Beschouwingen

Beschouwing van zondag 20 januari 2008 in de Dominicuskerk te Nijmegen

Zie ook: www.effata-nijmegen.nl

 

Het Lam van God

Door Frans Boddeke CSsR

(Samuël 3; Johannes 1,29-42)

Er zijn vele schilderingen en afbeeldingen van het Lam Gods. De meest bekende afbeelding is wel de Aanbidding van het Lam Gods van Van Eyck in Gent. Het lam is op het schilderij het schitterende middelpunt en beeldt de Verrezen Christus uit. Allen scharen zich rond het Lam, het Lam dat als paaslam geslacht is tot redding van de wereld.

Er staat een man bij de rivier de Jordaan. Zijn naam is Johannes. Hij ziet Jezus aankomen. Hij zegt niet: “dag Jezus, welkom” of “hoe gaat het?” Nee, hij roept: “zie het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt.” Het is een wat merkwaardige manier om iemand te begroeten en te vergelijken met een jong dier. Toch kennen wij ook wel uitdrukkingen om iemand met een dierennaam aan te spreken. Soms zeggen mensen wel tegen elkaar: suikerbeestje, harteduifje, snoezepoes. Ook voetballers werden wel vergeleken met een dier: zo werd een vroegere keeper van Ajax vanwege zijn omvang ‘de beer van de Meer’ genoemd, en een andere keeper vanwege zijn atletische sprongen: ‘de zwarte panter’. De vergelijking met bepaalde dieren is een manier om de grote of de zwakke kwaliteiten van iemand aan te duiden. Johannes noemt Jezus het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt. Een lam is een kwetsbaar dier, en hoe kan een lam alle kwaad van de wereld wegnemen? Een lammetje vertedert, ontroert, zeker, maar wat heb je aan een lam in de harde praktijk van het harde leven? Wat doe je met zachtmoedigheid in een wereld van heel veel geweld en tegenstand?

Bij het begrip lam, denken we aan een huppelend medeschepseltje, aan een lief knuffelbeestje. Een lam brengen we in verband met onschuld en ongereptheid. De uitdrukking ‘gedwee als een lammetje’ wijst op weerloosheid, wijst op onschuld, wijst op afwezigheid van kwaad en wijst op volgzaamheid, op vertrouwen. De evangelist Johannes zegt dat Jezus zo’n onschuldig lam Gods is. Johannes gebruikt dit beeld niet zomaar, hij haalt het beeld van het lam uit de heilige Schrift, uit het Oude, uit het Eerste testament. Hij verwijst allereerst naar de profeet Jesaja (57;3). De profeet Jesaja spreekt over de man Gods, die zich als een lam naar de slachtbank laat leiden en die door zijn weerloze dood anderen weet te redden. Het is begrijpelijk dat Johannes in déze man Gods Jezus ziet en herkent. Jezus de goede herder die zijn kudde beschermt, die bereid is voor zijn kudde te sterven, die zijn leven geeft voor zijn schapen.

Het Lam Gods verwijst schriftuurlijk ook naar het paaslam. Op Pesach, het joodse paasfeest, wordt ter herdenking van de bevrijding uit Egypte elk jaar een lam geslacht. Men zegt daarbij: “En als uw kinderen vragen: wat betekent deze plechtigheid van het slachten van het lam, dan moet gij hun antwoorden: dit is het paasoffer aan Jahweh omdat hij in Egypte de huizen van de Israëlieten voorbijgegaan is; hij heeft onze huizen gespaard.” (Exodus 12,26) Ook dit beeld van het geslachte lam wordt op Jezus toegepast. Hij, Jezus, is het geslachte paaslam dat de dood verjaagt en dat leven geeft in God, dat het weerloze redt door zijn onschuldig bloed.

Op grond van deze beelden uit de Schrift noemt Johannes Jezus het Lam Gods. Het begrip Lam Gods wijst op de innige verhouding van Jezus met God. Jezus is de zoon Gods die als lam rust aan het hart van de Vader, zegt Johannes 1,18. Johannes grijpt met het beeld dat Jezus als lam rust aan het hart van de Vader terug op het boek Samuël. In het boek 2 Samuël 12 staat namelijk déze parabel: Er waren eens twee mannen. De een was rijk en de ander arm. De rijke had schapen, geiten en koeien in overvloed. De arme had slechts één enkel lammetje. Het lammetje groeide op in het huis van de arme, samen met zijn kinderen. Het lammetje at van het bord van de eenvoudige man, het dronk uit zijn beker, het lag bij hem op schoot, het rustte aan het hart van de man. Het lammetje was de arme evenveel waard als zijn dochter. Op een keer krijgt de rijke man bezoek, maar de rijke man wil geen van zijn eigen dieren klaarmaken voor de maaltijd. Daarom gaat hij naar de arme man, neemt het lammetje van de arme mee en slacht dat enige, geliefde lammetje van de arme man.

Deze parabel over het enige lammetje mag gezien worden in het licht van Jezus als het Lam Gods. Het lammetje dat rust aan het hart van de arme is Jezus die rust aan het hart van God. De arme heeft één lammetje waar hij zielsveel van houdt. God heeft één zoon van wie hij zielsveel houdt. Het lammetje wordt onnodig gedood, Jezus wordt onnodig gedood. God echter beschermt Jezus door de dood heen. Het onschuldige wordt door God gered. Jezus wordt gered. En daarom wordt Jezus in het boek van de Apocalyps (14,1) blijmoedig genoemd: het zegevierende Lam, het Lam dat overwint.

Wat wil het beeld van het zachtmoedige Lam van God zeggen? Het evangelie schetst door middel van het kwetsbare Lam de weg van de geweldloosheid als de enige levensweg. Alleen de zachte krachten zullen de wereld bewoonbaar maken, alleen de zachte krachten zullen de wereld van God tot stand brengen. Alleen de weg van de gevende liefde zal voor het echte leven zorgen, alleen de weg van de gevende liefde zal bewerkstelligen dat het goede zal zegevieren en dat alle kwaad vernietigd zal worden. Alleen onschuld, alleen puurheid, alleen gerechtigheid kan boven alle kwaad staan. Het Lam Gods, het kwetsbare, het schuldloze zal zegevieren. Daar staat de liefde van God, de belofte van het goede, van de Goede, garant voor.

 

Elisabeth van Thüringen

 

Doorbraakfiguur

We vieren het achtste eeuwfeest van Elisabeth van Thüringen met onder andere de tentoonstelling: 'Kroon, brood en rozen'. Er was vandaag het symposium over Elisabeth en de zorg en deze avond herdenken we haar in deze kerk te Grave, vernoemd naar Eisabeth.

Grave heeft bekendheid gekregen mede door deze prachtige Elisabethkerk. Een van de weinigen die nooit van Grave gehoord heeft, was Elisabeth zelf. Zij leefde in Hongarije en in Thüringen. Maar ze zou verwonderd en dankbaar geweest zijn als ze geweten had dat haar naam in vestingstad Grave in het jaar 2007 met zoveel eer en waardering genoemd zou worden. Het is tekenend: na achthonderd jaar is zij nog steeds levende herinnering en wordt ze nog steeds op zorgzame handen gedragen.

Bij haar doop kreeg het prinsesje als Elisabeth. Elisabeth komt van het Hebreeuwse Elisjeba en betekent: 'God heeft gezworen, God is mijn eed, de aan God gewijde’. De aan God gewijde Elisabeth zou haar naam waar maken.

Elisabeth wordt voorgesteld als een gekroonde vorstin met een kan water en brood in de hand. Soms draagt ze drie kronen, terwijl een bedelaar aan haar voeten hurkt. De drie kronen staan voor soberheid, zuiver leven en het goede voorbeeld. Later in de tijd is een korfje met rozen haar attribuut. En zelfs een weerspreuk herinnert aan haar: 'Sint-Eliabeth doet verstaan hoe het de winter zal vergaan'. Elisabeth komt in veel legenden voor en ze is een van de hoofdfiguren in Wagners Tannhäuser.

Het waren andere tijden waarin Elisabeth leefde, de tijd van 1207 - 1231.

Het was de tijd van geen vliegtuigen, geen auto's, geen fietsen, van geen elektriciteit, van geen Internet, van geen computers, van geen televisie, van geen telefoon,  - niet even naar Grave mobielen - en ook geen tijd van wasmachines, stofzuigers of andere moderne huishoudelijke apparaten. De avonden werden doorgebracht met wat kaarsenlicht en met voornamelijk praten over macht en aanzien en over stoere krijgsverrichtingen tegen de Moslims.

Het was de tijd van de machtige kerk, de tijd van de machtige monarchen. Gehoorzaamheid aan paus en bisschoppen, aan koning, keizer of graaf was een absolute noodzaak, omdat God het zo wilde, omdat de koning en zeker de paus door God was aangesteld. Ook het fenomeen van de biechtvader speelde een grote, zo niet beslissende rol in het leven van het individu, en zeker in het leven van Elisabeth was er de extravagante biechtvader: Koenraad van Marburg. Hemel en hel waren onontkoombare realiteiten, waar de mens terdege rekening mee moest houden.

Het was de tijd dat het bestaan van God niet in twijfel werd getrokken. God wás, en God regeerde. Christus vincit, imperat et regnat. Vooral de heersende Christus deed het goed. Een wereld van verschil met ónze godsbeleving. Toentertijd was de wereld vol van God. Het Iets-isme of de God-is-dood-theologie waren ondenkbare verschijnselen.

Het was de tijd van de heilige kruistochten. Op het doden van een of meer Moslims keek men niet. De Islam werd niet met zachte handschoenen aangepakt: ze werd als een goddeloze bedreiging ervaren.

