Over vissen en pax
In het verzorgingtehuis staat bij de ingang een opvallend groot aquarium, waarin allerlei gekleurde visjes vredig rondzwemmen. Ze botsen niet tegen elkaar, ze bijten elkaar niet, ze zijn van vrede gemaakt. Ze gunnen elkaar het leven. Het geheel heeft een vertederende aanblik, de kijkende mens wordt er rustig van.
Maar onlangs zag ik een opname van kleine zwemmende vissen ergens bij een koraaleiland in de Stille Zuidzee. Deze kleine visjes zwemmen gegroepeerd, nu eens omlaag, dan weer omhoog, steeds in grilligheid. De visjes proberen op deze wijze te overleven. Wie uit de groep raakt, is verloren. Want grotere vissen liggen op de loer en zwemmen ter zijde, de los zwemmende visjes gehaast verorberend. Andere vissen, een maatje of twee groter dan de kleine visjes, hebben de kleuren van het koraal aangenomen om zo des te onverwachter te kunnen toehappen. Ze vallen niet op en verschalken zo gemakkelijk de kleintjes aan de zijkant van de groep.
En als de kleine visjes denken dat het in de nacht rustiger en veiliger is, blijken er weer vissen te zijn met grote tanden en met vervaarlijke bekken die juist in diepe duisternis hun prooi weten te vinden met verraderlijk licht uitstralende ogen.
In het water heerst een en al bedreiging. De grote vreet de kleine op zonder mildheid voor vrouwen en kinderen. Er heerst onder vissen geen christelijke ethiek. Vissen kennen geen nobele doeleinden of zachte krachten.
Alles in hemel en aarde heeft zijn doel. Pax in terra behoren wij mensen na te streven. Pax in aqua zou ook niet slecht zijn.
© 2006 Frans Boddeke
Over Nieuwjaar
Uit het bijbelboek Numeri 6,24-26: De HEER zei tegen Mozes: ‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen dat zij de Israëlieten met deze woorden moeten zegenen: ‘Moge de HEER u zegenen en u beschermen, moge de HEER het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn, moge de HEER u zijn gelaat toewenden en u vrede geven.’
Over Nieuwsjaarszegen zegt pater Jan van Kilsdonk: ‘Waar precies verschijnt voor jou het aangezicht van God? Zodra en zolang jij een mens aankijkt met zo’n eerbied dat zij of hij een engel wordt. En dat uit haar of hem het beste aan het licht kan treden. Zoiets geschiedt op het ogenblik dat zij of hij vraagt: ‘Zegen mij met het licht van jouw ogen.’
En over een Afrikaanse vrouw tijdens een vergadering zegt van Kilsdonk: ‘Zij nam mijn hand, en keek mij lachend aan. Het was comme si elle me bénissait, net alsof zij mij zegende… Haar groet, zonder microfoon, haar lach en haar hand werkten heilzamer dan de meeste speeches. Elle me bénissait…’
Annie M.G.Schmidt:
~
Nieuwjaarskaarten:
We maken zelf de kaarten
voor kerst en voor nieuwjaar,
en we knippen met de schaar.
~
We tekenen een rendier
hand in hand met Donald Duck.
En ook een roze varken, want
een varkentje brengt geluk.
~
Een kaart voor kleine Jantje,
en eentje voor oom Jaap,
die krijgt en olifantje
en m’n tante krijgt een aap…
____________
Stijn Streuvels:
~
Zeer lieve Ouders,
~
‘k wil niet ten achter blijven,
al ben ik nog maar klein,
en kon ik beter schrijven,
mijn brief zou langer zijn.
~
O, mochte God U geven:
een zalig nieuwe jaar,
een lang, gelukkig leven,
en d’eeuwige vreugd hierna.
______________
Frans Boddeke
Over de deugd
Er is een bekend gezegde, dat luidt:
‘De deugd in het midden, zei de drommel, en hij ging tussen twee papen.’
Met drommel wordt de duivel bedoeld en met twee papen vermoedelijk twee priesters.
