommen met hun kleintjes rond, aasden op voer en doken onder water en hup, weer terug, de pootjes rap in de achtertrap, zo kwamen ze vooruit. O, het was een zomerdrukte van belang op de Vecht en in het Loenense land van Utrecht.
De Vecht © www.hatenboer.nl
Bij Loosdrecht dronken we koffie en thee, in die chique ambiance Z. met de veel te hoge hotelprijzen, 1 nacht logies kost er meer dan een minimum maandsalaris, wie doet zoiets nou? Over de plassen voer een enkele boot, het was niet druk op maandag. De wind woei vriendelijk met af en toe een vlaag en de zon was niet permanent aan het woord, dat gaf zalige verkoeling en nieuwe moed, de dag was lang en je wilde fit genoeg terugreizen, niet indommelen onderweg in de auto, het is uit den boze en gevaarlijk. De wegen zijn er smal, je mag over het algemeen niet harder dan 50. Bij De Bilderberg van Vinkeveen gaat de toegestane snelheid hogerop, daar kun je een heel stuk 80 rijden, bijna tot Mijdrecht, vervolgens tot Uithoorn. Het eerste stuk, ongeveer tot aan de afrit Vinkeveen, gaat tussen het kabbelende water door dat aan beide zijden van de weg de passanten in zijn volle glorie tegemoet schittert. Eigenlijk is het wel beangstigend, zo smalletjes tussen dat weidse water door te gaan. Alsof je er onverhoeds in kunt verdwijnen. Maar in de verte rijst de hoge kerktoren die daar als een majesteitelijk kenmerk het kleine, nietszeggende, voormalige turfstekersdorp een beetje aanzien geeft en jou tot teken van het veilige baken dient, wellicht.
Bij de 3 Turven legden we aan en dronken er onze verlate namiddagthee en koffie. We hebben daar in de buurt vrienden wonen. Wat zouden we doen? We reden door naar Uithoorn, brachten Margarethe een bezoek, ze was weer blij en deftig, op en top gekleed in een groene noppenjapon met zomers open halsje; we dronken gedrieën cappuccino, babbelden wat, blikten terug in de tijd, het ging vooral over vroeger maar ook over het WK voetbal 2006 en over het wielrennen van dit jaar, de Tour de France, je gelooft je oren niet, en we stuurden gedrieën een vrolijke kaart naar Veronica & Joop: Van tante Greet, heeft ze met nog strakke schrijvershand op de kaart geschreven: een kostbaar kleinood voor Veronica, die veel van haar tante Greet houdt. Ja, aan alles wordt gedacht, ook aan leven en sterven, een mens ontkomt er niet aan. Dit onnozele kaartje met de handtekening erop van de bijna negenennegentigjarige Margarethe is nu al een bijzonder erfstukje, zeker voor Veronica. En ja, het is een unicum, wie heeft dat nou? Wie wordt 99 jaar? Wie kan dan nog schrijven? Margarethe dus.
Gisteravond heb ik Sybil ontmoet. Ik vond het aanvankelijk moeizaam gaan, maar bij een glaasje witte wijn liep het gesprek wat vlotter. De vrede is getekend. Zonder illusies.
Uit Oostenrijk kwam het goede sms-bericht dat mijn geliefde 4 vakantiegangers het uitstekend maken, dat ze veel wandelen, lekker zwemmen en blij vakantie vieren in dat prachtige land van God. Toen ik in de vroege herfst van 1990 in Oostenrijk was met mijn biechtvader p. Anton heb ik zó genoten van dat robuuste maar vriendelijke land met zijn hoge wijngaarden, diepe wouden en oude burchten, met zijn rijke kloosters en typisch Oostenrijkse kerkjes. En natuurlijk genoot ik volop van mijn verblijf in Sint-Petersberg, ook al was ik er voor een dubbele begrafenis. Ja, een opus heeft toch nog veel goeds, ondanks de gestrengheid die er doorgaans heerst naar lichaam en geest. Och, je groeit aan de ervaring. Als het goed is, tenminste. Sommige mensen leren van het leven niets, of weinig. Het is dan moeilijk omgaan met zulke dommeriken die blijven steken in hun ongebaseerde gelijk, hun gemis aan educatie. Maar ja. Het leven gaat door en alles is 1. Het gaat in de wereld vooral om de vrede en gros en detail, de christelijke vredesmissie moet doorgang vinden, altijd. Het is een moeizaam proces: vrede laten bestaan. Ik zei tegen Sybil: Wat er ook gebeurt tussen mensen, de deur moet altijd op een kier staan, die mag je niet dichtgooien. Je moet de kans hebben om hoe dan ook terug te kunnen keren op je schreden. Je moet ook de ander die kans van ommekeer bieden. Anders is de missie van Jezus van Nazareth mislukt, is Zijn goede boodschap niet begrepen, is Zijn vergiffenis, vooral de vergiffenis aan het kruis uitgesproken, waardeloos. Enfin. Iedereen krijgt leertijd in zijn leven, nou ja, bijna iedereen. Het leerproces van de ander mag jouw zorg niet zijn. Alleen als hij je om raad vraagt. Ja, dan moet iedereen zorgvuldig met elkaar omgaan. Maar dat is een ander verhaal.
En de zomer duurt voort, met zon en af en toe een drup regen. Nederland, je doet het goed. Ik hoor Brokje & Kipje kwetteren, ik breng ze nu maar naar binnen, ze staan al de hele middag en de halve avond op het balkon. Vogeltjesbedtijd. Ja, ja.
![]()
Vrijdag 7 juli.
Vanochtend gepland naar Den Bosch te rijden. Maar de stofzuiger begaf het en die moest eerst worden gerepareerd, want met de vogeltjes extra in je woning kun je geen dag je stofzuiger missen. Dat werden dus 3 bezoeken aan 3 zaken om de stofzuiger van een nieuw element te voorzien. No way! Handyman stuurde me naar een adres in de Fransestraat, op nummer 75, daar zeiden 2 oudere belhamels van middelbare leeftijd dat ik een góéde stofzuiger moest kopen. De boom in, ik heb er gedurende mijn werkzame leven wel tig versleten, alle van goede merken voorzien. Dit exemplaar is goed genoeg, zuigt het stof van de vloer als een tierelier. De schobbejakken wilden me een nieuwe verkopen. Ik ging maar naar Blokker, daar hebben ze het benodigde element voor me besteld en bij V&D kocht ik een kruimeldief die me momenteel hier thuis vrolijk aanstaart, terwijl het handige dingske gezellig ligt op te laden. Ligt, ja, want om het op te hangen, heb ik een boor nodig en nee, die is hier niet. Maer alles sal regh kom. Er komt vast nog wel een heilig boorengeltje langsgefietst, zoals Olivier of Bertram, om de nodige schroeven te bevestigen. Over heilig gesproken:
7 juli is de dag van de Zoete Moeder van Den Bosch. Raar eigenlijk, dat je dat vanaf je kindschap nooit meer hebt vergeten.Als Bosschenaar staan de Bossche kenmerken in je geheugen gegrift. Die Bossche Maria is er een van. Vanochtend vertelde ik tegen p. Frans over Bossche Janus: Janus Kiep(oog). Hij is een legendarische figuur geworden, ook na zijn dood is hij een Bosch’ teken gebleven, zelfs met een standbeeld in de stad. Maar was hij wel zo’n aardige mens als hij bekend staat? Hij was, ik weet het nog goed, een fanatieke suisse in de Sint-Jan, de kinderen van destijds bleven wel op afstand, hij maakte ze bang met zijn wakend oog (hij had er maar 1, en hij vertegenwoordigde a.h.w. het wakende oog van God dat daar hoog in de gewelven van de kathedraal met een blauwe blik naar het godsvolk keek, het begluurde op fouten en zonden). Janus deed dus Gods werk op aarde, zou je kunnen zeggen. Ik vond hem geen aardige man, wel een akelige, grauwe gruwel en een drukke aandachttrekker met erg veel praatjes, o zielig genoeg, dat oog, maar Janus schopte het er ver mee en ook met zijn grote mond. Janus vertegenwoordigde a.h.w. als levend monument alle volkse evenementen in Den Bosch, ik denk, achteraf, ook als een soort mascotte. Ik zie hem nog op zijn bakfietsje door Den Bosch rijden, zijn hondje stond pront voorop. Ja, dat hondje paste bij Janus. Het was al net zo bont als zijn baasje. Nee, Janus heeft nooit mijn hart kunnen stelen, wel mijn angst aangewakkerd, terecht of niet. Maar kinderen behoren opvoedkundig gezien een frisse kijk op de wereld en het mensdom te hebben zolang ze kind zijn en kattenkwaad mag worden bestraft, maar daar hoef je geen griezel voor in te huren of er specifiek een voor aan te stellen. Enfin. Tegenwoordig maak je de kinderen niets meer wijs, eerder andersom, zij maken jóú wijs. Och. Ik ben er toch wel gekomen, hoe dan ook, maar ik weet wat angst is en hoeveel invloed bepaalde mensen op het angstgehalte van een kind kunnen hebben. Fout, zeg ik, helemaal fout. Nee, grote pedagogen heb ik nooit ontmoet in mijn jonge tijd, en ik vraag me af of ze er momenteel wél zijn. Alles is zó relatief, ook het ambt of de professie, het beroep van mensen, ongeacht. Je hebt altijd daadwerkelijk met mensen te maken, mensen die het ook allemaal niet wisten en eerst intensief de boeken moesten raadplegen om tot een correcte visie te kunnen komen. Mijn moedertje had gelijk, ze zei het altijd: Och, alles komt uit de boeken, zélf weten ze niks. En mijn dochter zei na het behalen van haar bul, dat het geen heilig unicum is je een prachtig beroep te verwerven, maar eerder de rationele daad van een studie afmaken, waardoor je op het pad wordt gezet naar de wijsheid om het vak, het werk dat eraan vastzit, goed uit te voeren. Nou ja, zoiets dan.
Het is echt vervelend warm. Broeierig, je wordt er klam van en moe, heel moe. Je raakt jezelf a.h.w. kwijt en wat wil je doen met die hitte? Mijn voeten doen weer zeer, ik beweeg me weer stroef en mijn balkon is te klein om het zomerse klimaat te waarderen. Maar ik klaag niet. Het wordt vanzelf weer Kerstmis. Met sneeuw en zo. Of niet.
![]()
Dinsdag 4 juli.
Met vreugde in De Hilver geweest. Ik schrijf hier enkele memorabilia neer.
Sint Petruskerk Hilvarenbeek (© Internet)
Nono van In den Bockenreijder heeft gisteravond alle koekjes opgegeten, hij is een 35-jarige heer van het niet adellijke geslacht Ezel. Hij sjokte langs de gasten die een rustige zomeravond hielden op het landgoed. Bertram en ik keken naar hem, maar ook naar de mussen die er vrolijk en talrijk rondvlogen en hipten en de kruimels oppikten. Kleine schuwtjes zijn die vogeltjes. Altijd op hun hoede, altijd klaar om weg te vluchten. Schuwe zieltjes in vederen kledij. Een zwart-wit gevlekt hondje struinde onverhoeds rond en kaapte rap de kruimels van de grond weg, vlak voor hun begerige snaveltjes. Was er slechts een geringe buit, de kleine hond was daar de baas en vrat alle gekruimel dominant slokkerig op. Alles interessant genoeg om gade te slaan.
Vanwege het gezondheidsdieet en mijn verstandige digitale lidmaatschap van De Gewichtkijkers bleven onze koekjes bij de koffie en de thee liggen. Ik sprak de gestaag naderende ezel zachtjes toe, hield hem wat koekbrokjes voor. Wat ik hoopte, gebeurde: Nono at uit mijn hand. Hij werd steeds vrijer, pikte het theezakje van de tafel, de suiker ging naar binnen en smakslurp twee kuipjes koffieroom - ik had hem een handje geholpen, want de kuipjes inslikken, leek me ook voor een oude ezel geen goed idee. Het was hilarisch. En mooi en vredevol. De mensen en de dieren konden elkaar goed velen. Dat is toch het paradijs? Een mens kan zich laven aan vrede en lievigheid. Je kunt er niet genoeg van krijgen, teruggeven, doorgeven en beleven. Mensen hebben elkaar nodig. Heel de schepping van de levende wezens heeft elkaar nodig. We moeten leven in harmonie. Met elkaar, met allen.
Leven in harmonie? Maandagochtend reden we naar Postel. De zomer zinderde langs de wegen, tussen het volgroeide loof en over de rustieke weilanden. We zagen paarden en pony’s, her en der enkele koeien, niet veel meer vergeleken met vroegere tijden toen het zwartbontvee en het roodbontvee het weidse boerenland karakteriseerden en daarmee voor de toekomst de pittoreske Hollandse herinnering bepaalden. Maar het was een bijzondere rit. In Postel reed ik de auto voor de abdijwinkel en kocht er versgebakken krentenbrood, volkorenbrood en speltbrood, dat laatste is gebakken naar een recept van Hildegard von Bingen. Het Postelse abdijbrood is heus verrukkelijk. Ons bezoek even later aan De Beiaard was van een gezegende ontspanning, we zaten aan de rand van de brede beek, die langs het terras stroomt, en lepelden keuvelend yoghurt uit een hoog glas. Soms was het stil. We zaten, keken, dronken wat en waren tevreden en geheel in evenwicht. Het is zomer en we voelden het, zagen het, ervoeren het. Alles rondom leek in harmonie. Bertram zei later dat expliciet déze ochtend in Postel zo sereen was. We hadden de prachtige, oude abdij aangedaan, de abdijkerk betreden, bij Onze Lieve Vrouw van Postel kaarsjes gebrand voor onze lieve mensen én ik heb nog een blauwe Mariakaars gekocht. Ik wist toen nog niet dat ik dit mariale lichtje de volgende dag van harte aan Veronica zou geven. We zijn in de abdijse kruidentuin gegaan, daar stond nog veel, geurig kruid in zomerse bloei. Ik zag ook de wolverlei - het valkruid - nog net genoeg in zijn gele glorie staan om te kunnen bewonderen. Het was leuk, want het is de bloem waar dit appartementencomplex naar is genoemd: Wolverlei. Enfin. Het was even goed toeven in België.
Met Veronica & Joop hadden we maandagmiddag afgesproken op het landgoed In den Bockenreijder. We hebben er geluncht onder de hoge schaduwbomen ter linkerzijde. Het was er heerlijk koel. We hadden het gevieren goed en we gingen later in de middag eensgezind naar Hilvarenbeek om het samenzijn bij een high tea voort te zetten. Het was gezellig, zo met viertjes, en zéér Brabants. Ja. En gisteravond kwam dus ezel Nono bij me langs gewandeld toen we een zomers afzakkertje In den Bockenreijder namen. Wat kan een mens in alle eenvoud rijk zitten te zijn! Laus Deo. En nu ben ik moe. De terugrit naar N. was loom makend vanwege de hitte. Maar Bertram is weer veilig thuis en ik ben ook weer op mijn bestemming. De vogeltjes kwetteren en kennelijk hebben ze zich deze dagen in hun uppie thuis goed vermaakt. De bloemen stonden grotendeels op apengapen, het is ook zo heet, maar nu zijn ze weer stralend opgefleurd, ik heb ze dorstlessend water gegeven.
Vanochtend zijn we huiswaarts gegaan, maar hebben eerst nog de blauwe kaars naar Veronica gebracht. Ze zijn zo’n lieverds, die 2! En hun tuin is een hof van allerlei bloemen, planten, ‘n vijver met vissen; het is ook een landje vol vruchten, kersen, appels, peren en wat nog meer! De oléander en de ananas ontbreken er niet, noch de verschillende, bloeiende vetplantjes met hun roze en witte bloempjes; en er is naast een blije tuinkabouter ook nog een fluitend konijn te zien: wat hebben we gelachen met dat klikkertje!
Joops volière is een lust voor het oog, maar misschien meer nog voor het oor: ik heb zó genoten van die vogels, en last but not least van de lijster. Hij zong en hij zong. Om dat lijstergezang te horen, daar word je stil van en heel blij. Ik ben rijk met Veronica en wijs met Joop. Laus Deo. Amen. Het was te veel om op te noemen, maar de dagen waren genadevol en dat stemt een mens als ik dankbaar. Ter memo: de kinderen gaan eind van de week op vakantie. We hebben in De Hilver alvast met een etentje de vakantie ingeluid. Het is de zorg van elke groot/ouder: ik bid voor een veilige reis vice versa en wens hun een heerlijke tijd. Met liefs!
Zondag 2 juli.
En dan is het nacht en je zit buiten in de zwoelte van de julizomer, met af en toe een zweem verkoeling van een lichte bries die liefelijk aandoet. O zomer met je verlokkingen, je zucht naar de herinnering van nachten vol lief. O zomer, wat maak je een mensenkind gedwee; hunkerend naar wat helemaal niet bestaan kan: het aards paradijs met vogels en vlinders en bomen en vruchten en bloemen en planten en altijd vrede onder de schepselen, de mensen, de dieren. O zomer, wat doe je me aan?
In de vroege ochtend:
Straks gaan we naar De Hilver, Bertram en ik. Donna komt voorlopig niet terug uit Groningen, ze zit er zomers goed bij haar vrienden de kunstenaars. O, en ik sprak gisteren nog met Rieke. Ze stuurde te gekke foto’s door, het is allemaal publicabel, ik plaats er 1 van, die met Chantal en Kelly, Moa en Rieke. Kijk maar:
Chantal en Kelly, Moa en Rieke met het HondenGoedkeuringsRapport.
Zaterdag 1 juli.
Het is warm, de zon schijnt optimaal, het decor van straat en huizen weerspiegelt trillend in het zonlicht. Zomer. De vogelkooi staat op het balkon met een beschermend dakje van kussensloop voor de 2 weerloze vederzieltjes die er wonen; ze zijn veroordeeld tot levenslange gevangenschap. Maar ze hebben het goed bij me. Ze mogen vaak los, ze mogen vaak rondvliegen in huis zodat ze zich van tijd tot tijd vrij kunnen voelen. En zo denk je voor je dieren, probeer je met ze mee te denken, of liever, probeer je te denken in plaats ván. Want meedenken lijkt me toch wat stug. Hoe kun je immers meedenken met ’n vogeltje? Enfin. Het is dus zomer. De balkonbloemen staan er wat verkleurd bij, ze zuchten om water, hun aarde droogt snel op, is vlug verzadigd. Zomer en water. Ze gaan samen, kunnen niet zonder elkaar. De zomer soupeert a.h.w. het vochtgehalte op. Want alles wat zomert, wil ook leven. En alles behoeft water, alles en iedereen, wij, afhankelijke mensen, ook. Ja, zomer en water betekenen niet alleen zwem- en vaarfestijnen maar ook droogte en dorstigheid. O natuur, je bent geweldig: in paradox.
Vrijdagavond 30 juni.
Bedroefd ben ik door het gevallen kabinet. Maar de enige zal ik hierin niet zijn. En wat denk je? Gaat de SP afdeling Nijmegen morgen een of andere feestelijke picknick houden in de stad! Om de val van het kabinet te vieren! Het is feest, zeggen zij van de SP. In wat voor land leven we nou toch? Staat Jan Marijnissen hier wel achter? Ik ben een SP-mens, maar dit is een reactie die niet deugt, het lijkt wel oorlogstijd! Het land wordt bevrijd, maar waarvan? Nee, dit deugt echt niet. De héle politieke poppenkast rond Ayaan Hirschi Ali en minister Verdonk deugde en deugt trouwens niet. Je moet als minister je land kunnen regeren zoals het hoort, zoals de wet het voorschrijft. Ze heeft niets verkeerd gedaan, ze heeft wel degelijk en goed gehandeld. Rita Verdonk is gelukkig een sterke vrouw, lijkt me. Ik ben verbijsterd over deze politieke onkiesheid in een land als het onze. Het is (bijna) niet te geloven, niet te bevatten. Een grote afgang is het voor de regering van dit land, maar ook voor de Nederlanders, het zogeheten volk. Is er ministerieel geen andere zorg te doen dan deze? Wat een luxeprobleem! Gewoon schandalig.
En nog dit: Ayaan Hirschi Ali heeft gelogen en hierdoor is aanvankelijk het hele theater gecreëerd. Was het nodig om via de media aan het Nederlandse publiek te vertellen dat ze met leugens en vervalsing het land is binnengekomen? Zij wist toch wel dat ze daarmee de knuppel in het oer-Hollandse hoenderhok zou gooien? Het gekakel was dan ook niet van de lucht. Nee. Ik wist niet wat ik hoorde gedurende al die lange, en nachtelijke, debatten. Ik dacht: Zijn dit onze regenten? Moeten we het van zulke zwetsers hebben? Beheren zíj de vrede en de landsveiligheid? Het lijkt wel een stel opgeschoten scholieren, van die kwajongens die machtstrijdje spelen en de ander van harte vellen. Wat een kleuterschoolniveau en wat 'n muggenzifters, daar in het intellectuele regeringscircuit Den Haag. Over D66 zwijg ik liever, behalve nog dit: D66 moet naar huis, niet het kabinet Balkenende. Enfin, we zien wel wat de koningin gaat besluiten. Het zal de genadeslag zijn.
Richtingaangevend…
Het toont een heerlijk vooruitzicht, dit verkeersbord. Het staat in een mooi land van dreven, groen weiland en bossen, van moerassen en kurkdroge golfbanen, van herenhuizen en piepkleine boerderijtjes, van recreatie en heiligheid, van kerk en kapel. Het staat in Brabant. En daar ga ik - Deo volente - zondagmiddag naartoe. Ik kan me nu al verheugen.
![]()
Vrijdag 30 juni.
Wat zul je je hoofd en je ziel afmatten met denkbeelden en vragen over vroeger? Terugblikken is vermoeiend, niet echt verheugend noch opwekkend, terugblikken roept heimwee op, gemis, en ook nogal eens verdriet. Phily wil nog wel eens in het verleden duiken. Als dan de leuke dingen worden opgehaald, is het gezellig, maar de confronterende dingen, die ook bestaan, maken ziel en zaligheid aan het wankelen, wekken onmacht en onvermogen, maken je klein wegens gebrek aan tastbaar tegenbewijs, bij mij althans. Ik bedenk dat menselijkerwijs te vaak de memories - hoe dan ook - worden uitvergroot, dat er geen heldere kijk op gebeurtenissen van (heel) vroeger (meer) mogelijk is, dat een momentopname a.h.w. wordt gelijkgesteld aan de eeuwigheid. Het gedachteplaatje is dan onwrikbaar belangrijk geworden waardoor de heuse waarde ervan wordt overtrokken, waardoor de tijd gewoon blijft stilstaan bij een vergankelijk feitje (bijvoorbeeld bij een foto). Er is bij terugblikken op lang geleden vaak sprake van een soort gefixeerdheid op de vermeende bevindingen van destijds, het hoeft niet allemaal waar te zijn wát en hóé je alles toen hebt ervaren. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de resultaten van vele getuigenverklaringen bij rechtspraken: ze blijken onbetrouwbaar. Het gezichtsveld, de visie, het fotografische geheugen wisselt en wankelt dus. Wat zag je precies als getuige, wat was de exacte kleur, regende het of scheen de zon, was die auto rood of groen? En zo kun je doorgaan met de onzekerheden die komen kijken bij het afleggen van een getuigenverklaring, ik stel het hier maar even primitief. Zelf heb ik in de rechtbank bij rechtszaken vaak met stijgende verbazing (of met ontzetting) de valse verklaringen onder ede aanhoord, en ik signaleerde daarbij dat de gehoorde in zijn eigen verklaringen geloofde, ook al waren het verklaringen die compleet uit de lucht waren gegrepen. Hoe analyseer je een dergelijk gedrag, zulke getuigenis? Ik ben geen analytisch psycholoog. Wel een verbaasd mens dat redelijk tot goed kan denken en de moraal kent. Ach ja, de verbazing zal altijd bestaan, zeker als je een mens bent van diep nadenken, van de waarheid benaderen en van eerlijk spel. S. bijvoorbeeld kan zich ook zo vergalopperen aan kleine en grote(re) onwaarheden; aan doorzichtig gedraai met de feiten. Dat wekt nog steeds mijn woede, want liegen velt vriendschappen, verwoest zelfs de kans op een normale omgang met mensen. Met leugenaars kun je niet samengaan, je komt niet verder dan je van hen afwenden en/of onwaardig geruzie. Het doet pijn. Aanvankelijk ben je verbaasd, dan ontgoocheld. Je schrikt niet van de leugen zelf maar van de leugenaar die glashard durft liegen. En het erge is: het komt niet meer goed, want je kunt niet meer vertrouwen noch bouwen op die ander. Je blijft alleen achter mét de resultaten van andermans verraad, want dát betekent liegen tegen iemand die jou vertrouwt: je hebt iemand verraden, je hebt het vertrouwen geschaad.
Maar terug naar vandaag: ik denk dat het beter is voorzichtig vooruit te kijken dan halsstarrig achterom te blijven zien, want zoals het bijbels gebeurde met de vrouw van Job, verandert het achteromkijken je denkbeeldig in een zoutpilaar, in een onnutte mens die vandaag niets meer te beleven noch te betekenen heeft, want je leeft in de tijd van voorbij, je herhaalt het verleden en vergeet vandaag de dag de schoonheid te ervaren die jou - om niet - toevalt. Het verleden, daar kun je als mens van leren, maar je moet er niet mee leven, niet alsof vroeger vandaag nog is. Je moet aan het voorbije leven rijpen en in de tijd van ouder geworden zijn de vruchten ervan oogsten. Ja, dit is mijn gedachtegang op deze vroege, zonnige vrijdagmorgen.
Donna. Ze is vandaag naar Groningen vertrokken, naar Nieuw-Beerta. Denkelijk is de jetlag voorbij. Fris en monter klonk haar stem door de telefoon: Hello Ine. You want to travel with me today? I go by train to Groningen! I like to see my friends the artists, the 2 painters. Do you come with me? Maar ik kan vandaag niet wegens mijn eigen vermoeidheid. Al heb ik niet 36 uren achtereen gevlogen, ik zit al te vaak met een jetlag: werkelijk een mooi vergelijk. Ik zal nog foto’s maken met Donna, de trip door het land gaat door, deze zomer. À propos: ik plaats een fotootje ter memo aan Thea’s 83ste verjaardag op 28 juni:
Ine, Muck, Thea, Moa, Rieke en emeritus pastor Boddeke.
Wat liegen en fictie toepassen betreft: bijvoorbeeld voor de schrijver van een boek bestaat de vrijheid van de schrijver. Een schrijver hoeft in een roman geen waarheidsgetrouw journalistiek verslag te maken. Een schrijver probeert de werkelijkheid veelal in fictief literair werk te vangen, een situatie te verromantiseren, en hij gebruikt daarbij zijn verbeeldingskracht. Een boek hoeft geen afspiegeling van de precieze waarheid te zijn; gelukkig is de fictie in onze cultuur vrijelijk toegestaan, anders kun je als schrijver, als dichter niet schrijven, niet dichten. Ik noteer dit eerlijkheidshalve vanwege mijn eerdere these over liegen.
Er is muziek op de schoolplaats wegens schoolfeest ten afscheid voor de vakantie. Het is een bonte dag, heel aardig en kleurrijk om te horen en te beschouwen: de jeugd heeft de toekomst. Gelukkig is de muziek niet hot.
Vandaag ga ik de kleinzoons vragen of ze over zijn. Vanavond even opbellen, niet vergeten. De schatten!
![]()
Woensdag 28 juni.
We gaan naar De Hilver: Bertram, Donna! en ik. We willen, het was vooraf gepland, gedrieën in Nederland met vakantie gaan. Donna arriveerde gisteren met het vliegtuig op Schiphol, ze kwam gevlogen vanuit Tokoroa/Auckland, Nieuw-Zeeland. Ze is een lieve, hartelijke nicht van moeders kant van Bertram. Momenteel slaapt ze in Bertrams logeerkamer haar jetlag weg. Dat is maar te hopen. Ze zal misschien een paar dagen ‘fout’ wakker zijn in de nacht en slapen overdag. Dat betekent ook dat ze zal eten op de raarste tijden. Ze zou nu gelijk een adellijke jonkvrouw kunnen spreken van souperen, want dat doe je expliciet midden in de nacht. Kijk aan, ook dát curiositeitje heb je met een jetlag. Is niet bijna alles aantrekkelijk in het leven? Zelfs een jetlag heeft leuke kanten.
Maar geloof me, het zal goed toeven zijn in De Hilver. Ik was er onlangs op een zaterdagmorgen nog met Olivier naartoe gereden. Bertram werd toen natuurlijk razend nieuwsgierig, goeie Bertram, hij is van het gesternte Weegschaal/Schorpioen (dus precies jarig op de tijdsplitsing). Er zijn opmerkelijk veel Weegschalen in mijn leven, ik ben de tel kwijt, maar ook veel Watermannen kruisen mijn pad. Beide beelden zijn prima beelden, ten minste voor mij als Ram.
’n kleine Ram
Enfin. Het belooft alsnog een mooie zomer te worden, met of zonder zon. Och, het maakt me niet veel uit, elk weertype is okay. Het weer kan me nauwelijks beïnvloeden, geloof ik. O ja, ik ben een tevreden mens. Momenteel schijnt de zon en de nieuwe, jonge dag ziet er, bij het naar buiten blikken, rooskleurig uit. Albert. was al vroeg gekomen en de provisiekast is weer gevuld. Donna kan derhalve straks op bezoek komen.
Van Rieke kreeg ik een schattige foto, die ik hier echt wil plaatsen. De kleine prinses is Kelly (ik noem haar Lady Little Blue). Ze was rechtstreeks uit Parijs naar Rieke gekomen. De 3 hondjes Paddy, Moa en Muck poseren met haar mee voor de officiële statiefoto in de digitale media.
Kelly, Paddy, Moa & Muck
Als ik het goed zie, is deze foto genomen in de hondenspeelkamer die gelegen is in de linkervleugel van Rieke’s Engelse landhuis aan de Oude Spoorlaan. Het is een reuze romantisch plaatje.
Sybil liet weten dat ze volgende week een bezoek wil brengen aan modehuisje Bravour in Grave. Ik was onlangs in mijn modehuis in Nistelrode en kocht er o.a. een dijk van een pak, compleet met ‘n linnen hesje met kanten bovenstuk. Het gaat goed op mijn weegschaal, vandaar.
Als ik de foto van Kelly en de hondjes bekijk, zie ik dat Moa en Muck krullen in hun flaporen hebben, schattig zeg! Allemaal krullen van Moeder Natuur. Ik vernam van Rieke dat Paddy intussen een goed keuringsrapport kreeg. Ons mijnheertje is goed van uiterlijk en goed van gedrag. Hij is dus met glans over naar de Grote Beestenschool. Ik zal hem graag volgen op zijn Paddypad.
Vandaag is Thea jarig. Het is echt een mooie dag om jarig te zijn, denk ik. Er is het zomerzonnetje, ‘n zacht briesje, haar lieve dochter en straks komt er vast en zeker nog fijn bezoek. Je moet het leven kleur geven, alle dagen van je leven. Dat het niet altijd meevalt, geldt voor iedereen, gewoon omdat niets vanzelf gaat, je moet er voortdurend moeite voor doen. Maar is het niet heerlijk lieve vrienden te hebben, te weten dat ze er zijn? Ik ben er blij mee. Een mens moet niet nadrukkelijk alleen zijn, dat is niet goed. Af en toe moet je in de ogen van de ander kunnen kijken en een goed gesprek hebben met elkaar. Goede communicatie doet wonderen, geeft moed en (nieuwe) vreugde. Meer heb je niet nodig: moed en vreugde.
Ga er maar aan staan en houd het maar vol! Het is het pogen waard. Het leven wisselt met momenten.
Je kunt niet vooruitblikken, wel achterom. Maar daar zit niet altijd vreugde aan vast. En zo is het leven. Laus Deo, zeg ik erbij, en dat is dan mijn kleinste ochtendgebed. Amen.
![]()
Zaterdag 24 juni.
Je kunt er lang en breed over nadenken of praten, maar de junimaand is opmerkelijk rijk aan bloemen, struiken, bomen en nog veel meer soorten gewas. De junimaand is toch de zomermaand bij uitstek. Gisteren zag ik langs de wegen alweer de verkleuring van de grassen, de vergeling van het grasland. Ik dacht: Dat gaat hard naar juli toe. Ik schreef eens een zomergedicht dat me dierbaar is, het geschetste vers geschiedde in de julimaand. Er kwam eens een opmerking van Karel op. Hij dacht dat ik a.h.w. een impressionistisch schilderij had beschreven. Het lijkt erop. De werkelijkheid kun je ook met woorden verbeelden, denk ik. Zo zijn veel gedichten toch ook gemaakt? Als kleine schilderijen? Dan krijg je een abstracte uitbeelding in het woordvers. Of een scala aan schone dingen op regels en papier. Ik plaats hier mijn met liefde verwoorde impressies ter memo. Binnenkort zet ik mijn bundel De muren hebben armen (1998) op de homepage. Het kleinood is niet meer voorradig, vandaar.
![]()
Honderd rozen jong en die dans
Honderd kleine wilde rozen jong
staan beperkt volop te geuren
en kleuren de straat rozerood
De kerk rijst majesteitelijk
boven de huizen uit en dringt
zich penetrant naar de hemel
Twee herenhuizen leunen scheef
tegen elkaar en lachen met even
scheve monden, waarin de mannen
met honden verdwijnen, en ’n kat
Ganzen hebben Rome gered en met
oude harten dansen twee mensen
jonge passen in het rond en op
het plein, waar grasjes groeien
Nergens wordt onweer verwacht
en op de houten plankenbankjes
zitten zij neer en rusten tot
alles lichter wordt om te dragen
en verder te gaan in dag en nacht
Zo heeft de wilde roos de straat
versierd en een kloostermuur
staat fier in grijs en onbevlekt
Een priester heeft een hart gekust
en de kleine rozen leven, en sterven
als honderd grote mensen aan elkaar
Wie wil er met de veerman dansen?
Nergens staan antwoorden klaar op
vragen – ze zijn er niet – en
alles gaat door en niemand ziet om
Wie wil er met de veerman dansen?
De eeuwenoude stenen dragen voeten
Ook klanken sterven – weg
Maar die ene dans blijft jong, jong.
© Ine Verhoeven, Ravenstein zomer 1998.
![]()
Gisteren kwam per post een getekende briefkaart binnen van mijn jongste kleinzoon Flemming, wat was ik blij! Hij schreef lief, wenste me een fijne vakantie toe én een léúke vakantie. Wat wil ik meer? De illustratie was met potlood getekend en ingekleurd, de tekst was ook met potlood geschreven. Schattig. Een lieve memo aan hem, mijn kleine koning. Want al mijn kinderen heb ik hoog. Je moet je kinderen koninklijk behandelen, zodat zij mooie mensen worden, gave mensen die de wereld behoeden en beschaven zoals het is bedoeld. Je moet je kinderen tot edelen maken. Het is je minimale ouderplicht.
Flemming juni 2006
Wie zijn kind niet hoog heeft, is arm. Wie zijn kind niet optilt, is arm. Wie zijn kind niet liefheeft, is arm. Wie zijn kind niet het allerbeste gunt, is een arme egoïst. Het is een bijbels thema. Wie geeft zijn kind stenen voor brood als het honger heeft? Geen vader, geen moeder. Maar je hebt overal mensen voor. Je mag bebidden dat de ouders van vandaag een hart hebben dat vooral klopt met de zorg en de liefde voor hun kind. Je kind. Je kunt er niet zuinig genoeg op zijn. Maar je zuinigheid moet met respect en waardering gepaard gaan, onverkort. Jij hebt je kind op de wereld gezet, niet andersom. Jij bent verantwoordelijk voor je kind, niet andersom. Ik ben hier streng in. Je kind gaat vóór jou. Het vergt je respect, wát het ook besluit in zijn leven. Je zult je kind beminnen. En dat doe je ook. Daar ben je immers ouder(s) voor. Dat zit ín je, dat bén je: je hebt je kinderen lief.
Vrijdag 23 juni.
Vandaag is een heerlijke zomerdag. De herinnering aan gistermiddag werkt eraan mee. Ik heb aangenaam bezoek mogen ontvangen. Het was knus en herkenbaar met Phily, Jo en Frans. Het slotdineetje met de witte, zoete wijn smaakte ouderwets, deed denken aan vroeger, al kan ik niet aanwijzen welke fase ik precies bedoel: mijn vroege jeugdtijd of mijn ‘zomertijd’? Enfin. Het gaat erom dat we empathisch met elkaar waren, luisterden en elkaar goede raad gaven; en we keken naar GTST. Daar zaten we, 4 oudjes op een rijtje die een populaire Nederlandse soap bezagen. En dan de vragen die zijn gerezen. Zou Ludo worden omgebracht? Trouwt Dian met Ronald? Oh nee, hij gaat dóód! Wat nu? … Allemaal leegte en toch weer niet. Er zit opvallend genoeg een psychologische opbouw in de verhaallijn. Je ziet er donders veel levensechtheid in terug. Een soapserie is gelijk een extra lang levenslied, denk ik: ze is inhoudelijk geënt op de droeve waarheid uit het leven van alledag. Och, het heeft zo zijn charme.
Vanochtend ben ik via Grave naar Gassel en Cuyk gereden. Olivier kwam langs, hij was met de fiets en hij wilde aardbeien ophalen bij een oude boerin in Gassel. We zijn er samen naartoe gegaan. We hebben vanaf de koude grond de aardbeien in blauwe kunststof mandjes gedaan en ze meegekregen voor een luttel bedrag. Hartstikke leuk om te doen: Hollandse zomerkoninkjes van het land plukken op onze leeftijd, want ja, Olivier is ook niet meer piep. De aardbeienmandjes gingen in een ruime koelbox in de auto en we reden wuivend naar de lieve Germana weg, richting Cuyk. Daar hebben we een beetje gewinkeld, broodjes gegeten en thee en koffie gedronken. Ja, deze jonge zomerdagen zijn goed. Ze doen me in ieder geval goed. Ik ben een moe mens, maar tegelijk zeer tevreden.
Vanavond staat een diner gepland in De Vereeniging met R. Het zal beslist een aangename ontmoeting worden. R. is een magnifieke vrouw, een prachtreligieuze met een edele inborst. Ik kan mij al verheugen op de bijzondere samenkomst.
En verder is het afwachten, de tijd zal je van alles leren. Ik had grote behoefte aan innerlijke rust en ontspanning, ik merkte het aan veel dingen zoals mijn kribbigheid, mijn moeheid, mijn gezucht. Ik wil een aangenaam mens zijn, niet kribbig, niet moe, niet uitgeblust. Ja, wat wil een mens allemaal nog doen? Je talent en de tijd gaan met je mee. Het mag nog heel veel goeds zijn, veel aangenaams, ook voor anderen. Dat hoop ik. Dat bebid ik. Dat beoog ik. Deo volente. Amen.
Brokje & Kipje staan op het balkon. Het zijn vogeltjes met karakter, allebei verschillend maar genoeg zichtbaar om het te ervaren. Brokje is een bijtertje, een uitbrekertje, Kipje is rustiger, ze bijt niet. Eergisteren was Brokje weer uit de kooi geglipt, hij krijgt het telkens voor elkaar. En dan kun je weer op jacht, je moet je trucs toepassen: hoe ging het ook alweer? Maar dan strijkt hij neer op je hoofd en hipt hij over op je schouder. Je wandelt met hem naar de douchecel en vangt hem in no time met een washandje, want anders heb je bloedende vingers. Leuk hoor, die vogeltjes.
In Gassel zagen we het mooie huis waarin Lidy binnenkort gaat wonen: een statig herenhuis met een enorme aanbouw en diepe tuin. De machtige woning staat pal naast de kerk. Het lijkt me een geweldige plek om te leven, te wonen en te werken. Ik hoop en wens dat zij en Johan en Maria er heiligmakend gelukkig gaan zijn. Zij zijn 3 mooie mensen met wijsheid en inhoud, met compassie en sociale gedrevenheid, met gemotiveerde inzet, ook voor de vluchteling, de mensen uit den vreemde.
Tot zover mijn memorabilia voor vandaag. En nu ga ik rusten. Alle serieuze zaken laat ik voor even achter me. Je moet zien dat je je dagen volhoudt. Daar heb je jezelf leegmaken voor nodig, ontspanning die heel maakt. Dat moet je laten gebeuren. Je mag het jezelf toestaan: neem op tijd je rust.
![]()
Dinsdag 20 juni.
Als je bijna je hele leven alleen bent geweest met je gedachten, dan is het een verkwikking met iemand te converseren die gelijkgestemd is. Je kunt daardoor een gesprek ervaren van ziel tot ziel. Vanmiddag was de maandelijkse bijeenkomst met de 12 van Catharinahof (met mij erbij 13) en wij hebben aan de hand van de geschriften van Huub Oosterhuis gebrainstormd, zal ik maar zeggen. Een geboren vreemdeling biedt de lezer veel herkenning in het gelovig omgaan met zichzelf en de ander. Geloven hoeft helemaal niet moeilijk te zijn, als je je maar openstelt voor de realiteit die het geloven aanvaardbaar cq hanteerbaar maakt. We hebben nagedacht, met Oosterhuis mee, over wie God ís, wáár God is, hóé God is. We hebben Johannes van het Kruis gelezen en de vroegere Hadewijch. Waar grote denkers en mystici in oude tijden de diepte in zijn gegaan, hun woorden en gedachten op schrift gesteld, daar herken je jezelf, als je eerlijk durft te zijn. Zij zijn niet aflatend confronterend en je komt als lezer tamelijk beschaamd uit bij je diepste kern, want dáár zul je te rade gaan bij God. Je zult het geloven steeds zélf moeten klaren, bezien hoe ermee om te gaan en je godsvisie zul je ijken aan het leven, je levenshouding. Ik denk dat het zo is. Ik schreef al vaker dat God zich niet laat vangen, noch vormen, noch kleien of boetseren naar jóúw wensen. Je kunt zo artistiek of vindingrijk of wat dan ook zijn als je wilt, het geloven leeft in je ziel, in je innerlijke weten, in je zíjn. O, geloven is genade, ik heb het ooit ontkend, maar het ís genade. Geloven maakt jouw innerlijk rijker, de mensheid mooier en de wereld tot een paradijs. Maar vele gelovigen hebben het niet door, ja, de humanisten snappen er soms méér van. Zíj raken de goddelijke kern vaak rechtstreeks aan met hun gevoelige visie op de mensheid, op de naaste mens die je zult liefhebben, zegt de Schrift, als jezelf. De profetische Oosterhuis heeft veel in ons losgemaakt, vanmiddag. Maar nu is de literaire zomerstop ingegaan, de meetings zijn over en we hebben elkaar bedankt en gegroet en een fijne zomer toegewenst: tot september. We hopen het voelbaar oprecht.
Huub Oosterhuis
© Fotootje via Internet
En dan is het avond en je voelt je niet echt happy. De vermoeidheid houdt je gevangen en je wilt vooruit maar het gaat gewoon niet. O, het huis is rommelig, je weet het, je ziet het, je voelt het. En bij alle blijheid om het mooie leven ben je somber. Is je rommelige huis misschien een afspiegeling? Waarvan? Van wie? Van jou? En je bepeinst het, en weet dat je je pas goed zult voelen als alles is opgeruimd, gekuist en tot in de kleinste hoekjes en kastjes geordend. De symboliek! Is dan niet alles in alles herkenbaar? Jazeker. En een mens is een mens, gelukkig wel. Morgen komt er weer een dag. Al zal die ook weer vol zijn van verplichting en activiteit. En je graaft alweer in je geheugen. Je vergeet te veel. En je sust je spiegelbeeld: Als alles is opgeruimd, kun je de dingen vanzelf terugvinden. Ik mag het hopen.
Maandag 19 juni.
En vandaag is de hemel grijs. Het regende even en mijn kleine vogels op het balkon ondergingen hun vrolijke verfrissing tussen alle bloeiende bloemen in. Ik heb het me gemakkelijk gemaakt, doe vandaag alles op mijn sloffen, dus piano aan. Het huis is rommelig maar er komt wel een ander moment om de boel te kuisen. En Veronica belde op: ze komen zondag. Deze week is een week van sociaal verkeer. Best een leuke gewaarwording. Zo weet je tenminste dat je een levend wezen bent en je praat nog eens met andere mensen. Mijn mobieltje is eergisteren stuk gevallen, ik ga straks een nieuw exemplaartje halen, daar ben ik voor verzekerd, naar het blijkt.
En toen belde Ries. Dat was een goed gesprek. Het gaat goed met hem, gelukkig. Ja, de Verhoevens zijn doorgaans denkende wezens: zij maken zichzelf op voor het leven en helpen tegelijkertijd anderen, als dat kan. Ook wanneer ze tegenslag of verlies te verwerken hebben, zijn ze vaak mensen van inzicht en pogen ten goede, ten beste. Och. De ene mens is de andere niet, en dat is maar goed ook. De ene verstaander hoort anders dan de andere. Mensen verschillen nu eenmaal van aard en instelling. Zo blijft de natuur zich vanzelf selecteren. De selectie is nodig om het unieke mensdom in stand te houden. Denk ik.
Maar nu genoeg gedacht. De rappe tijd geeft mijn maag geluiden en ik snel naar mijn keukentje om verse groente te koken. Ik heb er tegenwoordig plezier in om een maaltijd te bereiden. Het geeft een huiselijke sfeer, ook al ben ik alleen aan tafel. Het leven is goed zoals het is. Je moet het alleen leren waarderen. En je moet onverkort je zegeningen tellen. Dit is mijn zegeningenlied dat ik ooit schreef op aanvraag van de dominicanes zuster Josette uit Catharinahof:
Oudejaarslied
TEL JE ZEGENINGEN
Ben je eenzaam in je dagen en bedroefd
Lijkt de tijd genadeloos, word je beproefd
Tel je zegeningen, tel ze een voor een
En je zegt verwonderd: ik sta nooit alleen!
--
Tel je zegeningen, tel ze een voor een
Tel ze alle en vergeet er geen
Tel ze alle, noem ze een voor een
En je ziet Gods liefde dan door alles heen
--
Zijn je uren zonder uitzicht in de nacht
Zijn de sterren weg, is er geen maan die lacht
Tel je zegeningen en zing God ter eer
Slaap gerust vannacht, Hij wekt je morgen weer!
--
Tel je zegeningen, tel ze een voor een
Tel ze alle en vergeet er geen
Tel ze alle, noem ze een voor een
En je ziet Gods liefde toch door alles heen
--
Reik God je handen en je hart: gá met Hem.
Ken het kruis en ken de vreugde, ken Zijn stem.
Tel je zegeningen, wéét dat God jou kent,
jij van harte in Zijn zorg geborgen bent!
--
Tel je zegeningen, tel ze een voor een
Tel ze alle en vergeet er geen
Tel ze alle, noem ze een voor een
En je ziet Gods liefde weer door alles heen.
(© 2003 tekst bewerkt en veranderd door Ine Verhoeven Nijmegen.
Zondag 18 juni.
Ooit kreeg ik een fluitketel. Wat zeg ik, ooit? Ik werd 50 en toen kwam de fluitketel bij me op visite als geschenk van de kinderen. Het was een heel mooie ketel met een nóg mooiere fluit. Deze knappe fluitketel woont nog altijd in mijn keukentje op het gasfornuis. Op gezette tijden kookt hij water voor mij en mijn bezoek en dan zet ik een zalig potje thee. Tegenwoordig gebruik ik mijn Old English Teapot, een charmant porseleinen potje met een allerliefst dekseltje erbovenop. Het potje mét deksel is beschilderd en bekleid met ouderwetse boerse taferelen, ofwel: met landelijke taferelen uit vroegere tijd. Het is maar hoe je het uitdrukkingsgewijs opvat: boers, landelijk of wellicht agrarisch? Ook dit theepotje is als een geschenk in mijn huisje terechtgekomen. Het was gegeven door een lieve, vriendelijke mens, een man die weet hoe je medemensen blij kunt maken. Ja, zulke vriendelijke mensen bestaan écht. Terwijl ik het potje bekijk, zie ik dat het geverfde kleisel op zijn bastje een cottage voorstelt met boerenmensjes en kippetjes, vogeltjes, bomen en bloemetjes, een allerschattigst tafereel. Hoe het ook zij, de fluitketel en het theepotje zijn in de loop der tijd aan elkaar verknocht geraakt. En ook ik, vooral ik, ben gehecht geraakt aan dit bijzondere keukenstel. Dat komt vooral door hun gulle gevers. Het stel vormt de herinnering aan de liefste mensen ter wereld. En dít is de kern van dit kleine verhaal over de fluitketel en de theepot: ze zijn kleine memorabilia’s met een fiks quotum aan emotionele waarde, zoals dat heet.
Enfin. Het is alweer zondag. Straks ga ik in de Dominicuskerk luisteren naar pater Boddeke, hij preekt daar vanmorgen in de viering van 11.00 uur. Het is Sacramentsdag. Maar wie weet nog wat dat is? Ik kijk tv en zie duizenden en duizenden mensen samendrommen om het voetbal te bekijken, vroeger dromde men samen om de mis te vieren. Wat is er daadwerkelijk verkeerd gegaan in het heiligdom der kerken? Ik denk dat de officiële kerk niet geloofwaardig genoeg is gebleken doorheen de tijd. Ik denk ook dat veel mensen zich uiteindelijk bedrogen voelen. Er zijn ook mensen die zich nog altijd goed voelen in en met de kerk. Maar die groep is zeer minimaal, bevat a.h.w. nog maar een uitgedund gezelschap. Men noemt zulke gelovigen ook wel ‘de heilige rest’. Ach ja. Leven en laten leven, zeg ik, en het is uitermate cliché. Wat vermag je anders?
Bij de aanklikker Beschouwingen in de marge van de homepage staat de preek te lezen. Wie interesse heeft, mag dat rustig doen. Ik wens mezelf een fijne zondag toe, ik neig naar treurnis, merk ik. Gistermiddag werd ik ziekjes en ben daarom niet naar het ballet geweest in het Bossche Theater aan de Parade. Er zijn ergere dingen te bedenken. De zon schijnt en de vogeltjes vertoeven vrolijk hippend en trippend in hun kooi op het balkon, maar wel in de schaduw. Verder niks. Het leven blijft goed en de moeite waard. En lieve mensen zijn er ook. Wat wil een mens als ik nog meer? O ja, ik droomde vannacht dat ik op straat een bruin hondje tegenkwam dat met me mee huppelde. Toen ik het beestje oppakte en aankeek, was ik verkocht. In mijn droom woont hij nu bij mij. In mijn droom, dus. Laus Deo voor alle goede dingen, én voor de kracht die een mens ondervindt bij tegenslag. Amen.
Vrijdag 16 juni.
Op zo’n juni'se zomerdag als deze is de huwelijkse herinnering prominent aanwezig. Ze hangt a.h.w. de hele dag rond in je huis en in je leven. Je ziet jezelf terug als jonge bruid, je denkt weer aan de trouwplechtigheid in de kerk en aan de pastoor die echt niet aardig was; je voelt weer wat je toen voelde, tijdens de mis en bij het uitgaan van de kerk, je weet het nog van de argusogen van de hypocriete en burgerlijke tantes en de akelige ooms; de fotograaf kun je nog noemen en de harde woorden van ‘n broer staan in je geheugen gegrift: ze waren helemaal niet mooi. Het is 44 jaar geleden.
Het kan verkeren, en het zal ook verkeren, want de dingen verkeren in elk mensenleven. Je kunt niets vasthouden, helemaal niets. De tijd geeft, de tijd neemt. Zo gaan de dingen des levens. En toch is alles de moeite waard. Ja, hoe je herinneringen ook zijn: het leven is bekoorlijk en goed. En je denkt aan je kinderen, aan de tijd van hun jeugd, hoe je je best deed die belangrijke levensfase, waarvoor jij als moeder optimaal verantwoordelijk was, voor hen zo blij en onbezorgd mogelijk te maken. In het fotoalbum, dat je met moeite hebt gered van de slordige vermissing, staan kleine getuigenissen van hoe het toen was. Stille getuigenissen, maar kostbaar genoeg om te blijven koesteren. Dat doe ik ook.
Nichtje Esther zit op pony Pepijn, papa en dochter Patricia houden Pepijn vast en zoon Arold kijkt toe.
Denkelijk is dit fotootje gemaakt bij Ber v.d. Loo, bij wie onze Pepijn op stal stond, begin jaren ’70.
En je bladert verder in het album en je hart is weer vertederd: Kijk die kleine meid, hoe zorgzaam ze haar pony optuigt. Pony Pepijn was haar maatje, haar vriendje, haar speelmakker, haar troost. Het was goed dat het beestje destijds aan haar was toevertrouwd. En je kijkt naar je zoontje: O, hij groeide toen hard. Hij was een lieverd. Hij was een voetballertje. Hij was een goed en serieus kind. Ja, dan ben je in gedachten weer even de moeder die je toen was. En je hart heeft kleine tranen. Alles komt, alles gaat. Maar ook: alles ís. Dat mag niet worden vergeten: alles IS. Dat wat gebeurt aan jou vandaag de dag is genade, waarop je kunt leven. En je denkt aan je kinderen, hoe het nú met hen gaat. O ja. Je blijft de zorgzame moeder, want zorg voor haar kroost verlaat een moeder nooit, maar er is meer rust, meer vrede, zelfs meer vreugde doordat je de dingen anders mag beleven, ze op afstand mag genieten.
Pony Pepijn wordt opgetuigd…
…met zorg en toewijding door bazinnetje Patricia…
(Sint Michielsgestel, begin jaren ’70)
…en daar gaat ze, met de ruitertjes van ponyclub De Meijerijertjes in de hoefslag…
En dan, op een goede dag, was de fase van het kleinkind aangebroken. En je bent intussen oma geworden en je wilt dat ook graag zijn: oma in alles, vooral in wat goed voor is voor je kleinzoons. Maar dat is voor vandaag een heel ander item, daarover schreef ik reeds. Er is een blij vooruitzicht: morgen ga ik naar een balletvoorstelling in Den Bosch met de jongste telg; en zijn mama gaat ook mee. Het is naar een idee van die lieve Rieke. Het zal fijn zijn, morgenmiddag, vast en zeker.
O, die memorabele herinneringen van zulke mensen die denken en schrijven. Nooit heeft de schrijver rust, altijd is zijn geest in beweging, altijd vloeit de pen op schrift. Niets vermag hij te vergeten, alles wordt opgetekend, vastgelegd, soms summier, soms achteraf, maar alles wordt genoteerd: omdat alles zo de moeite waard is en was en zijn zal. Hoezeer leven de herinneringen doorheen iemands dagen en nachten, en hoeveel kan een mens als jij er nog aan? Op deze trouwdag leg ik digitaal de plaats vast die mijn leven tekende en inkleurde, die mij zovele differente herinneringen gaf. Maar dit: het gaat onverkort om je kinderen, om je nazaten, vooral voor hen heb je je kostbare tijd geleefd, vooral voor hen.
Het Herenhuis
~
Doorheen de hoge kamers waart
een oude zucht van leven; hij die er
gestorven was, vertrok er niet.
~
Daarginder stond een hoge struik
met rode rozen tegen de linkermuur
geplant, vanuit het huis gezien.
~
Nu staat een seringenboom te
pronken over stenen heen en bloesemt
jaarlijks witte kelken vol geluk.
~
De tuin verwerd tot binnenplaats.
De auto kreeg een kluis met groene
roldeur en de uitrit naast de kerk.
~
In kieren van het kolenhok was de
klimop ontsprongen; hij bloeide
lachend geel langs het platdak van zink.
~
‘s Mans grove knuisten, die soms
teder waren, trokken uit alle macht
de takken met de bloesems weg.
~
neergezet, was het karwei geklaard.
Maar hechte wortels sterven niet.
~
De zucht die door de kamers waart,
verlaat niet wat hij heeft gezaaid ten
leven, en jonge takjes zijn ontsproten.
© Ine Verhoeven, Nijmegen 18 februari 2005.
![]()
Maandag 12 juni.
Van Sybil ontving ik een enorme tuil zomerbloemen, een droomboeket, zoiets van een plaatje uit de Libelle of de Seasons. Ze zond me een lieve groet. Toen ik vanmiddag thuiskwam van mijn Bilderbergse arrangement op de Veluwe stonden de bloemen me aan te kijken en ze oogden nog fris en jeugdig genoeg voor de rest van de week, denk ik. Eigenlijk had ik zaterdag in Tilburg moeten zijn bij 4 groepen van de franciscaanse medeordegenoten uit Brabant, maar ik kon het niet opbrengen, vooral niet vanwege de eerdere boycots vanuit de Taukring. Ik waagde me toch liever niet aan een ontmoeting. Niet uit lafheid, wel uit voorzichtigheid. Soms moet je een keuze maken, ook al is het besluit niet prettig. Je doet wat het beste is voor allemaal, denk ik, en daarom ben ik weggebleven. Misschien biedt de toekomst nog eens ánder perspectief, maar sommige mensen kúnnen niet samengaan, dat zit óók in het leven inbegrepen. Als de boycot zou worden opgeheven, van de Taukring uit, zou ik me happy voelen: dan is de evangelische deur eerlijkheidshalve geopend, met nieuwe kansen voor allen, maar nu nog niet. De wijsheid, of beter het inzicht moet van 2 kanten komen.
Op de Veluwe was het heilig toeven. De zomer was overal gevestigd, en de grassen en de bossen en de heide waren een genot voor de rustzoekers, onder wie ik me reken. Er was een schaakspel geplaatst op een ingelegd tegelbord tussen de lila rododendrons en de bosranden, er stonden 2 bankjes en het was zalig toeven in dat ene bloeiende schakershoekje. Na de wedstrijd van Nederland – Servië-Montenegro voetbalde de jeugd ijverig na op het gazon van het riante landgoed, iedereen was vrolijk aan het trappen tegen de bal, o, de jongelui leken me zeer geïnspireerd. Ook de elkaar najagende eksters buitelden in het gras, al was de reden daarvan niet de overwinning van het Nederlands Elftal. Maar het waren 3 heerlijke dagen, vol chic en de nodige zelfbewustwording. Soms moet je in je uppie het dagelijkse overstijgen door middel van de overtreffende materie, zo kom je ook in de geest tot rust. Je bent tevreden en rustig bij wat je hebt, je ziet de betrekkelijkheid van alle gekunstelde zaken in het leven, je ervaart de potsierlijkheid in mensen en doorziet de hele, rijke poppenkast nauwgezet. Het is goed geweest op de Veluwe, en het is zalig om weer thuis te zijn, dat noteer ik ook.
Zondagmorgen al heel vroeg reed ik welgemoed langs Wolfheze richting Wageningen. Daar zou ik mijn vrienden ontmoeten tijdens de lunch. Maar eerst ging ik naar Amerongen, ik wilde eindelijk eens het kasteeltje bezoeken, het plan was al oud. Amerongen is een antiek plaatsje, heel aardig ogend, aantrekkelijk zelfs, maar ik vermoed dat er de saaiheid heerst, al weet ik niet precies op welke manier. Om klokslag 12.00 uur zou het kasteeltje geopend zijn voor bezoekers, er stond een intreeprijs aangekondigd op een plakkaat bij de gesloten ingang. Er kwam nog een oud koppel aan, het wilde binnen net als ik. Ik hunkerde naar thee en er werd, op het prijzenplakkaat, daarbinnen in het kasteel een theeschenkerij aangeprezen. Bimbam. 12 uur. Alles bleef op slot. Drentelen en wachten om ergens binnen te mogen komen, en ook nog tegen betaling, is niet mijn stijl. Ik groette het oude koppel, stapte in de wagen en reed gedecideerd weg. De rit ging naar Wageningen om in hotel De Wereld te lunchen met pater Frans en vriend Olivier, die beiden reeds op zaterdag naar een Utrechts zusterklooster waren gegaan om daar op uitnodiging de zondagse eucharistie te vieren. Zij hadden gastvrij bij de eerwaarde zusters overnacht. Bij De Wereld was het goed lunchen, wij zaten gedrieën buiten op het straatterras. Er kwam een historisch moment in een historische ambiance. Wij betraden na de lunch de capitulatiekamer: een ingetogen ruimte, oud van snit met gesneden houten panelen op de klassieke lambrisering. De kamer alias zaal was met glas-in-lood uitgevoerd en geheel in de chique stijl van vóór de oorlog. Het doet je wat te weten dat hier prins Bernhard destijds was om het akkoord te tekenen: de capitulatie van de Duitsers in 1945. Ja, toen ging de rit verder naar De Grebbeberg. Daar was het zeer stil. De mannen namen hun hoed af en ik hield de mijne op. De Grebbeberg is een klein heiligdom in verhouding gezien met bijvoorbeeld het oorlogskerkhof te Margraten, maar zeer de moeite waard om er even meditatief met de nationale herinneringen te vertoeven. De 2 heren reisden daarna door naar respectievelijk Nijmegen en Arnhem. Ik ging terug naar de hoogwaardige Bilderbergse stulp om mijn vrijheid verder te beproeven. Het is goed geweest, heel goed.
Ter memo: wij hadden vrijdagavond in De Vereeniging gedineerd. Het was een dankbare traktatie voor webmaster Frans en zijn eega Marianne. Ik had de Beuningse kapper in de ochtend bezocht, zij had me wel honderd krullen gegeven. Och, dacht ik, het is lekker gemakkelijk en weer eens iets anders. Ik had sinds mijn vroege kindschap geen krullen meer gehad. Voorlopig mogen ze blijven de krullen. Vrijdag kijk ik weer in de spiegel van de kapper. Deo volente, natuurlijk. Het is altijd Deo volente. Maar het gemak dient de mens, en dat betreft ook de kapsalon. Het gemak dient de mens. Ik hoor het mijn ijverige, drukbezette moedertje nóg zeggen. O, het is de herinnering.
Woensdag 7 juni.
Er zijn enkele mails uitgegaan vandaag die de evangelische liefde in zich dragen, dat was in ieder geval de bedoeling. Een ervan is naar Sybil gegaan, een bloementuil ter vertroosting en ter herinnering aan onze eerste ontmoeting in 1997, toen heb ik haar, als de landelijk minister van OFS, geïnterviewd voor het Franciscaans Maandblad. Ik was destijds een vaste scribent/medewerker van het FM. En van Ricky Rieter vernam ik op mijn eerdere vraag aan haar dat ze lid is van De Tochtgenoten van Sint-Frans. Ze heeft in die geest een wandeling gemaakt van wel 350 km. Op zo’n tocht kom je veel heiligs tegen, vermoed ik, veel van Gods natuur die in je doordringt. Ik denk dat je voelt hoe God je ziel kust, op zo’n rijke wandeling over de mooiste wegen der aarde. Ik zou het niet aankunnen, zoveel geluk van de aarde te proeven, de natuur is zó heilig, zó goddelijk, zó groot. Maar als iemand zo’n tocht kan en wil maken, bewonder ik de moed, de courage, de daad en de uiteindelijke overwinning: het is niet niks zoveel voetstappen te durven zetten naar een heiligdom ergens diep in Frankrijk, want daar ging de tocht naartoe. Ik plaats ter herinnering onze kleine digicorrespondentie van vandaag, en doe dat dankbaar tegenover Ricky zelf, want ze stemt met de plaatsing ervan in.
1. From: Ine Verhoeven To: Ricky Rieter Sent: June 07, 2006 9:35 AM
Beste Ricky,
Mag ik je iets vragen? Ben je aangesloten bij een franciscaanse afdeling? Dat zou ik graag weten, omdat ik geprofest lid ben van de OFS. Ik vroeg het me af. Mag dat? Hartelijke groet, Ine
2. From: Ricky Rieter June 07, 2006 11:36 AM
Beste Ine,
Ja, ik ben bij de Franciscaanse Beweging, ontvang regelmatig het Franciscaanse Maandblad. Ook ben ik bij de Tochtgenoten van Sint Frans, heb de redactie over het bijbehorende tijdschrift: De Roep van de Weg. Ik ben nooit bij de OFS geweest omdat ik vooral verbonden ben met de zusters Clarissen, niet door professie, want die mogelijkheid bieden zij niet. En zoals je weet begeleid ik de franciscaanse retraites al meer dan tien jaar. Driemaal per jaar.
Alles goed met jou? De zomer in het hart? Ik heb juist een pelgrimstocht van 350 km achter de rug. Gelopen van Genève naar Le Puy en Velay in Frankrijk. Bijzondere ervaring. Hartelijke groet en verbonden in de Ene, Ricky
3. From: Ine Verhoeven June 07, 2006 2:09 PM
Ja, beste Ricky, ik zou zeggen: een genaderijke ervaring, ongekend voor de meeste mensen. Daar kun je 'heilig' mee worden, als je begrijpt wat ik bedoel. Zo uniek zo'n tocht! Het gaat goed met mij. De zomer die ik ervaar, staat te lezen op de homepage www.ineverhoeven.tk. Lieve groeten, Ine
4. Van: "Ricky Rieter" Datum: 7 juni 2006 15:49
Beste Ine,
Veel herkenbare ervaringen in je zomergedicht. Herinneringen zijn dierbaar. Het is mooi om ze nog eens te verwoorden zodat ze van het verleden uit ook een plekje blijven houden in het heden. Het verleden hoort bij ons, al leven we in het heden.
Dag, een zomergroet voor het open raam, met buitenspelende kinderen en dichtbij een koerende duif. De bomen wiegen met hun takjes, tevreden dat alles is zoals het is. Geen gemopper, geen gezeur, geen moeilijke gedachten, die takken zijn er zoals ze zijn, zoals ook de koeien vredig in de wei kunnen liggen. Hoeveel zag ik er! Vrede gewenst, Ricky
…Hoeveel zag ik er!
Het is vandaag mijn trouwdag, geen geringe herinnering al was het de trouwdag voor de wet, zoals dat heette in die dagen. Het is alweer zo lang geleden: 7 juni 1962. Ik weet het allemaal nog: wat ik droeg, wat ik zei, hoe ik lachte van geluk en hoe ik me voelde: blij en vertrouwenvol, niet stuk te krijgen. Het leven is anders, het pakt anders uit dan jij denkt in je jonge verwachtingen. En toch. En toch. Alles hoort bij het leven, ik zeg het telkens weer, alles maakt één, alles IS leven, Het Leven. En het is de kunst, én de genade, als je ervan leert in wijsheid en die van harte doorgeeft aan wie met jou oogsten wil.
![]()
GAAF HEB IK LIEFGEHAD
~
Twee zielen slijpen langs elkaar
en vonken de bliksem op
die inslaat in het zeer
en een gapend gat achterlaat
dat de ellende uitschreeuwt
vanuit de geschondenheid.
~
Gaaf heb ik liefgehad
en geloofd dat lief bestond
en blijven zou, het moest
bestaan als God en goede mensen
overal, zoals het vertrouwen
in jou-naast-mij bestond, er was;
en ik wachtte op wat niet was,
dat al verdween nog voor het
was geweest; ik geloofde in
God en in jou, toen was ik
kind en vrouw en moeder ook;
toen heb ik geluisterd, nog wel
en was ik volgzaam, nog wel.
~
Gaaf heb ik liefgehad
en nog zie ik de horizon
van elke nieuwe dag, nog wacht ik
tot de avond valt; ook in de nacht
berust ik niet; de dagen worden
uitgedund met nergens mens, maar mij.
Ik heb mijn spiegelbeeld gesproken.
We waren alleen en werden nergens
gestoord. Het was een goed gesprek.
Zij zag de zielen verdwijnen als ik,
wist van de bliksem, van de brand,
van altijd weer de morgenzon.
Gaaf heeft zij liefgehad, als ik,
zag mensen weggaan, een voor een;
er restte er niet een, niet een.
Ook niet bij haar, vertelde zij.
Het was een goed gesprek.
© Ine Verhoeven
Dinsdag 6 juni.
Heerlijk is het om foto’s op te slaan van je liefste mensen. Ter memo wordt ook de volgende kleine, digitale correspondentie bezegeld:
Sent: Saturday, June 03, 2006 9:57 PM
Ha Rieke, waar is Paddy geboren en wat is de juiste dag? Jaja. Liefs. Ine
Sent: Sunday, June 04, 2006 12:04 PM
Ha lieve Ine,
Paddy’s geboortedag is 27-08-2005. Hij is geboren te Varseveld.
Moeder: Otti vom Hengstbachtal en papa: Felix vom Hengstbachtal.
Peettante Cocky en peetoom Willem, wonende in Lisse.
Broertje Monty † 30-12-2005.
Broertje Keppeltje, zusje Fleurtje (2 lieve katjes).
En ja, ik heb het natuurlijk gelezen, over die burberrylaarzen, waar hebben ze die?
Ze mogen niet te duur zijn.
Wat schrijf je toch leuk! ECHT WAAR! Liefs, Rieke
Kattenbelletje: we gaan zo meteen fietsen met Paddy.
Rieke op de fiets met Paddy… Fietstocht 2006.
Sent: Monday, June 05, 2006 12:21 AM
Ja hoor Rieke.
Het kan nog méér bij Burberry's.
Wat denk je van deze rozejes?
Burberry laars…
Ik heb gezocht via Google.
Meer weet ik ook niet.
Bedankt voor alle Paddy-info. Liefs, Ine
![]()
17.10 uur. Soms kun je je zo verlaten voelen, alsof de wereld op slot zit en het mensdom in dove starheid doorgaat, enkel bezig met zíjn ego. Je bereikt niemand, tenminste, zo voelt het. In de LeenBakkerwinkel kwam ik vanmiddag een buurman tegen die altijd nors is, nooit iets zegt, je geheid negeert, nu ook weer en daar knapte ik denkelijk op af. Of misschien is zo’n klein voorval de druppel die je gemoed tijdelijk te gronde richt. Ik ben moe. Ik denk veel, en dat vermoeit ook. Altijd ben ik bezig in gedachten en doen te zoeken naar goede, mooie, leuke dingen, naar verheugende dingen creëren, vooral voor anderen. Dat lukt en dat lukt niet altijd. Het maakt je eenzaam. Maar dat laatste is ook gerelateerd aan schrijven, dichten en veel bezig zijn in afzondering. Ik klaag niet. Ik mis mensen. Maar ik klaag niet. Mijn pad is helder, het is verlicht met denklichtjes en liefdeslampjes. En in de ochtend, het is heus waar, word ik steevast wakker met een dosis nieuwe hoop, nieuw geloof, nieuwe liefde voor de hele, nieuwe dag. O, je hart is vol van lievigheid, zelfs als je wel eens boos bent geworden, hoe dan ook. Paradoxaal. Maar zo is het leven. Paradoxaal. Yin en Jang. Positief en negatief. Ja en nee. Alles is immers meervoudig uit te leggen. Ach ja. De bui drijft wel weer over. In de junimaand zijn vele herinnering samengevat. Misschien is het de herinnering aan wat je ooit bent begonnen en desastreus is mislukt? Ach ja. Zolang een mens nog tranen heeft, heeft hij gevoel. Zolang hij gevoel heeft, leeft hij. En alles hoort bij het leven, de lach, de traan, alles.
Vroeger moest je bij verdriet altijd kijken naar mensen die het minder hadden, slechter, zieliger, verdrietiger. Mijn moeder zong haar smartlappen, denkelijk om er zelf beter van te worden. Ik draaide in de jaren ’80 de muziek van Theodorakis: intens verdrietige muziek, maar ik knapte ervan op. Zulke bezongen droefenis was inhoudelijk veel erger dan de mijne. Het is een remedie. Al klopt de verhouding niet.
17.50 uur. De zon schijnt en juni begint als maand een beetje kleur te krijgen. Ik organiseer binnenkort een gedichtenmiddag. Ik wil graag een muzikale omlijsting. Volgende week is de balletvoorstelling in het Theater aan de Parade. We zouden er met een gezelschap lieverds naartoe gaan. Rieke schminkt. Ik word er blij van. Een vrolijk vooruitzicht met een klassieke tint, ik houd ervan. O ja, het leven is goed. Laus Deo! Amen!
Maandag 5 juni.