Het was de tijd van vastgestelde prioriteiten. Het koninklijke erfgoed moest in stand gehouden worden. Daarom wordt Elisabeth om politieke redenen op vierjarige leeftijd uitgehuwelijkt, daarom vindt de bruiloft met Lodewijk van Thüringen plaats als zij veertien jaar is, en daarom - omwille van het instandhouden van het geslacht - krijgt zij drie kinderen voor haar twintigste levensjaar. Toch was het een liefdevol huwelijk: 'Mijn lief is van mij en ik van hem' zo las ik als karakteristiek van haar huwelijk met Lodewijk. Op haar twintigste is Elisabeth al weduwe als haar gemaal, zoals de echtgenoot in hofkringen heet, omkomt, als haar man onderweg op kruistocht overlijdt als slachtoffer van de heersende pestepidemie.

Het loslaten van ouders, van het onbekommerd jong zijn, van huwelijk , van have en goed begon al vroeg. Loslaten, onthechten, aanpassen, opbouwen, het is vanaf het begin deel van het leven van Elisabeth. Hoe zal Elisabeth zich gevoeld hebben als vierjarig politiek ruilobject, als veertienjarige getrouwde vrouw, met drie kinderen in korte tijd, en altijd weer in het voorgeschreven adellijk korset. Wat jong is komt snel, zo zegt men wel, maar hoe heeft het arme kind dit alles verwerkt? Maar wellicht mogen we niet teveel naar haar kijken met onze westerse ogen.

Als adellijke bevoorrechte vrouw bracht zij de armen brood. Zij was de goedgeefse vrouwelijke sinterklaas. Liefdadigheid mocht, maar niet zo dat een edelvrouw zich identificeerde met armen en zieken, hetgeen Elisabeth uitdrukkelijk deed. Haar omgaan met de armen zette derhalve bij de adel kwaad bloed. Bekend is het verhaal, de legende dat de broer van Lodewijk Elisabeth toen ze eens in haar mantel brood bracht naar de armen, minachtend bespotte met de woorden: 'Zo, worden de varkens weer vetgemest?'. Als tegenzet opende ze haar schoot en zie: haar schoot lag vol met bloeiende rozen. Brood veranderd in rozen, brood veranderd in het lichaam des Heren, de Heer, die de armen als rozen zag. Kroon, brood en rozen! Elsabeth: eigenzinnig, geen meeloopster, zoekster naar verbetering van het lot van de armen, van de kansarmen, zorg uit respect voor de medemens. At your service.

Eens verzorgde zij - zo las ik - een melaatse die zij in het bed van haar man neerlegde. Toen de gealarmeerde Lodewijk ijlings en verontrust kwam kijken zag hij niet de melaatse, maar Jezus Christus in bed liggen. Een merkwaardig bedverhaal.

De dood van haar man is voor Elisabeth keerpunt. Zelf zegt ze: 'De wereld en alles wat het leven aangenaam maakt, is nu dood voor mij.' De adel laat haar prompt vallen, en ze gaat op de Marburg wonen met steun van paus Gregorius IX. Vier jaar na haar dood in 1231 zal dezelfde paus Elisabeth heilig verklaren, zoals de paus reeds eerder Franciscus  in 1228 heilig verklaard had. Of deze zeer snelle heiligverklaringen alleen gebeurde om religieuze motieven is de vraag want de paus leefde in voortdurend conflict met keizer Frederik 2, die aasde op het bezit van Italië. De paus hield met deze heiligverklaringen de keizer in ieder geval andere waarden voor.

In dezelfde tijd als Elisabeth leeft dus Franciscus van Assisi, van 1182-1226. Met hem breekt een andere tijd aan. Franciscus is een doorbraakfiguur, hij verzet zich tegen rijkdom en macht, en identificeert zich met de lijdende Christus. Niet de triomferende Christus, maar de lijdende Heiland: is het wenkende perspectief. Jezus, de Christus, wordt beleefd als de zich wegschenkende Messias die opkwam voor armen, zieken, gevangenen, voor de lijdende medemens.

Aan deze Franciscus en zijn beweging spiegelt Elisabeth zich. Volgens het verhaal stuurde Franciscus haar uit waardering zijn totaal versleten en vele malen verstelde pij. Elisabeth bewaarde dit haveloze kledingstuk als haar grootste schat. Waar of niet waar, in ieder geval tekenend.

Elisabeth kwam tot het besef dat het in het evangelie niet om macht en rijkdom gaat, maar om barmhartigheid en medeleven, om dienstbaarheid zoals Maria in haar Magnificat zong. Ze identificeerde zich met Jezus, die immers voorgehouden had: 'Ik ben niet gekomen om - als vorst - gediend te worden, maar om te dienen'. Dat woord, een vertaling van 'Heb God lief en je naaste die is zoals jij', dat woord maakte zij tot het hare. En een van haar kenmerkende uitspraken werd: 'Zachtheid wint het altijd van hardheid.' Dat deed haar volhouden bij alle zware crises. Ze leefde zelfs in blijmoedigheid: 'Ik heb het jullie altijd gezegd, wij moeten de mensen blij maken.' Die blijheid had ze zelf moeten veroveren, nadat haar zelf veel blijheid van kinds af aan ontnomen was. Magnificat anima me: mijn hart juicht om God, mijn redder!

De schrijfster Ida Görres schreef: 'Elisabeth is een voorbeeld van genade geweest. Dat Elisabeth de genade personifieert komt omdat zij zelf genade ondervond in de genadeloze wereld van haar dagen.'

Alle genade komt van God. Mogen we elkaar tot genade, tot zorgzaamheid zijn. Mogen wij onze medemens in nood tot genade zijn. Zo zij ons eigen Magnificat!

Frans Boddeke CSsR, Nijmegen november 2007-11-14, beschouwing te houden op zaterdag 17 november 2007 in de Elizabethkerk te Grave.

 

MAAR HOE?

~

11 september 2001. De grote, gevleugelde terreurbrand vindt plaats. Als een spelevaren, gewoon daar hoog in de lucht. De trotse gebouwen storten in als blokkendozen, er zijn duizenden doden. En je ziet de beelden: Het is niet wáár! Geblakerd New York! Wegsmeltend volk! Oh my God!

Je raakt verstijfd van schrik, wordt misselijk, je valt stil. Ongelovig, verbijsterd kijk je naar de helse attaque die de hele wereld confronteert, wakker schudt, doet lijden, doet huilen, doet rouwen, doet haten, doet kwijnen, doet sterven in de ziel. Weg lieve mensen. Weg mooie stad. Weg toekomst van veiligheid. Weg alle gedroomde vrede. Weg geloof in wie je nog ontmoet. De wereld en je leven hangen aan een zijden draad. Het is oorlog. Een gemene oorlog van onderhuidse strijd. Van onverhoedse vernietiging, van wereldbrand.

~

11 september 2006. Ben je bang geworden? Nee. Wel voorzichtiger, behoedzamer; steeds aftastend naar die andere mens toe. Je kijkt wel uit wat je zegt en tegen wie. Als je al een politieke mening had, ben je die maar liever vergeten. Niet alleen je innerlijk is gekwetst, ook je brein heeft geleden. Wie kun je vertrouwen? Je getinte buurman? De moslims in de straat? Ach, houd toch op. Zij hebben toch niets gedaan?

~

En je weet de verschillende denkwerelden in 1 land samengevoegd. Je moet verder, het gaat verder, er is geen weg terug. Je land zal nooit meer hetzelfde zijn. Dat hoeft ook niet: als het vertrouwen in elkaar, in die ándere méns terugkomt. Maar hoe?

~

Ine Verhoeven

 

25 jaar Catharinahof 010906

 

Vandaag bestaat Catharinahof 25 jaar.

Op 1 september 1981 namen de zusters dominicanessen van Neerbosch bezit van het wooncomplex Catharinahof. Een belangrijke gebeurtenis in een rumoerig jaar 1981. Want wat gebeurde er nog meer aan historie in 1981?

Op 20 januari mogen de laatste 25 gijzelaars de Amerikaanse ambassade in Teheran verlaten, waar ze worden vastgehouden door aanhangers van ayatolla Komeini.

Op 23 februari bestormt de Guardia Civil de Spaanse Cortes, het Spaanse parlement. Maar de coup mislukt door het krachtdadige optreden van koning Juan Carlos.

Op 12 april maakt Amerika’s eerste spaceshuttle Columbia een veilige ruimtereis.

Op 29 juli trouwen in Groot-Brittannië prins Charles en Lady Diana Spencer.

Tussendoor wordt een nieuwe ziekte ontdekt: Aids, de ziekte die het natuurlijke afweersysteem van de patiënt aantast.

Op 12 augustus wordt in ons land de nieuwe personal computer gepresenteerd. Een nieuw tijdperk inzake communicatie begint.

En precies 25 jaar geleden - eind augustus 1981 - verschijnt een religieus dagboek dat in vele talen vertaald wordt en dat door miljoenen mensen met ontroering gelezen wordt, ook hier op Catharinahof: het boek: ‘ETTY, De nagelaten geschriften van Etty Hillesum 1941-1943’, beter bekend als ‘Het verstoorde leven’. Etty Hillesum verwoordt in de oorlogsjaren wat zeer velen als kostbaar zullen ervaren: eigen individualiteit, eigen spirituele weg, menselijk gemeenschapsgevoel, solidariteit met de minsten der mensen, zelfs met belagers van het leven. Etty Hillesum beschrijft God als de God van meeleven, als de God van bevrijding en vooral als de God van vreugde, ook in de meest duistere omstandigheden. Zij is in 1981 voor velen een opmerkelijk weldadig religieus verschijnsel temidden van de verschillende felle stromingen in de Nederlandse geloofsgemeenschap.

~

Vandaag bestaat Catharinahof 25 jaar.

25 is geen bijbels getal.

In het Groot Getallenboek lees ik over het getal 25:

Het element met atoomgetal 25 is mangaan (Mn), een nuttig element bij het maken van legeringen.

De 25ste president van de Verenigde Staten is de republikein William Mckinley. Op 14 september 1901 wordt hij door een anarchist vermoord.

De 25ste paus is Dyonisius. Hij wordt in het jaar 259 tot paus gekozen en sterft in het jaar 268. De traditie wil dat hij de eerste paus is die niet als martelaar is gestorven.

~

Vandaag bestaat Catharinahof 25 jaar.