Dit gezegde is een zogenoemde zei-spreuk In zo’n gezegde komt altijd het woord ‘zei’ voor, en de woorden: ‘en hij’.
Zo is er ook deze variant: ‘De deugd in het midden, zei de drommel, en hij ging tussen twee kapucijnen.’
Frans Bodddeke
Over in goede aarde vallen
De uitdrukking in goede aarde vallen gaat terug op een parabel van Jezus in hoofdstuk 4 van het evangelie van Marcus. Jezus spreekt tot de mensen in gelijkenissen met het oog op het rijk Gods. Zo zegt hij:
‘Luister. Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en de vogels kwamen en aten het op. Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen; en toen de zon opkwam verschroeide het jonge groen, en omdat het geen wortel had droogde het uit. Weer ander zaad viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het en het bracht geen vrucht voort. Maar er waren ook zaadjes die in goede grond vielen en wel vrucht voortbrachten: ze schoten op en groeiden en droegen vrucht. Sommige leverden het dertigvoudige op, andere het zestigvoudige en weer andere het honderdvoudige.’
Later legt Jezus de parabel uit: ‘…Maar er zijn ook mensen die zijn als het zaad dat op goede grond gezaaid is: zij horen het woord en aanvaarden het en dragen vrucht, sommige dertigvoudig, anderen zestigvoudig en weer anderen honderdvoudig.’
Frans Boddeke
Over de dood in de pot vinden
De uitdrukking de dood in de pot vinden staat in het bijbelboek 2 Koningen 4,38-41 onder het kopje: Het bittere gerecht.
‘Elisa ging terug naar Gilgal. Er heerste in die tijd weer hongersnood in het land. Toen hij een keer met de leden van de profetengemeenschap bijeen zat, droeg hij zijn knecht op een grote kookpot op het vuur te zetten en een warm gerecht voor hen te bereiden. Een van de profeten ging buiten eetbare planten zoeken. Hij vond een wilde kruipplant, een kolokwint, en plukte daarvan zoveel vruchten als hij in zijn kleed kon meedragen. Toen hij terugkwam sneed hij de vruchten in stukjes en deed ze door het gerecht in de pot; ze wisten namelijk niet wat het was. Het gerecht werd rondgediend, en zodra ze ervan proefden schreeuwden ze uit: Godsman, de dood zit in de pot. Ze konden geen hap door hun keel krijgen. Toen zei Elisa: ‘Breng me wat meel.’ Hij strooide wat meel in de pot en zei: ‘Schep iedereen opnieuw op. Nu kunnen ze ervan eten.’ En inderdaad, de bittere smaak was volkomen verdwenen.’
Kolokwint is volgens van Dale 1. niet-inheemse komkommerachtige plant. 2. kwintappel, de kogelronde, zeer bittere en darmzuiverende vrucht van die plant, en het daaruit bereide purgeermiddel.
Frans Boddeke
Over Babylonische spraakverwarring
Het gezegde stamt uit het bijbelboek Genesis 11:11-10:
‘Ooit werd er op de hele aarde één taal gesproken. Toen de mensen in oostelijke richting trokken, kwamen ze in Sinear bij een vlakte en daar vestigden ze zich. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we van klei blokken vormen en die goed bakken in het vuur.’ De kleiblokken gebruikten ze als stenen, en aardpek als specie. Ze zeiden: ‘Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Dat zal ons beroemd maken, en dan zullen we niet over de hele aarde verspreid raken.’ Maar toen daalde de HEER af om te kijken naar de stad en de toren die de mensen aan het bouwen waren. Dit is één volk en ze spreken allemaal een en dezelfde taal, dacht de HEER, en wat ze nu doen is nog maar het begin. Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik. Laten we naar hen toe gaan en spraakverwarring onder hen teweegbrengen, zodat ze elkaar niet meer verstaan. De HEER verspreidde hen van daar over de hele aarde, en de bouw van de stad werd gestaakt. Zo komt het dat die stad Babel heet, want daar bracht de HEER verwarring in de taal die op de hele aarde gesproken werd, en van daar verspreidde hij de mensen over de hele aarde.‘
De bouw van de toren is een vorm van hoogmoed. De mensen proberen aan God gelijk te worden. Het komt echter alleen God toe mensen groot te maken.