Op de Nederlandse pinksterwegen was het druk vandaag. We zijn naar Eindhoven getuft. Het was er goed toeven, we vierden de verjaardag van Jo, die een aardige heer is en als bariton zingt in menig koor. We zongen hem tegemoet toen hij binnenkwam en Phily was meteen ook nog een beetje jarig, want het gebeurde in haar huis. De kat is een beetje ziek, maar ze is heel lief, onze ouwe, trouwe Blacky. De bloemen in de tuin stonden er stralend bij: de roze rododendrons waren optimaal, rechts en links was enig verschil in bloeikwaliteit, maar ze bloeiden beide verrukkelijk en daar gaat het om. We hebben hartelijk gelachen om de droge humor van Jo. En we verwenden elkaar met aardige snuisterijen: we voelden ons allemaal een beetje jarig. Ik las bij thuiskomst in een e-mail van Rieke dat Phily en Jo zich hebben opgegeven als Gewichtkijkers. Daarmee heeft Rieke een vet pluspunt behaald, want ze zijn met plezier ingegaan op Rieke’s initiatief! Wie kan niet een ruggensteuntje gebruiken bij het gewichtkijken en wie geeft dat gerust toe? Zij dus.
Dan hebben we er eindelijk een mijnheertje bij…
Terwijl ik naar buiten kijk, geniet ik wederom van het uitzicht op het witte herenhuis tussen de volle bomen door. Ik word steeds bewuster van de tijd, hoe kostbaar hij is, en hoe eenmalig. De laatste tijd wil ik plukken, oogsten, proeven, meer dan ooit. Carpe diem. Maar je voelt onmiddellijk hoe beperkt je bent als kleine mens, hoe alles en alles tussen je vingers doorglipt. O, het is van groot belang bewust te leven. De tijd van vroeger is weg, je bent niet meer de mens van toen, je bent de mens van nu. En het is goed, zelfs genade, als je aan je voorbije tijd gegroeid bent, als je meer mens geworden bent aan je leed en je narigheid; je bent rijk als je leven nog éven een vlucht mag nemen naar een beetje gelukkig zijn. Daar zul je God voor danken, en je doet het vanzelf, zonder moeite. Je dankbaarheid is je innige gebed, én je tevredenheid. Ook zonder woorden kan een mens van harte bidden. Amen.
Zondag 4 juni.
Pinksteren. Ik dacht zoals elk jaar ook vandaag weer terug aan ‘Op een mooie pinksterdag, als het even kon, liep ik met mijn dochter aan het handje in het parkje te wandelen in de zon.’ (Zoiets dan.) Nostalgie. Ik zie dan steevast mijn dochter weer als hummeltje in een heldergroen badstof broekpakje, Jeanne Wintjens had het gemaakt. We zijn in het stadse hertenpark met wat brood en voeren de hertjes en de eendjes. De kleine meid heeft er plezier in en kijkt haar bruine oogjes uit. Het is altijd dít beeld. Ja, en je denkt nog verder, natuurlijk, maar hier begint de terugblik mee. Pinksteren en de herinnering. Ja.
De eucharistieviering in Huize Rosa was heilig. De kapel was meer dan bezet. Het gezang was opvallend mooi. De pinksterpreek had een hoog geestelijk gehalte en de stem van pater Frans is van goud en zijn intonatie is nog steeds ongekunsteld en ongeëvenaard mooi. Zo heerlijk om naar te luisteren. Ik werd na de communie naar de lezenaar geroepen en las het gedicht: Waar is Gods geest? (Uit mijn bundel In het land waar mensen wonen, pagina 42.)
En de zon is gekomen, zij het wat flauwtjes, maar ze is er. Ik draag vandaag een bloemig pinksterjurkje en voel me er onwennig in, maar het oude, zilveren kettinkje van mijn moeder met de markezietjes en de amethist draag ik met genoegen.
15.17 uur. Mij overviel een intens gevoel van tevredenheid terwijl ik in de kamer zat, theedronk, de vogeltjes hoorde kwetteren en een boek las. Hoe rijk ben je wel?
22.37 uur. KRO’s Kruispunt staat aan. De monastery van Sussex wordt, in een 4-delige documentaire, bevolkt met o.a. heidenen en andere vreemdelingen die 6 weken met elkaar en de monniken gaan leven, religieus geïntegreerd, dus biddend en wel. Het is tot nu toe een beetje veel voorspelbaar gezeur, er mag wat boeiends aan actie komen, wil deze serie slagen. Okay. Ik ga kijken.
Ik zag zojuist het Gala van het Nederlandse Lied, met eregast Marco Borsato. Het was ingetogen en goed, maar je merkt op jouw beurt dat je ouder wordt, niet meer van die generatie bent, je belangstelling heeft zich verlegd, en het is heel natuurlijk allemaal. Je groeit met je tijd mee, ik bedoel: met je leeftijd. Zo hoort het ook. Aan het einde van je leven mag je hopen wijs te zijn, zodanig wijs te zijn dat je nazaten ervan kunnen profiteren ten goede. Amen.
Zaterdag 3 juni 2006.
Nog is de lentezon traag, de wolken willen niet werkelijk openbreken, de ingehouden regen blijft dreigend op de wereld neerkijken. Maar het leven is goed. Mijn wit met geel gouden ringetje heeft weer een blauw saffiertje, het is gerepareerd en vanmiddag heb ik het in de stad opgehaald. Olivier buste met me mee, het was gezellig, knus en vertrouwd. Maar wat is het op zaterdagmiddag een drukte in de stad! Niks voor mij. Ollie en ik vluchtten de boekhandel Dekker v. d. Vegt in en dronken daar in hun intellectuele zithoek onze thee en koffie. Dat hoekje is altijd heel speciaal. Je zit er a.h.w. een tikkeltje literair je thee te drinken, soms ook te lunchen, de broodjes van het huis zijn erg goed. Het is een grage gewoonte van Ollie en mij als we in de stad zijn, en af en toe gaat Bertram er ook heen. Ook pater Frans wil daar graag met zijn neus in de wijze boeken snuffelen, hij was er derhalve te vinden vandaag. En zo was onverhoeds onze edele miniatuur leesclub bijeen. Heel gezellig is het nog geworden, maar het onverwachte ís vaak leuk.
Morgen is het Pinksteren. Dan is het dagboekjaar 2005/2006 bijna rond geschreven. Ik wilde met het dagboek stoppen, maar er kwam luidkeels protest op mijn bericht. Okay, ik zal zien. Ik moet het overdenken. Er zijn nog zoveel onderwerpen te beschrijven voor Beschouwingen, Gedichten, Actueel, Liturgie, Verhalen enzovoort. Het vergt tijd en energie. En er zijn nog de bijzondere aanklikpunten van auteur Frans, geen van alle te versmaden! Nogmaals, ik denk erover na.
Enkele feitjes genoteerd:
* De kapster in Beuningen had kwaaie zin (gisteren). Ze hielp me chagrijnig.
* De stadsbus was vol (vandaag).
© Via Internet
* Spaghetti gemaakt (met paprika en Castello Blue), samen met Ollie alles opgegeten.
* Nieuwe bril met leesgedeelte (nummer 3) gekocht.
* Patricia’s nieuwste, heel schitterende singles ontvangen, met videoclip!
* Vannacht weer niet geslapen, het werd weer 6 uur én lícht voordat ik sliep.
* Sybil heeft (weer) geschreven in reactie op de site. Hoop doet reageren…
* Zaterdag is de franciscaanse bijeenkomst voor 4 Brabantse groepen, ik ga met Paul.
* De vogeltjes hebben vanavond gezellig fris gedoucht.
Tip. Wie van Western- en countrymuziek houdt, haalt zijn hart op bij www.ragdollproduction.com. Deze website is het bezoeken meer dan waard. Je krijgt er stemkwaliteit aangeboden, dus mensenlief, lees gerust, luister goed en kijk niet alleen naar Vivien Searcy, de beeldschone zangeres, getalenteerd, ruim hart en groot karakter, maar ook naar mijn prachtige, integere dochter Patricia, de muziekproducente. Een mens om van te houden, dát is ze, helemaal. De schat! Als je klikt op Dutch Page bij het Nederlandse vlaggetje kom je nog heel wat leuks te weten. Je kunt er zelfs kijken naar videoclips en luisteren naar de kwaliteit van Viviens zang en voordracht. De hele band The Ozarks is te aanschouwen en te beluisteren. Verrassend genoeg!
Maar er zijn nog meer schatten. Mijn kleinkinderen, zoon en schoondochter. Het was een verlate, geïmproviseerde moederdag, die 3de zondag in mei, maar ze zijn gekomen en dat maakt me heel gelukkig. Een zalig geurtje voor onder de douche en een kalender van ‘steen’ van Marjolein Bastin was de herinnering die ze me schonken. Wat wil ik meer?
Maandag 29 mei.
Mijn zusje Tonnie & ik. We spraken vanochtend over de familieband en haar verjaardag die morgen is. En over de kinderen van Ton & Fer. En over mijn broer die nu weduwnaar is, hij rouwt. We bezagen de situatie in de familie en zijn beiden verheugd dat de vrede is gekomen. Ik kan nu met een gerust hart aan mijn oudste broer denken, en dat is alleen maar fijn. Gisteren heb ik Patricia geholpen met een persbericht in het Nederlands. Ik zal het in mijn dagboek plaatsen zodra het klaar is. Drie lange dagen was ik doodmoe. Ik bleef thuis, voelde me ook aan huis gekluisterd, en gelukkig genoeg ben ik graag thuis, ik ben blij en tevreden met mijn woning. Momenteel is de inrichting heel huiselijk, vooral vanwege de drie zitbankjes die een soort woonhoek vormen. De armstoel van mijn vader staat voortaan op mijn slaapkamer, en dat is chic, want een modern interieur combineren met een antieke stoel, is mooi. Ik merk dat er veel bloemenstoffen zijn aangewend, intussen. De gordijnen, het beddengoed, de sierkussens hebben een bloemmotief. Het zal mijn verlangen compenseren naar een tuin… Mijn balkonnetje is momenteel één bloemenzee. Alles bloeit en groeit en tot mijn vreugde doet de rozenstruik volop mee, de knoppen staan op openbreken. O, ik ben benieuwd.
Wat X. betreft, hoop ik dat ze met haar ziel in het reine komt, dat er verbetering intreedt én inzicht. Het lijkt me vermoeiend en frustrerend als je je steeds stuk loopt op jezelf. Ik denk weleens: heeft ze ADHD? Als je zó ongeordend door je dagen gaat, dan moet je wel doodmoe zijn. Maar zij is nooit doodmoe, alleen maar kwiek en energiek, en in álles is ze te veel, is ze te druk, is ze te aanwezig. Op die manier bestempelt ze ook haar private wereldje. Alles bij elkaar lijkt het euvel me een hele opgave voor haar echtgenoot, voor haar kring. Wellicht zijn zij eraan gewend en kunnen ze ermee leven? Weinig mensen durven openlijk toe te geven hoe ze de dingen zien en ervaren met elkaar, veel mensen zijn, wat dat betreft, bang voor elkaar, sluiten hun ogen voor het probleem en houden wijselijk (?) hun mond. Hetgeen vaak tot beroerde escalaties kan leiden. Op een keer, herinner ik me, was de zwager van X. ontredderd geraakt tijdens een gezamenlijke Deense vakantie. X. snapte er niets van, maar ik wel. Het plaatje van ‘s mans frustratie viel heel duidelijk te ontcijferen, alleen zag zíj de waarheid niet. Het was de opdringerige drukte van X. die de man te machtig werd. En de zwager? Die redde zich eruit toen hij eenmaal thuis was, en X. leerde er dus weer niets van. Ze was natuurlijk verhaal gaan halen. En alles bleef bij hetzelfde. De goede man beperkte de inhoud van hun ‘verhelderend’ gesprek. Je kunt maar beter uitkijken, nietwaar? En spreken is zilver, zwijgen is goud… Tja. Tot zover de beschouwing over X. Ik zal voortaan haar zegeningen tellen, die heeft ze ook. Lang stilstaan bij andere mensen is niet te prefereren. Je moet bij jezelf zijn.
Ik ben van plan mijn dagboek te sluiten als het jaar rond is, dus begin juni 2006. Met de webmaster Frans wil ik bekijken om elke maand van 2005/2006 te herplaatsen, zodat de maanden op een gemakkelijke manier te lezen en te vinden zijn. Ik denk dat de inhoud waardevol genoeg is om alles nog eens na te lezen. Ik wil me gaan toeleggen op columns, op actuele gedichten en beschouwingen. En Gewichtkijkers natuurlijk, dat hoofdstuk gaat voorlopig door.
De Gewichtkijkers gaan door
En toen belde Patricia op. Met een heleboel goed nieuws. Ik ben er blij van. Ze gaan een huis kopen, buiten in de vrije natuur, met fruitbomen en veel land, met ruimte en mogelijkheden, dus een droomhuis op een droomplek. Ik hoop dat het doorgaat. Ik gun het haar/hun zo! Toen Roland bij hen was, zijn er leuke herinneringsfoto’s gemaakt. Ik plaats er eentje:
Mauritz Brands, Patricia Viguurs en Roland Maas.
Hier staat ze met haar vrienden van weleer, nog uit de ABBA-tijd. Met zo’n dochter ben je toch alleen maar een gelukkig mens? Ik hoop dat haar vader net zo blij met haar is als ik dat ben. Je vreugde ligt in je kinderen, hun is de toekomst. En je gunt ze een mooie, blije en beschermde toekomst, ja alle dagen van hun leven mogen mooi en goed zijn. Je ontkomt nooit aan verdrietjes, soms groot verdriet, maar je mag streven naar een blij leven voor je kinderen, dat is reëel en heel natuurlijk. Ik heb mijn kinderen lief.
14.23 uur. Net teruggekeerd van de markt, vermoeid maar ook voldaan. 2 heel mooie kledingstukken gekocht, feestelijke hesjes, en geluncht in Le papillon. Het was er niet rookvrij, bah, alles riekt naar vieze sigarettenlucht. Ik ga douchen en was mijn kleren. Het was maar een volkse bijeenkomst, daar in dat lunchcafee met al die rook. Daar ga ik niet meer lunchen, noch verpozen voor een versnapering of drankje. Zo leer je de publieke rustplekjes kennen die bij je passen. Mijn voorkeur gaat uit naar De Vereeniging, al is dat wat ver weg om er vanaf de markt te voet naartoe te gaan. Kijk, en zo houd je jezelf gaande, in leven. Met de kleine dingen die op je oude dag groot geworden zijn, zoals een marktje bezoeken. En die 2 tekkels bekijken, langharige, die ter plekke mijn hart stalen. En de Stevenskerk binnengaan, die wijd open te bezichtigen is op de vroege maandagmorgen. Ik was verrast van de trouwkapel, die trouwklaar te wachten stond, met verse rozen, witte, en kanten strikken aan de rieten stoelen. O romantiek, wat heeft de mens je nodig!
En nu ga ik theedrinken en dan mijn middagdut houden. Dat is het voordeel van je oude dag, je hoeft je niet te schamen voor een verkwikkende dut overdag. Vind ik.
Zaterdag 27 mei.
Wat zul je je vermoeien midden in de nacht met je dagboek? vraag ik me af. Maar ja, er zijn altijd wel grote of kleine zaken die je wilt vastleggen en je bent tóch wakker. Ik kreeg bijvoorbeeld gisteren van R. een hartveroverende kaart met een invoelende tekst erin geschreven. Ze respecteert mijn besluit, schrijft ze. Ze zal streven naar de echte vreugde die in het geduld ligt, volgens Franciscus. Ze schrijft ook dat ze in het belang van de groep zakelijk contact met X. moet onderhouden. Ze besluit met Vrede & Alle Goeds. Het is een gedwongen afscheid, maar het moest wel, alleen al om de rust in mijn en haar ziel te handhaven. Je wilt niet oneerlijk omgaan met de mensen, met niemand. Ja, het is een hele mooie kaart en de moeite waard ze hier te plaatsen:
© 1997 Hummingbird by Jane Crowther
En gisteren kwam de volgende mail van Rieke binnen, die ik hier graag afdruk vanwege het authentieke karakter en mijn eigen goede herinnering aan waar ze over schreef:
Zo, ik ben even weg, samen met mijn man. Ja, we zijn 28 mei 4 jaar getrouwd. En dat moet je toch even vieren, nietwaar? Hopelijk wordt het weer wat beter, dan hebben jullie het ook goed, want wij blijven in Nederland, in Onnen. Je kunt het adres zien op www.geenhotel.nl. Kijk onder Drenthe of onder Groningen: Onnen, ‘De Leemgaard’, Bed & Breakfast. Het lijkt mij heel gezellig. Aanstaande maandag of dinsdag zijn wij weer terug. Het is dus maar voor even. Paddy gaat mee én onze fietsen, dus ook de nieuwe vrouwtjesfiets! Liefs, Rieke.
Toen Rieke & Wim gingen trouwen, reden zij in een open auto naar het kasteel van Heeswijk. In de gewelven hebben wij allemaal feestgevierd, o het was zo leuk. Eerst vond de huwelijksplechtigheid plaats, wat waren ze mooi, de bruid en haar gom, en zo aandoenlijk lief met elkaar. Pater Frans Boddeke hield een heilige beschouwing, natuurlijk pas na de woorden van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand. Ik had een gedicht voor hen geschreven en dat heb ik in de prachtige, stampvolle kasteelzaal tijdens de toespraak van Frans voorgedragen, het was dit gedicht:
VAN SAMENGAAN
~
Toen heb ik je gezien, alle dagen
Passant met hond, mijnheer met hoed
Een milde glimlach, praatje, groet
Zo heb ik je gezien, en het was goed
~
Toen heb ik je gezien, alle dagen
Ze kwamen en ze gingen, net als jij
Je woonde in een straat, bij mij
Zo heb ik je gezien, van heel dichtbij
~
Toen hebben we gesproken op zo'n dag
We deelden alle tinten van het leven
We wisten ons verbonden in ons streven
Zo hebben we gesproken op zo'n dag
~
De deur ging open naar de toekomst
van geluk en samenzijn; van tederheid
en weten wie jij bent; van hoop vervuld;
van dankbaarheid; van vreugde om het leven
~
En duizend bloesems hebben onze lach gehoord
De mooiste mensen kennen ons geheim
De liefste dieren zijn de zwijgende getuigen
De allerliefste moeders bidden God om ons geluk
~
Zo mogen onze wegen over duizend rozen gaan;
we houden van elkaar bij zoet en pijn; ook
tuinen zullen bloeien als de winter komt; ik
heb je lief, mijn lief, zo zal het altijd zijn.
~
(Ine Verhoeven - Kasteel Heeswijk, 28 mei 2002)
En nu zijn ze samen alweer op hun 4de huwelijksreis(je). Tempus ruit, hora fluit: De tijd snelt voort, het uur vliegt heen.
Op mijn Engelse tafelklokje, dat ik geërfd heb via wijlen mijn broer Nic van mijn moedertje zaliger, staat in sierlijke krulletters te lezen: Tempus fluit. De tijd vliegt. Het is dus al een hele oude waarheid die ik aldoor verkondig over de wegsnellende tijd... Maar ik beweerde het altoos puur vanwege de ondervinding, elke dag opnieuw. Enfin. Ik zocht dus B&B De Leemgaard in Onnen op en het ziet er zó gezellig en knus uit! Ben benieuwd naar het verhaal als ze terug zijn.
![]()
Vanmorgen was ik in de binnenstad voor enkele boodschappen. Bij C&A wipte ik op de terugweg even binnen en kwam met een leuke jas naar buiten, 25% korting en dat was fijn, want het kreng was peperduur. Die jas was nodig vanwege het weertype.
Het regent de hele dag door: van die lange, natte pijpenstelen. Het waait met harde vlagen. Iedereen is een beetje ontredderd, zo lijkt het wel. Op mijn balkonnetje zat zelfs een verregende ekster. Drijfnat was hij. Arm dier, ik kon niets voor hem doen, maar hij vloog toch weer op en wég.
Ik heb zeer genoten van mijn zicht op Nijmegen vandaag. Ik zat in een hoekje van de serre van ‘t Hoogstraatje koffie te drinken en zag hoe de mensheid zich te voet en per auto voortbewoog. Het leek me gehaast. Op de achtergrond ontsierde Museum Het Valkhof op zijn eigen lichtblauwe wijze het stadsbeeld. Het is een oerlelijk ding, wordt populair De schoenendoos genoemd, maar je kunt het wellicht nog eens gaan waarderen, als je er maar lang genoeg naar kijkt: het gaat om de gewenning, denk ik.
President Bush en de Engelse premier Blair hebben hun confessie gehouden tegenover de wereld. Ze geven eindelijk toe dat ze fouten maakten in de kwestie Irak. Wat is het waard? Het is allemaal politiek spel. Ik vertrouw ze niet. Het voelt allemaal helemaal niet goed. Als ze Iran maar met rust laten. Het is een en al oorlogsdreiging. En de mensen maar bidden voor vrede, ja, dat doe ik ook. Maar je moet zélf de vrede maken en de vrede behouden. Dat geldt ook, nee, voorál voor de president van Amerika, die toch heeft bewezen dat hij met grove leugens tegenover de hele wereld destijds Irak is binnengevallen. Het elitaire machtsplaatje deugt niet, hoe je het ook wend of keert, het deugt niet. En nu ga ik slapen, het is diep in de nacht. Je kunt biddend in slaap vallen, heb ik gedacht. Maar of het helpt? Amen.
De Ram houdt van doorzichtigheid, is eerlijk en rechtstreeks.
Donderdag 25 mei.
Het was een heerlijke eucharistieviering, vanochtend. Je kunt zoveel kracht opdoen en inspiratie als de viering mooi en doordacht is. De preek was perfect, het was een rijke hemelvaartpreek, eigentijds, reëel en gelovig tegelijk. Dat gaat heel goed samen. En het slotgedicht was voor veel aanwezigen een hart onder de riem. Ik plaats het ter herinnering:
O als je niet meer bent
~
O als je weg zult zijn,
je geest gegaan zal zijn,
o als je ziel verdwenen is
uit je verstilde lichaam,
o als je niet meer bent,
van hier gegaan zult zijn,
dan nog zal ik je kennen,
zal ik je noemen bij je naam.
~
O als je weg zult zijn,
je niet meer voelbaar bent,
er nog maar tasten is en jou
niet vinden, o als je niet
meer bent, je nog maar letters
bent, je nog maar foto bent,
dan nog zal ik je kennen,
zal ik je weten met mijn hart.
~
O als je weg zult zijn,
je nog maar droom zult zijn,
je nog maar beelden bent die
óók vervagen, o als je ogen
niet meer lachen en hun kleur
vergeten is - gestorven mooi,
dan nog zal ik je kennen,
doe ik je leven waar ik ben.
© Ine Verhoeven
Veel mensen namen de tekst mee, voor zichzelf of voor vrienden of voor nog andere zieken op hun afdeling. Jo was ook gekomen. Hij zei: heel indrukwekkend. En ik denk dat hij het meende, want hij vocht aangedaan tegen moeilijke tranen. Ach ja mensen. Wij mensen. We moeten elkaar bemoedigen met de inhoud van ons hart. Niet met allerlei nonsens, waar je alleen maar moe van wordt, maar met de schone dingen van je innerlijk. Je moet elkaar dragen en behoeden vanuit je ziel. Dan zijn er geen leugens meer, geen diefstal nog, dan is er geen bedrog hoe dan ook. Want je ziel bedriegt jou niet. Je eigen lieve ziel is je raadgever, de allerbeste die er is. Maar moeilijk is het leven wel. En daarom dus zou je moeten leven vanuit je ziel. Dan word je van God en je kunt het leven aan. Dat hele, vaak ongemakkelijke leven, dat van alle mensen complex genoeg is. Maar de praktijk is anders dan hier theoretisch wordt neergeschreven. Ik weet het wel. En dus moet je beginnen met barmhartig te zijn, telkens opnieuw barmhartig te zijn. Voor de ander, maar ook voor jezelf. Gek, toen ik zaterdag bij de kapper zat, besefte ik ineens dat je daadwerkelijk goed moet zijn voor jezelf. Want waar haal je anders je levensenergie vandaan behalve uit je voedsel? Een mens leeft niet van brood alleen. In de bijbel staat de hele waarheid. Je moet je naaste liefhebben als jezelf. O ja, ik kocht gisteren het boekje: Wim Houtman in gesprek met Antoine Bodar: Ongeordende liefde. Ik vind het een geslaagd werkje, vooral vanwege de verrassende kijk van Bodar op homoseksualiteit en op de Kerk. Ergens behield hij een fris gemoed, geloof ik. Ik begin hem nog aardig te vinden ook. Mensen! We zijn mensen! Jazeker. Jij en ik. Én godje Bodar.
Maar hij verdient een goede pers met dit boek. Ja, een vreemde vogel is hij wel, maar wie schrijft en denkt en zijn ziel laat kennen, ís een vreemde vogel. Dat item geldt voor alle schrijvers en voor allerlei andere kunstenaars. Zo’n vibrerende mens heeft het niet gemakkelijk. (Ik spreek uit ervaring.) En toch, toch is het goed kunstenaar te zijn. Je kent daarmee alle menselijke facetten van het leven, de pijnen en de vreugdes, alles subtiel en grof genomen, gemixt en per stuk gezien. Je kent het innerlijk van mensen beter dan de oppervlakkige doemens. Maar is dat een pré? Ik denk van wel, al wordt je leven er als fijnbesnaarde gevoelsmens en tegelijk intellectueel niet gemakkelijker op. Ik denk maar wat. De zon is gaan schijnen, wie weet tot wanneer? Grauw is de hemel en ik vind het mooi. Ik hoor het geweeklaag aan om mij heen, de mens wil zon en warmte. Maar de stralende zomerdagen komen nog wel. Het geklaag komt voort uit ongeduld. Als ik buiten in de wind loop, of in de regen, dan voel ik het leven bruisend nieuw. De wind waait nieuwheid door je haar, de regen wast je ziel. Ria Berkelaar weet precies wat ik bedoel. Zij beleeft de regen en de wind, zelfs de storm zonder de zon net als ik: als een verfrissende schoonheidsbehandeling van God, die ons hart reinigt en bemoedigt. Als de zon schijnt, dan is de wereld wéér anders, o lieflijke zomerzon. Maar als ze niet schijnt, dan moet je het doen met wat de natuur je du moment aanreikt. Geloof me, dat is alleen maar mooiheid, en je ontvangt altijd nieuwe kracht om door te leven. Kijk eens hoe de bomen zwieren in de wind! Luister eens naar de zang van hun bladeren! Één groot, schoon schouwspel! Dat moet je doorzien, dan ben je blij met elk weertype. Geen regenachtige somberheid zal nog tot je doordringen. Probeer het eens uit. O, het is zo goed, zo goed. Laus Deo! Amen.
Woensdag 24 mei.
Ergens in de jaren ’70 kocht ik een porseleinen beeldje in Arhus, Denemarken, het heet Dancing Girl. Ik was dol op dat beeldje, nog steeds. Het stelt een meisje voor dat haar rokje ietsje optilt en danspasjes maakt. Het kind heeft vlechten om haar hoofdje en oogt lieftallig. Later in de tijd van de jaren ’70 bracht Patricia een ander beeldje voor me mee: May. Ook een lieftallig meisje, maar zij heeft een poppetje in haar arm en een kapje op haar hoofd. En ook dit exemplaartje koester ik nog altijd. Ik denk dat beide beeldjes mijn innerlijk raken door de herkenning van het prille meisjesschap. Je ziet a.h.w. je kinderdromen in de beeldjes terug, ze waren je vroegste dromen vol van vertrouwen in de mensheid en in de wereld om je heen, die toentertijd nog zo beschermend leek te zijn. Die beeldjes relateren ook aan de meimaand, vind ik, de meimaand die nog tamelijk fris en jong in het jaar is, de 5de maand immers, en ik zie de 2 aandoenlijke kinderen die nog fris en jong in het leven staan.
![]()
Ineke, zomer 1944
O vroegste tijd, waarheen ben je weggevlucht?
Je ging zo snel, zo snel voorbij, had je je tijd niet
om te blijven? Je sleepte mijn kinderwezentje mee,
en weg, en ik werd groot, misschien te groot, zou
dat kunnen? O vroegste tijd, je bent geweest, niet
meer dan dat; met jou ben ik voorbijgegaan, ik kind.
![]()
Ja, zo kan een mens de dingen voelen, de dingen die geweest zijn. Altijd zal er de hunkering bestaan naar al het schoons dat had kúnnen zijn. Ik vermoed het. Missen we niet méér de dingen die nooit werden waargemaakt dan de dingen die er wel zijn geweest? Het is een menselijke trek. Ja, ik vermoed het.
En dan, ach het is waar, heeft mijn franciscaanse medezuster X. eindelijk toegegeven dat ze op hardnekkige wijze niet eerlijk tegen me is geweest. Toen viel de ballast van me af. Ik dacht: goddank, eindelijk gerechtigheid. Zo’n confessie doet wonderen, heb ik gemerkt. De hekel die je intussen ging koesteren, verlaat je. Ik raakte meer open, mijn ziel werd rustig en ik kan weer mooie dingen gaan schrijven, zo voelt het. Oneerlijkheid wringt mijn geweten stuk, ook die van anderen. Oneerlijkheid knaagt aan je ziel. Als je je bedrogen weet, weet je je onteerd. Iemand bedriegen, is iemand onteren. Mijn leven was doorspekt met andermans leugens. Als je ouder wordt, herken je de leugens. Je kent het proces van andermans leugens, je herkent de leugen bijna meteen. Mensenkennis wordt het wel genoemd. Ervaring is het, anders niets. Enfin. X. heeft een punt, zij het minimaal minnetjes, en misschien bekeert ze zich nog eens. Ongelofelijk dat iemand die 9 jaar lang de landelijke bolderkar met biddende ouwetjes en kletsende wijfjes heeft getrokken, zich op háár oude dag nóg steeds stukloopt op haar eigen leugens. Maar ja, de spanning en de actie rond het laatste Xibillijnse gebeuren is niet vruchteloos geweest. Ja, het leven is nog hoopvol genoeg. Ik wil graag nog veel beleven, maar wel graag veel aan moois en goeds. Wie niet?
Maandag 22 mei.
Toen ik vanochtend wakker werd, stond me helder voor de geest dat ik R. een brief moest schrijven. Ik heb destijds mijn vrijheid bevochten én verkregen, die vrijheid mag geen mens me afnemen, ook niet indammen. Vrijheid is kostbaar. Noodzakelijk. Vrijheid en ‘n open levenshouding zijn de 2 grondtonen voor evenwichtige mensen. Evenwichtigheid is voor de mens broodnodig om zijn dagen soepel te zullen beleven. O, het valt niet mee de juiste grondhouding vast te houden, maar alleen al het pogen naar het betere is de moeite waard, het geeft je zelfvertrouwen, maakt je meer mens.
Nijmegen, 22 mei 2006
Vrede & Alle Goeds
Lieve R.,
Het volgende moet ik je eerlijkheidshalve schrijven, en ik kies voor schrijven vanwege de duidelijke formulering en het serieuze karakter van het onderwerp. Het is niet leuk, maar wel hard nodig. Wellicht strekt het besluit ondanks de huidige pijn ons beiden in de toekomst tot nut en heiliging.
Zoals onze vriendschappelijke situatie zich heeft ontwikkeld in de loop der tijd deed het me aanvankelijk heel goed. Maar intussen is X. te overdadig aanwezig in al onze telefoongesprekken. Dat geeft op zich niets. Het heikele punt voor mij is echter dat zij niet mag weten dat wij al lange tijd erg goed met elkaar omgaan, dingen bespreken met elkaar, dat jij bij mij een paar keer op bezoek was en dat wij samen naar Kevelaer zijn geweest e.d.
Het voelt niet langer goed. Een zwijgplicht creëert onrust. Dat wil ik niet. Ook in mijn digitale dagboek moet ik er veel te veel rekening mee houden, én in mijn eventuele reacties op haar acties, hoe dan ook.
Ik kan dat niet, R. Het is mij te dubbel, ik houd dat niet vol. Kijk, als ik breek met X. om haar ‘streken’, moet ik zelf geen gelijke ‘streken’ gaan uitvoeren zoals bijvoorbeeld met jou de ergernis delen die onomstotelijk gepaard gaat met haar persoontje, in contact, daad en verschijning.
Ik denk dat je dat wel inziet, je hebt een sterk geweten, net als ik dat heb, trouwens. Het doet een mens geen goed om in het geheim met elkaar om te gaan, dat deugt in feite niet. Ik wil openlijk kunnen leven, zonder spanningen, en het onderwerp (X.) is me de stress en het ongenoegen niet waard.
Ik maakte ampele overwegingen en vind het beter je te schrijven dat we in vrede en in goedheid elkaar het beste toewensen en we in het belang van allen voortaan onze eigen weg gaan.
Het mag je goed gaan, lieve R. Ik vind het jammer, dat is waar, maar dit is het beste voor ons beider gemoedsrust én voor een gedegen levenshouding. Beide komen tot stand met zuivere afwegingen en eerlijkheid.
Alle liefs, Ine
![]()
Ik denk dat het probleem aankijken en bij de naam noemen van belang is voor een gezonde leefomgeving, voor iedereen. Het is nooit leuk mensen te confronteren, maar soms móét het gewoon. Enfin. Als het goed is, leer je van je fouten, hoe dan ook. Het is de levensles vanuit ons lot, die ons vormt tot wie we (geworden) zijn.
Alles hoort bij het leven, het leven hoort bij alles. Niets kun je loskoppelen, alles is 1.
Zondag 21 mei.
Heerlijk was vandaag het bezoek van de kinderen. Knus en huiselijk en heel familiaal. De jongens worden groot. Het gaat rap met de tijd. En je bent verbaasd om de snelheid en het gemak waarmee ze hun eigentijdse ontwikkelingen in zich opnemen. Kijk eens hoe gemakkelijk ze omgaan met de computer, dat is toch een verwonderlijke, snelle aanpassing? En ja, af en toe strubbelt er onderling iets, bijvoorbeeld toen de oudste op de pc zijn voetbalspel wilde spelen en de jongste er feitelijk als eerste achter zat. Dat gaf gehuil. Maar oma kwam in actie. Zij wist in de la van de slaapkamerkast nog een miniatuurvoetbalspel, onlangs gekocht in Kevelaer, en de kleine man was alweer tevreden, heel tevreden zelfs: hij vond het voetballen met dat miniatuurdingetje gewoon erg leuk. Hij zei het herhaaldelijk en ik zag hoe hij ervan genoot. Ja, mooi is zo’n moment van gelukkige vrede en wederzijds begrip.
Roland is bij Patricia geweest. Hij was in Zweden met het songfestival 2006 en bracht haar een onverwacht bezoek. Dat moet een feest zijn geweest, die ontmoeting! Ik werd er vanbinnen helemaal blij van toen ik het hoorde. Goeie, ouwe Roland. Ik hoop hem gauw weer eens te zien, te spreken, te omhelzen. Sommige mensen blijven in je hart getekend, hij is er een van. En wat tekenen betreft, is hij een meester. Hij tekende bijvoorbeeld de illustraties voor ’n Bloembak Blauwe Begonia’s. En in mijn schrijfkamer hangt zijn tekening van het boze jongetje dat een konijntje plet met zijn hamer. Ik schreef er ooit een gedichtje bij:
Grote broer
© 1994 Roland Maas
In: ’n Bloembak Blauwe Begonia’s, Frans Boddeke/Ine Verhoeven
Ik ben een konijntje
Zo’n klein, kwetsbaar konijntje
Mijn broer is groot
Hij slaat alle kleine, kwetsbare
Konijntjes dood.
© I.V.
Ach, het is toch alleen maar een gedichtje. Anders ware het inhoudelijk al te rigoureus. Al heeft mijn grote broer menig konijntje gekild en gevild. En gebraden en opgepeuzeld, ook nog. Maar dat is niet de intentie van dit tekstje. Het gaat om de woordspeling, om situaties die in gezinnen bestaan te laten zien in enkele lijnen. Je moet het ruim zien. Zoals je heel veel van wat geschreven staat ruim moet zien. Soms neemt men een tekst ál te letterlijk, of men betrekt de beschreven situatie op zichzelf, of op een bekende medemens. Natuurlijk gaat het in een tekst om de herkenning. Maar nooit om expliciet én verhuld naar iemand te wijzen. Dán noem ik liever man en paard. Al geldt natuurlijk onverkort het gezegde: wie de schoen past, trekt hem aan. Kijk, en deze kleine passage is de reflex op het bezoek van Roland aan mijn geliefde dochter. O, wat heeft een mens veel bagage te torsen, allemaal herinnering. Maar deze memo’s zijn mooi, gewoon helemaal mooi.
Vrijdag 19 mei.
Verrukkelijk was tot nu toe het meiweer, vriendelijk en toegeeflijk, ondanks af en toe een bui. Het is aan alle kanten feest geweest: Phily was jarig, ze werd vijfenzestig, en Patrick was jarig, hij vierde zijn veertigste, zij het op een geheel eigen wijze, vanwege de familiaal beladen herinneringen aan de dag van 18 mei. Maar in werkelijkheid is het een bijzondere, schone en heilige dag. Een dag die niemand heeft. Ik bedoel: zó bijzonder gekenmerkt is de dag voor hém, maar ook voor mij. Het is de dag van Nick & Berty & Patrick. Onvergetelijk voor wie erin was meegegaan. Ik zet de betreffende verjaardagsmailtjes hier neer, ik ben wat moe en het authentieke schrijven vergt momenteel te veel van mijn energie die een beetje op is. Uit de mailtjes zal de geschiedenis blijken, ze zijn mijn bijzondere memo’s, mij ter herinnering voldoende.
Subject: 18 mei 2006
Lieve Patrick,
Van harte proficiat met je 40ste verjaardag! Heel bijzonder, vind ik. Het is je 4de kroonjaar! Ik hoop dat er (langzaamaan, dus niet te vlug) nog een heleboel kroonjaren bij komen! En ik wens je van harte veel goed geluk, gezondheid en vriendschap toe. Ik ben blij met jou, met jullie! En ook een beetje (veel) trots! Je bent echt prima! Tot ziens! Dat hoop ik van harte.
Liefs, tante Ine.
Datum: donderdag 18 mei 2006 20:03
Hallo tante Ine,
Bedankt! Ja, echt heel lief. Ik ben echt blij dan we elkaar weer wat vaker zien, ik/wij vinden dat heel leuk. Ik had nog een leuk verhaaltje: toen we je in Nijmegen - met de Roll-Royce - thuis afgezet hadden, reden we al toeterend weg. Toen we bij het 1e stoplicht stonden te wachten, om rechtsaf Nijmegen uit te rijden, sloeg de auto ineens af. Wat bleek? De accu was helemaal leeg! Gelukkig kwam er iemand met startkabels uit de auto, en toen zijn we - met de airco lekker aan - toch heerlijk naar huis gereden. Al met al hebben we toch een kwartiertje bij je op de hoek stilgestaan! Ik heb er inmiddels een nieuwe accu ingezet, en de auto start weer prima. Nou, tot gauw maar weer! Gr, Patrick.
Vandaag regent het pijpenstelen. De wind waait bijna woest. Het is een oer-Hollandse, ouderwetse lentedag, o landje van regen en wolkengrauw! Zó gróén staan de bomen voor de flat te deinen en achter de flat gaat het bos in vol ornaat gebukt onder de regen. Wat is de natuur toch boeiend, ongeëvenaard en eigenzinnig. Zo goddelijk!
Ook Rieke’s mailtje wil ik bewaren in mijn dagboek. Alles ter memo en ter verblijding door de herinnering:
Sent: Wednesday, May 17, 2006 10:31 PM
Ha Ine,
Alles goed?? Het is zo stil! Vandaag heb ik nog een paar maal gebeld, maar je nam niet op, omdat je er niet was of lag te slapen. En de mailbox blijft ook zo leeg, zonder je mailtjes! Als ik de gewichtkijkers lees, gaat het wel goed met je. Is dat ook zo? Hier gaat alles goed, wel heb ik het heel druk. De Avondvierdaagse met Paddy, winkelen met mijn nichtje, fonduen met de hondenklas inclusief de juf van Paddy. Verjaardag van neef en zwager, voor de een moeten we naar Maastricht voor de andere naar Vlodrop. Repetities met de balletschool, de kapper, en we gaan volgende week op vakantie, weliswaar een korte vakantie, maar we gaan: naar Onnen, voor ons vierjarig huwelijk. En dan iedere dag stemmen op Paddy, dat kan tot zondag de 21ste. Hij staat goed, maar kan alle steun heel goed gebruiken. Laat ik hopen dat jij het iets minder druk hebt en wat meer tijd voor jezelf hebt. Gaat het met ‘gewichtstreven’ ook nog steeds goed? En hoe is het met Frans? Ik hoop snel weer iets van jullie te lezen, ik mis jullie. En met dat lezen bedoel ik niet de op de site, maar dat snap je natuurlijk wel. En ik moet toegeven dat bij mij het mailen er ook bij inschiet, buiten de gewichtkijkers. Tot lezens, horens of tot ziens? Liefs, Rieke
Sent: Thursday, May 18, 2006 3:02 PM
Ha lieverd, ja ik ben moe. Ik had drukke en lange dagen en veel bezoeken af te leggen. Gisteren ook weer heel de dag op pad en nog gelogeerd in Brabant vanwege 'n verjaardag, want ik kon niet meer naar huis, het was voor een terugrit veel te laat geworden. Ben net thuis gekomen.
Gewichtkijkers is hartstikke leuk, maar geeft veel intensief werk, natuurlijk. Dat vul ik dus weer aan als ik een beetje uitgerust ben. Lezen de anderen het ook, of niet? Er zijn zó weinig kijkers elke dag. Nou ja, ik vind het toch wel leuk hoor. Ik wens je veel succes met de stapperij van jullie 4tjes. Wat een schattig stel zijn jullie toch! O ja. Ik kan de pagina van Paddy niet meer vinden, ik kom er niet doorheen. Stuur je het adres nog even opnieuw? Voor de extra stemmen! Gisteren in Den Bosch wilde ik je nog even gedagzeggen, maar ik wist niet of je thuis was i.v.m. de wandelingen en ik was al erg moe. Volgende keer beter. Liefs, Ine.
Datum: donderdag 18 mei 2006 22:58
Gelukkig, wel jammer dat je zo moe bent. En de site kijken ze nog wel hoor. Ik probeer ook om af te drukken voor Francien, die vond het zo leuk dat je een kaarsje voor Tijgetje brandde. De site voor Paddy is www.pedigree.nl. Je klikt op foto’s Intratuin en ga dan naar Intratuin Rosmalen, rechts boven de tijd op 13.57 uur zetten; als het goed is, staat de tijd al automatisch op 13.40 uur. De eerste foto is van een vlinderhondje, dan komen er twee foto's van twee Pim-Fortuijnhondjes, dan drie foto's van Paddy, succes en stemmen maar! Hoe vind je het dat hij met de vierdaagse meeloopt, schattig he? Hij krijgt dus ook een medaille! Hopelijk is het morgen een beetje mooi weer en niet als vorig jaar, pijpenstelen regen, dat doet het nu al. Rust lekker uit het weekend, lekker naar het songfestival kijken, languit op de bank met een aardbeiengebakje en zo, dat mag best een keer. Liefs, Rieke
Ook de gezellige mail van Ria wil ik bewaren in mijn dagboek. Ria is een bijzondere vriendin uit Vinkeveen. Pater Frans en ik voeren eens met hen mee in hun Oude Jaap over de Vinkeveense Plassen, heerlijke herinnering.
Datum: woensdag 17 mei 2006 12:59
Dag Ine, met de foto van deze meerkoet begin ik mijn berichtje aan jou. Gistermiddag wandelde ik door het prachtige 's-Hertogenbosch, maakte een vaartocht over de Binnendieze en bezocht o.a. de St. Jan, in één woord schitterend, zat op een terrasje a/d cappuccino met een Bossche bol, dit alles met s' morgens een bezoek aan het Breierijmuseum in Tilburg, een lunch bij Moeke Mook in Appeltern en ‘s avonds het diner in Vught. Het was het dagje uit met de dames van Passage Chr. Maatschappelijke Vrouwen Ver.
Gaat alles goed met jou, Ine? Ik hoop het van harte en groet je bij dezen hartelijk, met lieve groet vanuit Ons Praethuys voor jou van Ria B/W. Dag!
Van X. kreeg ik nog een ansichtkaart, maar ik werd er alleen maar verdrietig van. Met groet, X. stond erop. Zonde van de moeite. Ik hoorde dat ze gekletst heeft, alwéér... Sedert haar toverkollenkaart uit Blokhus is het echt helemaal mis. Ik zou een magnifiek moraalsprookje kunnen schrijven: De Toverkol en de Petemoei. Waar 2 mensen kletsen over een 3de, deugt het niet. Dat heikele punt zou dan het thema moeten zijn. Het is van alle tijden. Je ziet het geklets gebeuren doorheen de gehele geschiedenis: mensen verdrijven elkaar door inmenging van derden, maar ook door domheid, ik noem het onbetrouwbaarheid, van een der betrokkenen. In dit geval zit X. fout. Ze kan haar mond niet houden, dat heeft ze nog nooit gekund. Maar ze moet het zelf tot in de finesses ontdekken én begrijpen, ze moet het volledig leren inzien. Anders redt ze het niet, niet bij mij, maar ook niet in andere kringen. Het is wat, zo’n praatgrage tic! Maar je moet elkaar kunnen vertrouwen in alles, in een vriendschap…
En last but not least ter memo het dankbare berichtje van Phily:
Datum: donderdag 18 mei 2006 14:49
Dag Lieve Zus,
Nee, het is nog niet te bevatten, van wat er gisteren allemaal is gebeurd. Ben echt heel verrast en blij en dankbaar voor wat Jij en Frans mij deze
gedenkwaardige dag hebben geschonken. Jo en ik hebben er nog lang over na gesproken. En dat zal nog wel vaak gebeuren. Ben dan ook dankbaar Jou, Ine, en ook Frans in mijn leven te mogen hebben. Groetje met dikke kus en knuffel van je zus Phily.
En verder rust ik vandaag wat uit van de vermoeienissen van de afgelopen tijd. Ik wist niet dat vrije-tijd-bedrijven zo vermoeiend kon zijn. Maar ja, er zit natuurlijk meer achter als je moe bent. Een mens leeft niet alleen lichamelijk, men leeft ook psychisch. En alles neemt energie af. Maar het leven is mooi, goed en de moeite waard. Ik zou alleen willen dat mensen in goede harmonie samengaan, altijd, overal. Het is wezenlijk belangrijk. Voor iedereen. Rust in het gemoed. Daar gaat het om.
Ter memo nog dit: Gisteren heb ik Heusden aangedaan. Het was er goed toeven, precies zoals ik het gewend ben. O stadje van herinneringen, wat ben je toch mooi.
En toch: Grave is me ook dierbaar. Grave is dichterbij. Grave is anders, maar ook de moeite van verblijven waard. Ik denk er vanmiddag nog even heen te gaan: ik moet toch op het postkantoor zijn. Iemand heeft al mijn bundels besteld. Door mijn gedichten in de Roerom. Mooi hoor. Ik ga ze inpakken en posten. Laus Deo! Amen.
Vrijdag 12 mei.
Als je met iemand bevriend bent, moet dat vreugde geven, geen stress, zeker geen aperte afbakening en helemaal geen sluwheid. Vriendschap schept de heerlijke rust vanuit de gedegenheid en de geborgenheid in elkaar. Vriendschap kletst niet. Vriendschap is integer. Vriendschap is vertrouwenvol samengaan. Ja, vriendschap stelt hoge eisen, anders kan ze geen vriendschap zijn. Kwaliteit moet je haar bieden.
Wat een verwonderlijke genade is het toch als je bevriend mag zijn met hoogstaande denkers. Als je in gerustheid mag omgaan en onverkort je kennis en kunnen mag delen met hen. Zo’n vriendschap komt je niet aangewaaid. Zo’n vriendschap is de vrucht van de hogere herkenning én van de zielsverwantschap. Zo’n vriendschap is kostbaarder dan goud en zilver, is verhevener dan alle aardse materie bij elkaar. Dat leer je beseffen doorheen de tijd. En je koestert van harte wat je lief is geworden, omdat het goddelijk uniek is, zó bijzonder. Omdat het onderhand het beste is wat jou in het laatste decennium van je veelbewogen leven is overkomen. Het leven is goed.
Girl With Dove by Laurencin.
En zo denk je je dagen door. En je bent begeesterd als de vrouw met de Vogel Duif. En je hoopt dat het allemaal nog heel lang duurt. En je weet dat je tijd eindig is als van alle anderen. Het belachelijke aan Harry Mulisch bijvoorbeeld is zijn uitspraak dat hij onsterfelijk is. Hij sterft niet, zegt hij. Bedoelt hij dat zijn woorden overeind blijven, dan kan ik hem volgen, maar de geruchten vertellen dat hij, volgens hem, lijfelijk niet dood gaat. Mulisch zegt dat, of heeft dat gezegd. Dán moet je wel iets waarmaken! Nou ja. Kan het hem eigenlijk iets schelen? Zijn naam is gevestigd. Merkwaardig genoeg vind ik zijn werk literair helemaal niet sterk. Ik vind het wel een veelheid. Hij schreef dus vele dikke boeken en vette verhalen, maar ze zijn m.i. niet boeiend genoeg, noch schoon genoeg geschreven. Is dat niet te stellig geponeerd? Misschien. Maar ik mag zeggen wat ik denk, wat ik vind, precies als ieder ander. Ik verdedig nu mijn ‘these’ een beetje, want eens sprak ik tegenover een kunstenaar uit dat het meeste werk van Rembrandt me niet boeit. Dat had gevolgen, zie je. O, ik kan ze wel aan, maar ik hoef ze niet, die gevolgen. Het menszijn is elke dag weer vermoeiend.
Oprecht zijn ook. Maar ik kan niet anders. Omdat ik een geweten heb dat spreekt.
Vandaag hangt een lichte sluier voor de zon. Af en toe schuift ze stil tussen de grovere gazen door. De hemel heeft vanmorgen iets bruidelijks. Iets zoets, iets liefs. O ja, het is de mooie maand van mei.
Ik ga aan de slag voor Phily, wil iets bedenken voor haar verjaardag op 17 mei. Ja, ze is een meikind, zoals men zegt, en dat maakt die dag in mijn beleving bijzonderder. Ja vriendin lief, we worden oud. Maar geen geweeklaag, want het is een gouden tijd, het is de tijd van de oogst. We mogen, we mogen: nog even genieten, nog even.
We mogen nog even genieten van de oogst.
Toen kwam Olivier in de vroege middag bij me aan. Voor koffie en heilige praat. De buurtjes zijn net thuisgekomen van een korte vakantie. Ze zien er allebei puik uit. Ja, de vrije tijd in de vrije natuur doet een mens goed, hun ook. Ook Olivier ziet er goed uit, trouwens. Hij gaf me 2 stralende, witte hortensia’s voor moederdag. Nou ja, ik vind het heel erg attent van hem, temeer omdat ik écht zijn moeder niet ben. Ja, zo zijn lieve vrienden: attent. Met zorgzame, haast vooruitziende blik… oh moederdag.
Het is warm vanmiddag, niet echt aangenaam, een beetje regenwarm. Er staat wel een zachte wind. De wolkenpartijen die voor de zon trekken, zijn veelvuldig. Het weer zou veranderen. We wachten maar af. En nu ga ik eens kijken of omroep Max iets aardigs te bieden heeft. Er was iets gaande met Catherine Keijl, maar wat? Ja, mensen willen weten, willen dingen weten. Het is hun ingebouwde natuur. En ja, je leert ervan. En je blijft een beetje op de hoogte van wereldse zaken. Het leven is niet alleen gebed. Gelukkig niet. Want bidden, is spreken met God. Dat kun je maar sporadisch volbrengen. Zelfs voor een kloosterling is bidden een kunst op zichzelf. Omdat ze mensen zijn zoals jij en ik, de kloosterlingen. Ik ga me verpozen met Max.
Een mooi slot van de vrijdagmiddag. Laus Deo. Het leven vandaag is werkelijk goed.
Donderdag 11 mei.
En de dag was weer wonderschoon. Het was zonnewarm, maar niet heet. In Grave was het romantisch toeven op de Markt, waar de terrasjes vol zaten met mensen van het goede leven. Bij Modehuis Bravour kon ik slagen voor 3 pantalons, toe maar. En ik dacht weer aan X. Het is een situatie die ik niet beoogd heb. En zo worstel je als zoekende, welwillende mens naar een oplossing om vrede te stichten en te kunnen behouden. Het liefste zou je de oude vriendschap nieuw leven inblazen, maar je weet dat alle pogingen voorheen op niets uitliepen en je wilt niet opnieuw slachtoffer worden van je eigen wensen, die niet kunnen worden ingewilligd omdat de ander zo heel anders geaard is, zo onverdraaglijk druk en opdringerig is, en zo vermoeiend... Soms is het vervelend een memorie te hebben, en soms is het alleen maar goed. Om de valkuil te ontlopen. Zo’n valkuil, die de ander altijd met zich meedraagt. Wat kan een klein mensenhoofd toch veel gepeins ondergaan, terwijl het hart blijft spreken.
Het is de educatie: je moet, je moet, je moet. Maar je moet helemaal niets. Je mág. Maar dat was in de vorige eeuw opvoedkundig niet toegestaan, hoor, je mocht dus helemaal niets. Je werd in de vorm gegoten van de ander, je zat in andermans mal, en je werd a.h.w. een kloontje van je makers. Zij hebben je gekneed volgens hun ijdele inzichten. Tot wat? Ik kijk om me heen en zie de mensen: de neurotische, de hooghartige, de banale, de opgefokte, de rustige, de ingekeerde, de drukke, de autistische, de gedistingeerde, de chique, de lompe, de stiekeme, de onbetrouwbare, de interessante, de luie, de strompelende, de vermoeide én de vermoeiende, en dan ook nog de ondoorzichtige mensen. Het is gewoon te veel om op te noemen, zoveel soorten mensen als er zijn. En iedereen is gevormd, gekneed, gemaakt, zeer onauthentiek. Wie destijds niet in de mal van de maker paste, deugde niet, want je eigen karakter hebben, dat kon toch niet? Wie heeft het niet meegemaakt? En wie heeft ervan geleerd dat het anders zou moeten, of in ieder geval anders zou kúnnen? Och, wat kan een mens peinzen, ik schreef het al. Maar wie denkt, die leeft. En wie leeft, die mag denken. En we leven in een democratisch land, zeggen ze. En als je je mond opendoet, zegt wat je denkt, vertelt wat je voelt, dan ga je voor de bijl, zeg ik. Ik bedoel dus dat democratie niet bestaat. Enfin. De leugen regeert. Op alle fronten. Wie dat niet doorheeft, is slapende of oliedom. En verder blijf ik stil. Mijn vogeltjes hebben het goed bij me. En mijn familie is al bijna over. Vrienden zijn schaars en de goede vrienden koester ik. Maar ik weet nog steeds niet hoe ik het drama met X. voor mezelf het beste oplos. Ik ben een goed mens met een geweten, zie je. Aangeleerd of niet. Gemald of niet. Ja, je droomt van een wereld vol van vrede en goedheid. Soms ga je tegen je eigen woorden in beroep. Mallotig, of niet? Nee. Wel gewetensvol. Ja. En nu ga ik slapen. De dag was lang en mooi en ik ben er dankbaar voor. Met geduld en een klein gebed kom je een heel eind, zeggen ze. En met een goede nachtrust kun je de nieuwe dag weer aan. Het gaat goed met me. Mijn bloeddruk was prima vandaag. Ik heb gisteren én vandaag kilometers kunnen lopen. Wonderen die je zelf waarmaakt, zie je, díé bestaan écht. Laus Deo!
Woensdag 10 mei.
Het feest van de Brabantse tocht was nog niet over. Op zaterdag kwamen Veronica & Joop ons afhalen voor een safari. Hun zoon Buck gidste ons en gaf perfect zijn rondleiding per boot, die langs de oevers met allerlei inheemse dieren voer. Onvergetelijke momenten heb ik ondergaan, met prachtige beelden van oogstrelende creaturen, vogels en boompartijen. Het was een feestelijke zaterdag met als dierbaar slot een diner voor vier. Ik bestelde lichtelijk onbesuisd zeeduivel van het huismenu en werd onpasselijk toen de harde vis werd opgediend. Ik at hem niet op. Neen. Ik heb alleen maar gegriezeld. Vervolgens werd de vis terzijde geschoven en de rest van het opgediende voedsel heb ik keurig opgegeten, want ik had erge trek gekregen van die lange, zaterdagse uren in de jungle. We zaten daar gevieren nog tot ver in de avond, dronken wat, praatten wat en luisterden naar het carillon. Toen hebben we de 2 lieverds dankbaar uitgewuifd. Alweer is ons samenzijn goed geweest. Rest de herinnering. Mooie herinnering. Lieve herinnering. Het kan niet anders zijn.
De volgende zondag zijn pater Frans en ik, na de ingetogen eucharistieviering in de majesteitelijke oude kerk, naar het Esbeekse cafeeke ‘In den bockenreijder’ getogen. Het makke ezeltje was er niet, maar de voerlui met de koetsjes en de paarden kwamen weer sierlijk aangereden. Als je zo in de zonnige mei langs de trotse golfvelden rijdt, door de bossen gaat en aankomt bij het bockenreijderslandje met zijn aardige nederzetting en vriendelijke onthaal, dan voel je je de koning te rijk. Gezondheid en ruimte, vrijheid en vriendschap, het zijn genades van een hoge orde. Rijker kun je als mens niet zijn. Ik heb ze alle geproefd. Ik heb ze alle mogen ervaren. Ik ben een zeer tevreden mens.
In den Bockenreijder, Esbeek
09.25 uur. Surprise! Patrick & Nathalie & Quinten komen straks met de Rolls Royce naar mijn bescheiden onderkomen in Wolverlei. Het is een stralende zonneochtend en ik verheug me op de komst van het drietal. Ze zijn geweldige mensen, goede mentaliteit, echte lieverds. Ik ben benieuwd: Patrick zei dat we uit rijden gaan. Ik kan dus mijn hoed opzetten. Wat een zwier!
21.00 uur. De zon staat rood aan de hemel en zinkt gestaag weg achter de huizen. De bomen voor Wolverlei staan met licht trillend bladgroen. Het stadsbeeld is vol van lente. Luchtig geklede fietsers zie ik langsgaan, en auto’s met open raampjes, een enkele keer met open kap.
Patrick & Nathalie & Quinten zijn gekomen en het waren heerlijke, verrassende uurtjes samen. Na de lunch gingen we onverwacht naar onze familieschilder Frans van den Heuvel, om Quinten te laten tekenen. Het was weer genieten bij kunstschilder Frans die behalve de dominicaan Edward Schillebeeckx ook pater Frans met zijn penselen heeft geschilderd.
Zij zijn allemaal de mensen die het leven de moeite waard maken, voor mij; die me nog doen geloven in goedheid en medemenselijkheid en in eerlijke sympathie. Je kunt met hen ongedwongen omgaan, zonder onnatuurlijke stijfdeftigheid, wél met aangename en schone franjes. Ik had mijn hoed opgezet toen we met de Rolls Royce vertrokken. Zo’n aangename franje bedoel ik dus óók. We hebben gelachen en genoten. Quinten viel op het zachte gezang van de oersterke motor in slaap. Het was een heuse luxe die we ondergingen tijdens de rit. En kunstschilder Frans maakte de middag met zijn gulle goedheid compleet. Hij heeft Quinten getoetst en zal hem tekenen. Allemaal positief. Wat heb je nodig om gelukkig te zijn? Geluk is altijd kortstondig, maar nodig, broodnodig van tijd tot tijd. Voor het evenwicht in je dagen.
23.00 uur. Had ik de laatste tijd weer enige hoop gekregen X. opnieuw te kunnen ontmoeten, kom ik vandaag weer tot de conclusie dat ze gewoon doorbanjert, precies zoals ze altijd en altijd alle tere weefsels en ontluikende beplanting onbesuisd stuk heeft gekastijd. Ik had juist een nieuw vredesgedichtje gecomponeerd toen ik ermee werd geconfronteerd. Wat is dan wijsheid, wat is dan vrede en wat is dan goedheid? Je kiest toch niet voor je eigen ondergang door iemands halsstarrige domheid te continueren vanwege je christelijke, of franciscaanse, welwillendheid? Kom nou toch!
Onderweg
Wij mensen klein zijn onderweg
naar het land van God.
Wij doen aan vrede waar het kan
ondanks het levenslot.
~
Wij mensen klein, wij weten niet
hóé dat lot ons leidt
langsheen de valkuil op het pad
van onze aardse tijd.
~
Wij mensen klein zijn onderweg
met het minnelied.
Ik wuif naar jou en jij naar mij.
Wie zoekt de ander niet?
~
Wij mensen klein, met hart en ziel
gaan wij tot elkaar
en maken onze vredesdroom
met wie ons lief is waar.
~
Wij mensen klein zien opgewekt
vrienden samengaan.
Het land van vrede wordt bereikt
waar goedheid mag bestaan.
© 2006 Ine Verhoeven
Dinsdag 9 mei.
Daar zit je dan met in een week tijd duizend schone ervaringen rijker en een lege pagina voor je om al het moois zo gedetailleerd mogelijk neer te schrijven. Waar begin je dan mee? Nichtje Magda was de 3e mei jarig en ze kreeg Fleuropbloemen van me thuisgestuurd. Op haar beurt stuurde ze me per e-mail een fotootje van de bloemen bij haar bedankje en er zat ook nog een hartelijke uitnodiging bij. Ik zal er binnenkort graag naartoe gaan. O, het is allemaal vreugde in het verschiet, op deze manier wél.
Naar West-Brabant waren we getogen, pater Frans en ik. Het gebeurde op vrijdag. We hielden eerst een daverende lezing i.v.m. de meimaand – herdenkingsmaand, zowaar ergens in die mooie streek. Het was te laat om huiswaarts te keren en in een soort klooster, dat pal naast de Brabantse dorpskerk ligt, hebben we overnacht. Pater Frans sliep in de kamer van Zr. Theresia en ik sliep in de ‘cel’ van Zr. Adriana. Hoe krijgen ze het in het Land van de Hilver allemaal verzonnen? Maar het is een ruim land, een licht land, een heerlijk land. Ik heb zaterdagochtend gewinkeld in de schaarse dorpswinkels en kwam heus dingen van mijn gading tegen: ik kocht 2 oogstrelende zomertruitjes met kleurig bloemmotief. Van pater Frans kreeg ik zomaar eau de toilette van Givenchy cadeau: als dank voor de schone voordracht tijdens de lezing en ter herinnering áán. Die herinnering is, achteraf, vooral gerelateerd aan de vertrouwenvolle kerkduiven die ’s avonds tegen de toren zaten te slapen en aan het heerlijke carillon dat elk kwartier lustig zijn lied zong. Het dééd me wat.
Zo‘n duif in het Land van de Hilver …
Dinsdag 2 mei.
De Boskapelse bijeenkomst gisteravond is geslaagd. Er waren ongeveer 35 deelnemers, de zaal liep vol en dat gaf ons als inleiders een extra stimulans ten beste. Het gecombineerde onderwerp werd aanvankelijk door mij betwijfeld, maar Frans liet het inhoudelijk schitterend samenvallen: we beschouwden dus de visionaire en godsdienstige overeenkomsten van Etty Hillesum en Augustinus. Die zijn er dus niet, hoogstens nauwelijks, dat vind ík althans. Je kunt de zielenroerselen van een oerkatholieke kerkvorst uit rond 400 niet relateren aan de levens- en godsvisie van een mystieke jodin. Ook niet als zij enigszins een christelijke invloed onderging. Maar dat is perfect naar buiten gekomen tijdens het intensief behandelen van de leesstof. Het gehoor was aandachtig, en aangenaam. Er werden nuttige vragen gesteld, en er werd meegedacht. De Boskapel doet het goed, heb ik gemerkt, er is jonge aanwas, dat is m.i. een onverwachte meevaller. Het was een ingetogen en tevens levendige avond. Sommige hoorders vonden mijn stem mooi, ook mijn wijze van voorlezen; dat te horen, gaf me vreugde - en hun natuurlijk ook. De stem van pater Frans Boddeke is trouwens ook niet te versmaden, hij heeft terdege gouden klanken in zijn keel. Met zijn stem en intonatie geeft hij de simpelste tekst schoonheid en glans, wordt de eenvoudigste regel een kunstwerk. Het is een gave, denk ik, een talent.
Ring. Ring. De telefoon ging. Het was Veronica. We gaan op Safari. Eerst varen en dan naar de leeuwen toe, en wat nog meer. Een vrolijke noot, zojuist. Wat is ze blij, en ik ook, trouwens. Ja. Zaterdag gaat het gebeuren. Ze zegt dat het een dag wordt met een gouden randje. Alle dagen met Veronica zijn dagen met een gouden randje. Dat is gewoon zo.
Nog even over gisteren. Ik kreeg een boeket met allerlei bloemen, van warmroze rozen tot lila akelei, van lichtroze anthurium tot een veelheid aan groen sierblad. De bos staat in de lichtgroene vaas van mijn moeder. Zo mooi. Frans kreeg een fles wijn. En er was applaus, het hield niet op. Waren de mensen zó opgetogen over de lezing? Blijkbaar. En dat maakt je dankbaar en stil. Ik schrijf het op om te onthouden. Want tegenwoordig is de herinnering vluchtiger dan voorheen. Het was zo leuk om te horen dat een aantal aanwezigen al mijn gedichten in De Roerom bijhouden, van alle jaargangen, en ze zelfs sparen. Ik hoorde de mensen daar zeggen dat ze aangeraakt worden door mijn teksten. Dat doet me goed, geeft me nieuwe moed voor nieuwe woorden en werken. Ach ja. Een mens moet ergens blij van zijn. Ik ben het van de blijdschap van anderen, vooral als ik eraan heb bijgedragen. Ook de woorden van Rieke, dat ik moest blijven dichten, schrijven en mailen, gaven me inspiratie, omdat ze ook aangaf dat het háár goed doet, zelfs rijk maakt, zo schreef ze. Heerlijk toch.
Ik kocht vanmiddag oorbellen van een schoonheid die me verraste, nu nog. Het is werkelijk bling-bling, maar zó móói! Ik wil er steeds weer naar kijken, zo zeldzaam mooi zijn ze. Olivier had me opgehaald, we zijn naar Druten gegaan, dat prachtige dorp vol majesteit. Ik ben er naar de kapper geweest, bij Popien. Het resultaat viel me helemaal niet tegen. En dat zeg ik niet zo gauw. We lunchten bij De Gouden Leeuw, jaja, alweer een gouden leeuw. Maar het was een lekkere pannenkoek. Met ananas en kaas. En Olivier had er eentje met tomaten. Ouderwets van smaak. Dus goed.
Mijn zusje Tonnie
Vanochtend belde mijn zusje op. Ze klaagde over haar ‘memory’. Herkenbaar. Ik klaag ook over mijn memory. Ze zei dat ze alles van belang voortaan op een papiertje schreef. Ik zei: ‘Dat doe ik ook, maar dan ben ik het papiertje weer kwijt.’ Toen lachte ze hartelijk en zei: ‘Ik stop het wél in mijn zak.’ En we lachten allebei. Ja, fijn dat ik een zusje heb. Maar veel lieve mensen van mijn bloed zijn ooit vertrokken naar het buitenland. Zij dus ook. Gelukkig is er telefoon en kunnen we elkaar bereiken. Die afstand is niet meer onneembaar en dat is echt fijn. En nu ga ik tv kijken, even iets anders aan mijn hoofd, licht en onzinnig. Ook dat heb je nodig. Voor het evenwicht. Ik hoor de vogeltjes nog kwetteren. Ze zijn al naar bed. Laus Deo. Amen.
Zondag 30 april.
Een lange zondag ligt achter me, met veel moeheid, maar wel met zeer mooie uren door de dag heen. De eucharistieviering in het GZG was ingetogen en met een rijke inhoud, schoon gezang en de preek was inhoudelijk erg sterk. Het mariale gedicht aan het slot van de viering sloot naadloos aan bij de marialiederen die het koor had gezongen. Het was een kille dag, ik had het onafgebroken koud en dat ben ik niet gewend, want in de winter bijvoorbeeld ken ik geen kou. Merkwaardig. Ik ben wat timide, merk ik, mijn doofheid gaat gestaag verder en ik krijg er steeds meer last van. Ik droeg vandaag mijn lichtblauwe hoed, zo was ik gewapend tegen de kou, het hielp iets. Bij Pilkington’s hebben de pater en ik geluncht. Het was gezellig en sfeervol, we keken uit op de Sint-Jan. Na de heerlijke lunch gingen we de kathedraal binnen. Daar was een mis gaande met prachtig gezang, ik denk door het Scholakoor, ik zag op afstand de jeugdige zangertjes met een dirigerende figuur. Engelenstemmen. Buiten liepen we in de Kerkstraat langs 2 zigeuners die een staaltje verrukkelijke muziek uit een tuba en een viool toverden: My way. Het kostte me 2 euro, want de muziek ontroerde me. Bij boekhandel Adriaan Heijen staat momenteel o.a. Einstein in de etalage. Pater Frans grapte iets over mijn boeken, waarvan er tegenwoordig helemaal geen te vinden zijn daar, zeker niet in de etalage. We gingen de markt over en via de Arena, die hooggesloten op slot was, naar de parkeerplaats. Er hing een rustige, zelfs merkwaardige sfeer in de stad. Van een bepaalde oude leegte die ik was vergeten.
… een van mijn boekjes, uitverkocht…
En zo ging de ochtend voorbij aan Den Bosch. In de vroege middag thuisgekomen, dook ik onmiddellijk mijn bed in en sliep tot zeker tegen 18.00 uur. Ja, ik ben moe, ik ben weer helemaal M.E. moe. Dat ‘ding’ overvalt me van tijd tot tijd en er helpt geen moedertjelief aan, want het euvel zit in je, je bent ermee aangemaakt en moet ermee leven. Dat doe ik ook. Ik dacht nog aan een voormalige vriendin. Aan de kleine dingen met haar die niet gewoon voltooid kunnen worden. Aan de problematiek die telkens ontstaat als ze iets onderneemt of voor je doen zal. Wat is dat toch een opmerkelijk verschijnsel. Jammer. Heel jammer zelfs. Ik had toch nog gehoopt op verbetering, maar dat was ijdel. Het gaat gewoon niet. En ik ben moe. Misschien zal het morgen beter gaan. Ik plaats mijn mariale tekst hieronder vanwege de meimaand die straks begint. Het is nu 23.00 uur. Vandaar dat straks.
Madonna van Rocamadour Frankrijk
Vroeger was u mijn Maria
In de maand van mei
En met uw Stille Ommegang
Was ik uw bruidje blij
Ik zie u nu alleen nog maar
Als ik ter beevaart ga
Ik spreek u nu alleen nog maar
Als ‘k bij uw beeldje sta
Vroeger plukte ik seringen
Voor bij uw beeltenis
En anjelieren nam ik mee
naar ‘t Lof en naar de Mis
Ik zie u nu alleen nog maar
In mijn herinnering
Ik weet u nu alleen nog maar
Als ik uw Lofzang zing
Vroeger bad ik het weesgegroet
Voordat ik slapen zou
En door mijn kleine rozenkrans
Was u mijn Lieve Vrouw
Maar tóch…
Nu zing‘k van harte u ter eer
Als ik ter beevaart ga
Nu spreek‘k van harte tot u weer
Als ’k bij uw beeldje sta
Geen mens heeft ooit mijn hart ontroerd
Als u, Maria mijn
En waar u in de hemel bent
Daar wil ik later zijn.
© Ine Verhoeven Nijmegen, 11 augustus 2005
Ik zal maar zeggen dat hiermee de meimaand 2006 wordt ingeluid. Och. De nostalgie gaat met je mee, daar ben je mens voor, immers? En verder zal de meimaand zich ontpoppen op eigen wijze. We zien het wel. Er zijn in mei vele herinneringsdagen en momenten aanwezig. Als ik het naga, dan denk ik wel dagelijks. Elke dag van mei heeft een herinnering, soms méér. Ja. We zien het wel. Ik ga slapen. Het leven is goed, al redt de wereld het slecht van tijd tot tijd. Je moet je best blijven doen om de schoonheid te scheppen die je eigenmachtig maken kunt. Het is nog steeds heel veel. Laus Deo! Goedenacht.
Dinsdag 25 april.
We zijn druk in voorbereiding op de lezing/bijeenkomst van maandagavond in het Augustijns Centrum. We zullen Etty Hillesum naast Augustinus plaatsen en de overeenkomsten in hun gods en levensvisie zoeken. Vanmiddag was het al hoog onderwerp van gesprek bij de zusters dominicanessen. We behandelden in onze bijeenkomst van vanmiddag enkele preken van Huub Oosterhuis uit zijn boek ‘Een geboren vreemdeling’. We ervoeren allemaal hoe diep zijn godsvisie gaat en hoe tastbaar die tevens is voor stervelingen als wij. Oosterhuis is een ware meester, profetisch en dichterlijk, de grootste ziener van ons land, zeg ik wel eens. Hij is sociaal, vredelievend en beschaafd tot in het diepste van zijn ziel. Je leest het, je proeft het, je ervaart het. O, het zijn heerlijke uren met deze groep, telkens weer. Moge onze heilige leesuren met elkaar nog lang bestaan. Dat hoop ik.