We kennen de hof van Eden, de hof van Olijven, het Begijnhof, het koninklijk Hof. Catharinahof heeft van al deze hoven iets in zich: iets maagdelijks van het Begijnhof, iets statigs van het koninklijk Hof, iets liefelijks van de hof van Eden, iets droevigs van de hof van Olijven. Catharinahof is een oord van lief en van vreugde, maar ook een plek van leed en verdriet. Lief en leed komen we in dit huis tegen. Maar de vreugde om het leven is toch groter en dieper dan het leed.

~

Vandaag bestaat Catharinahof 25 jaar.

De steen bij de ingang heeft het vastgelegd: ‘Heer, zegen dit huis en allen die hier wonen. September 1981.’

Catharinahof is gebouwd als huis voor religieuzen, is ontworpen als religieus centrum, waarin nagedacht wordt in woord, gebed en daad over de zin van het leven, over de zin van als religieuze mensen samen te leven. Dominicaanse waarden als laudare, praedicare en benedicere staan centraal, al hebben medebewoners/sters een eigen spirituele inbreng vanuit hun eigen congregatie, gemeenschap, society. Naast Dominicus en Catharina hebben onder andere Ignatius, Alfonsus, Franciscus, Albertus van de Karmel, Anna Dengel van de medische missiezusters hun intrede gedaan in dit huis. Religieuze verscheidenheid is ontstaan. Eenieder mag God beleven zoals hij/zij God ervaart mede tot verrijking van het geheel. Het is een te koesteren waardevol goed: de spiritualiteit en de levenswijze in verscheidenheid in onze ene en enige Catharinahof.

~

Rond 1981 onderging het religieuze leven ingrijpende veranderingen. De geloften werden getoetst aan het leven. De individualiteit kreeg een groter accent, de eigen verantwoordelijkheid werd benadrukt, de functie van het bestuur werd dialoog houden, het gemeenschapsleven werd gerelateerd aan menselijkheid, aan medemenselijkheid, aan vreugde in God, aan vreugde in de medemens.

Het beeld van God verandert in deze 25 jaar. De almacht van God wordt voor velen tot vraagteken, de religieuze mens vindt eerder zijn toevlucht bij de God van mededogen en goedertierenheid, bij de God als mysterie-vol-heil. Ik noem een groot theoloog als Edward Schillebeeckx met zijn grondgedachte: ‘God, ons rakelings nabij’, een man als Huub Oosterhuis met zijn visie over de nabijheid van God, hij verwoordt wat velen van ons voelen. Ook een vrouw als Etty Hillesum, levend temidden van verlies van velerlei waarden en normen en van verlies van het leven zelf, zorgt voor een doorbraak in het veelal heersende godsbeeld. Ze laat zien hoe genaderijk men God kan ervaren en beleven juist in uitermate moeilijke omstandigheden. Zo schrijft zij na haar eerste ervaring met kamp Westerbork - op 17 september 1942 - : ‘Er is zo een volmaakt en volkomen geluk in me, mijn God. Het is toch weer het beste uitgedrukt met zijn woorden: ‘ruhen in sich’. En hiermee is misschien het meest volkomen uitgedrukt mijn levensgevoel: ik rust in mijzelve. En dat mijzelve, dat allerdiepste en allerrijkste in mij, waarin ik rust, dat noem ik ‘God’. (…) En zo voel ik me, altijd en ononderbroken: of ik in jouw armen lig, mijn God, zo beschut en zo geborgen en zo van eeuwigheidsgevoel doortrokken. En het is net of iedere kleinste ademtocht van mij doortrokken is met eeuwigheidsgevoel en de kleinste handeling en het geringste gezegde heeft z’n grote achtergrond en z’n diepere zin (…) God, en dat omvat alles.’

~

Kostbare religieuze woorden, voor ieder van ons. Want God is de ziel van Catharinahof. Want God is de essentie van Catharinahof. God en dat omvat alles. God, ziel, essentie, dragende hoeksteen van Catharinahof.

Mocht ík een steen metselen bij de ingang, dan zou ik die woorden tot inscriptie maken: ‘God, en dat omvat alles.’ 

~

Vandaag bestaat Catharinahof 25 jaar.

Catharinahof is een gebouw met hart, een huis van licht, een pand van vrede.

Samen wonen, samen leven: gave en opgave. Elkaar niet beschadigen, elkaars persoonlijkheid respecteren, elkaar het leven gunnen: nastrevenswaardig ideaal in weerbarstige werkelijkheid.

Het zij ons gegeven om wijs met elkaar te leven in de zin van de eerste bijbellezing, het zij ons gegeven te leven in het licht in de zin van de tweede bijbellezing:

opdat Catharinahof een hof zal zijn, waar het goed toeven is;

opdat Catharinahof een hof zal zijn waar de tekst óplicht: ‘zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie vader in de hemel.’

~

Want het laatste woord is aan God, aan God die alles omvat, aan God, die belooft: ‘Ik zal er zijn voor jullie. Ik Ben.’ Met God hebben we op Catharinahof niet alleen stralend zilver maar vooral Goud in handen.

Frans Boddeke

Nijmegen, 1 september 2006

Bij de gaven van brood en wijn.

‘Je hebt me zo rijk gemaakt, mijn God, laat me ook met volle handen uit mogen delen. Mijn leven is geworden tot één ononderbroken samenspraak met jou, mijn God, één grote samenspraak (…) ik aanvaard alles uit jouw handen, zoals het komt. Ik weet dat het altijd goed is. Ik heb ervaren dat men, door al het zware te dragen, het verkeren kan in het goede.’

 

Sacramentsdag Dominicuskerk Nijmegen 18 juni 2006

 

OVERWEGING

Door Frans Boddeke CSsR

Zoals op veel plaatsen het oranje je tegemoet straalt, zo was jaren geleden op een dag als vandaag te zien dat het Sacramentsdag was. Met bloemen versierde huizen, rustaltaren, processie, bruidjes, priesters in gouden gewaden, gezang met het tantum ergo, en vooral de monstrans met de witte hostie: het waren allemaal openlijke uitingen rond het mysterie van de aanwezigheid van Jezus in brood en beker. Op deze Sacramentsdag 2006 vieren we de eucharistie als herinnering aan de zelfgave van Jezus in woord, brood en beker. (Exodus 24,3-8; Marcus 14,12-26)

Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed: het zijn de instellingswoorden, woorden die een hoogtepunt zijn tijdens iedere eucharistieviering, mysterievolle woorden. Er is in de loop van de tijd veel geschreven over de instellingswoorden. Moeten de woorden ‘dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed’ letterlijk verstaan worden? Of mogen de instellingswoorden symbolisch begrepen worden, verwijzend naar Jezus bij het laatste avondmaal? Zoals de kleur oranje in deze dagen verwijst naar het Nederlands Elftal, zo verwijzen brood en wijn naar de zichzelf gevende Jezus.

Ook kan men lang disputeren, discussiëren, of de eucharistie een offer is of een maaltijd.

Heiliger lijkt het om het mysterie van de eucharistie zo onbevangen mogelijk in je toe te laten. Heiliger lijkt het om de eucharistie allereerst te ervaren als een geschenk, als een gave van God. Heiliger lijkt het om de eucharistie te beleven als bron van vreugde, als oproep ten leven, als feest van bevrijding.

 

Het feest van het allerheiligste Sacrament werd in de dertiende eeuw ingevoerd op voorspraak van Juliana van Cornillon. Deze Juliana had een merkwaardig visioen. Ze zag een schijf vol licht die door een zwarte strook in twee gelijke delen gescheiden werd: dit visioen betekende in haar verwonderlijke uitleg dat aan het kerkelijke jaar het feest van het H.Sacrament ontbrak. Ze deelde het visioen mee aan paus Urbanus IV en de paus stelde in 1261 Sacramentsdag in. En in het jaar 1317 bepaalde paus Johannes XXII dat op Sacramentsdag een processie door de straten zou trekken, hetgeen bij voorbeeld in Limburg, en zelfs in Amsterdam heden ten dage nog gebeurt.

 

Sacramentsdag verwijst naar het Laatste Avondmaal. Maar het begrip ‘Laatste Avondmaal’doet ook denken aan alle andere maaltijden, die Jezus gehouden heeft. Jezus at immers met veel mensen, wie ze ook waren, soms met duizenden tegelijk.Alle mensen hoorden volgens hem bij het koninkrijk Gods. Daarom ging hij aan tafel met mensen van allerlei slag.

Deze joodse maaltijden waren symbool van messiaanse eenheid. Zo werd bijvoorbeeld het verbond met God in het Oude Testament besloten met een maaltijd. In het boek Exodus 24,11 staat: ‘Zij aanschouwden God en aten en dronken.’ De bevrijding wordt samen met God gevierd.

De maaltijd stond immers symbool voor het messiaanse rijk, zoals de profeet Jesaja zegt in 26,6: ‘De heer der legerscharen richt op deze berg voor alle volkeren een feestmaal aan met uitgelezen gerechten, een feestmaal met belegen wijnen.’

 

De evangelietekst over het Laatste Avondmaal gaat niet echt in op het joodse karakter van de Pesachmaaltijd. De tekst zegt wel: ‘De volgende dag zou het feest van Pesach - het slachten van het Pesachlam - en het Ongedesemde brood beginnen.‘ De andere joodse rites komen niet ter sprake. Wel wordt het verraad door Jezus voorzegd. Jezus had al eerder gezegd dat hij zou moeten lijden en sterven, maar tot nu toe had hij met geen enkel woord gerept over het feit dat de verrader iemand van zijn eigen kring zou zijn. Nu wordt duidelijk dat het een tafelgenoot zal zijn: ‘een van jullie’. Dit inzicht van Jezus geeft weer dat hij weet wat er te gebeuren staat.

De rituele tekens tijdens de pesachmaaltijd rond brood en wijn worden door Jezus vervangen door een nieuwe betekenis. Het gebroken brood duidt Jezus aan als zijnde zijn lichaam, en de beker wijn als zijnde zijn bloed, dat tot heil is van velen.