Het verhaal vertoont grote belangstelling voor de situatie in Mesopotamië. Het wordt zelfs gesitueerd in Babel en het berispt het heidense geloof van de Babyloniërs in de superioriteit van hun godsdienst en van hun god Marduk. De toren in het verhaal doet denken aan de tempeltoren van Marduk in het centrum van Babel. De mensen van Babel dachten dat de toren de wezenlijke, fysieke verbinding tussen hemel en aarde was. Het woord Babel wordt in verband gebracht met balal = in verwarring brengen.
Het nieuwe, moderne Babylon: een stad vol zonde.
Hoer van Babylon: De heidense stad Babylon wordt als hoer voorgesteld. Lees het boek van de Openbaring 17:5 :
‘Ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest vol godslasterlijke namen, met zeven koppen en tien horens. Ze droeg purperen en scharlakenrode kleren en gouden sieraden, edelsteen en parels. In haar hand had zij een gouden beker vol gruwelijkheden, al haar liederlijke wandaden, en op haar voorhoofd stond een naam met een geheime betekenis: ‘Het grote Babylon, moeder van alle hoeren en van alle gruwelijkheden ter wereld.’ Ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen en het bloed van hen die van Jezus hadden getuigd. Ik was ontzet toen ik haar zag. Toen zei de engel: ‘Waarom ben je zo ontzet? Ik zal je de betekenis onthullen van die vrouw en het beest waarop ze zit, met zijn zeven koppen en tien horens. Het beest dat je zag, was, en is niet; het stijgt binnenkort op uit de onderaardse diepte en zal vernietigd worden. Alle mensen die op aarde leven van wie de naam niet vanaf het begin van de wereld in het boek van het leven staat, zullen verbaasd zijn bij het zien van het beest, omdat het was, niet is, en toch weer zal zijn… De tien horens die je zag en het beest zelf zullen een afkeer krijgen van de hoer en ze zullen haar te gronde richten. Ze zullen haar uitkleden, haar vlees eten en haar in brand steken… De vrouw die je zag is de grote stad, die heerst over de koningen van de aarde.’
Frans Boddeke
Over pietluttigheid
Het woord ‘pietluttig’ betekent kleingeestig, kleinzielig, over iets onbenulligs veel drukte maken. Een pietlut is een kleingeestig mens, die de vinger legt op allerlei kleinigheden..
Mogelijk verwijst het woord pietlut naar het bijbelboek Ezechiël 30:5: ‘De Kusiëten, de Putieten, de Ludieten, alle vreemdelingen die in Egypte wonen, de Kubieten en de zonen van het Verbond zullen samen met de Egyptenaren vallen onder het zwaard.’
Pietlut zou een samentrekking zijn van Putieten en Ludieten.
Het boek Ezechiël is genoemd naar een profeet van priesterlijke afkomst die rond 590 voor Christus werkzaam was in Babylonië. Ezechiël zou na de verwoesting van de tempel te Jeruzalem weggevoerd zijn naar Baylonië en hij zou in ballingschap met de joodse ballingen gesproken hebben over de ondergang en het herstel van Juda en Israël.
Het boek Ezechiël kent vijf delen:
1. Een roepingsvisioen, waarin Ezechiël de opdracht krijgt te gaan profeteren.
2. Een aantal profetieën over de schuld en de ondergang van Juda en Israël.
3. De ondergang van de volkeren die Israël omgeven.
4. Het herstel van Juda en Israël, onder meer weergegeven in een visoen over doodsbeenderen die tot leven gewekt worden.
5. Een gedetailleerd visioen over de toekomstige nieuwe tempel in Jeruzalem.
Ezechiël is streng in de leer en ruimhartig tegelijk. Hij is een godsman met hoge priesterlijke intenties.