Het is warm. De lente heeft doorgezet, is gekomen en alles staat pal te bloeien in de zon. Kipje & Brokje staan op het balkon, ze kwetteren ter conversatie en hebben er ogenschijnlijk plezier in buiten te zijn. Die twee zijn mijn oogappeltjes. Wel ‘n raar fenomeen: een oude(re) vrouw die geniet van haar vogels en er van harte voor zorgt. Maar ja, zo tussen de nieuwe plantjes en bloemen geplaatst, bij de lavendel en de vergeetmijnieten, voor de rozenstruik en naast de sering, geven de 2 een vrolijk en compleet tuinbeeld weer, je wordt er gewoon blij van. Al dit kleine leven bij elkaar gezien, toont een wereldje van liefde en vredigheid. Een mens heeft het mooiere decor broodnodig, ook als herinneringstafereel. Het doet je goed.
Ik wil mijn vrijheid behouden. Mijn hele leven heb ik opgeofferd aan anderen, dat wil ik eventjes niet meer. Het is goed nu bij mezelf te blijven. De zorgen en het gekrakeel waarmee onnutte individuen me eens lastigvielen, wil ik niet meer ondergaan. Ik besef steeds inniger dat elk moment dat nog bestaat, kostbaar is, heel kostbaar. De tijd die nu zou worden opgesoupeerd aan nonsens, onvruchtbaarheid en slechte zorgen is weggegooide tijd, ja, hij zal verdane, verloren tijd zijn. Daarom wil ik vrij zijn, me bevrijd weten. Ik wil geen ketens voelen, geen ijzeren greep meer. Ik wil vrij zijn. Helemaal vrij. En dansen wil ik met wie ik liefheb. Praten met wie ik waardeer. Wandelen met wie ik nog gaan kan. Lachen met wie ik geloof. Reizen met wie met me mee wil. Ze zijn de vrienden van vandaag. Gisteren is voorbij. De vrienden van gisteren ook. En het wuiven ten afscheid hoort bij het leven. Alles wat aan je geschiedt, hoort bij het leven. Het kan mooi zijn en goed. Dan ben je een gelukkig mens, dan is het leven aan jou gelukt. Het kan ernstig zijn en lelijk, dat is te versmaden, maar je kunt het uiteindelijk ten goede keren, dat kun je zelf doen. Het bittere wordt zoet, zei Franciscus van Assisi. En het zoete uit het lijden is van God gekleurd, zeg ik. Omdat je de goede vrucht ervan plukt. Nee, ik hang het lijden niet aan, geenszins, wel de uiteindelijke ommekeer die lijden in je leven teweeg kan brengen. Wat is het menszijn gecompliceerd. Maar zeer de moeite waard.
Paddy doet mee aan een schoonheidswedstrijd. Nou, voor mij hoeft hij niet mee te doen, hij is vanzelfsprekend de mooiste hond die ik ken. Die dot is áltijd kampioen mooierik. Dat kan niet missen. Kijk ik hem in zijn oogjes, dan smelt ik. Zie ik hem lopen, dan lach ik vanbinnen. Wat is er mooier dan een hondje dat je blij maakt alleen al door er te zijn? Nee, Paddy heeft ongezien gewonnen. Zo is dat. En nu ga ik aan tafel. Mijn maag rammelt.
Dinsdag 18 april.
De oude miniatuursering op mijn balkon staat schraaltjes naar bloesems te pogen, ze loopt achter in haar bloei. De lavendel is helemaal dood. De rozenbottels van 2005 pronken vermoeid tussen jong, nieuw blad aan de kleine rozenstruik. De buitenvogels eten niet van de fruitbol. De kinderen van de lagere school krakélen, rennen, spelen en gillen onbeschroomd op het schoolplein, ik zie er geen enkel autochtoontje bij hen. Er hangt een geur in de lucht die bijna zoet is, ik ken die niet, maar het is lente, de zon schijnt licht en teder, ze is zelfs een beetje warm. Brokje en Kipje zijn onafgebroken druk bezig met het nestje aankleden. Dat wekt mooie verwachtingen bij het publiek, ik ben nieuwsgierig. Wel een zorg, die twee, ze komen nu niet naar buiten, vliegen dus niet rond. Rustig afwachten toch maar.
Gisteren brachten we ons paasbezoek aan Margarethe. We hebben een paasbrunch ondergaan en met veel plezier, Miets en Floor hadden er voor gezorgd, heerlijk genoeg en gezellig. We hebben gekeuveld, ik houd er wel van, en naar Margarethe gekeken die er weer prachtig uitzag. Het was een knusse ronde kring aan tafel. Er lag een met rozen geborduurd tafelkleed van Margarethe’s hand op en we hanteerden een romantisch oud serviesje. Een kleine, roze engel met Forever Friends op haar jurk geschilderd was het cadeau voor de 2 jarige Rammen van april. De engel was beeldig gesitueerd met een haasje en een bloem. Een schoon paastafereel ter memo. Voor Margarethe hadden we Engelse thee meegebracht en ook nog originele fudges omdat Miets en Floor er zo van houden.
Als ik dacht dat ik vroeg zou slapen in verband met de enorme inspanning van de lange reis, dan had ik me vergist. Het werd diep in de nacht voor ik eindelijk sliep. ‘n Raar mechanisme. Maar Pasen 2006 is om blij aan terug te denken. Ook, en vooral, aan de eucharistieviering in het Carolusziekenhuis, het was een bijzonder feestelijke en moedgevende dienst. Willy zong enkele liederen solo, waaronder ook het evangelie, het was heel bijzonder. De stoelen stonden in cirkels geplaatst bij het altaar. De kapel was druk bevolkt. De zieken waren content, ik kon het zien en voelen, ze waren ingetogen en toch niet zwaarmoedig. Het is geweldig goed en mooi en een grote genade je bijdrage te mogen leveren aan een eucharistieviering, alzeker met Pasen. Het is daar een goede vrijwilligersgroep, een goede sfeer en blije mensen, telkens weer. Dat alles alleen al maakt je leven zinvol.
Intussen is het weer stil geworden op het schoolplein. De zon is warmer en de gele tulpen in de glazen vaas staan paaslijk aanwezig te zijn in mijn kamer. Brokje en Kipje gaan onvermoeid door met reepjes scheuren van papier, ze steken de reepjes steeds tussen hun veertjes, en het hele grondje ligt ermee bezaaid. Af en toe hippen ze in en uit het broedhokje. Ze kwetteren naar elkaar, wat zeggen ze?
Momenteel is het goed voor me in eenzame rust te vertoeven, mijn hoofd is doof. Dat aftakelende gehoor van mij is geen zegen. Ik hoop dat het heel langzaam zal gaan. Oh hoofd, wat ben je kwetsbaar. Of zeg ik beter: oh mens, je moet het leven helemaal ondergaan? En toch is het mooi. Zelfs in de aftakeling is schoonheid te ontdekken. Ik geef toe: moeizaam en eigenlijk helemaal niet, maar toch, als je goed kijkt, door de dingen heen kijkt, is er altijd weer een schoonheid aanwezig. Ik denk dat zelfs in het sterven de schoonheid overwint. Gek hè, maar ik denk het wel. Doof zijn is onaangenaam, maar wie er de positieve kant van bekijken kan, legt zich er gemakkelijker bij neer. Ja, je wereld wordt kleiner en kleiner, maar is dat eigenlijk niet alleen maar goed? Je hebt toch in je nadagen geen power meer om met de wereld om je heen mee te willen of kunnen doen als met een jong hart? De berusting maakt rijk, niet armer. En nu heb ik het wel eventjes gehad, voor vanmorgen, met al die wijsheid. Zelfs denken maakt moe. Och ja. Het leven is mooi, ik blijf het zeggen. Als de zorgen er maar niet zijn, als je maar vrij kunt denken, onbelemmerd in je dagen kunt staan. We moeten goed zijn voor elkaar. We moeten zuinig zijn op elkaar. Mensen hebben mensen nodig, af en toe, soms, even, maar ze hebben elkaar wel nodig. Ik ga de dag in. Alles komt goed. Je kunt bij een onverkwikkelijke doofheid altijd nog luisteren met je hart. Dat heb ik van het leven geleerd, luisteren met je hart. Is er iets mooiers dan dat?
Woensdag 12 april.
Miets is jarig en met Pasen zie ik haar en Floor weer. Ik kocht leuke cadeautjes in de stad, ook voor Margarethe. O, het was vandaag precies zo’n dag om een mooie hoed te gaan kopen; het werd een lichtblauwe vilten met opstaande rand. Toen ik in de spiegel keek bij Capello, zag ik mijn moeder. Het is waar, ik treed in haar voetspoor qua uitstraling, maar dat is alleen maar een mooie gedachte, er valt niets te betreuren bij een dergelijke gelijkenis. Ze was trots en mooi en markant. Ik denk dat ik alleen trots en een beetje markant ben, maar dat is ongeveer 2/3de part van haar eigenschappen, hier vorenstaand genoemd. Ja, je moeder is toch te allen tijde je oerbron geweest, en dat blijft ze. Je kunt er niet omheen, je wilt er niet omheen. Het is een goed gevoel, je hebt immers je moeder, hoe dan ook, gekend? Er zijn zoveel mensen die dat niet kunnen zeggen, bijvoorbeeld wezen, vondelingen of weggegeven kinderen. Hoe ouder je wordt, hoe meer je haar liefhebt. Ongeacht hoe je leven met haar is geweest. Wat zijn mensen interessante maar ook gecompliceerde mieren, denk ik wel eens. Hoezeer verandert je mensbeeld doorheen de tijd. Hoezeer verandert je visie op de wereld, op de mensheid, op de normen en waarden; op het geloof van onze voorvaderen, en toch ook weer niet. Zolang je leeft, leer je van het leven. En dat, wat onbereikbaar is te verkrijgen, deel je zelf maar uit, omdat het je goed doet en je wilt de wereld om je heen alleen nog maar mooi en in orde laten zijn. Strijden is voor de jongeren, die hebben nog veel te doen, te leren, te beseffen, te vergaren. O, het leven valt niet mee, maar soms wel, en daar doe je het allemaal voor. Je wilt een goede wereld en je draagt je steentje bij zolang je kunt. De wereld is het erfgoed van onze kinderen en hun kinderen. Ze verdienen een goede wereld, geen puinhoop, geen verdriet, geen armoe, geen honger, geen dorst enzovoort. Ze verdienen een wereld van liefde, van vrede, van toekomst. Maar ja. De mensen zijn altijd geweest zoals ze altijd zijn geweest en ze zullen altijd blijven zoals ze altijd zijn geweest: in alle soorten en maten, en anders niet. Dus bouw je je wereld rondom ten beste op en je maakt er een vredesparadijsje van. Voorzover mogelijk.

www.smiliez.nl
Het heilige perspectief van de Goede Week, die gaande is, is Pasen. De 2 boetevieringen in Catharinahof en Huize Rosa zijn excellent verlopen, wat geeft je dat toch telkens weer goede moed! Van zuster Ferdinanda kwam een schattige paaskaart, geel/oranje met een wit haasje, binnen: Een Zalig Paasfeest wens ik je van harte toe. ’n Paar rustige dagen met zon, vrede en vreugde. Tot ziens en hartelijke groeten, Toos (ze tekent met haar meisjesnaam vanwege de vriendschap). Ja, ik kan natuurlijk niet alle paaswensen noteren, net zomin als mijn verjaardagskaarten, wat was het een hoop dit jaar! Ik ben een gelukkig en tevreden mens, ik weet dat alles betrekkelijk is, maar nú ben ik content tot in mijn ziel. De dag was goed, de vriendschap was/is goed, de wandeling was goed, en ik heb de Waal gezien tussen de huizen door… en dat is heel bijzonder, vind ik altijd.
Ik ben intussen benieuwd hoe Sybil het maakt. We hoorden al heel lang niets meer van elkaar. Ik had een time out nodig, die maar niet wilde lukken. Maar nu is de rust weergekeerd en ik kan weer ademhalen, opgelucht en wel. Ach ja, soms verloopt een omgang ál te beklemmend, dan neem je de benen om niet te stikken of verstrikt te geraken in andermans web, hoe goed bedoeld dan ook. Als je dat allebei welwillend én begripvol doorhebt, komt het goed. Anders niet.
Dochterlief Patricia met zangeres Annika Trish tijdens het Zweedse songfestivaloptreden 2006 in de Globe te Stockholm. Patricia heeft o.a. het geluid verzorgd, ze is naast mondhygieniste ook nog geluidstechnicus. Ik mis haar momenteel nogal, daarom plaats ik haar foto hier, en nú. Dan is ze toch een beetje bij me. Ach ja. Ze woont ook zo ver weg.
~
Gisteren was ik bij Phily. Het was erg gezellig, als vanouds, zal ik maar zeggen. Alleen Blacky de kat heeft ze nog om zich heen. We hebben a.h.w. knusjes wetenschappelijk achter de pc gezeten, we hebben theegedronken en paasbrood gegeten, we hebben fantasievol gebrainstormd over haar komende verjaardag, 65 alweer. Die zal goed worden, vast en zeker. Deo volente, natuurlijk, maar ik vertrouw erop.
High tea and the best memories with Phily.
Kortom, we hebben ouderwets gekeuveld, het deed me goed. Ook nog foto’s gekeken en aan Annemarie teruggedacht. Ach ja, het zijn een heleboel herinneringen die je koestert, dat gegeven delen we samen en het doet me goed. Mensen hebben elkaar nodig, zeker nu, in deze levensfase. Mooi eigenlijk, als je elkaar dan blijft herkennen in lief en leed. En mooi ook, als je weet dat het je gegund is te zijn die je bent. Dat is wederzijds. Fantastisch toch. Tel je zegeningen, schreef ik onlangs in een gedicht. Ik tel ze graag, en ik koester ze van harte. Het leven is mooi, bij zonneschijn maar ook als het weerlicht en dondert. Er is altijd weer een nieuwe dag te beleven, met nieuwe hoop, nieuw perspectief. En als dat allemaal niet meer is, dan is de tijd voorbij. Maar ik hoop wel, dat dát nog heel lang uitblijft. Oh tijd! Oh onbarmhartige tijd! Maar deze hele dag is goed geweest. Daar ben ik dankbaar voor. Laus Deo. Amen.
Zondag 9 april.
Gerard Reve is overleden. De schrijver is dood. Gisteren is hij, dement en afgetakeld, ingeslapen. Grote geest, nihil nog. Wat hebben we genoten van zijn geschriften, zijn gebeden en gedichten. Wat waren we ontdaan, ik vooral, als we zijn teksten voorlazen die het publiek deden blozen. Soms moest het wel, want we behandelden zijn leesstof. Ik voel bij de herinnering weer de beklemming in de zaal, men was nogal rooms en behoudend in die dagen. Eerlijk gezegd, geneerde ik me rot. Het was ook zó indringend wat Reve te berde bracht, zoals God in de ezel, of een tekst over masturbatie terwijl hij dacht aan God. Eens moest ik in een interview aan een homoseksuele monnik vragen of hij, dit laatste aangaande, zich herkende in Reve’s godsbeeld. Die vraag was me redactioneel met nadruk aangeleverd, ik vroeg het hem dus, maar met veel schroom. De monnik had er geen enkele moeite mee, ik als interviewer des te meer. Maar och, we zijn volwassen, immers? Je bent, in mijn geval, een vrouw van het woord en álle woorden tellen. Maar toch, dat gênante, hè?
Maar nu is hij dood. De grote literator is niet meer. De volksschrijver is over. Vanavond wordt op tv een uitgebreid programma over hem aangeboden en er komt een tweegesprek uit 1991 van Antoine Bodar en Gerard Reve. Ik denk dat ik alles maar op de video opneem, het is zonde om iets ervan te zullen missen. En dan: zijn vriend heeft hem publiekelijk de hemel in geprezen. Gerard Reve stierf bij het vallen van de avond, bedoelde hij daarmee te zeggen bij de ondergaande zon? Doodgaan in Vlaanderen. Die Van het Reve toch. Maar waar is waar: ik vind het chic.
Het is vandaag, nog steeds, Palmpasen. Vanochtend was de viering in Huize Rosa imponerend integer. Het was een speelse, maar héílige mis. Het levendige effect kwam waarschijnlijk door de 4 vrouwen die de priester begeleidden naar het altaar. Ik weet het niet, ik vermoed het. Het lijdensverhaal werd verteld en de preek was geestvoedend en leerzaam. Weer een zondag om gelukkig mee te zijn. Ook al mis ik de kinderen, dat is nu eenmaal zo, af en toe speelt het je parten. Maar daar ben je moeder voor. Een wit nonnetje begon er bij de koffie over. Ze wilde me lieftallig vragen hoe het met de kinderen ging? En dan ga je ongewild nadenken. En dan denk je o.a. aan je dochter die in Stockholm woont en nooit komt. En dan mis je haar onmetelijk. Al geef ik dat niet gauw toe. Vandaag wel.
Ineens was ik moe, na de maaltijd ging ik slapen, ik was helemaal op. Dag zondag met je mooie zonnetje, je heerlijke wind en je frisse hemel. Ik heb vanavond nog gewandeld, Olivier was meegegaan. We gingen de houten trappen op en af en liepen langs De Looimolen en het dierenparkje Kobus. De nieuwbouw is klaar. Ik weet niet of ik het complex mooi vind of niet. Ik houd het erop dat het er goed uitziet. Maar lelijk zijn de witte, plastic stoeltjes die de bewoners in de serres hebben staan: fóéilelijk zelfs!
Maar ja. Misschien komen er nog bloemen en planten voor? Dat mogen we hopen, want dit is geen gezicht. Ik ontving van Rosemarie een beeld van een kaart. Ik wil hem hier ter memo plaatsen, ik ben er zo blij mee.
© 1997 Jane Crowther
Website: bugart.co.uk
En de kaart komt uit Spanje, hartstikke mooi. Ik kreeg eens een kleine blauwe libel van haar, het was een broche, ook uit Spanje. Rosemarie weet precies wat ik bedoel, dat blijkt alleen al hieruit. Vandaag is ze jarig, ook nog. Proficiat! En leef nog lang! Hoera! En nu ga ik tv kijken, het gaat, zoals geschreven, vanavond over Gerard Reve. Laus Deo! De dag is helemaal goed geweest.
Zaterdag 8 april.
Het was een week van veel mooie wederwaardigheden. Mijn kleinzoon verjaarde, hij werd 10 en dat maakte dus zijn eerste kroonjaar. Ik gaf hem symbolisch een groen eurobriefje van 100, zo in de trant van 10 x 10. Hij was verrukt en verbijsterd tegelijk: ‘Ik kan het niet geloven, ik kan het geloven!’ Hij keek en hij keek. Dat briefje was van hém. Het was voor hem écht veel. En ik werd beloond met zijn prachtige reactie: een kind dat blij is, verbaasd is, verguld is, wat wil je nog meer? ‘Zijn de winkels open, mam?’vroeg hij. Nee, die waren niet meer open. ‘Maar waarom?’ ‘Dan gaan we die schoenen kopen, we zouden toch nog schoenen gaan kopen?’ Zijn mama lachte en zei dat deze centjes voor hem alleen waren. Gouden momenten, omamomenten om te koesteren: O, mijn kleinzonen. Met Bertram ben ik naar de abdij van Berne in Heeswijk geweest. Een zaligheid. De oude magnolia, die ik jaren geleden heb beschreven in een interview voor Vroom & Vrolijk, maandblad voor homoseksuele gelovigen, stond daar tot berstens te pronken. Wat een schoonheid met die talloze, zwangere knoppen! De nostalgie speelt me parten, altijd weer, als ik de abdij nog maar nader. Heilig zijn de herinneringen. Ik was in 1994 kind aan huis bij de witheren. Frans Boddeke schreef toen zijn boek ‘Een bloembak blauwe begonia’s’. Hij was destijds een klein half jaar in de abdij om zijn sabbat te houden; dat ging gepaard met het schrijven en samenstellen van zijn/ons eerste boek. Zodoende was ik vaak in de abdij, want ik schreef gedichten en redigeerde het boek in die tijd. Ja, boeken en bidden maken de heerlijke herinnering aan de abdij van Heeswijk. Vele zondagse uren heb ik er jaren later nog doorgebracht, compleet met profane maaltijd en de zondagsborrel vooraf. Ik heb er grote vrienden aan overgehouden; ik heb de witheren leren kennen; ik heb met hen gelachen en gebeden; we hebben samen het goede woord gesproken en het goede ten leven gedeeld. Jarenlang concelebreerde pater Frans zondags in de abdij. O, die stoet heiligen zal ik nooit vergeten, witheren en gastpriesters, allemaal mannen van God die de kerk betraden, baden en zongen en ernstig de mis opdroegen. En er was altijd de communie-uitreiking onder twee gedaanten. Mooi om aan terug te denken in deze aprilse veertigdagentijd zo vlak voor Pasen 2006.
Ik kocht daar in de boekwinkel weer veel te veel intrigerende boeken en lieflijke bloemenkaarten natuurlijk, ik kan het niet laten, maar er zijn weer mooie cadeautjes bij voor mijn liefste medemensen. Och, mensen blij maken, het doet je zo goed. In de koffiehoek van de winkel ontmoette ik Theo Groot Zevert. ‘n Heerlijk weerzien na de afscheidsceremonie in de Lucaskerk. Hij wist dat ik jarig was geweest. Ik beloofde dat hij bij een eventueel volgend feest (Odes en Lyriek) ook werd uitgenodigd.
Donderdag werd de boeteviering voor Pasen gehouden in Catharinahof. Het was zoals altijd een zeer ingetogen en ontroerende dienst. De tekst heb ik in de zijlijn van de hoofdpagina geplaatst onder Liturgie. Wellicht hebben anderen er liturgisch gezien nog plezier van?
Het blijft april met gure wind en grijze wolkenmassa, maar ik vind het heerlijk. Ik denk erover vanmiddag naar Intratuin te gaan, mijn lavendel is gestorven, te vroeg gekortwiekt want maart was te koud. Lavendel kan ik niet missen, lavendel bekoort altijd door. Zou het een Franse gene zijn, nog van mijn overgrootmoeder geërfd? Het is leuk mijmeren in die geest.
Ik hoop dat mijn oudste broer een woordje in mijn Gastenboek wil schrijven, ik zou het optimaal waarderen, ik vind dat zo heilig, zie je. Ik heb hem ontmoet op de begrafenis van A. Het deed me grote deugd hem weer te zien, het was erg lang geleden en de sferen waren niet goed. Maar we hebben gearmd in de stoet meegelopen, we stonden bij de kist en we waren weer goed. We waren in de vrede van Christus verenigd. Daar word je dankbaar van. We moeten zuinig zijn op elkaar. Alle mensen moeten zuinig zijn op elkaar. Dan wordt de wereld goed om in te leven. Dan wordt de mensheid met liefde bekroond. Och, hoop doet leven.
Maandag 3 april.
Het wintert nog wat na, zo lijkt het, zo voelt het. Ik droeg desondanks mijn grijze lichtgewicht mantel naar De Vereeniging, vanochtend. Bij de vroege thee in het theaterrestaurant besloot ik Wiebe en Elisa op te bellen om te vragen met me mee te gaan naar de markt. Ze hebben immers eindelijk tijd om leuke dingen te doen nu ze allebei gepensioneerd zijn? We spraken af bij De Olifant, dat is voor mij precies de plaats waar de markt aanvangt met bloemen en plantenverkoop. Vanaf half 12 banjerden we langs de kraampjes, zochten naar pantoffels voor míj, want de vogels hebben mijn laatste nieuwe uit China kapot gepikt. ‘Geen pantoffels, mevrouwtje, het is een fout seizoen voor pantoffels.’ ‘O! Dan zal ik zélf maar tijdelijke noodnachtsokjes met zooltjes erin breien.’ Ach, en je lacht wat samen. We wandelden via de Houtstraat naar m’n favoriete hoedenzaak Capello, die was om half 1 nog wél even gesloten. De gasterij De Blonde Pater zat bomvol, we togen dan maar richting De Heerlijckheid. Bij 3 warme melk, ieder 1 beker, vertelde Wiebe van zijn jeugdtijd in Friesland, rond de beginjaren ‘70. En we zongen fluisterzachtjes ‘In een Dokkumer lokaaltje’. Ik herinnerde me onze eigen aardige familieritten door Friesland, ook in de jaren ’70. Reden we soms richting Dokkum langs het hoge water, dan zongen we steevast ‘In een Dokkumer kanaaltje’. O, dat was leuk, we gingen van Buitenpost naar Leeuwarden, we gingen binnendoor en genoten van alles wat Fries was. En al dat Hindeloopen stukgoed: niet te versmaden folklore. Prachtig was het. En ja, Hindeloopen zelf, natuurlijk, en nog zo veel plaatsjes meer. Och Friesland, Friesland. Wat ben je mooi! Wiebe geurde en kleurde en vertelde met vurigheid en smaak. Hij overdreef. Maar het was gezellig. De tomatensoep ter lunch smaakte verrukkelijk en de rosbief op de bruine broodpil met de groene sla ook. Elisa kocht in de stad nog een eau de toilette van Givenchy: Amarige d’amour. Lekker fris geurtje, fijn als bloemetjes. Met mijn verjaardag had ik eenzelfde flesje gekregen van Diny & Harrie. We struinden rond bij de boekhandel Dekker van de Vegt en hielden onze kooplust in. Er ligt nog zoveel te lezen thuis.
En aldus verstreek de tijd van maandagmiddag 3 april. We leefden. We liepen. We dronken koffie. We waren gelukkig. En we snoepten niet. Geen van drieën. Bijna had Wiebe me blij een bloeiende hazelaar geschonken, voor op het balkon. Het prachtding zat in een grote pot, en die was echt veel te zwaar om mee te nemen. Toch lief van hem. Ik zal hem in gedachten planten, die hazelaar, in een tuin die nooit zal bestaan. En toch weer wel. Je maakt je eigen tuin, je eigen wereld, je eigen schoonheid rondom. Nu is mijn balkon de plaats waar steeds een roodborstje landt en rondhipt en pikt … naar wat eigenlijk? Nee, een balkon is echt geen tuin, maar verderop gekeken zie je de molen met zijn draaiende wieken en het kleine maar volle bomenbos: wat een rijkdom, wat een landgoed. Hoe wil je het zien?
In het Theater aan de Parade van Den Bosch was het gisteren Wereldkinderfeest. Ik heb er zó ontzettend genoten! Kleinzoon Flemming zong zijn lied op het podium van de Pleinzaal, samen met een bevriend zangertje bij het spel van een bevriend gitaristje. O, dan gaat je trage omahart sneller kloppen. Maar ook de kleurige Tiramisugroep op de hoge stelten is vermeldenswaard. Een zondag om niet te vergeten. Met 2 kleinzoons om op te vreten. Ja, ik heb ze lief.
Ik plaats hier graag mijn nieuwe aprilgedicht, dat ook bij aanklikpunt Actueel op de homepage staat. Gisteren geschreven.
Ranonkelachtige: de boterbloem
April
April, jij maand van jong gemoed
Van wijde lucht en wolken grauw
Van regen, sneeuw en hagel.
~
April, jij maand van gras en groen
Van zon en maan en lentekou
Van tere sluierbloesem.
~
April, jij maand van aardegeur
Van struiken nog niet aangekleed
Van treurwilg en ranonkel.
~
April, jij maand van grilligheid
Van ijs nog in het polderland
Van nachten zonder zwoelte.
~
April, jij maand van veulens klein
Van lammetjes en boterbloem
Van klavers langs de sloten.
~
April, jij maand van perspectief
Van oude dood en pril begin
Van opgestane vreugde.
~
April, jij maand van overgang
Van land van God en eeuwigheid
Van nieuwheid in de mensen.
~
April, jij maand van levensmoed
Van vrolijkheid en gulle lach
Van zonneschijn en bloesjes.
~
April, jij maand van tederheid
Van kindertijd en hoogbejaard
Van jong en oud in vreugde.
~
April, jij maand van allerlei
Van donderkop en blauwe lucht
Van zon en Gods genade.
© 2006 Ine Verhoeven
Had ik al genoteerd dat ik bij Rieke & Paddy was? O, dat is een feest geweest. Ik was er zegge en schrijven een uur, 1 uur, en wat was het góéd. Ik voelde me thuis, zie je, helemaal thuis, zoals ik me vroeger thuis kon voelen toen ik in de Brugstraat woonde, of in Den Bosch bij vertrouwde vrienden op bezoek was, of bij mijn ouders destijds in hun villaatje in Vught. Ja, dat bezoek aan riek is goud waard, goud in herinnering. En ik schrijf dit met een dankbaar hart. Goede vrienden zijn kostbaar. Je moet er zuinig op zijn. Laus Deo. Dankbaarheid is voor vandaag mijn avondgebed. De dag is goed geweest en heilig.
Dinsdagavond 28 maart.
Hoe kan een mens zijn verjaardag vieren behalve met een voortijdige lunch in Pilkington’s? Het waren dan ook mooie uren met lieve mensen. Vanmorgen kwam het eerste telefoontje binnen uit Australië, Tonnie en Fer zongen opgewekt en eigenzinnig hun happy birthday to you. Er volgde vrolijk gebabbel en toen ernaar gevraagd werd, vertelde ik over de ingetogen begrafenis van A. en over de lunch erna, bij De Bolle Keizer, waarbij bijna het hele dorp te gast was. Het was een aangenaam gesprek. Daarna zijn we naar Tilburg getogen om Veronica te feliciteren, we hadden voor haar een rode hortensia en een heerlijk ‘tokkeltje’ meegenomen. Eenmaal onderweg naar Tilburg meende ik op de Wijchenseweg dat de kraan van het fonteintje thuis nog openstond. Gekeerd natuurlijk. De kraan was dicht. Maar de postbode had juist de post in de brievenbus gedeponeerd. Véél post. Móóie post. Líéve post. Wat wil je nog meer? In Het Jachthuus was het feest, natuurlijk, want daar is het altíjd feest, alleen al doordat de mensen die er wonen zo heel erg gastvrij én liefdevol én aandachtig zijn. Als je samen op dezelfde lijn zit, is het goed. Teruggereden was ik moe, viel als een blok in slaap boven op mijn gedekte bed. De boodschappendienst belde me wakker en de telefoon ging keer op keer. Mooie mensen die zomaar vandaag aan me dachten. En Maria kwam met de trein uit Apeldoorn naar me toe, ze had 3 engeltjes meegebracht. O symboliek. Kipje en Brokje hadden een kaart gestuurd met de volgende woorden: Nijmegen, 26 maart 2006. Lief bazinnetje, Kipje en ik feliciteren je van harte met je verjaardag. We klappen vandaag extra met onze vleugeltjes van plezier. We hopen dat je nog lang voor ons wilt blijven zorgen. We zouden ook graag 63 willen worden! Een prachtige dag! Een lieve groet, mede namens Kipje die nog niet schrijven kan. Brokje
Er was ook de mooie kaart van 2 lieve mensen uit mijn verleden die ik nooit vergeten kon. We hadden een band, we begrepen elkaar, er was ergens hetzelfde lot dat we ondergingen en dat alles vergeet je niet zo snel. Dit is de illustratie van hun kaart die ik koester, omdat er zoveel tederheid uit spreekt:
Design: Annie Meussen (Floris)
Ik plaats deze schitterende tekening hier ter dankbare herinnering. Er stond o.a. geschreven: Een hele fijne verjaardag met alle mensen om je heen die je lief zijn. Groetjes en knuffels van T. & T. En o, het doet me zo goed. Er waren heel veel mooie kaarten van heel veel mooie mensen. Ik zou alles willen vastleggen, noteren, maar de moed ontbreekt me wel. Dus zal ik alles bewaren in de kaartendoos, die een Engelse hoedendoos is die ik ooit van Asha heb gekregen. En zo ging de dag naar vanavond toe, met telefoon, het nieuws en GTST. Met voldoening en een beetje heimwee naar Zweden, maar dat is een ander verhaal. Ik ben moe. En blij gestemd. Lieve mensen: bedankt voor vandaag! Laus Deo! En goedenacht.
O ja, dit wil ik nog opschrijven: wie eens wil rondkijken bij http://www.deroerom.nl/ moet daar maar eens klikken op Deze maand. Er staan mooie teksten voor de paastijd 2006 te lezen. De moeite waard!
Vrijdag 24 maart.
Een mens is tot veel meer liefde in staat dan hij zelf nog maar vermóédt. Hoezeer kan iemand gelukkig zijn als hij liefheeft? En hoe vaak maakt onvrede, ik noem het onlievendheid, een mens tot een akelig wrak? Heilig is deze waarheid: De schoonheid van het leven zit in het liefhebben. Het is een godgegeven opdracht en bijbels gezien niet voor niets het grootste gebod: heb elkaar lief, heb lief zoals je zelf bemind wilt zijn. Op de dag van Anneke’s begrafenis kwam ik weer eens de volle waarde van deze woorden tegen, vooral in de ontmoeting met zulke mensen die ooit een deel van je leven waren, maar die door de tijd als losse zandkorrels waren verwaaid, soms naar heel ver weg, je wist hen niet eens meer... Je doet dan een verwonderlijke constatering. Je voelt dan weer de liefde die je als kind in je basis met je meedroeg, het vertrouwen dat je had in die toen nog voor jou gróte mensen. Ieder ging zijn weg, is op weg gegaan, ieder had zijn specifieke levensreis te doen. En ik zag het in gedachten zó gebeuren, toen we op het kerkhof ten afscheid langs Anneke’s lichaam liepen: De ballingen komen, zij keren in stoeten. Hun lied zal weerklinken, het lied van de morgen: de steppe zal bloeien, het water zal stromen, de dode zal leven: dode, dode, sta op. Het zijn maar geplukte citaten uit een profetisch paasperspectief, eens door Oosterhuis in een literair lied neergeschreven. Ik vertaal ze op míjn wijze, en slechts in deze context: Zo zal het altijd te gebeuren staan: mannen en vrouwen, vaders en moeders, kinderen en kleinkinderen, ze bestaan tijdgewijs telkens als een nieuwe levensstroom; de generaties komen op en bloeien voort, sterven af, een voor een, en de wereld draait door; onze doden zijn eens de levende de zaaiers geweest, de levengevers die de bestaande mensenmassa voorgingen. En alles aan leven is geënt op de liefde, zonder liefde bestaat geen levensvatbaarheid, is er geen warmte, geen vreugde, geen perspectief. En als je tenslotte als kleine mens je grote aandeel hebt geleverd aan het mooier worden van de aarde, al is het maar in je eigen kleine kring geschied, dan ben je geslaagd in je menszijn, dan ben je waarachtig mens geweest. Denk ik.
Maar het is goed elkaar terug te zien. Het maakt je, éventjes, minder eenzaam. Het maakt je, éventjes, meer mens. Als je elkaar tenminste hebt mogen begroeten, hebt kunnen en willen begroeten; dat is van wezenlijk belang. Hier kom je uit op het punt van liefhebben, van onbaatzuchtig kúnnen liefhebben. Van je oordeel laten varen, van je hart verruimen. Want één ding staat vast: zijn we niet allemaal ballingen, overgeleverd aan het lot, precies zoals het over ons komt? Jazeker. Neem er de tijd voor en beschouw je leven maar eens vanaf het begin tot aan vandaag. Hoeveel had je wél en hoeveel had je níét zelf in de hand? Ik bedoel: je zult gewoon bij jezelf blijven, je leven doen en onomstotelijk liefhebben. Het is een deugd die haalbaar is voor allen, ondanks karakterverschillen die er óók moeten zijn. Ik denk dat de wereld prachtig is geschapen, kunstig in elkaar steekt, kijk maar mee: alles klopt, alles is perfect, alles deugt, zelfs datgene wat op mensen niet positief overkomt. Gelukkig zijn we te klein om de waarheid der schepping te doorvorsen, ergens blijven we steevast steken bij ons gezoek en dat moet zo zijn, want we zouden maar goden worden die er geen raad mee weten, en we zouden onheil stichten, nog meer dan al is geschied. Het gaat om de liefde doen. Het is een wetenschap die de mensheid kan keren: Heb lief en je zult leven.
Dinsdag 21 maart.
En dan is er de lente. Met zo’n eerste lentedag in frisse kou en een zonnetje dat wil schijnen. Er gaan veel fietsers over de Wolfskuilseweg en ik zie daar wandelaars met honden en kindjes. Mooi is mijn uitzicht op het kruispunt! De bomen zijn kaal en bieden daarmee een ruimschoots uitzicht. Ik zit hier binnen, heel warm en beschut. De vogels vliegen rondom mijn hoofd en rusten af en toe op mijn haren. De vogelkalender van Tonnie hebben ze aangevreten, mooie herinnering, ik zie ze steeds samen broedselen, alsof ze een nestje willen bouwen. Ze plukken katoen en zijde uit sommige kussentjes en zacht papier wordt ijverig versnipperd. Ik houd ze uit de grote kamer, vooral vanwege de klok. En het Mariabeeld heeft ook al geleden, de 2 kroontjes hebben geen glanzende pareltjes meer, maar wel nog doffe kraaltjes. Enfin, wat verkies je?
Agapornis
Gisteren was een memorabele dag. We hebben thuis afscheid genomen van Anneke. Lieve Anneke, mooie vrouw, edele inborst, prachtmens. Voor mij is ze een onbeschadigde ziel. Ze was mooi in haar ontluistering, zoals ze daar te rusten lag, waar was haar ziel? Op reis misschien? Onder het schilderij waarop God zijn heelal bestiert, lag zij neer. Sereen is de herinnering. Sereen, precies zoals ze zelf is geweest als mens en vrouw. Sommige mensen zijn heilig van nature. Levenskunst ten top.
Toen ik, vóór het vertrek naar H., aan tafel zat te ontbijten, was daar het roodborstje, hippend en trippend en pikkend naar voedseltjes op mijn balkon. Ik was verbaasd, ik zie niet veel vogels op mijn balkon, behalve vorig jaar in mei en juni, toen was het erg druk, en ineens was dat over. Wég waren ze, de vogels. Waar waren zij heen? Wondere wereld der natuur. Mooi te beseffen dat we er allemaal deel van uitmaken. Precies als dat prachtige roodborstje, teer van vachtje en kleuren. En we leven en bloeien op, en we sterven en gaan voorbij, zoals het met alles en allen gebeurt. Wonderlijke schepping, ondoorgrondelijk perfect. Wie was je maker? Ik noem hem God. En dat roodborstje, ja, dat zit verankerd in kleine tekens van grote vreugde. Al ben ik met tekens voorzichtig.
De viering voor zondag is in orde gemaakt en op de website http://www.ineverhoeven.tk/ onder Liturgie geplaatst. Misschien kan ik liturgen ermee verlichten? De tekst mag worden benut. Het nieuwe aanklikpunt Gewichtkijkers is een leuk item om aan mee te werken. Wie weet wie je redden kunt van overgewicht? Jaja. Spielerei heet dat, mét nut.
En nu ga ik aan de huishoudslag, mijn huisje verfrissen, de was opruimen. O, alles wordt nieuw. En jeetje, ik ben binnenkort alweer jarig. Tijd o tijd. Wie ben je toch?
Aan tekens gerelateerd, denk ik vaak aan dat ene moment achter het huis van Sybil, toen die prachtige libel op mijn hartstreek neerzat. Hij zat en ging niet weg, het duurde en duurde. R. zei dat dat uitzonderlijk was, want een libel zet zich niet op mensen. Ik weet niet of dat waar is, maar bijzonder was het wél. Dat ene libelse moment was dé kostbaarheid die Sybil me ongeweten aanreikte in die dagen. Zo zie je maar weer.
Brokje en Kipje zitten nu bovenop de boekenkast. De snippers dwarrelen als sneeuw omlaag. Daar gaat straks de stofzuiger langs. Wat dóén die beesten toch? Ach natuurlijk, het wordt gauw Pasen! Ik ben benieuwd.
Zaterdag 18 maart.
Vandaag demonstreert de SP op het Museumplein in Amsterdam tegen de Amerikaanse ‘preventieve’ oorlog(splannen) van Amerika tegen Iran. Amerika is krankjorum en Bush riekt intussen naar een onheilige beul, een hypocriete christen: God, bless America. Wie verstaat zijn streven nog als positief in deze dagen, en na alles wat hij in zijn ambtstermijn alreeds aan doffe geschiedenis heeft gemaakt? Kijk naar Irak. Je hart bloedt om de chaos! Arme mensen. Arm land. En Bush is niet te stuiten, hij daast maar door. Zíjn Amerika staat bankroet te kijk voor de hele wereld, maar hij wil een oorlog aangaan, hoe dan ook. Stóp die dwaas! Sláápt de mensheid? Verhef je stem en ga ertegenin! Het gaat de groten der aarde om macht, om geld, o ja, het gaat hen zéker om een bloeiende economie, om werkverschaffing en gros, maar wel middels strijd, sterven, vernietiging en afbraak. Och, waar dienen oorlogen anders voor dan om achteraf de vette rijkdom binnen te halen o.a. via de wederopbouw van ingestorte werelden, alles ten koste van zovele weggevaagde mensenlevens? Oorlog spekt de schatkist, maakt oweeërs en nieuw-rijken. Enfin. Ik ben al stil. Voor mensen als jij en ik rest slechts te bidden: Van de ondergang, red ons, Heer! Geef Amerika een méns als president. Amen. Amen. En we zullen alles weer gelaten ondergaan, want het staat tóch te gebeuren en de machtigste stem geldt. O, het is allemaal onrechtvaardig, slecht en mensonwaardig! Desondanks moet je niet vrezen, angst helpt niet, maar bedenk: het leven bestaat met al zijn facetten, de goede en de slechte. Het is kome wat komt. Je bent maar een kleine en machteloos.
Ik wil graag noteren dat de bijeenkomst van de OFS op de voorbije woensdagochtend een verademing is geweest. Het is een erg goede ploeg van wijze mensen, mensen die nadenken, dúrven nadenken. Ik ben er dankbaar voor. Er zijn ándere tijden geweest, maar nu is het góéd. Het boek De mystiek van Franciscus - De macht van barmhartigheid staat ter lezing en discussie. Auteur Hans van Munster ofm is een knappe professor maar ook een uitgesproken taaie schrijver. Je treft veel onoverkomelijke zinnen aan in dit boek. Daar krijg je wel bijzondere gespreksstof door. Ja, zie je, alles heeft zijn nut.
Op de homepage staat onder het gastenboek voortaan het aanklikpunt Gewichtkijkers. Het is een slimclub naar een initiatief van Rieke. Wie discreet en enigszins gedisciplineerd wil afvallen of op gewicht wil blijven, doet dat met elkaars bemoediging via de e-mail. Het is leuk en geeft geen strikte verplichtingen. Wat wil je nog meer bij zo’n heikel onderwerp als je gewicht? En we streven aldoende naar gezondheid. Jaja. We zullen zien - en af en toe lezen.
Maart 2006 is van de winter gemaakt. Ik haal mijn hartje op. Winter. In Zutphen was het eergisteren ijzig koud, en wat heb ik ervan genoten! Gisteren woei het pakkend streng. IJlte ging over het waterland, langs de Waal, de Maas, de Ooijpolder. En dan zie je in de tuin naast het grafje van Kleine-Kraal een enkel krokusje half uit de grond gekomen. Nog even wachten, dan mag je bloeien, jij. De lente komt heus.
Woensdag 8 maart.
De maand maart manifesteert zich, van mij uit schamel weerkundig gezien, op hoog maarts niveau. Gisteren was het volop winter, vandaag is de rust ingetreden én de dooi, ergens trilt het voorjaar, je voelt het, je ruikt het, ook al is de hemel grijs. Ik denk terug. De kleine bloemen rondom het huis van Veronica & Joop zijn wit, geel en blauw. O, een lentetuin bloeit daar al op in hun Tilburgse Jachthuushof. Je kijkt ernaar en wordt er helemaal blij van. De ganse dag van gisteren stond trouwens in het teken van de vreugde. Je bent met de trein naar Tilburg getogen en wordt er onmiddellijk beloond met warme vriendschap, familiale genegenheid, welgemeende hartelijkheid. ‘n Reden te meer om gelukkig te zijn. Het Brabantse land is ontroerend mooi. Joop startte de wagen en we reden richting Reusel, gingen langs het landgoed (De) Utrecht, zagen het chique zorghotel met zijn kunst en de golfbaan, verdwenen in de bossen en streken neer bij De Bokkerijder, hoe schrijf je dat in dezen precies? Mijn hart ging open bij al wat ik zag en ontdekte. Er stonden daar paarden met kleine rijtuigjes geduldig te wachten op hun voerlui, die kennelijk binnen hun middagmaal verorberden. Kleine honden en een ezel liepen af en aan. Ik zag Jack Russels om te zoenen. Ja, dan wil je weer een hond voor jezelf. Ik dacht aan Paddy. Zou ik ook? Nee. Flát. Driehoog. Niet doen. Geniet nu maar van wat er is, van wat je ziet aan schoonheid en vriendelijkheid, aan dieren die daar samengaan en je hart stelen. Die oude ezel van 35 was mak als een oude hond van 12. Hij sjouwde het lage huis door, kwam door de lage deur naar buiten en stond stil bij een Fries, een zwartglanzende dame van bijna 3. Ze werd bemind door 2 edelen, die trots met haar aan waren komen rijden. Ik had ze binnen zien komen, het paard met het rijtuig, de 2 voerlui op de bok. Het was een elitair plaatje, niet van deze tijd en toch weer wel. Daar word je blij van, ik wel. We hebben een ontspannen samenspraak gehouden, zij dronken intussen hun pittige koffie met room. De oude ezel stond erbij en kauwde langzaam op wát eigenlijk? Hij vond alles wat daar over hem gezegd en beweerd werd helemaal goed. O, in zo’n stukje leven zit een geankerde vrede. En de nu nog naakte boompartijen ondertekenden haar zwijgend met hun natuurlijke rustigheid. Zo zou het moeten gaan tussen mensen, volkeren, altijd en overal. Mensen, rustig en vriendelijk, nergens haat, alleen goedheid, gerustheid, heelheid, geborgenheid. 7 maart 2006. Een dag om je steeds te herinneren. Met mensen om van te houden, om heel zuinig op te zijn. Veronica is een schat en Joop een bovenste beste, dat kleine feit is van een hemelbrede genade. De dag is goed geweest, kon het nog beter? Dat denk ik niet. En je beleeft alles opnieuw. Gelukkig en vredig voelde je gemoed toen je voldaan huiswaarts reisde. De trein tjoekte voort met de vele maartse reizigers: waren allen zo blij als jij en ik? Ik heb het in ieder geval wel gewenst, in stilte natuurlijk. Ach, vannacht kon ik niet in slaap komen. De indrukken waren te groot geweest, zo intens goed, zo intens heilig. Daar blijf je dan nog wel even wakker van. O heerlijk Jachthuus, wat ben je gezegend met je mensenharten van goud en platina. Nou ja. Een beetje lyriek is hier wel op zijn plaats, denk ik.
En nu ga ik de vogels in het daglicht plaatsen. Ze roepen me. Ook zulke wondertjes, die 2. Zoals Adam en Eva zich lieten verleiden te eten van de verboden boom, zo vallen zíj mijn klok aan. Ik had al een doek en plastic en een enorme kartonnen doos eromheen gedaan, allemaal tegelijk nog wel, en tóch kwam Brokje terecht ín de klok. Onbegrijpelijk. Het hele huis is van a tot z in vrijheid voor hen, maar de klok die ze níét mogen beroeren, is hun apert gewilde object. Wel jammer. Het zet ze, ongewild, gevangen. Die klok is me heilig. Dat weten ze niet met hun papegaaienverstandje en ze vallen haar onverkort aan. Alles bij elkaar heeft het bijbels gezien ’n merkwaardige gelijkenis met het verhaal over eerste ongehoorzamen, ze werden verdreven uit het paradijs. Och. En zo filosofeer je voort. En je hoopt ook nog bij God uit te komen. IJdelheid, o ijdelheid. Maar je smaak is zoet.
Vrijdag 3 maart.
Wat kan een mens zich ontroeren aan de witheid van de wereld. Sneeuw is schoon, puur en van een lief zachte tederheid. De bomen dragen een witte jas, een winterjas die hun onderhuids nieuwe leven bewaart. Alles bestaat uit natuurlijk evenwicht, hoort bij elkaar, maakt één geheel van de wereld met alles wat er leeft. Hoe bestaat het allemaal? We wijzen naar God en weten het niet, want God is geloven, geen zekerheid. Intussen bestaat de verwondering, en dat is goed, heel goed. In de verwondering blijf je stilstaan, blijf je kijken en zoeken en hoopvol doorgaan met je leven. In de verwondering welt immer de dankbaarheid op, omdat de verwondering je op je plaats houdt, die wint het van al jouw kennis en weten.
Zolang ik nog opzie
naar de hemel
en mijn voeten gaan,
zal ik verwonderd zijn
en zoeken, Jou.
(i.v.)
Ach, weet je, de raadsels van God zijn ondoorgrondelijk, geen wetenschapper lost ze op. De mens vorst, vermoedt, hoopt, wenst en verlangt; intussen vergaapt hij zich aan de schoonheid én aan de bizarheid van de dingen om hem heen. Mysterie, noemen we het. We zijn nog altijd te klein om tastbaar die ene, alles openbarende kiem te ontdekken en daadwerkelijk inzicht te verkrijgen in dat ene ‘iets’, dat kennelijk veel te groot is voor ons, de vorsende stervelingen. Maar we geloven in God. Heilzaam en heilig. Het moet ons voldoende zijn, en dat is het ook wel, denk ik.
Credo in Zijn
~
Het zijn niet de raadselen
Die een mens doen geloven
Het zijn de momenten
Waarop jij en ik elkaar ontmoeten
Van die momenten
Die ons doen huiveren van geluk
Van die momenten
Die ons doen duizelen van ontzag
Van die momenten
Die ons doen beseffen:
Ik besta met jou
Ik ben met jou
Wij zijn in JHWH de God
~
Het zijn niet de raadselen
Die mensen, jou en mij naar God bewegen
Het zijn de Godsmomenten in de tijd
Waardoor een mens gelooft.
© 1999 De Herfstvogel Ine Verhoeven
Hoe dan ook: je komt altijd bij God uit. Bij die ene Grote Onbekende die ons bestuurt, draagt, doet leven, of we het zo nou willen of niet. En een andere naam vind ik niet: God. In de natuurgeloven zijn de naamsuitdrukkingen voor de hogere intelligenties vager, vind ik. Het woord God is m.i. het meest concrete begrip voor een christen. Het heiligste.
Ik las in een lief bericht van Miets: We moeten zuinig zijn op elkaar. Dat is het: we moeten en we zúllen zuinig zijn op elkaar. Wij kwetsbaren, wij kleinen die elkaar zo nodig hebben, want alleen gebleven, zijn we helemaal niemand meer. En met díé zuinigheid redden we wellicht de mensheid, kunnen we begrijpen dat we de vluchteling en de gekwetste moeten opnemen, dat we samen verder moeten gaan in eenheid; een eenheid die weliswaar nu nog ver te zoeken is, maar op den duur wel haalbaar zal zijn. Altijd door waren er volksverhuizingen, vluchtelingen, migranten. De hele geschiedenis lang verlieten mensen hun oorspronkelijke leefplaats en ook wij, Nederlanders, hebben een reizend verleden. Wie herkent bijvoorbeeld niet de gewone sterveling met zijn trotse stamboom vol verre voorouders, het liefst uit Frankrijk, of uit Spanje, of waar dan ook, interessant genoeg, vandaan? En niet te vergeten: het koloniale verleden van Nederland. Hoe gemêleerd is ons volk geraakt door de oude eeuwen heen? Zo’n verleden schept verplichtingen, ook naar de situatie van vandaag. Enfin. Dit is een uitweiding die ik aanvankelijk niet beoogde, maar er schrijvenderwijs wel is gekomen. Ik laat alles staan. Ik gun de wereld aan de hele mensheid. De wereld is van ons allemaal. Ze is ons aller erfgoed, niet privé te claimen, niet privé op te eisen, maar wel globaal te delen: to share.
Franciscus van Assisi (tekenaar onbekend)
Overal Gij
~
God Gij hebt aan alles ziel gegeven.
God Gij hebt de wereld doen ontstaan.
God Gij hebt de zon van goud gevlochten.
God Gij hebt de maan met zilver aangedaan.
~
En overal waar ik mag kijken
zie ik in Uw licht, o God!
En overal waar ik mag leven
beleef ik Uw gezicht, o God!
~
God Gij bent de oorsprong en de schepping.
God Gij bent de bergen en het zand.
God Gij bent de winden en de wolken.
God Gij bent de mensheid en het land.
~
ben ik onbevreesd, o God!
En overal waar ik mag minnen
bemin ik u het meest, o God!
© 2000 Ine Verhoeven
Donderdag 2 maart.
De verrukkelijke winter houdt nog even stand. Maart is begonnen met sneeuw en winterkou. Ik zag een herdershond dollen in de sneeuw, omvallen, opspringen en volenthousiast naar de sneeuwballen happen die zijn baasje voor hem opwierp. Vandaag werd het (door het winterweer halve) marktje van Wijchen bezocht. Bij Het wapen van Wijchen serveren ze zalige aardappelsoep met een vleugje knoflook. ‘n Kleine lekkernij maar kwaliteit ten top. Die werd dus gegeten bij de twaalfuurse lunch. Het maartse uitje van heden werd gecompleteerd met een bezoekje aan Grave. De vrijdagse Brabantroute is dus vandaag geschied. De witte winter lag over de weiden. Ja, de weg van Wijchen naar Grave was verrassend landelijk. Oud is het sneeuwlandschap en zo nieuw, altijd weer een pittoresk plaatje. O, nostalgische rit in 2006!
Je merkt dat het krokusvakantie is. Moeders en oma’s gaan uit met de kinderen, ondanks de gladheid en de onbetrouwbare smeltsneeuw op stoep en straat. Ja, kleinkinderen. Ze zijn kostbaar en dierbaar, ook voor mij. De jeugd heeft de toekomst. En ik herhaal het telkens weer: we moeten zuinig zijn op onze kinderen. De invloed van buitenaf is erg ongewis en erg groot. Wij, als opvoeders, moeten hen voorleven in goedheid, vrede en beschaving. Maar moeilijk is het wel. Wanneer doe je het goed? Waar liggen je vergissingen? Hoe los je ze op? Behandel je kind evenwaardig. Elk kind is een mens, een mensgeworden vrucht van jou, van hem, van haar, van ons. Dat kind verdient ‘n toekomst van zekerheid. Elk kind verdient ‘n toekomst van zekerheid, van geborgenheid. Het leven op zichzelf is al moeilijk genoeg. Theoretisch is alles mogelijk. De praktijk is een hele klus. Welke ouder ervaart het niet? Welke mens, ongeacht, herkent het niet?
Ter memo noteer ik http://www.fransvandenheuvel.nl/. Dat doe ik graag, omdat hij een prachtige mens en kunstschilder is. Hij tekent en schildert magnifiek. Het is de moeite waard, vind ik, om eens bij hem rond te surfen. Je kunt er ideetjes opdoen en door hem, bijvoorbeeld, je kleinkind laten tekenen. Of wie weet wie of wat nog eens laten schilderen. Jawel!
De ijsblauwe trui van Bertram maakte me vrolijk vandaag. En Olivier heeft nog gebeld: of ik mee naar Maastricht ging? Er ligt nog een treinkaartje dat op moet. Nou ja, als de treinen rijden met dit winterweer? Al lange tijd wil ik in Heerlen Anne-Lucie gaan bezoeken; en als er tijd voor is nóg enkele vrienden. Als de fysieke conditie het toelaat, zou het een mooie genade zijn, maar ik heb mijn twijfels over zo’n lange reisdag. Och, je kunt bij twijfel altijd nog uitstappen in Den Bosch. Maar dat wordt stranden bij Bakker De Groot. En dat geeft weer extra overgewicht. Nou ja, ik zie wel. Hanneke Groenteman verdient er gouden stuivers mee, met haar overgewicht. Ze schrijft er boekjes over, verhaalt blijmoedig en concreet van haar zucht naar snoep en zoet en allerlei ander lekkers. Ze loopt letterlijk te koop met haar dikte. Ik weet niet of ik dát nou echt appetijtelijk vind. Maar alles heeft 2 kanten. En het mag, natuurlijk.
Ik wil nogmaals gewag maken van de veelheid aan mooie, lieve en vriendelijke reacties die pater Frans heeft ontvangen n.a.v. zijn onverhoedse ziekbed in januari.
Pater Boddeke, 24 januari 2006.
© Fotografie: Frans van den Heuvel, Wijchen
Ik mocht enkele post hieromtrent lezen en ben mét hem ontroerd geraakt. Fijn, te weten dat er meelevende mensen zijn: het reikt je iets aan van genade, iets om dankbaar aan terug te denken. Maar nu ga ik slapen. De dag was lang, mooi en goed. Soms zijn tranen puur van dankbaarheid gemaakt. Omdat je het allemaal nog mag beleven. Laus Deo! Amen.
Dinsdag 28 februari.
Vandaag schreef ik van harte een gedicht refererend aan het laatste uitgebreide, culturele bezoek aan ’s-Hertogenbosch. Ik had die vrijdag zó genoten. Dit is de vrucht die eruit voortsproot. En ja, die zoete pennenvrucht te plukken, daar zijn alle schrijvertjes voor. Het is een mooie dagboekafsluiting van de februarimaand 2006, denk ik.
“Van kleine knoppen uit de treurwilg ontloken”
Dommel, Den Bosch (© Fotografie S. van der Maat)
De lach van de stad
Over de markt klinkt de lach
Van het lied van de beiaard
O, gouden klank die mensen leven doet!
Daar gaan ze voort, in rappe pas,
De lieden van de stad
En door de straten druist geroezemoes.
In smalle stegen dragen keitjes voeten
En kroegen geuren koffie, taart en gin
De bank Van Lanschot staat vol trots te imponeren
Maar ING laat ook gewóne mensen in
Chique winkels bieden stijl en curiosa
Soms kleine puien, prul en romantiek.
Doorheen de stad klinkt de lach
Van het lied van de beiaard
O, gouden wijsjes van weleer, zo schoon!
Daar zijn de mensen in het zwart
Die ter kerke trekken
Er wacht een dode op begrafenis.
In de haven liggen honderd kleine boten
Het water langs de wallen kleurt lichtgroen
- Van kleine knoppen uit de treurwilg ontloken -
Langs d’oude vaart wandelt een heer in goeden doen
Richting bejaardenhuis, paleis voor d’alleroudsten
Want alles gaat voorbij, is nu en toen.
Langs de hemel klinkt de lach
Van het lied van de beiaard
Ook in de nacht luidt hij zijn liefdeslied!
Stil slapen mensen naar de dag
Van morgen; en weten
Van geen stad die bruisend zucht, kust en wacht.
© 28 februari 2006 Ine Verhoeven Nijmegen
Vrijdag 24 februari.
In het Noord-Brabants Museum in ’s-Hertogenbosch hebben Bertram en ik vandaag zeer genoten van al het Bossche en Brabantse cultuurschoon dat daar te aanschouwen valt. Het bezoek aan het museum was een welkome bezigheid vooral na de spannende tijd rond het wel en wee van onze gezamenlijke vriend F. Met hem gaat het nu redelijk, al blijft het zorgelijk.
Het museumgebouw is in mijn herinnering nog zeer gerelateerd aan de oud-commissaris der koningin mr. De Qay, hij woonde er destijds, het was zijn ambtswoning. Mijn schoolgenootje Mijntje J. uit Halder was op een of andere wijze familie van hem. Merkwaardig. Al is het maar een klein feit, je hebt het intussen wel groot onthouden. Hoe zou het met haar gaan? En leeft ze überhaupt nog? Dit in de zijlijn. Er waren veel oude bloempralerijen op linnen te zien, maar niet alles kon me bekoren. Er sprongen voor mij twee schilderijen uit in de gehele collectie: van het ene ben ik de naam vergeten en het andere is Liesje is jarig (1929) van Jan Sluijters (1881 – 1957). Het is maar wat je raakt: de schoonheid, de kleuren, de zachtheid die bij een meisje past. Maar ik bespeur ook de volwassen blik in haar kinderogen, en zie ik ergens al wat treurigheid? Dit schone detail plaats ik met graagte hier:
Liesje is jarig – Jan Sluijters (1929)
Ja, en dan was er vandaag het heerlijke winterweer, de wind die koud was en lichtelijk guur, de zon die de kilte voortdroeg, ze gaf geen warmte af, helemaal niks, maar het was zo mooi, het was zo goed.
Ik raak steevast herboren van de winter in deze heldere stijl, met die verkwikkende sfeer. Je zag een blauwe hemel, kale bomen, jassen van nepbont, mutsen en laarzen, en nergens bespeurde je levende bloemen, behalve op de markt, daar kon je ze kopen. En wat ervoer je in de stad? De grauwe huizen, de oude, vertrouwde straten van Den Bosch, het carnavaleske karakter van deze dagen, de muziekskes die in de verte oefenden, je hoorde ze zwakjes achteraf en je wist de deuntjes uit je hoofd, geschreven voor de leut; het volk zingt en deint ze vrolijk mee, zo zal het gaan op zondag, op maandag, op dinsdag. Carnaval. Ja. Allemaal samen. Positief. Het leven is goed. De winter ook, althans in ons landje.
Johanna belde: of ik nog bij Fonte Colombo hoor? Jazeker wel. Dat blijft. Ze had mijn verslagje gelezen in Doortocht, over het 20-jarige jubileum dat we in oktober j.l. in het Bossche Franciscushuis hadden gevierd. Ja. Het zou mooi zijn als we met de afdeling Hilversum (én Den Bosch) naar Velp zouden gaan om er samen enkele franciscaanse bezinningsdagen te houden. Het kost even wat organisatie, maar het zou heilige voldoening geven, denk ik. Johanna zou het idee meenemen naar de vergadering. De kosten zijn gewoon voor de deelnemers. Velp is een schitterende locatie.
En dan heb ik Paddy gezien, op de fiets! Hij zat bij Wim achterop alsof hij altijd al bij Wim achterop zat. In een magnifieke fietsmand zat hij sirretje te spelen. Wat een knuffelbeest is die hond. Ja, allemaal vreugde.
En nu ga ik Barend & Van Dorp kijken. De dag is lang geweest. Laus Deo! Amen.
Zondag 19 februari.
Vandaag is mama’s sterfdag. Ik heb foto’s gekeken, zag weer hoe mooi ze is geweest. Je ontkomt nimmer aan de herinnering. Niets kun je uitbannen, je leeft met je verleden, terwijl dát nergens nog perspectiefvol bepalend is. Om je heen is het leeg, je vrienden zijn voorbij, je familie is over. Je bent blij dat je leeft, nog leeft, en dat is het. Voorlopig.
Gisteren heb ik geruimd in huis. Het waren voornamelijk de kastjes die geschoond werden. Wat heeft een mens een overdaad aan nonsens en verlopen goed. En dan die volgepropte laden! De ouderwetse grote schoonmaak is gewoon een moderne must. Ik ga geleidelijk aan het hele huis onderhanden nemen, maar wél pianissimo. Dat zachte zonnetje van vandaag kondigde steels het voorjaar aan. Het mag nog wel wat vriezen van mij, of sneeuwen, ik houd van de winter, ben een wintermens. Maar het is heerlijk de lente met een schoon huis te beginnen, heus waar.
Ik heb raar gedroomd, vanmiddag. Mijn zoon had zijn haar fel paars laten verven. Ik ging bij hem en zijn gezin op bezoek en vertrok in de avond met een lege maag huiswaarts. Niemand had tijd gehad. Iedereen was druk geweest, maar met wat? De kleinzoons zag ik niet, waar waren zij? Het was gelukkig maar een droom.
Paddy is voor het eerst naar de hondenschool geweest, maar ik krijg Rieke niet telefonisch te pakken om te vragen hoe het is gegaan. Ik zie hem al stappen, sir Paddy. Zou hij doorhebben wat ze hem leren? Ik ben echt benieuwd.
Met mijn verre vriendin is het dieptepunt bereikt. Ik las vanochtend een correspondentie tussen ons na van 2 jaar geleden en zag tot mijn ontsteltenis dat de problemen nog precies dezelfde lading hebben. Het is jammer, heel jammer. Maar met een daas op de huid kan geen paard vooruit, heb ik gedacht. De tijd moet, en doet, alles slijten, dat gaat dus ook zo met scheidingen of andersoortige gebrokenheid. Het kan zeer doen. Maar met mensen die niet oprecht durven zijn, uit benepenheid feiten of feitjes achterhouden die voor jou van belang zijn, kun je niet verder, niet in vriendschap. En met mensen die zich aan je vastklampen alsof je samen een eeneiige tweeling bent, is het onmogelijk verkeren. Wat kun je dan nog? Wat moet je dan nog? Ik denk dit: in liefde verdergaan met je leven, elkaar het beste gunnen en toewensen, de vrede handhaven en naar elkaar wuiven in het voorbijgaan. Er is veel goeds geweest.
Bertram kwam langs, hij was met de fiets. Hij had de Boskapel bezocht, de zondagviering meegemaakt. Hij is een vrolijke gast, een alerte toehoorder. Ik vertelde hem de medische ontwikkelingen van pater Frans, hij vroeg ernaar. Ja, hij sprak me moed in en deed de groeten. Goeie ouwe Bertram. Het mag hem goed gaan.
De filmserie Vuurzee is ten einde. De plot werd gisteravond geopenbaard. Wat had de kijker verwacht? Ik heb met smaak gekeken naar deze serie, die artistiek gaaf was gemaakt, met prima spel en sfeerzetting. Er zijn weinig echt goede films te zien op televisie. Maar deze serie was gewoon mooi. Het boek Knielen op een bed violen is knap geschreven en raakt de lezer, mij althans, diep. Ik denk dat daar nog wel eens een film inzit. Binnenkort begin ik aan Grijze zielen van Philippe Claudel. En zo wordt je geest weer positief opgeladen én je kennis der dingen. Ja, dat gebeurt ook met het bewust lezen van een goede roman.
Zo is mama’s sterfdag weer bijna voorbij. De dag is lang geweest, en ook weer niet. Ik heb veel tranen de laatste tijd. Het zal de leeftijd zijn, de bewustwording, de ervaring van de ouderdom. Het is maar wat ik denken wil. Het leven is erg mooi, en minstens interessant. Je kunt er, hoe dan ook, niet omheen. Omdat uit alles de goede vrucht voortkomt. Uiteindelijk wel. Laus Deo. Amen.
Donderdag 16 februari.
De twee zaten, het was vorige week, op Oliviers schoen, dat werd dus een fotootje. Het met roze getinte vogeltje is Kipje en hij met oranje is Brokje, de oudste van het span. Kipje is nog maar enkele maanden jong.
Nu lopen ze over mijn schouders van trippeltrippeldetrap. En ja hoor, de knoopjes van mijn nachtpon zijn alweer hun interessante objectjes. Het gaat van pikkerdepik en knabbeldekluif. Wat een ijver voor helemaal niets!
Vooral de dag van gisteren bracht in mijn gemoed veel spanning teweeg i.v.m. de onderzoeken van pater Frans, gistermorgen. Het is tot eind volgende week afwachten wat de uitkomst als praktisch vervolg brengt. Ja, het leven is ongewis en ook weer niet, want wij, sterfelijke mensen, weten gewoonlijk wel dat de ouderdom zeer broos is. Eigenlijk was ik gedurende heel mijn leven omgeven met oude mensen. Als nakomertje had ik geen vriendinnetjes, mocht niet van mama, maar wél oude broers en een oude zus, in mijn kinderogen dan. En ik had oude ouders en een heel oude opa, die in mijn toen nog korte leventje veel te vroeg doodging. Ja, alles was oud en iedereen was oud. Met kinderen heb ik nooit gespeeld. Ook niet via de school dan wel de scholen. Mama was streng én achterdochtig: ze was onverkort angstig dat er iets verkeerds kon gebeuren. Wat had zij in háár leven dan toch allemaal meegemaakt? Ik weet uit ervaring dat het niet goed is een kind het contact met leeftijdgenootjes te ontzeggen. Ik was dan ook heel gelukkig toen ik op kostschool zat. Dat was bijzonder en bracht nieuw perspectief in mijn beschermde leventje. Maar ik ga daar nu niet op in, dat zal misschien nog eens een boek(je) worden, wie weet. Mooi om hier toch even een fotootje uit het jaar ’54 te plaatsen, daar sta ik wat verlegen lachend met de non Geertruida. Ze was een beste, ik weet het nog.
Wat mama betreft: het blijft duister lezen in andermans boek(en). Ze was een geheimzinnige dame, een in het dagelijkse leven getalenteerde actrice en spannend genoeg als mens en moeder. Het was moeilijk samengaan met haar, voor mij althans. Maar het is ooit goed gekomen en dat brengt nog altijd grote dankbaarheid met zich mee. Ze was een bijzonder mens.
Eergisteren brachten Olivier en ik een bezoek aan het kerkhof in Vught. We hebben het graf schoongemaakt en ik zag tot mijn vreugde dat de azalea’s van november in knop stonden! Er scheen over de graven een zacht winterzonnetje en het was, zo heel even, goed toeven bij pa en ma; op de 13de februari was pa jarig geweest. Och ja. Hier is weer de vergankelijkheid, het voorbij van mensenlevens. We schuiven nog maar aan aan de tafel van gisteren. Alles is herinnering. De levensboom vertelt dat de bloesem voorrang krijgt en jij bent degene die als eerste afvalt. Zo hoort het ook.
En zo gaan de dagen voorbij, alle dagen van je leven. Je kunt alleen nog (maar) liefhebben. En dat is genade. Je bent de haat, de boosheid, zelfs de teleurstelling in mensen voorbij gegroeid. Je bent, en je doet het alleen nog rustig aan; je wilt alleen nog het beste bereiken, het beste ondergaan, het beste uitdelen. De mensen die onbereikbaar zijn, waardoor dan ook, zijn nog onduidelijke memo’s. De scherpe kantjes der herinnering zijn vervaagd tot lachende franjes: ze doen er immers niet meer toe? Alles is relatief, voorbijgaand. Niet eens een kleine historie. Vergankelijk genoeg.
En toch is het leven de moeite waard, mooi en goed, pijnlijk en naar. Zo was het en zo is het en zo blijft het, alle tijden door, voor iedereen. Wat zul je vrezen? God is goed, is liefde. Jij bent goed, bent liefde. Hij is goed, is liefde. Wij zijn goed, zijn liefde. Dat is de evangelische noot in een christelijk mensenleven; een noot van de hoogste genade gemaakt.
Maandag 13 februari.
Het huis staat op zijn kop. Overal is het rommelig. Ik kom bijna tot niets. Hoe krijgt een mens alleen het eigenlijk voor elkaar zoveel slordigheid te betrachten? Enfin. Een stevige middagdut en ik ga er weer fit tegenaan. Zucht. Dat zou mooi zijn. Soms heb je te veel ineens te verhapstukken aan onrust en onzekerheid. Dan zijn het maar akelige tijden. Dan droom je van alles en nog wat en je schiet er niets mee op. Dat gedroom gebeurt ook nog eens als je de hele lange nacht al wakker lag met van die nare scenario’s in je brein die door geen regisseur verfilmd zouden kunnen worden. Het zit in je levenspakket. Er zijn de droom en de werkelijkheid. Drama is het, in alles. En dan zie je ineens de klucht, soms door je tranen heen. Het is als de wisseling van de seizoenen, maar dan in je gemoed.