Het gewone brood, het aardse brood, krijgt de diepste geloofsbetekenis: het wordt teken van Jezus. En ook de beker wijn krijgt de rijkste duiding: de beker als symbool van het bloed dat vergoten zal worden tot redding van velen. Jezus drukt met brood en beker zijn algehele, blijvende trouw aan God en de mensen uit.

 

Wanneer een geliefde aan zijn beminde een ring geeft, bedoelt hij meer dan een zakelijk gebaar, bedoelt hij iets anders dan het goudgehalte van de ring te benadrukken, hij wil zeggen: in deze ring zie ik jou, mijn geliefde. Zo zijn de woorden ‘dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed, méér dan een zakelijke mededeling; ze betekenen: ‘dit brood en deze wijn bevestigen Mij, Jezus, die van jullie houdt, die van God is, die bij God is en die bij jullie is. Ze betekenen: Mij, gezondene van de Vader.

De woorden drukken de mystieke verbondenheid met de verrezen heer uit. Het gaat om de dynamische ontmoeting met de verrezen heer, van ziel tot ziel.

 

De woorden ‘dit is mijn lichaam’ - voor het gebroken en uitgedeelde brood - en de woorden ‘dit is mijn bloed’ - voor de gedronken wijn - , zijn de sleutel tot het verstaan van Jezus’ leven en van zijn totale overgave. Ze roepen de tekst op: ‘Want ook de mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’ (Marcus 10,45.)

Met de tekenen van brood en wijn laat Jezus zien dat hij zal moeten lijden en sterven - gelijk de graankorrel die in de aarde valt - maar dat God hem trouw zal blijven ten leven. Want hij zegt: ‘Ik verzeker jullie: ik zal niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag komt dat ik er opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van God.’

 

De vreugde om God en zijn bevrijdende aanwezigheid overheerst bij het laatste avondmaal. Iedere eucharistische maaltijd zegt dat mensen kostbaar zijn in Gods ogen. Het gaat in laatste instantie niet om het lijden, niet om het offer, maar om de vreugde om als bevrijde mensen te mogen leven in Gods heilig verbond. Gods voedsel doet ons leven voorbij de dood.

Dit goddelijke feest van brood en wijn is ons in handen gegeven. Aanvaarden we dankbaar de door God geschonken gaven, de zelfgave van Jezus aan ons, mensen. Amen.

Frans Boddeke

Nijmegen 18/06/06 Dominicusparochie.

 

 

Gedenken in de meimaand

 

Om vrede bidden wij en vrede maken wij.

Wij, de gelovige pacifisten van vandaag,

staan ervoor en gaan ervoor, steeds vanuit het evangelie van de HEER.

Wij gedenken en beschermen met gebed en met goede daad.

Wij wensen voor u en voor ons en voor de mensheid van goede wil

immers een wereld vol van

Vrede en Alle Goeds!

Meimaand, moederdagmaand, Mariamaand, maar ook de maand van gedenken, van ons herinneren dat ruim 60 jaar geleden de Tweede Wereldoorlog werd beëindigd. Er was verdriet alom in allerlei toonaarden, duizend tranen bij alle gezindten. Het verraad, de holocaust, de moord op joden, op zigeuners, op homoseksuelen, op jehova’s getuigen en op minderbegaafde medemensen, dat alles, en nog meer, liet onuitwisbare sporen na. De gevallenen, zij die hun naam met zich meedroegen, zij die stierven als de onbekende soldaat, waren uit het lieve leven weggerukt, weg voor altijd van hun familie en vrienden. Gestorven voor koningin en vaderland, en voor ons. Op 5 mei vieren we ons aller Bevrijdingsfeest. Dat doen we nog steeds, want: de oorlog is voorbij! Het verzet van hen die door alles heen het recht wilden doen zegevieren, is voltooid. Bravo voor deze dapperen! Zij hebben zich belangeloos ingezet om te redden wat er te redden viel, met gevaar voor eigen leven. Ja, de oorlog is, allang, voorbij; en de oorlog moet voorbij zijn, voorgoed. Het beeld van de oorlog mag niet worden gekoesterd, nooit, maar het moet wel worden bewaakt. Daarom denken we op 4 mei aan de doden, daarom denken we op 5 mei aan de levenden. Om wakker te blijven, om herhaling van de oorlogsverschrikkingen te bezweren, om vrede te doen bestaan, echte vrede.

Laat het vrede zijn, vrede in je hart, in je kring, in de wereld, multicultureel. Wij, de pacifisten van vandaag, staan ervoor en gaan ervoor. Onze kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen, kortom, al onze nazaten hebben het erfrecht op God en goed. Het erfrecht op menswaardig te kunnen leven, en in vrede, altijd door. Het is het kind dat de toekomst van de wereld tekent. Door ons. Alles in vrede. Moge het zijn.

~

Auschwitz

 

In het spoorland

lopen voeten langs de trein.

De trein sjokt weg

als alle voeten zijn verdwenen.

Ginder

worden mensen ingeslikt

door brandende ovens van gas.

Ginder

spuwt botten op en as rest waar

voeten niet meer lopen.

Ginder

worden ze ingeslikt, de mensen.

 ~

Voeten worden uitgespuwd,

ze lopen

uit monden van kachels en haters

die opnieuw alweer aangloeien om --.

Oh nooit meer Auschwitz.

 

© Ine Verhoeven Nijmegen

 

Tekening uit: ETTY, de nagelaten geschriften van Etty Hillesum, 1941- 1943. Vanuit Kamp Westerbork werd elke dinsdagochtend een duizendtal joden op transport gesteld naar ‘het oosten’. In Auschwitz werd een klein aantal joden tewerkgesteld om ‘schoon te maken’, zij stierven binnen twee maanden; het merendeel van hen werd meteen vergast. In het herinneringskamp Westerbork zijn momenteel, onder andere, de barakken en een deel van de gewraakte treinrails te bezichtigen. I.V. (Geprofest lid in de Orde van Franciscaanse Seculieren, zie http://www.ofsnederland.nl/)

 

ZIJ ZIJN VAN GOD            

 

Als gelovige medestander van homoseksuelen en als oud-redac­teur van Vroom & Vro­lijk - tijd­schrift voor homoseksuele gelo­vigen - reageer ik op 'Citaten uit de pers' van Op de Hoogte september 2000 (Boskapel).

 

Mensen horen bij mensen. Mensen zoeken mensen: om mee te praten, te werken, te delen, te vieren; en om mee te leven. Mensen zoeken mensen bij wie ze zich gebor­gen weten, en door wie ze worden beves­tigd. En vaak ook heeft de zoekende mens het geluk een mede­mens te vinden met wie hij verder mag gaan. Dat samen verdergaan is niet gemakkelijk. Samengaan betekent afzien en delen, is elkaar dragen door lief en leed. Samengaan is ook jezelf van tijd tot tijd op de achtergrond stellen. Wie weet niet hoe moei­lijk het is om de trouw aan de ander te bestendigen? Wie bereikt de volmaak­te trouw? Kortom, samen verdergaan is een ernstige zaak, waarbij het geluk de part­ners echt niet van­zelf in de schoot wordt gewor­pen. Des te harder is het nega­tieve oordeel van de kerken inzake het volledig samen­gaan van homo­sek­suele men­sen. Ik ben, en juist vanuit mijn ge­loof, ervan overtuigd dat geen enkele mens­waar­dige leef­wijze mag worden veroor­deeld. 's Lands wijs is 's lands eer, zegt het spreek­woord. Ik ver­taal het in: de le­vens­stijl van de mens is de eer van de mens. De levens­stijl van elk welwillend individu moet dan ook worden geres­pec­teerd. Hoe mensen hun verbond sluiten, hun partnerschap invul­len of aan hun samen­gaan inhoud geven, vermag niemands bemoei­enis. De le­vens­wijze van de mens refereert aan zijn persoon­lijke in­stel­ling, aan zijn individu­ele behoef­te en aan zijn unieke eigen­heid. Geen mens heeft het recht de ander te ver­oordelen omdat hij anders is, anders denkt, zich anders ge­draagt; of leeft vanuit een andere geaardheid dan de gangbare hetero­seksuele. Ieder mens zal zijn leven doorleven op de hem eigen manier; zoals híj het leven vol kan houden. En dat zal zijn vol­gens zíjn aard en niet volgens de aard of het denk­beeld van wie dan ook. Een harmo­nieus samengaan van twee mensen vraagt op zich te veel inspan­ning en concen­tratie om er ook nog de be­moei­zucht van de buiten­wacht bij te krijgen. En: wat goed is, moet goed blij­ven. Wat slecht is, hangt af van het resul­taat. Het posi­tieve (lief­des)le­ven van mensen is onaan­tast­baar particu­lier. Ik vraag me derhalve af wat bij het oordeel van de paus, waarin hij homo­sek­sualiteit neerzet als 'een objec­tieve stoor­nis', de meer­waarde is van gelo­ven. Ís er wel een meer­waar­de?

Ideaal

Gelovig zijn staat voor meewerken met de genade van niemand minder dan de goede geest van God zelf. Maar gelovig zijn is ook indivi­dueel en dat doe je als de mens die je bent. God houdt van je, zegt ons geloof. God is de volmaakte vader. God is de perfec­te schep­per. God is de vervolmaker van de dingen, van alles wat ademt, wat leeft. God is de volkomen liefde.  Daar­vandaan immers heeft Jezus des­tijds tot zijn leerlingen ge­zegd: Hebt elkan­der lief.

Hebt elkander lief in Jezus' geest. Dat is gelovig liefheb­ben. Dat is jezelf en de ander respecte­ren, jezelf en de ander al het goede van het leven gunnen, jezelf en de ander gade­slaan met een glimlach; en tegelijkertijd met gepas­te ernst. Het correcte samengaan met de ander is sowieso een verre van gemak­ke­lijke taak, waaraan je je hele le­ven vastzit. Zoals ook de, al of niet gelovige, lessen over het leven zullen duren van de wieg tot het graf.