Het gezegde ‘het is zaliger te geven dan te ontvangen’ is van niemand minder dan van Jezus. Dat zegt Paulus in het boek ‘De handelingen van de apostelen’ - Handelingen 20:32-39 -: ’Nu vertrouw ik u toe aan God en aan het evangelie van zijn genade, dat onze gemeenschap kan opbouwen en dat het beloofde erfdeel zal schenken aan allen, die hem toebehoren. Geld of kleding heb ik van niemand verlangd; u weet wel dat ik eigenhandig heb voorzien in mijn levensonderhoud en dat van mijn metgezellen. In alles heb ik u getoond dat u de zwakken zo, door hard te werken, moet steunen, indachtig de woorden van de Heer Jezus, die immers gezegd heeft: ‘Geven maakt gelukkiger dan ontvangen’.
Toen hij uitgesproken was, knielde hij samen met de aanwezigen neer om te bidden. Niemand kon zijn tranen bedwingen. Allen vielen ze Paulus om de hals en kusten hem. Ze waren vooral zo ontdaan omdat hij gezegd had dat ze hem niet terug zouden zien. Toen deden ze hem uitgeleide naar het schip.’
Het boek ‘De handelingen van de apostelen’ beschrijft de geschiedenis van het christendom in het Romeinse rijk. Handelingen gaat over de verspreiding van de christelijke boodschap vanuit Jeruzalem over heel Palestina, en over het Middellandse-Zeegebied, tot aan Rome toe, de hoofdstad van het Romeinse rijk. De slothoofdstukken gaan over de reis van Paulus naar Jeruzalem, zijn arrestatie aldaar en over zijn reis naar Rome. Het proces van Paulus in Rome wordt niet beschreven.
De titel, die aan het boek gegeven werd, suggereert dat het boek de daden van álle apostelen beschrijft, terwijl in feite de meeste aandacht gegeven wordt aan de apostelen Petrus en Paulus.
De auteur van Handelingen is dezelfde als de schrijver van het Lucas-evangelie. Het boek wordt meestal tussen 80 en 100 na Christus gedateerd en het is waarschijnlijk buiten Palestina geschreven.
Een belangrijk motief in het boek is dat het christendom, dat uit Joden en niet-Joden bestaat, een rechtstreekse voortzetting is van Gods werk met Israël.
De uitdrukking: een teken aan de wand komt uit het boek Daniël. Koning Belsassar misbruikt met zijn machthebbers de gouden en zilveren bekers van de tempel van Jeruzalem, van het huis van God: ‘Terwijl zij dat deden verschenen er vingers van één mensenhand die iets op het pleisterwerk van de wand van het koninklijke paleis schreven, precies tegenover de luchter, zodat de schrijvende hand goed zichtbaar was voor de koning. De koning trok bleek weg, in verwarring gebracht door zijn gedachten.’
De wijzen van de koning kunnen het geheim van de tekens niet oplossen. Dan wordt Daniël bij de koning ontboden. Daniël zegt vrijmoedig tegen de koning dat hij als koning tegen de Heer van de hemel is opgestaan, en dat hij God niet verheerlijkt heeft, maar allerlei goden aanbeden heeft: ‘Daarom heeft hij (God) die hand gezonden en de tekens laten opschrijven. Dít is wat er geschreven staat: ‘Mene, mene, tekel ufarsin’. En dít is het wat het betekent: Mene: God heeft de dagen van uw koningschap geteld en er een einde aan gemaakt; Tekel: u bent gewogen en te licht bevonden; Peres: uw koninkrijk is verdeeld en aan de Meden en Perzen gegeven...’. Dezelfde nacht werd Belsassar, de koning van de Chaldeeën, gedood. Darius de Mediër verkreeg het koningschap.