Ik zag zaterdagavond de film Iris. Vakwerk. Levensecht neergezet op een dieptragisch thema: de schrijfster dementeert en haar levensgezel ondergaat haar machteloos, gelaten, woedend, dan weer teder en lief, diep wanhopig. Het is een film die iedereen moet hebben gezien, een film die je ziel ten diepste raakt doordat hij zonder scrupules de naakte werkelijkheid van het onverhoedse, ongewenste en onafwendbare binnentreden van de grote afgang in een mensenleven toont. Frans Boddeke beschreef het prangende item op kunstige wijze, diep invoelend, vorsend meevoelend met het ouderdomsgeheim:
We wáren
Hij staart door het raam, ziet niets
naast hem staart zij mee, ziet niets
zij is zonder intelligentie geworden
zij, heerlijke schrijfster van weleer
hij denkt: we zijn niet meer, we wáren:
gisteren gaf hij haar haar eigen boek
in de hoop op herkenning, ze had blaadjes
uit het boek gescheurd, omhoog gegooid
hij denkt: we zijn niet meer, we wáren:
ze is van een andere tijd geworden
ze is in een andere wereld ingetreden
we hebben alle samenhang verloren
hij denkt: we zijn niet meer, we wáren:
soms komt agressie op en schreeuwt hij:
ga weg, weg, dan kijkt ze hem onthutst aan
en wordt hij verdrietig: hoe moet het verder
hij denkt: we zijn niet meer, we wáren:
zij blijft desondanks bij mij, voor altijd
al zuigt haar leegheid mij geestelijk leeg
kome wat komt, kome wat komt, kome
hij denkt: we zijn niet meer, we wáren:
loopt ze het huis uit, hij zoekt haar terug
strompelt ze het bed uit, hij legt haar terug
doet ze raar, hij laat haar maar, toe maar.
hij denkt: we zijn niet meer, we wáren:
ze leeft in een andere wereld, niet meer hier
deze wereld heeft ze reeds verlaten, ik ga met
haar mee in die andere wereld, dat wil ik
dan brengt men haar naar het verzorgingshuis
als hij meegaat, ziet hij dat ze gaat leven tussen
akelige rolstoelen, tussen reeds gestorven mensen
tussen mensen van een andere wereld: zonder hem.
Frans Boddeke
En dan hoop je, als senior, tóch op een hele goede oude dag, al kijk je regelmatig de werkelijkheid aan en weet je dat geen mens ontkomt aan de grote afgang. Och. Het kan ook meevallen. Gisteren zag ik in De Wolfsberg een dame van 65, ja, ik hoorde het haar voluit uitspreken. Ze oogde als een nieuw-rijke, een nouveau-riche, niet echt beschaafd, geen echte klasse, maar wel welgesteld. Ze was zeer opgetut en haar huid was diepbruin gekleurd, ik vermoedde door de zonnebank of door een villa ergens in Spanje. Ze had een rood krulkapsel, merkwaardig opgeblazen donkerrode lippen en harde make-up. Ze droeg een donker brilmontuur en een bloedkoralen snoer met gouden slot op een groen kanten truitje met diepe V-hals. Ze had een whiskystem en rookte sigaretten. O, ik was éven in een piepklein theatertje waarin zij haar zondagse eenakter opvoerde, en zij schitterde en detail op haar leren stoel zoals elke andere ster dat doet en gros op het podium. In haar lelijkheid was ze een waar fenomeen. Je kon niet om haar heen. Ik heb toegekeken en gedacht: ‘Hoe oud wil die schoorsteen worden? Zou er nog iemand van haar houden? Hoe komt ze zo rijk of is het schone schijn? Waarom overstijgt ze het triviale niet? Zijn daar geen cursussen voor?’ Enfin. Zo denken mensen. Ik ook. Toen ze vertrok, hebben we elkaar betekenisloos toegeknikt. Ik weet niet of dat zo hoort, maar het leek minstens vriendelijk. Interessant is dit: sommige portretten maken diepe indruk op een mens, die verlaten hem niet meer. Zij was er zo een van, denk ik. Maar ik bedoelde het enorme contrast weer te geven tussen de ene oudere en de andere: je moet wat geluk hebben en je mag hopen dat het goede je trouw blijft.
En nú zitten de 2 vogels boven op mijn hoofd, Kipje vliegt op de computer en Brokje hipt op mijn linkerarm. Op deze manier heb ik natuurlijk een feestelijke oude dag in mijn eigen Wolverleitheatertje. Ja, zoals wordt gezegd en staat geschreven: het is kome wat komt.
Zaterdag 11 februari.
Het is een rustige zaterdagmorgen, grijs en winters zonder sneeuw. Die lege bomen voor mijn huis staan er zo markant bij, zo tekenbaar, wat zijn ze toch mooi. De achterkant van de huizen ter rechterzijde is in de zomer niet te zien, maar nu kijken die woningen met ogen van ramen deze kant op. In het witte huis aan de overkant staat de televisie aan als een vrolijke lichtbol die steeds van kleur verspringt. Of zou het een computer zijn? Interessant, en ook weer niet. Brokje piept, hij wil de kooi uit. Kipje is de stilste, ze is dan ook de jongste en pas een paar maanden oud (2005). Ofschoon een jeugdige benjamin doorgaans geen stilte betracht, denk ik. Wat zijn ze toch mooi, die vogeltjes. En Brokje is helemaal hersteld, nergens meer gemankeerd. Ik droomde vannacht dat ze samen waren losgebroken en door het huis vlogen, rakelings langs me heen en hoog door de kamers, terwijl het keukenraam openstond. Het was het keukenraam van de Brugstraat… Ik sloot het net op tijd, de vogels bleven veilig binnen. Buiten struinde een kat, zoals ik dat vroeger gewend was te zien als ik uit het raam keek. Ik heb eens een kat een merel zien vangen. Die merel daagde hem uit, wekenlang. Totdat de kat hem had, pats en dood, die merel. Ja, het waren leerzame tijden, toen. En dan denk ik weer aan die achterbuurvrouw die mijn was in de gaten hield, Versfeld heette ze, of zoiets. Die was was niet wit genoeg volgens haar. En ik gebruikte in die dagen nog wel Radion. Het kon niet witter. Hahaha. Buurtjes en gluurtjes. Best leuk om aan haar terug te denken. Haar zonen waren studentikoos en haar dochter had suikerziekte. En haar man was aardig. Ze hadden een zeilboot. Dat maakte die familie bijzonder, met een streepje voor, zal ik maar zeggen. Tja, waar denk je aan op een zaterdagmorgen in februari anno 2006? Dit beeld is uit de jaren ’60.
In het Douglas Magazine 01/2006 staat op bladzijde 78 een sterk artikel van Dorothee Röhrig. Ik heb het ter bewaring voor mezelf gescand. Het heet Fouten toegeven maakt sterk. Op http://www.douglas.nl/ is het vast wel te vinden. Het is niet mijn gewoonte andermans artikelen door te geven, ik ontwerp en schrijf ze graag helemaal zelf. Maar deze is goed en ijzersterk. Met dank aan Douglas en schrijfster Dorothee. En nu óp naar de webmaster met de vraag of hij mijn dagboek nog vandaag zal kunnen plaatsen. Als hij thuis is, doet hij dat wel. Mooi is dat, zo’n samenwerking. Eensgezind de goede dingen voor elkaar willen doen, maakt de wereld vanzelf een stukje beter. Mijn dankbaarheid aan hem is dan ook groot. De wereld zou een paradijs zijn, ware het dat alle mensen samengingen in harmonieuze vrede. Maar ja. Het blijft voorlopig, vooral globaal gezien, bij bidden om vrede, om goedheid en inzicht. Zou zo’n eenvoudig artikeltje als hierboven vermeld niet op grote schaal gepubliceerd moeten worden? Zou het voor veel mensen geen mooie eye-opener zijn? Verbeter de wereld, begin bij jezelf (van de BZN).
Dinsdag 7 februari.
Vandaag liet ik de vogeltjes los en we vierden vrolijk Toetsie’s verjaardag, die nog van gisteren was. Het was vermoeiend. De diertjes waren ál te vrijmoedig. Het kostte me 5 lange uren aan onnutte bezigheid voordat ik ze teruggeplaatst kreeg in de kooi. De gerepareerde klok, wat is het eigenlijk een schoonheid, had ik afgedekt met een grote schoenendoos, waarop ik eerst een heleboel rode ogen tekende, in de hoop dat rood de beestjes zou afschrikken. Maar het kleurpotlood was te zwak om de felheid weer te geven die ik beoogde. Enfin. Met het behoud van de klok lukte het vandaag uiteindelijk wel, want de twee richtten zich op andere spannende attributen. Ze tornden van de zitbank een zijden kussentje los, namen terloops een badje onder een waterstraal uit de kraan in de keuken, versnipperden overijverig mijn verjaardagsgedicht dat ik vorig jaar zo liefdevol van de kleinzoons had gekregen en hielden de badkamer een poosje bezet. Heer Brokje vloog plotseling met een oorbel in zijn snavel rond en vrouwe Kipje pikte van mijn nieuwe vetplantje de schattige witte bloemetjes los. Toen zaten ze samen eensgezind op het Jezusbeeld dat tegen de muur hangt, en ook nog even op het schilderij met de kippen en de haan. Ze vlogen vrolijk van de broodkast naar de deurpost en terug. En ze struinden rond, duikelden weer de vazen op de keukenkast in en uit, alsof Kipje nooit vacuüm in een vaasje bijna was gestorven. Bijna, jawel. Tegen 5 uur kregen ze honger en hoera, ze verdwenen spoorslags in de kooi. Puf. Ik sliep mijn veel te late middagdutje uit tot tegen zevenen. O, het is wel leuk met die beestjes, maar ik moet een goede manier vinden zodat het voor mijzelf ook nog aangenaam en doenlijk is.
Het is heet in de wereld. Het gaat de verkeerde kant op. Het is beangstigend te zien en te lezen hoe groepen mensen opstand maken en de westerling willen afstraffen. Het gaat om Deense tekeningen. Om scherpe tekeningen. Om spotprenten. Om spot. Ik geloof het niet echt. Het gaat om veel meer, denk ik, en het gaat veel dieper. Maar ik ken de psychologie achter het probleem niet. Ik denk ook dat er een godswonder nodig is om, wereldlijk, zonder strijd uit de impasse te komen. Hoe heeft het zover kunnen komen? Godsdienst heeft ál te vaak beangstigende trekken. Godsdienst op déze manier is m.i. gewoon slecht. Godsdienst mag jou doen liefhebben en vergeven. Godsdienst roept niet op tot wraak, tot strijd. Een mens ontwikkelt zich, een volk ontwikkelt zich. Je verlaat je oerneigingen, je primitieven. Je groeit in je menszijn en leert elkaar verstaan, nobel en schoon en vredelievend. Eensgezind samengaan, daar gaat het toch om? Oorlog maken is zo primitief. Alsof de mens niets heeft geleerd van de lange, lange geschiedenis. Enfin. Jammeren helpt niet. Je mag hopen en bidden en je persoonlijke vredessteentje bijdragen. En dan dit. Soms lukt het niet eens een vriendin te verstaan, of wie wil je noemen. Soms verdraag je elkaar niet, lig je elkaar niet. Maar dan kun je, in ieder geval, toch samen in vrede zijn. Je mag je vrienden selecteren, maar behoud dan wél elkaars vrede. Zo zou het in de hele mensenwereld moeten zijn. Ach ja. Het is ons aller apocalyptische visioen. Weet je, ik bid voor de kinderen. Daar ligt mijn grootste zorg, bij de kinderen. O mensheid, denk na, en zorg voor je kinderen. Dit mag mijn kleine avondgebed zijn: Denk toch aan onze kinderen. Amen.
Zondag 5 februari.
Knielen op een bed violen van Jan Siebelink is een aangrijpende roman. En het oeuvre is ook nog eens een literair juweel. Het doet me inhoudelijk vooral denken aan mijn geestelijk leven in de jaren ’80. In die ruim 10-jarige periode van bidden, lijden en offeren heb ik veel gezien, veel geleerd, zowel theologisch, dogmatisch enzovoort als psychologisch: mentaal, moreel en zelfs fysiek. Het beste van alle religieuze cq spirituele theses kwam achteraf, toen de 10 jaar voorbij waren, en bevatte deze consequentie: ik leerde vooral bij mezelf te blijven. Als je je geest vertrouwenvol afgeeft aan bepaalde gestrengen, als je je ziel in de handen van geestelijke fanaten legt, dan ga je als mens verloren. Je verliest je identiteit, je weet niet (meer) wie je bent. Als je gegroepeerd gaat geloven, gezamenlijk onderworpen ernaar gaat leven, wordt het leven voor jou als individu gevaarlijker dan menigeen denkt. Je wordt leeggeroofd, en gehersenspoeld; je wordt een willoos wrak. Je moet van nature sterk zijn om eruit te kunnen en te dúrven komen. Ik stem derhalve in met de noodzaak van het lezen van een openbarend boek als Knielen op een bed violen van de schrijver Siebelink.
Ook al leef je overtuigd voor God en goed, en vooral volgens de leer om de hemel te verdienen, je moet bij jezelf zijn, bij datgene wat je leert aan het (eigen) leven: jíj moet frank en vrij de mens worden die je ten diepste bent en geen godsdienst mag jou kneden. Als je een fanatiek gelovige wordt, raak je verknipt. Geloven is goed, is heilzaam, maar je moet geloven op maat.
Enigszins sektarische trekjes meen ik vandaag de dag te herkennen bij de tactiek van ons strenge bisdom, doordat men teruggrijpt op de oude (rijke) roomse tijd, de tijd van de gestrengheid en de weinig menselijke afwegingen. Je merkt het aan de enggeestige heilige missen, de benarde oogopslag (of géén) en de benauwenis van de dienaar(s) bij het offer; je herkent het aan de strenge orde, het strikte voorschrift, bij het selectief ter communie gaan.
Toen in diezelfde oude roomse tijd de duivel nog stevig op zijn troon zat, was de gelovige wereld ongelukkig. En díé duivel is m.i. teruggeroepen, heeft zijn plaats herkregen en regeert opnieuw. Ik dacht toch heus dat het volgens het evangelie om God gaat, maar Satan ondervindt momenteel - in bepaalde kringen - misschien wel meer aandacht dan God, die onze hemelse vader van de hoogste liefde is. Ik bedoel dus dat de duivel erg veel aandacht krijgt bij sommige vooral strenggelovige lieden. Ik bestudeerde zojuist nog het evangelie van vandaag en ‘zieke mensen en bezetenen’ worden daarin in één adem genoemd ter genezing. Dat zet een hedendaagse mens, mij dus ook, aan het denken. Het is nogal wat. Hoe vertaal je ‘bezetenen’ zonder de mens an sich tekort te doen? En waar plaats je jezelf én de ander, die je naaste is, bij zo’n satanische visie?
Op deze zondagmorgen was ik met hart en ziel betrokken bij de eucharistieviering. Het was dan ook een mooie, serene mis met hoge genadewaarden. Er was geen duivels moment te bespeuren, nergens te bevoelen, alleen schoonheid mocht je proeven, schoonheid die aan God deed denken, en goedheid die ons van Christus is doorgegeven. Wat zal een mens zich laten beproeven op al die dingen die ongelukkig makend zijn? Men mag wel oppassen dat per ongeluk tóch niet de verkeerde god wordt gediend. De wereld gaat gebukt onder religieuze oorlogsdreiging. Alsof er een vuur oplaait dat niet te blussen is; alsof de hel eraan komt.
Ja, en zo denk je op een zondagavond aan van alles en aan de hele dag die langzaamaan voorbijgaat. En je schrijft je gedachten op. Meer niet. Maar mijn betoogje sluit wél aardig aan op het boek van Siebelink. En hierom gaat het, denk ik:
Toon mijn gelaat
~
Wordt ooit mijn hart een land van rust?
Waar maskerade enkel leeft in lang voorbij?
Reik mij de spiegel van mijn ziel
Toon mijn gelaat; ontmasker mij
~
Toon mijn gelaat en laat mij vrij
Laat mij toch gaan, doe van mij af
Ontketen mij, wijs mij de poort
Laat mij toch gaan
~
Neem toch het masker weg van mijn gelaat
Ontmasker mij opdat ik mij herken
Wie ben ik toch, wie ben ik, heeft licht
Mij verwekt of was mijn vader duisternis?
~
Toon mijn gelaat en laat mij vrij
Laat mij toch gaan, doe van mij af
Ontketen wij, wijs mij de poort
Laat mij toch gaan
~
Wordt ooit mijn hart een land van rust?
Waar maskerade enkel leeft in lang voorbij?
Reik mij de spiegel van mijn ziel
Toon mijn gelaat; ontmasker mij.
Naar Lucas 12,1-7; Matteüs 7,14-24
© Ine Verhoeven (Uit: Ook de Heer in Harristweed, 2000)
Zaterdag 4 februari.
Toen ik het bericht binnenkreeg van Charito’s dood was ik niet verrast. Sommige sterfgevallen overvallen je niet. Je wist, bijna bij voorbaat, dat je elkaar toen en toen voor de laatste keer in de armen sloot, en dat gebeurde met Charito in het Franciscushuis op 26 november 2005. Wat is ze een mooie vrouw geweest. Wat was ze nobel en perfect. O ja, ze was een wíjze vrouw, aristocraat en kunstenaar. Ze was een mens van God en goed, ze was innerlijk groot en straalde het uit in haar handelen. Zo leerde ik haar kennen als een juweel, uniek, en zo is ze voor mij als mens tot voorbeeld geweest. Charito was een mens van ‘samen delen, samenkomen, samenzijn: een kostbaar idee naar mijn hart, en zij dééd het. Moge jij, Charito, leven in rust en zaligheid en onze voorspreekster zijn bij God die je zo liefhad. Amen.
Dodenmystiek in wit
De dodenakker lonkt
Ik kijk terug en zie de stenen
op de graven
waar alle lieve doden rusten
in vergetelheid
O lieve vergetelheid
hoe puur heb je mij geschoond
van alle lieve levenden
in mijn kwetsbaar brein
Het harde pad bevroren
en de gronden koud van ijs
herinneren mij aan dode dood
en alle gedroomde warme armen
en hete kussen voorbij
~
De dodenakker lonkt
uitdagend achter de gegoten
poort met groene lak en
schoongeboende punten van
glad geslepen staal als
sierende pieken in goud
ter bescherming tegen wat?
De stenen op de bedden zijn
vragende ogen geworden en
als deuren dichtgeklapt
smeken zij mij hen open
te breken
Ik zal het niet doen
O nee, nee, nee
Eens zal mijn versteende
lichaam toch vergenoegd
rusten in de verijsde aarde
en niemand komt kijken
als ik één geworden ben met
mijn eeuwigheid
~
De raaf zal komen in zwart
met hoge hoed en witte sjaal
Als een ekster pikt hij in
de grond die glinsterend goud
belooft
O ja, ik houd van raven
van hun kriskrasgekrijs en
hun pikkend houweel
Hoezeer verlangt mijn hart in
mij naar vergetelheid
Die dodenakker is mijn liefste
vriendin, de mannen zijn aan
mij voorbijgegaan met hun
monopolie; en voorgoed
~
RIP: Requiescat In Pace
Ik had geen naam
~
De dodenakker lonkt in wit.
~
© Ine Verhoeven
(’s-Hertogenbosch 16.42 uur 26 december 1996)
Gepubliceerd in Zalig de Niemanden, 1997 Frans Boddeke & Ine Verhoeven
Donderdag, 2 februari.
Soms schrijf je in je dagboek of in een brief veel woorden neer, maar soms hoeft dat niet, dan zijn enkele pennenstreken voldoende om aan te geven wat je precies bedoelt. Een mens beleeft veel moois en veel moeilijks, en er leeft veel aan gevoelens en ongewisheid in zijn innerlijk. Maar hoe ontroerend is het als je, soms, mag meelezen wat er daar diep vanbinnen in die andere mens gebeurt. Dankbaar noteer ik hier ter memorabele pastorale:
Leven voor de ander
~
Onverwacht is het gevaar in mijn lichaam
‘u blijft maar hier, mijnheer’, zegt het
ziekenhuis heel beslist, ‘dat is het beste’
~
sinds dat moment pakken onzekerheid,
onrust, onheelheid me in, en vraag ik me
af hoe mijn naaste toekomst verlopen zal
~
ik zoek een houvast en eerst dán dringt het
echt tot mij door dat er mensen zijn die van
mij houden, die mij nog niet willen missen
~
ik mag dus niet te veel bezorgd zijn over
mezelf, ik behoor ook nu tot steun te zijn
voor hen die met hart en ziel om mij geven
~
ik zal mij oprecht bevrijden van een te groot
eigenbelang en ik zal trachten open te staan
voor de Helende en voor Hen die mij lief zijn.
© 2006 Frans Boddeke
***
Je bent
~
Waarom zou je je opstellen
Als de gulle gever terwijl
Je gemoed vol is van onzekerheid?
~
Waarom zou je je klein maken
In je verdriet en je angsten
Terwijl je jezelf toebehoort?
~
Waarom zou je jezelf voorbijgaan
Jij die de ander moed hebt ingesproken
Jij die de ander hebt getroost tot in de hemel toe?
~
Je bent, je bent, je bent
Ik wil zo graag dat je altijd bent
Dat je naast me loopt en met me gaat en bent.
© 2006 Ine Verhoeven
Dinsdag 31 januari.
20 rode anemoontjes kijken me aan vanaf de salontafel. Ze staan er florissant bij. Alsof er een stukje lente piëteitsvol is binnengetreden. O heerlijke winter, koud en wijd en open. Deze laatste dag van januari is winters geweest én verrukkelijk. We reden in de middag naar Den Bosch met een tuil bloemen voor Wim, die gisteren jarig was. Hij was niet thuis en Rieke ook niet, maar Thea wel en zij nam de bloemen in ontvangst. Ze zag er heel goed uit, de oude dame. Ik was verwonderd over haar uitstraling, die rustig en opvallend jeugdig was. Ja, Thea is 82 en ik mag graag zien hoe zij haar specifieke schoonheid weet te bewaren, of gaat zoiets vanzelf? Natuurlijk zijn het vooral momentopnamen, natuurlijk ziet ze er niet aldoor zo kwiek uit, dat kan bijna niet, maar vandaag wél, en dat was heel mooi om te mogen ervaren. Laus Deo! zeg ik daarop, als een blij prosit bij een gelukkig moment.
Brokje en Kipje voelen zich steeds meer thuis en ze raken nu echt aan me gewend, ik bedoel: met vertrouwen. Het is een hele training, voor de beestjes en voor mezelf, om een zogenaamde dagorde te volgen, maar het lukt. Een paar uur per dag vliegen ze vrij door het huis, en het is steeds een vrolijke toestand. Ik hoef ze niet meer te vangen, ze gaan vanzelf weer in de kooi als ze willen eten en drinken. Die vogeltjes zijn 2 vreugdetjes, ze doen me goed.
Het is belangrijk je leven positief in te richten, met schoonheid en met goedheid, met vrede en met vreugde. Op een dag is alles voorbij. Dan kun je zingen: zeg me waar de bloemen zijn, waar zijn ze gebleven? Of: zeg me waar de mensen zijn, wat is er gebeurd? Of: zeg me waar de vrienden zijn, waar zijn ze heen? Ooit gezongen door Marlène Dietrich, geloof ik. Maar ik schrijf vandaag dit in mijn dagboek neer:
En wees gerust
~Het leven - de tijd - snelt door.
Daaraan ontkomt geen mens.
Veel kan een halt worden toegeroepen.
Niet de tijd.
Niet het levensprogram.
~
Maar koesteren van leven kan wel.
Koester maar.
Bescherm maar.
Leef maar.
En wees gerust.
© 2000 Ine Verhoeven
(Uit: Ook de Heer in Harristweed, pagina 82.)
Als je verdrietig bent, denk dan maar: straks zie ik het anders, straks valt er een nieuw licht op, straks gaat het weer beter. Als je blij bent, bén dan ook blij en gún jezelf die blijdschap. Wees niet te bang voor je vreugde. Wees niet te bang voor je verdriet. Ze zijn de normale wisselwerking van het leven. Ja, waar denk je zoal aan op een goede winteravond? Kome wat komt.
19.56 uur. En toen kwam de mail van Rieke binnen en ziedaar: Sir Paddy himself. Hij groeit als kool! Alle petemoeis en petevaais houden van het beestje, ik dus ook. Ik had hem vanmiddag gemist, dus deze foto is me heel wat waard. Vandaar dat hij nu in mijn dagboek staat. Rieke bedankt!
Zaterdag 28 januari.
Al enkele dagen peins ik naarstig over het fenomeen vriendschap. Een mens kan niet zonder, dénk ik, maar ze is niet vanzelfsprekend, wéét ik. Ik denk dat een goede vriendschap in de grond bestaat uit eerlijkheid. En met eerlijkheid bedoel ik niet de gedetailleerde verslagen doen van de dagelijkse dingen die aan je voorbijkomen, niet het melden van wat je van a tot z per dag meemaakt, nee, ik bedoel de integriteit jegens elkaar. In een vriendschap moet je betrouwbaar zijn. Maar hoe je dat doet, dat waarmaakt, is vaak een moeilijk afwegen, want mensen behouden hun eigen visie die uit de wederzijdse gebeurtenissen voortkomt. Die visie wordt een mening en krijgt vorm in woorden. En bij de woorden, vooral bij de woorden die verstillen, daar wil het wel eens misgaan tussen mensen. Woorden die niet uitgesproken worden, maar er wél zijn, gaan negatief gisten, ze gaan broeien, ze stapelen zich vaak a.h.w. wanhopig op. Spreek je uit, is de boodschap, vertel elkaar wat je dwarszit, of niet dwarszit, dat kan ook. Maar vertel het elkáár, en betrek niet de ander, niet de passant die langskomt of de buurvrouw die meekijkt en op goed geluk een mening heeft, erbij. Vertel het elkáár. Bij de feiten blijven, bij de basis blijven, dat vormt de integriteit die nodig is om recht te doen aan elkaar en jezelf.
Bij onze bevindingen op allerlei gebeurtenissen komt zoveel kijken aan ongewis, aan een niet weten, een niet vermoeden. Daaruit ontstaat vaak het doorslaggevende ongenoegen waardoor bijvoorbeeld een relatie breekt als zo’n flinterdun drinkglas: je houdt het plotseling aan scherven in je hand. Gooi maar weg, het is helemaal stuk. Wat was het mooi, dat glas. En misschien ook niet.
Ik denk dat de echte waarde van de vriendschap doorslaggevend is. De integriteit moet te allen tijde onaangetast zijn. Hoe wil je anders samen het goede van het leven ondergaan en het moeilijke ervan kunnen delen? Ja, huwelijken en vriendschappen. De veelheid aan bedrog die alleen al via de televisie je huiskamer binnenkomt, is niet te peilen. Je houdt je hart vast. Je moet wel oppassen dat je er niet al te eenzelvig door wordt. Want eenzelvigheid leidt tot eenzaamheid, vaak ten einde toe. Hoewel.
Vriendschap
Vriendschap is heilig
moet heilig blijven
ik mag haar
met heilige verwondering
beschouwen
met heilig respect
benaderen
en nooit zonder heilig doel.
© Ine Verhoeven
Dinsdag 24 januari.
Soms is een dag bij voorbaat van tranen gemaakt. Je staat op en bent nog moe, ja, je bent loodzwaar moe. Als is de dag nog jong, beloftevol en open, je denkt in mineur aan van alles en nog wat, maar vooral aan de eindigheid van de mensen die je lief zijn. Je weet wel dat alle mensen doodgaan, je beleeft het feit reeds gedurende je hele leven. O, je kunt er rationeel heel goed naar kijken, zelfs heel verstandig ermee omgaan. Je weet: de dood is onafwendbaar. Geboren worden ook, maar dat valt nog enigszins te regelen, te plannen, hoewel het wónder van de geboorte er niet minder door is. Tja, leven. Als schrale bladeren val je tenslotte oud en uitgeleefd af van de levensboom, beurtelings, jij en ik, jullie en zij, wij. En het carpe diem kun je van de daken schreeuwen of zwijgend denken: de tijd ontglipt je uit je kleine hand die nooit bij machte was hem nog maar rakelings te vóélen. Weg. Weg. Kijk en zie, alles ligt achter je, alles. Er wonen momenteel 2 jonge vogels in mijn huis. Ze mogen elke dag enkele uren vrij in de woonkamer rondvliegen. Ze brengen vreugde door er gewoon te zijn, door te zijn zoals ze zijn. Verbazingwekkende kopjes en eigenzinnige klauwpootjes hebben ze, en prachtige veren jasjes met koninklijke kleuren, pientere kraaloogjes hebben ze en ook dit: vertrouwen. Ze vliegen rond en dalen vertrouwenvol op mijn schouder en mijn hoofd neer. Je bereikt hun karakteristieke vogelvriendschap door je rustigheid, door evenwichtige benadering. Mooi is dat, 2 beestjes die je vreugde geven. Moet je daar eerst een oud mens voor geworden zijn? Ooit had ik een Amazonepapegaai: Loritta. Ze leeft nog steeds, ze woont bij mijn ex-man. Ze is al oud voor een vogel, ze is ver over de dertig. Ik denk, als ik naar mijn vogels kijk, dat het belangrijk is aan nú te denken. Of helemaal niet te denken over de tijd die je meetrekt, meedogenloos genoeg. Je moet leven, je moet zíjn, je moet weten: ik ben. Wat erna komt, is niet relevant. Je bent. En je bent nú. Vandaag. Op dit ogenblik.
Lach maar. Lach maar. Het leven is goed. Ja, daarom juist. Je bent geaard en gehecht aan het leven. Het is het enige wat je hebt: je kostbare leven en dat van óns. Liefhebben houdt lijden in. Liefhebben doet zeer.
Toen wij, Ollie en ik, zondagmiddag wandelden in Hernen en het kasteel aandeden, ervoeren we een kleine schat van de winter. We luisterden in het Hernense kasteel naar een winters pianoconcert. Dwarrelende tonen. Opkomend en wegstervend. Vrolijk en verdrietig. Teer en bruut. Stil. Zelfs tonen uit de piano leven hun muzikale leven. En dan stop. Wég. O, de winter is mooi, is goed, is levengevend. Je moet wél leren omgaan met alfa en omega. En met God.
Zondag 22 januari.
Bij Buitenhof zag ik vanmorgen twee schrijvers in debat met Paul Witteman, een van hen was Leon de Winter. Ik ervoer al kijkende weer eens dat mannen geen emotie mogen tonen. Leon sprak enigszins opgewonden, ietsje verhit, maar hem werd geadviseerd rustig te blijven. Maar hoe blijf je rustig bij een onderwerp dat handelt over oorlog of vrede, over voortbestaan of vernietigd worden? De Winter wil gerechtigheid zien en daden doen. De andere schrijver (naam vergeten) wil praten, praten, praten van twee kanten, hopen op ommekeer, rustig afwachten en verder niets. Het is eng, allebei. Wat staat je land en regering te doen bij mondiale dreiging en onvrede? Het is het heikele dilemma van vandaag dat grote zorgen baart in de hele wereld. Wat moet je doen? Knokken of praten? De machtsbolwerken van regeringswege wereldwijd zijn niet te doorschouwen. Wat gebeurt er? Wat is de waarheid? Wat doen zij?
We weten het niet, en we weten niets. Je kunt maar bidden en hopen dat het uiteindelijk niet naar de vernietiging toe gaat, dat - eind goed, al goed - de wereld gespaard mag blijven van de ondergang. En je bepeinst van alles: hebben de grote mannen van de macht geen kinderen voor wie ze een goede toekomst wensen? Of liefhebbende vrouwen met wie ze de dingen ten beste bepraten? Door heel het leven heen slingert zich de draad van goed en slecht, het blijkt een onwrikbaar strikkoord te zijn. De geschiedenis herhaalt zich onverkort, de doodzonde regeert, de greep naar de macht is blijkbaar het meest geliefde spelletje van de stinkrijke roverhoofdman. (Welke welgestelde oorlogsfanaat komt eerlijk aan zijn boterham?) En wat kun jíj doen, jij als kleine mens die leeft in de marge van het Witte Huis en van de Afghaanse bergspelonken? Wat kun jíj doen tegen jodenhaat en moslimhaat? Wat kun jíj doen tegen moord en doodslag? Ik kom in mijn kleinheid met mijn schamele gepeins slechts uit bij bidden. Je gaat je er bijna voor schamen: bidden. Wat valt er te bidden? En ik herhaal het telkens weer: De mensen moeten inkeren, álle mensen moeten inkeren, ook de president van welk land dan ook, ook de haatvolle holbewoner die met zijn merkwaardig verworven miljarden zijn quasi religieuze strijd laat voortbestaan, ook het welvarende volk dat zich geschiedkundig verongelijkt weet, ook het moslimvolk dat kernwapens fabriceert. Geen strijdtoneel heeft iets met God te maken, noch met Allah. Geen koran, noch thora, noch bijbel vertelt dat de mens moet moorden. Het is het slechtste in zijn ziel dat de mens aanzet tot oorlogvoeren, tot vernietigen. Als er al helemaal géén duivel bestaat, schept híj met zijn slechtste emotie de duivel zelf wel. Bloedstrijd is satanisch, is de verderfelijkheid ten voeten uit. Doch alles heeft 2 kanten.
Vrede is de boodschap van God, van Allah. Maar de mensheid moet zélf de vrede maken, haar behouden en kostbaar behartigen. Er is écht geen hemel die jou de vrede geeft als een mystiek geschenk van boven. De vrede maak je in je hart, in je kring, in je omgeving en wel zover als het maar mogelijk is. Dat geldt voor kleine mensen zoals jij en ik. Dat geldt evenzeer voor de regeringsbolwerken van de hele wereld. Zij die oorlog voeren, gedragen zich minder dan beesten. Zij gaan aan alle beschaving voorbij. Zij zijn niet menselijk meer, noch dierlijk, zij zijn de misdaad zélf (geworden). Zij zijn de criminaliteit. En geen mens houdt hen tegen. Soms vraag ik me af wat bijvoorbeeld de paus zou kunnen doen bij nucleaire dreiging of (religieuze) oorlogvoering? Of de koningshuizen, hebben zij helemaal geen invloed? Nee, ze kunnen net zomin als jij en ik iets doen.
Enfin. Ik zie geen goed perspectief. De mensheid gaat gebukt onder heel hoge bedreigingen. Maar God staat erbuiten. Dat moet, anders greep hij wel in, zij het op een vredige wijze. Hij zou wellicht vermanend zeggen: Mensen, ik heb u allen zeer lief. Leef dan in mijn liefde allen vreedzaam voort. Maar ja, zo iemand is hier al eens geweest. Hij was rechtsreeks van God gezonden, zei hij. Maar zijn messiaanse teloorgang heeft ook niet veel geholpen. Een handjevol mensen leeft nog wel in onderlinge vrede, maar móéilijk dat het is! Och ja, je kunt er maar over filosoferen, erover praten, onderling of in je dagboek. Dan blijf je nog hopen dat het goed komt ook.
Vrijdag 20 januari.
Mens zijn met elkaar, daar gaat het om, elke dag opnieuw. En dat mens zijn met elkaar gaat gepaard met de gedeelde zorg en met de gedeelde vreugde om de dingen die ons overkomen, die aan ons gebeuren. Mens zijn met elkaar. O, ongemakkelijk is het wel. Je moet je inleven in elkaar. Je moet begrijpen. Je moet je betweterige mond houden, want elke mens heeft een eigen karakter en elke gebeurtenis is anders en jóúw waarheid is nou niet direct voor anderen bestemd. Ik bedoel: als ik wel eens door iemand (ongevraagd) werd getroost, werd het leed vanuit een verkeerde troost alleen maar gróter. Troostwoorden moet je kiezen, zorgvuldig en minimaal. De veelheid aan woorden troost niet, maar vermoeit op zijn minst. Ik denk dat te zwijgen en te doen, onopvallend en in het klein, de betere troost is voor mensen. Ja. Alles aan gedrag en inzicht moet worden (aan)geleerd in het leven. De jeugd heeft nog een moeizame weg te gaan. Goed omgaan met zoveel mensen is een altijddurende klus die een aandachtige ratio vereist. Omdat het leven grillig is, en de mens ook.
En de ouderen dan? Sommigen zijn wijs geworden, of werken er nog aan, anderen zijn stil blijven staan en weten het niet, weer anderen zijn beland op de gulden middenweg, ze houden het effen. Ach ja, logisch.
Ieders levensverhaal luidt immers anders. Wie oud wordt, is gezegend, maar weet ook zijn beperktheid die onverkort ooit íéders deel zal zijn. Oud zijn. Het zijn uiteindelijk nog maar kleine vonkjes van lievigheid die je kunt uitdelen, schaarse miniatuurvonkjes van troost en warmte die je te bieden hebt; je ontvlamt niet meer, je hart is rustiger geworden, je bent a.h.w. geaard. Ach, een mens moet het leven zélf doen. In wezen ben je alleen, en dat weet je. Het geldt voor elk individu. Als je het alleenzijn aanvaarden kunt, in gerustheid alleen kunt zijn, alleen kunt dóén, dan heb je aan menszijn gewonnen. Met neerslachtigheid over eenzaamheid of ander bang verdriet kom je niet ver. Het is de evenwichtigheid die je menswaardig door laat gaan, evenwichtigheid in de goede geest. En de vreugde dan? De vreugde, die mag je nooit verliezen. Hóé je leven zich ook inkleurt, er komt altijd een ommezwaai, zoals na de regen telkens weer de zon zich laat zien, en ja, na de zon komt dan weer de regen. Daarom: pluk de dag. Wees blij, verheug je om deze dag die hoe dan ook van jou is. De narigheid bestaat, maar geef haar het nakijken; wees niet geschokt, maar probeer haar te verdrijven met de genade van de lach.
De lach zegent het leven
~
Lach dan, mensenkind, lach!
Want de lach van het hart
is een goddelijke ode
aan het grootse leven
van toen en van nu en van ooit.
Want de lach van het hart
is een kleinood van God
dat hoog opstijgt uit het lieve.
Want de lach van het hart
is het kostbare goed van de mens.
De lach zegent het leven.
© 2001 Ine Verhoeven
Woensdag 18 januari.
Nadat ik gisteravond pater Frans uit het ziekenhuis had opgehaald en naar huis gebracht, las ik rond middernacht zijn nieuwjaarspreek 2006 nog eens na. Ik ben zo dankbaar dat ik deze mens heb mogen leren kennen en dat ik hem mag steunen, al is het op gepaste afstand. Ik noteer uit zijn rake beschouwing met nadruk: ‘… Och: hoe mooi is het leven, maar ook hoe kwetsbaar, hoe broos, hoe vluchtig. De tijd, het voortschrijden van de tijd, heeft iets onherroepelijks, ís onherroepelijk. De dichter Vasalis schrijft over de tijd: Ondanks de schijn van eeuwigheid in enkle stille ogenblikken/ hoor ik voortaan een fijn schor tikken/ word ik geschonden door ’t weten:/ ook dit wordt langzaam opgesleten.’ De tijd slijt ons op. In ons aller leven is een fijn schor tikken, worden we langzaam opgesleten. Zijn wij mensen niet als een vuurpijl in de nacht, die éven fel mooi aan de hemel schittert, maar die dan voorgoed in het niets verdwijnt? … Het heelal is ontstaan, zo zegt menige geleerde, uit de oerknal. Maar als gelovigen geloven we dat wij niet zozeer uit de oerknal komen, maar dat we geboren zijn uit de hand van God, dat ons leven uiteindelijk van God komt, God, die ons niet vallen laat in de afgrond van ondergang en dood. We mogen geloven dat het laatste woord niet toevalt aan Blind Noodlot en Stom Toeval (H.O.). We mogen geloven dat het laatste woord niet toevalt aan uitzichtloze ziekte, niet aan steeds groter wordende afhankelijkheid, niet aan alleen maar teleurstellende ouderdom. Het eerste en het laatste woord is aan Hem, wiens naam is: Ik zal er zijn, Ik zal er zijn voor jullie. Niet voor de afgrond heeft God ons gemaakt; geschreven staat dat de Naam van God is: Ik zal er zijn. Ik zal er zijn voor jullie. Het evangelie heeft een boodschap tegen alle wegtikkende tijd in. Deze boodschap luidt: ‘Wie gelooft, gaat niet verloren, maar die heeft eeuwig leven.’ Ons is eeuwig leven in God toegezegd. Wie God liefheeft en zijn naaste medemens, heeft toekomst. Wie opkomt voor God, wie opkomt voor de naaste, in het bijzonder voor de naaste in nood, heeft leven, zelfs eeuwig leven. Hij overstijgt de wegtikkende tijd. Bevatten doe je dat niet zo gemakkelijk, maar de bijbel suggereert het wel: eeuwig leven, blijvend leven in God! …’.
Hoe je gelovigheid ook is getint: te geloven ten goede, te geloven ten leven en in deze goede geest proberen te handelen, zal de nietige, kwetsbare en sterfelijke mens heilig maken, heel maken, levend maken, en levend houden. Ik weet wel dat het theorieën zijn, denkbeelden die zijn ontstaan uit diep gepeins en hoogstaand gevors, maar uiteindelijk is het tóch de logica die de uitkomst ervan heiligt. In het boekje Geschreven tweeluik rond 2000 (in de zijlijn van de frontpage te vinden) staat op de pagina’s 85-88 het geschrift van mijn broer Ries: Ter vervolmaking van de mens. Het is een heerlijk betoog ter bemoediging voor jou en mij, voor hem en haar; voor óns in van die kleine bange uren wanneer wij het schorre tikken van de klok wetens beleven. Het is een woord van geloven en beseffen tegelijk. ‘n Troost van de hemel, denk ik.
Die Rieke toch! Paddy gaat een zusje krijgen. Het duurt nog wel een jaartje, maar op Wims verjaardag, eind januari, staat de hondenwieg al klaar. Ja, het zijn dotjes, die kleine grijze wolbollen. Ik zag op een foto Beatrix van Oranje ook met een kleine paddyhond op haar arm. En ik droomde dat er hier in mijn huisje 2 van zulke snuitertjes rondsprongen, terwijl Brokje en Kipje in alle vrijheid door de kamer struinden en niet meer in de kooi gingen. Wat kun je nog meer beleven aan leuks? De sanseveria’s voor het raam zijn nu bijna helemaal opgegeten en de naamloze plantjes op de tafel zijn ook al aangepikt. Jemig, zou Sybil uitroepen als ze de schade hier kon zien. Maar ja, een kropje sla moet ook lijden als het geplukt wordt. Wat een hoogstaande filosofie. Inderdaad: jemig!
Vrijdag 13 januari.
De tijd zet zijn schreden voort, niemand kan verhinderen dat hij doorgaat, verdergaat, ja, niet te stuiten is. Naast de onbarmhartigheid van de tijd beleef je ook zijn mildheid. Het criterium is, samengevat, de mengeling van positief en negatief, zoals wij, mensen, die in onze dagen ervaren, en die de wereld, de mensheid in evenwicht houdt. Kijk. Zó leef je, en zó sterf je. Dat kun je uittekenen, en die mengeling signeert je levenslijn. Ze heet in christelijke termen ook wel: van kribbe tot kruis. Aanvankelijk ben je als jonge mens in een fantastische tijdsfase beland, een rijkelijke maar tijdelijke fase die je in alle facetten mag doorleven. Je leeft je leven vanaf het begin, en het is eindig.
Wat beleeft een mens eigenlijk véél. En hoeveel passanten ontmoet hij op zijn levenspad, rakelingse én kortstondige, en sommige voor heel zijn leven. Dán zijn zij geen passanten meer, maar heilige blijvertjes: ze zijn zijn vrienden. Ware vrienden zijn zeldzaam. Dat is logisch, want om vrienden te kúnnen zijn, moet je samen op één lijn zitten, elkaar intuïtief aanvoelen, mentaal en moreel bij elkaar passen. Ja, je kunt boeken over vriendschap schrijven, of brieven of gedichten: de perfecte ingrediënten, afgestemd en afgewogen op elkaars karakters, zijn voor vriendschap onontbeerlijk. Je kunt een hechte vriendschap ook nooit afdwingen. Enfin. Wát is het dat je steeds aan het denken zet over samengaan, vriendschap, relatie? Het is kennelijk iemands hunkering naar zo een vertrouwde medemens. Ik zeg: vertrouwde medemens. Het is hoogst ijdel te denken dat je in oppervlakkigheid goede relaties kunt vergaren, dat je ze kunt opsparen, of zelfs verzamelen. Zo werkt het niet. Om een vriendschap te hebben en deze te continueren, moet je te allen tijde geven en je mag nauwelijks nemen; alles gebeurt in gelijkwaardigheid, in bescheidenheid.
Maar ik stop liever met deze zware kost neer te schrijven, het maakt me vandaag alleen maar moe. Nog dit: bij een voorbije vriendschap zie je het doorgaans achteraf gebeuren dat de tijd je de dingen én hun betekenis leert, ze verklaart, ze duidelijk maakt. En dat je eraan groeit, als mens. Dat mag je elkaar dan ook van harte toewensen, denk ik.
Het is intussen vreugdevol te merken hoeveel lieve mensen met pater Frans meeleven, hem missen, van hem houden, hem terug bidden, hem beter bidden. Dat doet hem goed, én mij. Ook in dezen is het de tijd die de dienst uitmaakt, die de scepter zwaait, zoals bij het genezingsproces. Je moet het goede geduld leren hebben, het goede geduld dat van tijd en rustigheid en geleidelijkheid is ontworpen. En je mag hopen en bidden dat de tijd barmhartig is, dat hij mild is en dat de genezing erdoorheen komt. Mensjes zijn we, mensjes. En toch is het leven goed, de moeite van het beleven waard en verwonderlijk is alles. Laus Deo! Ook in de verdrietigheid mag je bestaan. Het leven is goed zoals het is. Dat mag, uiteindelijk, elke mens beseffen. Ook dat te beseffen, is aan God geloven.
Woensdag 11 januari.
Je maakt je plannen, je doet je best en verder heb je in het leven niets te vertellen. Het is kome wat komt. Soms is het levenslot een hard gelag. Dan nemen angst en onzekerheid de plaats in van de rustige vredigheid die je oogstte uit het goede én uit het lijden van weleer. Je wenst elkaar en alle mensen voortdurend een goede gezondheid toe, de vrede en de vreugde en een mooi, lang leven. Het is daarbij de hoop die de mens éven uit zijn onzekerheid opbeurt. Vanuit die goede hoop schreef ik gisteren tegen de eerste wanhoop in een klein maar bondig gedicht. Een mens weet diep in zijn diepste binnenste bij ziekte en tegenslag de antwoorden immers wel.
Voor Frans(fotootje 2005)
Het is kome wat komt
~
Jij die van mijn hart bent
Jij wijze, jij grote
Jij bijna mijn god
Ik kan je niet sparen
Voor tekens van leven
Kan jou niet beschermen
Het is kome wat komt
~
Geveld lig je neer
Als de boom, ongeworteld
En straf met de hand
Van de hakker gekapt
Weerloos en lijdzaam
Wat valt er te vrezen?
Het is kome wat komt
~
Jij die van mijn hart bent
Jij tedere, goede
Jij bijna mijn god
Ik zal met je meegaan
Door tekens van leven
Bij lijden hoort zwijgen
Het is kome wat komt.
~
Ine Verhoeven, 10 januari 2006
Zondag 8 januari.
Na de vrolijke vertelling van eergisteren, die veel energie heeft gevergd, is weer de tijd van bezinning gearriveerd. Vandaag was ik in Kevelaer. Het weer was triest, de handel lag stil, de winkels waren dicht. Wél stonden kapel en kerk, zoals altijd, majesteitelijk te pronk, brandden er honderden kaarsen op het plein en waren er veel welgestelden op de been. Het voelde heel apart, dit stille Kevelaer, zo rustig kende ik het nog niet. Dit is de rust van januari, dacht ik. De kerstdrukte is over, het is ook al Driekoningen geweest. Het mag nu eenvoudigweg winter zijn. Bij kou, regen, wind en sneeuw is dit steeds weer zo’n goddelijk perspectief:
~
heb ik de volheid mogen weten
van de zwangerschap van God;
hij droeg de vruchten van de
aarde, stilzwijgend bewust,
naar de jongste lente toe;
en hij baarde weergaloos toen
de knoppen opengingen; er was
geen pijn, geen zeer, maar
licht en groen, wit bloeisel
alom; en de dagen lengden en
gaven het licht aan zijn kind
om te volgroeien in de zomer en
te spelen naar weer een nieuwe
eindigheid; overal leven, nieuw,
fris, zout, zoet, alles tegelijk;
strengheid vergleden, want het
aardekind lachte - en ik; toen
heb ik aanbeden al wat ik zag en
voelde en wist; want ik ervoer hoe
goed het was, dat kind van God,
nog onbeproefd, nog ongerept, nog
niet bezweken aan wat dan ook
~
En de vogels vlogen op, zongen en
baden met mij mee; hun stemmen
klonken in de wereld - zo nieuw;
en de lachvogel kwam en ging met
mij; hij verlichtte mij en ieder
rondom met zijn klank; en ik deed
wat hij zei, want zijn woord was
godgetrouw - helder, strikt, warm;
en ieder die was, werd geheiligd
~
toen de lachvogel kwam.
~
Vrij naar Handelingen van de apostelen 2,1-13.
Uit: Van Mensen Onderweg - met Geloof, Hoop en Vrede © 2003 Ine Verhoeven Nijmegen. (Pagina 112.)
Vrijdag 6 januari.
Vandaag hebben we gewandeld bij de oude molen van de Wolfskuil, langs het dierenparkje en de kunstenaarsschool. We stonden stil bij het Mariakapelletje en dachten terug aan het landje van Johannes, waar nu een dubbele garage staat.
Het is alweer enkele jaren geleden dat het buurtvarkentje Johannes feest had. Johannes, die in de volksmond Johanna werd genoemd, woonde bij het kapelletje en de molen, niet ver van de Wolverleise appartementen af. Johannes was een hongerig varken, vooral op zondag. Het was alsof zijn private landgoedje op zondag gekuist moest blijven en er uit schone voorzorg niet gegeten werd. Raar natuurlijk, maar niet ondenkbaar, want Johannes had nu eenmaal op zondag grote honger en van eten viel dan niets te bespeuren, de voederbak was leeg. Nu was Johannes een slokkop, een vretertje van jewelste. Hij was de koning te rijk aan modder op zijn landje, en eten had hij doorgaans in overvloed - de buurtjes uit de woonwijk brachten hem dagelijks voldoende afval - maar op zondag knorde hij ontevreden en hongerig, dan was Johannes een chagrijn van een zwijn. ‘Slabberdeslab’, zo slobberde hij genadebrood en appelschillen van zondagse passanten, en zelfs plukken gras naar binnen. Oh honger toch!
Maar op een goede zondag had Johannes dus feest. Het gebeurde onverhoeds en de feestpret was niet enkelvoudig. Wat was er aan de hand? Het was begin oktober, en het was bijna de feestdag van Franciscus van Assisi, die als dierenvriend te boek staat én als dierenbeschermheilige. Tante Sibbelijn zou op bezoek komen bij oma Sini. Ze had daarom thuis de dag tevoren een appeltaart gebakken. Tante Sibbelijn woonde ver weg, helemaal in V., maar graag bezocht ze oma Sini daarginds in N. En soms, heel soms, als ze toevallig gekregen appeltjes in voorraad had en opgespaarde krentjes én goede gulle zin, dan bakte ze eigenhandig een appeltaart voor haar eigen gezinnetje, voor haar oudste petekind en voor oma Sini. Nu was deze tante geen echte taartbakster, ze kookte niet graag, en ook niet goed, en van bakken had ze eveneens weinig kaas gegeten. Maar ach, misschien had ze gewoon niet genoeg geduld om alles geleidelijk gaar te stoven. Toch stond de appeltaart van tante Sibbelijn wijd en zijd als lekker bekend, dat had ze aan iedereen verteld, dus ís het ook zo. Maar goed. Tante was met de taart naar N. gekomen. Dat was gezellig, want tante Sibbelijn op babbelvisite hebben, is altijd entertainment, én voor alle leeftijden. Op haar aanbellen, deed oma Sini de voordeur open en tante duwde haar de grote taart in haar handen. Die zakten onmiddellijk naar beneden, oef! ´Wat zwáár! Bijna gevallen! Heerlijk, een appeltaart! Zelf gebakken? Dank je wel, tante Sibbelijn!´ En oma Sini droeg de dikke taart de kamer in en legde hem op een feestelijke schaal van porselein met gouden bloemen. De taart puilde er overheen, zo groot en gezet was hij. Maar hij zag wel wat witjes. En zijn overgewicht was nogal opvallend. Zou hij te veel roomboter in zijn buikje hebben gekregen? Of had tante er extra pondjes krentjes ingedaan? Of meerdere kilootjes appeltjes? Hij bleef wel alsmaar bleek zien, ook bij daglicht. ´Alsjeblieft.´ Tante kreeg de bakvorm mee terug naar huis. En de appeltaart stond te pronk, want oma Sini had ’s morgens al gebakjes gehaald voor tante’s verheven bezoekje. Er werd gebabbeld en gebabbeld, het kon niet anders, want tante was altijd al een babbelaarster geweest; en oma zweeg, maar ze luisterde wel. De taart was voor een ander moment. Hij kon nog wel even blijven staan, hoor, hij was kersvers, die appeltaart. En tante gaf goede raad, heel wijze raad over hoe je hem het beste kon bewaren, en zelfs de verdeling per persoon werd door tante vakkundig uitgelegd, zelfs aan wíé en wannéér. Je kon wél veel van haar leren. Oma Sini knikte instemmend op wat tante allemaal zei, of schudde van ´nee hoor´, naargelang. En de taart stond daar en bleef daar staan. Tot er enkele dagen later opnieuw visite kwam. De kleinzoon van oma Sini en zijn lieve mama waren op een goede zondag naar N. gekomen. Oma Sini had een high tea verzorgd, zondagse soep getrokken en allerlei lekkernijen op de theeërieke feesttafel gezet, want als de kleinzoon en zijn moedertje kwamen, dan was het voor haar écht feest. ‘Wat een grote appeltaart! Hij ziet wel wat bleekjes.’ ‘Proeven?’ ‘Ja, een klein stukje.’ En er werd van de taart geproefd. Ook oma Sini nam er wat van. ‘Hij is zwaar, zeg! Waar smaakt hij naar? Wel weinig krentjes. Waar zitten de appeltjes?’ Tja. Het bleek bij proeve een calorierijke appeltaart te zijn van weinig suiker, veel meel en heel veel vet. En toen werd de appeltaart van tante Sibbelijn historisch. Hij kreeg een meerwaarde ter navertelling.
Na de gezellige high tea in Huize Wolverlei werd de tafel afgeruimd. De appeltaart stond daar nog steeds in zijn wit gebakken glorie, alleen het piepkleine proefstukje ontbrak. ‘Waar moet de taart naartoe?’ Ja. Waarheen? ‘Wil jij hem meenemen naar huis?’ ‘Nee, dank u, oma Sini, hij is voor ons te zwaar om op te tillen, laat staan om op te eten.’ Ja. Wat nu?
‘Kom! Kleed je aan,’ riep omaatje blij, ‘we zijn van Sint Frans! Het is bijna Dierendag! We gaan naar Johannes, hij heeft vast honger! Het is hem vast en zeker een eer en een deftigheid als we naar zijn landje toekomen met de appeltaart van tante Sibbelijn.’ En oma Sini, mama Blomme en kleinzoon Vlammetje togen vrolijk in optocht over de galerij. Voorop ging oma Sini met de appeltaart op de porseleinen schaal met de gouden bloemen. Oma Sini had haar hoed opgezet en jonkheer Vlammetje droeg zijn fluwelen dichtershoed met veertjes. Mama Blomme sloot de rij af met een peperkoek en een glimlach. Het was een plezierige optocht.
Ze stapten in oma’s rode koetsje. Er lag wat rommel op de zitbank, maar de butler had vakantie en de chauffeur van oma Sini was pas ontslagen wegens openbare dronkenschap. De kleine man met de dichtershoed zat achter in het rode koetsje en keek het landschap in. Wat zag hij? Wat dacht hij? Hij hield de schaal met de appeltaart voor Johannes op schoot en met zijn ferme handjes vast omklemd. Zo reden ze gedrieën naar het varkentje toe, het beestje zou een fantastische zondag gaan beleven, want de appeltaart van tante Sibbelijn was helemaal voor hem alleen.
Het drietal arriveerde boven op de heuvel met het kapelletje en de molen. Oma Sini parkeerde het rode koetsje tegenover het landje van het varken Johannes. Ze stapten uit. Oma nam de appeltaart over van Vlammetje. Alledrie wisten ze dat dit een heilig moment was. Tante’s bakijver zou worden beloond met de dankbaarheid van Johannes, die als een vrij varken door het leven ging. ‘Knorknorknor’, placht hij hen te begroeten, hij had grote honger. ‘Proficiat,’ bogen zij hem tegemoet. ‘Leve Franciscus en leve jij, Johannes! Wij hebben een traktatie voor jou, mede namens Franciscus de dierenvriend!’ ‘Knorreknorreknor´, deden de maag en de snuit van Johannes. En Vlammetje pakte de taart, en oma Sini pakte de taart en mama Blomme pakte de taart, stukje voor stukje verdween hij onder en in de gretige varkenssnuit van Johannes en op de duizend kruimels na die van de taart afvielen, slobberde hij de hele appeltaart van tante Sibbelijn naar binnen. Was hij dankbaar? Dat weet niemand. Maar hij had die hongerloze zondag feest. En hij, Johannes, niet alleen. Toen oma Sini, mama Blomme en kleinzoon Vlammetje vrolijk wuivend van Johannes afscheid namen en zich omkeerden om naar het rode koetsje te gaan, waren de andere, nieuwsgierige dieren van de Wolfskuil, want zo heet het plekje daar in N., op de duizend kruimels afgekomen, juist toen het drietal in de rode koets wilde stappen. Wat zagen zij daar? Terwijl Johannes nog hapte en slokte en ronduit vrat van de dikke, vette appeltaart, vlogen de duiven, fladderden de eenden, hipten de mussen en stapten overal de drukke haantjes en de haastige kipjes vandaan, en ook nog de eksters, de kraaien en de meesjes. Ze pikten en hapten en kwetterden en kukelden. Wat was het ineens druk op het landje van Johannes! Hoe zalig, die duizend kruimels! Een kleine hond, die struinend losliep zonder baasje, likte met zijn tong door het hek langs de smalle border de daar gevallen kruimels op. Alleen een hooghartige kat keek op afstand toe, het was een witte. Maar hij had al gemuisd, hij had geen honger. Het was warempel een heel echt feest geworden, daar bij het varken Johannes. Ieder beestje deed zijn best een graantje mee te pikken. Was dit geen franciscaans tafereel? Oma glom, mama lachte en kleinzoon keek zijn ogen uit. Dit was bijzonder! Nooit eerder vertoond! Wat een spektakel! En allemaal dankzij de appeltaart van tante Sibbelijn. Niemand had wroeging van de taartdaad, alledrie voelden ze zich zelfs zeer voldaan door deze puike voederdaad, immers naar het voorbeeld van de heilige Franciscus?
Maar niet iedereen denkt franciscaans. Op een donkere herfstdag in november stopte een groene bestelauto met witte mannetjes bij het landje van varken Johannes. Niemand wist toen nog wat ze kwamen doen, noch wat er precies gebeurde. Maar het werd spoedig duidelijk. Johannes werd opgehaald. Zijn gezapige varkenslijf was rijp voor de slacht. En de molenaar keek vanaf de molen toe, en de kastelein van de buurtkroeg kwam naar buiten om te kijken, en ook een vrouwtje dat bij het kapelletje bad, zag het gebeuren: de witte mannetjes namen Johannes mee. Zijn tijd zat erop. Hij was klaar voor de kook en de braad. ‘Dag Johannes’, riepen zij schor. ‘Knorreknorreknor’, sputterde Johannes nog even tegen. De volgende dag zagen de niets vermoedende dagjespassanten, die hun oude broodbrokken en hun dunne aardappelschillen aandroegen voor Johannes, een bordje bij het landje van Johannes staan: Ik ben weg. Bedankt voor het lekkere eten! Uw Johannes. Ach ja, zo gaat het met varkens.
Toen oma Sini hoorde van het verscheiden van Johannes was ze bedroefd. Ze had genoten van dat varkentje op zijn landje. Het beestje was een vrolijkheid geweest, een bijzondere attractie voor de buurt en voor haar. Kleinzoon Vlammetje huilde en mama Blomme bracht bloemetjes naar het landje van Johannes, ter ere ván. Ja, het was een gemis. Maar oma’s droefheid ging uiteindelijk over in lichte blijheid. De herinnering was mooi. En ja, een varken is nu eenmaal geboren voor de maaltijd van de mensen. En o, hoeveel plezier had ze gehad met Johannes! En hoe goed was het geweest toen hij een heuse appeltaart had opgesmuld, het was op zijn laatste dierendag in oktober. En oma dacht aan tante Sibbelijn, die de appeltaart in haar onschuld voor Johannes had gebakken! Het gold voor háár: Bedankt voor het lekkere eten!
© 2006 Ine Verhoeven
Woensdag 4 januari.
Je laat de vogeltjes los om ze goed te doen en je haalt de zorgen binnen. De klok is naar de reparateur. De man was verbijsterd over het verhaal van de vernielzuchtige agapornisjes, nooit eerder gehoord. Maar de klok wordt gemaakt. Okay. Toen ik gistermiddag na thuiskomst de 2 olijkerds dus losliet, vlogen ze dartel de kamer rond. Het kon geen kwaad, want de lievelingsklok was weg en de noodklok hangt er nu, een platte van Seasons met viooltjes en zonder tik-tak. Ze bestormden ook deze klok, en wel onmiddellijk. Nu wordt het psychologisch interessant, dacht ik. Er viel niet veel aan de klok te vernielen, behalve dat de wijzers een kwartier vooruit werden gewerkt. Maar toch. Weg van de klok pikten ze het opengeslagen boek op de lezenaar aan. Leuk, die snippertjes! Ik stofzuig straks, dacht ik, en ging het bed verschonen. Brokje ging op mijn schouder mee en bemoeide zich met de lakens. Op en af, heen en weer, eronder, erboven. In de huiskamer wist ik Kipje alleen: ze kan daar geen kwaad, alles is veilig. Kwetterdekwetter. Óp vloog Brokje, door de gang terug naar de kamer. Allebei kwetterdekwetter. Wel gezellig, die twee. Even kijken. Ik zie alleen Brokje, Kipje zit denkelijk op de keukenkast. Brokje kwettert, vliegt omhoog, op de kast, en buigt zich beurtelings in de vazen die daar gereserveerd staan. Even kijken. Waar is Kipje? Alles afgespeurd, achter de koelkast, onder het keukengerei, overal. Geen Kipje. Wel een afzwakkend piep, piep, pieperdepiep. Stilte. Dit kan niet. Waar is dat beestje? Brokje troont hoog boven alles uit en kijkt steevast in de vazen. Ik pak een stoel, klim erop en doe hem na. Alle vazen bekeken. Geen Kipje. Paniek komt op. Kípje!! De telefoon gaat. Phily heeft nieuws. Maar ik kan er niet bij nadenken, ben hoogst ongerust: Ik bel je straks terug, ik moet mijn vogeltje zoeken. Vogeltje? Heb jij een vogeltje? Ja, twee. Er is iets. Ja, ik bel je straks. Ongerustheid ten top in Huize Wolverlei. Dit kan niet. Ik hoor niks meer, het duurt me te lang. Brokje zit onschuldig te kijken, wat dénkt dat beest? Wat wéét dat beest? Brokje, waar is Kipje? Je wordt er een beetje gestoord van, eerlijk is eerlijk. Weer op de stoel gestaan, weer in de vazen gekeken, niks, erachter, zelfs eronder: er klopt iets niet, helemaal niet. Rustig blijven. Kijk daar dan nog eens in, het is wel heel erg klein, maar toch maar kijken. Verscholen achter de grote vazen staat een klein, schattig, oud, bruin stenen kunstwerkje, met een smalle hals. Met een laatste wanhopige blik erin geworpen, zie ik een veren kontje en een versmald lijfje gepropt zitten in de hals van het vaasje, het vogelkopje is niet te zien. Kipje! Voorzichtig en angstig haal ik haar eruit. Ze is verfomfaaid, maar ze leeft. Ik slaak een diepe zucht, natuurlijk van verlichting. Ze kwettert even later met Brokje mee, alsof ze niet zojuist aan de dood is ontsnapt. En ze gaan weer opwaarts naar de noodklok, opnieuw in de aanval. Hèhè. Ik ervaar opluchting en droefenis tegelijk, vooral door de confrontatie met het ongeluk dat in een klein hoekje zit. Het gezegde geldt immers als waarheid voor alle schepselen, groot en klein. Mensen, kijk toch uit. Ook in je veilige huis. Ik ben maar in de kamer gebleven, bijna als een engelbewaarder die als iedereen onthutst kan zijn om het leed in de wereld. Toen heb ik Phily teruggebeld. Kijk eens aan, zei ze, en dat is nog maar een vogeltje. Ja. Haar oude poes is pas dood. Ook het klein lijkende leed kan oprecht groot zijn. Mijn 2 vogels mochten vliegen tot ze uit zichzelf de kooi ingingen om te eten en te drinken, en te slapen. Het is best laat geworden.
Zondag 1 januari 2006.
Op 1 januari schrijf je nooit zoveel in je dagboek, denk ik. Je krijgt bezoek, het kan gebeuren, en er is van alles te beleven, ook op tv. Van het Nieuwjaarsconcert tot Paul de Leeuw, en nog veel meer. Zoals ook het programma rond de miljoenenprijs, die is gevallen in Heusden, via de Postcodeloterij. Het zal je maar gebeuren. En het gebeurt je dus niet. Maar dat biedt geen treurnis.
Bij de vreugde om mijn 2 agapornisjes, die sinds kort vrij mogen rondvliegen in mijn woning, staat ook de realiteit van de droefenis over een poes en een hond centraal. Ze zijn dood, poes Moppie en hond Monty. Op de grens van 2005 naar 2006 overleden. Dat feit maakt tranen. Je zou kunnen zeggen dat het maar dieren waren, maar dat werkt niet, het is verrekte verdrietig. Enfin. Life goes on. De herinnering zal goed zijn.
Vanmorgen was er de prachtige Nieuwjaarseucharistie in Huize Rosa. En er was de koffievreugde daarna, met de feestelijke gebakjes. Er waren allemaal lieve mensen, blije mensen ook, allen van gedistingeerde mooiheid. Iemands ziel kun je vaak lezen op iemands gelaat.
Er kwamen warme reacties op mijn gedicht Tel je zegeningen, dat pater Frans als afsluiting voordroeg. Ja, zo’n mooie ochtend doet je arme hart goed, het mijne wel.
Paul de Leeuw heeft vanavond hoog gescoord met het optreden van Liesbeth List en Ramses Shaffy. Ramses zong in een trio-optreden mee in het lied Laat me. Ik heb ervan gehuild. Het is de confrontatie met het leven, met de vergankelijkheid en, nostalgisch gezien, met mijn voorliefde voor die jonge god van tóén. Ja, zo’n oude voorliefde ligt in je gemoed verankerd. De confrontatie kan hard zijn, en heel erg wáár: Een mens is tijdelijk, élke mens, dé mens. Hoe vergankelijk is de schoonheid, hoe kwetsbaar het hele leven. Mensen, wees toch goed voor elkaar. We zijn slechts eenmalig.
‘n Nieuwjaarsmemo. De klok is stuk. Toen ik vanmiddag thuiskwam, zag ik het linkerdeurtje openstaan, de wijzers stonden op bijna half elf, oh, mijn lievelingsklok stond stil. Mijn 2 vogeltjes hebben hun vrijheid wat al te naarstig gebruikt, vooral Brokje zal debet zijn aan de schade, want hij is de mecanicien, hij prutst altijd aan horlogeknopjes, je hoort: klik! en dan pas is hij tevreden.
Een merkwaardige gebeurtenis. Wie verwacht nou dat vogeltjes je klok zullen mollen? De hele kamer staat tot hun beschikking en het is uitgerekend de klok die eraan moet geloven. En ik, natuurlijk, want ik moet ermee naar de reparateur. Zucht. Ach ja. Het levert weer een aardig ritje op naar Grave, want ik kocht de klok daar bij De Gouden Luifel. Het is maar materie en het komt wel weer goed. Raar eigenlijk, een kapotte klok op 1 januari. Misschien is de symboliek hiervan dat je je niet door de tijd van de wijs moet laten brengen. Gisteren belde een mevrouw uit Roeselare me op: zij had moeite met de ouderdom, met het vergankelijke leven. Ik kon het niet voor haar oplossen, nee. Ik heb haar mijn boek Van mensen onderweg beloofd, en erbij gezegd dat het geheim van een blij leven, of minstens van een dragelijk leven, ligt in het aanvaarden, in het aanvaarden van wat er op je weg komt. Het lot bestaat. Voor jou, voor mij. (En voor de broze Ramses, maar dat wist ik gisteren nog niet.) Ik denk ook dat de tijd die je hebt, die je krijgt, benut moet worden tot in de details. Het geeft voldoening te zullen scheppen, goed te doen, lief te hebben, dus optimaal te leven, want als je op je oude dag een leegte achterlaat, inhoud nihil, dan kom je met jezelf in de problemen, denk ik.
Avondgebedje: Laus Deo! Voor het goede van vandaag. Voor alle mensen. Voor alle wensen. Voor alle voor en alle tegen. Het is goed. En Deo Gratias. Amen.
Donderdag 29 december.
Silvester nadert nu rap, de oudste dag zal spoedig arriveren. Overal wordt al vuurwerk afgestoken, van briljante schoonheden flitsend aan de hemel tot lelijke klappers knallend op straat toe. Het is koud in het land en, volgens de tv, ver erbuiten. Europa ligt onder de sneeuw. Als je thuis zit, is het een aardig idee, maar het verkeer heeft er zwaar van te lijden. Ja, de winter. Hij is de god van de overgang naar het nieuwe land, de nieuwe tijd, de nieuwe bloei, de nieuwe geboortes. Hoogzwanger dragen de bomen hun knoppen naar het voorjaar toe, altoos in barre kou, steeds volhardend in weer en wind. Evengoed een prachtig gegeven, de winter. Het witte huis aan de overkant pronkt met kerstlichtjes, de kale bomen laten zijn klassieke architectuur helemaal zien. O, dat huis hééft iets.
~
Gisteren kwam Olivier op bezoek en hij schrok óp bij het binnentreden van de kamer van mijn bijzondere nieuwtje: 2 agapornisjes kwetterden hem vrolijk tegemoet. Hij had er niet op gerekend. Ik ook niet, trouwens, al had ik tevoren wel grondig nagedacht, doch niet langdurig, toen ik het nieuwe vogeltje ging uitzoeken in de Notenhout. Omdat Brokje een mannetje is, gaf de winkeljuf me een jonge pop mee. Ze heet Kipje, en is wonderschoon, zacht van tint en merkbaar zacht van aard. Brokje moet wennen, Kipje natuurlijk ook. Maar ze vliegt als de beste en Brokje vliegt mee, gemankeerd als hij is, laat hij het niet zien, de dappere. Ze vliegen eendrachtig heel de kamer rond, de keuken in, de gang door, rakelings langs het bed op de slaapkamer en dan de hele weg weer terug. Af en toe hakt Brokje met zijn snaveltje naar haar pootje, links of rechts, maar ze blijft rustig en verweert zich chic. Ja, ja. Kipje is een dame, een klassepop.
Ik zit merkwaardig genoeg in een brandschoon huis. Door de rommel die ze maken, ga ik aan de slag en ruim op. Het geeft nieuw perspectief, zo’n vogelpaar in huis. Ik zou een hondje erbij willen hebben, maar vijf maal per dag minstens naar buiten te moeten met het beestje, dat is me te veel van het goede. Ja, ouder worden beperkt je. Dat moet je aanvaarden. Ik ga straks blij oudjaar vieren, samen met de kleine vogels in mijn huis. Je kunt zelf heel veel doen om je late dagen van wat vreugde te voorzien. Je weet nooit wat er te gebeuren staat. Je bent de vreugde, nu je haar nog wetens kunt beleven, aan jezelf verplicht; en aan je medemens, ongeacht.
~
Ik wens de wereld met zijn mensdom daadwerkelijke vreugde toe,
en vrede en eerlijkheid, barmhartigheid en naastenliefde;
geen honger, maar voedsel, geen gevangenschap, maar vrijheid,
geen kwaad, maar goed.
Gelukkig en gezegend 2006!
Woensdag 28 december.