Realiteit

Gelovig zijn? Gelovig liefhebben? De gelovige lessen over het leven? Soms merk ik dat het lieve geloof van nogal wat chris­tenen toch niet zo'n bijster blije zaak is. Bijvoorbeeld, als ik ermee word geconfronteerd dat ergens, vanuit een of andere ge­loofs­ideologie, mensen geestelijk en/of licha­melijk worden onder­mijnd; als er in gelovige gemeen­schappen onder­ling vanuit bijbelse in­vals­hoeken twee­dracht bestaat; als er soci­aal gezien ongodde­lijk-into­leran­t wordt omge­gaan met de anders­denken­de; en als er, actueel genoeg, door de kerken minderhe­den via het dogmati­sche geloofs­part worden bui­ten­ge­slo­ten omdat deze mensen hun 'andere' seksuele geaardheid niet kunnen negeren, dus volgens hun natuur leven met hun niet-hete­ro-zijn, ja, dan be­twij­fel ik al dat bevrij­den­de blije, dat schuilt in de christelij­ke boodschap en dat juist álle belij­dende gelovigen zou pas­sen. Want de ziel van het evangelie sluit geen mensen uit. Maar met van die wet­tisch negatie­ve, vaak uit de Schr­ift geplukte, ver­meen­de con­state­ringen inzake homoseksualiteit komt veelal vanuit het geloof nog te weinig heilge­vends. De veroordeling door het hoogste gezag van homo­seksueel gedrag biedt bijvoorbeeld aan gelo­vigen de vrij­brief om de 'ande­re mens' te kleineren, of zelfs te ver­werpen. Dien ik daarmee God? Heb ik daarmee mijn naasten lief als mijzelf?

Hoe verwonderlijk is het dan als weggewezen mensen zich groe­pe­ren? Als ze, ook al uit verweer, nog enkel steun zoeken bij el­kaar? Wat valt er voor hen te integreren in de kerken? Het is kennelijk nog voor te veel (gelovige) mensen ondoenlijk om de homoseksuele mens niet als afkeerobject maar als 'nor­maal' mens te zien.  

Praktijk

Als ik na een weldadige eucharistieviering nog even kof­fie­drink, hoor ik een man naast me luidop oreren: Die les­biennes pik ik er áltijd uit! Homo's ook! Maar homo's zijn aardi­ger. Ele­gan­ter en veel schoner ook. Lesbien­nes zijn grof en smake­loos. Nou ja, dat geldt níét voor mijn lesbi­sche buur­vrouwtje­! Een schóónh­eid! Dan denk ik: wat zónde nou dat ze les­bisch is!  

Wat denk je dan, als de heterovriendin van een lesbienne? Oh, je zegt niks, je aanhoort. Maar je ziet je liefste maatje weer voor je, zoals ze toentertijd met haar eenzame strijd naar buiten kwam. Hoe dapper doorvocht ze die zwarte periode van pijn en ont­goo­che­ling, van het allerhardste oordeel, van discrimina­tie, van nagewezen worden. En je denkt weer terug aan dat witte ge­zicht­je, die te dunne pols­jes, breekbaar haast. Brood­mager was ze toen geworden. En gek genoeg breekt opnieuw je vrouwenhart. Niet om haar geaardheid, maar om het leed. Om al dat onnodige, dat onbegrepene; om alle oor­deel ... nog ste­eds.

Mijn vriendin van tóén. Ze is intussen getrouwd. Met een vrouw. En nu denk ik aan twee mooie men­sen, die er willen zijn voor elkaar. Zij zijn van God. Wie mag het ontkennen? Mijn eenvoudige mensenhart is dank­baar. Ik geloof.

 

© 2000 Ine Verhoeven

 

Die zwarte duivelse vliegen!

 

Als mijn geloofsvriendin Lotus mij inviteert om een babbeltje te komen maken, weet ik nog niet dat dit mijn laatste bezoek aan haar gaat worden. Lotus' dochter Deborah heeft een zoon­tje gekregen en bij binnenkomst feliciteer ik de nieuwbakken grootmama met het nieu­we leven van dit nog zo prille mensen­kind.

 

Lotus schenkt zwarte koffie in. Dan zet ze zich neer en we zitten samen in de geriefelijke stoelen en tussen de vier honden, die op hun plaats­en in de kamer knorrend en snurkend waken en dommelen.

Bij de gewijde kruisen en de Mariabeelden en tussen de Indone­sische buddha's, die ze niet hoefde te verwijderen van een van haar paters-begeleiders omdat het erfstukken zijn, praten we vervolgens en zoals gewoonlijk over het geloof. Over ons geloof, ook over ongeloof. En Lotus zelf is expert in bijgeloof. Dat wist ik al, hoewel ik aldoor hoopte dat ze daar doorheen zou groei­en. Ik herinner me weer haar – plotselinge - reële visie op bepaalde religieuze bewegingen, hoe ze zich hiervan distan­tieer­de en van­uit welke beweegredenen dit doorgaans geschied­de. Dat gaf me de hoop op een voor haar frisse geloofshouding. Maar Lotus is veran­der­lijk waar ik het niet ver­wacht en vast­houdend waar ik het niet toejuich. De bekeringen van Lotus zijn veelvuldig en wisselend. Het wil me nogal eens vermoeien, maar ik hecht - op dat moment nog - waarde aan onze vriend­schap en hoop dat deze in christelijke zin kan blijven bestaan. Ze is echter ook berekenend. Ik blijf bij haar toch voortdurend op mijn hoede. Ze heeft in haar impulsi­viteit vaak wat al te snel geoordeeld, en niet onge­vaar­lijk. Vooral wanneer ze er op voorhand van uit­ging dat de duivel in haar bezoeker(s) aan het werk was. Ze zou dat kunnen zien aan de ogen en kunnen horen aan de stem, welke op zulke demonische momenten 'met elkaar vloeken'. Ach ja, Lotus was en is en blijft tóch een 'helder­zien­de'. Ze stag­neert zelf voortdurend bij het punt van haar paranor­maal en occult verle­den. Maar ze weet dit fenomeen ook handig te draaien en te integreren in de katho­lieke ge­loofs­leer. Rusti­g bouwt Lotus verder aan haar eigen bijgeloof binnen het roomse geloofsgoed, dat zij zelf ziet als het enige ware, het enige be­trouwbare ter wereld. En haar boeken over verschijnin­gen van allerlei

Mariamaagden, engelen en duivels en de vele schr­ijf­sels over hel en ver­doemenis en het laatste oordeel worden hierbij door haar van harte verslonden en ge­koes­terd.

 

Afgoderij, wijwater en angst

Flash back: In de zomer van 1992 liet ze me eens ogenblikke­lijk opdraven. Alle foto's van haar en haar man Abel in Indo­nesië moesten worden vernietigd. Afdrukken van haar devote hou­ding bij de afgodsbeelden, bij de buddha's, bewijzen van kaarsen die ze offerde en geurende bloemen die ze legde in de tempels, plaat­jes van zegeningen die door de monniken over haar werden uitge­sproken bij de goden, dat alles moest weg, verdwijnen. Hoe dat te doen? Ja, wist ze, ze diende wijwa­ter te spren­ke­len, fles­sen vol, en die ledigen over de foto's EN over de negatie­ven. Daarna spiri­tus gieten over de scheursels en branden maar. Of ik wilde helpen, daar achter in die tuin? Waarom niet? Een barbecue was me wel aardiger ge­weest, maar die organi­seert Lotus liever voor haar profáne vrienden. Die moeten immers nog worden gered! En: ze is dan wel niet ván maar toch altijd nog wel IN deze wereld!

Alvorens aan het ritueel van de verbranding te beginnen, belde ze een van haar paters op: 'De zegen, alstublieft!' Die volgde prompt in het Latijn. Lotus accepteert niet minder. Enfin. We waren net klaar met de hele stinkboel toen Abel thuiskwam. En Lotus gebood me 'omwille van onze zielen' te zwijgen. Dus loog ze rustig over de stank. Abel was niet gek en Abel is niet gek te krijgen. Hij had niet veel voeling nodig om door te hebben dat de vakantiefoto’s uit Indonesië naar de bliksem waren. 'Voor je ziel, Abel! Ach, jij bent niet gedoopt!' En daar­mee was deze kous voor Lotus af.

 

Zwarte vliegen en paters sparen

'Luister', klaagt Lotus terwijl we in de comfortabele stoelen de zwarte koffie drinken, 'Onze zoon Point is sinds kort in militaire dienst. Ver­schrikkelijk! Niets is er met die jongen nog te beginnen. Hij wil niet meer naar de kerk. Hij wil niets meer horen over Jezus en moeder Maria! Hij gaat op stap, hij gaat VERLOREN! Hij is zo onverschillig. Hij lacht me uit! Hij heeft zich pás laten dopen! En hij wilde priester worden, weet je nog? Wat moet ik doen?' Ik hoef haar geen raad te geven, ik wéét wat ze zal gaan doen. Ik zeg: 'Wat je hart je ingeeft, Lotus.' Ze staat op en draait een nummer: 'De zegen, pater, alstublieft.' Als ze weer zit, gooit ze er in één adem uit: 'Ik stond te strij­ken op Points kamer. Honderden, nee, wel duizen­den zwarte brom­vliegen kwamen tevoorschijn uit alle hoeken. Ik meppen en meppen. Ineens waren ze allemaal verdwe­nen. Ik pater Jozef bellen. En pater Hubertus. En pater Piet en pater Jan van de franciscanen en pater Koopman. O, en pater Amadeus, die exorcist, die al eens hier was. Ik vroeg hen allemaal om de zegen! Ik heb gebeden! Het ene rozenhoed­je na het ande­re. De duivel was toen verdwe­nen. Want jij snapt toch wel dat dat alle­maal duivels waren! Nou, de volgende morgen weer! Ontel­baar, zoveel van die vieze zwartgroene vliegen! En ik weer vech­ten, vechten met die dui­vels. Weer bellen naar de paters, weer zegen van de paters! En met wijwa­ter door mijn huis. Abel was weg, dus ik kon rustig zuiveren! Toen ik ze allemaal had verjaagd, was er nog één over. De dikste, wat denk je?! Een gevecht op leven en dood! Weg was-ie. Ik had gewon­nen! En 's avonds zat die dikke er wéér! Weet je wat het is? Het is Point. Point deugt niet. Point gaat naar de hel! Denk je dat ik een pater moet laten komen om ons huis nog eens te zuive­ren? Abel zal weer mopperen! Hij laat zich niet dopen, nog altijd niet. Móet er nou een pater komen?' Ik denk dat ze dat allang ge­pland heeft. Maar ik leg die be­slissing bij háár neer en zeg dat ze dat zelf moet bepa­len.