Vandaag is het Onnozele kinderen. Een merkwaardige benaming voor een kerkelijke feestdag. Het is trouwens geen echte feestdag, eerder de dag van de herinnering aan de ultieme treurnis rond het kind: Herodes liet destijds alle jongetjes van twee jaar en jonger ombrengen (Matteüs 2,16-18). Als je een voorbeeld van moordlustig machtsvertoon zoekt, is dit wel het summum van satanisch koninklijke gewetenloosheid. En hoeveel gewetenloze Herodessen leven er nog, ook in onze tijd? Enfin. De kersttijd zet mensen aan het denken, al wordt er het hele jaar door wel nagedacht. En met alleen maar eenzijdig soft nadenken komt nou niet direct een praktische verbetering in wetssituaties, er moet altijd eerst krachtig en formeel regeringsgewijs over de dingen gesproken worden, degelijk erover nagedacht, ernstig gewikt en gewogen. Maar criminele doders zijn ongevoelig, niet te raken door een of andere voorgeschreven wet; ze volgen zichzelf. Hun kern moet uit een onmeetbaar egoïsme bestaan, het kan niet anders zijn. Maar ik ben geen psycholoog, geen psychiater, al komen die academische denkers, die universitaire wetenschappers er te vaak ook niet uit. O, de menselijke psyche is ontleedbaar en onontleedbaar tegelijk. Ik betrap me op zware gedachten, ja, juist in deze dagen van donkerte zit ik ermee, opvallend genoeg. Maar het geeft niet, een mens denkt toch altijd door. En denkbeelden wisselen vanzelf, er komen ook blije en mooie voorbij. Alles keert altijd ten goede.
Toen wij gisteren bij Rieke waren, heb ik zo genoten van de mussen in haar lieflijke tuin. Mijn moedeloosheid vanwege het zorgwekkende mussenbestand in ons land was ineens over. Wat een veelheid! Het was een plaatje om te zien: tientallen vliegende, pikkende, ruziënde mussen bijeen, bovenop de heg en tussen zoveel groen groeisel: planten, bomen en struiken, en alles was met witte sneeuw bedekt. Hoop doet leven.
Die ene es, middenin, dééd me wat: ik had in mijn huwelijk 6 magnifieke stoeltjes van essen, iepen en beukenhout, ooit geïmporteerd uit antiek Engeland. O, herinneringen van mensen. En die ene es had een prachtige gladde bast van grijsgroen. Heel mooi. Intrigerend mooi.
De kinderen komen niet, vandaag. De kleinste is wat ziekjes. Ik mis ze erg, allemaal. Maar we wéten elkaar en dat mag me als moeder en oma voldoende zijn. Ik heb hen zeer lief. Je kinderen, ze zijn jóúw nazaten, zijn je troost in veel. Ze maken het leven nog een beetje de moeite waard, ook al zie je hen niet vaak, ook al ben je niet samen op gevoelige dagen. Het weten dat ze er zijn, en daarbij vooral dat het hun goed gaat, is voor mijn moederhart al genade genoeg. En ja, je moet natuurlijk érgens je troost vandaan halen.
Dinsdag 27 december.
Verheugd, ook met de lichte sneeuwval en het witte winterlandschap, reden we vanochtend naar Den Bosch om bij De Smeetsjes de jaarlijkse derde kerstdag te vieren. In hun gastvrije huis heb ik de kerstsfeer van 2005 ten volle geproefd. Toen we aanbelden, kwam pup Paddy ons dartel tegemoet gesprongen. O hondje klein, alweer gegroeid, een beetje. O dot van een diertje, je wordt er blij van met een traan. Het is haast een magie te noemen, want waarom ga je van een kleine hond huilerig zijn? Het is kerst, ja natuurlijk. Maar dat beestje heeft iets extra vertederends, iets waar je niet onderuit kunt: je smelt ongewild als je dat vertrouwenvolle hoopje geluk gadeslaat. O, het zijn verrukkelijke uren geweest. We zaten gevieren aan de gastvrije tafel van lieve vrienden. We waren gemoedelijk aan de praat, deden aan breken en delen, aan meedelen ook, aan elkaar het beste gunnen. Ja, dit is m.i. écht het leven vieren, dit samen het goede vieren. En je bent jezelf, niet hoger of lager, niet meer of minder, maar wel jezelf. Dat is mooi, dat is goed; zo hoort het steeds te zijn tussen mensen. En de kleine hond Paddy en de grote hond Monty waren de tevreden getuigen, samen met kat Keppeltje, die ik nog even aansprak op zijn angst voor muizen, en kat Fleurtje, die haast onhoorbaar zachtjes snorde langs mijn hand. (Met de vissen heb ik me niet bemoeid. Ze toefden als altijd stijlvol in het aquarium. Ze zouden kunnen dansen op de maat van de kerstmuziek, maar dat te bedenken, ging me toch een kerstster te ver.) De tafel was in kersttooi gedekt. Het voedsel was zalig: balkenbrij, een licht soepje, pasteitjes, kerstbrood, worstenbrood, broodjes van allerlei, roomboterklokjes, kaasjes divers, en geroosterde crème met rode bosvruchten, bonbon en slagroom, en wat nog meer, toe. En we waren het feest al zo rijkelijk gestart met koffie en kerstkrans. Met vredige blijdschap om het goede dat we vandaag van 2 mooie mensen mochten ontvangen, keerden we in het halfdonker naar Nijmegen terug. Gelukkig Kerstfeest!
Zaterdag 24 december.
Vandaag, aan de vooravond van Kerstmis, schrijf ik alleen nog een kerstgedichtje neer. Het mag als klein kerstgeschenk dienen voor wie er gevoelig voor is. Het is tegelijk een ‘gewoon’ geboortegedicht, zo tweeledig heb ik het althans bedoeld toen ik het vorig jaar schreef.
~
O kindje klein, zo nieuw geboren,
niet wetend van het grote leed,
van de zorgen om het leven,
van de mens met hartenpijn.
~
O kindje klein, zo pril geboren,
jij ziel van God nog ongerept,
vreugdebrenger in ons midden,
wonder dat te slapen ligt.
~
O kindje klein, bij ons geboren,
teerbemind en zacht gestreeld,
lieve zorgendroom van moeder,
kleine man aan vaders hand.
~
O kindje klein, van God geboren,
heilig mag jouw toekomst zijn,
opstaan mag je in Gods mooiheid,
jij die uitverkoren bent.
~
O kindje klein, slaap zacht en rust nu
want de wereld wacht op jou,
huil niet, lach, groei op in voorspoed
om tot heil en vreugd’ te zijn.
~
Vrijdagavond 23 december.
In het verdriet van mensen zit ondanks alles toch altijd de hoop verborgen, de hoop op betere tijden, op de gelukkige lach die de tranen overwint, op milde vergetelheid. Ja, december kan er wat van. Bij de drukte van de late decemberdagen, van inkopen doen, van kaarten schrijven, van kerstboom optuigen, van lieve dingetjes kopen voor wie je lief zijn - of om zomaar iemand blij te maken, komt je ziel ongemerkt naar voren toe, ze profileert zich, ze vraagt om aandacht. Een opmerkelijk mechanisme, een beetje lastig ook, en je zou je ziel het liefst in slaap sussen. Je wilt niet gestoord worden door allerlei opkomende sentimenten. Je moet verder, de dingen moeten op tijd klaar zijn. Maar je ziel bestaat, laat zich niet verdringen, en de decembertranen komen, of je wilt of niet. Waarom eigenlijk? Wat is de prikkeling van december om jou aan het huilen te kunnen krijgen? Zouden de kerstkaarten er debet aan zijn? De goede wensen met de namen van de verre, soms veel te verre afzenders? De herinnering aan hem, aan haar? Of stemt de lange, donkere avond je droevig, of misschien de korte winterdag? Of kun je vandaag de goedheid niet aan die je toebedeeld krijgt van hen, die om je geven? Of krijg je juist geen response op wat je ten diepste wenst? Of zit ergens in een hoekje misschien de leegte van deze nostalgische, oude tijd je aan te staren door de absentie van je liefste mensen? Het thema is door psychologen, je weet het wel, al lang geleden doorvorst en uitgemolken. Maar geen wijsheid hunnerzijds heft het bestaan van de decemberse melancholie op. Wat is het geheim? Ach, het heeft ook iets moois. Tranen kunnen je ook bevrijden. En de bevrijding maakt de lach in je los. Het is de wisselwerking der dingen, en van de tijd. Alles is één, en één is alles. De aarde draait door. De wereld verdraagt zijn mensen nog, al zijn het er zeer, zeer velen. En de tijd IS, IS onverkort, onstuitbaar, eeuwig. December is er een fractietje van, niet meer of minder, een fractietje dat voorbij stuift als jachtige wintersneeuw, onvangbaar, wég. Maar zo ook vergaat de verdrietigheid, komt de mooiheid van de blijdschap in je op; en je ziel is gelukkig als nooit tevoren en je kunt weer mens zijn, elke dag, elk uur, elk moment opnieuw. En je huilt, waarachtig, daar ga je weer! Ja, ja. Ook de blijdschap heeft haar tranen. Alles is één. Gerelateerd áán. Mooi is het, mens te zijn met gemoed.
Donderdag 22 december.
De engel van Godfried Bomans is een diepgravend sprookje, en met meer betekenis erin neergeschreven dan ik aanvankelijk dacht. Ik was lector tijdens de franciscaanse kerstviering, het was gisteren, en al lezende voelde ik een nauwere band met de hoofdfiguur en haar gebreken dan me lief was. Ook de pointe van dit meditatieve kerstsprookje had haar pittige waarheid. De schrijver Bomans moet een levensechte mens zijn geweest, ik bedoel: een uitmuntend kenner van de menselijke inborst, anders had hij die engel met haar mensenstreken nooit zo neer kunnen zetten, in elk geval niet zo wetenschappelijk wáár. Mooi is dat. En zo blijft een mens, ongeacht zijn leeftijd, groeien aan de dingen die hem tegemoetkomen, en aan zichzelf. Het leven is normaliter dan ook nét niet te kortstondig om uiteindelijk enigszins volwassen te geraken, denk ik.
Gisteren is een zéér Bossche dag geworden, vooral het centrum was van mij, úrenlang. Ik had mijn geboorteakte opgehaald bij Burgerzaken en daarna mijn rechtsadviseur een kerstpresentje gebracht: een tuiltje rode en blauwe bosvruchtjes met snoezige bloemetjes gemengd en met een strik bijeengehouden, materiaal onbekend. Maar mooi was het wel. Bij Bakkerij ’t Kupke kocht ik Bossche Kussen en zachte schuimtaartjes, bedoeld voor de kerstdagen. (Ik noteer het hier maar even om het te onthouden.) In de Kruisstraat zag ik Lies T. aankomen. Omdat ze me terdege zag en toen onbetwijfelbaar haar toevlucht zocht bij een etalage met niks bijzonders te zien, hield ik haar vriendelijk aan: Ha Lies! Hoe gaat het? En Lies zei: Ik heb gordelroos. En ik dacht: Ja! En ik zei: Wat vervelend! En we gingen weer verder, zij rechts, ik links. We lachten nog wat naar elkaar, o domme verlegenheid, en ik dacht: katholiekje, katholiekje, waarom schrik je zo van mij? Enfin. Soms begrijp je iemand zonder uitleg. Je hoeft de situatie niet expliciet te ontleden. Je voelt het knelpunt (het oordeel) feilloos aan. Niet fijn, maar zo kan het gaan tussen (katholieke) mensen.
Ik ben razend benieuwd naar Paddy. Is hij gegroeid? Kleine wolbol. Kersthondje. Bijtertje blij. Vanwege de Bossche dag zag ik Brokje gisteren nauwelijks. Ik denk erover een agapornisje erbij te nemen, maar ik moet eerst zeker weten of Brokje dat verdraagt. Ik wil er advies over inwinnen bij Wim én bij Joop. Brokje is te afhankelijk van mij; en het dagje uit voor mij is de grote eenzaamheid voor hem. Ja, ik denk erover.
December is echt ook al zo’n maand om van te houden. Hij bestaat met nevelige vergezichten, duizend kale bomen in rijen bijeen en met overal weilanden vol schapen. Hij heeft blinkend water in de rivier, wisselende wolkenhemels en nu nog volle maan. December. Hoe heerlijk zijn zijn korte dagen, zijn vroege donkerte met haar sfeer van heimwee, haar geur van haardvuur. En je brandt een kaarsje, je kookt je eten, je drinkt je thee, je leest wat, je schrijft wat. O ja, de tijd kan heel vriendelijk voor je zijn, ook in de winter, of júíst in de winter? Het is niet altíjd kommer en kwel, en dat weet je, dat besef je op de momenten dat het je goed gaat. Bij de geboorte van je kind heb je te lijden en als je kind er is, is alle pijn weg. Alleen de vreugde blijft over, de vreugde blijft stáán; de vreugde immers overwint de neergang. Vreugde is de heilige opstanding in de mens.
Maar verwend zijn we wel in West-Europa, ook in Nederland. Ik kan me zo onmetelijk schamen voor de welvaart, en zo ten diepste treuren over de armoede. Kijk naar de verre, arme landen, waar te veel mensen te veel moeten ontberen voor een beetje bestaan. Het verschil is te groot, het lijden te eenzijdig, de honger zeer oneerlijk, zéker ook de dorst. Hier stroomt zuiver water uit de kraan, hier is eten in overvloed. Daar is niets.
In de binnenstad zag ik de zwervers, het worden er steeds meer, lijkt me. De mensenmassa toont vele gezichten, vele karakters en vele statussen: arm en rijk, en nog zoveel andersoortige status ertussenin. Ik kan er zo moe van worden, van het zien van al die verschillende mensen. Overal is het druk, zo druk zelfs dat je niet ontkomt aan het besef dat je een onnut stipje bent, een misbaar stipje. Je bent uniek, en vervangbaar. Ik las dat veel zwervers vooral bestaan vanuit hun depressies. Ja, zwerven is het logische gevolg van verloren eigenwaarde en innerlijke teloorgang. En wij, de welgestelden, maar zingen van Stille nacht, heilige nacht. En hoe blij zijn wij, de welgestelden, met de sociale mensen onder ons, die een warme hap koken voor het sjofele tuig? Zij doen hun messiaanse werk, o barmhartig en evangelisch genoeg. En ik, de welgestelde, twijfel ook nog of ik 2 eurocent in de pet van de shab zal werpen? Een gewetenssussertje meer toch, zo’n muntje van 2 eurocent? Kijk: armoede, zwervers, zieke mensen, stervende mensen, vreemdelingen, ja, de marginalen en de onvrede, alles blijft bestaan. Zo was het, zo is het, zo blijft het. En toch. Iets in me zegt me dat het niet goed is. Iets in me vertelt me dat Kerstmis vandaag de dag een schande is bij de honger en de nood in de wereld. En toch. De heilige vreugde mag steeds doorgang vinden. De wereld draait door, het leven gaat door. Maar wij, de welgestelden, mogen juist in de kersttijd minstens nadenken over ons toekomstige aandeel tégen de armoede en tégen het leed. Elk splintertje liefde méér is een stukje betere wereld. Wie wordt daar minder van? Bouwt liefde de mensheid niet óp?
Ik herlees mijn aantekeningen en schrik een beetje van mijn eigen toon. O, het is gemakkelijk moraliserende tekst te schrijven. Het gaat erom in de praktijk de goede daad bij het goede woord te voegen. Ik zal er me later kritisch over onder handen nemen: Wat heb je met je missie voor het welzijn gedaan? Ja, ja.
Bidden is mooi. Bidden is goed. Bidden maakt mensen heel. Maar je moet wél met de genade meewerken, anders doet bidden helemaal niets.
Mijn moeder zei altijd: Papier is geduldig. En ook: Wie schrijft, die blijft.
Ja, die moeder van mij. Ze had zo haar waarheden. Het waren er vele.
Woensdag 21 december.
En de dagen rijgen zich aaneen, de winter zet door en het wordt kerst, al gauw. In Den Bosch wil ik straks kijken of de kerststal in de Sint Jan klaar is. Wat hebben de geleerde architecten van dit roomse domein voor dit jaar verzonnen? Het geeft daar in de Sint Jan altijd de mooiste beelden weer, het is er rijk aan inspirerende taferelen. Voor Op De Hoogte van de Boskapel schreef ik vandaag een lied over Driekoningen en het koningschap van heden, en over wat de toekomst aan koninklijke goedheid en heerlijkheid ons, aan lot en ongewis overgeleverde mensen, zou kunnen brengen. Het gaat zo:
Van wijsheid
~
Er stond een grote gouden ster
Te stralen aan de hemel
En alle kleine sterretjes straalden
Met hem mee.
~
Er kwamen mannen, groot en wijs.
Zij reisden met kamelen.
Zij volgden de weg die de ster hun wees.
Zij zochten …
~
En vonden de betekenis
Van het hemels sterrenlicht:
Zij aanschouwden het kind van Betlehem
Bewogen.
~
Zij schonken het kind hun gaven:
Goud, wierook en de mirre.
Zij wisten de koningszoon van Gods land
Geboren.
~
Zij keerden nog bij sterrenlicht
Huiswaarts langs de wegen Gods.
Onder geleide van engelen hoog
Gingen zij.
~
Zij waren de drie koningen,
De zoekers, de geleerden,
De wijzen met de vreugde om dat kind
Van weleer.
~
Nog altijd zijn er koningen
Die Jezus willen vinden
Om hem te eren, na te volgen:
Zoon van God.
~
Waar wierook is, en koningschap
Daar leven ook de schurken.
Zij maken met hun macht en zwaard De
Goedheid af.
~
Geen tere broosheid is hen lief.
Geen mooiheid en geen kindschap.
De strijd is hun vertier, dood volk en
Soldaten.
~
Er gaat een grote gouden ster
Ten onder aan de hemel
En alle kleine sterretjes dalen
Met hem mee.
~
Geen man van oorlog en bedrog
Zal ooit de wereld winnen.
Maar hij die van Gods vrede is, zal
Eeuwig zijn.
~
Zie: ginder gloort de nieuwe dag
Dat jij en ik van God zijn.
Geen strijd, geen leed, geen doodslag meer
Maar leven.
~
De mensheid bouwt de aarde op.
Haar koning is van wijsheid.
Het kind van God speelt harp en zingt
Van vrede.
© 2005 Ine Verhoeven Nijmegen
Ik weet dat ik nogal wat prijsgeef, mijn gedichten en een groot deel van mijn ziel. Ik hoop altijd dat het de moeite waard is, dat mensen er iets goeds aan hebben, iets ten beste ermee kunnen doen, er zich prima bij zullen voelen. Wat ik belangrijk acht, is het copyright te respecteren, dat niemand vergeet te vermelden wie de maker is van de geschriften die hij/zij leent. Enfin, het is het lot. Je geeft het beste van jezelf en hoopt en vertrouwt en verder niks. Het is goed zo. En het wordt kerst, dacht ik.
Zondag 18 december.
IJzig staat vanavond de wind op het huis. Ollie is te voet huiswaarts gekeerd, hij had me tijdens zijn zondagmiddagwandeling met een bezoekje vereerd. Het is altijd een feestje als O. onverwachts op de thee komt, al drinkt hij koffie. Met hem kan ik in elke diepte van het leven afdalen. Onze gesprekken zullen nooit vervelen, want de onderwerpen zijn divers en steeds de beschouwing waard. Ja, dat is genade; hoe vaak komt dit gelijkgestemd zijn tussen 2 mensen voor? Als vrouw zou je eerder denken een vriendin te hebben met wie je lief en leed kunt delen. Maar wanneer tref je zo een vrouwelijke ziel aan, die met rust en gedegenheid is behept, bij wie je onverstoord kunt zijn die je bent? Ik had een vriendin die het beste van onze vriendschap wilde maken, maar ze deed zó haar best dat ze telkens vóór de kar uitliep. Zelfs het makste vriendschapspaard kon die kar niet getrokken krijgen, want zíj, de euforische vriendin, blokkeerde zijn stappen tijdens de unieke levensritten doordat ze gehaast vooropging en hem rennend en banjerend, en alsmaar ‘hoera’ roepend en ‘ik óók’ roepend, voor de voeten liep. Als passagier red je het niet zo te reizen, laat staan als medeganger in een dergelijke gemankeerde pas te moeten voortgaan. Nu biedt het leven een en al levensstudie aan, aan mij, maar ook aan die vriendin. Ik heb haar daarom voorlopig maar aan de kant gezet, in de hoop dat ze eens de voorname rustigheid ontdekt: zonder de innerlijke rust kan een mens niet tot wasdom komen, niet opnemen, niet leren, niet zien, niet doen wat écht moet worden gedaan; zonder de ingetogenheid kom je geen stap verder. Wijze levenslessen moet je ondergáán, beléven. En het gaat er altijd om te luisteren, te hóren, te denken, te zien, te begrijpen en van daaruit te handelen, dán pas te handelen, en in de juiste maat mét het rustteken. Enfin. Ik wil maar zeggen, dat de mensen nu eenmaal zeer verschillend zijn; dat de mensen immers hun karakters hebben en dat ze daarmee niet vanzelfsprekend bij elke passerende medemens passen. Vriendschap is genade, daar ben ik achtergekomen in de lange en harde praktijk. Vriendschap is vanuit die genade zichzelf en elkaar herkennen in de dingen die ermee samenvallen. Vriendschap is uniek. Vriendschap is verrijkend. Vriendschap is heilig. Maar zij, de vriendschap, moet te allen tijde wederkerig zijn. Anders is ze kansloos.
Vandaag was een klassieke zondag. Ik had kunnen slapen, de ganse dag lang. Maar de Boskapel riep en het vogeltje riep en het middagmaal riep, en toen zag ik Harrie weer ‘ns in de mensa van het Radboudziekenhuis.
Harrie speelt fluit, vraag hem om een liedje en hij tovert voor jou de fluit tevoorschijn en speelt. Harrie is geen zwerver of clochard, Harrie is een gepensioneerde kinderpsycholoog. Vorig jaar Advent heeft hij tijdens de kerstmeditatie fluitgespeeld voor de zusters dominicanessen, maar dit jaar hebben we zelf gezongen met de lieve gasten, we zongen mijn kerstlied over de vrede. Het was een vrijdagmiddag die ik liefhad. Het kerstverhaal ‘De engel’ van Godfried Bomans, dat al heel oud is naar onze maatstaven, deed het erg goed. En de hele middag was goed. De rode rozen van zijde lagen quasi te pronk als kerstversiering, ik heb tot besluit de heilige aanwezigen zo’n rode roos aangereikt: vrede op aarde.
Nu ga ik Gooische vrouwen bekijken. Ontspanning voor de denkende ziel. Wat is deze winter toch verrukkelijk. Ik denk dat er sneeuw komt, snel.
Woensdag 14 december.
Deze pas halve decembermaand 2005 is nú al zo verwonderlijk in mijn beleving, ik ervaar zo’n echt onderweg zijn naar Kerstmis toe. Momenteel zijn we druk bezig met de voorbereidingen voor de kerstbezinning en de boeteviering in Catharinahof, een jaarlijks terugkerend festijn met gebeden, lezingen, gezangen en gedichten, ik zou het niet graag missen. Vandaag kocht ik verheugd 70 rode rozen van pure zijde: om het heerlijke bezinningsfeest voor iedereen nog mooier te maken, om de heilige symboliek van geven en delen uit evangelische belangeloosheid vorm te geven in het kleine gebaar van de gave aan jou, aan hem, aan haar. Het is maar een eenvoudige vriendelijkheid, maar wél een belangrijk onderdeeltje van De Grote Liefde. Ik denk dat het goed is je hart te laten spreken tegenover elkaar en je innerlijke vrede gestalte te geven, a.h.w. uit te drukken in de blije materie, en het hoeft niet groot of veel te zijn.
Maar ja. Die veelheid aan rode rozen trok toch de aandacht van de medebezoekers van het tuincentrum. Kijk voor je! Want daar loop je dan in gezamenlijkheid achter een karretje met 70 rode rozen, dat geeft op zichzelf helemaal niets, maar wat zie je de kijkende massa denken? Raar eigenlijk, dat steelse menselijke blikken en nog eens, nog eens, schuin en recht en achterom, naar wat jij, grote onbekende, daar aan roods in je karretje meevoert… Waar staan die, mevrouw? O dáár!
Er waren, deze halve maand, enkele ongemakkelijke dagen bij, de dagen met de doktersbezoeken. Maar álle dagen waren desondanks verrijkend schoon van inhoud, zoals o.a. die maandag toen we Bets en Dus de G. bezochten, 2 sterke mensen, ze zijn in januari 2006 60 jaar getrouwd. Het waren knusse uurtjes samen, van hartelijkheid en spontaneïteit! En eindelijk had ik het hart van Kerkdriel weer eens gezien. Het viel niet tegen. En er was de zondag in het Bijbels Openluchtmuseum. Jammer dat het veelbelovende thema Herders in het veld in leegte en lucht opging, er was niets, helemaal niets zinnigs te zien of te beleven, in ieder geval niet buiten in het veld, daar poogden wat schapen hooi te eten, 2 stille kamelen stonden eenbultig te zijn, enkele ezels blikten droef voor zich uit en 1 enkele jongen in een oosterse omslagdoek zat te blauwbekken bij een vuurtje: dat tafereel behelsde het hele aangeprezen item. Nee, het was er minder dan een armetierig aanbod gebleken, maar wellicht hoort die leegte bij de inboedel van de herders in het veld? Ik was er bedroefd van. Maar ja, wat had ik precies verwacht?
Donderdags was er die visite aan de KBO. Ik vond het er echt gezellig, het voelde er sociaal en ja, gewoon goed. De KBO lijkt me een luchtig ontspannend en zeker niet onbelangrijk perspectief voor de ouderwordende mens. Ik denk dat het bestaan ervan hard nodig is. Geen mens ontloopt de eindtijd van zijn leven, als hij tenminste de gunst van de ouderdom binnenhaalt. Het leven is ongewis, dat weet iedereen. O, over de tijd nu maar gezwegen. Met mensen, ze zijn je lotgenoten, contact maken en houden, is goed.
Gisteren belde Ineke van B. op. Het boek ‘De geheime club’, dat destijds een geliefd kwartjesboek voor ons beiden was, is eindelijk gevonden, ergens op de zolder van iemands oude moeder. We hebben er samen hard om gelachen en Ineke en ik zullen het herlezen als ze terug is van haar bezoek aan Hongkong en enkele omliggende landen. We waren ongeveer 10 in die kwartjesboekentijd, zeker niet ouder; dan was het geheime clubgebeuren dus in 1953.
En zo waren alle decemberdagen tot nu toe mooi en goed, en heel voorzichtig vooruitblikkend verheug ik me blij op derde kerstdag, dan mag ik zien hoe Paddy is gegroeid. De derde kerstdag betekent de dag van Rieke en Wim, pater Frans en mij. Het is de dag van rijke vriendschap aan elkaar. Dat gegeven brengt me op pastoor Bernard S., mijn goede, nee betere vriend en regelmatige tafelgenoot, dat laatste bij voorkeur in Kasteel Maurick. Ons eerstvolgende etentje is in januari 2006. Dat feitje houdt me (alweer) bij de tijd… Er kwamen kerstkaarten binnen, het deed me goed. Ze hangen aan een donkerrood lint van Kerstmis te getuigen. Van stille nacht en vrede. Van hoop en liefde en geloven in elkaar. Van mensen die het goede zoeken.
Het leven is goed. Ik heb te doen met de stakkers in de marge, in de oorlog, in de verdrukking en in wat allemaal nog meer. Op televisie kom je van alles tegen aan ellende en onrecht en doodslag en vijandschap. Je houdt je hart vast. Ook dát is Kerstmis: lijden en afzien, onmenselijke ontberingen, onrecht en fanatieke religie, die geen goede religie kan zijn, niet in dienst van God, wellicht in dienst van de Boze. De wereld heeft niets geleerd van de geschiedenis, van het kwaad uit vroegere tijden. Het lijkt wel of de Inquisitie opstaat, de wet streeft de liefde voorbij, de wet van wie?
Samengaan
~
Kerstmis komt, Kerstmis komt
met het kribbenhout van Jezus’ wieg
en het kruishout van zijn lijden.
Kerstmis komt.
~
Kerstmis komt, Kerstmis komt
met gezang en licht en zalig woord
over vrede en genade.
Kerstmis komt.
~
Kerstmis gaat, Kerstmis gaat
aan smuk en munt verloren; voor
’t jongste kind rest klatergoud?
Kerstmis gaat verloren.
~
Kerstmis is, Kerstmis is
de vredesgroet van hogerhand,
de troost van God voor mensen.
Kerstmis is Gods troost.
~
Kerstmis leeft, Kerstmis leeft
in mensenharten, lief en leed;
in goedheid, heilig samengaan.
Kerstmis leeft.
~
Kerstmis komt, Kerstmis komt
met het kribbenhout van Jezus’ wieg
en het kruishout van zijn lijden.
Kerstmis komt.
© 2005 Ine Verhoeven
Zaterdag 10 december.
December staat buiten te kijk, stram en grijs in de kou. De naakte bomen in het kleine plantsoen voor de flat vangen de volle nevel op. Het gras is winterwit. Met wollen wanten en hoge mutsen komen vanmorgen de passanten voorbij; ze schuifelen stil langs mijn raam. De nieuwe buurman van iets verderop was van de week gestorven, zo vertelde het de vrouw van de bloemenwinkel. Hij was gecremeerd op vrijdag. Nu komen getrouwen de weduwe troosten. Oh ja. Ons aller leven verglijdt en op een keer is het over, voor hem, voor haar, voor jou, voor mij. Het is een onlosmakelijk levensgegeven, dat soms nog gelukkig is ook. Voor die al oude man wel, heb ik begrepen. Hij was doodziek. RIP. De wereld is rijk aan leven en sterven. De heilige houding daarbij is aanvaarden, is het leven laten komen zoals het komt, net als de onwrikbare dood:
Aanvaarden
~
Je zult de rust met je rust begroeten.
Je zult het hart van de dood ondergaan.
Je zult de vrede voor eeuwig ontmoeten.
Je hebt dan het leven voor altijd gedaan.
~
Er zijn die geloven dat God hen komt halen.
Zij hebben de troost van een eeuwig bestaan.
Er zijn die bedenken: het leven is over.
Ik heb het gehad, mijn tijd is vergaan.
~
Het antwoord is vaag, ik laat het maar open.
Niet relevant is de komst van de dood
Maar het leven te leven bij zon en bij regen
Totdat je verdwijnt in de grond van Gods schoot.
~
Je zult de rust met je rust begroeten.
Je zult het hart van de dood ondergaan.
Je zult de vrede voor eeuwig ontmoeten.
Je hebt dan het leven voor altijd gedaan.
© 2005 Ine Verhoeven Nijmegen
Ja, en dan koop je bloemen voor je dierbare mensen die binnenkort dood zullen gaan. Wat zijn het er veel, tegenwoordig. Ik dacht nog: je bent beland in het tijdperk van de dood, van telkens opnieuw afscheid nemen; je bange periode van het dág en vaarwel is vrijelijk aan de gang, en heftiger dan ooit tevoren. Ik denk aan A., die lieve, gedegen A., dat mooie, blonde meiske van tóén, die dappere, vergankelijke vrouw van vandaag. Ze heeft als mens, vrouw en moeder goede vruchten voortgebracht. Ze is voor mij het perfecte voorbeeld van nuchtere rustigheid en evenwichtige trouw. Hoe ziek is zij. Hoe zeer doet dat. Oh, je betere medemens liefhebben doet meer pijn dan je hebben kunt. Hárd zal het afscheid zijn.
Dinsdag 6 december.
Vandaag heb ik mijn naamdag gevierd, het was in Kevelaer. Nicolaas is mijn 1e patroonheilige. Om iets gedenkwaardigs góéd te vieren binnen de mystiek van december moet je dáár zijn, denk ik. Overal zag je het naderende kerstfeest aangekondigd, in de versierde straatjes, in de kerstlekkernijen, in de lichtjes en de lantaarntjes, in de koopwaar van stalletjes tot kaarsen. Er was een bord in de vorm van een stralende ster, en die ster kon je volgen: zum Krippenmarkt. In het midden van de kribbenmarkt stond een complete kerststal, levensgroot, met eromheen wat levend vee, d.w.z. met 1 stille ezel en 3 makke schapen. ‘n Vertederend beeld.
Er kwam een nostalgisch verlangen in me op, maar waarnaar eigenlijk? Ach, dacht ik, het is de hunkering naar het onhaalbare, het ongrijpbare, naar het romantische leven van toen dat niet bestaat, en dat ook nooit hééft bestaan. Maken we alles niet honderd keer mooier achteraf? Vroeger is een heilig vroeger: vroeger was het goed, was het leven beter, immers? Wie maakt zijn herinneringen niet tot grootheden? Was je vader niet de sterkste man op aarde, of de wijste mens ter wereld? Was je broer niet de grootste schaker van het land, of minstens van de stad? Was je zus niet het lieftalligste meisje uit de straat? En o, wat had je toch een mooie jeugd. Of niet. Maar ik dwaal af. In Kevelaer zag ik het genot van december in kerstkind en kerstman, in heilig en heidens. Niets stond op zichzelf, alles was door elkaar geplaatst. Geloof en ongeloof gingen hand in hand: nota bene op het gewijde terrein van de roomse heiligdomsvaarten. Tja. Het moet kunnen, vermoed ik. In ieder geval kón het daar, want het wás daar. En ik dacht dáár aan mijn kerstgedicht Van God gedroomd, in 2002 geschreven. Ach, alles is relatief. Zelfs Kerstmis. Wat je ook verzint, of maakt, of aanhangt, of viert, of lyrisch neerschrijft, te allen tijde zul je de werkelijkheid aanzien. Al heb je december binnen in je huis nog zo warm en mooi en twinkelend gemaakt, daarbuiten is de mist en de kou en de onzalige armoede, is de strijd en de onzekerheid, niet alleen en gros, maar vaak ook van mens tot mens. O, het is goed de moed erin te houden, een goed mens te durven zijn en een goed mens te durven blijven, hoe dan ook. Het mag ons tot troost zijn: de herinnering gaat met je mee. De herinnering die goed is. Want alle scherpte zal slijten. Want alle lijden zal verdwijnen. Ze worden op den duur zelfs kleine sterretjes, die herinneringen, voor jou… Lachende sterretjes, huilende sterretjes, maar sterretjes zijn het wél.
Van God gedroomd
~
Al heel gauw zal het Kerstmis zijn
met kleine tederheden, met snoepbrood
in de sparrenboom en gouden engeltjes
Al heel gauw zal het Kerstmis zijn
~
Al heel gauw zal het kind er zijn
zo'n pril geboren leven, aan ons door
God gegeven, van alle mensenrassen
Al heel gauw zal het kind er zijn
~
Al heel gauw zal het vrede zijn
want bommen van de vrede dalen op de
aarde neer en doen de wereld beven
Al heel gauw zal het vrede zijn
~
Al heel gauw komt de koningszoon,
gedragen door zijn moeder, op wolken wit,
van God gebaard; hij zal het land regeren
Al heel gauw komt de koningszoon
~
Vannacht heb ik van God gedroomd
Hij vroeg me of ik zonen had en verder
wilde leven ondanks de boze mannenstrijd
en dode mensenzonen uit honger en geweld
~
Al heel gauw zal het Kerstmis zijn
met kleine tederheden, met snoepbrood
in de sparrenboom en gouden engeltjes
Al heel gauw zal het Kerstmis zijn.
© 2002 Ine Verhoeven
En toen kwam ik thuis, het was avond, en daar stond beneden in de hal een mandje met rode rozen, met kleine paarse orchideeën en blauwe disteltjes tussen oranje besjes. Hoe pakkend samengevat: het mensbeeld in miniatuur ten top, en elke bloem was van schoonheid geschapen; ook de distel komt van God.
Onderweg naar Kerstmis willen sommige mensen zich graag bezinnen ten goede, het is immers de tijd van wachten, verwachten. De tijd van geloof, hoop en liefde. De hoop zal de christen als christenmens staven, het geloof zal hem bemoedigen en de liefde zal hem doen leven. Dat denk ik althans. Dít wordt de toekomst, ongeacht: de schoonheid wint, haar mooiheid, haar goedheid, haar liefde zullen ooit goddelijk beleefbaar zijn. Dus Mens, durf te leven.
In die liefdesnacht
Hij zei: je bent mijn zonnetje
~
Toen lachte de maan
en dansten de sterren
en alle hemellichamen vierden feest
~
En haar hart had lief
en ze droeg zijn zonnekind
en haar ogen straalden
en ze baarde licht.
~
Uit: Witte koekoek en roomse kamille - Ine Verhoeven (Uitgeverij DABAR-LUYTEN 1997
Zondag 4 december 2005.
Een en al beeld en herinnering, dat reikt deze zondag me aan. In de vroege ochtend maakte ik een sinterklaasrijm, nou ja, ríjm. Het is een tekstje geworden van een half uurtje werk. Toen rap alle pakketten bij elkaar geraapt, in de auto gezet en op weg gegaan, naar Den Bosch. Maar eerst heb ik pater Frans opgehaald, hij zou zijn laatste eucharistieviering in de Lucaskerk houden, als zijnde de gastpriester. Het religieuze regime is in het Bossche bisdom aan verandering onderhevig, en er is in de parochie een vaste priester aangesteld. Het is jammer dat de periode van samen heilig vieren in de Lucasparochie voor ons hiermee voorbij is. Het is een goede parochie, er is een goede geest, met vriendelijkheid en samen het geloof dóén. Ik hoop dat het de gelovigen daar goed gaat, dat hun goede inzet blijft bestaan, dat de bisschop zijn verstand gebruikt en niet de dogmata of zulke wettische structuren die alleen maar onevangelisch zijn, gaat profileren. Ik hoop het echt. De kerk moet een kerk zijn van God met de mensen, en geen kerk van God tégen de mensen. De kerk moet vol mensen zijn van allerlei slag, van allerlei ras, van allerlei aard; ze mag geen eliteclubje worden van de zogeheten ‘heilige rest’. De heilige rest heeft immers haar loon al gehad, volgens de godsspraak. En niet de gezonden hebben een geneesheer nodig, maar zij die gekwetst zijn en om genezing vragen… Enfin. In het stugge harnas van de rechtse roomse kerk is amper plaats voor een menselijk hart. Maar ik ga er niet opnieuw induiken, ik wil niet meer wroeten in de oude malaise die binnen de kerk opnieuw gaande is voor vele oprechte gelovigen. Het is mijn vak niet. Vanochtend werd dus het afscheid gevierd van pater Frans en van mij. Er brandden twee extra kaarsen op het altaar: voor ieder een herinnering aan de Lucasparochie, aan de goede periode van dienstbaarheid. Ik heb van harte mijn aandeel geleverd. De Lucas heb ik een bijzonder plaatsje toebedeeld. Dat zal zo blijven. O, het was er goed, heel goed.
En de kleinkinderen vierden hun sinterklaas. Het is een heerlijk feestje geweest, van lieve cadeautjes en decemberse lekkernijen. Van blijdschap en glimlach en vreugde. Wat wil een mens nog meer dan de blije snoetjes van kinderen zien? De toekomst is van hen. Het zal niet meevallen, straks, dus de basis mag van vreugde zijn, denk ik.
En toen was daar de kleine Paddy. Warm in een veilige tas gepakt, werd hij door zijn baasjes meegedragen. We waren met ons achten in de Verkadefabriek om te ontbijten, al was het al in de middag geworden. We zaten aan de ronde tafel, feestelijker kon het niet. Ik keek in de tas en ik was verkocht. Dat béést! En toen ontdekte de serveerster het hondje, en het beestje moest weg van de overheid. Maar ze kon het niet volhouden, ze had het snuitje van de pup gezien. Hij mocht blijven, op voorwaarde dat hij in de tas verborgen bleef. Zucht van verlichting. De maaltijd was heerlijk, en voor mij een genade; we aten en dronken en ik wist er alleen maar lieve mensen. En toen ging iedereen weer zijn eigen weg. Afscheid genomen, en buiten gekomen eerst het beestje nog uit de tas gehaald… je zag een kleine hond, terriertje van haartjes, buikje, billetjes, staartje; van koppetje klein en oogjes vol vertrouwen, van tandjes wit die willen bijten, ontdekken; van slaap en eenmaal buiten aangelijnd van stapperdestap, van stilstaan, van weifelen en weer van stapperdestap. En de mensen die langskwamen, keken ernaar, ik heb het zelf gezien.
23.05 uur. Bijna is het maandag 5 december anno 2005.
Ik plaats de geleidebrief die bij de pakjes zat hieronder, ter herinnering aan een heerlijke zondagse sinterklaasochtend:
Verwegland, 4 december 2005.
Bovenstebeste kinderen en brave grote mensen,
Een hele rare oude man
Met een baardje en een jurk an
Die ging uit winkelen in de stad
Hij dacht, hij zocht: O, vind ik wat?
Hij was allang een beetje dovig
Een beetje kippig, en ongelovig
Hij liep wat krom, met een blauwe stok
De literaire jokkebrok
Hij smulde graag bananensoes
Hij was wat dikker dan dat moes’
Maar niks ging hem een deur te ver
Hij toverde een witte ster
Met magische talenten
Al had hij niet veel centen
Hij kocht een varken met een gleuf
Of wat was het voor een beestje?
Het leek op ome Keesje
Die dikbuik met zijn geldteveel
Door zijn rijkdom kijkt dat ventje scheel
Maar ja, dat doen die centen
Ze maken gierige krenten
En ze strooien suiker in de pap
Zo worden ze vet bij elke hap
Enfin, die krentjes zien het maar
En dít mannetje oud is ook al zo raar
Hij heeft dus dagen lang gelopen
Hij wist maar niet wat hij moest kopen
Het is een hele klus geweest
Toen hij alles had, was dat een feest
Al was hij al weer vergeten wát
Hij in al die pakjes voor iedereen had
Hij was toen snel naar huis gestoven
Hij zeulde de buitjes mee naar boven
Hij dacht: wie wil er nog geloven
In Sinterklaas en Zwarte Piet?
En hij deed zijn jurkje uit
Hij deed zijn baardje af
Hij zakte op zijn canapé
En bad: Wie helpt mij zondag mee?
Hoe krijg ik alles binnen daar?
En kijk eens! Het is hem gelukt!
Wees blij en een beetje verheugd verrukt
Met wat dat mannetje had vergaard
Met bril en stok en witte baard
Tot volgend jaar
Dag kinderen, grote mensen
Behoud je goede wensen!
En wees maar blij met wat je hebt
Het gaat niet om de grotigheid
Maar om de lieve gezelligheid
Dat schatten! Dit was mijn gebaar
In de laatste maand van het oude jaar.
I.V. alias Maatje O.
Woensdag 30 november.
En vanmorgen schijnt de zon zacht langsheen de smeltende sneeuw op het gras voor mijn huis. De wegen zijn nat en de winter in deze bijzondere herfst is mild in dit uur.
O november, je gaat ons verlaten,
jij maand van storm en onzekerheid,
van koude en zachte zonneglans,
van heimwee en nieuwe verwachting.
Jij maand van de dood en het leven.
Jij maand vol van duisternis
met je schaarse stonden van licht.
Jij maand die de mensheid doet beven.
Jij maand die nieuw verlangen maakt.
O november, karakter van Scorpio en Sagittarius.
Met je volle maan en je lege bomen.
Met je wolkenspel bij dag en nacht.
Met je regen, je sneeuw, je hagel, je rijp.
Met je mist en je hulst en je bottels.
Met je mensen die door willen gaan.
O november, alweer voorbij…
© 2005 Ine Verhoeven Nijmegen
Op de kleine tafel staan twintig rode anemonen, ze stralen me aan, ik word er blij van. En de rode karakterrozen in de eetkamer vullen mijn vreugde aan. Wat kan een eenvoudig mensenhart rijk zijn. Laus Deo! Het hele leven is zeer de moeite waard.
Vrijdag 25 november.
Vandaag is het volop winter, op stormachtige en natte wijze, met van die vallende sneeuw die niet blijft liggen, maar wel stad en land voorziet van winterse beelden.
O winter, die de mens doet huiveren, zijn dagen verduistert, zijn trage ogen sluit. Binnen in je huis is het knus, gezellig en vertrouwenvol. Hoe veilig kun je uit je raam kijken en toezien hoe de mensen buiten zich voortspoeden, gehaaster dan anders! Waar gaan zij heen? Huiswaarts, huiswaarts. O lief huis, vertrouwde winterstek.
Morgen heeft de OFS een bezinningsdag te houden. Zou het winterweer het toelaten dat ik naar Den Bosch kan reizen? Ik heb naar de dag van morgen uitgezien. Enfin. Kome wat komt.
16.36 uur. Zienderogen wordt de wereld witter en witter. Het lijkt erop dat de sneeuw nu blijft liggen. Zij komt jagenderwijs uit de hemel gevallen; als een lief wit kleed vlijt ze zich neer op huis en land. Daar rijden de besneeuwde auto’s nog maar zachtjes voort. Het donkert snel en overal branden de lampen, in huis en straat.
De dag was goed en gelukkig. In Grave was het vanochtend 17e eeuws, ik bedoel dat de bomen kaal waren en de huizen helemaal te kijk stonden, precies zoals ze zijn. Dat is m.i. 17e eeuws. Ons familiale herenhuis in de binnenstad van ’s-Hertogenbosch was ook van rond 1600. En de kern van Grave moet uit die periode zijn, gezien de architectuur. Ja, de dag is goed geweest, en in Grave was het goed toeven; iedereen leek thuis te zijn, het stamkroegje was beperkt bezet. Een aangename ervaring, ja.
Intussen ligt voor mijn huis een dik pak sneeuw te pronk. De hoge bomen staan trots overeind als de koninklijke wintersilhouetten van dit specifieke thuistheater. Langs de straatlamp vliegen de vlokken voort, geen gedwarrel meer, maar jachtig gedoe. Het is allemaal even mooi. Geen kunstenaar kan het maken, zo uniek, zo volmaakt.
Nu schuifelen de buurtjes van mijn corridor voorzichtig langs mijn ramen. Ze zwaaien en lachen, maar ze hebben het wél zwaar, denk ik. Dat is de andere kant van de wintermedaille. Het is nu eenmaal nooit volmaakt in het leven. Och, daar heb je de hemel voor. Of niet. Ik merk dat ik elke dag meer tevredenheid voel, ja, ik ben een tevreden mens. En als je tevreden bent, is het leven heerlijk. Zo heb ik het vroeger nooit gekend. Toen was ik ook tevreden, maar er was altijd De Angst. En met angst leven, is geen leven. Maar die oude angst is weg, verdwenen met de jaren, denk ik. En dat is goed, maakt het leven leefbaar, zeker voor mij. Vandaar mijn tevredenheid.
Nieuw
Het wintert in het land
Het wintert in ons leven
Het wintert overal
Opdat we nieuw gaan leven.
~
Straks komt de nieuwe dag
Straks komt de nieuwe aarde
Straks komt de nieuwe tijd
De winter staaft zijn waarde.
~
De appels zullen bloeien
De zon schijnt stralend goud
De vogels zullen zingen
Mijn kind leeft, ik ben oud.
©2005 Ine Verhoeven
Donderdag 24 november.
De herfst heeft zijn bomen voor mijn woninkje nu bijna in hun volle naaktheid staan. Slechts enkele takken dragen nog wat rafelige hemdjes van versleten bladeren, maar niet lang meer. De winter staat voor de deur. En hij biedt de denkers onder ons hun lyrische gedachten, overpeinzingen in lichte schrijverstaal met zware feitelijkheden. Ik bedoel: dwingt zijn gevreesde koudheid ons niet een veilig onderkomen te maken voor onze armste medemensen in de marge? Oh, er zullen vast weer zwervers doodgaan van honger, kou en ziekte, ergens langs de weg, of in een portiek of onder een brug. De winter betekent voor hen het meest kille bestaan: ijzig hard met zijn lange, donkere dagen. Hij is hun tijd van overleven, of niet.
Wat kun je eraan doen, jij als de niet armlastige? Ga je in de drukke winkelstraat een wankele eurocent in het geduldige doosje werpen, daar naast zijn krabbende hond? Wat is jouw barmhartigheid als je hem ontmoet? Wat is je evangelische houding als je zo’n haveloze ziet gaan? Of hem zijn muziek hoort spelen? Wat denk je dan? Wie is die mens? Hoe is het zover kunnen komen? Wat heeft hem tot de allerarmste van ons gemaakt? Wat kan ik voor hem doen? Het is een hopeloze status, en wat kún je ermee, jij, als de verzadigde buitenstaander die ongewild is verworden tot zijn naaste publiek?
Ik weet echt geen direct praktisch antwoord. Het is een heikel punt van overwegen, al besef je tevoren dat je er toch niet uitkomt. Bij www.redemptoristen.nl staan de zogeheten Opstekertjes te lezen. Ik schreef er een voor de sinterklaastijd van 2004, maar het tekstje geldt inhoudelijk, denk ik, voor alle feesttijden in alle jaren:
Toen ik door de stad ging
om sinterklaascadeautjes te kopen,
zag ik haar, een vrouw in lompen,
de verstrengelde haren grauw onder een mutsje,
het gelaat emotieloos, de ogen verstard.
Ze slofte in de menigte, een tas meezeulend
met huisraad of zoiets.
Ik werd afgeleid door een sint met zijn gevolg.
De pepernoten dansten door de lucht;
de mensen lachten, wat jong grut greep de noten tegemoet, hebbes.
Het leven is mooi, dacht ik en deed mijn inkopen.
~
Ergens klonk een blokfluit, of een fagot?
De tonen waren helder, zuiver, teder.
Ik zocht in de richting van het muziekspel…
Bij de stadskerk zat zij, de vrouw in lompen.
Ze speelde haar lied.
Ogenschijnlijk onbewogen zat ze daar,
maar de tonen verrieden haar innerlijk.
~
Een lieflijk
Swing low, sweet chariot, come down for to carry me home
klonk, gevolgd door The Lord is my shepherd.
~
Ik was beschaamd ontroerd.
Ik beleefde hier iets groots.
In de spitsdrukte van de stad
luisterde ik naar Iemand die me
aanvankelijk
een armzalige niemand leek te zijn.
~
De vrouw was een heerlijk opstekertje:
zit de ware rijkdom niet vanbinnen?
© 2004 Ine Verhoeven
De winter is voor mensen in zijn deugdelijkheid vol van de letter w, merk ik. De winter is, vooral voor de doorsneemens, de tijd van werken, weten, wachten; van willen, van woorden, van wensen, van wonderen. Ook van wonderen, jazeker. Want in de oude winter leed vooral de vroegere mens in zijn barre armoede de meeste tijd honger. (Ik laat de bijvoeglijke naamwoorden in deze regel expliciet staan.) En uit honger, leeg lichaam, om voedsel vragende levenscellen, komen verschijningen voort, van die waanbeelden, de zogenoemde hallucinaties. Daarvandaan kreeg de gelovige wereld in de loop der eeuwen een fiks aantal van haar heiligen toebedeeld. Zij bedreven hun befaamde ascese. Daaruit kwamen dan de wonderen voort, de wondere voorstellingen, de wondere verschijningen, de wondere visitaties en de wondere stemmen. Maar wat was het werkelijk waard? Zij praktiseerden, omwille van hun aanzien als heilige van God en hemel, hun verborgen anorexia cq boulimie. Dat is te lezen in hun geschiedenis. En ja, de allerheiligenlitanie staat vol met zulke hongerende heiligen. Hun positieve voorbeeldfunctie zie ik in dezen niet, maar het blijft onverkort een interessant onderwerp, met heel merkwaardige feiten.
Wijsheid is Weten, is Verstaan, is Begrijpen. Een mensenleven op zichzelf behelst niet veel anders dan er zijn, en gelijktijdig is het de dingen beleven, onderzoeken, ze begrijpen, en ook weer niet. Je leven is je levensschool, is je groeien aan het bestaan, is je rijpen als mens, als medemens: steeds om je beste vruchten door te geven, ze te doen ervaren, erv(ar)en = erven, aan wie na je komt. Je levenstijd is vol van wachten óp, nee, eerder van vérwachten, veelal ook van afwachten. Ja, en nu vraag ik me af: hoe kom ik eigenlijk tot deze onalledaagse wintergedachten? Wat wil ik beweren? Of zal het wellicht door de Advent zijn, die zondag begint? Ik ben intussen bezig met de viering voor te bereiden, met de gebeden te maken en het slotgedicht. Je wordt met je neus op het Rorate gedrukt, dat confronterende lied van de lijdende mensheid die God om hulp smeekt, hulp van Boven om menswaardig te kunnen overleven. En God biedt zijn hulp, geeft antwoord, redt zijn volk. Dat lied laat niemand onberoerd. Enfin. Ik denk dat ik vanmiddag ter verpozing de trein neem naar Rieke, ik wil van harte Paddy’s beschuit met muisjes nuttigen, ter ere van de kleine grote vreugde om elkaar, en om het hondje zelf, natuurlijk.
Deze donderdag is prachtig van herfst gemaakt, met grijze wolkenlucht en lichte neerslag, en met van die frisse buitenkou waar ik steevast van opknap. O herfst, mystieke vriend.
Er raast een auto door het rode licht op het kruispunt, wat een vaart!
De fiets van Ollie heeft het weer eens begeven, hij meldde het per telefoon.
Brokje tjilpt en speelt met zijn rinkelende speelgoedjes.
Ik zal eerst wat eten gaan koken, zo’n solitaire warme maaltijd en detail.
Ook al verglijdt het leven haastig, ook al eet hij hongerig en onbeschaamd elke tijdssplinter van je levensdagen op, het leven is de moeite waard. Laus Deo!
15.23 uur. En Rieke belde vanmiddag op en vertelde over Paddy. Hij plast erg veel, maar dat komt goed. Vandaag is mijn heilige tijd opgegaan aan schrijven, eten koken en telefoneren; en aan gezellige aandachtigheid voor Brokje, de vogelheld in zijn nieuwe huis. Ja, zo loopt het met plannetjes. En ik hoef nu geen treinreis te maken naar Den Bosch. Eigenlijk maar goed ook, want ik heb momenteel nog heerlijk knus mijn huispak aan. Wat een leven, vol van goedheid en vreugde. Wat wil je nog meer?
Dinsdag 22 november.
Een mens heeft veel te doen, alleen al om doodgewoon zijn dag te besturen. Huis en haard vragen om aandachtigheid, je werkt wat, je stoft, je poetst, je sopt, je kookt, je wast af, dekt je bed en je brengt de grote was naar de aardige dames van Stomerij & Wasserette, want die grote was is voor jou te zwaar geworden, ook al ben je alleen. Ach, het lijkt zo simpel de alledaagse dingen in je eentje te beleven, maar mensen zijn als bezige bijen, altijd onderweg, altijd bezig, nooit ergens mee klaar. Gelukkig maar.
Vannacht heb ik gestofzuigd, de kleine was opgehangen, gedoucht, gestoft, en bij albert.nl alvast verse mosselen besteld voor in het weekeinde. Ook heb ik het oude Hindelooper kastje nog even opgeruimd, o het was toen alweer diep in de nacht. Ja, wat doe je als je toch wakker bent?
Die mosselen zijn trouwens heerlijk met veel knoflook en mosterd en veel gesneden groentes; neem er een glas witte wijn bij en je viert je eigen feestje. Het kan allemaal.
De adventsviering voor de OFS, zoals de FLO sinds kort officieel heet, heb ik al in elkaar gezet. Bij aanklikpunt Liturgie op http://www.ineverhoeven.tk/ zal ik de hele viering publiceren, voor wie er misschien iets aan heeft. Delen, heet dat, samen onderweg zijn, de ander iets gunnen, al heb je het helemaal zelf bedacht. Non profit, ook nog.
Maar alles is met graagte gedaan en zusterlijk aangeboden.
Het hoogtepunt van vandaag was de aankoop van een nieuwe woning voor Gaaitje Brokje van Wolverlei. Het vogeltje brak uit, keer op keer. Ongekend vasthoudend als hij is, lukte het hem telkenmale uit zijn gebarricadeerde kooi te ontsnappen: ‘Hé, daar gaat het vogeltje’, met kleine teentjes trippeltrap, met gekortwiekte vleugeltjes fladder óp.
Ik werd er zenuwachtig van. Waar laat je zo’n hardnekkig uitbrekertje als je even je rust nodig hebt? De sanseveria’s op de vensterbank staan aangevreten zielig te kijk, mijn nieuwe pantoffels, wat waren ze mooi, zijn met artistieke rafelrandjes versierd, de kristallen knopen van mijn nieuwe trui zijn gemold, en ik stofzuig dus in de nacht alle extra surprises van de vloer, dat ook nog. En dan dat vangen, hè. Dat doe ik met mijn rode wollen sjaal uit Nepal, van enkele meters lengte. Dan kan hij me niet direct bijten en het geeft nog wat leven in de brouwerij.
Maar dan, op het goede moment van een herfstige morgen zoals vandaag, loop je, onverhoeds, een beestenwinkel binnen, het was in Wychen, en je komt met een ijzersterke kooi, voorzien van een extra hangslot, naar buiten. Je kocht de vesting niet zozeer om het beestje koest te houden, maar om zelf nog wat rust te zullen krijgen. En het is gelukt. De vogelvilla is uitgerust met trapeze en spiegels, met belletjes (stemmig alvast voor de kerst) en met onwrikbare etensbakjes, nee, geen beweging in te krijgen, want juist daar piept zo’n beestje gerust doorheen, hup weg, de vrije wereld in. Ja. Op die manier was hij destijds dus bijna verloren gegaan, toen hij ternauwernood kon worden gered door Wim uit de klauwpootjes van een zwarte hongerkraai. Zo gaat dat. Het is het leven.
Ik sta versteld van de burgerlijke prullaria die ik op mijn oude dag aanschaf. Een vogelkooi met zoveel kermisattractie behept had ik vroeger nog niet bekéken. Nu heb ik er zelfs plezier in. Het is als met groente die je nooit lustte en nu héél lekker vindt. Nou ja, zoiets dan.
Mijn zusje heeft me vanochtend opgebeld. Het gaat gelukkig wat beter met haar. Mijn 5e broer is jarig, maar hij was niet thuis toen ik hem belde ter felicitatie.
De franciscanen in Assisi staan wereldlijk in de schijnwerpers, ik bedoel dat zij onder de supervisie van de plaatselijke bisschop zijn geplaatst. Maar dat gebeurt hier ook, in Noord-Nederland staan de nieuwe afdelingen OFS onder het bisschoppelijke gezag.
Hondje Paddy van Rieke & Wim is gearriveerd en woont vrolijk en gekoosd in Huize Smeets Van Den Berg. Ik zal morgen aan mijn goede vriend kynoloog Berend vragen of hij binnenkort met me op kraambezoek wil gaan bij dit chique Border Terriertje. Berend is BT-expert.
Veronica en Joop kwamen naar de Boskapel op zondagochtend. Het was zo’n viering die je bijblijft. Een ontmoeting ook met goede mensen, zoals met Joost en Guusje en Gerard, met de jonge Louis, een aardige twintiger. P. Frans preekte over Christus Koning, maar wie denkt dat het oubollige kost was, vergist zich deerlijk. Het valt mij telkens weer op dat hij a.h.w. oude, taaie catechesekost in een nieuw, hoopgevend licht weet te plaatsen, dat hij de overvrome items fris in deze tijd weet terug te brengen. Maar ja, wie kan ik dat wijsmaken? De mens moet immers alles zélf horen, beleven, ondergaan om tot een verblijdende visie op iets of iemand te komen?
Enfin. Deze dag was lang en goed. Ik ben eindelijk weer eens buiten geweest, en de frisse herfst was mijn warme gezelschapsvriend. Wat wil je voor vandaag nog meer? Laus Deo. Met recht.
Vrijdag 18 november.
In Grave was de vrijdagse markt weer als vanouds gesitueerd op de Markt. De verbouwingen aan de winkels schieten aardig op. Wat is het toch een heerlijk stadje! Je kunt er slenteren of paraderen; winkeltjes kijken of je wekelijkse inkopen doen; je kunt er je private cafeetje bezoeken of een snelvisite aan de kerk brengen, dit via het zijportaal. Wat je ook kiest, het is er vertrouwd en gewoon gezellig, en altijd ongecompliceerd. We hebben langs de Maas gewandeld. We zagen meeuwen en nog eens meeuwen, ze schoolden genoeglijk samen langs de oever en enkele zaten op de aanlegsteigers. En dan waren daar weer de twaalf apostelen, zo noem ik de twaalf bomen die, vanaf de hoger gelegen straat gezien, in de verte op een bijna heilige rij langs de Maas staan. Ja, Grave is mooi, is goed. Grave is Brabants. Grave is voor mij even een beetje thuis zijn.
Wat zou je vandaag de dag per se willen bereiken in de wereld? Vrede. Vrede. Vrede. In je kleine kring kun je vrede maken, en die vrede vasthouden, in de grote ronde kring die ik de wereld noem, lukt het niet. Wat een haat tonen de tv-beelden, overal is de strijd gaande. Je wordt er bang van. Nee. Alle weldenkende mensen worden er bang van. O ja, de angst is gezaaid. Er is moord en doodslag op politiek niveau, op economisch niveau, op religieus niveau, op privaat niveau. Het is de dagelijkse nieuwsgaring. Wat is er aan de hand? Ik weet het niet. Het is alles bij elkaar te chaotisch, je kunt het niet overzien, je krijgt het niet geplaatst. Maar de mensen zijn bang. Onze vrijheid ligt op sterven. Wat denk jij? Wat vind jij? Zie je niet dat..? En je denkt, je vindt en je ziet dát… En je weegt je woorden, en je slikt ze liever in. Niets zeggen. In Nijmegen is de activist Sévèke omgebracht. Op de moordplek branden de kaarsen, huilen de mensen; en zie, daar liggen de bloemen der verslagenheid. We moeten onze kalmte bewaren, ons vertrouwen vasthouden, vooral het vertrouwen in de ware gerechtigheid. We moeten onverlet blijven werken aan het visioen van vrede, gerechtigheid en heelheid, ja zelfs van heelheid in de hele wereld. Ondanks alles. Maar ja. Bisschop Wiertz heeft onlangs in een interview gezegd wat hij van bepaalde dingen m.b.t. Europa dacht. Je houdt je hart vast. Er is al gesproken over zijn beveiliging. Onze democratie hangt aan een zijden draadje. Enfin. Wie het weet, mag het zeggen. Dus ik zwijg.
Ik zing mijn liedjes, ik schrijf ze op.
Links staat een paardje en rechts staat een pop.
Overal zijn kindjes die blij willen zijn.
Van die mensjes vertrouwenvol op ons.
Ja. Daar ligt de hele grote zorg, bij de kinderen in de hele wereld. Dan bid je maar weer een beetje. Je moet de moed erin houden, ik schreef het van de zomer nog op:
Nee God, ik kon niet bidden gaan,
nee God, ik kon niet meer. Er is te
veel aan leed geweest, te veel aan
ongerijmd verdriet, nee God, ik bad
tot jou, maar jij verstond mij niet.
~
O God, ik wilde bidden gaan
al hoorde ik jou niet, je zei niets
tegen mij terug; ik was daar maar
met mijn verdriet en jij verstond
mij niet, verstond mij niet. Dacht ik.
~
Zeg God, ik heb je teruggehoord.
Je toonde mij iets liefs. Je toonde mij
zo’n heel jong kind, met ogen vol
vertrouwen. Het had zijn hoop op jou
gericht; het bad met handjes klein gevouwen.
~
Ja God, ik wil weer bidden gaan.
Ja God, ik wil het weer. Er is te
veel aan moois te doen, te veel aan
onverwacht geluk, ja God, ik wil weer
bidden gaan tot jou, tot jou, mijn troost.
~
Mijn God, je hebt je ziel getoond.
Ik heb een kind zien bidden.
© 2005 Ine Verhoeven
Morgen is er weer een nieuwe dag, met nieuwe verwachting, nieuwe hoop, nieuw geloof, nieuwe vrede. Ik mag het hopen.
Donderdag 17 november.
De oude sinterklaasvreugde zal niet meer zijn. De kleinkinderen geloven echt niet meer in de significante goedheiligman. Het is me verteld. Ik hoef dan ook geen brieven meer te schrijven, geen versjes meer te maken. Mijn sinterklaaspret is over. En toch. Ik vond dit kleine geschrift en leg het vast in mijn dagboek. Alsof je naar kostbare oude fotootjes kijkt, o ja, met tranen in je ogen, want wat is het goed geweest!
Nicolaas, sint
P/a Botenvallei Merendeels Suikertjes
Achter de Golven 1000, Gelders Waterland
Geen telefoon.
Sinterklaastijd 2004.
Brave kinderen,
Op de stoomboot hebben de dakpieten en ik langdurig vergaderd met het oog op ons bezoek aan de brave kinderen van Nederland. In het boek van de jaarverslagen over de Nederlandse kinderen staat ook het jaargedrag van C. en F. opgetekend. Ik moet zeggen dat ik niet ontevreden ben, als sint. In het spoedoverleg van gisterochtend met mijn hoofdpiet Andorra Classineüs Papyrus over zijn dakbezoek aan het flatgebouw in de Wolfskuil op sinterklaasdag 2004 konden wij beiden, aan de hand van de vele positieve jaarresultaten, eenduidig concluderen dat er lekkernijen gebracht konden worden naar het appartementje van hun oma. Voorwaarde echter is een bezoek aan oma, te brengen door het gezin waar C. en F. bijhoren. Bij hun oma is de dakpiet volgens de computergegevens van vanmiddag roetsrats binnen geweest. Piet Andorra denkt dat hij niet is gesignaleerd door de kinderen, want hij heeft gebruik gemaakt van goudkleurige vanillesaus, waarin hij zich eerst had ondergedompeld. Het effect van onderdompeling in deze goudsaus is voor een piet vijftien minuten durende onzichtbaarheid. Ik heb de slimme hoofdpiet Andorra mijn toestemming verleend deze goudsaustruc toe te passen. Het geloof in de sint mag niet wankelen, derhalve mag Piet op geen omadak worden gezien, het zou een bewijs van echtheid zijn, iets wat een waar geloof niet kan verdragen.
We houden in beraad om ook naar de Bossche binnenstad te komen, ergens rond mijn verjaardag. De precieze datum is nog niet bekend, maar waarschijnlijk wegens grote strooidrukte op vrijdag 3 december ergens in de avondspits. Prik me niet vast op een uurtje of twee verschil in de tijd van bezorgen. Ik ben oud en mijn paard is zeeziek geworden op de Rijn. Wij hadden reeds een lange zeereis genoten en in de binnenvaarten van Nederland werd schimmel Popjo X-mas Born misselijk. Hij had achter de dinertafel naast de kombuis staan snoepen uit de pepernotenzak, soms is zelfs een braaf schimmelpaard ondeugend. Al kwam het stout zijn van de deining van de boot op de hoge golven, Popjo moest zich beter eten, dacht hij. Het is maar een paard. Belangrijk is het dat de Nederlandse kinderen niet stout zijn. En dat de Nederlandse kinderen net als Popjo beter gaan eten. Is er toch een goed voorbeeld gekomen uit de stoutigheid van Popjo, mijn lieve schimmel? De oude Cruyff zegt: Elk nadeel heb z’n voordeel. Of is het andersom? Soms weet ik het ook niet precies, de ouderdom hè? Welnu. Ik zal het maar zó zeggen, in mijn eigen stijl:
Brave kinderen, met z’n tweetjes,
zoek maar even, snuffel rond,
kijk gerust in alle gaatjes,
waar de zak met snoepgoed stond.
~
Zing een liedje over Pietje,
over Sint de wintervrind.
Wees verheugd met kleine dingen,
ook als je ‘t maar mager vindt.
~
Wees een lieve zoon voor mama.
Wees een goede maat voor pap.
Wees een trouw en eerlijk broertje.
Maak van tijd tot tijd een grap.
~
Lachen, gieren, huilen, pruilen,
horen bij het leefpatroon,
maar vrolijk, lief, attent, content
zijn, maakt jongens groot en wonderschoon.
~
Met de groeten van Sinterklaas.
En zo varen de scheepjes voorbij, varen ze voorgoed voorbij, allemaal voorbij…
En het is maar goed ook. Stilstaan is geen vooruitgang. Het leven gaat door, biedt telkens nieuw perspectief, zeker als je kind bent, jong bent, in de fleur van je leven bent: er is telkens iets nieuws te beleven, iets anders te ontdekken. O ja, er is uitdaging na uitdaging. De oude mens kent het leven, en hij ziet de herhaling der dingen in ieders mensenleven. Hij ziet ook de kwetsbaarheid van het kind. Maar het leven is zozeer de moeite waard, het is zozeer de moeite van het beleven waard. Daarom, denk ik, bídden grootouders voor hun kinderen, hun kleinkinderen. Ze hopen, dat ze goed, veilig en menswaardig groot mogen worden, dat ze gelukkige mensen zullen (kunnen) zijn; dat ze gezegende mensen zullen zijn.
Wat een zorg, eigenlijk. Maar de liefde die oprecht is, doorstaat alles. Dat geloof ik.
Woensdag 16 november.
Op de eikenhouten tafel staan de rozen van zaterdag reeds gekortwiekt, maar mooi.
De herfstbloemen van vorige week zijn sterk in hun geel, ook deze heb ik gesnoeid en in een steengrijs vaasje gezet. Op het tafelkleed, nog van mijn grootmoeder, ooit eigenhandig door haar geborduurd, staan ze in eenvoud fleurig te zijn. Ik kreeg ze.
Mijn vogeltje bijt. Maar niet expres. Hij bijt vanuit zijn papegaaienaardje. Au! Au! Wat doe je ermee? Klein trubbeltje, ik wil hem zo graag vrij rond laten vliegen. Maar dan landt hij weer, op hoofd, schouder en nek, met haastige tripjes en beetjes. Au!
Het is vandaag alweer een Bossche woensdag geworden, door de novemberse ontmoeting der broeders en zusters OFS. Er was allereerst de verlate liturgieviering in de kapucijner kloosterkapel, want pater Hans had treinvertraging vanuit Breda. Maar het is een heel goede viering geweest. Ook de vergadering was gevuld met goede gesprekken en met veel ruimte voor elkaar. Vanwege Hans’ verjaardag waren er weer de verrukkelijk brosse gebakjes van Den Otter, die altijd zeer welkom zijn rond de koffieklok van elf uur.
Vanavond had ik me alvast liturgisch georiënteerd - voor de advents cq kerstviering in december. Het eerste schema is klaar, nu kan ik het plan gaan uitwerken. Het is leuk, en verblijdend ook, om dit te mogen doen. Het zal heus goed worden.
Vanmiddag zag ik mijn jongste kleinzoon, met zijn moedertje. Ze liepen daar saampjes bij de Verkadefabriek. O tedere herinnering, mij innig dierbaar.
Gisteren heb ik Patricia gehoord, per telefoon. Ze is altijd lief en hartelijk, en zeer integer, ook. En ja, je kunt je kind maar missen… dat doe ik dan ook. Mijn dochter.
Dinsdag 15 november.
Enkele private memootjes: 1. Bij de dominicanessen was de leesmiddag geslaagd; de komende tijd samen het gedachtegoed van Huub Oosterhuis bestuderen, is een goede beslissing geweest. 2. Buurvrouw Marianne was vanavond gekomen en vertelde over de vlucht vice versa Amerika en over de Miami-cruise. Het is schattig, ze had een handgemaakt papegaaitje meegebracht van de Kaaiman Eilanden, en nog een houten subtropisch visje, helderblauw. 3. Met tante S. is het momenteel geen goed garen spinnen. Ik heb in dezen heus een tijdje rust nodig. Komt tijd, komt raad. Ik hoop het.
Vriendschap
Vriendschap is heilig
moet heilig blijven
ik mag haar
met heilige verwondering
beschouwen
met heilig respect
benaderen
en nooit zonder heilig doel.
© Ine Verhoeven (2000 Ook de Heer in Harristweed)
Maandag 14 november.
Gisteravond zag ik op tv Jeroen Pauw en Witteman in Woestijnruiters. Zij spraken met de alternatieve vorser Ronald Jan Heijn. Ik dacht: daar heb je weer zo’n spiritueel positiefje, die het onverbrekelijke Licht heeft gezien. De jongen schreeuwt om aandacht. Respectloos is het wel, vind ik, dat hij zijn vermoorde vader Gerrit Heijn daarbij exploiteert. Die man wordt met ziel en al te kijk gezet en plein public en kan zich, dood als hij is, niet verweren. Enfin. Het schijnt een behoefte te zijn van veel mediums om dode mensen op te roepen. Of is het louter broodwinning? De Amerikaanse wicca Char, bijvoorbeeld, verdient met haar dodenhocus-pocus een vette boterham. Ook privaat ken ik iemand die met zijn pendel het hiernamaals binnentreedt om dode familieleden op te sporen. Het is intussen minstens een rageachtig modeverschijnsel. Wellicht is het chic om vandaag de dag bij de paragnosten te horen, zoals het tegenwoordig ook elitair is om katholiek te zijn? Enfin. Sinds de kerk op sterven ligt, viert het spiritisme hoogtij. De een zijn dood, is de ander zijn brood, zal ik maar zeggen. En de wereld verkeert in een chaos.
10.45 uur. Vanmorgen is het kleine bos van de Wolfskuil alweer met zachtheid gekleurd. Je kijkt je ogen uit bij zoveel speelse afwisseling aan bladeren en bomen, vooral de nuances in de tinten rood, bruin en geel vervolmaken de bejaarde herfst.
En binnenkort is de molen weer te zien, dan zal het bos achter mijn woning in kale rust verkeren. De molen is een lichtpunt in de winter. Hij maalt het graan terwijl zijn wieken vrolijk draaien. Levensteken met allure.
19.18 uur. En toen belde Rieke met de vrolijke mededeling over een nieuw hondje. Het komt er echt. Spannend genoeg, ik hoop dat we voor die tijd nog eens samen kunnen ontbijten bij Verkade. Het is een wensdroompje van me. O heerlijke mensen, goede vrienden. Het leven lacht me toe vandaag. En de webmaster is weer thuis, veilig en wel gearriveerd van de reis per boot en vliegtuig. Ik wil er graag over horen, deze week.
Zondag 13 november.
Margarethe was, zoals altijd, verheugd toen we elkaar weerzagen, vanmorgen. We hebben koffiegedronken en bokkepootjes geknabbeld met originele gevulde heren toe. De Stokmannetjes waren er ook en zodoende was het nóg gezelliger bij haar. We hebben samen de Zuiderzeeballade gezongen, foto’s gekeken en over vroeger nagedacht. Het waren hartelijke uren.
Met Ollie heb ik weer eens een diepzinnig gesprek mogen hebben. Wat een rijkdom, zo’n gesprekspartner op de vroege zondagavond.
Op de website http://www.franciscaanselekenorde.nl/ is het momenteel meditatief weer rijkelijk oriënteren, vooral bij Nieuws en Bezinning. Ja ja. Het kan verkeren.
Zaterdag 12 november.
Om het zeker niet te vergeten, noteer ik hier: De appeltaart van tante Sibil is in de maak. Het wordt een smeuïg product. Ik zal me spoedig met Rieke in verbindig stellen, met Asha en, niet te vergeten, met Ria. Dat wordt samen smullen! Ingredienten: Het rode koetsje is al uit de garage gehaald en het varken Johanna woont weer op haar landje, samen met de kippen en de duiven. Alleen de butler is nog altijd met verlof. Maar het oventje brandt. Het deeg wordt bereid…
Ik heb vandaag weer veel aan mijn verre dochter gedacht. Het is me een groot gemis.
Enfin. De dag was goed. Het is 2:05 uur en ik schrijf de wereld ‘welterusten’ toe.
Vrijdag 11 november.
Soms zijn er wel woorden, maar geen intenties, of ambities. Dan rust je wat uit en je komt tot jezelf. Iedereen heeft op zijn tijd de inkeer nodig. Het is niet waar dat rust zou roesten. Rust maakt je kalm, heel en fris. Ik spreek uit ervaring, hoor.
Donderdag 10 november 00.05 uur.
Het was, gisteren, een treurige woensdag. Ik had heimwee. Ik deed mijn best om blij te zijn, maar soms wint de leegte het van de volte, wint het gemis het van wat je bezit. Geen materie houdt een mens op de been, want je leeft niet voor de dingen, je leeft voor elkaar, voor hem, voor haar, voor hen. Ik hoor het mijn oude moeder nog zeggen: Ik wil er nog wat zijn voor jullie, en voor mijn kleinkinderen. O, ik herken het, wat ze toen zei.
Ik ben geen marginale, geen randfiguur, behalve in mijn moederschap. Als moeder sta ik ergens opgetekend in de marge. En toch, toch is het leven mooi en goed. Uit elke pijn bloeit nieuwe schoonheid op. Dat brengt me op de volgende gedachte.
Ik geloof vast dat het zogeheten vagevuur hier op aarde gaande is, in ons aller lijden en afzien, en ik geloof vast dat de meeste mensen gelouterd doodgaan.
Ik zag zieke mensen, stervende mensen, dode mensen. Ik leerde van hen o.a. hoe natuurgebonden onze lichamen zijn. En ik leerde van mijn eigen leven dít: Een mens moet zijn leven lang intens nadenken en zijn gehele leven ten diepste aan den lijve ervaren om verder te kunnen komen, juist als méns. Je kunt niet aan je ziel beginnen te sleutelen als je je menszijn nog moet leren verstaan. En je kunt je zéker geen plaats in de hemel wensen vanuit de vorsende visies van anderen, nooit. Je moet de dingen van het leven echt zélf ontdekken, zélf verstaan, zélf beleven. Pas dan kun je als mens groeien, pas dan kun je je ziel beschaven. Niemand, helemaal niemand heeft het recht zijn ‘vergevorderde’ geloofsovertuiging, of noem het zijn spirituele inzichten, betreffende welke god of godsdienst dan ook, aan jou op te dringen, en zeker niet als zijnde de onherroepelijke waarheid. Nee. We zullen allemaal ons eigen menszijn moeten doorleven, wij allemaal, niemand uitgezonderd. En ja. Uniek als we zijn, mogen we gerust geloven in onze God die van goedheid en genade is; in onze God die barmhartig en geduldig is. Onze God wekt vertrouwen, geen afkeer of angst. Onze God biedt heiligende (= helende) geborgenheid. Ik denk dat een goede vader zich educatief praktisch niet opdringt, maar zich wijs op de achtergrond houdt en van daaruit met een glimlach naar zijn kind kijkt, naar dat kind van hem dat ontdekt en leert; en dat hem om raad komt vragen als het zélf niet verder kan. Zo stel ik me onze God voor: als de hemelse vader die liefheeft en mild en welwillend naar je omkijkt, want hij weet dat je je best doet om een goed mens te zijn. Niet uit angst, maar uit respect adoreer je je vader. En zo ook verhoud je je tot God. Zó geloof ik en niet anders, en dat doe ik na een lang leven van denken en aftasten, van lezen en leren, van bidden - en van vertrouwenvolle overgave aan het leven zoals het aan me gebeurde en nog gebeurt.
De achterliggende gedachte van dit korte betoog zijn enkele boeken van R. Ernst en M. Seltmann. Ik verzet mij tegen hun vreselijke theologie die met de mantel der liefde een god van toorn, van straf laat zien. Een god van willekeur en jaloezie. Een god bij wie je je hele leven lang op herhaling moet, bij wie je je tot in de finesses moet verantwoorden. Alles wat je beleeft, en hebt beleefd, wordt gewikt en gewogen; en na je sterven gebeurt dat alwéér, almaar louterend, almaar louterend. Ben je dood? Oh, je arme ziel. Daar gaat ze, hup de pijnbank op! Nóg geen rust.
Nee. Die God bestaat niet. Onze God is liefde en liefde omvat alles wat Goed is. Ik schreef op 31 oktober j.l. een kritisch beschouwinkje over de openbaringen van de Poolse zieneres Faustina (1905-1938). Zij biedt dezelfde zwarte visies als de 2 bovengenoemde schrijvers. Tja. Nihil obstat.
Het laat me niet los. Ik blijf het aldoor bepeinzen. Ik wil het hier, zij het miniem, nogmaals beredeneren: en daarna in dit dagboek nooit meer. Het gaat, bijvoorbeeld, volgens Ernst om de ziel, niet om het lichaam. Ik heb het ongeveer zó begrepen: De ziel wordt gedragen door het lichaam, in zijn tijd van leven wordt ze gerijpt en gevormd in kwaliteit. Het lichaam is dus enkel een hulpmiddel om de ziel te doen groeien, zodat ze na ons lijfelijk sterven doorleeft. Hier stop ik maar. Want zo gaat de Ernst-theorie over ziel en lichaam nog een tijdje door. Wat ik bedoel, is: wat kun je ermee? Of: wat wil je ermee? Het gaat de mensheid immers terdege om het leven hier en nu. Ik zal ervoor moeten zorgen dat het leven híér en nú dragelijk is voor mijzelf en mijn medemens. Het leven an sich is een enorme klus. Dat feit te onderschatten of weg te wuiven met de beladen zorg voor een ziel die om alle aandacht vraagt voor láter, na de dood, dat vind ik nogal wat. Helaas, het is de oude, slimme visie van kerk en adel, een religieus erfstuk, voortgekomen uit de tijd van de minsten, de armsten, de ploeteraars, de getekenden, overgehouden uit de tijd van eeuwen terug, de tijd van niets en nergens voor de kleine burgers en de arme boeren. Kun je het de mensen in deze tijd nog aandoen? Nee, zeg ik, dat kun je niet. Het systeem van aflaten kopen, bijvoorbeeld, is achterhaald, daar moet je eerlijk in zijn. Het gaat op dit ogenblik niet om later. Het gaat er nú om dat we goede mensen zijn, die op dit moment, dus te allen tijde, met God in hun hart in het leven staan. Je moet de dood niet prediken, maar het leven! Je moet de straf niet bepleiten, maar de vreugde, de verlossing! De kern van mijn christelijke godsdienst is de levende God. Met hém heb ik te maken. Het is dus Soli Deo. Alleen in God leer ik het leven te leven, leer ik de mensheid verstaan, leer ik omgaan met de medemens, leer ik de naastenliefde hanteren, leer ik zorgen voor die aan mij zijn toevertrouwd. Vanuit de kern die God is, een betere vind je niet, boetseer ik gelovig mee aan zijn koninkrijk van vrede, hier op aarde. In de werken De definitie van het persoon zijn van Robert Ernst en De liefde overwint van Max Seltmann kom ik, al lezende, voornamelijk uitvergrote randverschijnselen tegen, franjes, opgehoest door allerlei religiegevoelige en profeetachtige zieners, die de boven en onderwereld ooit minutieus zouden hebben doorvorst. Maar hun boeken bieden míj slechts bijkomstige, oubollig Rooms aandoende franjes, die ik reeds lang geleden verlaten had. Zulke onrustbarende franjes voegen m.i. niets Messiaans toe aan de oude en nieuwe bijbel: ik bedoel de 2 Testamenten. Ze hebben evangelisch gezien geen meerwaarde, ze voegen wel bombastische lelijkheid toe aan de mooie christelijke boodschap cq het goede nieuws van Godswege. Ze leiden de lezer, mij althans, af van de allerschoonste liefdeskern die God is. Er wordt namelijk in beider verkondiging overdreven aandacht besteed aan hel, duivel en eeuwige straf, aan dolende zielen, alsook aan engelen en heiligen, zulke legendarische tussenwezens die toch alleen maar de onzichtbare verwijzers naar God zouden zijn.
In je godsdienst mag je je verheugen in God, en niets dat met God van doen heeft, zal jou beangstigen. Maar bij Ernst en Seltmann, evenals bij de non Faustina en vele andere paragnosten meer, luidt de conclusie eerder andersom. Bij hen bemerk ik ook een voortdurend competitie voeren, een strijden met en tegen elkaar, als gelovigen onderling, over kennis en geloven, over het al of niet beseffen van de andere wereld, ergens ver buiten ons gezichtsveld; over de mens die brandend sterft in de hel, en ook weer niet, want het is zijn zíél waaraan het lijden beklijft. En steeds opnieuw stuit je op de opgeheven moraalvinger: Pas op, want de duivel zal je halen. Het zijn feitelijk de oude visies, voortgekomen uit de aloude mannenmacht van de adel, van de kerk, maar ook uit de mediamieke wereld, zoals uit de hekserij e.d. Het gewraakte systeem laat mensen graag hun onontkoombare straf uitboeten, of die van iemand anders, want er zál geboet worden. Het gaat om lijden, lijden, lijden. En als je nu maar bang genoeg bent van de straffende god en van de boze duivel, dan komt het wel goed met jou. Alsof het er iets toe doet op voorhand te weten wie van ons, vermoedelijke gelovigen, gegarandeerd de hemel mag erven! Nee. Deze morbide theorieën met hun oncontroleerbare en angstenkwekende vaagheden roepen bij mij onze God níét op. Ze zijn wél heel griezelig. Het is gevaarlijke leeskost, want het bevat het soort geestelijk onderricht dat nauw is verweven met de occulte gnosis. Jammer, dat er nog altijd christenen zijn die hongeren en dorsten naar God en zich vervolgens volproppen met vage denkbeelden uit het jaar 0, doorregen als deze zijn met bijgeloof en bangmakerij, vooroordeel en straf, lijden en offeren. Er bestaan van oudsher zeer veel soortgelijke tweespaltmakende, dus mijns inziens onevangelische boeken. Vooral de extreme Opus-kringen bieden ze hun volgelingen aan: kijk bij het Opus Christi Regis van Julia Verhaeghe, kijk bij het Opus Angelorum van Gabriele Bitterlich, kijk bij het Opus Dei van Josemaría Escrivá de Balaguer. Maar ook de alternatieve boekhandel ligt er vol mee. Jammer voor de goede kanten van het christendom. Jammer voor de christenen die onbaatzuchtig hun geloof vruchtbare gestalte gaven cq geven in de vele goede werken t.b.v. de reële mensenwereld. Ik herhaal: waar de duivel wordt gepredikt, daar moet je wegwezen. Als dát jouw christendom is, wees dan liever een overtuigd humanist.
(Ik dank mijn broer die mij de 2 boeken zond, zodat ik me van de inhoud kon vergewissen.)
Ik schreef eens deze kleine psalm, ik bid hem nog altijd van harte:
Geen ander voor U
Gij God, Gij bent die mij liefhebt.
Gij God, Gij bent die mij verkwikt.
Gij draagt mij, Gij voedt mij.
Gij leidt mij ten leven.
Gij God Gij: mijn baken, mijn rust.
~
Gij God, Gij bent die mij koestert.
Gij God, Gij bent die mij vervult.
Gij heelt mij, Gij laaft mij.
Gij zalft mij ten leven.
Gij God Gij: mijn veste, mijn rust.
~
Geen ander voor U.
© 2004 Ine Verhoeven
22.43 uur. Hoe goed was het vandaag de zinnen te verzetten middels een bezoek aan de mensvriendelijke stadjes Kleve en Kevelaer. In mijn favoriete Konditoreitjes is het altijd knus en gemoedelijk toeven, en heerlijk is er de thee met citroen en kandij. En met je nieuwste herfstkledij uitgedost door de winkelstraten wandelen, het is bijna flaneren te noemen, is erg leuk. O, het is allemaal niet leeftijdgebonden. In ieder geval is zo’n bezoekje aan Duitsland altijd een aardige ontspanning. En dat was voor vandaag precies de bedoeling.
Woensdag 9 november.
En weer is de herfst van mildheid gekleurd. O herfst, die het leven in slaap wiegt. O herfst, die de vermoeidheid streelt. Of leert hij de wereld de winter verstaan? Voel je niet hoe in hem reeds de opstanding leeft, geheiligd en stil, totdat de aarde is uitgeslapen? Totdat de aarde zich opent? Naar nieuw.
November komt met trage stap.
Hij wandelt met de stonden mee,
versnelt zijn pas de dagen langs;
hij haast gejaagd de weken door
en verlaat gezwind zijn maand.
~
Maar eerst zaait hij met wind de angst
en stormt de wereld koud.
Maar eerst sterft hij zijn laatste blad
door nacht en mist - naar weg.
Maar eerst dekt hij met jonge sneeuw
de stille zerken af; hij kleedt hun
namen aan, de namen van de naakten.
~
de november van de zielen,
de november van het dorre lijf
dat neerligt en niet op kan staan,
dat wacht - zijn tijd voorbijgegaan.
~
En dan! Hoor op! Een vogel zingt!
~
Er komt nieuw leven in de stad!
In de tuinen van Jeruzalem
slaapt nog het oude duister.
Maar ergens waakt het jongste licht.
De nacht trekt voort naar bijna dag.
Er komt nieuw leven in de stad.
Hoor op! O mensheid! Luister:
~
Er komt nieuw leven in het land.
Judea draagt het jongste licht
dat de Godsmaagd er zal baren.
~
Want over het dode heen
schept God opnieuw.
© 2005 Ine Verhoeven (november 2000 in Op De Hoogte, Boskapel Nijmegen)
Dinsdag 8 november.
Vanochtend vroeg heb ik Veronica gebeld. Het was, als altijd, een vrolijke conversatie. Ze komt met Joop op zondag de 20e naar de Boskapel om de viering mee te beleven, waarin neef Frans die morgen preekt. Ik heb rendier Rudolf alvast klaargezet en zie uit naar hun bezoek. Binnenkort stap ik ook nog op de trein naar Tilburg, om de vernieuwingen in hun jachthuis te bewonderen, ja, bewonderen, want mooi zal het zeker zijn. Het is een hele beestenboel in huize Tilburg, overal hangen en staan de opgezette dieren: in de kamer aan de wand, op plateau’s, rondom de open haard, tegen de muur, aan het plafond en achter het heldere glas van een kamerbrede vitrine. Maar ook levende vogels bevolken hun bijzondere huis, zoals papegaaien groot en klein. Buiten in de vriendelijke tuin zit in de volière een arsenaal aan vogels waarvan ik de namen niet onthouden heb. Je kijkt je ogen uit. Ik denk dat Paradijsvogels van destijds een leuke uitzending met hen zou hebben gekregen, compleet met unieke beelden van velerlei dieren én schitterende mensen. Maar Paradijsvogels is niet meer. Zíj in het jachthuis gelukkig nog wel.
18.10 uur. Hoe gelukkig kun je zijn door met de bus naar de stad te gaan? Het was een heerlijke herfstdag en ik lunchte in Catharinahof. De bushalte is er op een steenworp afstand. Ik woog mijn vermoeidheid en bedacht dat ik, als ik het rustig aan zou doen, best een uurtje stad zou kunnen volbrengen. Derhalve ging ik per bus richting Plein 1944 en kocht schoenen bij Theo Janssen, 2 paar, want je weet maar nooit. Bij Ulla Popkens verloor ik een Swarovski-oorbel. Bij De Heerlijckheid dronk ik thee en daar ontmoette ik pater Frans, ik zag hem rakelings voorbijgaan en later trad hij er binnen, want ik had hem toegewuifd. Hij had boeken gekocht bij het antiquariaat. Ja, hij is een wijze mens. Ik heb veel moois van hem geleerd, veel goeds en veel sociaals. Ik zal zijn wijze lessen koesteren, altijd door. Hoe kun je toch iemand tegenkomen in je leven die je zoveel ten goede biedt? Ontmoetingen met mensen dragen altijd een mysterie in zich mee. Hoe komen gelijkgestemde mensen elkaar op het spoor? Wat is de leidraad, wie kent het waarom? Prachtig lot, in ieder geval.
Precies zo zit ik nu met Brokje op mijn schouder: welk toeval heeft hem naar de Wolverlei gebracht? En dat is dan nog maar een vogeltje! Wel mooi dat het klikt. Hij zou wat minder bijterig mogen zijn, maar dat komt nog wel, denk ik. Het vergt tijd hè, tijd. En geduld. Maar dat heb ik wel. Enfin. Het was een mooie, mooie middag.
Maandag 7 november.
Ik dacht aan mijn 6 broers van wie er in de loop der tijd 3 zijn overleden. Welke band hadden wij? Achteraf zie je de dingen die gebeurden anders, ik bedoel: duidelijker. De band met de 3 verscheiden broers was destijds drievoudig verschillend. En zo hoort het ook, alleen al omdat we allemaal onze karakters hebben die individueel gebonden zijn. En de enige echte band blijft voor een familie het geboortenest, de kern van haar ontstaan, van haar verdere bestaan. Vervolgens zullen o.a. de opvoeding an sich, ieders ontwikkeling en eenvoudigweg de tijd de uiteindelijke bindingswaarde(n) uitmaken. Een moeilijk thema.
Ik denk terug aan mijn vader die in zijn eenzame buien zei: Als ik dood ben, hoef je niet te komen. Ik hoef geen bloemen en geen foto aan de muur. Nu ben ik er, nu. Als ik dood ben, is het te laat, dan hoeft het allemaal niet meer. Zo’n uitspraak onthoud je, die raakt je, want ze biedt kapitale duidelijkheid. Derhalve schreef ik o.a. in Zalig de Niemanden:
Nu ik leef
Als ik dood ben, hoef je niet te komen
breng mij geen bloemen
zeg geen lief woord
noem me niet bij mijn naam
Als ik dood ben, ben ik dood.
~
Nu ik leef, mag je komen
breng me bloemen
zeg een lief woord
noem me bij mijn naam.
Nu ik leef, leef ik.
~
Ontken mij niet, praat mij niet stuk
Want dan ben ik voor altijd gebroken.
Ja, de herfsttijd maakt veel los in je ziel. Alles en iedereen is immers natuurgebonden. Buiten zie ik het asfalt glanzen van de regen, de bomen staan nu bijna helemaal kaal. In de stad gaat het leven eigengereid door, de commercie speelt handig in op de sfeer van het jaargetij. En wij, mensen, ondergaan gelaten de wisseling der seizoenen. Hoe saai zou het zijn als ze er niet waren? Enfin. Het leven behelst Alfa en Omega. Je moet ertussenin de kwaliteit maken, en dat moet je helemaal zélf doen. Of je nu populair bent of niet, een wit of een zwart schaap bent of niet. Eigenzinnigheid wordt vaak afgestraft, zeker als je een vrouw bent, want je hoort in de keuken thuis, en in de slaapkamer. Voor háár valt er niks te vertieren, wel het onverkort voortgaan in onderdanigheid, nederigheid, offergezindheid en onvoorwaardelijke trouw.
Breek je, als vrouw, al of niet publiekelijk door, dan word je gedoodverfd. Ga je presteren, dan lig je eruit. Heb je je voorwaarden, dan gaat het over. De klassieke man is de baas, de dictator, de heerser, de absolute connaisseur van de moraal voor wie vrouw is. Ook de klassieke man van vandaag is bang voor machtsverlies, en voor gezichtsverlies. Er bestaan nog altijd de vrouwenhaters, en die haateigenschap heeft niets met het bed te maken, maar heel veel met macht. Er komt veel onheil uit voort. Enkele jaren geleden las ik 2 psychologische boeken van belang voor vrouwen in de verdrukking: Emotionele chantage en Als liefde pijn doet – en je weet niet waarom, beide zijn van Dr. Susan Forward, uitgaves van Kosmos.
Goed, om je dit nog eens te herinneren, het houd je bij de les.
Zondag 6 november.
In de kapel van het Carolusziekenhuis was het druk vanochtend. Er heerste een ware ingetogenheid onder de mensen. Vele lichtbolletjes stonden te waken bij de namen van de doden die in het ziekenhuis overleden waren in het voorbije jaar. Een grote rode zon met een stralend licht in zijn hart was de bemoedigende blikvanger achter de namen. De viering was sereen en de preek indrukwekkend: pater Boddeke beschouwde de parabel over de 10 wijze en de 5 dwaze meisjes, die na lang wachten, met hun olielampen de bruiloftsstoet moesten bijlichten. O, ik zou graag die preek bij Beschouwingen plaatsen, dat moet ik nog vragen. Aan het slot van de viering las ik:
Van vreugde God
Van vreugde God, hebt gij
de mens gemaakt, dacht ik,
van leven en van schoonheid.
Had gij niet aan de mens
gedacht in grote droefenis?
~
Ik zie het land, het groengewas,
de vogels, de rivier, een kind …
Ik zie het leven om me heen,
maar ook het sterven na een tijd
van zorgen, en van zoeken …
~
Er is de tijd van zijn, van
rusten en van nieuwe kans,
van neergang en van op te staan,
van doorgaan en vermoeienis.
Er is de tijd vergankelijk, voorbij.
~
Van vreugde God, hebt gij
de mens gemaakt, dacht ik,
van grootheid en van toekomst.
Had gij niet aan de mens
gedacht in zijn ontluistering?
~
En toch, o God, vertrouw ik u, en
toch denk ik steeds weer dat gij van
grote goedheid bent, geen wreker en
geen straffer, maar troost en vreugde
onvermoed, ver over sterven heen.
© 2004/2005 Ine Verhoeven
Voor deze tekst was gekozen vanwege de novembermaand die gerelateerd is aan de zieken en de gestorvenen, aan Allerzielen en aan de herfsttijd, symbool van vertrek.
We hebben nog ziekenbezoek gedaan op de 6e etage. En bij de koffie op de 8ste stond een lekkernij klaar voor de non-profit medewerkers. Onder het gekeuvel hoor je veel. Er is daar een heel goede onderlinge band. Later zijn we naar de Verkadefabriek gegaan en hebben er geluncht. Ook de inwendige mens moet op tijd gevoed worden.
Vanavond kijk ik naar ‘Gooische vrouwen’ deel 2, voor de verstrooiing. De ernst in jezelf mag je gerust afwisselen met wat filmisch vermaak, anders bezwijk je eraan.
Zaterdag 5 november in de nacht om 00:10 uur.
En mijn wandelwens ging in vervulling. Zij het summier vanwege de geringe conditie. In De Duivelsberg hebben we eerst pannenkoeken gegeten, 1 met appel en 1 met groenten. Anijsmelk en thee achteraf waren mijn lunchdrankjes, Ollie nam anijsmelk en later cappuccino. (’n Leuk weetje om me op een goede keer nog eens te herinneren, denk ik.) Toen zijn we aan de wandel gegaan, over het zandpad en links onder de bomen door langs de weide met de paarden. We zagen tussen de ritselende, dode bladeren heel kleine gele paddenstoelen staan; ze stonden in kransjes, deftig hoog en als ware kasteeltjes opgebouwd. O Herfst. Sprookjestijd. Jij met je vertederende beelden die mijn fantasie prikkelen. Oud en dof oogt de natuur, maar wel met regenglanzen en mistigheid, zo wordt ze tot een en al mystiek, zo bestaat ze hoogverheven.
Marianne kwam de sleutel brengen en afscheid nemen. Ze vertrekken naar Amerika.
De viering voor zondag zit in elkaar. De teksten zijn in balans. Het zal goed worden.
Welterusten, wereld. Je nacht is donker, de slaap kondigt zich aan. Goedenacht!
Engel
Als de maan schijnt
ben ik weer het kind
dat van de nacht houdt
in de armen van een engel.
~
Als de maan schijnt
kijk ik door het raam
en droom de hemel
in de armen van een engel.
~
Als de maan schijnt
lig ik stil gerust
tot ik in slaap val
in de armen van een engel.
~
Als de maan schijnt
wordt mijn hart verkwikt
terwijl ik uitrust
in de armen van een engel.
~
Als de maan schijnt
slaap ik veilig door
totdat ik opsta
in de armen van een engel.
~
Als de maan schijnt
denk ik aan zo’n nacht
dat ik een kind was
in de armen van een engel.
© 2005 Ine Verhoeven
Zaterdagmiddag 5 november.
En weer schijnt de herfstzon. Intussen peins ik over het leven. Vannacht overviel me ineens een angstig gevoel toen ik aan mijn kinderen dacht. De tijd waarin we leven is ook een bange tijd. En je kinderen zullen het goed hebben, in ieder geval béter dan jij het zelf had. Staat daar niet elke goede ouder voor: om het beste uit het leven te verwerven voor het welzijn van zijn kind? Je kind ontkomt niet aan zorgen en verdriet, zeker niet, maar hij is het zeker waard vooral de levensvreugde en de liefde te kennen, te ervaren, te beleven. Daar moet je je beste deel aan hebben. Zo geef je je goedheid door, en zo gaat ze van generatie op generatie. Denk ik. Hoop ik.
En dan is het alweer 21.53 uur. Wat kan een mens in en in moe zijn. En dan wordt je vooruitzicht zo onbestemd wankel. Moge de nacht van rust zijn die verkwikt. Amen.
Vrijdag 4 november.
Sommige data vergeet je nooit, die blijven met je meegaan, zoals deze van vandaag. Het gebeurde in 1961 dat ik me in de vroege avond van de 4e november verloofde, het was met mijn liefste mens van toen. En het was een turbulente verloving, met voors en tegens uit de directe omgeving; van die voors en tegens die nooit zijn overgegaan. Zouden familiale mentaliteiten onderling bij verloving of huwelijk nu nog zo gebeuren? Dus negatief, dus op voorhand betweterig vernietigend voor het jonge paar, dat alleen maar bemoediging behoeft, dat enkel op warme aandacht ten goede wacht. Als dat eenvoudige recept er niet is, hoe desastreus kun je beginnen? Enfin. De tijd leert het wel, de tijd openbaart het wel, de tijd bewijst het wel. O ja.
Gaaitje Brokje van Wolverlei bijt nog steeds, zij het iets zachter, zij het zelfs iets liever. Een hele leergang biedt dat beestje. Nu rust hij onder de rode bloemendoek, tevreden naar het lijkt, aan mijn rechterkant.
Wat zal ik webmaster Frans G. cum suis missen als hij vertrokken is naar ver weg.
Ik kreeg in een mailtje van Paul een aardig berichtje over president Poetin, ik citeer: Vanwege het bezoek van president Poetin aan Nederland heeft enige tijd daarvoor een interview met hem in Moskou plaatsgevonden door mensen van Netwerk. Dat interview werd dinsdag uitgezonden. De laatse vraag van de interviewer luidde: Hoe wilt u de geschiedenis ingaan? Het antwoord van Poetin was: Hoe minder je daaraan denkt, hoe groter de kans om dat te bereiken, als het al nodig is. Je moet gewoon eerlijk werken en elke dag als de heilige Franciscus leven en je grond bewerken. Dan komt het succes vanzelf.
Dit citaatje was me toch echt de moeite van het noteren waard. Omdat het waar is.
Op www.ineverhoeven.tk staat bij Liturgie de voorbede voor zondag 6 november.
O herfst, wat ben je karakteristiek in de weer, de laatste tijd. Kale bomen, lege struiken en wind, veel wind! Je wordt a.h.w. naar het bos gelokt. Ik wou dat ik sterk was en een lange wandeling kon maken. Maar ik ben zeer tevreden, ook zonder dat.
Het leven is goed, hoe het je ook overkomt, ik schreef het al eerder, uit alles komt goede vrucht voort, als je het maar op de juiste wijze weet te hanteren. Laus Deo! Amen.
Donderdag 3 november.
Het is de dag van Hubertus. De viering in Catharinahof stond in zijn heilig teken. Het is een prachtige legende, die van Hubertus. Vooral de passage met het edelhert dat een lichtend kruis in zijn gewei draagt, is een vondst, vind ik. Vorige week wandelde ik langs Sisters in Nijmegen. In de etalage stond een gebeeldhouwde kaars, Rudolf voorstellend. Nu is Rudolf een rendier, dus geen regelrecht hert zoals dat bij Hubertus, maar zijn beeltenis met het gewei en het kaarsenlontje ertussenin vond ik dusdanig aansprekend dat ik het kocht, en ik bedacht erbij dat ik het als presentje aan Joop, onze aimabele Tilburgse jager, zou schenken. Nu nog een visite plannen.
Hoe dan ook, deze dag is de dag van de jacht en van de ommekeer. Een mooie gedachte na alle gespook met Halloween.
Vanochtend merkte ik dat gaaitje Brokje letterlijke geborgenheid zoekt. Hij was in mijn rode Nepalse omslagdoek uit de Gravese Wereldwinkel gekropen, terwijl ik het ding om mijn schouders droeg. Nu beet hij niet, nu was het goed. Het is moeilijk een diertje te doorgronden, hem vooral niet te zullen vermenselijken. Brokje is immers een papegaaitje, en dus geáárd als een papegaaitje, met een snaveltje waarmee hij zich weert, zich voedt en wat nog meer. Ik hoor hem tjilpen, roepen a.h.w. omdat hij de kooi uit wil. Even geduld nog!
Ons redemptoristische boek Gerardus Majella – Gepassioneerd man Gods is in het Duits vertaald en te koop in Oostenrijk. Het is verrassend mooi geworden. De tekst is gecomprimeerd, ik bedoel dat enkel de gerardiaanse kern is vertaald. Het boek wordt verhandeld onder de noemer Gerhard Majella – Ein heiliger Redemptorist; aus dem Niederländisch übersetzt von P. Hans Schermann CSsR. Herausgeber: Wiener Provinz der Redemptoristen, A-1010 Wien, Salvatorgasse 12.
Ik klik straks graag nog even www.redemptoristen.at aan.
Wat me heel blij maakt, is dat o.a. mijn gedicht O, wenn du nicht mer bist (pagina 73) erin staat, en mijn gebed Kein anderer ausser dir (pagina 71). Het is me een hele eer.
Sybil is gisteren gevallen. Ze zou vanmorgen naar Den Bosch komen om samen bij Jan de Groot Bossche bollen te eten, maar ze hinkelt nu, enzovoort. Beterschap wens ik haar toe, en dat ze het voortaan rustig aandoet, dan breekt het lijntje (of botje) niet.
Nu ga ik Brokje uit de kooi halen, theedrinken en Seasons lezen, er staat een interview in over vrede, met Huub Oosterhuis.
Hoe zal mijn kerstverhaal 2005 worden? Kom inspiratie, kom!
Als Olivier vanavond eventueel nog langskomt, dan schenk ik hem rode wijn in een wijnglas van mijn oude Hubertusglasservies. Servies? Ik zal eens tellen… nee, een servies is het allang niet meer. Gebroken en in scherven. Zoals het leven is getekend.
Bij Dekker van de Veght kocht ik vanmorgen een bijzondere kattenagenda voor Rieke.
Ter extra memo: Margareth heeft bij mij de griepspuit gezet.
Soms zijn de dagboekschrijfsels wat zakelijker, soms wat lyrischer, soms wat liever, soms wat zachter van toon, en soms wat harder aangezet. Maar altijd is het weer fijn de dingen op te schrijven, hoe dan ook. Wat heeft een mens eigenlijk een vermogen aan denkbeelden! Vaak te veel om te verwoorden. Rijkdom is dat. Je zult je nooit vervelen. Laus Deo!
Dinsdag 1 november in de avond.
Bertram en ik zijn naar het kerkhof in Vught gereden. We hebben roze rozen op het graf van mijn ouders neergelegd, en witte azalea’s in potten op de grafsteen gezet. Wat is het alweer lang geleden dat ze gestorven zijn. En hoe vast omlijnd zie ik hen allebei nog in levende herinnering. De rozen heb ik namens de familie gebracht, want zij waren ook haar ouders. Ja, broers en zussen zijn we. Maar de stamboom wordt wat wankel, leger in de takken, schraler in het blad. Onze bloemen zijn vaak nog maar bloemen van de dood. Bruiloften en geboortes met doopjes zijn schaars, begrafenissen daarentegen manifesteren zich dominant en we hebben ze allemaal mee te vieren, op verre afstand van de oude vreugde. Och. C’ est la vie. Het leert je je dagen te plukken, zoals in de oogsttijd de boeren de fruitige druiven binnenhalen, voorzichtig en respectvol, want er wordt nog wijn van ze gemaakt. Het gaat om kwaliteit, om de hoogste kwaliteit ten leven. En als we er niet meer zijn, hebben we dan onze beste kwaliteit aan erfenis voor het verwachtingvolle nageslacht achtergelaten? Ik mag het hopen. Mensen zijn zo verschillend, achtergronden en visies ook. Er komen vaak misverstanden van, die diepe wonden slaan. O mens, denk toch na, en doe niet aan boosheid. Sta je innerlijk alleen de allerhoogste rijkdom toe, de rijkdom van de rustigheid, van luisteren, van geven, niet meer van nemen, de tijd van nemen is voorbij als je ouder geworden bent. Ik zou zo graag de mensheid blij en gelukkig willen zien. Dat is een hoge wens. Ik wil het vooralsnog in kleine kring houden en bid voor mijn kinderen. Voor onze kinderen. Zij hebben nog een zware taak te doen. O, de mens is beperkt, hij kan alleen maar bidden, zorgen en hopen. En toch blijft de dankbaarheid. Altijd. Altijd. Het leven kan immers nog veel en veel erger aan je gebeuren? Daarom dus dankbaarheid. Altijd.
Toen Bertram en ik het kerkhof verlieten, reden we met de auto richting Nijmegen. Aan de hemel pronkte een regenboog, hij was wondermooi en stond daar zelfs intens bemoedigend met zijn kleuren die eerst zacht waren, dan langzaam helder en plots nog meer getekend in hun tinten. Af en toe tikte de regen op de voorruit, de wissers veegden gehaast de druppels weg. Afwisselend scheen de zon. En steeds ging daar die regenboog met ons mee, helemaal tot in Nijmegen. Daar stond hij bij de spoorbrug nog als een korte haag overeind, de rest van de boog was achter de wolken verdwenen.
Wat ís toch de mystiek van de regenboog? Waarom houdt zo’n boog de mensen zo bezig? Nog los van de bijbelse uitleg is het echt voor iedereen een vreugdevol fenomeen. En zo blijf je nadenken over de dingen, over de wonderlijke verschijnselen der natuur. Altijd de moeite waard, telkens weer. In Streel mijn leven, kus mijn dood schreef ik:
Regenboog
Langs zeven bogen ging ik
en trad het leven binnen
en kleuren van de weg
beloofden mij.
--
Sprankelend sierden zij
mijn ongebaande paden.
--
Ik was verrukt
en in extase
geloofde ik.
--
Maar er was naast het licht
ook tijd
die ik te leven kreeg
en die bewees
wezenlijke genadeloosheid.
--
Zeven bogen boden
bescherming en ik vluchtte keer op keer
wijl bliksem na de donder sloeg.
--
Schitterende kleuren schouwend
moest ik langs de bogen
door zwart.
© 1995 I.V. Zie in de bundel op pagina 9.
En deze hele allerheiligendag is goed geweest. Laus Deo! Amen.
Dinsdag 1 november.
De tijd is meedogenloos, ik herhaal het telkens weer. Mensen verdwijnen in de zucht van de tijd, mensen sterven in de adem van het voorbijgaan. Je lieve mensen moet je afstaan. Je dierbare mensen nemen hun schoonheid mee in het graf. Weg zijn ze, weg.
Het is alweer Allerheiligen 2005. In de huidige samenleving rukt het heidendom op, zichtbaar in de spooksels van Halloween, oud feest van Keltische oorsprong. Ach, het is allemaal van angst gemaakt. Vanuit de duisternis der vroegere tijden rest de erfenis van de angst van onze voorouders. In de kinderboeken van 2005, bijvoorbeeld, worden de heksen gepromoot, de tovenaars én hun leerlingen. Er komt stellig een nieuw geloof uit voort, een nieuwe religie die eigenlijk al zo oud is als de wereld. Hoe ziet de wereldtoekomst eruit nu de mensen van morgen zo een heidense basis meekrijgen? De reguliere wereld met haar wetenschappers krijgt het nakijken, zou je zo zeggen. Natuurlijk valt het wel mee, zal het zo’n vaart niet lopen. Maar toch. De heidense culten winnen aan belangstelling, ze boeien reeds de jongste jeugd, want ze zijn minstens lekker spannend, intrigerend en mysterieus. Resultaat: Mama, ik ben bang, ik kan niet slapen. Er zit een spook onder mijn bed. O ja, opvoeden is een hele kunst.
Ik hoop toch dat de hype wat indamt. Anders wordt het te machtig. Dan heeft de mensheid een nieuw probleem. Is het christendom, bijvoorbeeld, dan zo moeilijk hanteerbaar, dat men a.h.w. graag terugduikt in de oude hekserij? Een studie waard, dunkt me. En we zien het gewoonlijk over het hoofd, maar de reguliere geestelijken, de reguliere religieuzen, zijn ook mediums. Ik sta daar graag bij stil. De wereld is de rond, de cirkel ook.
Omdat ik commentaar kreeg op de initialen in mijn dagboekaantekening van gisteren besloot ik ze te veranderen in X. van X. Sommige mensen lezen niet de verhaalkern, maar wel de franje, die er niet toe doet. Het gaat in mijn versie van gisteren niet zozeer om de persoon maar om de feiten met de desastreuze gevolgen.
De zon is alweer paraat, ze beschijnt Nijmegen volop. ’n Mooie en merkwaardige herfstdag is deze zonnige 1e november 2005. Ik trek erop uit, vandaag, ik ga naar Bertram toe. Wellicht rijden we straks even naar Rieke om haar het kleine gevogelte van zilver te brengen, voor haar bedelarmband, een zwaantje en een kipje, ter herinnering aan Brokje. Ik moet wel eerst even een nieuwe afspraak maken met de dokter, mijn hoofd ter linkerzijde is echt niet in orde. Enfin.
Ik zie de zon verflauwen, heb ik te vroeg gejuicht?
Maandag 31 oktober.
Toen X. van X. een tiental jaren geleden zich manifesteerde als zuster Faustina heb ik gezien hoe schadelijk de waanbeelden van zulke zogeheten heiligen kunnen zijn. Ze worden visionairen genoemd. En dat zijn ze ook, maar ze zijn gevaarlijk, zeker in een context als die van de geschiedenis van Faustina. Zulke heiligen brengen geen hemel te berde, ze vestigen de aandacht op hel en vagevuur. Het is niet God die hun ultieme aandacht krijgt, niet het Goede dat wordt beleden, het is vooral Satan die in het middelpunt staat, het Kwade wordt onder de aandacht gebracht, liefst middels vlammenzee en eeuwige dood, middels geween en tandengeknars, middels de verdoemden in de hel en de lijdenden in het vagevuur. Je mag je afvragen wat het waard is om de gelovige mensheid op deze wijze angst aan te willen jagen, want de mensen worden beïnvloed op ongezonde wijze, en het zijn de lichtgelovigen met hun wankelend zelfvertrouwen die zich aangesproken voelen en vervolgens de wereld naar het voorbeeld van de aangeprezen heilige(n) willen veranderen, steeds door schuld en boete, door zelfkastijding en ziekmakende ascese. Zulke ascese doet de persoon in kwestie, net als hun voorbeeld, hallucineren, zijn hersenen reageren op de honger van het lichaam, hij komt voedsel en vocht tekort; het geprikkelde brein vertekent de werkelijkheid, de ogen nemen beelden waar zoals schimmen of mensen en situaties in dromen, alle schijn wordt voor hem a.h.w. echt, dus du moment beleefbaar; deze geestelijke situaties ontstaan vergelijkbaar precies zoals bij alcohol en drugsgebruik e.d.
Ik schets het even kort, er komt meer bij kijken, maar voor mij is deze kleine versie belangrijk genoeg om te weten dat ik mezelf moet volgen, dat ik gerust mag vertrouwen op mijn gezonde verstand, en niet op de ander met zijn ongezonde, duivelse visies. Waar angsten worden gekweekt, moet je snel wegwezen. Waar de duivel wordt gepredikt, hoor je niet thuis. Veel mensen zouden moeten leren leven in het licht van de dag, ze zouden in het dagelijkse leven hun vrede moeten vinden, ze zouden een innerlijke rust moeten hebben die hen wijzer maakt in liefde en vrede, en zeker niet afhankelijk van anderen die angsten kweken en God doen vrezen op een ongezonde manier. We zijn de gedoopten van vandaag, niet de kwezels van gisteren.
Met X. is het tot nu toe slecht afgelopen, ze is de kluts kwijt, woont in een verpleeghuis voor geestelijk gehandicapten. Ze is een marginale geworden, een uitgestotene, een arm iemand bij wie je je afvraagt hoe het zo is gekomen? Ze strooit met Lourdeswater, ze fröbelt rozenkransjes, ze bidt voor jou en voor de zonden van de wereld. Ze doet boete en nog eens boete, en ze is zichzelf kwijt. Niets herinnert nog aan de levenslustige vrouw die ze vroeger was. Haar zwarte Faustinakleding draagt ze niet meer, maar ze loopt er tegenwoordig bij als een ziekje, regelrecht uit het gesticht. Het is allebei even erg, dunkt me. Waarom schrijf ik dit allemaal op? Gisteren zag ik nogal wat wreeds aan satanische documentaires op tv. Ik meen dat er zeker 2 zenders bezig waren met exorcisme en de alternatieve wereld, met hekserij e.d. Het heeft allemaal de aandacht van de journalistiek, want het is een wereldlijk fenomeen, momenteel. Het is kennelijk gerelateerd aan Halloween en Allerheiligen en Allerzielen.
In mijn Woordje van de Week ga ik in op het belang van de eigenheid van de mens; op het recht van mensen om zichzelf te zijn. Dat kan men alleen maar bereiken zónder aangekleefde angsten en boze leerstellingen. De weg naar gezond te leven moet ópwaarts zijn, niet terugwaarts. Ik bedoel, dat mensen in liefde moeten ontstaan, in liefde moeten worden grootgebracht, in liefde moeten mogen leven. Anders krijg je heiligen zoals Faustina en X., en wie allemaal nog meer.
Buiten zie ik de mooie herfst, die mag ik koesteren, wetend dat hij overgaat in de winter, die ook aandoenlijk schoon is. De aarde is mooi en goed. We moeten haar ook mooi en goed houden. Daarin ligt mijn opdracht, en die van de hele mensheid, vermoed ik. We moeten gewoon goed zijn voor elkaar, en samen in vrede leven. De hel creëren we zelf, die maken we tussen ons, onder ons, met elkaar. En dan de helse logica: na een zwaar leven zou je ook nog moeten branden in de hel? Wie verzint het? Het gaat om God, om Goed. Je moet hem alleen weten te vinden. Puur. Zonder angstigheid. Je zult elkaar vrijmaken, niet in de boeien slaan. Arme mensen die het te verduren hebben. Dit is mijn morgengebed. God beware ons. Laus Deo! Amen.
Zaterdag 29 oktober.
Deze herfst is wonderlijk mooi. Hij biedt momenteel veel rustigheid, ik had het zo nodig. De reis naar Weert en Roeselare en de voordrachten aldaar hadden nogal wat inspanning van me gevergd, ik voel erbij dat ik snel ouder word. Maar het was goed en genaderijk, dat loont alle moeite. En in de herfstsferen van de laatste tijd is het goed bekomen. Ja, de herinneringen zijn schoon, rijk en deugdzaam. O herfst 2005!
Gisteren heb ik opmerkelijke momenten beleefd. Een kleine samenvatting: voordat ik in de ochtend vertrok met de auto naar Den Bosch, keek ik op de kilometerstand: die gaf 41410 aan en de dagteller - van de dag ervoor - stond op 41. Eerlijk gezegd keek ik er een beetje van op, want ik ging juist op weg om mijn lieve schoondochter te feliciteren, zij werd gisteren 41.
Okay, dat kon nog, de rit begon dus met het getal 41.
In Den Bosch moest ik stoppen voor het verkeerslicht bij een druk kruispunt op de Graafseweg. Ter linkerzijde stond een lesauto te wachten met de naam Asha op het rijschoolbord. Als het dan allemaal gewone toevalligheid was, vroeg ik het mij toch af: was dit een vingerwijzing, een wenk? Ik wil niet bijgelovig zijn, maar dan was het toch minstens grappig omdat ik onderweg was naar Asha, die gisteren 41 jaar werd.
Bij de brug moest ik wachten, er voer een boot door de Zuid-Willemsvaart. Aan de overzijde zag ik Antoniegaarde, een tamelijk nieuw, prachtig Bosch’ gebouw waar ouderen wonen. Ik bedacht dat daar mijn toekomst zou kunnen liggen. Deo volente, natuurlijk. Enfin. Alles bij elkaar genomen is deze tocht me behoorlijk bijgebleven. Wat betekent zoiets? Kleine incidenten, grote gevolgen? De Alfa en de Omega?
Ik hoop dat mijn nog korte toekomst vooral nog een beetje geheiligd mag zijn.
Ik wil zo graag nog wat betekenen voor anderen, en misschien voor wie na mij komt?
Okergeel geworden zijn de oude bladeren, voorheen het levend groen aan de bomen. Ze hangen en zwaaien, dwarrelen en vallen lichtjes omlaag om neer te liggen op het gras voor mijn flat. Het witte huis aan de overkant pronkt majesteitelijk als altijd.
Bleke rimpels hebben ze, de oude vrouwen, zij gaan nog maar voort in gestrompel.
Geen leven blijft, terwijl overal het leven is, dat leven doet. Daarin huist de eeuwigheid. Je mag haar doorgeven aan elkaar, je doet haar voortgaan in elkaar.
Er is geen andere eeuwigheidswaarde dan deze: leven in de lijnen van je nageslacht.
En dan is er God. God die je niet loslaat. God die bij je is.
God: je onlosmakelijke natuur, je vriend, je waarheid, je innerlijk.
God, Hij dus, die je omzet in Goed. Je zult goed zijn voor anderen, zoals voor jezelf.
Laus Deo! Ik bad mijn morgengebed. Amen.
Webmaster Frans G. en Marianne gaan binnenkort op een verre reis. Ik mis hen nu al. Ik bedoel dat het fijn is elkaar in de nabijheid te weten, ze zijn mijn allerbeste buurtjes uit de flat. Maar ik gun hun van harte een prachtige reistijd. Het wordt vast en zeker heel bijzonder: zij gaan vliegen en een cruise doen. Dat ís wat!
Een mooie reis, veel plezier en veel nieuwe kennis mogen zij beleven, en mag hun terugkeer behouden zijn. Dat is wat ik hun tweetjes vanuit mijn dagboek toedicht.
O we hadden gisteren een leuke avond in huize G. We hebben gevieren een glaasje gedronken, ja Ollie was ook gekomen. We hebben geluisterd, gesproken en gelachen met elkaar. De geest is goed, zo samen. Dat maakt de wereld al een stukje vrediger.
En nu ga ik ontbijten, de innerlijke Ine vraagt om aandacht. O ja, morgen heeft Karel feest. Voor hem wil ik nog iets moois schrijven. Eten, en óp naar de taak van de dag.
Donderdag 27 oktober.
Niets vermag je aan verdrietig te zijn bij dit stralende herfstweer. Ik deed enkele boodschappen, haalde de foto’s op van het gouden priesterfeest van Ad en kocht weer veel te veel snoep. Ik sla het als liefdadigheid in voor de kinderen die niet komen, en eet alles gestaag zelf op. Een lege provisiekast is onhuiselijk, ik vul haar bij, onbegonnen werk, want ze blijft nooit lang vol. Sommige mensen kunnen echt mondjesmaat leven, alles keurig afgepast, alles op uur en tijd. Ik vind dat moeilijk. Als gevoelsmens beweeg je met lichaam en geest door je dagen, je voelt helemaal in. Enfin. Er komt vast nog wel een tijd van ascese, ook voor mij. Onthechting, heet dat. Maar het nut van de onthechting staat me niet altijd voor ogen. Gelukkig maar.
Voor het aanklikpunt Woordje van de week schreef ik een korte overweging over het menszijn. Altijd interessant om daarover na te denken. Webmaster Frans Grisel zal alles voor me op de site zetten. Aan ‘Recensies’ heb ik wat herinneringsfoto’s toegevoegd. Alles staat onder www.ineverhoeven.tk.
Ik zie uit naar morgen, ik ga dan naar Pilkington’s om er de ‘vrouwen in mijn leven’ te ontmoeten. O heerlijk vooruitzicht. Vrouw te zijn maakte me altijd al blij. Dat gegeven is een van de vreugden in mijn bestaan. Zelfs na de kankeroperatie in 1985, die mijn hele leven op zijn kop zette, ben ik nog steeds graag vrouw gebleven. Vrouw, van top tot teen. Ik las met genoegen in mijn vroege jeugd het boek ‘Ave Eva’ van Olaf de Landell. Wat moet hij veel aan vrouwelijks in zichzelf hebben gekend om zo de geaardheid van de vrouw te kunnen verwoorden. Ja, die De Landell, toen zeker een favoriete schrijver mijn, in mijn puberteit, dus.
Rieke krijgt een Border Terrier. Ik keek op internet en moet me inhouden, anders ga ik ook zo’n hondje halen. Wat een dotten, die beesten. En hartstikke Engels, als ik me niet vergis. En Brokje is intussen aan me gewend, hij zit op mijn schouder te kirren terwijl ik dit schrijf. Kan een alleenstaande vrouw zich nog meer wensen aan huiselijkheid, gezelligheid, geborgenheid? Ik ben tevreden, heel tevreden. Wellicht begin ik spoedig aan mijn kerstverhaal...
Ik noteer enkele memo’s.
Met Ricky Rieter is een leuk contact ontstaan, onverwacht, voor mij tenminste. Chander Soekhai staat met zijn 2 mooie dochtermeisjes in de Margriet. Prachtig!
Met Patricia heb ik een warm gesprekje gehad. Maar de leegte blijft, is onoplosbaar.
De voorbereidingen voor Karels jubileum zijn in volle gang. Ik doe mijn best.
Met Madeline heb ik gezellig gecommuniceerd over toentertijd, in de gele kroeg.
Mijn hoofd ter linkerzijde is niet in orde, ik zal de dokter nogmaals raadplegen.
En verder laat ik de dag de dag en ga rusten. Alles is immers genade. Laus Deo!
Maandag 24 oktober.
In het heil van de voorbije zondag koester ik me voor een goed moment, wat is het een gelukkige dag geweest, zo met de serene viering in de ochtend en de rustige atmosfeer over de rest van de dag verdeeld. Het is herfst in alles. De regen stroomde uit de hemel toen we de kapel van het ziekenhuis verlieten. Bij Nijmegen was wonderwel de weg droog, er was daar nog geen regen geweest. Het is waar, ik laat me nooit echt in met het weertype. Ik wil niet dat mijn gemoed wordt bepaald door regen of zonneschijn, door wind, hagel, sneeuw of onweer. Alle weersgesteltenis is goed. En de hele zondag was goed.
Ik peins me suf n.a.v. een mail van Ricky Rieter over mijn website. Vermoedelijk wek ik de indruk een franciscaanse ziel te zijn. Dat is niet zo. Ook is het niet zo dat ik ineens het franciscaanse licht zou hebben gezien, als bij een bekering of zo. Zeker niet. Ik heb wel mijn oude professie vernieuwd, in die schone viering van woensdag, met ingetogenheid en de beste bedoelingen, omdat het een goede professie is, geheel op evangelische basis. Verder wacht ik af wat de toekomst brengt, en als ze franciscaans getint zal zijn, is dat prima. Ik dacht bij Ricky’s bemoeienis nog: zal ik met mijn dagboek stoppen? Maar dat is toch zonde, vooral voor de nalatenschap. Ik heb R.R. in vrede teruggeschreven, zij het wat streng. Ik heb echt geen gemoraliseer nodig. Ik ken mezelf, bij zulke mentaliteiten haak ik af. Precies zoals ik door het weer mijn gemoed niet laat bepalen, laat ik door anderen mijn leven noch mijn schrijven bepalen. Ik heb mijn karakter, en het is een goed karakter, al zeg ik het zelf. En dat moet je, zeker als buitenstaander, heel laten. En wie wil zeuren, moet maar elders gaan. Vrijheid, blijheid. En graag of niet. O ja. Die christelijke kringen. Er is nog zoiets als respect voor iemands eigenheid. Maar men is vaak juist in het christendom zo ontzettend intolerant jegens elkaar. Je wordt er bijna een heidense gelovige van.
Ik kreeg bloemen van Olivier! Ze zijn stralend mooi, roze en rood en wit en groen, veel groen. De kleine vogel Brokje wordt steeds tammer, zij het dat hij Ollie in zijn teen beet. Hij is een bijtertje, hij bijt kennelijk van opgewonden vrolijkheid. Met zijn gehavende vleugeltjes vliegt hij elke dag een beetje beter. Hij komt steevast op mijn schouder zitten en sjouwt met me mee, waar ik maar ga in mijn huisje. Ook ontbijten we samen, hij ijvert de kruimels bijeen, d.w.z. dat hij ze eerst afpikt van het brood en ze vervolgens laat liggen waar ze liggen. ’n Rommelig ontbijtje, maar gezellig. De vogel en de oude vrouw. Zit er een verhaal in? Ik zou een nieuw kerstverhaal willen schrijven. Wie weet. Ik wacht op inspiratie. En kijk naar de bloemen van Olivier.
Er was nog een hartelijk mailtje van Maria Bijleveld, heel anders getoonzet dan dat van Ricky. Ze is een heerlijke vrouw, die veel goed doet in haar kring. O ja, ik kreeg vorig jaar lente van haar enkele gedichtenbundels van Marie Noël, o.a. Les Chansons et les Heures - Le Rosaire des joies. Ik vond dat zó aardig; en toen neusde ik dus weer in mijn Franse dictionairs, die ik met mijn verjaardag nét cadeau had gekregen.
Je moet de beste herinneringen bewaren, ze voeden je, ze laven je, ze maken je mooi. Omdat je je er goed door voelt. Een mens heeft goedheid nodig, en déze erkenning: je mag bestaan. Wat zou je je op je oude dag nog door kreten van streek laten maken?
Ik zal Sybil vragen spoedig samen te gaan stappen. Ik denk dat het nodig is. Ze krijgt in haar goedheid nogal wat te incasseren. Daar ben ik mede debet aan. Het is goed in je ziel te kijken, zelfs de wéreld wordt er beter door… want genezing begint bij jezelf.
Laus Deo!
Donderdag 20 oktober.
In de ware vreugde van gisteren, de derde woensdag van oktober 2005, begon voor mij deze nieuwe morgen. Mijn kleinzoon woont een paar dagen bij mij. O wonder, het is de eerste keer dat ik een kleine logé herberg. Hij voegt een bijzondere waarde toe aan de dagelijkse dingen des levens. Ik vind het een zorg, want er mag hem niets mankeren, niets ontbreken ook. Dus mocht hij gisteren zachtjes voetballen in de woonkamer en springen en duikelen op de bank, maar dat was gisteren en dat doen we vandaag niet meer. Vandaag mag hij tekenen en tv kijken, en we gaan samen gezellig winkelen, eens snuffelen in de stad of er nog iets leuks is voor de kleine man. Hij is mijn hartendiefje, mijn kleine charmeur, mijn vriendelijk kind, mijn zuivere zangertje, o blijdschap!
In de ware vreugde van gisteren ligt ook de herinnering aan de feestelijke bijeenkomst van de Bossche Derde Orde, vanwege het 20-jarig jubileum van Corry, Tilly en mij. O, zo lang al zijn we elkaars franciscaanse zusters! We zijn een kleine, degelijke groep, met intussen zeer oud geworden mensen allemaal. Wie kon, was gekomen, en het was onderling zeer bijzonder, want de liefde heeft het gewonnen van alles wat eens wat minder was.
Het is een ware feestochtend geworden, deze verwonderlijke thuiskomst, zoals ik het noem. De mis was mooi neergezet, de homilie was liefdevol uitgesproken door pater Hans Putters.
Corry, Tilly en ik hebben samen onze professie in de orde vernieuwd, ik las voor.
Bij de feestelijke koffie trakteerde ik op Vughtenaartjes en op bonbons. Een heerlijk boek, genaamd Anna van Hambroeck, geschreven door Marianne Keser, kregen wij van onze afdelingsminister Paul van Hoek, ter herinnering aan ons 20-jarig jubileum.
Tijdens het korte gedeelte van de zakelijke vergadering is ook nog de nieuwe vice-minister gekozen, de afdeling is nu volwaardig. Ik mocht deze heilige ochtend afsluiten met mijn speech. Ieder ontving daarna een warme omhelzing, die hartelijk door allen beantwoord werd. Ik deed er nog 2 mariale herinneringskaarsjes bij uit Kevelaar. De speech:
Lieve zusters en broeders,
Toen ik op 16 oktober 1985 samen met Corrie en Tilly hier in de zijkapel van de capucijnenkerk mijn professie aflegde, in het bijzijn van de ordegenoten van deze afdeling Den Bosch, had ik nét een levensreddende operatie ondergaan die mijn gestel en daarmee mijn hele toekomstige leven ongekend zou beïnvloeden.
1985 was voor mij enerzijds een deerniswekkend jaar, ook mijn moeder was toen gestorven, anderzijds een beloftevol jaar met een grote levensdeur die op een kier stond, maar die opnieuw voor me openging. Of was het de sterke hand van God?
In de jaren die volgden had ik te strijden met mijn lichaam dat me door de ernstige gevolgen van de ingreep zo goed als vreemd was geworden, dat me als het ware in de steek had gelaten, en het was echt niet gemakkelijk in die tijd, want het beste van mezelf had afgehaakt. Die fysieke strijd bestaat, net als mijn professie, mijn zusterschap in de orde, twintig jaar. 1985 was een merkwaardig jaar, een jaar van volkomen ommekeer, cruciaal in fysiek en psyche.
En toch. De professie, die ik me nog tamelijk gedetailleerd herinner, was op dat tijdstip voor mij een stimulans ten goede. Ik was er gelukkig mee, ik had toekomst, er bestond, bij al het moeizame dat op mijn weg was gekomen, voor mij toch een heilig perspectief. En het franciscaanse ideaal, dat volkomen van Jezus Christus getuigt, was me lief.
Ik had niet gerekend op de consequenties van de ouderdom van veel ordeleden.
De generatiekloof die er was, was me aanvankelijk ontgaan. Ik dacht er niet aan, vooral doordat ik in die tijd een sterk gelóóf ook had in gelóvige ménsen, in de mensen van God zelf. Want zo zag ik hen. ‘Zij streven het allerbeste na, zij doen het volmaakte leven’, dacht ik, ‘zij kennen het leven in geloof.’ En ik wist toentertijd niet veel van verschil in gelovigheid, ik dacht niet aan de diverse karakters die met elkaar zouden kunnen botsen, ook in franciscaanse zin.
Dat kwam later. En het verschil was groot, te groot. Je moet jonge mensen jong laten, ze moeten hun eigentijdse weg kunnen gaan, hun oude wijsheid komt nog wel, later.
Toen ik, nog in de jaren ’80, een verontruste brief ronddeelde, met de vraag aan allen om met me mee te denken zodat de orde niet zou hoeven verdwijnen, want je zag het aankomen, zodat de orde nieuwe kansen ten leven kreeg, met nieuwe leden en nieuw elan, toen maakte ik een fout. Ik had mijn inzet echter niet als fout ingeschat. Ik wist niets van ministerschap en bestuur, men had mij niets uitgelegd. Ik wilde met mijn actie nooit iemand beledigen. Ik heb excuses gemaakt.
Het is in deze twintig jaar niet gemakkelijk geweest, het was voor beide kanten niet gemakkelijk. Mensen verschillen van structuur en aard, van denken, visie en inzicht.
En ook: het leven ís niet gemakkelijk, de mensheid ís niet gemakkelijk. Echter, we streven, als christenen, wel onverkort het goede na, het beste voor God en de wereld, we beogen de vrede onderling, de wereldvrede zelfs, maar we zijn en blijven mensen, kwetsbare mensen met gevoel en emotie. Dat mag. Dat moet zelfs, gewoon om mens te kunnen zijn.
In de vréde van Jezus Christus ligt mijn geloof. In de franciscaanse missie die aansluit op Jezus’ blijde boodschap, ligt ondanks alles mijn hoop, mijn verwachting. Hoezeer we ook hebben geleden, en nog zullen lijden, aan een elkaar misverstaan - het hoort bij het leven - altijd is er de kans op vrede, op de nieuwe start middels de vergeving, en dat is goed, dat is correct, want een mens is niet in één keer volmaakt. Streven naar evangelische volmaaktheid kost ons, welwillende mensen, een heel mensenleven lang. We ondergaan onafgebroken de lessen van de levensschool.
Op deze morgen van blij samenzijn vraag ik jullie om vergeving voor alles wat eens misging. Op mijn beurt vergeef ik jullie wat misging naar mij toe.
Moge vandaag de twintig professiejaren van Corry, Tilly en mij bekroond worden met nieuwe vrede, met nieuw elan, en moge onze toekomst staan onder de allerheiligste zegen van onze God, met de bescherming van Franciscus, die ons de vredelievendheid van Jezus heeft voorgedaan. Ik lees tot slot nog een korte gedachte:
Mensen zijn zielen met gevoel
Ga zorgvuldig met hen om
Herken hun kwetsbaarheid
---
Je bent van hun makelij
Niet minder en niet beter
---
Mensen zijn zielen met gevoel
Het is het leven dat hen vormt
Raak niet aan hun eigenheid
---
Niet minder en niet beter
Niet lelijker en niet mooier
Je bent een ziel van hetzelfde lot.
© 2005 Ine Verhoeven Nijmegen
En dit was dus de speech. Er zijn ook vandaag, donderdag, weer redenen te over voor grote dankbaarheid. Ik ga snel naar de kleine man, we willen samen ontbijten. We gaan eitjes koken en theezetten. En we stoppen croissantjes in de oven. Wat een feest! Laus Deo!
Dinsdag 18 oktober.
In Roeselare hebben de paters redemptoristen ons zeer gastvrij ontvangen. Het zijn gezegende dagen geweest, met veel hartelijkheid van echt lieve mensen, die blij waren met ons liturgisch en studierijke aandeel in deze dagen van het memorabele feest van de heilige Gerardus Majella. 3 schone vieringen zijn er geweest, met pater Frans als voorganger en predikant, en 2 ervan werden door mij als lector bijgestaan. De Vlamingen die ‘De Bremstruik’ van Roeselare bevolken, waren oprecht enthousiast over de teksten, en zeker ook blij verrast met de warme inhoud van de meesterlijke preek van pater Frans. Na de communie las ik het volgende gedicht, dat in de sfeer staat van Gerardus’ levenshouding:
Om enkel goed te doen
Geef handen aan mijn hart, HEER
en mijn gedachten vleugels
en geef mijn voeten dan de
snelheid van een hert, opdat
ik handel in de tijd en snel
over de wegen om enkel goed te doen.
---
Geef ogen aan mijn hart, HEER
en mijn begrippen lippen
en geef mijn oren dan het
horen van een zang, opdat
ik wandel in uw toon en spreek
in melodieën om enkel goed te doen.
---
Geef armen aan mijn hart, HEER
en mijn wel weten woorden
en geef mijn lichaam dan de
stroming van uw zijn, opdat
ik voortga in uw lief’ en reik
in uw bevrijding naar enkel goed te doen.
© Ine Verhoeven
Zondagnamiddag was er de verrassende reis door West-Vlaanderen, pater Werner was onze uitmuntende gastheer. Wij bezochten enkele Duitse kerkhoven uit de Grote Oorlog, dat is de Eerste Wereldoorlog van 1914 - 1918. Er is daar in West-Vlaanderen destijds gigantisch erbarmelijk gevochten, er is daar ongekend gesneuveld en gewond geraakt, er is daar grote verwoesting geweest, alles lag plat en alles wat de mensen hadden, was vernield, of weg. Ook al is alles allang weer opgebouwd en heeft de streek haar levenshouding allang hersteld, haar economie weer helemaal op de rails, het oude lijden van het volk zindert a.h.w. nog altijd doorheen het land, doorheen die unieke streek met haar van oudsher getarte Vlaamse mensheid; je beluistert in de stilte bij akkers en water nog het zinloze leed en je weet de sporen van de zinloze dood in de besmeurde aardegrond. Maar misschien hielp de herfst een handje mee aan de sferen van ontluistering? O, wat zag ik al veel kale bomen! Dag blad, dag bloei, de winter komt eraan.
Werner bracht ons over de smalle landweggetjes naar een gedenkteken van de Vlaamse dichter Guido Gezelle; op een klein kruispunt vonden wij diens bijzondere gedicht en we lazen zijn Kerkhofblommen over de dood, de witte wagen en de gestorven jonge man. Het huis van de bewuste jongeling staat er nog authentiek bij, het is in tact gebleven. O ja, we konden bij het lezen op die landelijke plek de droeve stoet zien vertrekken en ter kerkhof gaan: ‘Traagzaam trekt de witte wagen’.
Het is een significante zondag geworden, met veel oude dood tussen nieuw bruisend leven. Wij kwamen terecht in Ieper, en Ieper is mooi. Wij brachten een ode met de vele bezoekers onder de stadspoort, zal ik maar zeggen, aan de overleden strijders van weleer. Veel jeugd was er aanwezig. Ja. Wij hadden Ieper bezocht, en wij hadden de dood van Ieperen gezien, of zeg ik beter: ontmoet? 4 kaarten stuurde ik rond. Ik heb verrassend genoeg alle nachten heerlijk geslapen in het oude patersklooster van Roeselare.
Maandagmiddag waren we ‘Op de koffie bij Gerardus’, het geschiedde in De Bremstruik. Het was een geslaagde bijeenkomst, met dames en heren uit Roeselare en omgeving. Heel bijzonder was de omgang met de Vlamingen. Pater Frans hield een goede lezing, zoals híj alleen dat kan doen. Een voor mij opmerkelijk detail was dat ik in de avond werd opgebeld in het klooster, ik kreeg er onverwacht klein pastoraat te verrichten. Ja, dat gebeurt ook. Waarschijnlijk was het telefoontje gekomen n.a.v. enkele gedichten uit ‘In het land waar mensen wonen’. Sommige teksten roepen herinneringen op, beelden van vroeger, misschien oud zeer, of oude vreugde? Ja, dat doen gedichten. En dat is goed.
O die terugreis vandaag. Bij Antwerpen was het een en al vrachtverkeer, maar alles ging goed. Ik ben wel blij weer thuis te zijn. En dankbaar voor 4 zinvolle, hartelijke dagen. Laus Deo! Amen.
Donderdag 13 oktober.
Het is weer zo’n nacht van oververmoeidheid. Je weet dat je moet slapen en je kijkt nog even op de computer voor je in je bed duikt om de wereld te vergeten. En daar zit je weer om neer te schrijven wat je denkt. O nacht van de dierbare wensen. O stille uren van heiliging. Geen mens moest ooit nog bang zijn voor verlatenheid. Ze is een onwerkelijke angst, die onvruchtbaar maakt. Wat is verlatenheid precies? Ze gedijt prima bij afhankelijkheid, denk ik. Men moet liever vriendschap sluiten met zichzelf. Dan ben je de verlatenheid voorbij, geen mens tot last. Alles heeft 2 kanten, of meer?
Kome wat komt
Je kunt de maan bekijken, dingen dromen.
Je kunt de zon adoreren, wensen doen.
Je kunt de sterren tellen aan de hemel.
Je kunt kometen zoeken met ‘n telelens.
Je kunt een god ontdekken in de wolken.
Je kunt een engel horen zingen in de wind.
Je kunt het hart van de mensheid willen zien.
Je kunt de ziel van de wereld willen vangen.
Je kunt vergeten dat de tijd je dagen opslijt.
Je kunt geloven dat de wereld nooit vergaat.
Je kunt de bommen met gebeden willen keren.
Je kunt de doden laten slapen in hun graf.
Je kunt
Je kunt
Je kunt alleen maar bidden, en je best doen.
Je kunt alleen maar werken aan elkaars geluk.
Je kunt alleen maar zorgen dat jij goed bent.
Je kunt alleen maar voortgaan, je kunt nooit terug.
Je kunt
Je kunt
Je kunt de vruchten aan de bomen laten rijpen.
Je kunt de wieken van de molen laten gaan.
Je kunt de bloemen in je tuintje laten bloeien.
Je kunt het water zuiver houden in de vaart.
Je kunt
Je kunt
Je kunt de kinderen beminnen, alle mensen.
Je kunt jouw woning maken tot jouw paradijs.
En verder kun je zeggen: ‘God, hier ben ik.
Ik dank je voor het leven, HEER, kome wat komt.’
© 2005 Ine Verhoeven
Het was toch wat, toen Sybil me op zondag de 9e een franciscaanse kaars cadeau gaf. Haar bedoeling was goed, daar mag ik vanuit gaan. Haar begeleidend woordje was heus erbarmelijk, zowel inhoudelijk als grammaticaal. O nonsens! Wat is dat steeds voor geblunder? Het is zo jammer. En mijn professiedag is zondag pas. Ik wil desbetreffend helemaal niet benaderd worden, ook niet herinnerd worden aan die 20 voorbije taaie jaren. Mijn hart is er niet bij, ligt daar niet. Ik heb in de orde alleen maar geleerd hoe de dingen vooral onderling niet moeten zijn, hoe je níét met elkaar omgaat. Nee, de ware vreugde heb ik er nooit ontdekt. Wat dat ook moge betekenen: de ware vreugde. Maar S. had het erover in haar redevoerinkje. En alles geschiedde na de zondagse viering, in het goede gezelschap van voorganger Frans, van Diny en Harrie en tante Bets, bij Hotel Central. Enfin. De tijd zal mijn jarenlange zorg voor Sybil wel overnemen, ik doe er niets meer mee. Het is kome wat komt, toe dan maar.