Lotus kan echt niet zonder de telefoon: 'Vóór ik op bede­vaart ga, moet alles hier veilig zijn. Pater Jozef is oud en Huber­tus zit in Fatima of in Lisieux. Ik denk nu aan pater Jan.' Ze drukt het nummer feil­loos in zonder op een papiertje te kij­ken. 'Werkelijk', denk ik, 'Lotus spáárt paters!'

'Voor elkaar', triomfeert ze even later, 'hij komt!'

Ik sta op en aai links en rechts de honden. 'Dank voor de koffie, Lotus, kom jij nu maar eens bij míj op be­zoek', pro­beer ik, wetende dat ze dat NOOIT zal doen. Er ligt immers stof in mijn huisje en soms vliegen er van die dikke vette brommers rond. Groenzwart en glimmend. En ze weet, dat ik stel dat het gewone bromvliegen zijn. De duivel bestaat niet voor mij. Dat is het ergste voor Lotus: dat ik niet geloof in die dui­vel. Maar ik geloof wél in God. En met de hoogste voor­rang.

 

Later heb ik Lotus nog eens een brief geschreven. Ze heeft me niet geantwoord. Een van 'haar' paters is het gloeiend met Lotus eens. Hij kwalificeerde me tot de zoekers, tot de twij­fe­laars, zelfs tot de dolenden der aarde. Dat zij maar zo, want het lijkt me niet onfris bij tijd en wijlen de waarheid der dingen te peilen. En van brom­vliegen lig ík niet wakker. Noch van vermeende zwarte duivels.

                                           © 1993   Ine Verhoeven

 

Over Kerstmis

 

Terwijl ze (Maria en Jozef) daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem neer in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad. Niet ver daarvandaan brachten de herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. De engel zei tegen hen: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren. Hij is de messias, de Heer. Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.’ En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden: ‘Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft.’

Tot in de jaren negentig van de vorige eeuw las men met Kerstsmis de tekst: ’En zij bracht haar eerstgeboren Zoon ter wereld, wikkelde Hem in doeken, en legde hem neer in een kribbe, want in de herberg was voor hen geen plaats.’

In de nieuwe bijbelvertaling is het woord kribbe vertaald in voederbak. En Maria en Jozef vinden geen plaats en onderdak in het nachtverblijf van de stad. Het woord herberg is verdwenen. Ze leggen Jezus neer in een voederbak: méér staat er niet over hun onderkomen.

Maria wikkelde hem in een doek: (doek enkelvoud). De tekst is een verwijzing naar het boek Wijsheid 7,4-5: ‘Ik heb in de windsels gelegen, ik moest verzorgd worden. Want het leven van een koning heeft geen ander begin.’ Jezus’geboorte wordt derhalve vergeleken met de geboorte van de wijsheid en tevens duidt de tekst op het koningschap van Jezus.

Maria legde Jezus neer in een voederbak. Deze zin verwijst naar de profeet Jesaja 1,3: ‘Een rund (os) herkent zijn meester en een ezel kent zijn voederbak, maar Israël mist elk inzicht. Mijn volk leeft in onwetendheid.’ In het geboorteverhaal zelf is er geen sprake van dieren bij de voederbak, schapen? De os en de ezel zijn er later bijgezet op grond van deze tekst van Jesaja.

De boodschap is bestemd voor heel het volk, dat met grote vreugde vervuld zal worden. Idealiter geschetst. In feite keren de leiders en delen van het volk zich af van Jezus: Jeruzalem erkent Jezus niet. Grote vreugde: het gaat niet om het kruis, maar om de verrezen Heer.

‘Niet ver vandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde.’ De herders waren echt geen ‘herdertjes’. Het waren mannen die leefden in een harde situatie. Op de achtergrond speelt het verhaal mee dat Kaïn Abel doodt in het veld. ‘Abel werd herder, Kaïn werd landbouwer. Kaïn zei tegen zijn broer Abel: ‘Laten we het veld ingaan.’ Toen ze daar waren, viel hij zijn broer aan en sloeg Kaïn dood.’ Het veld  is de plaats van bedreiging, zeker het veld in de (kerst)nacht, de donkerte.

Het geboorteverhaal moet niet al te letterlijk verstaan worden. Het verhaal is geschreven na Jezus’dood en verrijzenis rond het jaar 80. De verteller heeft daarom allerlei elementen van Jezus’leven, dood en verrijzenis ingebracht in het geboorteverhaal. Zo voert hij bijvoorbeeld de term ‘Heer’ in. Het begrip ‘Heer’ is een term, die eerst gebruikt wordt als Jezus verrezen is.

De woorden’ Eer aan God’ worden ook in verband gebracht met het lijden van Jezus.  Als Jezus zijn lijden te Jeruzalem begint, klinkt het: ‘Gezegend hij die komt als koning, in naam van de Heer. Vrede in de hemelen, eer aan de Allerhoogste.’ – Lucas 19,38 -. Deze tekst doet herinneren aan de woorden van de engelen in de kerstnacht. In het geboorteverhaal van Jezus zijn dus duidelijk het lijden, de dood en de verrijzenis van Jezus opgenomen.

Onder de term messias wordt verstaan ‘Jezus, de Christus’. Het begrip ‘Christus’ zegt volgens Joodse verwachting dat God iemand aanstelt in de eindtijd over het volk van Israël. God geeft een persoon de volmacht om een centrale rol te spelen in de tijd van het Gods heil.

Frans Boddeke

 

WIJ ALLEN ZIJN DE PELGRIMS

EN NIET ZÓMAAR ONDERWEG

Van hoge verwachtingen en onze God ons nabij.

Door Ine Verhoeven

Wat kan er met je gebeuren wanneer je een opmerkelijk bijzon­der mens ontmoet? Zo'n mens met van die ogen die als het ware een ziel vanbinnen laten zien; zo'n mens met die voel­bare diep­gang waar­ je gewoon niet omheen kunt; zo'n mens die jou herin­nert aan het bestaan van het goddelijke aspect in het leven van alledag, die jou in zijn eenvoudige zijn doet denken aan de belangrijke levenswaarden als liefhebben, als mede­men­se­lijk­heid; zo'n mens die dan zomaar naar jouw stad is gekomen om symbolisch de zo vurig gewenste vrede in een vlam te vangen en deze op te pakken om hem mee te zullen dragen op zijn pel­grimstocht naar Rome, stad van goddelijke eeuwigheid.

Ja, zo'n markante vredesmens zal onmiddellijk het povere waak­vlam­metje in jouw hart, in jouw ziel raken; en je hart brandt en je ziel staat in lichter­laaie: 'Brandde ons hart niet in ons toen hij met ons sprak?' zeiden de Emmaüsgangers nadat ze de Chris­tus in de vreemdeling hadden herkend. Ja, dat zou er met je kunnen gebeuren als je een heilig mens, een meemakend indivi­du ontmoet; en zo'n 1500 goedgelovige mensen hebben het denke­lijk zo ongeveer ver­wacht toen de Indiase goeroe en vredesac­tivist Mansukh Patel in het concertge­bouw ‘De Vereeniging’ van Nijmegen zou spreken in de namiddag van de 21e mei 2000 ... Maar ik zal een ándere getuigenis moeten afleg­gen dan in de voren­staande hoopvol­le tekst, want de erva­ring bleek anders uit te vallen; ofschoon ik wel begrijp dat elke ervaring, posi­tief of nega­tief, zijn vruchten afwerpt ... voor wie het correcte resul­taat wil onderken­nen. In deze Door­tocht mijn verslag.

Verwachtingsvol publiek

Op zondagmiddag 21 mei 2000 zal de Indiase leraar en vredes­activist Mansukh Patel, tenger postuur, klein van stuk, groot charisma, in de stadsschouw­burg van Nijmegen spreken. Ongeveer 1500 mensen zijn hier samenge­komen om deze puur ogende mens Mansukh te zien, te horen, te ervaren; velen met de hoop om een glimpje waarachti­ge hedendaagse heiligheid op te kunnen van­gen; en velen met hun eigen, nog diepere wensen. Zij vormen een bont maar herkenbaar gezel­schap dat aan de flowerpower van de zesti­ger/zeventiger jaren doet denken en dat zijn enthousi­asme om deze kleine, heden­daagse Fran­ciscus niet wil ver­ber­gen. Het gezel­schap wacht, een enkeling pinkt zelfs een traan­tje weg, men glim­lacht verwach­tingsvol ... Had het ganse volk van de wereld niet een nieuwe mens als hij, Mansukh, nodig, een mens met heiligma­kende gena­de, een mens van liefde en vrede, een mens die het volk op­nieuw aan­raakt en het wijst op het goede in de mens, op de vrede in de wereld, vrede die slechts kan aanvan­gen in ieders hart apart, en nergens anders?            

16.10 uur. Er komt beweging op het podium, een jonge man verschijnt, leidt in, verzoekt de mensen om op te staan. Alle slaperig­heid van de zondagmiddag moet eerst worden weggejogd; of iedereen wil meedoen, de armen en de benen wil zwaaien, wil geeuwen als een leeuw, zich helemaal van top tot teen wil strekken? En het publiek voert zijn aanwijzingen uit; het volk in de volle zaal deint, beweegt de ledema­ten, draait de hoof­den links, rechts en rond, schudt de handen van de bu­ren; men lacht nog vriendelijk naar elkaar, hier heerst de vrede im­mers?