Gisteren was een mooie dag. Met Frans ben ik in de ochtendspits naar Weert gereden om een lezing in samenspraak te houden over ‘Thuiskomen’ bij stichting Relevo. Het was een fijn en luisterend publiek, dus de sfeer was uitstekend. Dat stemt dankbaar. Het gaat erom de betere dingen, vooral je kennis en je heiligende vreugde daaruit, te delen met anderen, steeds pastoraal en zonder winstbejag. O, het was goed. Maar de reis was nogal zwaar, met veel vrachtverkeer op de weg. Maar ja, het was dan ook een drukke doordeweekse woensdag en de A 2 is altijd vol en in jachtige haast.
Ik voel de jaren aan mijn gestel knagen. Ik moet evalueren naar de toekomst toe.
De laatste dagen zijn als prachtige herfstwerkjes. Het weer is mild zonnig. Op de voorbije dinsdag gingen we keuvelend door Kevelaer. We hebben genoten van het najaar dat zich overal liet zien en beleven, vooral onder onze voeten, vanwaar we de bladeren hoorden knisperen en ritselen en die ons zodoende nog meer vrolijkheid boden. Ik was mijn oude Bertram tegengekomen in The Scene. Nu zaten we samen op een Kevelaers terrasje met koffie, thee en Duitse taart. Het was minstens gezellig.
Waar je ook gaat, overal tref je zulke mensen aan die je doen denken aan sterven in het najaar. Ze zijn als uitgeleefd gebladerte dat hulpeloos neerdwarrelt op je pad.
Vaak denk ik, juist in de herfsttijd, aan Zeeland. Hoe we destijds door Veere gingen, er mosselen aten en in een folkloristisch atelier wol kochten, pure schapenwol; en schoonmoeder Ten Lohuis breide er de vestjes van en de sjaals in lila gemêleerd en in aquakleur met blauw, o het was heel mooi! In Middelburg aten we poffertjes en bij de oude abdij dwaalden we vertederd langs de architectonische schoonheid. Ik mag graag in mijn late dagen al peinzend de Zeeuwse atmosferen van weleer herbeleven. Mijn overgrootmoeder van de tak van Cornelis V. kwam via Frankrijk naar Zeeland, en zij had volgens de overlevering een schip met zilverlingen in Veere achtergelaten; het is eigendom geworden van de gemeente en bevindt zich, allemaal volgens zeggen, in het raadhuis van Veere. Mijn grootvader, haar zoon dus, zou immer hebben geweend wanneer hij de legende over zijn gemiste adeldom aan zijn hoorders doorvertelde. Irreële sentimenten. Er was vroeger dan ook geen vertier zoals vandaag de dag. Ik denk dat de leegte in de avond je aan het dromen maakte, en wat nogal meer? Mijn moeder bijvoorbeeld zong alle liedjes die er bestonden. Zij had talent, maar aan het toneel gaan, bestond niet voor haar. En zo werd haar hele leven tot theater, met spel van de bovenste plank. O trotse! O wijze! O arme! Je bent in het keurslijf gestopt van wie je kneedde. Het is het lot van de genen. En hoe kan het je vergaan?
In Witte koekoek en roomse kamille staat op pagina 16 te lezen hoe ik haar heb gezien:
Dag moeder
Daar schrijdt zij voort
in zwart gewaad
van crêpe georgette
met kanten mouwen
en een sleep
Een hele grote hoed
van vogelverenstruis
wiegt mee
En in mimiek en spel
voert zij haar eigen strijdtoneel
een kleine vrouw
zo trots, zo uitvergroot
Daar ligt zij neer
in wit gewaad
versierd met broderie
in linnen mouwen
En een cape
als hele grote hoed
om ’t ravenzwarte haar
draait mee
Zonder mimiek noch spel
vecht zij haar eigen strijdtoneel
die grote vrouw
geveld, zo klein gemaakt
Restje mens van vlees en bloed
ontdaan van alle luister
Het moede, klamme hoofd
wacht op een kus en de dood
Haar act is af
Geen applaus bij haar graf
Dag moeder
© 1997 Ine Verhoeven
Maandag 10 oktober.
Van harte schrijf ik hieronder mijn gedicht neer waarmee ik mijn liefste mensen wil eren: zij die in leven zijn en zij die gestorven zijn. Niemand wil ik uitzonderen, want ik heb lief. Ik schreef deze tekst niet voor wie me haat, want wie me haat, wil ik vergeten. Haat verdient geen aandacht, behalve de aandacht via je gebed. Je leest o.a. in de oude psalmen hoezeer men door de tijd heen aan elkaar heeft geleden, en nóg. De mensheid is, karakteristiek gezien, nu eenmaal gemêleerd en dat geldt dus ook voor de kleine(re) kring. En als je leven en een beetje bevrijdend geluk je niet zijn gegund, als je lach wordt gehoond, als je tranen worden veroordeeld, als je onverkort wordt gekleineerd, dan word je op den duur selectief, alleen al uit zelfbehoud. Je moet het monster in de daders niet willen voeden, dat laat je beter links liggen. Je gooit toch ook geen parels voor de zwijnen? O, je leert van alles wat aan je geschiedt, aan mooi en lelijk, aan vreugde en verdriet, aan voorspoed en tegenslag. Op een gegeven moment houd je het met bepaalde mensen voor gezien en wie er nog met je wil omgaan in bewezen respect, die laat je toe en met hem ga je verder, niet frequent maar in een elkaar weten ten goede. Je zult te allen tijde het positieve vasthouden en van het negatieve leren; alles om een beter mens te zijn voor jezelf en je meest nabije kring. En zo draag je bij aan een betere wereld.
Vooral de dood van Asha’s vader Bridjlall heeft me laten zien hoe goed en liefdevol mensen met elkaar kunnen zijn, hoeveel schoonheid aan karakter er in de mensen aanwezig kan zijn, hoeveel daadwerkelijke beschaving onderling je samen kunt bereiken. En je hoeft niet expliciet een christen te zijn om elkaar te laten weten wat liefde is. Integendeel, zou ik zeggen. Want wie durf je te denken dat je als christen helemaal bent? Om het zout der aarde te kunnen worden, moet je eerst zelf gelouterd zijn. En wijs geworden aan het leven. Van Bridjlall heb ik met de zeer, zeer velen vrijdagavond innig afscheid genomen. Graag had ik in de aula juist dit gedicht willen lezen, maar de situatie was er niet naar vanwege het overwegend Hindoestaanse karakter: de gezongen gebedsdienst werd geleid door een priesterlijke voorganger en was in de taal der Hindoes.
Maar hier kan het ook:
O als je niet meer bent
O als je weg zult zijn,
je geest gegaan zal zijn,
o als je ziel verdwenen is
uit je verstilde lichaam,
o als je niet meer bent,
van hier gegaan zult zijn,
dan nog zal ik je kennen,
zal ik je noemen bij je naam.
O als je weg zult zijn,
je niet meer voelbaar bent,
er nog maar tasten is en jou
niet vinden, o als je niet
meer bent, je nog maar letters
bent, je nog maar foto bent,
dan nog zal ik je kennen,
zal ik je weten met mijn hart.
O als je weg zult zijn,
je nog maar droom zult zijn,
je nog maar beelden bent die
óók vervagen, o als je ogen
niet meer lachen en hun kleur
vergeten is - gestorven mooi,
dan nog zal ik je kennen,
doe ik je leven waar ik ben.
© 2004 Ine Verhoeven in o.a. ‘Gerardus Majella, gepassioneerd man Gods’, pagina 34.
Donderdag 6 oktober.
Midden in de nacht, 3.38 uur. Waar denk je aan? Je bent te moe om wakker te zijn, en je hebt te veel gedachten om ze te doorbreken en in slaap te vallen. Hoe dubbel!
Ph. vertelde in ons telefoongesprek van vanavond over haar laatste bevindingen met J. van B. Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers. Overigens is het nogal grappig te bedenken dat er van die enthousiaste 65+ mannetjes bestaan, die nog doelbewust uit zijn op een huwelijkse lat-relatie, en die op de zondagavond tijdens het dorpse dansgala voor oudere alleenstaanden graag aantonen de rock ’n roll nog te kunnen dansen zoals toen, in de jaren ‘50. Zo’n conditie is benijdenswaardig. Kijk, ze houdt de prikkels van weleer levend tot op hogere leeftijd. Je moet alleen weten waar je eenzelfde portret vandaan haalt om je wilde droomfeestjes mee te zullen delen. Spannend voor J.!
Wat doe je als je als zelfstandige vrouw van in de zestig ongevraagd zo’n opgewonden bejaarde grapjas op je levenspad tegenkomt? Wat is jouw doelstelling met hem als jij die fysieke conditie noch de behoefte aan contractueel lijfcontact hebt? Wat ga je beslissen als je merkt dat hij je manipulator probeert te zijn, zo’n koppig mannetje dat je aldoor opeist, dat je dagen en je uren, je kapsel en je kleding, je kerst en je verjaardag, zelfs je vrienden en familie bepaalt en dat, als het even kan, ook nog je stalker wil zijn?
Ach, het zijn niet de grootste levensproblemen. Die zijn indringender, pijnlijker, meer ontheiligend ook. Maar ze geven wel stress, ongemak, narigheid en verdriet dat gewoon niet meer zijn mag. Je bent er te oud voor geworden, te doorleefd, te wijs ook, want je kent het leven onderhand, je kent de mensheid onderhand. Het heeft allemaal met respect te maken. Dat heb je of dat heb je niet. De tijd zal het leren. Spannend voor Ph.!
Ik peins over de autorit naar ’s-Gravenzande op zaterdagmorgen, heel vroeg al. En over de uitvaart van B. En over de kinderen die nu groot verdriet te verwerken hebben. En over C. die nu weduwe is. En ik peins over de receptie van het zilveren priesterfeest van Hans P. cap. ofm.En over enkele vrienden en vriendinnen. En over het lieve telefoongesprek met mijn goede vriend professor doctor A.B. O, wat peinst een mens veel in de nacht, vooral in de nacht. Alles van de dag komt in je herinnering voorbij. Alsof je een gewetensonderzoek doet voor het slapen gaan.
Ik zit over mijn zusje in. Het gaat niet goed met haar. Ze heeft dezelfde symptomen als mama toen zij a.h.w. doodziek werd, zo lijkt het tenminste. Ik hoop dat ik me vergis. Het is zwaar herfst in de familie. Blad na blad sterft en dwarrelt weg van de stamboom. O symboliek. Onherroepelijk geschiedt het aan ons allemaal. En je hoeft niet bang te zijn, dat heeft geen enkel nut, je wordt van de angst geen seconde ouder. Aanvaarden, is het antwoord, en ik zeg het telkens weer. Aanvaarden. Toch zit ik over mijn zusje in. Ze is me zo vertrouwd, ook al woont ze ver voorbij de oceanen.
19.18 uur. En dan wordt alle gepeins van de voorbije nacht gerelativeerd en wordt de oplossing je aangereikt middels je kinderen. De condoleancebrief en de bloemen zijn in Hoek van Holland aangekomen. Het reisplan is gemaakt voor morgen. Zo is het goed en ik zal afscheid kunnen nemen van B.S. Daar ben ik dankbaar voor. Alles komt goed. Alles komt immers altijd goed? Een mens mag gerust zijn, dus ook ik.
Laus Deo. Amen.
Woensdag 5 oktober.
Roomkleurige rozen kreeg ik maandag van Ollie. Ze staan op de eiken tafel te pronken in de hoge witte vaas. Bij de verdrietigheden van het overlijden van B.S. heb ik kaarsjes gebrand en de rozen zijn aan hem opgedragen. De rouwkaart is ingetogen chic, daar ben ik blij om, want B. heeft met zijn menszijn grote klasse verdiend, en dat zal zich dan ook wel bewijzen bij zijn uitvaart. Het is een hard feit dat hij gestorven is. De tijd geeft, de tijd neemt. We hebben er niets tegenin te brengen.
De kleine papegaai heeft een andere naam gekregen. Hij heet voortaan Brokje. Omdat hij een gebroken vogeltje is, een klauteraar in plaats van een vliegertje, en een zielig eenzaam liefdesvogeltje zo zonder partner. Ja, zo gaat dat met vondelingetjes. Of met adoptietjes. Je moet aan elkaar wennen. En hoe mag je naam dan wel zijn? Je weet het niet. Maar zijn officiële naam is vanaf vanavond Brokje van Wolverlei. Mooi, vind ik.
Dinsdag 4 oktober.
Het is lang geleden dat Franciscus van Assisi leefde en stierf. Hij staat te boek als een groot mens, en zeer heilig. Opvallend is het wel dat, naarmate de eeuwen verstrijken, deze man stelselmatig steeds meer uitzonderlijke eigenschappen kreeg, en nog altijd krijgt, toegedicht. Als je al het geschrevene over zijn deugdzaamheid als waarheid tot je zou nemen, dan ben je minstens naïef. De ene trouvaille van heiligheid is nog mooier dan de andere. Het ene franciscaanse boek is nog vindingrijker geschreven dan het andere. En het houdt niet op met uitvinden hoe en wat hij allemaal wel vertegenwoordigde aan goedheid en deugdzaamheid, hij moet intussen wel een patroonheilige zijn met tijd tekort aan overuren draaien op hulpgebied, van de bodem van de aarde tot voorbij de kosmos en terug. Ik bedoel dat je de dingen kunt overdrijven. Sint-Frans was een zeer excentrieke figuur, een dromer, een zoeker, en, tenslotte, een vinder. Hij heeft zijn menselijke oerverlangen, dat was zijn unieke Godverlangen, gevoed en zijn innerlijke drang om zijn pastorale missie tot uitvoer te brengen, opgevolgd; hij heeft de dingen gedurfd en hij heeft de dingen gedaan, en dat heeft hem tot die ene uitzonderlijke mens gemaakt. Je kunt je daarbij afvragen of het allemaal wel zo heilig is geweest wat hij teweegbracht; je kunt je bedenkingen hebben als je leest, bijvoorbeeld, hoe hij zijn lichaam kastijdde, het verwaarloosde en er als mens helemaal aan ten onderging. Niet te loochenen is, dat mensen die streng vasten een heldere geest krijgen; in hun hongertoestand hebben zij vaak een ijlende, een alles vertekenende, oftewel een hallucinerende geestesgesteltenis. Mensen die aan anorexia lijden, weten dat zij meer ‘zien’ dan anderen. De vraag daarbij is, wat dat uitgehongerde ‘zien’ met godsdienst te maken heeft, behalve dan dat er mensen zijn die er terdege godsdienstwaanzinnig mee zijn geworden. Ik relateer in dezen niets aan Franciscus. Hij heeft veel bereikt, vooral als stichter van zijn ordes. Toch huiver ik als ik de dingen lees die over hem roemen, als ik zijn teksten lees waarin hij zichzelf roemt. Enfin. Ik ben geen franciscoloog, of is het ‘franciscanoloog’? Ja, die vind je tegenwoordig ook al; het is iemand die universitair is afgestudeerd op Franciscus van Assisi. Je kunt er je doctoraal op halen. Zeg dan maar dat Sint-Frans in beginsel geen bijzonderheid is. Ik ontken het ook niet. Ik huiver alleen, bij tijd en wijle. En ik ben er voorzichtig bij. Je kunt natuurlijk zeggen dat dit een negatieve heiligenverering is. Ik ben tenslotte geprofest in de orde van Franciscus. Je kunt ook zeggen dat ik niet in hem geloof. Maar dat ontken ik ten stelligste. Hij heeft prachtige dingen neergezet, ook voor de mens van 2005. Je moet ze alleen niet zo schromelijk overdrijven. En dat is door de eeuwen heen wel gebeurd. Maar ja, de romanticus wil ook wat. En ach, het zijn de katholieke sferen. Gelukkig is niet alles heiligmakende nostalgie. Ja, weet je, ik ben geen mens voor heiligen. Ik houd het bij Jezus van Nazareth. Hij is mijn heilige, de grootste, de enige. Dat te beweren, daarin te geloven, is me al moeilijk genoeg. Vandaag heb ik groot verdriet gevoeld. Gisteravond kreeg ik bericht dat een lieve vriend onverwachts thuis is gestorven, hij is de vader van A. en de grootvader van mijn kleinzoons. Zijn dood doet pijn, die maakt je hart aan het huilen. Ik mocht hem zo graag. Wat erg toch, wat erg. Ik brand kaarsjes voor hem en bid wat. Ik hoop dat hij in de hoogste vrede is. Ik zal hem nooit vergeten.
Maandag 3 oktober.
Vandaag staat de Transitus van Franciscus van Assisi te boek. En morgen is het in zijn geest Dierendag. Een merkwaardige link eigenlijk. Maar ja, hij sprak met de vogels en vermaande ooit een hongerige wolf. En zie: daar heb je de schutspatroon van de dieren. Over alles en alles in de wereld zijn ter bescherming heiligen uitgeroepen. En we hebben ook nog de hemelse bewaarengelen. Het is een druk wereldje om ons heen, maar gelukkig wel onzichtbaar. De aardkluit is al overbevolkt. Mensen verdragen elkaar niet meer. De hoeveelheid drukte maakt de chaos. De wereldleiders zijn het regeerspoor bijster. Er wordt systematisch onrust geschapen, wantrouwen gekweekt, oorlog ontketend. De mondiale angst is gezaaid, we zijn bang voor elkaar. Hoe maak je de hemel op aarde? Hoe boetseer je mee aan het koninkrijk van God? Vooralsnog kun je beter je vermoeidheid te lijf gaan, en hoe je dat doet, dat had ik al eens eerder per schrijfwijze bedacht:
Met engelen te zingen
Ik heb de stilte aangetikt;
ik vroeg haar met weinig woorden
of ik binnen rusten mocht, want
ik was zo moe van het lawaai van
alledag; en de stilte liet mij toe.
En in de stilte heb ik water
horen zingen in de beken;
en langs de rotsen floot
de wind haar melodie;
en aan de bomen ruisten
bladeren hun talen;
en heel de wereld leefde op
in biddend lied.
Ik heb het mogen horen
toen ik daar te rusten zat
in die genadetuin van God;
want ik was zo moe
van het lawaai van alledag,
van het jachtige verkeer,
de snelle tred; van de chaos,
van de herrie, van de haast.
Maar dat is voorbijgegaan;
verzaligd heb ik in Gods stilte
Zijn stem beluisterd in het leven
om me heen: zelfs de allerkleinste
kelen trillen klanken naar de wereld;
alle zielen, zelfs de bloemen
zingen langzaamaan naar rust ~~.
Het is het wonder van de schepping,
godgegeven; tonen van leven,
geheiligd tot 'n lied, hemels gezang:
ballades ~~ voor de engelen.
Uit de weldaad van Gods stilte
ben ik verkwikt teruggekeerd.
Uit: VAN MENSEN ONDERWEG - Met Geloof, Hoop en Vrede, Ine Verhoeven 2003 – pagina 47.
Ja kijk, de maand oktober biedt de gelovigen onder ons nogal wat inspiratie via de engelen en de heiligen, via Maria zelfs, het is kerkelijk gezien de maand van de rozenkrans.
Ik denk dat mensen zonder de innerlijke rust, die gestaafd wordt door heiligende inkeer, het in de huidige tijdgeest gewoon niet redden. Van tijd tot tijd moet je je ziel bespiegelen en kijken naar wat je zaait en oogst. Inkeren en in gebed gaan, het kan je op weg helpen naar de schoonheid van Gods bedoeling. Dat geloof ik.
Ik schrijf hieronder mijn gedicht dat ik opdroeg aan Leo Jacobs, mijn kleine broeder, door mij bemind in Sint-Frans. Het is een gedachte die volgens mij helemaal klopt in oktober.
O, je moet bij je oergevoel blijven. Wat er ook te gebeuren staat.
De boomhut
In mijn boomhut droom ik ver voorbij de heuvels.
De omgevallen steden zijn niet meer.
Ik hoor de lachroep van de allerjongste mensjes.
Ik zie het land van goudgewas, zo ferm, zo teer.
De appelbomen staan volrijp te pronken.
De zware druiven aan hun trossen gapen trots.
De oude wijnboer lacht en rookt voldaan zijn pijpje.
Een witte klipgeit klimt omhoog tegen de rots.
In mijn boomhut overpeins ik God en Leven.
Ik zou de Schepper zelf zo graag eens willen zien!
Ik zou Hem willen vragen om mijn stonden te behouden
in het gulden land, waar ik Zijn grootsheid dien.
En de struiken ruisen zacht hun windgezangen.
En de zonnegloed kust rein het najaarsgras.
En in de meren gaan de vissen, die niet weten
van genade, die mij, verwende ziel, gegeven was.
In mijn boomhut droom ik ver voorbij de heuvels.
De kraters van de oudheid zijn met akkers aangedaan.
De hemel is bekleed met godenzijde. De vrouwenschoot
draagt vrucht om Gods onsterfelijk bestaan.
Uit: Van mensen onderweg – met Geloof, Hoop en Vrede, Ine Verhoeven 2003, pagina 132.
Wie oren heeft, hij zal horen. Wie ogen heeft, hij zal zien. En hij zal onder de mensen de dingen doen van God. Ook dat geloof ik.
Zondag 2 oktober.
Gisteren is Dukes overleden, in zijn slaap. Volgens Rieke is hij onderweg naar de eeuwige jachtvelden. Dan moet er dus een hondenhemel zijn voor Dukes.
†
Dag Dukes. Bedankt.
Jij grijze buidel van goedheid.
Jij vrolijke vriendelijkheid.
Jij beestje van blijdschap.
Jij hartstikke leuke hond.
Dag Dukes. Bedankt.
Wij waren vandaag een uurtje bij Margarethe. Zij zag er goed uit, zoals we het van haar gewend zijn. Zij was gekleed in een donkerblauw pakje, waarvan Floor zei dat de rijgdraad er nog inzit. Maar het is een Chanel-look, dus Floor mag zich op modegebied een beetje beter oriënteren. Ach nee, het was een oude grap van hem. Het was een kleine maar dierbare kring van mensen rondom Margarethe. Er heerste een zondagse gezelligheid in haar woning, een sfeer die ik al heel lang niet meer proefde. Ik gaf haar een frisse tuil bloemen in overwegend geel: zonnebloemen, gerbera’s, enzovoort.
Bij Sybil heb ik vanmiddag engelen gebracht, ze staan afgebeeld op een kalender die ik onlangs voor haar in de Heeswijkse abdijboekhandel kocht. Ze is vandaag jarig, daarom dus. Ik vertelde haar dat dit engelencadeautje de ultieme tegenhanger was van haar heks uit Blokhus: ‘Een heel jaar vol van heilige engelen voor jou, om alles te klaren.’
Ik had haar ook nog in een felicitatie per e-mail een videoact met een slim varkentje gestuurd, met het oog op World Animals Day, maar de boodschap drong niet door. Ik ben zelf nogal weg van dat beestje, het is net zo intelligent als een hondje. (Kijk bij: http://animal.discovery.com )
Rieke en Asha hadden, ieder apart, heel vrolijk gereageerd toen ik hun vorige week dezelfde clip had gestuurd; ze hadden, zoals ik, zeer van het beestje genoten.
Maar ieder reageert op zíjn wijze. En je hebt natuurlijk respect voor elkaars eigenheid.
Wat overkwam me nou toch weer? Sybil stuurde me zojuist een e-mailtje vanwege mijn bezoek aan haar, en onderaan het berichtje stuurde ze, het is niet te geloven, een vleugelheks in schelle kleuren mee. Dat noem ik nog eens een plank voor je kop hebben.
Ik kan het natuurlijk jammer vinden van mijn dagboek, maar de realiteit van het leven behelst positief en negatief. Je kunt jezelf voor de gek houden en alleen de fraaie dingen neerschrijven, maar de werkelijkheid biedt mooi en lelijk. Zo gaat dat.
De dag is lang geweest. Ik mag nu moe zijn. Deze overweging is mijn gebed. Maar wat heeft een mens per dag veel te denken. Ik hoop dat de nacht van stilte is. Amen.
Zaterdag 1 oktober.
Je mag je van tevoren altijd verheugen als je lieve mensen gaat ontmoeten. Echter, hoezeer mag je je vertrouwen vastzetten op een niet aflatende lievigheid van hun kant? Heeft niet iedere mens een gemoed te besturen? Maakt niet iedere mens het leven mee tot in de details? Moet niet iedere mens zijn ervaringen verwerken? Staat niet iedere mens bloot aan het ongewisse lot?
Een dag heeft vier dagdelen: ochtend, middag, avond, nacht. Dat vertaal ik in: opstaan, doen, ondergaan, bevatten. Wat een klus is het eigenlijk om alle dagen je manier van bestaan te zullen rechtvaardigen. En toch eisen de mensen de hoogste inzet van elkaar. Ze moeten. Ze moeten. Want stilstand is achteruitgang. En stil zíjn, is vergeten worden. Uit het oog, uit het hart. En wie is niet bang voor de eenzaamheid? Ik bedoel: voor de totale eenzaamheid? Zie je jezelf al in je oude eentje door je dagen gaan, krom gebogen misschien, zozeer veranderd van vroeger toen je rank en mooi was en het niet wist, en nu helemaal vergeten, nog voor je dood bent? Je kunt er genoeg scenario’s bij bedenken. Misschien maken mensen films en schrijven mensen boeken en schilderen mensen taferelen om hun bange angsten om te zetten in de dappere waarheid; en is het niet juist de fictie die bekoort, die heelt, die de dingen verfraait? O, zelfs de dood wordt tot romantische mooiheid geboetseerd. Als een heilig slapen in vergetelheid. Het zou allemaal kunnen. Ik zou, zeker tot nu toe, het leven niet hebben willen missen. Wel menig gemankeerd detail erin, maar niet het leven zelf.
Momenteel merk ik dat de herfst zijn stemmingen neerzet. De dagen worden rap korter, de donkerte wint het van het licht. Het is het seizoen van de dichter, denk ik, of van de dromer, of van hem die schoonheid creëert.
O, lieve mensen zijn belangrijk. Je mag je goed bij hen voelen. En wat er nog komt in je tijd van leven, dat zie je dan vanzelf wel. Elke dag heeft genoeg aan zichzelf. En geen mens kan jou kneden tot wie je niet bent. Uniek zijn, heet dat. Schepsel van God. Laus Deo!
Vrijdag 30 september.
Juist in de treurigheid van het leven, ontmoet je de schoonheid ten goede. Maar het positieve resultaat van het lijden openbaart zich doorgaans pas (veel) later. Hoe schraaltjes zijn de troostwoorden die je worden toegezegd, of waarmee je wordt bespeeld, en steeds overkomt je dat ene oervervelende antwoord zoals ‘ik ook’ of ‘toen ik’ of ‘in mijn geval’. Je kunt er niets mee, of heel weinig. Alles wat gebeurt, is namelijk persoonlijk. En alles wat je overkomt, heeft zijn eigen wijze van benadering nodig. Het is toch maar het beste met alles en alles bij jezelf te blijven. Je zou beter niets uitdragen van wat je gemoed aan tranen bezighoudt. Je moet het zelf doen. Jijzelf bent je beste verstaander. En de tijd verdraagt alles; hij slijt voor jou de herinnering aan wat dan ook. Alles verwordt tot schim en verleden. Gelukkig maar. De last van de hele waarheid zou te groot voor je zijn; je zou onder de zwaarte van je oude gedachten maar bezwijken. Dit mag je nooit, nooit vergeten: Het leven is mooi. De tijd maakt alles heel. Altijd zal er toekomst zijn. Voor iedereen. Voor iedereen.
Woensdag 28 september.
Zodra een mens wordt ingepakt door een chronische vermoeidheid krijgt hij te maken met de hardheid van de vele beperkingen die ze met zich meebrengt. Hij gaat slepend door zijn dagen, want zijn lichaam voelt als lood; hij is zichzelf te zwaar, hij is zichzelf te veel. Het wordt voor hem een leven is stilte. Radio en tv, bijvoorbeeld, zijn taboe: het geluid en de beelden zijn door hem niet meer te consumeren. Alles wat in zekere zin drukdoen te noemen is, ontwijkt hij. Alleen bij de rustigheid kan hij zich handhaven.
De uitwerking van het chronische vermoeidheidssyndroom is niet te bevatten door mensen die gezond zijn en daardoor fit door het leven gaan. De mens die eraan lijdt, is altijd moe. Hij is moe van alles. Gelukkig heeft de medische wereld onlangs het syndroom herkend en erkend. ME is aanvaard en geregistreerd als een wetenschappelijk bestaande ziekte.
Vanmorgen was Bambi uit de vogelkooi gekomen, trippelend over tafel en boterhammetjes, pikkend in van alles en, hogerop geklommen, ook in mijn nek. Hij is een fladdervogel, een gemankeerde vlieger. Op de bank voor het grote raam zat hij eigenzinnig in het zonlicht te koekeloeren, soms gingen zijn kraaloogjes toe. Hij is duidelijk wat ouder, maar draagt geen ringetje waardoor ik zijn ware leeftijd had kunnen achterhalen. Zijn taalgebruik is ook gebrekkig voor een papegaaiensoort. Kris kras en nog niks gefloten. O kleine vondeling, wie weet waarom en waarvandaan je bent gekomen? Kleine gehavende prooi van de kraai, gered door Wim, die bovenste beste mens. Mooi is dat.
18.57 uur. De paus gaat intellectueel in gesprek met de verbannen priester theoloog Hans Küng, de atheïstische journalist Oraiana Fallaci en de schismatieke traditionalistenleider Bernhard Fellay. Ik las het vandaag graag op internet in de Nieuwsbrief Katholiek Nederland.
21.20 uur. Je zou de hele wereld in goedheid en liefde aan elkaar willen breien. Maar overal wordt gevochten, overal wordt gedreigd. En er komt geen verandering in. De wereld leert niets van de geschiedenis, noch van de kennis van goed en kwaad. Generatie na generatie zal er gevochten worden; vrede is slechts haalbaar in je eigen hart, en kijk eens hoeveel moeite het je kost die eigen kleine vrede daadwerkelijk daarin te bewaren. Je struggelt met je emoties, met je innerlijk leven, meer dan je lief is. Wie kent het niet? Een mens is meer dan vlees en bloed alleen. O zielenleven.
En dan nog dit: Wat doen mensen elkaar aan? En waarom eigenlijk? Overal heersen goed en kwaad. Dat was en dat is en dat blijft. Je kunt je ertegen wapenen door je wapens weg te leggen en jezelf te ontwapenen. Kom maar, menslief, want ik houd van je. Je bent van mijn soort. We herkennen elkaar. Och, zonder zijn toekomstdromen van vrede in een lieve wereld houdt geen mens stand. Denk ik.
Het zal ook daarom zijn dat je je omringt met de schoonheid der dingen.
Het zal ook daarom zijn dat je gebed voor jou belangrijk is geworden.
Ik had van Ollie fraaie herfstbloemen gekregen op vrijdag. Ze bieden met hun zachte kleuren een beeld van vredige harmonie. Tegelijkertijd sterven ze langzaam maar zeker hun dood in de vaas. Maar sterven zullen ze ook in de kassen en op het veld. Alles is tijd en leegte en ijdelheid. En toch: ALLES IS. Dus ik geloof liever in: Alles is tijd en volte en gelukzaligheid. Daarom leef je. Daarvoor leef je. En Ollie’s bloemen zijn er nog in volle geur en fraaiheid. Laus Deo!
Zaterdag 24 september.
Deze herfstdag is van goud, zo mooi en zacht en weldadig.
De kleine vogel is vanochtend op het balkon neergezet, gewoon om nog wat van de zachte septemberzonneschijn op te vangen; en nu is hij daar nog voor de vrolijkheid in het spel met de oude zomer. Ik heb mijn huisje opgepoetst, mijn middagdut gehouden en ernstig gedroomd. Tussen de bedrijven door schreef ik mijn oudste broer een felicitatie met zijn verjaardag van vandaag.
Boze buien gaan doorgaans over bij weldenkende mensen.
De afgelopen 3 dagen zijn vooral dagen van rust geweest. Mijn fysieke conditie had te zeer geleden van de reis en de drukke besognes in Limburg, maar ook van de emoties die het gemoed tevoorschijn tovert als je merkt dat je van bepaalde mensen afgedwaald bent, dat je a.h.w. gebrouilleerd verdergaat, terwijl de reden te kinderachtig is voor woorden en de oplossing ruimschoots voorhanden is in de simpele vergeving; het kan zelfs zonder al te veel woorden. Wat leeft er toch allemaal in een mens? En hoe voldoe je aan de wensen van mensen zonder jezelf te hoeven verliezen? Enfin.
Ik stuurde mijn gedicht Mensje oud naar maandblad Nestor van de KBO:
Mensje oud geworden
breekbaar op je late dag
onvast op de moede benen
twijfel tussen traan en lach
Mensje oud gebogen
kwetsbaar broos gelijk het kind
dat de stapjes nog moet leren
wankel nog zijn weg niet vindt
Mensje oud gestreden
milder, wijzer in de tijd
pijn ten leven overwonnen
rustend voorbij bitterheid
Mensje oud geweten
stil naar afscheid toegegroeid
lief en leed dat je ooit kende
is met tranen weggevloeid
Mensje oud van dagen
lichaam dat je leven draagt
hart dat alles heeft geleden
ziel die om erbarmen vraagt
Mensje oud getekend
omgetoverd silhouet
stil de handen dichtgevouwen
slapend op het witte bed.
Nu ben ik benieuwd of het op een keer geplaatst wordt, ergens volgend jaar of zo.
Dukes gaat dood en dat brengt verdriet teweeg. Maar het hondje is al 17 jaar en iedereen weet dat dat heel oud is voor een beagletje van het kynologische brakkenras. Rieke en ik hebben gisteravond een kaarsje gebrand, ze wil graag dat Dukes rustig inslaapt. Dukes is altijd een hond geweest met karakter, met vrolijkheid en zachtmoedigheid. Van Dukes werd je blij. Maar nu is hij op. De tijd heeft hem het leven gegeven. De tijd neemt hem het leven terug. Oh tijd, leer ons verstaan. Amen.
Ik ga mijn tassen pakken, want het wordt feest. Zielsverwant Frans is morgen jarig.
En zodoende blijf je te maken krijgen met de tijd, met je kostbare tijd van leven. Op den duur wordt het gebed je beste cadeau. Gebed en inkeer. Wat is eigenlijk mooier in het late leven dan de rustigheid betrachten en je ziel te koesteren, samen met de ziel van je dierbaren? Mijn cadeau naast het gebed is het gedicht geworden dat ik onlangs schreef voor zijn hoogbejaarde moeder; het is ingelijst en hangt al in zijn woning. Laus Deo! En ik tel vandaag ál mijn zegeningen. Daar raak je van in verwondering. Het is allemaal genade geweest, altijd, ook de triestheid en het ongemak, ook de tegenslag en de hoon. Het was allemaal genade.
18.00 uur. Mijn agapornisje Bambi heeft een halfuur in mijn hand en op mijn schouder doorgebracht. Kleine kwetsbaarheid. Ik denk dat hij niet echt kan vliegen. Een halve meter na het opstijgen, strijkt hij neer om verder te wandelen, met korte stapjes die de weg kwijt zijn. Maar met geduld, heb ik gemerkt, wordt intussen de vertrouwensband gesmeed. Hij bijt al niet meer, maar ‘snavelt’ minzaam tegen mijn hand.
De zon staat laag en glipt mijn schrijfkamer binnen als een bleke glimlach die de maan nabootst. Groot en rond is de zon. Groot en rond is de maan. En de bomen voor de huizen varen wel bij hun licht. Nu is alles nog groen genoeg. Alleen de geur en de schrale tijdsluiers kenmerken de herfst van vandaag. O herfst, ik heb je lief.
Woensdag 21 september, Catharinahof.
16.20 uur. Vanuit de kamer kijk ik naar de tuin. Boven het grafje van Kleine-Kraal hangen de herfstbesjes in warm oranje. Een gezette merel strijkt neer op een tamme tak met blad en eet vrucht na vrucht. O hongerige trek! Een kleine mees met streepjes tjilpt hem achterna en klampt zich vast aan de zijkant van de kleine bessenboom. Ik bezie de twee smullende vliegertjes met hun vederen kleedjes in ieders eigenheid. Links staat de grote eikenboom volgeladen zwaar van rijpe eikels, zoveel tegelijk, ik zag het nog nooit. De wilde rozenbottels van een nooit geplante rozenstruik prijken deftig met de rododendrons mee; die schieten nu al door, misvormd als ze zijn door de tuinmannetjes, wier plantenkennis ik al jaren in twijfel trek. Maar alles bij elkaar is het hier een rustieke plek ter meditatie, ze nodigt zelfs uit tot momenten van verheven geluk. O Catharinahof, met je gekortwiekte tuinen. Met je hofdames en je edelen van God. Met je adeldom vanuit den hoge. Met je noblesse in oud. Het mag je goed gaan, hof van Cathrijne. En gezegend zijn je bewoners, de generatie in rust. Deus provideli.
Vanmorgen was ik na vele jaren terug in de Bossche afdeling van de seculiere orde van Franciscus. We gaan FSO heten, of is het OFS? Gelukkig maar, want we zijn geen ‘lekenorde’! Als je geprofest bent binnen een bestaande religieuze orde, ben je m.i. onverkort religieus. Het was een prima vergaderochtend, met een mooie viering en een beschouwend woord over de barmhartigheid. De deur zal altijd open zijn voor wie in Christus onze zuster of broeder is. De franciscaanse mentaliteit zet niemand die weifelt, of struikelt of valt aan de kant, maar neemt hem bij de hand om samen met nieuwe moed en medemenselijkheid verder te gaan. Dat is ook de evangelische boodschap: het is vrede en vergeving, altijd weer, want: ‘barmhartigheid wil ik en geen offers’, zegt de HEER. De nieuwe landelijk minister was gekomen, met de 2de geestelijke assistent (ook landelijk). Er zijn nogal wat veranderingen op komst. Tja.
17.00 uur. De hele dag schijnt de zon. Het najaar is vriendelijk en bijna droombaar van aard. Schrijfgenoot Frans en ik hebben in Grave een prachtige lijst van rood met zilverkleur, of andersom, uitgezocht om er binnenkort een bijzonder gedicht in te plaatsen, misschien met een fotootje erbij, of een aparte tekening, dat weet ik nog niet precies.
Ik zal vandaag nog proberen de voorbeden voor zondag te schrijven. Maar ik beloof mezelf niets, want de inspiratie valt of staat bij de helderheid van de mensengeest.
Vogeltje Bambi fladdert alle kanten op als ik probeer hem uit de kooi te halen. Gisteren lukte het wel, en hij zat braaf in de holte van mijn hand. Ik moest hem wél met de andere hand bedekken voor de slimme vlucht. Toch werd hij rustig. Maar ja, hij had natuurlijk geen keus. Het is wat. Gelukkig is Wim er, die me via de e-mail op vogelgebied pedagogisch instrueert. Ja, ja, dat beestje houdt er een giga familie op na.
Ik zal zien wat Sybil op franciscaans vlak in Den Bosch kan doen in november. Ik laat haar eerst maar rustig jarig zijn. Samen met de engelen, want ze is van 2 oktober. Een merkwaardig verschijnsel vind ik haar tenaamstelling wel: ze heet voluit Sibilla. Betekent ze, esoterisch vertaald, een sibillijnse engel te zijn? Engel Sibilla. Volgens mij is dat contradictio in terminis. Een kleine studie waard.
Alles komt goed. Alles komt goed. De tijd heelt alle wonden. Laus Deo! Amen.
Dinsdag 20 september.
Soms heeft de dag genoeg aan zichzelf. Nee. De dag heeft altijd genoeg aan zichzelf. Ik merk dat ik, naar gelang ik ouder word, de zorgen voor de volgende dag niet helemaal aankan. Het leefpatroon gaat stapsgewijs: nu is nu, hoe het morgen is, weet ik niet, ook niet al heb ik alles tot in de scenariopuntjes gepland. Ik ga van minuut tot minuut, van uur tot uur, van dag tot dag. Ik voel me daar het beste bij. De tijd gaat gezwind, het leven ook. Met hoogverheven plannen in het vooruitzicht val je trouwens moeilijker in slaap, wordt het zicht op de nieuwe dag verzwaard, je bent niet echt gerust, je gemoed is niet echt gerust. Want je moet. Je moet. Je moet. Mensen leven in vrijheid, maar zijn tegelijk vaak geknecht door een dwang of plicht van buitenaf. Je bent geclaimd. En je wordt ouder. Je wilt niet meer in het gareel van de ander. Je wilt je eigen maat houden. Je eigen gedachten volgen. Je eigen inzichten beschouwen. Je bent gekomen op het punt van kijken naar wie je zelf bent. Van omzien naar jezelf. Je hebt het in het leven aan zorgen en plichten allemaal al doorstaan. Je mag nu nog even oogsten. Je hebt nu nog even te gaan. Maar wel op jouw manier. Niet op de manier van de massa om je heen. Jij bepaalt. Jij gaat jouw weg. Het kan. Het mag. Het moet zelfs. Als je je glimlach maar bewaart. Die is nodig om je baan vrij te maken. Je mag met een glimlach voor elkaar op jouw wijze naar je eindbestemming reizen. Want daarheen zijn we allemaal onderweg. Ik herhaal het nog maar eens: elke dag heeft genoeg aan zichzelf. Er kan niks bijzonders meer bij.
21.21 uur. Nu ga ik slapen. Ik ben de hele dag binnen geweest. Die hele mooie voorbije dagen vergen in hun rijkdom veel menselijke energie. Ik heb vandaag dan ook zo veel mogelijk uitgerust. Maar o wat is het goed geweest. Laus Deo! Amen.
Maandagnacht 19 september.
Net teruggekeerd van mijn redemptoristische reis. Ik heb bijna 400 kilometer gereden in een paar dagen. Reizen roept associaties op met levensbeelden. Reizen is dan ook een dichterlijk thema, vooral vanwege de veelheid aan indrukken en de mooiheid van de ontmoeting met je verre medemensen. In de Wittemse kerk met de Gerarduskapel mocht ik even gelovig bestaan, de kloostertuin heb ik bezocht met de beelden van Hugo Heule uit Matran, grote kunstzinnigheid, in het klooster heb ik geslapen. Het drieluik der dingen begon met een goede vergadermiddag van samen denken en delen, van samen bestuderen en opbouwen. O het waren 3 dagen van ingetogen vreugde en schone ontmoeting daar in het Limburgse heuvelland. En het was volle maan. Momenteel, zo in de vroege nacht van deze maandag, ben ik moe, te moe zelfs om te slapen. Maar het menselijke denkmechanisme staat nooit stil. Je wilt als scheppende mens de dingen vastleggen, creëren, meditatief betekenen, altoos.
Wie wijst je de weg op de reis doorheen je leven?
Je legt hem af, die weg, vaak alleen, en soms loopt een gezel een eindje met je mee.
Langs de routes staan de wegwijzers, ze helpen je verderop gaan, ze helpen je kiezen.
In de herbergen voor onderweg les je je dorst; je koopt er je brood tegen de honger.
Je bestendigt er je levenskracht mee om verder te kunnen gaan.
En je bent alweer in touw om te vertrekken, want je bent op pad, telkens een eindje verder.
Je hebt de hele reis af te leggen, elk moment, elke stap, elke zucht van je ademtocht.
Stilstaan is achteruitgang. Verdergaan is opgang ten goede. Dat mag je hopen.
O reiziger, waar zul je gaan? O reiziger wat zul je doorstaan?
O reiziger wie zul je ontmoeten? O reiziger laat mij je zegenend groeten.
Enfin. Een beetje denken over de reis van je leven n.a.v. de redactieraadvergadering over het gelijknamige thema is wel deugdelijk, denk ik erbij. En dan nog dit: wat is Zuid-Limburg toch mooi.
12.13 uur. Onder het aanklikpunt Odes & Lyriek plaats ik de hymne die ik schreef voor professor doctor Ad Blijlevens CSsR, goede vriend. Het is een heerlijke feestdag geworden, die begon met een excellente eucharistieviering ter ere van Ad’s gouden priesterfeest. O ja, 17 september staat vermeld als een dag van genade en goedheid. Een dag die je sterkt als mens en als vriendin. Met een voortreffelijk avondmaal in uitmuntend gezelschap werd de gouden dag afgesloten, volkomen getekend van vriendschap en goedertierenheid. Mooi is dat. Laus Adriani! Laus Deo!
15.22 uur. Vogeltje Bambi is schuw, angstig zelfs. Hij wil niet uit de kooi komen. Denkelijk was hij gewend aan een vogelvriendje of vrouwtje, want hij vertrouwt nogal op het spiegeltje dat hij van Rieke meekreeg op zijn pelgrimstocht naar Nijmegen. Misschien helpt wat geduld het beestje verder mijn vrije kamer in? Het raakt me wel dit tere liefdesvogeltje min of meer getraumatiseerd op non actief in zijn kooitje te zien dutten. Een vogel moet de ruimte hebben, moet vliegen, moet willen vliegen. Maar Bambi blijft zitten waar hij zit. Arm dingske. Arm pechvogeltje.
21.30 uur. Familiale banden moet je koesteren voor zover het mogelijk is. Je kunt elkaar niets afdwingen. Je mag elkaar in vrijheid positief stimuleren en liefhebben, maar je moet van elkaar niets terug verwachten. Dan gaat het goed, denk ik.
Woensdag 14 september.
Gisteren was een dag als geen andere. Als 2 welgestelde oudjes dineerden Ollie en ik om de dag te breken en we ondergingen een Van der Valk seniorengerecht. Het was verrukkelijk en financieel voor een keertje met genoegen te ‘behappen’. Het was nog niet alles. Wij hielden high tea op het terras van De Wolfsberg, altijd bijzonder. Toen zou ik thuis mijn middagdut gaan houden. Maar ik belandde noodgedwongen achter de computer, want die zou rond 17.00 uur worden opgehaald, en omgeruild voor een nieuwe. En intussen belde Rieke, dat ze een vogeltje kwam brengen, een vogeltje dat door Wim uit de klauwen van een hongerige kraai was gered. Het beestje was na zijn redding op Wims schouder frank en vrij meegereden, samen op de fiets. Gevolg: consternatie bij de Van den Bergjes. Want dierenleed moet niet en moeder Van den Berg had derhalve het beestje ongezien al ingelijfd. En dan. Toen het beestje op het werk bij Wim was opgehaald met de grote kooi voor gevonden dieren, bleek het een handtamme agapornis te zijn. Maar agapornisjes kun je niet loslaten in je huis als er tegelijkertijd een vijftal katten bij je inwoont. Er restte niets anders dan het vrije vleugeltehuis voor tamme vogels, gerund door Ine, te benaderen. En gisteravond hebben de twee lieverds het diertje gebracht, o kleine mooiheid! Hij heeft de tere kleuren van perzik en godenblauw en abrikoos, en hij is basaal van mooier groen dan varenkleur of helder dennengroen. Ik haal als welkom mijn vogelgedicht aan:
Kleine vogel groot
De teerzachte donzen vacht rust
klein in de holte van mijn hand
Vogeltje, hemelziel, godsgeschenk
daar neergestreken in de vlucht
van vertrouwen ~ te veel wellicht
in mensen ~ zo angstenvrij en
in gerustheid wachtend op een
minnestreel van de grotemensenhand
Wie heeft er jou zo ongeschonden
doen volgroeien naar volmaakt,
zoals de mens zou willen zijn
~ of is geweest ~ in oorsprong?
Vogel van God, hemelbode, lief geluk
Zwarte pareloogjes die mij zien;
kopje geschilderd in Engelse tint
van perzikrood; staart van godenblauw
Zomaar zo’n hemelsfeer in een
Neerlandse kamer driehoog; zomaar
met mijn kleine dwergpapegaai,
ongekooide vlieger, vrije vogel,
aanhankelijk afhankelijk van mij
Zomaar woont er een hemelziel bij mij
Zomaar woont er een wonder bij mij
En ik, ik geloofde niet meer in God?
Herinnering aan Stuffie alias Kleine-Kraal, nu als hymne voor nieuwkomertje Bambi.
© 2000 Ine Verhoeven.
Ja, ik heb hem Bambi genoemd. Vanwege de tere uitstraling, de kwetsbare kleinheid van het schepseltje. En in die sfeer belde moeder Van den B. vanochtend om bezorgd te vragen hoe het met hem gaat. Heel goed, kon ik haar melden. En het is een vrolijke verandering in huis.
Het was gisteren trouwens een feestelijk gebeuren toen Rieke en Wim met het beestje arriveerden, toen ze samen in mijn woninkje waren neergezeten, ja toen ik hen eindelijk weer eens mocht aanschouwen! Ze zijn prachtig. Gisteravond was ik moe, maar ook héél blij en héél tevreden om de mooie uren samen en om het vogeltje.
23.13 uur. De hele dag was vol, ik had diep geslapen tot ver in de ochtend, en in de middag kookte ik een pannetje saaie spaghetti. Het romige aardbeientoetje maakte alles goed. En nu wil ik slapen. Wat merkwaardig eigenlijk, dat ik op dit tijdstip terugdenk aan het middagmaal.
Buiten is de hemel zwart. Ja, de herfst is gearriveerd. Dag zomer, ik kon niet zoveel met jou. Je was vaak te warm, te heet. Alleen in je koelte heb ik je lief. Als je zon achter de wolken is en dan af en toe tevoorschijn komt om een beetje te schijnen. Maar dat idee deelt niet iedereen met me. Gelukkig maar.
Gezegend mogen de mensen zijn die in mijn tijd en de hunne een eindje met me willen meegaan. Dankbaar ben ik. Laus Deo. Amen.
Maandag 12 september.
Grauw is de lucht maar stralend mijn gemoed. De herfst is mijn vriend, vooral in september. De dagen rijgen zich aaneen, de uren lijken snel als secondes: weg weg weg weg weg, tik tik tik. Slechts de herinnering blijft aan alles wat was, aan alles wat je deed en dacht en schreef en bedoelde gedurende dat snelle tijdspan. Je mag alleen maar zorgen en hopen dat ze mooi is, en je gelukkig maakt. Je kring gelukkig maakt. Je vrienden gelukkig maakt. O herinnering aan de dagen voorbij. Herinnering aan diep verdriet ontstegen. Herinnering aan de zielsverzoening, ontleend aan de evangelische boodschap van de jongste zondagviering: vergeeft elkaar tot zeventig maal zeven keer toe.
Sybil was naar de kapel gekomen. Ze had bloemen meegebracht, rozige bloemen in een nestje van roze draperie. We hebben bij Hotel Central op de Markt geluncht. En we bespraken met elkaar de levende bijzonderheden tot in de finesses. Nou ja. Er blijft altijd wel een onderwerp liggen, maar de missie van haar komst is geslaagd, denk ik. Ze heeft haar bezegeld met een piepklein engeltje, gemaakt voor op de revers. Zo is het goed.
En toen was er nog het serveerstertje A., lief kennisje van vroeger; ze hielp ons hartelijk en vertelde erbij dat ze veertig wordt. O tijd! Waarom vertellen mensen elkaar alleen maar wat ze kwijt dúrven, en niet de hele waarheid dus? Omdat nogal wat mensen niet betrouwbaar zijn. Omdat het leven je wel afleert jouw hele waarheid openbaar te maken. Er bestaat in de mensenwereld amper empathie, en er is weinig sociaal respect. Na een lang leven weet je het wel, en je trekt je liever terug uit de drukte van de jeugd, uit de nieuwe tijd van de jonge mensen; je herkent het allemaal, en niet. O het leven is gecompliceerd te noemen. Maar desondanks zeer, zeer moeite waard. Ik hoop dat A. het redt op het pad der scheiding. En dat alles spoedig en in vrede wordt afgewikkeld. Gek, dat zulke zaken wél tot je komen.
Mijn dochter was gisteravond druk met muziek maken, dat componeren heet. Ze was in haar studio met de zangeres. Om liederen te toonzetten. Zou ze me dat alles nog eens laten horen?
In mijn oude bundeltje met mijn jeugdig dichterlijke privaatherinneringen lees ik met een glimlach terug:
10 november 1959.
Mens, wat begrijpt gij toch weinig.
Hoe fout ziet ge alles toch in!
Wat zijt ge toch gauwlijk lichtvaardig.
Wat handelt gij toch naar Úw zin!
Gij zult er geen ander verstanden,
denkt gij slechts aan Uw eigen wil.
Later zult gij het ervaren,
het leven voor U wordt dan stil!
Geen vriend zal er U komen troosten,
geen woord zal er hartelijk zijn,
want eerst leefde gij voor Uzelf,
Uw hart was toen ook veel te klein!
Maar ach, als gij toch wilt begrijpen,
dat liefde zo veel, heel veel doet.
Gij zult U niet eenzaam dan voelen.
En alle mens doet U dan goed.
© 1959 Ine Verhoeven ’s-Hertogenbosch.
Ik merk dat ik ook tóén al graag woorden verzon. Zeer archaïsch. Maar de cadans is correct!
Wat het gedichtje inhoudelijk betreft: ik lees mijn hunkering terug naar begrip van hogerhand. Mijn oudere kring verstond de kunst mij niet te verstaan. O arme jeugd. En je bent eenmalig.
In alles dringt Gods goedheid door, in alles en alles. Maar wat vergt het veel van je om dit te leren te verstaan. Het kost je de tijd van je leven, en dan moet je nog maar afwachten of je het herkent. Maar voor deze morgen is goed gezorgd. Het leven reilt en zeilt kabbelend voort. Ik lig gerust voor anker, als een boot in de thuishaven. O wat een lyriek allemaal. Laus Deo!
Woensdag 7 september.
Soms kijkt de dag je aan in leegte. Soms voelt je ziel honderdvoudige verlatenheid. Soms ben je in diepe treurnis bij de mooiheid van een late zomerdag. En soms kwettert een kleine vogelpassant op je balkon je tot leven; of een late hommel zoemt langs je vermoeide hoofd en strijkt neer op je tuintafel, verdwaald van de rest.
De bloemen zijn op, uitgebloeid, afgedwarreld, met hun stammetjes snoeiklaar voor de winter. De lavendel oogt ontkleurd maar staat nog heldhaftig fier en de rozen hebben een voile van spint. Hoe indringend is de dag die heel het leven openbaart: ontwaken, voortdoen, beleven, rusten, slapen – en dan weer slaapdromend doorheen de nacht naar de volgende, nieuwe dag, een nieuwe tijd van opleven.
Er is geen ontkomen aan, de mens is gerelateerd aan zijn gemoed, er is altijd de reflecterende zielstoestand op wat hem overkomt. Liefdes lopen stuk, vriendschappen breken, lievelingen vergeten elkaar, families verstaan elkaar niet, dierbaren sterven. O, alles gaat voorbij in zijn vergankelijkheid. En misschien ligt de kracht van de herfst juist in de confrontatie met leven en dood, met komen en gaan, met verdwenen schoonheid, met gestorven leven; met het jaartij voorbij en met de nieuwe winter: het nieuwe wachten op de nieuwe tijd. O tijd!
Het mag vandaag een dag zijn van heiligende inkeer, waarop de mensenziel wordt bevrucht met de zegen die haar toevalt. Alles is ijdelheid, alles is leegte. En toch. En toch. Wat is het goed om ‘n mens te zijn.
12.00 uur. Ik schreef zojuist, in een kleine verdrietigheid gekoppeld aan wat ooit fout ging:
Kom lief, ik omhels je
Ik geef je een kus
Weet je bemind in je dagen
Waarom mensen elkaar niet verstaan.
Kom lief, ik begroet je
Ik geef je een hand
Wees niet beducht in je uren
Zie om je heen, je dag is gekleurd
Je hart laat je alles beleven.
Kom lief, ik versta je
We hebben de kans
Laten we samen ons best doen
Kijk niet meer om, vergeet wat er was
Dan kunnen we allebei doorgaan.
Kom lief, wil vergeven
Dan zijn we bevrijd
Van ballast en domme reden
Schep perspectief uit de goede wil
Van mensen die om elkaar geven.
© 2005 Ine C.Th.M. Verhoeven Nijmegen, 7 september.
Dit vergevingsgezinde werkje zal ik zondag na de communiezang lezen. Al had ik MENSEN eerder geprint in 20-voud, om ter bemoediging in de kapel neer te leggen. Ik zie wel.
Maandag 5 september.
Lienou en Birgje zijn niet gekomen, wel was er de passant van de zaterdagavond, die mijn mosselengast werd. We wandelden na de maaltijd door de nieuwbouwwijk en een rode kat, magertjes en miauwend, liep door de late avond de hele wandelgang met ons mee. Had hij honger? Dat was het confronterende slot van de zaterdag. Want wat doe je als dierenvriend?
Zondagmorgen was er vanuit Brussel een prachtige eucharistieviering op de televisie. De bisschop celebreerde, een aimabele mens met een inhoudelijk krachtige preek. Je merkt vaak aan de verkondiging hoe de priester zelf al of niet zijn geloof heeft doorworsteld. Monseigneur vertelde over ons als wordende mensen, over de wordende God, over de wordende wereld van God. Ik denk dat het helemaal waar is, dat we allemaal aan het goddelijk wordingsproces ons deel hebben, wordende naar gelukzalige voltooiing van alles;
samen groeiende naar de heelheid van de wereld, scheppende de gerechtigheid en de vrede.
Zondagmiddag was er de catharsis, het moment van de waarheid. In het lieflijke plaatsje Werkhoven was het gouden huwelijksfeest van Miets en Wim. Het is een goede gouden middag geworden, met een blij bruidspaar, met vrolijke mensen en met de hoogbejaarde Margarethe als eregast. Ik heb haar bij vertrek alvast mijn ode geschonken voor haar aanstaande verjaardag, en ze ontving daarbij nog een aan haar toegewijde mariale kaars uit Kevelaar.
Ze zag er snoezig uit, frêle en teer, en blij. Ze droeg kleine bloemen om haar hals, denkelijk ooit van Veronica gekregen. O mooie herinnering. Maar er waren ook de 2 zorgers van Margarethe, zij weken vastbesloten niet van haar zijde. Dat maakte het moeilijk om in het private bij haar te komen, vooral omdat deze twee mensen ten overstaan van mij niet flexibel zijn. Hoe kan het zover zijn gekomen? Maar ach, de intentie van de dag was voor het bruidspaar geslaagd, en zij ontvingen mijn ode Van Goud met vreugde: we hangen het boven ons bed. Dan denk ik maar: mensen verschillen van aard en karakter, van visie, van inzicht, van wijsheid, van levenservaring, van fatsoen en omgangsvormen, en van mensenkennis, ook. Als je al helemaal negatief bevooroordeeld op iemands persoonlijkheid was bij aanvang, dus bij de eerste ontmoeting, dan is het vaak geen goed garen met elkaar spinnen in de tijd die erop volgt. Je moet elkaar dan loslaten, niet op elkaars levenspad willen wandelen, maar slechts nog elkaars passanten zijn.
Toen ik de zaal verliet, was dat definitief. En public elkaar negeren, doet me te veel verdriet.
De nacht heb ik gerust doorstaan, maar vanochtend was er weer de herrie in mijn hoofd, die mijn gehoor verminkt. De dokter doet er tot nu toe laconiek over: druppelen. En zo ga je weer gehalveerd verder, gemankeerd door de dag heen en door je leven. Ach. De tijd zal het leren.
R. belde op, ze brengt donderdag haar hondje niet mee, want ze komt met de trein. Jammer hoor. Wel was ze geraakt door mijn septembergedicht in de Gerardusklok: Overal het gouden land. Ik ben er wijs mee, zei ze. Zo’n bemerking geeft je als de dichter ervan nieuwe moed.
De voorbeden voor zondag staan in het teken van de vergeving. Dít staat o.a. op de voorkant van het liturgieboekje van Werkgroep Heeswijk te lezen: De Grondwet van het Rijk van God is in één woord samen te vatten: vergeven. Tja. Het is in mijn dagen onderhand mijn lijfspreuk geworden: vergeven. Zonder vergeving is geen normaal leven mogelijk, want haat legt je lam, maakt je ziel stuk en je leven. En toch. Voor vergeven, vergiffenis, ben je met zijn tweeën, en soms met meer. Wat kun je doen als de ander weigert? Moeilijk hoor.
18.57 uur. Ik schreef alvast de voorbeden, vanmiddag. Ze worden in de zijlijn onder het aanklikpunt Liturgie geplaatst. Alles gaat dus over vergeving en liefhebben. Laus Deo! Moge het gebed de wereld helpen; en jou en mij, en hem en haar.
De avond is gevallen, de zon staat laag. Het is goed om de moed erin te houden. Bij alle vriendschap en bij alle vijandschap is het leven terdege nog de moeite waard. En naar morgenavond kan ik vrolijk uitzien, want pater Frans brengt dan verse aardbeitjes, heeft hij gezegd. Er is een zustertje dat hem ermee verwent, maar hij kan ze niet allemaal alleen op. Als dat geen troost is?
Zaterdagnacht 3 september.
In de nacht wordt het meest nagedacht, het diepst doorvorst. Daaruit ontstaan de dromen, denk ik. In de beginnende slaap borduur je verder op je laatste beelden, je maakt je denkwereld in zekere zin waar, je bent in het belevingsveld dat je hersenen voor je creëren.
Denken en dromen zijn een geheel. Je slaapleven is bijzonder, soms waarschuw je jezelf. Of je ziet in het perspectief van morgen, van wat er te gebeuren staat. Zo’n nacht van denken lijkt het nu te worden. Ik zal beschrijven, wat er in me leeft. Misschien slaap ik er straks goed op:
Het zijn heel wat private gedachten, denkbeelden, visies en zelfs hele filosofieën die een mens vanaf zijn jongste levensdagen te verwerken krijgt. Wat is het eigenlijk allemaal complex. Dat stel ik, omdat gedachten met emoties gepaard gaan, denkbeelden ook, visies ook en filosofieën eveneens. Alles in het leven is gelardeerd met emotie, gevoel, met voelen, aanvoelen, invoelen, navoelen, met beleven. Ja, ik beweer het gerust. Woorden bijvoorbeeld zijn meer dan woorden alleen: ze betekenen, ze noemen, ze vertellen, ze beweren, ze getuigen, ze vloeken, ze liegen, ze vleien, ze liefkozen, ze straffen, ze benauwen, ze troosten, en ga zo maar door. Woorden maken je, woorden breken je. Woorden scheppen zekerheid, woorden ontgoochelen. Je hebt woorden van fluweel en je hebt woorden van staal. En zo kun je een hele litanie maken over wat woorden met het menselijke gemoed (kunnen) doen. Oh emoties. Je moet de ratio altijd bij de hand hebben. Je moet je verstand onverkort de boventoon laten voeren. Je moet denken en doen samenvatten in wijsheid, en dan pas ernaar handelen.
Hoe ik nu op déze gedachten kwam, weet ik niet precies. Wel was er dat gedichtje uit 1971, ik schreef het toen op bij mijn overwegend angstige beleving der alledaagse dingen. Ik was geboren in een tijdperk van angst, ik was opgevoed in angst, ik was opgegroeid in angst; alles was onzekerheid en angst, zoveel angst vanuit mijn oer, vanuit mijn moeder vooral. De angst ging doorheen heel mijn jonge leven, de angst ging met me mee, mijn halve leven lang.
En toen schreef ik dus in mijn private boekje: De Dood Durven Dromen
Ik voer een strijd
en die is zwaar
al zeg ik het zelf,
maar het is waar
dat ik bang ben.
Wanneer ben ik moe gestreden?
Wanneer zal ik heel tevreden
kunnen denken: zo is het goed?
Wanneer zal die vrede komen?
Wanneer zal ik dúrven dromen
dat ook ik eens sterven moet?
Langzaam maar zeker groeit de mens, ook mentaal, naar zijn eindtijd toe. De meeste mensen leren de dingen te relativeren, uiteindelijk ook de dood. Maar als je opgroeit met de dood voor ogen, met telkens die dreiging van de fysieke dood, en vanuit de godsdienst met de verdoemende dreiging van de helledood, de straffendood, dan raak je als mensje, nog voor je aanvangt met je leven, gemankeerd. Dan is er iets onrechtmatigs met je gebeurd, iets lelijks dat nooit had mogen gebeuren. Je werd gekneed met andermans angst in plaats van opgevoed met blijdschap, met vreugde om je bestaan. Je bestond, maar zonder eerlijk perspectief, bij liefdeloze angst. En je was er in alle eenzaamheid. Er werd niet begrepen, nooit. En dan?
Ik denk dat er dan een mensenleven lang nodig is om alle opgelopen trauma’s te verwerken.
Ik denk tegelijkertijd dat er meer beschadigde dan gave mensen op de wereld te vinden zijn.
Ik denk vooral dat wij zeer de plicht hebben om onze kinderen, álle kinderen, gaaf groot te zullen brengen, puntgaaf naar lichaam en geest.
Kinderen moeten zich geliefd weten, gewenst zijn, gekoesterd worden.
Kinderen moeten opgroeien in een liefdevol beschermend milieu.
Ja, hoe kom je op al die gedachten?
Laat ik mezelf maar wijsmaken dat het de vrouwelijke levensfilosofie is, die opstaat in zo’n eenzame nacht. Intussen ben ik zelf al vele jaren elke ongezonde angst voorbij. Ik ben een vrij en bevrijd mens, a.h.w. redemptoristisch bemoedigd en gesetteld. Wij, kleine mensen, komen tenslotte toch uit bij de grote God. En mooier kan het niet zijn. Laus Deo!
10.43 uur. Goed uitgeslapen vanmorgen, net opgestaan, nog niet ontbeten. De dag oogt grauw, maar dat noem ik dichterlijk. Ik ga vandaag mijn huisje poetsen, het voelt zo goed als alles om je heen gekuist is. Dan raakt je ziel verheugd, dan weet je je straks weer heerlijk thuis in je eigen woning. Puf.
13.42 uur. Tussen de bedrijven door werd ik gebeld door R. Ik ga donderdag niet naar H. maar R. komt hierheen. Denkelijk brengt ze haar jonge hond mee, een langharige minitekkel. O goden, wat moet dat worden? Ik heb nog ergens een mooi mandje voor het beestje. Zou het een blaffertje zijn? Wat een idee, zeg, een tekkel in mijn huis.
14.18 uur. De binnenboel en de buitenboel zijn beide gedaan, en op mijn manier nog goed ook. Het zweet des aanschijns druipt overal van mijn huid, maar het voelt allemaal goed, en moe en uitgeput erbij. Ondanks alle lijfelijke krakkemikkigheid kom ik in mijn uppie nog een heel eind. O, het gaat goed met me. En buiten zie ik de zon doorkomen. Het wordt lichter en lichter. ‘n Mooie zaterdag is het, deze 3e september 2005.
14.40 uur. Vanavond komt de, bij ons nog onbekende, schrijver Lienou W.E. Besch dineren, een aristocratisch heerschap uit Berlijn, die in de bedevaarttrend vooral gerelateerd is aan de heilige Rosa de Lima. Hij heeft nog nooit mosselen gegeten. Zijn jeugdvriendin Birgje uit Lent komt ook. Zij vindt mosselen heerlijk. Alle ingrediënten voor een verrukkelijk mosseldineetje liggen in de koelkast te wachten tot het zover is; de witte wijn staat koud. Ben benieuwd naar Li’s mosselbevinding. Het wordt vast heel gezellig! Mijn kettinkje voor het servet ligt klaar, want knoeien op mijn kleren, ja daar heb ik tegenwoordig patent op.
17.00 uur. Alles is nu helemaal aan kant, ook de was is gedaan en hangt te drogen. Ik trek vanavond mijn donkerblauwe cupro pakje aan en draag mijn bloedkoralen snoertje erbij. Je moet jezelf en je leven met vrolijkheid bekleden. Alles is immers zo relatief. En dan die tijd hè, die tijd met zijn vele gezichten, maar vandaag oogt hij barmhartig. Laus Deo!
Vrijdag 2 september.
Sybil schreef me vandaag al vroeg per e-mail juichend over Lourdes. Het is goed dat ze daar is geweest, nu kunnen we die toverkollenpop, die ze me toen al even juichend stuurde vanuit Denemarken, vergeten: ze heeft er Maria tegenover geplaatst.
Voor Margarete’s 98ste verjaardag schreef ik vanochtend dit tekstje:
M.B.
Jij, lieve vrouw
van mooiheid gevormd
van vreugde getekend
van goedheid gekend
van onrecht ontdaan
van wijsheid volmaakt
Jij, moeder ten top
in de tijd van je dagen
heb jij je gegeven
als kostbare schoonheid
aan man, kind en mens
Jij, icoon ten leven.
Voor al je goedheid: bedankt!
Met je verjaardag: proficiat!
Ine Verhoeven
© Ine C.Th.M. Verhoeven Nijmegen, september 2005
En nu ga ik op pad, de dag is stralend, uitnodigend, zo van: mensen kom je huizen uit, het is in Gods goede natuur te doen, de winter wordt lang, zoek de zon op. Zoiets ja.
Donderdag 1 september.
De leraar wiskunde heette Havermans, ik zocht naarstig in mijn geheugen en wist het toen weer. Het is een hele collage in mijn gedachten, een collage van leraren en leraressen, van deftige nonnen nog in habijt, van al die leerlingen, de nabije en zij van veraf, allemaal in die tijd van toen.
Met frisse moed heb ik vanochtend O. thuis opgehaald, we gingen in Grave winkelen. We hebben voor O. schoenen uitgezocht. Een nauwgezette klus, vanwege zijn diabetes. Schoenen moeten hem passen, mogen nergens knellen of bij het inlopen schaafwondjes veroorzaken. Allemaal gevaarlijke kleinigheden voor suikerpatiënten, waar je bij de aankoop scherp op moet letten. Maar de klus is geklaard en in De Gouden Leeuw was het even heel prettig uitrusten bij een kop kippensoep en voor mij een tosti met ananas erachteraan.
Sybil heeft me een kaart uit Lourdes gestuurd: 26.08.2005. Lieve Ine, ondanks de gigantische hoeveelheid mensen is dit oord van genade indrukwekkend sacraal. Weet je gegroet en bemind en heb het goed, liefs Sybil. Ze schreef deze woorden op de achterkant van een postkaart met het Interieur de la Basilique du Rosaire.
Bij de post van vandaag lag de nieuwsbrief van mijn franciscaanse afdeling Fonte Colombo. Er staan enkele uitnodigingen in voor dit seizoen.
Op 1 oktober Franciscusfeest in de Waaier, met mis en inleiding, aanvang10.45 uur.
Op 3 december klein kapittel afdeling Fonte Colombo in de Waaier, aanvang10.45 uur.
Op 11 december kerstmaaltijd in de Waaier, van16.00 – 21.00 uur.
Er worden bijeenkomsten gehouden op 7 september en 9 november, genaamd ‘vormingspanorama’. De inleider is de bejaarde franciscaan Frans Teepe, een vroom en wettisch man, ergens sikkeneurig ook nog, en oubollig georiënteerd, zonder eigentijds catechese-inzicht. Toch jammer.
De jaarbijdrage voor Fonte Colombo Hilversum is € 35, --. Aftrekbaar, o.i.d. staat erbij vermeld. Het is goed dit bericht hier gemakshalve ter inzage vast te leggen. Kijk, er staat een gebedje boven de tekst in de brief:
Heer God, wij kunnen u niet zien en toch bidden wij tot u.
Omdat wij uw goedheid herkennen in de dienstbaarheid en eenvoud van medemensen:
in de grootsheid van de natuur en het spel van licht en donker. Auteur onbekend.
De brief werd getekend met naam en toenaam der minister, en met Vrede en alle goeds.
Het is vandaag een mooie eerste septemberdag. Zwoel en ook weer niet, soms waait de wind er stevig doorheen. Ik ben wel nog erg moe. Maar de cadeautjes voor de gouden feestelingen van september 2005, in Heerlen en in Werkhoven, zijn klaar; ik hoef deze alleen nog maar mooi in te pakken, feestelijk met een strikje.
Ik zag een hond met ogen van een schoonheid die menige vrouw of man zou willen bezitten. Het beest was een bruine labrador, een slungel, maar die ogen zijn onvergetelijk mooi. Een wonderproduct van de heilige natuur.
Er is niet veel opwekkends aan deze opsomming der dingetjes, het is eerder vervelend en saai, ook om na te lezen. Maar ach, een dagboek is niet steeds een verslag van je innerlijkheid, en dat hoeft ook niet. Het leven is van alles wat, nooit eenduidig, nooit eentonig, nooit te verabsoluteren ook, behalve bij de dood. Nee. We kunnen niet stellen dat onze God destijds een saaie schepper is geweest.