'Zo is het genoeg', glimlacht de inleider; hij heeft een fris saunage­zicht, is keurig gekleed, spreekt cor­rect En­gels. De mensen­golf zijgt neer in de stoelen. Er heerst verwachting, veel verwachting: Die man kondigt nu toch de grote goeroe aan?

Nee. Een dame maakt gewag van het filmsucces van de goeroe en zijn volgelingen: van de Life Foundation International: 20 films zijn er in de afgelopen tijd gemaakt; van het gul gege­ven geld van trouwe aanhangers, mensen die weten waar het Licht te vinden is ...

'Is iedereen open van­binnen, is ons emotioneel systeem open met een dank? Wij distilleren Mans­ukh's wijsheid' zegt de dame. En Mansukh's zoontje zet een kaars, Het Licht, neer op het podium. Dat wekt kort­stondige ontroe­ring. Als het kind met de handen heilig gevou­wen en met snelle stapjes achter de coulissen is verdwe­nen, komt een jonge danseres te voorschijn, wipt van haar hielen op haar tenen en danst in zijden kleding in de kleuren goud, rood, zilver, geel, oranje en wit haar dans. Het wordt al wat vervelend; kwam het publiek niet voor de vredes­activist zelf? De danseres beeldt omgeving en schep­sels uit, als in een sprookje maar dan gezongen en gedanst: Wensen van mensen, denk ik. Ze danst op hese fluittonen en op klapklap-toktok­gelui­den; het doet Chi­nees aan, en In­disch. Aziatisch in ieder geval. Ergens in de zaal huilt een kindje.

De Bhagavad Gita

16.42 uur: 'Wij hebben een heilig boek, met 16 hoofdstukken en 700 verzen; alles wat een mens moet weten om een goed en zinvol leven te leiden staat erin - onwetenden dat zijn we allemaal. Ik vraag u om applaus, maar anders: door stil te zijn, uw ogen te sluiten en te gaan naar het licht in uw eigen hart, laat de bundel van uw liefde en dankbaarheid schijnen naar de filmma­kers, de Life Foundation en naar Mans­ukh', doceert een Nederlandstalige dame. En er verschijnt nóg een figu­rant: de eerste film­maker! Hij ontvangt hulde, bloemen en een cadeau.

Er staat alweer een andere vrouw op het podium, she talks about the Bhaga­vad Gita, het leven beweegt van 'de ene dag de baby' naar 'de andere dag het opgroeiend ki­nd' - een videoclip wordt getoond: 'The eagles fly in the sky, you can see Mans­ukh!' Hier heb ik definitief door dat ik ver­keerd zit. Ik ervaar een goedkoop arrangement, een patro­naat­sfeer met 'n commer­ci­ële kern; ik ben beland in een sekta­risch gezelschap met gladde leiders, die uitbreiding van hun Founda­tionclub beogen ...

17.05 uur: Het moeten wijze woorden lijken. Savitri MacCuish zegt: 'Er is goed nieuws en slecht nieuws. Ik geef u eerst het goede: De sleutel naar het universum is gevonden. Nu het slechte: De deur is altijd open.' Er klinkt zwak gelach in de zaal. 'I want to be a happier person. Do you want to be hap­py?' 

17.30 uur: 'Wil iedereen opstaan! De voeten moeten van de vloer - nu allemaal op de tenen. Opstaan, opstaan, bewegen van de ene kant naar de andere, net als de slinger van een klok, stel u voor dat u de slinger van een klok bent!' Er worden vervolgens vin­geroefeningen voorgedaan 'om terug te gaan in de tijd vanaf de geboor­te naar nú: maar zónder oor­deel'... De zaal doet mee met het vingerspel en hupsa­kee, er volgen nóg meer video­clips van Mansukh: hij ver­telt schone ver­haal­tjes.

18.00 uur: Het volk wordt toegesproken door de Engelstalige jongeman: 'Er is voedsel te over, er is voedsel voor iedereen; eet ervan en komt u alstu­blieft na de pauze hier weer terug!'

Matteüs 24,11-31: 'gelooft het niet'

Ik ga maar naar huis. Mijn franciscaanse medezus­ters zullen blijven omdat hun is toegezegd dat zij Mansukh Patel aan het slot van de voorstelling een francis­caans taukruisje mogen aan­bieden en ook het Zonnelied zal worden gezongen na de 'blessing'. Als klapstuk zal de vre­des­vlam in pro­cessie naar buiten worden gebracht, de vre­des­vlam die Mansukh op zijn pelgrimstocht te voet naar Rome met zich mee zal dra­gen…

Buitengekomen hap ik naar frisse lucht. Ik voel me bedrogen. Er komen nog enkele bezoekers naar buiten, ook zij hebben afgehaakt.

Als ik thuiskom, weet ik me veilig, zelfs bevrijd uit de engte van een bedrieglijk soort theater. Ik nestel me op de bank met een fris leesboek en een kopje thee binnen handbereik.

Later op de avond komt een van mijn franciscaanse zusters teleur­ge­steld bij me bin­nenval­len: 'Wat een volks­verlak­ke­rij!'

'Is de profeet Mansukh zelf ook nog gekomen?' vraag ik.

'Ja, maar hij ging na afloop meteen weg met zijn twee zoon­tjes, die hebben op het podium nog voor het publiek ge­danst! Maar er was helemaal geen 'blessing' en die vredesvlam stelde niets voor! En er was helemaal geen Zonne­lied en ook het taukruisje mochten we niet geven, dat paste allemaal niet in hun programma!'

'Zei hij nog wijze dingen, iets waar je wat aan hebt?' vraag ik door.

'Hij trapte open deuren in', zegt mijn zuster in Sint-Frans.

'Nou ja', zeg ik, 'desondanks heeft die vertoning me blijer ge­maakt met de bijbel en ik verheug me nu nóg meer in Jezus de Chris­tus. Het was geen onnutte bijeenkomst, zuster, echt niet. Ik heb de rijkdom ervaren van te durven geloven, de rijke diepte opnieuw herkend in het heilig evangelie, in het chris­ten­dom; en ik heb het geduld van onze God bewon­derd. Laten we door­gaan, laten we ons blijven ver­heugen bij de helderheid van ons geloof. Want ons geloof is vol licht, het is vol met niets dan vredes­licht!'

 We drinken een glas Clarawijn, witte, uit Assisi. We eten stokbrood met Franse kaas. We weten ons veilig in de goede God en we vieren de hele dag; want de hele dag was zéér gehei­ligd.

 

© 2000 Ine Verhoeven

Artikel in opdracht van het bestuur der FLO Nederland geschreven voor Doortocht. 

 

Godfried Bomans, fenomeen  

   

Alle foto's (vanaf tv-scherm): Jac Aarts
(ontleend aan: Uitgesproken Godfried, NCRV, dl 1)

  Algehele rust heerst op het Bloemendaalse kerkhof als ik op een warme julidag van 2004 bij zijn graf sta. In lichtgrijze natuursteen is in kapitalen de naam GODFRIED BOMANS gegraveerd, eronder 02.03.1913 – 21.12.1971.

 

Op deze bosrijke plaats verzamelden zich op 24 december 1971 honderden mensen om afscheid te nemen van de ‘nationale godheyt’ Godfried Bomans, de meest gelezen schrijver en columnist van Nederland, en huisvriend van velen via radio en televisie. Hij zou wellicht, in 1971, gekozen zijn als De Grootste Nederlander; momenteel staat hij nog op de achtenveertigste plaats! Bomans was de spreekbuis van katholiek Nederland door zijn boek In de kou, waarin hij met Michel van der Plas terugkijkt op zijn roomse jeugd en zijn mening geeft over de katholieke kerk in deining. Grote belangstelling kregen de tv-gesprekken met zijn religieuze broer Arnold en zus Wally, alsook zijn reizen naar christelijke plaatsen. De gesprekken werden gebundeld in het boek Van dichtbij gezien - Rome Jeruzalem Maastricht Zundert. Hij sprak in zijn televisieprogramma Bomans in gesprek met bekende Nederlanders, onder andere met pater Van Kilsdonk en theoloog Kuitert. Daarbij ging Bomans niet uit van zijn eigen zekerheden maar veeleer van zijn twijfels. Hij speelde in op prangende vragen die velen in die woelige periode van de kerk bezighielden. Hij maakte zich zorgen onder andere over de teloorgang van normen en waarden, en over de nieuwe wetenschap inzake ethiek en geloof.

 

Zijn passie

Alles wat Bomans geschreven heeft, is gebundeld in WERKEN: zeven delen met zo’n zesduizend bladzijden. Wie Bomans leest of herleest, wordt getroffen door de trefzekerheid van zijn woordkeus en door zijn ongeëvenaard stijlgevoel. Opvalt, dat de tijd haar spel speelt met de vergankelijkheid. De strips, bijvoorbeeld over Pa Pinkelman en tante Pollewop, hebben weinig aantrekkingskracht meer. Maar wel met name zijn werken Pieter Bas; Erik of het klein insectenboek en Sprookjes en Verhalen blijven in hoge mate lezers boeien. “Talent”, zo schreef Bomans, “bestaat voor driekwart uit een passie voor de vorm. Hoe zeg ik het zo goed mogelijk? Schrijven is schrappen. Men wordt schrijver door de drift voor de vorm. De inhoud is punt twee.” Bomans was een onovertroffen stilist, al bekroop hem op de duur grote weerzin als hij een blanco stuk papier voor zich had. Het schrijven van teksten werd voor hem steeds onaangenamer. Het blijft overigens minstens merkwaardig dat deze mens met zijn unieke schrijfstijl nooit literaire erkenning heeft gekregen. Simon Carmiggelt: “Bomans is een groot schrijver, maar je mag het alleen niet hardop zeggen.” Wat men overigens bij het herlezen sterk mist, is Bomans’ houding, zijn gebaren, zijn unieke, onvergetelijke stem.

 

Zijn angsten

Godfried Bomans stierf aan een hartaanval. Hij werd 58 jaar oud, gelijk zijn inspirerende voorbeeld Charles Dickens over wie hij schreef: “Het gaat bij Dickens niet om de gebeurtenissen. Het gaat om de manier waarop de gebeurtenissen verteld worden, de toon, de stijl, kortom de persoonlijkheid van de schrijver.” Bomans had nog geschaakt in zijn schaakclub. Hij werd niet goed, reed naar huis en stierf op de antieke bank in de zitkamer in het bijzijn van zijn vrouw Pietsie. Michel van de Plas schreef hierover in een gedicht: “… Het duurde nog een uur, maar wel het langste van zijn bestaan. Het gat waarin hij viel, was zwarter dan dat van zijn oudste angsten en deed hem schreeuwen, want waar was zijn ziel? Zijn vrouw kon enkel ‘arme jongen’ zeggen en meer was er ook niet aan uit te leggen.” Veelzeggende woorden. Want Bomans was, ondanks al zijn getalenteerdheid, een man die vele angsten onderging: “Je krijgt op een dag een kapelaan voor je neus, en die zegt: de hel duurt eeuwig. Dat is voor een kind een mededeling waar hij nooit overheen komt. Eeuwig branden. Godnogantoe.” Drie maanden voor zijn dood stelt hij: “Het hoofdakkoord dat ik altijd maar hoor als ik terugdenk aan mijn jeugd is angst. Angst voor mijn vader, angst voor de school, voor de kerk, voor God, en vooral voor de hel… Angst? Natuurlijk heb je angst, folteringen. Je moet alles betalen.”  Tegen Ischa Meijer: “Ik ben erg gesteld op Harry Mulisch. Ik heb hem eens, een avond lang, over de walgelijke jeugd van me verteld. Hij was jaloers over dat materiaal.” Mulisch poneerde de theorie dat de mens zijn leven lang één leeftijd blijft behouden: de absolute leeftijd. Over Bomans orakelde hij: “Bomans zat heel z'n leven midden in de somberste puberteit. Die was jonger dan ik. Dertien of zo.” Over de man die Nederlands grootste humorist was, hing een mantel van somberheid. Deze man, die als de god van de humor vereerd werd, was veelal zelf bevangen door de doemgod van de angst.

Bomans ging uiteindelijk niet meer ter kerke, ofschoon hij opmerkte: “Ik ben katholiek. Mijn wezen is katholiek. Mijn oogopslag is katholiek.” Hij bleef zoeken naar de waarde van het geloof: “Het besef als ik het evangelie lees - wat ik veel doe - is dan heel sterk: dit zijn woorden van jenseits. Het is geen mensenwerk, dat voel ik heel sterk en dat is het enige wat ik heb.”

Michel van de Plas: ”Hij verkeerde in een geloofscrisis. Godfried groeide langzaam uit tot een kritische beschouwer van de kerk. Ik denk dat hij zich, net als ik, niet meer zo gemakkelijk het etiket katholiek opplakte. Zelf noem ik me liever, hoe pretentieus ook, christen. Ik probeer de Christus van de evangeliën te doorgronden. Ik vermoed dat Bomans er ook zo over dacht.”

Bomans verkeerde in tweestrijd: trouw willen blijven aan de kerk, én er niet volledig meer in kunnen geloven. Hij was onzeker over de waarheden die hij had meegekregen. Een van zijn vragen was: “Is er een voortbestaan na de dood?” Als zijn moeder doodgaat, zegt hij: ”Nu weet zij het”. Vermoedelijk was God voor hem niet de Levende, geen God van bevrijding. Hij is blijven steken in het oude kerkbeeld, theologisch had hij zich niet vernieuwd.

 

Verhalenman

Als Bomans sterft, zijn van zijn boek Eric driehonderdduizend stuks verkocht, van Pieter Bas ruim tweehonderdduizend, en van alle boeken samen zo’n 2,2 miljoen. In de jaren zestig was hij op de middelbare scholen verreweg de favoriete schrijver en tot 1978 behoorde hij daar tot de meest gelezen auteurs.

Godfried Bomans, die zoveel mensen vreugde heeft geschonken, zal hebben mogen ondervinden wat hij in het sprookje De dood van de sprookjesverteller schetste: “Kom maar”, riep de sprookjesverteller, “kom maar, Dood!” En de Dood kwam. En hij nam hem in zijn armen en legde hem voor Gods voeten. ”Wie is dat?” vroeg God. “Dit is een sprookjesverteller”, antwoordde de dood, ”hij is zojuist gestorven.” “Wat was zijn laatste gedachte?” vroeg God. “Hij wilde een kabouter zien”, antwoordde de dood verlegen. God glimlachte. “Dat is een zeer goede gedachte”, zeide hij, “laat hem derhalve binnen.”

 

Frans Boddeke CSsR

Verschenen in een editie Gerardusklok 2004. 

Zie http://www.redemptoristen.nl/ ook voor het tweewekelijkse Opstekertje!

 

Moederdag en moederschap

 

Over de moeders schreef auteur E. Fromm in zijn boek ‘Liefhebben een kunst, een kunde’: Als zij er is, is zij een zegen. Als zij ontbreekt, is het alsof alle schoonheid verdwenen is uit het kinderleven en het kind kan niets meer doen om haar te wekken.

 

Het is de moeder die sinds mensenheugenis staat voor ontferming, liefde en trouw, voor zachtheid en mededogen. Het moederschap bevat niet louter een biologisch oergegeven. Het kinderen baren wel, maar hen met liefdevolle zorg grootbrengen, is geen vanzelfsprekendheid. “Het moederschap is heilig,” was mijn moeders lijfspreuk, “alle moeders gaan naar de hemel, zij zijn heiligen, allemaal.” Mijn zorgzame moedertje vertaalde daarmee haar onbegrensde toewijding en verantwoordelijkheidsbesef voor haar kroost. Een sprankelende moederdag was aan haar welbesteed. Het huis blonk dan, schoongepoetst door ons, en in de kamers geurden rozen en meibloemen. Pas als moeders ogen lachten, was het goed. Zo hebben velen hun herinnering aan moederdag, de tweede zondag van mei.

 

Oorsprong

Hoe is ‘moederdag’ in onze landstreken terechtgekomen? In de oude culturen bestond reeds de moederverering, met vruchtbaarheidsgodinnen en voorjaarsfeesten die de oermoederlijke, magische krachten verheerlijkten. Deze lentefeesten waren niet specifiek moedergericht. In de Middeleeuwen kenden de Angel-Saksen hun ‘Moeder Zondag’, de zondag voor Pasen, waarop de uitwonende arbeidersjeugd haar moeder bezocht. Napoleon wilde een lentedag tot moederdag maken, maar zijn poging mislukte. Onze moederdag stamt uit Amerika. De grondlegster was Anna Jarvis (1864-1948). Haar moeder Ann Reeves ging tuberculosepatiënten verplegen nadat zij zeven van haar elf kinderen had verloren. Na de Amerikaanse Burgeroorlog wijdde zij zich aan het volksontwikkelingswerk en ijverde jarenlang ‘voor betere moeders, betere thuisplaatsen, betere mannen en vrouwen’. Haar wens een ‘gedenkwaardige moederdag voor moeders levend en dood’ te stichten, werd twee jaar na haar dood ingewilligd door haar dochter Anna, die haar moeder zeer liefhad. Op 12 mei 1907 werd in de Andrews Methodist Episcopal Church van Grafton officieus de allereerste moederdag gevierd, waarbij Anna vijfhonderd anjers aan de moeders uitdeelde. Door toedoen van de gelovige filantroop John Wanamaker bereikte haar moederdaginitiatief snel vele enthousiaste Amerikanen. Samen met invloedrijke medestanders richtte Anna het ‘Moeder Dag Comité’ op. Successievelijk raakten alle Amerikaanse staten enthousiast. In 1913 werd wettelijk bepaald dat de president en zijn gevolg op moederdag een witte anjer moesten dragen. In mei 1914 vierde Amerika zijn eerste officiële moederdag. Rond 1920 werd moederdag aanvaard in Europa.         

 

Die ene speciale moeder 

Men vroeg mij onlangs voor een zeer oud grootmoedertje een ode op haar leven te schrijven. Mijn eigen moeder stond model, al is zij allang dood. Al schrijvende zag ik haar weer, was ze daar weer, wist ik opnieuw haar betekenis als moeder en vrouw. En éven kon ik haar vasthouden, in leven houden, en met haar vele moeders:

 

Mijn moeder, teder broze schat 

 

Als ik naar mijn moeder kijk dan

 maakt ze me bewogen en denk ik

 aan de tijd dat zij er voor me was:

 

Mijn moeder is van goedheid en van zorgen.

Mijn moeder is van goud en van granaat.

Mijn moeder is van bloemen en van schoonheid.

Mijn moeder is van zachtheid en van raad.

 

Mijn moeder heeft haar leven lang gebeden.

Mijn moeder heeft gemind, gewerkt, gebaard.

Mijn moeder heeft haar kinderen gedragen.

Mijn moeder was de ziel van huis en haard.

 

Mijn moeder is de spil waarom het draaide.

Mijn moeder is de lach van het gezin.

Mijn moeder is het lied, nooit afgezongen.

Mijn moeder is een vrouw die ik bemin.

 

Mijn moeder zingt niet meer zoveel.

Mijn moeder zit en wacht - op wat?

Mijn moeder hoeft niet meer te doen.

Mijn moeder, teder broze schat.

 

De tijdgeest verandert rap. De maatschappij toont anders dan ooit. De moderne moeders zijn daadwerkelijk van déze generatie. Veel ouders zijn tweeverdieners, met deeltijdkinderen en soms een deeltijdkinderjuf. En toch. Die moeder. Modern of niet, haar unieke moederschap is niet te evenaren, noch de binding met haar kind; een binding die haar nooit verlaat. Dat gegeven mag worden gevierd, doorheen alle tijden. Met bloemen op de tafel, met taartjes bij de thee. Met frutselcadeautjes, geurtjes en ontbijtcroissants voor die ene speciale moeder die zij is. Hoe (h)eerlijk was mijn moeders gedachte, dat het moederschap heilig is.

 

Ine Verhoeven

Uit de redemptoristische Gerardusklok mei 2005. Zie www.gerardus.nl