22.04 uur. Telkens wil ik de kinderen opbellen en dan vergeet ik het weer. Ik keek naar Katja Schuurmans en Hans Dorrestijn in het programma van Rik Felderhof. Het was een meesterlijke uitzending, met 2 heel bijzondere mensen prima door Rik geïnterviewd. Katja is tot een wijze vrouw aan het ontwikkelen, bedenk ik. Het doet me erg goed als ik haar de dingen zo hoor vertellen, vooral haar blijdschap om haar moeder, de liefde die ze erbij uitstraalt, magnifiek! En Hans is een typische mens, gehavend van vroeger uit en daarmee zo’n man met veel levenservaring, die hem heeft gevormd tot wie en wat hij is geworden: herkenbaar en soms niet, maar wel een geest van grote satirische waarde; het geheim is de klucht om het ernstige, om de treurigheid des levens, die veel mensen tot troost is. Je lacht met je ellende je ellende weg.
Ik heb vanavond een tablet chocolade in een keer opgesnoept. Ik had er zo’n zin in. Nou ja.
Schrijver, dichter, zanger Dorrestijn zei over armoede ondergaan als kind zijnde zoiets van: je wordt er alleen maar rijker van als je als kind in armoede bent opgegroeid. Niet de armoede van het voedseltekort, maar de armoede van het gebrek aan materiele rijkdom, dat maakt een kind vindingrijk en fantasievol, leert hem mooie dingen te maken, mooie dingen neer te zetten, precies zoals ze zouden moeten zijn.
Ja, zoiets dan, ik heb het wel erg vrij vertaald, heb mijn eigen draai eraan gegeven, maar in die geest bedoelde hij het wel. Ik vond het herkenbaar en erg goed gesteld. Toen ik een tijdje geleden in K. was met mijn jongste kleinzoon mocht hij iets van me uitkiezen, iets moois of leuks wat hij graag wilde hebben, het gaf niet wat het was, en naar de prijs zou ik niet kijken. Wat deed hij nou? Tot mijn blije verbazing ging hij in zijn uppie een saaie winkel binnen, een drogisterij o.i.d., en koos daar 1 piepklein blauw voetballetje in cellofaan uit, dat ergens in een van de grabbelbakken lag, een niemendalletje voor 70 of 90 eurocent. Van de weeromstuit mocht hij er van mij nog een paar gaan kopen. Bij de middagthee in de lunchroom heeft hij zich er kostelijk mee geamuseerd. Hij was er gewoon blij mee en hoefde verder: ‘nee, echt niks meer, oma, dit is leuk! Dank u wel. Ik heb een goede oma!’
Kijk aan, wat wil je dan nog meer? Mijn ziel glom, en mijn hart had hem zeer lief, nog meer dan altijd al. En Dorrestijn met zijn schraalhanstheorie had dus groot gelijk. Mooi is dat.
23.52 uur. En vannacht wil ik dansen, dansen op de muziek van de grootste musici der aarde. Ik heb wijn gedronken, robijnrode wijn uit Italië, zo’n verleidelijke chianti, die proeft als de heilige ambrozijn van de engelen. 1 simpel glaasje, ik heb het niet eens leeggedronken, en ik sta op mijn kop. Rode koontjes en warmte van mijn bloed. Alles in mijn eentje. Nou moe. Goedenacht en welterusten. Morgen zal het wel over zijn.
00.12 uur. Ja, dat is wat.
Een grootmoe danst in de nacht van haar bestaan.
De engelen laten haar fronsend begaan.
Ze danst in het licht van de halfvolle maan.
Ze heeft haar witte nachtpon aangedaan.
En al is ze te oud om uit dansen te gaan:
Ze feest met haar ziel, in het land van de maan.
Kijk nou wat Chianti met haar heeft gedaan!
Daar komt zo een katertje al loerend aan.
Morgen zal hij vroeg op haar stoepje staan.
Dan is het met grootmoe’s verlangen gedaan.
Nou ja. Het mag wel eens een béétje feest zijn in mijn bescheiden woninkje.
Woensdag 31 augustus.
Vandaag huilerig gestemd. Ik kan het niet duiden. Gisteren had ik een telefoongesprek met een ex-schoonzus. Denkelijk komt het door dat gesprek, de herinnering is blijkbaar nogal indringend voor een mensenziel, zeker als er liefde mee gepaard gaat, liefde die teloorging. Je wordt aangeslagen a.h.w. door de emotionele rekening, door de nota die altijd blijft liggen, nooit kan worden voldaan, doordat je een mens van gevoel en welwillendheid bent. Als je, als ex-echtelieden, samen niet in het reine bent vooral vanwege slechte invloeden van buitenaf, die hun kwalijke macht hebben aangewend om de relatie in alles ten diepste te verstoren, dan moet er een heel groot wonder gebeuren, wil er nog ergens iets voor jou, die het goede blijft zoeken, te redden zijn. Enfin.
S. is denkelijk weer thuis uit Lourdes. Ze heeft me in een sms’je laten weten dat het gedicht Maria mijn door haar is voorgelezen bij de grot. Daar zal het passend geklonken hebben, denk ik, vanwege de relationele bedevaart.
En nog steeds ben ik huilerig. Het is prachtig nazomerweer. De zon schijnt. De hele atmosfeer rondom is zacht en verfijnd geaard, ze wakkert je dichterlijkheid aan. Tussen de bomen van het kleine bos achter het flatgebouw hangt teer de nevel. O laatste dag van augustus, ik heb je lief. O herinnering die me nooit verlaat, ik zie het kind terug dat verheugd uitkeek naar de eerste schooldag in september. Zo lang geleden alweer. Toen zo jong, nu zo oud. Maar mooi, zo mooi is de herinnering. En je kindschap verlaat je niet, het zit in je, het blijft.
O ja, voor ik het vergeet: ik schreef in april 2001 een satirische tekst op die ene moeizame vriendschap, waar ik nog altijd geen goede raad mee weet. Ik leg hem hier vast, ook al omdat het jammer zou zijn als hij verloren gaat.
OLD GIRLGUIDE
Ze had in haar verlangen
een gekje gemaakt, van mij.
Ze rolde me in een rolstoel
door de straten van de stad.
Ze reed me in haar auto rond
tot vóór de kerkhofpoort.
Ze zette me in de schommelstoel
in de zon op mijn balkon.
En ze waste me, ze waste me,
ze waste heel mijn vege lijf.
Ze waste en ze plaste me en
ze kuste mijn koontjes nat.
En zo hing ze me op, hing ze me op.
Ze had in haar verlangen
haar stek veroverd, bij mij.
Ze kookte in mijn keukentje
2 bordjes linzensoep met kip.
Ze trok de laatjes open en
de deurtjes van de meidenkast.
Ze telde alle lepeltjes na
en dutte op mijn canapé.
En ze waste me, ze waste me,
ze waste heel mijn vege lijf.
Ze waste en ze plaste me en
ze kuste mijn mondje nat.
En zo at ze me op, at ze me op.
© 2001 Ine Verhoeven
Deze hele tekst is natuurlijk volkomen figuurlijk dan wel fictief neergezet. Hij verwoordt mijn grote angst om door wie dan ook te worden geclaimd. Hij beeldt mijn warsheid uit, mijn grote tegenzin voor elke vriendschap die me te nabij is. Zo schept een mens zijn eigen therapeutische verweer. Zo gaat een mens visionair door zijn angsten heen, ook wel regressief genoemd. Al geloof ik niet in het idee van ‘schrijf het maar van je af’, want dat bestaat niet. De dingen van het leven, en juist de benauwde, moeten worden doorleefd, doorvoeld, doorschouwd, gekuist, anders komt er in je diepste ziel geen enkele oplossing. Nee, het leven is niet eenvoudig.
10.33 uur. En nu ga ik cappuccino drinken, in het zonnetje op mijn veelbesproken balkonnetje. De nacht was rustig, ik heb, gelukkig, kunnen slapen. O wat was ik gisteren moe. Maar nieuwe dag, nieuwe hoop, nieuw leven. Laus Deo!
Dinsdag 30 augustus.
De tijd vliegt bijna vegend de markante nuances van het leven af, als je niet oppast tenminste. Mijn kleinzoon van 12 is vandaag op de middelbare school aan zijn nieuwe tijdperk begonnen. Ik had hem zielsgraag nagewuifd, met een bezegelende kus ten goede voor hem, maar daar is hij alweer veel te groot voor, denk ik. Of niet. Toch ga je als grootmoeder in gedachten met hem mee, tegelijk je eigen middelbare schooltijd bepeinzend, want aan de herinnering ontkom je niet. En dat hoeft ook niet. Hoe heetten ze ook al weer, die leraren? Leraar Frans was Frankeveille, hoe scheef je dat, leraar geschiedenis was Breukers, leraar aardrijkskunde was Van den Broek, lerares Engels was mère Rafaël, leraar meetkunde en algebra was … o ik weet het niet meer, maar ik zie hem wél voor me, leraar Nederlands was Jacobs, leraar bijbelse geschiedenis was … zo een zwarte pater uit Boxtel, vanuit klooster Stapelen, maar ook zíjn naam is weg, leraar godsdienst was Brouwers, de sportlerares is me nu ook naamloos geworden, de tekenleraar eveneens, en verder stop ik met dit terugzoeken, want het confronteert me te veel met mijn slechte geheugen. Oef. Maar nog dit: later in de tijd kwam er nog Casimir bij, de jonge pater die Duits gaf. Hilarische herinnering aan hem. Ik beschrijf het allemaal nog wel, maar niet vandaag. En de zangpedagoge uit Den Bosch had een Duitse naam, juffrouw Wartemberg! Mooie liederen heb ik van haar geleerd, in vele schone talen. Het schriftje is er nog. O ja, L’abeille et papillon van Henri Salvador werd een favoriet lied van me, en och, door de tijd heen kregen we nog veel meer aan schoon gezang te leren, veelal teksten voor de rijpere jeugd, zoals bijvoorbeeld Auprès de ma blonde. Dat was een pikant chansonnetje in die jaren, maar het werd onverkort door de onbevangen leerlingen, tekstueel vooralsnog onbegrepen, van harte meegezongen. In de loop der jaren kwamen er wél andere leraren en leraressen, want men trouwde of verkaste naar een andere school. Maar dezen hierboven waren de allereerste middelbare pedagogen op mijn levenspad, alweer zo lang geleden.
Maandag 29 augustus.
Het was gisteren een dag vooral van genade en goedheid. De eucharistieviering was druk bezocht, er waren in de kapel ook veel zieken in bedden en rolstoelen. Het was een sereen uur, met goede zang en een ingetogen preek waar je iets mee kunt, zo ook met heiligende gebeden. Na de communiezang las ik: Zomaar van die tederheid
In de tedere ontmoeting komt
ongezien een kleine mooiheid
los, en boven; zomaar van die
tederheid op een gewone dag
Ze heeft op de bodem van de ziel
klaarwakker liggen wachten
totdat ze opgeroepen werd
door niemand minder dan God zelf
Want het leven, het lieve leven wil
wel opstaan na de nacht; en doorgaan
en zijn, omdat hij is van God
Overal waar mensen lachen en
huilen en delen en goed zijn
en vrede hebben met elkaar,
in vreedzaamheid wel willen
met elkaar, daar is de kleine
mooiheid - en God
Overal leeft De God, leeft
óp De God, telkens weer; na
van die nachten, van die tijden
met liefdeloos in angstigheid
Wie kent het niet?
In de tedere ontmoeting komt
ongezien een kleine liefde
los, en boven; zomaar van Gods
tederheid op een gewone dag
© Ine Verhoeven 2003 in: Van mensen onderweg – met Geloof, Hoop en Vrede. ISBN 90-76576-15-7.
De zusters zijn nu echt uit klooster en ziekenhuis vertrokken. Een lege gewaarwording was dat, toen ik door de lange gang langs de ontruimde vleugel liep. Corrie van G. is als kosteres in de plaats van zuster Odette gekomen. O ja, een vertrouwd en nostalgisch beeld is met hun vertrek voorbijgegaan, dat tedere beeld van de Bossche zusters in habijt. Maar Corrie vervult haar kostertaak met vreugde en met zorg. Zo is het ook goed.
9.26 uur. Ik realiseerde me vanochtend sterk hoezeer boze tongen en lege geesten me tijdens mijn kostbare levensdagen als mens en vrouw hebben vernederd, en dat nog altijd doen. De dromen over de opgestane doden verwezen m.i. naar hun ware betekenis in mijn leven; ik ben haar nagegaan en zag dat ik hun wijsheden niet moet vergeten. Zij waren me dierbaar, allemaal, en hebben op hun wijze iets ten goede betekend. De doden hebben niets te vereffenen, maar zij die nog leven, mogen hun ‘ziel’ nog redden; zij hebben de christelijk humanitaire taak tot verschoning, oprechte verbroedering en ware verzoening; er ligt nog de kans om hun vuilbekkerij over anderen én hun onverkort toegepaste lijdenstechnieken in ieder geval met hun oprechte spijtbetuigingen alsnog teniet te doen. Maar zo’n houding is weinigen gegeven.
Wat kan een materieel inhalige mens hoog klimmen in zijn waanwijsheid en hoogmoed, wat kan hij in zijn verwendheid om nóg meer dan alles te kunnen bekomen, veel kapotmaken in het leven van anderen. Ik huiver van de zelfingenomen alternatieveling die Gods plaats op aarde heeft verdrongen, vaak onder het mom van diepe gelovigheid en christen zijn. Vroeger waren mensen zoals zij de verwerpelijke tovenaars, die met volksverlakkerij, met klinkklaar volksbedrog, hun geld verdienden, vooral door hun alternatieve nepmedicijnen en valse bezweringen aan te prijzen als de beterende waarheid. Tegenwoordig heten ze alternatieve geneesheer, of orthomoleculair raadgever of homeopathisch arts, of gediplomeerd magnetiseur, voetzooldeskundige en/of iriscopist e.d. Die handel doet het wel bij de wanhopige zoekers onder ons. Kijk eens naar de trieste afloop van het leven van Silvia Millecam. Hoe groot was het aandeel aan Silvia’s overlijden door Jomanda’s bevindingen en de foute stellingen van nog andere alternatieve snuiters? Het is een griezelige ontwikkeling, de tovenarij, niet alleen in ons land maar overal ter wereld. Mensenlief, blijf trouw aan jezelf, laat je niet klein maken door de bezweringen van bedrieglijke tovenaars, maar doorzie hun mooie praatjes, hun goed ogende uiterlijk en hun, soms, geïntoneerd overtuigende stem. Het is theater, het is act, het is spel en anders niet. Geen alternatieve man of vrouw kan jou ‘redden’, hoe dan ook. Nergens valt er bewijs van genezing te vinden vanuit hun optreden. Het leven overkomt je, je hebt het te doen, te beleven zoals het jou toevalt. Er bestaan geen alternatieve medicinale tovermiddelen, het is terdege wetenschappelijk bewezen. Zo zijn veelal de producten van bijvoorbeeld dokter Vogel slechts flesjes en potjes vol druppels essence, aangelengd met alcohol, zoals aardnotenolie e.d. Ik wist dat al lang geleden. Mijn apotheker besprak toen - in de jaren ’80 - met mij zijn laboratorisch onderzochte alternatieve handel. Hij legde daarbij de waardeloze samenstelling van de drankjes en de zalfjes enzovoort uit. Nu las ik enkele dagen geleden in de krant een artikel met precies zo’n zelfde verklaring; dat is goed, want de te vele lichtgelovige mensen moeten eerlijkheidshalve eindelijk eens gewaarschuwd zijn voor het alternatieve niks. Wat ik wél volledig wil onderstrepen is het wezenlijke belang van de juiste voeding op het juiste moment, voor zieken en gezonden! Artsen die de waarden van de voeding ten leven onderzoeken, mogen door ons allen mentaal en financieel rijkelijk worden gesteund.
11.15 uur. Er vliegt een libel langs mijn balkonnetje. Het lijkt wel het jaar van de libel. Ik zag ze nooit eerder, tenminste niet in deze getale. En niet van zo dichtbij, bedoel ik. De zon is rustig warm, heel makkelijk voelbaar, niet heet. Ik ga eruit, lichaam en ziel verpozen in Gods lieve natuur. Nu nog een mooi plekje uitzoeken om er in gerustheid te mediteren. De dag is goed begonnen. Laus Deo!
De bloemen van Sybil staan nog steeds, maar straks doe ik ze weg, ze hebben hun bloei nu helemaal verloren. Telkens zie ik de grot van Lourdes voor me, met hoog erin het oude Mariabeeld geplaatst. O, al die duizenden mensen wier handen strelend langs de rotssteen gaan, dag in dag uit, een grote magie, vind ik het, en heel bijzonder! Ik denk dat het voor S. een goede tijd zal zijn. Ja, dat denk ik.
15.45 uur. Op het grote terras van De Wolfsberg dronk ik thee. Het was er een en al rustieke ontspanning in Gods schone natuur. Op de aflopende weide graasden de protestante koeien* af en aan. Het lijkt er een beetje op het Limburgse Heijenrath: overal heuvelachtig met grazend vee tegen de hellingen, en in de verte de kerktoren, hier dus die van Groesbeek. De wind was mild en de zon vriendelijk. De bomen ruisten en de geuren van bos en weidegrond mengden zich haast zinnenprikkelend. O heerlijke nazomertijd. Vermoeid maar dankbaar ben ik thuisgekomen. Laus Deo!
Voetnootje *: de protestante koeien zijn de zwarte koeien met hier en daar wit, of andersom. Hoe kom ik erbij? Mijn neef Jan vertelde laatst over 2 grote boeren in Berlicum, allebei uit zijn jonge jaren. De katholieke boer had roodbont vee, de protestante boer had zwart vee. In zijn logica nam de kleine Jan het op als rechtstreekse wetenschap: de rode koeien zijn katholiek, de zwarte zijn protestant. Ik vind het dermate kostelijk dat ik zijn idee over de gelovig gekleurde koeien graag voortzet, met het copyrighttekentje © Jan Lansman erbij. Subliem toch, zo’n denkbeeld?
Zaterdag 27 augustus.
Soms kun je niet in slaap komen van vermoeienis. Of je hebt te veel gedachten in je hoofd. Klaarwakker ben je. Wat doe je ermee? Vannacht is het me overkomen. Ik ben maar uit bed gegaan en maakte een boodschappenlijstje voor http://www.albert.nl/, ook een methode om je slaap op te wekken. Het lijstje staat klaar en ik kruip weer in mijn bedje. Het is een genot te beseffen dat ik met mijn zere lijf geen wekelijkse boodschappen meer hoef te doen. Goed geregeld hoor.
O, dit wil ik nog vastleggen: S. is momenteel met haar moeder ter bedevaart in Lourdes. Het zal er goed en heilzaam zijn. Het is vroeger donker nu, einde augustus, dan is de sfeer van de lichtprocessie in de avond nog mooier, nog ingetogener. Ja, het is voor de mensen een heilig verhaal, daar op die oude mariale esplanade.
Schril contrast biedt Den Bosch, daar is het deze week kermis.
En voor hier en nu: goedenacht juffrouw. En dat doet weer denken aan Vasalis’ gedicht met de regel ‘nog geen brief juffrouw’. O, zo blijf je aan de gang! Welterusten!
10.47 uur. Nathalie’s schoonheid boeit me en ook Patricks uitstraling fascineert. Ik vroeg me af wat de reden van al die mooiheid zou kunnen zijn. Ze hebben iets sereens, iets oud Keltisch, geloof ik. En ze hangen de rechtvaardigheid aan, ze koesteren al het goede voor mensen onderling. Heel mooi om te constateren is het hoe ze innerlijk en uiterlijk bij elkaar passen. Toen ik hen gisteren nakeek, alledrie, zag ik een heerlijke eenheid. Prachtig!
De was moet worden opgehaald, de slaap zit nog in me, de griep is nog niet weg, ik dub over de liturgische tekst voor na de communie morgen, ik wil mijn dochter weer eens zien; en de kleinkinderen groeien hard en snel, hoe zullen ze het maken? Ik mis ze, zo ook hun ouders. Had ik hun als iets gestuurd voor de Bossche kermis? O leven, wat is het goed als je er voor elkaar mag zijn. Zo mag ik de dag gerust al prijzen nog voordat hij begon. Laus Deo!
Vrijdag 26 augustus.
Mijn gemoed is moe. Traag ben ik in alles. De kinderen van mijn broer komen en ik ben uitgeblust. Maar ik weet dat mijn neef altijd heel vrolijk is, hij zal me opmonteren, beslist, en zijn lieve vrouw en de kleine jongen gaan dat ook doen. Ze zijn zulke lieverds.
Ik droom ’s nachts erg veel en vaak over allemaal dode mensen, die dan weer helemaal ongestorven levend zijn. Heel reëel zijn ze aanwezig, ook redenerend zoals ze dat altijd deden en ogend in levenden lijve zoals destijds ze echt waren. Brrr. Wat is dat vermoeiend.
20.58 uur. En de kleine jongen kwam vanmorgen parmantig binnengestapt, ik keek mijn ogen uit. Die kleine zelfstandigheid in zo’n beginnend peutertje maakt je vertederd. Hij is om op te vreten, zo’n schattig manneke met herkenbare pit en grappige karaktertrekjes. Memorabele feitjes: Quinten lust geen melk; hij staat met zijn handjes op zijn rugje als een grote meneer en kijkt toe; hij eet zijn stukjes banaan op met een vorkje; hij geeft zijn tut niet af en gaat op onderzoek uit, struinend met zijn kleine beentjes door het huis, op de slaapkamer lichtje aan, lichtje uit; bij het antieke familiale theetafeltje roept hij ’mooi’ in bis, en wijst naar de prullaria van de herinnering; hij lacht en kijkt rond, doet ingetogen mee aan papa’s kiekeboe, intussen observerend dat wat de grote mens ontgaat. Ik heb overal van genoten. En toen gingen ze naar huis. Maar de kleine olijkerd deed eerst nog spookje met zijn vader, of andersom. Zijn vader kwam traag sluipend naderbij, met grote ogen en grijphanden … oeoeoeoe … het hoogtepunt was de schrikschok en de lach die erop volgde, o grote pret! Zijn mama nam hem veilig in bescherming alsof het allemaal echt was. Zijn mama is een schat. Quinten droeg sokjes uit Zweden, met elandjes erop, en van zijn schoentjes wist hij te vertellen dat ze in Stockholm waren gekocht. Bijna aangekleed voor de thuisreis wees hij naar het schilderij dat van zijn opa was geweest: dit, dit, dit. ??? Ja hoor, echt waar, hij herkende het. Toen wees hij naar het raam en zei: draaien, draaien! Daar achter de hoge groene bomen zwaaiden beurtelings de toppen van de 4 molenwieken, nauwelijks waarneembaar vanwege de dichte bebossing. Kleine observant. Prachtig! Het was een heerlijk bezoek. Dank je wel.
23.25 uur. De dag is goed geweest. Veel is er gebeurd waar ik dankbaar voor ben. Mijn bed lacht me toe, ik ben nog niet beter van de kleine grieperigheid, of wat het is. Slapen, slapen, slapen, het is soms het beste geneesmiddel. Nu nog de indringende dromen getrotseerd. Mijn gebed is de lach van de kleine Quinten vandaag. Moge Gods goedheid en ontferming voor alle kinderen van onze wereld bestaan. Amen.
Donderdag 25 augustus.
Vanmorgen heb ik de voorbede(n) geschreven, bij het evangelie van Matteüs 16,21-27. Ik plaats ze bij aanklikpunt Liturgie dat in de zijlijn van de frontpagina staat. Wie ze gebruiken kan, mag dat doen, mits met bronvermelding.
Ik ben grieperig met verhoging, heb kou gevat o.i.d. Morgen komen Patrick en Nathalie met de kleine Quinten, dan moet ik wel weer fit zijn hoor.
Binnenkort komt er gras op mijn balkonnetje. Ben benieuwd naar het effect. Een bokje of schaapje hoef ik niet aan te schaffen om het gras kort te houden, want het veldje komt van de tapijtenfabrikant. Ja, je doet er kunstgrepen voor om je aardse paradijsje ten volle te bekomen. Mijn balkon is een meditatief plekje, daar bid je ingetogener dan in de huiskamer. Het lijkt me mooi als de grijze stenen vloer bedekt zal zijn, eerbiediger ook voor mijn gasten.
Er zijn vele mooie commentaren binnengekomen op de kleine beschouwing van p. Frans over ‘Gaza’. Op 1 na hebben alle reacties de situatie in het huidige Israël bijbels herkend. Mooi is dat: samen de wereld beschouwen, samen nadenken, samen uitdelen, samen ervaren, samen opbouwen – waar dat laatste vooral tenminste nog mogelijk is voor ons, kleine christenmensen.
De lucht is momenteel zwaar en grauw. De mensen doen naarstig voort. Auto’s rijden af en aan, fietsers glijden neerwaarts of klimmen opwaarts, richting kruispunt Graafseweg. De buitenwereld lijkt soms op een onophoudelijke kermis. Overal is de beweging gaande, compleet met lichtjes rood, geel en wit; in de verte flikkert de hogere neon, blauw, rood en oranje. Ragmuziek dendert uit de auto’s met de open raampjes, bij de nieuwbouw dreunen drie machines gelijk op met oorverdovende radioherrie: je hoort het, maar de klanken zijn niet te onderscheiden. Kermis, ja, het is er de tijd ook voor.
Woensdag 24 augustus.
En toch zal de liefde zegevieren. Alleen de liefde. Ik houd eraan vast dat enkel de liefde altijd en overal het laatste woord zal hebben, hoe de geschiedenis van mensen zich ook openbaart. Liefde bouwt op. Doet verder gaan. Haat breekt af. Blokkeert de mens. O ja, dit blijft mijn stelling: De liefde draagt een ruime jas. Daar kan de hele wereld iets goeds mee doen, laat staan de kleine particulier.
Voor een dierbaar gouden echtpaar in Werkhoven heb ik gisteren een kleine ode geschreven, maar ik blijf steken bij het 3de couplet. Nog eens proberen.
Waar mensen samendoen na vijftig gouden jaren
Daar is de toekomst nog, van oogst en lievigheid
Daar wacht de herfst van God naar gouden eeuwigheid.
Het is die derde regel, die doet het niet, maar ik laat het maar even staan, misschien komt er nog betere inspiratie bij me binnen. Die regel is wat moeizaam vanwege het verplichte aantal lettergrepen. Ik zet het hele gedicht hier maar neer, gemakshalve.
VAN GOUD
Waar mensen samengaan in vijftig gouden jaren
Daar is geschiedenis van vreugde en verdriet
Daar is herinnering aan heerlijke momenten
Daar is het weten van: het leven spaart je niet.
Waar mensen samen in hun gouden dagen komen
Daar zijn ze samen aan elkaar gewaagd geraakt
Daar wonen alle tere dingen van het leven
Daar heeft de loutering elkaar van goud gemaakt.
Waar mensen samendoen na vijftig gouden jaren
Daar is de toekomst nog van oogst en lievigheid
Daar mag de rijpheid van de tijd hun hart bekoren
Daar wacht de herfst van God, naar gouden eeuwigheid.
Waar mensen samen met hun vrienden minzaam vieren
Dat zij al vijftig gouden jaren samenzijn
Dat zij al vijftig gouden jaren lief en leed doen
Dat zij al vijftig gouden jaren minnaars zijn
Daar mogen loftrompet en gouden odes klinken
Daar mogen vreugdetranen vloeien – gouden lach
Daar mogen woorden van geluk en gouden wensen
Gouden momenten scheppen, elke nieuwe dag.
© 2005 Ine Verhoeven
Ja kijk, nu heb ik de 3e strofe toch weer anders ingevuld, maar dit mag het van me worden. Ik bleef hangen op het rijmeffect, dat daar niet nodig is. Nu is het goed.
10.22 uur. De zon schijnt vanmorgen volop. Mijn balkonnetje moet worden gefatsoeneerd. De vogels van juni heb ik niet meer teruggezien. Ik denk dat het toen hun broedtijd was. O, wat waren ze hongerig!
Vandaag wil ik de voorbede voor de zondagsviering schrijven. Het thema is nogal confronterend: Jezus wijst Petrus terecht en zegt: ‘Ga weg, satan, terug! Gij zijt mij een aanstoot, want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.’ (Matteüs 16,21-27.) Als je alleen nog maar dit stukje uit het evangelie serieus bestudeert, heb je al genoeg te doen. We kunnen als mens slechts menselijkerwijze op de dingen reageren. Maar het gaat om het afzien, om het pure mens worden. Het is de puurheid, de echtheid die je naar God kan brengen, anders niet. Want zijn je wezen en je visie vertroebeld, dan is God onvindbaar. Dat denk ik tenminste.
11.40 uur. Twee meisjes schommelen op de speelplaats van de school, drie jongetjes skelteren er rond; twee oude hanen overschreeuwen elkaar in de verte: kukeleku en nogmaals; ergens proest en niest een man verkouden; de bomen deinen en mijn balkonnetje is mijn heilige rustparadijs. In deze kleine wereld is de vrede van God levend. Gelukkig de mens die het beleeft.
12.03 uur. Met p. Frans wil ik vanmiddag naar boekhandel Berne gaan, in Heeswijk. We blijven boekenwurmen, die graag de betere teksten van onze wijze mannen en vrouwen lezen. En na de oogoperaties en met zijn nieuwe bril leest p. Frans weer met groot plezier. Reden tot dankbaarheid, ook voor mij.
Het vooruitzicht van mijn lectorschap in de zondagse eucharistieviering van het GZG is, zoals altijd, verheugend.
In Kevelaar heb ik met velen eergisteren in de specifieke bidkapel gebeden. Bidden is goed. Bidden is mooi. Bidden verheft je hart en je ziel wordt er beter van. Laus Deo!
In het gastenboek van de website heeft gisteren mijn franciscaanse broeder Leonardo, schrijver en sacrale wetenschapper, een woordje geschreven en nog meer van zulke lieve mensen hebben zich er liefdevol gemeld. Het is me een hoge genade, deze reacties! Dank jullie wel!
Dinsdag 23 augustus 2005.
1.30 uur. Bij alles en alles zal ik liefhebben. Ook als de atmosfeer geladen is of als de wrevel opduikt. De liefde zal steeds het negativisme overwinnen. Daar vertrouw ik maar op. Want het is weer zover. Mijn broer is boos. En ik nu ook. Ik heb niet bedoeld hem boos te maken. Maar hij voelt zich zo gemakkelijk van de troon gestoten, mijn keizerlijke broer. Ik wil niemand tekortdoen. Maar ik wil ook mezelf niet verloochenen. Hij is boos over mijn visie op de alternatieve wereld en op hem. Maar ik kan en mag van mezelf alleen schrijven en verkondigen wat ik als waarheid ervaar. Bovendien mag ik aan mijn dagboek toevertrouwen wat ik belangrijk acht. Maar ja. Mensen zijn karaktergebonden en derhalve vaak niet gelijk gestemd. Ik zal proberen het incident met mijn broer te overzien, positief te verklaren voor ons beiden. Al heeft natuurlijk de woede haar werk al gedaan. Een mens kan zoveel goede voornemens hebben als hij wil, het leven gaat inhoudelijk toch zoals het gaat, niet anders.
Hij kan zich instellen op de beste dingen die hij bijvoorbeeld vandaag wil waarmaken, maar hij heeft de kwaliteit van het verloop der dingen niet altijd zelf in de hand. Hij is gewoon afhankelijk van duizend en een onverhoedse incidenten die de uitvoering kunnen blokkeren, en die hij niet had (kunnen) voorzien, gewoon omdat het leven op zichzelf zeer levendig is, en daarmee dus veranderlijk.
Zo droom ik al mijn leven lang van een lieve wereld vol van vrede, heelheid en gerechtigheid, en wie doet dat niet? Het hoeft geen betoog dat die wereld er niet is, nooit bestaan heeft en er ook nooit zal komen. We kunnen slechts de wereld in onze omgeving leefbaar en vriendelijk maken, maar echt een grote vrede scheppen, dat wordt toch een heel ander chapiter. Kijk, hier begint het al mee: de karakters van mensen zijn allemaal verschillend en al zeker niet altijd op elkaar afgestemd. Dat is een heel normaal gegeven. Als mentale ruggensteun zie je dat bevestigd in het enneagram, of weet je dat vanuit de astrologie. Maar of de gnosis de feiten nou bewijst óf het nuchtere leven doet dat: karakters kunnen samengaan, karakters kunnen botsen. Ten overvloede: in een gezin bijvoorbeeld van 10 kinderen zijn die 10 kinderen allemaal verschillend. Daarbij zie je het wel gebeuren dat bepaalde karakters prettig samenvallen, maar ook dat ze elkaar onheuselijk afstoten, of kwalijk genoeg uit de weg gaan. Wat nu te doen ten goede? Ik peins diep hierover naar een correct antwoord toe. En dat antwoord luidt momenteel in eenvoudige taal: aanvaarden, gewoon aanvaarden, alles aanvaarden. Je kunt geen liefde afdwingen. Je kunt geen ijzer met handen breken. Je kunt elkaar aanzien, je kunt elkaar de rug toekeren. Dat laatste hoeft niet hard te zijn, je kunt ook in goede harmonie elkaar verlaten. Het hoort allemaal bij het leven, sterker nog, het hele leven is niet anders. Want ach, zijn we niet allemaal en altijd elkaars passanten? En dat geeft in feite helemaal niets, als we maar beleefd blijven, respectvol genoeg met elkaar omgaan. Alles valt immers samen, alles wat gebeurt, is immers de realiteit. Soms moet je de deur sluiten, soms mag je haar openen. Wie past bij jou? Bij wie pas jij? Met iemand samengaan, is ook vaak tijdgebonden. Een mens groeit aan het leven, als het goed is tenminste, en dat kan onderlinge situaties drastisch veranderen. Deze feitelijkheden laat het leven je vanzelf wel weten, daar hoef je geen Freud, Jung of Kant enzovoort op na te slaan. Ja, als mensen boos op elkaar zijn, dan heeft dat zijn redenen. De kunst is de verzoening. Maar daar moet je onverlet met zijn tweeën voor zijn.
Kom, ik ga slapen. Ik krijg het vandaag nog druk genoeg. Maar 1 ding beloof ik mezelf wel: aan mijn innerlijke vrede wordt niet getornd, door niemand, wie dat dan ook mag zijn.
‘Blijf bij jezelf’, zo adviseer ik immer mijn dierbare mensen. En ik bepeins daarbij nu ten diepste: ‘Geen mensenman kan mij straffen / de God van mijn ziel ziet hem aan en beschamen / zal Hij hem, die mijn ziel heeft willen doden.’ Uit: Boven de witte zon, Ine Verhoeven 1997.
Dit is mijn avondgebed, mijn nachtspraak met God. O, ik versta hoe onze voorouders hun psalmen dichtten; waaruit hun droeve gezangen ontstonden, alsook hun vreugdeliederen. O wat heeft een mens in zijn leven veel te leren om een waarachtig mens te zullen zijn. Mea culpa. Amen.
12.10 uur. Het lijkt me een heerlijkheid als je niet aflatend in serene harmonie met je familie leeft, als je je familiaal bemind mag weten. Ik zou een forum willen opzetten over dit onderwerp. Ik weet uit ervaring, en uit de boeken, dat zovele mensen zich vanuit hun familienest niet aanvaard weten, dat er in dat opzicht vele zwarte schapen op de wereld bestaan. Veelal zijn zij die anders denken, eigenzinnigheid betonen, hun eigen weg durven gaan of succes hebben, de gedoodverfde objecten. Het doorsnee familiale ongenoegen gaat in mijn optiek voornamelijk gepaard met de artisticiteit, met het intellect, met het sociale welslagen, met het ergens in uitblinken van de zondebok, hetwelk triviaal genoeg de familiale afgunstigheid tot gevolg heeft. Uitermate belangrijk voor een harmonieus familiaal samengaan is de inhoudelijke kwaliteit der innerlijke beschaving van de familie an sich, en die is er vanaf het prille begin, of niet. Ik heb het hier dus over innerlijke beschaving, niet over uiterlijk vertoon.
Maar het onderwerp is me vandaag te zwaar. Ik ga de buitenlucht in, ook al regent het de hele dag al lange druppels. De bomen voor het flatgebouw staan gebukt te pronk, hun bladeren hangen zwaar beladen triest te kijk in de regen. En toch is het leven mooi, ook in de depressie. En het mag alle families van de wereld goed in de naastenliefde gaan, heel goed. Laus Deo! Van harte.
19.23 uur. Het is een moeizame dag geweest. Maar nu wordt het avond en ik krijg hartelijk bezoek. Misschien kunnen we samen wat napraten over al die gecompliceerde karakters, want H. is psycholoog. Enfin. Morgen beter op broederlijk gebied.
Zondag 21 augustus 2005.
Wat doe je als er iets elementairs aan je vriendschap met een welwillend personage hapert? Dan leg je het voor. Dan spreek je het uit. Je bekijkt het euvel - hoe belangrijk kan het zijn! - en je gaat samen met goede moed verder, of je breekt met elkaar. Bedankt voor alles, of niet.
Met vriendschappen ga je zorgvuldig om, ze zijn zeer persoonsgebonden, en ze zijn uniek. Het gaat altijd om het interne verkeer tussen 2 mensen die elkaar mogen, die elkaar liggen, die wederzijds herkenning vinden bij elkaar. Onverkort geldt voor elke vriendschap het begrip ‘wederzijds’. Idolatrie of verliefdheid bijvoorbeeld staan beide los van vriendschap. Ja, ik kan hier een heel betoog opbouwen, maar ik herlees beter mijn literair werkje over vriendschap en ik schrijf het hieronder neer, ter eigen duidelijkheid. Het mag me helpen bij mijn denkwerk over een moeilijke vriendschap, die nu al 8 jaar in mijn leven bestaat, maar die me tot nu toe niet gelukkiger heeft gemaakt vooral vanwege zo’n claimend opdringerig karakter, als ernstig struikelblok. Ik word er hondsmoe van. Maar, er schuilt wel een goed, welwillend mens achter. En dat maakt je gevoelens ambivalent en je stelt telkens opnieuw een definitieve keuze uit. Toch, als zo’n goedbedoelende opdringerigheid je dagen gaat beheersen, je denken gaat beïnvloeden, je slaap en je nachten gaat opeisen, je levensdagen gaat inkleuren, wat doe je dan? O, alles is samen besproken, alles is samen uitgepraat, alles is psychologisch benaderd, en toch, telkens opnieuw hetzelfde euvel, hetzelfde verhaal, hetzelfde excuus, dezelfde tranen. Er moet nu eindelijk iets tastbaars gebeuren. Iets goeds. Iets waar mensen zich goed bij voelen, allemaal, allebei.
Hoe doe je dat? Wat kies je? Wat prevaleert?
Moet je je aan een emotioneel beredeneerde omgangsvoortzetting wagen als bij voortduring de besproken valkuilen worden genegeerd, of doodleuk, eenzijdig, continu de voorgelegde hindernissen worden vergeten? Wat haalt je jarenlange inzet ten goede dan nog uit? Waar heb je dan al die jaren je kostbare tijd aan gespendeerd? In een huwelijk is het al moeilijk genoeg om in vrede samen door te kunnen leven met alle te gemankeerde heusheden daarbij aanwezig, en dan heb je nog ten volle lief! Als je zegt: ik heb een vriendin, ze is me tot struikelblok, of: ze blokkeert de rust in mijn dagen, wat doe je dan, in evangelische zin? Ik neem mijn beschouwing maar ter hand en hoop op een helder antwoord vanbinnen uit:
Vrienden met elkaar
We zijn vrienden, heb ik gedacht.
En zijn we ook vrienden?
Vrienden breken en delen met elkaar,
niet enkel brood en wijn, ook
woord en daad en overvloed,
niet kortstondig maar steeds,
niet kortzichtig maar ruimdenkend,
niet afgunstig maar liefdevol.
Vrienden voeden elkaar en laven
elkaar met hun vreugde aan de
dingen, zonder de levenspijn te
ontkennen die ook bestaat; zij
zijn aandachtig met elkaar zodat
ieder in zijn dagen gerust kan zijn.
Vrienden praten met elkaar, niet
bestraffend maar educatief, niet
omzichtig maar duidelijk, niet
afdwingend maar uitnodigend: groei
maar jij, leef en wees mens, volop.
Weet je bemind en gekend bij je naam.
Vrienden mogen fouten maken, zij
begrijpen elkaar en vergeven elkaar;
zij herkennen immers zichzelf in elkaar.
Vrienden gunnen elkaar het goede,
zij bidden voor elkaar om het beste
van het leven en het beste van God.
En zijn we ook vrienden?
© 2005 Ine Verhoeven. Uit: In het land waar mensen wonen, pagina 50/51.
Kijk, het is machtig mooi om gedichten te schrijven, het is verrukkelijk je innerlijke ziel te mogen en te kunnen verwoorden, maar de praktijk van het leven is ook voor de dichter een nuchtere werkelijkheid.
In de laatste strofe van Vrienden met elkaar staat: ‘zij herkennen immers zichzelf in elkaar’. Maar als je jezelf níét herkent in de ander, als er geen wederzijds verstaan bestaat, dan kun je vergeven en trachten voort te doen zoveel als je wilt, zo goed als je wilt, maar je raakt er op den duur wel jezelf bij kwijt. Dat mag nooit de vrucht zijn van intermenselijk contact, ook niet vanuit het evangelie gezien. Het evangelie brengt heiliging, bevrijding, geen gevangenschap noch lijden aan wat dan ook, laat staan aan elkaar.
Toch ligt mijn ideaal, visionair, in een land waar mensen elkaar liefhebben, met elkaar omgaan in vrede en vreugde, in een wereld waar mensen onbeschroomd zichzelf mogen zijn, nergens negatief, geen haat, geen verdriet aan elkaar, maar een samengaan in Gods goedheid, een voortdoen in Gods vredigheid, gevuld met weldadige naastenliefde door ons, mensen, gepraktiseerd. Zoiets als hieronder beschreven staat:
In de koudheid van het hart
zie ik bomen zonder kruin
zie ik bloemen doodgegaan
Zie ik nergens mensen gaan.
In het vreugdeloze land
zie ik doden hand in hand
zie ik geesten op de vlucht
In de warmte van het hart
zie ik tuinen in de bloei
zie ik struiken vol van vrucht
zie ik mannen oogsten gaan.
In het vreugdevolle land
zie ik mensen hand in hand
zie ik vrouwen onbeducht
zie ik volken samengaan.
© 2005 Ine Verhoeven. Uit: In het land waar mensen wonen, pagina 41.
Het is op christelijke basis een nogal heikel thema, vriendschap uitvoeren. Soms denk ik dat veel humanisten, en ik bedoel de, vanuit het reguliere geloofsleven gezien, zogenoemde heidenen, meer liefhebben, meer medemens zijn, meer mensbetrokkenheid tonen dan menige christen, die vaak zo intolerant kan zijn, juist jegens zijn (andersdenkende) medemens. Het is een moeilijk hanteerbaar onderwerp, zoals ook de praktijk van de naastenliefde niet altijd even gemakkelijk is.
En dan komt de allereerste eed weer naar boven, die ik in 1955 aflegde in de kapel van mijn gewaardeerde kostschool, 1 dag voor mijn 12de verjaardag. Met de hand op de bijbel en het gezicht naar de gelovigen gekeerd, heb ik hem plechtig uitgesproken: ik beloof trouw aan Christus, mijn koning. Ik zal geheel mijn leven lang God eren, God dienen, God beminnen en mijn evennaasten liefhebben als mijzelf.
Mooie taal, archaïsch a.h.w. Ik zie weer de duif in het glas-in-loodraam, de blik van de oude God met de baard, Jezus stervend aan het kruis, het goudkleurige tabernakel eronder geplaatst; en de priester met de misdienaars vieren de oude mis, met de rug naar het volk gekeerd. Een jeugd om nooit te vergeten. Een belofte, die de heilige moeite waard is geweest.
En als je dit allemaal, en nog meer, hebt overwogen, doordacht, dan komt de weegschaal tevoorschijn: welke kant slaat ze op? Afhaken of voortgaan? En je koopt bloemen, of je schrijft iets moois, want je wilt dit niet. Je wilt geen breuk, niet met haar, en met niemand. Want mensen zijn kostbaar, in Gods ogen, in jouw ogen, in mijn ogen. Het enige dat rest, is denken, en hopen. Hopen op betere tijden, op inzicht, op genade, op het beste te zullen kunnen doen voor mens en wereld. En je bidt, je voert je strijd, je wordt éven wat rustiger en zie: de cirkel is rond. De geschiedenis herhaalt zich. Cirkel na cirkel. Altijd door. En wat doe je? Je koopt bloemen, rozen zelfs. Voor haar, of voor hem. Niet eens voor jezelf.
ROOS
Troostvolle bloem van de verzoening,
ingetogen in je knop sta je daar
en weet het niet, o trotse tederheid,
hoe vreugdevol en schoon ben je
in mijn hart gekomen, en ga je open…
Vriendschap bezegel jij, en nieuwe
hoop en moed geef jij om door te
zullen gaan waar wij mensen twijfelen
aan de zin van elke dag. Het leven
beproeft ons, maar jij kust de pijn weg.
© 2005 Ine Verhoeven. Uit In het land waar mensen wonen, pagina 73.
Christen zijn. Met hart en ziel. Dat is afzien. Ten koste van alles? Nee. Je mag inkeren en nadenken, wegen en bestuderen. Wat is goed voor jou? En hoe kan ik God aankijken als ik breek met de ander? Blijft mijn gebed van waarde, houdt het zijn kracht als ik mijn weg vervolg zonder haar/zonder hem? Mijn echtscheiding destijds heeft zwaar gewogen, maar de scheiding was er wel. Als christen heb ik er niet aan geleden, als mens eens temeer. Scheiden doet lijden, wie kent het gezegde niet? En ‘partir, c’est mourir un peu.’ En toch. Het land van vrede lonkt. God wacht op ons, we zullen leven in harmonie, wij, als mensen van God. Een hoog ideaal. Maar mooi genoeg om het helemaal waar te zullen maken, tot ver in je vermogen. Met vallen en opstaan, met niet aflatende goede moed. Het lijkt zo simpel. Maar doe het maar eens. Christen zijn. En toch.
Wie onze broeder is, zal met ons eten.
En ook onze zuster zit met ons aan.
En wij hebben genoeg voor de vreemdeling.
Wij roepen Hem aan, de Gezegende Heer.
Want Hij is die ons opwekt in hart en ziel.
Want Hij is God met ons.
© 2005 Ine Verhoeven Liturgische Gebeden.
Vrijdag 19 augustus.
Wat een ochtend! Eerst moest ik naar de oogarts. Mijn ogen zijn momenteel zo groot als die van de wolvengrootmoeder van Roodkapje: Grootmoe, wat heb je grote ogen!
- Het komt van de druppels, mijn kind.
Mijn zicht was dus bemoeilijkt en in het restaurant van het CWZ heb ik toen maar ontbeten, wel heel smakelijk en apart. Later ging de autotrip niet huiswaarts maar naar Grave, doch eerst had ik mijn stiefkind opgehaald. Hij is een leuk joch, blond en met wimpers als vlimmen. Heel af en toe gaan we samen op pad, zoals vanochtend. Toen de brug in het vizier kwam, dichtte de schelm vol vrolijke meligheid:
Groen, groen, groen!
Een regenboog van Grave’s staal spant zich over de oude Maas.
Geel, geel, geel!
En op de drukke vrijdagmarkt koopt een dametje haar kaas.
Oranje, oranje, oranje!
Ra, ra, ra, wie is hier de baas?
Rood, rood, rood!
In Velp woont een kapucijn, schijnheilig als een haas.
Blauw, blauw, blauw!
Gooi hem maar over de reling heen, plóns in de oude Maas.
Het kerktorentje van Velp stond in de verte onbewogen, terwijl we de merkwaardige compositie klank gaven; we improviseerden du moment een lied. Omdat ik reed, kon ik niets vastleggen aan muziekbalk met noten. Het bleef dus allemaal bij flauwekul. Maar een mooie, jonge dichter in opleiding is mijn stiefzoon wel. Op de markt haalde hij wortelen en verse vis voor me, terwijl ik op het terrasje theedronk Bij Ome Jan. Met een advocaatje toe, geel met witte slagroom. En weer kwam hij met een dichterlijke mallotigheid op de proppen, terwijl hij de aankopen op een leeg stoeltje deponeerde:
2 grote rode wortelen voor 10 eurocent.
Wie het al te kostbaar vindt, is een gierige krent.
Snijd de wortelen aan schijven en doe ze in de pan.
Koken en dan smullen maar, dik word je er niet van.
Eet er een lekker visje bij, gebakken en krokant.
En zonder hoedje op je bol reis je door het land.
Hij is pas zestien geworden, zie je. Floris Jeronimus heet hij. Het belooft nog wat te worden met hem! Vanmiddag is hij vakantiewerk doen, op het veld bij de boer, ergens in de buurt van Groesbeek. Voor een paar eurocenten extra. Het is vandaag de dag een dure tijd, zeker voor de jongeren.
Ik vroeg hem nog wat hij dacht van de WJD in Keulen, maar die hebben zijn belangstelling niet. “Ik word altijd neerslachtig in de kerk,” zei hij, “ik ga echt liever skeeleren.” Dat eerlijke in hem waardeer ik zeer. Ja, die goeie Floris.
Vrijdagavond 21.19 uur. O, wat een genade is het bezoek van de paus aan Keulen! Hij bezocht daar vandaag de joodse gemeenschap. In de Keulse synagoge heeft hij gesproken. Een rabbijn zong een gebed.
De paus begon zijn toespraak in het Hebreeuws. Vervolgens sprak hij in zijn eigen taal van Jezus als jood zijnde, van de verschrikkelijke holocaust, de meest misdadige ramp ooit in de Europese geschiedenis voorgevallen. Paus Benedictus XVI beloofde dat de religieuze betrekkingen tussen christenen en joden zouden verbeteren. O, dit was vandaag een belangrijke historische gebeurtenis, ontroerend tot in mijn nerven. Nooit had ik dit durven denken, mijn hart juicht van vreugde om deze heiliging. Ineens krijgt Rome een medemenselijk gezicht, zo’n medemenselijk gezicht dat echt aan de liefde van Jezus Christus doet denken. De paus zei, dat onze godsdienst is gebaseerd op het jodendom, daarin liggen ten diepste onze geloofswortels. Het was een zeer, zeer broederlijke ontmoeting, hartverwarmend, onvergetelijk. Jammer dat de generatie van rond 1900 dit niet meer meemaakt. Zij was destijds gehersenspoeld tegen de joden, haar opvoeders / godsdienstleraren noemden hen vooral de moordenaars van Jezus. Je hoorde het in de oude liederen, je las het in de oude catechisatieboeken; en sommige oudere mensen vertelden het, zelfs ver na de 2de wereldoorlog, nog voort. Maar vandaag was daar de zichtbare verbroedering met wederzijdse mildheid. Het tij keert, het recht staat. Hoop doet leven. Goddank!
Donderdagnacht 18 augustus 00.36 uur.
De ontruiming van Gaza verloopt redelijk rustig. De Palestijnen varen met bootjes voor de kust, de vlaggen wapperen. Dat laatste ziet er niet echt vredig uit, eerder militant. Premiers Sharon sprak bewogen op tv. De kolonisten hebben emotioneel veel te verstouwen. Het is zo’n bijbels gebeuren, die ontruiming, vind ik. Alsof de tijd heeft stilgestaan, zo met die plichtmatige soldaten die de mensen deur voor deur uit hun huizen halen, over straat slepen en hup, de auto of de bus in.
Er werd vanavond een bos bloemen bezorgd. Van Sybil.
Het is vooral een dag van veel telefoneren geweest, o.a. met Ph.’s vermeende vriend, die per abuis al een poosje op vrijersvoeten dacht te zijn. Maar daar zijn er 2 voor nodig. Ph. wil een vriend, geen vrijer. Hij voelt niets voor ‘gewone’ vriendschap, hij zoekt een vrouw ‘voor het bed’. Hemeltje, dat kun je dus ook nog meemaken op je 65ste. Wat had ik ermee te maken? Hij vroeg om raad. Ik was derhalve vandaag luttele uren op benefiet basis mentaal raadsvrouw. Als alles aan wijsheid nu ook nog helpt?
In de morgen om 10.38 uur.
Een warme nazomerdag. Heel rustig weer met een heldere hemel. Ik ben moe, intens moe. Wat mag ik bidden vanochtend? Het leven is (voor veel mensen) goed. En verder heb ik even geen woorden. Laus Deo.
14.30 uur. Gisteren zag ik een gedeelte van Bird people, een documentaire uit Karels keuze, Nederland 2. Ik ben nu nog ontroerd. Ik zag prachtige, grote vogels die met mensen meegaan, ganzen, zwanen en pelikanen. Alles lopend, vliegend, slapend zelfs. Het was een liefdesdrama in mijn optiek. De hele film was confronterend en bemoedigend tegelijk. Zoveel schoonheid aan invoelen en samengaan tussen mens en dier, dat is een wonder van de eerste orde. Het geeft de burger moed, zal ik maar zeggen. Ik hoop dat het programma wordt herhaald.
Kardinaal Simonis heeft onchristelijk geblunderd vind ik. Hij gaf de jongeren in Keulen het volgende voorbeeld: “In een advertentie stond: Leuke man zoekt leuke vrouw om samen leuk te leven.” En je kon het al raden: “Het leven is niet leuk,” was zijn pastorale oordeel. En verder beval hij de sacramenten aan, vooral de biecht, want de mensheid is slecht. Ik vind een dergelijk ‘catechetisch’ onderricht, als hier door Simonis, educatief fnuikend, en verwerpelijk erbij. Waar blijft de evangelische vreugdeboodschap? Waar vind je de vrucht van de verlossing die Christus zo moeizaam voor ons heeft gedaan? Bovendien valt de kardinaal met zulk een negatieve stelling Gods grootheid af, Gods goedheid, Gods werk, Gods schepping. Arme jongeren. Wat kunnen ze ermee? Wat doen ze ermee? Jammer, heel jammer. Maar misschien brengt paus Benedictus alsnog het bevrijdende evangelie naar onze jonge mensen toe? Het kan verkeren.
Woensdag 17 augustus.
De zon schijnt! Het mag een heerlijke dag worden, zeker nu Rieke jarig is. Ik trek straks gezellig een zomerjurk aan. Voor me ligt een afbeelding uit de 15e eeuw van Augustinus met de tekst: “Te laat heb ik u liefgehad, schoonheid zo oud en zo nieuw! Te laat heb ik u liefgehad! En zie toch: u was binnen; ik buiten.” (Belijdenissen X 27,38) Dit tekstje is m.i. een beetje eenstemmig met de nazomer, met het schone van de zomer dat langs je heen was gegaan, met het gemis van wat had kunnen zijn, zichtbaar, voelbaar, vruchtbaar. Te veel gaat langs je heen, ook al zie en bespreek en beschrijf je de dingen tot in de details; ook al bid je met je hele ziel, te veel kan niet worden gevat. Maar dit is de troost erop die deugdelijk is: je hoeft niet alles te hebben, je kunt niet alles bezitten; alles tegelijk ervaren bestaat niet, je kunt telkens maar 1 ding beleven of doen; en bij alles wat je erbij ervaart, behoort liefhebben te bestaan, en tevreden zijn met wat jou in goedheid toevalt, met wat tot je komt in vrede en vreugde. In al deze positieve dingen ligt de sleutel van de bekering tot God, tot God die in de mensheid woont. Ja, en nu moet het nog worden gepraktiseerd. Ik weet het.
Maandag 15 augustus.
Vandaag gaat de stofzuiger door het huis, en de stofdoek en de plumeau. Straks komt er uniek bezoek, bezoek van Ph. Ze was hier nog maar pas 1 keer, heel in den beginne. Er komt iemand mee, een vriendelijke kennis, of wat hij is. Bezoek in mijn huis is geen gewoonte. Vanwege de ME moet ik me beperken en me steeds aanpassen aan mijn leefgedrag, gewoon om als mens verder te kunnen, al is het traag en moe. Veel mensen die voornamelijk gezond zijn, snappen dat niet, en dat kan ik ook wel begrijpen, het euvel is moeilijk inleefbaar. Maar Ph. komt echt vanmiddag en dat is bijzonder. Ik hoop op goede uren voor ons.
10.33 uur. En dan heb ik natuurlijk nog niet ontbeten. Het lyrische aspect heeft steeds voorrang. Een beetje meer discipline, Ine! Maar ja, op de postkaart van Margriet uit Gent staat: Als de muze fluistert, geef ze dan gehoor. En dat is het, hè? Het schrijven zit je in het bloed, het is in de loop der tijd je heel gewone natuur geworden. Dat heeft God mooi geschapen: tijd van leven, tijd van scheppen. Is dat geen rijke oude dag? Maar nu wacht de thee, en het solo-ontbijtje erbij. Laus Deo!
12.00 uur. Van mijn oudste broer kreeg ik gisteren e-mailpost. Hij heeft kennelijk 2 boeken uit het Duits vertaald die over de alternatieve genezing van kanker handelen. Een precies werkje, ik denk achteraf zelfs dat het in de vergrotende trap monnikenwerk moet zijn geweest. Hij blijft een verbazingwekkende mens. Tussen ons bestaan liefde en bijna haat, ze gaan hand in hand. Ik heb hem altijd geadoreerd, al was hij altijd bazig en bestraffend, nooit eens een lieve broer. Maar toen hij me - ik was toen 53 - na zijn vele bemoeizuchtige benaderingen tot overmaat van ramp o.a. verweet op vrijwillige basis en uit vrije keuze in deze familie te zijn geboren, brak de toch al fragiele band ‘krak!’ in tweeën. Maar steeds weer keren we naar elkaar toe, zij het zeer afstandelijk: er wappert immers altijd als ernstige waarschuwing dat gebroken lijntje. Welnu, ik las aan het begin van een van die boeken, die hij me dus per e-mail stuurde: Alternatieve orthomoleculaire kankerbestrijding, gedeelten genomen uit het boek Revolution in Medizin und Gesundheit van Dr. Hans A. Nieper, 2e uitgebreide oplage 1998 ISBN 3-925188-18-5. Vertaald door Cornelis Verhoeven - Orthomoleculair raadgever. Nu weet ik geen raad met zijn titel, die daar te lezen staat achter zijn naam, maar het zal een vrij besluit zijn. Wel, ik bewonder hem terdege om zijn enorme ijver, die heeft hij zijn leven lang getoond en daar is hij groot en rijk mee geworden.
Gek hè, ik blijf ondanks alles om hem geven. Het mag hem goed gaan, heel goed. En God is zijn kenner, niet ik. Maar ik voeg aan dit alternatieve relaas over hem en zijn vertaalwerk wel toe dat zieke mensen onverkort bij de reguliere artsen moeten zijn. In 1985 zou ik aan een agressieve kanker (leiomyosarcoom) zijn doodgegaan door de onkunde van zo een alternatieve arts. Gelukkig dacht ik na en bleef ik bij mezelf. Ik ging toen naar de reguliere specialist in het ziekenhuis en werd er onmiddellijk geholpen, precies zoals het hoorde. En nu vertel ik alles nog na. Maar anders? Toch: het interessante aan dit vertaalwerk van mijn broer is, dat de bedoeling zo helemaal echt en goed is. Er is nagedacht, er is zorg besteed; daarin ligt liefde voor de mensheid, of angst van de schrijver, dat weet ik niet. Enfin. Genoeg gebakkelei voor vandaag. Alles is in liefde geschreven, en eerlijkheid is ook een geneesmiddel, heb ik uiteindelijk geleerd. Juist omdat de confrontatie iemands ogen kan openen. Het gaat om het perspectief. Het mag een mooie wereld worden, vooral voor hen die na ons komen. Mijn vader zei altijd: De dood moet een reden hebben. Je gaat niet dood aan een gezond lichaam. Hij was een wijze mens. Ik herinner me hem graag bij het beeld van Sint-Clemens in de paterskerk van Den Bosch. In de jaren ’90 schreef ik, terugblikkend in de tijd: Statuette
Ik zie vader staan, gebogen
zijn zorgelijk gezicht
bedekt hij met zijn hand.
Hij huilt.
wat hem heeft bewogen
maar nooit zal ik vergeten
wat hij mij heeft getoond:
een kwetsbaar man
die vraagt om mededogen.
© Ine Verhoeven 1997 Witte koekoek en roomse kamille bladzijde 17.
O, we zijn mensen, mensen, mensen. Allemaal broos en gevoelig en kwetsbaar. Allemaal hunkerend naar een lieve band, een goede verstandhouding met elkaar. Allemaal zoekend naar het betere, het goede dat het leven voor iedereen dragelijk(er) maakt. Troost hebben we nodig als de nood daar is. Geen wegwijzende vinger, geen afstraffend gebaar, maar herkenning, een gerust weten dat je er als mens mag zijn, dat je erbij hoort. Zouden veel mensen daarom hun troost bij een heiligenbeeld zoeken? Zo’n beeld zegt immers niets terug? Zo’n beeld blijft altijd rustig. Zo’n heilige van steen of hout staat daar alsof hij je begripvol aanhoort.
Daar ga ik over nadenken, dat is interessant.
Buiten is het herfstachtig. Het deert me niet, want de herfst is mijn favoriete seizoen. En de zomerzon kan heet zijn! Het is alweer tijd voor het middagmaaltje. Wat eet een mens toch veel, 3 keer per dag, en de tussendoortjes tel ik niet eens mee. Het is wel goed in Nederland. Nu denk ik aan Niger. Zouden onze mensen het kwijnende volk daar steunen? Ik surf straks naar de site van de FLO, misschien staat er iets goeds van te lezen: http://www.franciscaanselekenorde.nl/. De middag is gearriveerd. Ik wil ook het huis nog klaarmaken voor mijn excellente bezoekers. En ik blijf maar schrijven. Ja, ja, als de muze fluistert, geef ze dan gehoor.
Zondag 14 augustus 2005.
Tijdens de eucharistieviering was in de rustige eenvoud het sacrale element intens voelbaar. De voorzanger Jan Foppele maakte het gemis van een koor dragelijk, hij zong sereen voor en dat sologezang is in mijn beleving vaak het mooiste gebaar naar de hemel toe. Het zijn prachtige mensen, de vrijwilligers van de Lucasparochie, allemaal. Als met de komst van de nieuwe pastorale bewoner binnenkort het dienstrooster voor de eucharistievieringen wordt omgegooid, zal dat veel invalkrachten toch wel zeer doen. Het is goed toeven in de Lucas. Maar voorlopig staat het rooster nog overeind, we zien het t.z.t. allemaal wel gebeuren.
Ik zag en hoorde vanmiddag op tv een schitterende uitvoering van Peter en de Wolf, en allerlei werken nog meer van Prokofjev en Tsjaikovski. Een verrassing met allure was Paul de Leeuw. Uitgedost in klassiek tenue, zijn haar tot een deftig kuifje gekamd, las hij tussen de ouvertures door op charmante wijze het oude verhaal voor, dat handelde over allerlei dieren zoals o.a. de vogeltjes, de gans, de eend, de wolf en natuurlijk over Peter zelf. Ik was echt geroerd door Pauls manier van optreden, wat een kunstzinnige duizendpoot! Gisteravond was hij in zijn zaterdagavondprogramma Mooi weer de Leeuw ook een knappe vakman, maar heel anders getoonzet natuurlijk dan in zo een programma op de klassieke toer.
Memorabel voor mij is het volgende voorval. Vrijdagavond sprak ik een aardige, significante man uit het flatgebouw Wolverlei. Hij wandelde met het hondje van zijn dochter, een lief, klein, wit, wollig beestje. We raakten in gesprek en hij vertelde over de moeilijke overgangsfase van volop in het leven staan en dan ineens is er niets meer voor je te doen, kan het niet meer, is alles voorbij wat je bezighield en waar je hart in lag. Het was aanvoelbaar dat hij het op zijn leeftijd van begin zestig er niet gemakkelijk mee had. Wat kun je erop zeggen? Vanochtend was hij daar weer met het hondje. ‘Het valt nog steeds niet mee,’ zei hij. ‘Ik heb het gemerkt,’ zei ik en gaf hem als kleine troost mijn boekje In het land waar mensen wonen. ‘Dat vind ik mooi,’ zei hij. In de vroege middag kwam ik terug uit ’s-Hertogenbosch en daar kwam hij juist het flatgebouw uit. Hij zei het boekje zeer te waarderen, hij had er al in gelezen en vond het schitterend. ‘Vooral het gedicht Vader’, zei hij. Ik was er blij van. Zo kan ik een beetje schoons uitdelen, ook aan hem, mijn verderaf buurman. Hij voegde er nog aan toe, dat zijn vrouw het nu aan het lezen was. Ik lachte en ging verheugd met de lift opwaarts. Zelfs het middagmaaltje koken werd een vrolijkheid.
Wat heb je nodig om een beetje gelukkig te zijn? Wat mensen die jij blij maakt. Een heel goed ingrediënt.
Het avondnieuws bracht een vliegtuigongeluk te berde: bij Athene is een 737 neergestort, alle 121 inzittenden zijn dood. In de Gazastrook is de spanning om te snijden. Het halve volk der kolonisten is opstandig, en de overheid onvermurwbaar. Er hebben zich intussen nog enkele duizenden studenten in Gaza verzameld, ze wonen en slapen er in tenten, om gezamenlijk verzet te plegen zodra de definitieve ontruiming plaatsvindt. Momenteel zijn alle toegangswegen geblokkeerd, men kan er alleen nog maar uit. Ik dacht bij het zien van die televisiebeelden onwillekeurig aan de uittocht van het joodse volk uit Egypte, dat toen veertig jaren lang onderweg was, barrevoets door de woestijn, naar het beloofde land (zie Exodus). Ik hoop toch maar dat het verzet meevalt, dat men vredig vertrekt, zonder bloedvergieten, en dat heel de nare geschiedenis ook door de bevolking van Israël van twee rechtvaardige kanten wordt bezien. Mildheid is geboden, en wijsheid, wijsheid, wijsheid, zeker als het om de toekomst gaat van twee getarte volkeren die zo dicht op en door elkaar heen leven. Barmhartigheid, mededogen, begrip zijn nodig. O alles aan menswaardigheid is nodig. Het belang van de medemenselijkheid zal eerst ten volle moeten worden ingezien, anders is een vredig samengaan nooit haalbaar. Wat een wereld. En in Keulen komen momenteel de jongeren van de hele wereld samen, daar worden de Wereld Jongeren Dagen gehouden. Wat kan men deze jongeren daadwerkelijk bieden? Elke mens moet groeien in wijsheid en inzicht, pas daarna kan men een/zijn geloof hanteren. En dit: geloven is geen zekerheid, geloven is geloven. Daar schort het vaak aan in de gelovige educatie: geloven wordt verkocht als zekerheid. Dat is niet goed, dat grenst aan jokken. Waar gaat het om? Om een vredige wereld, de liefdevolle omgang tussen mensen, geen strijd, geen oorlog meer, alleen maar sociale goedheid en liefde. In de eenvoud van het leven ligt vaak meer geloof verankerd dan in de franjeleer van Rome. Er is geen zekerheid. Er zijn geen gouden lepeltjes noch alle dagen taartjes in de hemel. En wie heeft ooit God ontmoet? Geloven is mooi, maar altijd met de beide voeten op de grond. Ik hoop dat de jongeren van de WJD hun gelovige weg op een gezonde manier zullen gaan, dat alleen geeft vrucht aan de aarde, aan de wereld, aan de mensheid, aan het wordende koninkrijk van God. Er is altijd nog meer te doen dan geëxalteerd naar de hemel te staren. Of je met allerlei voorgeschreven woorden en formules moe te bidden, zonder bestaanbare inhoud. We moeten vanuit ons gelovig grondgebied de wereld gezond maken en gezond houden. De zieken moeten genezen worden, de armen gevoed, de naakten gekleed, de gevangenen bezocht, en de oude mensen moeten worden verzorgd op liefdevolle wijze, ze hebben ons immers voorgeleefd in zorgzaamheid? Als je op de barmhartigheid je geloof zet, ernaar handelt, dan ben je correct bezig. Maar ik schrijf hier niets nieuws. Kijk naar de geschiedenis, alles herhaalt zich. Toch moet een mens zijn hoop en zijn vertrouwen handhaven, want anders is er zeker geen goede toekomst mogelijk. En onze God staat voor die hoop, dat vertrouwen, die toekomst. We moeten ons leven en handelen volharden in gelovige goedheid: want God is goed. En wij zullen de wereld beter maken.
Zaterdag 13 augustus.
S. schreef dat ze van een heel aardige mevrouw in Blokhus, een kunstenares, prachtige litho’s had gekocht. Ze zou me er een sturen als goedmakertje voor de consternatie om die lelijke heks (ook afkomstig van die aardige mevrouw?). Ik had al een mooi lijstje in gedachten, iets klassieks met ornamentjes, al wist ik de maat nog niet. Nu heb ik door de jaren heen wel geleerd me tevoren nergens meer over te verheugen, zeker niet over de aangekondigde verrassingen van S., want daarmee is het tot nu toe altijd fout gegaan. Toch had ik deze keer lichtelijk vertrouwen toen de komst van de litho werd aangekondigd per e-mail en per sms. Het kan verkeren, immers. Gisteren arriveerde het kleinood per post. In een dubbel gevoerde enveloppe zat het dingske, voorzichtigheidshalve en als een kostbare schat verpakt. De welkome verrassingsenveloppe ging open en ik haalde er een iets groter formaat ansichtkaart met bloemenprint uit, niets meer en niets minder. Ik kon er niet eens meer moedeloos van zijn. Nu begin ik de situatie enigszins te doorgronden. S. is denkelijk door die aardige mevrouw de kunstenares in Blokhus platvloers beetgenomen. Wellicht, bedenk ik nu, was die akelige toverkollenkaart, waarvan ik dagenlang minstens beduusd ben geweest, een fotografisch gelijkende afbeelding van die ‘aardige’ Deense marketentster, die intussen bewezen heeft professioneel van de kluit belazeren te weten. Ze heeft S. doodgewone kaarten als originele litho’s verkocht. Het is wel zielig. Een andere optie is dat S. niet goed geluisterd heeft toen de kunstenares in kwestie, in het Engels, uitleg gaf van haar aan te prijzen handel. Het enthousiasme van S. is vaak zodanig dat ze bij voorbaat al ja roepend verder helemaal niet meer luistert en dan onmiddellijk handelt vanuit betweterigheid. Ik bedoel dus dit: aanvankelijk werd een enkel woord van de spreekster welzeker opgepikt maar tegelijk ook haar hele kunststatus eraan opgehangen. Zoals bijvoorbeeld het woordje litho. Ik zie het gebeuren. Maar zekerheid heb ik niet. De voodoopop die S. me stuurde - ik realiseer me intussen dat het een voodoogeval was - is waarschijnlijk ook zo gekocht: harerzijds lyrisch enthousiast en doof en blind in blije reactie daarop handelend, zo ken ik haar dus ook.
De heksenkop uit Blokhus maakt geschiedenis. Hij is een lelijk brekertje. Maar de sterke gelooft er niet in en staat erboven. Enfin. We zien wel waar het schip strandt. De ‘kostbare litho’ heb ik vanuit Kevelaer in zijn werkelijke status als alledaagse postkaart retour gezonden. Misschien helpt het als tegenreactie op de eerdere heksenpost. O nee, er is geen bijgeloof, slechts wat satire van mijn kant. Ik heb het even nodig, voor de verwerking, zal ik maar zeggen. Tegelijk hopend in dezen op ooit nog eens wijzere tijden met S.
11.23 uur. In Kevelaer was gisteren de regen even ijverig als elders. Onder de opgestoken paraplu’s gingen de passanten door de straten, ook wij. Maar regen of niet, het waren weer goede uren in mijn genadeoord. Ik was met 2 van mijn ongeëvenaarde lievelingen op pad en heb overal van genoten. In Catharinahof werd de kleine bedevaart afgesloten met een niet geplande gezamenlijke avondmaaltijd. Mooier kon het niet. Wat was het goed. Laus Deo!
Morgenvroeg om half elf is de zondagse eucharistieviering in de Lucaskerk. Het evangelie is uit Matteüs 15,21-28, de 1e lezing is uit Jesaja 56,1+6-7 en de 2e lezing is uit de Brief aan de Romeinen 11,13-15+29-32. We hebben vanochtend o.a. de preek doorgenomen. Het is een merkwaardig evangelie om te beschouwen, er is studie voor nodig om alles correct te interpreteren. Er gaat immers al zo veel fout, in de wereld en zelfs in je eigen kring, juist do