De gebeurtenissen in het boek Daniël worden gesitueerd na de inname van de stad Jeruzalem tijdens de Babylonische gevangenschap in 586 voor Christus. Waarschijnlijk is het boek echter ontstaan in de eerste helft van de tweede eeuw voor Christus ten tijde van het Makkabese verzet tegen de Griekse overheerser Antiochus IV Epifanes (175-164 voor Christus).
In het eerste deel van het boek Daniël staan zes verhalen, die zich aan het Babylonische hof afspelen. Het tweede deel bevat vier visioenen, die behoren tot de apocalyptische literatuur waarin de loop van de geschiedenis onthuld wordt. Het boek Daniël was bedoeld als troost voor de vrome Joden die streden tegen de Griekse inmenging in de joodse godsdienst en cultuur. Daniël wordt tot voorbeeld en tot inspiratiebron gesteld. Zijn visioenen over de toekomst boden bemoediging aan wie te lijden had van vervolging door de overheerser Antiochus. De oorspronkelijke lezers hebben waarschijnlijk de beelden goed begrepen. Ze kenden bijvoorbeeld het gebruik van de getallensymboliek.
De grote lijn van het boek Daniël is: God beschermt zijn volk.
In het evangelie van Lucas 11:16 wordt waarschijnlijk verwezen naar de tekst bij Daniël. Er staat: ‘Anderen verlangen van Jezus een teken uit de hemel om hem op de proef te stellen.’
Over: Zo oud als Metusalem
De uitdrukking ‘Hij is zo oud als Metusalem’ stamt uit het bijbelboek Genesis 5,25: ‘Toen Metuselach 187 jaar oud was, verwekte hij Lamech. Na de geboorte van Lamech leefde Metuselach nog 782 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. In totaal leefde hij 969 jaar. Daarna stierf hij.’
De oorsprong van deze hoge getallen is ons niet bekend. Babylonische lijsten kennen nog veel hogere leeftijden of regeringstijden. Wellicht geloofde men niet in een voortbestaan na de dood. Wie goed leefde mocht/moest daarom ook lang leven.
De naam ‘Genesis ’ betekent ontstaan, wording, oorsprong. Het boek Genesis vertelt over de wording van de wereld, over het ontstaan van de mensheid en over de oorsprong van het volk Israël.
Het boek bestaat uit twee delen: de hoofdstukken 1-11 en 12- 50.
De hoofdstukken 1-11 bevatten een aantal verhalen waarin materiaal uit mythen en sagen theologisch verwerkt is. De verhalen brengen op hun wijze tot uitdrukking welke de fundamentele beginselen zijn waarop het gelovige bestaan van de mensheid berust. Nooit heeft de zonde het laatste woord. Steeds is er het reddende en genadevolle antwoord van God, die nieuwe toekomst mogelijk maakt.
De hoofdstukken 12-50 van het boek Genesis handelen over de geschiedenis van de grote aartsvaders en aartsmoeders van Israël. Het zijn familiesagen, die laten zien hoe God de geschiedenis van zijn volk leidt en begeleidt met zijn zegeningen, opdrachten en beloften. Aartsvader Jacob is de man die als Israël zijn naam geeft aan het volk van God en die als geen ander het karakter van het volk Israël zal bepalen. Zijn twaalf zonen zijn de stamvaders van de twaalf stammen van Israël.
Al deze verhalen mogen niet gemeten worden met de maatstaf van de moderne geschiedschrijving. De bijbelse geschiedschrijving behoort met gelovige ogen geïnterpreteerd te worden als heilsgeschiedenis. In al de verhalen gaat het om het gegeven hoe God met zijn volk onderweg is.
Frans Boddeke
De uitdrukking met twee maten meten gaat terug op het bijbelboek Deuteronomium 25,14: ‘u mag niet twee verschillende gewichten, waarvan er één te zwaar of te licht is, in uw buidel hebben. En u mag ook niet twee verschillende maatkannen, waarvan er één te groot of te klein is, in huis hebben. U moet het doen met één gewicht en één maatkan, die zuiver en geijkt zijn. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God u geven zal. Want de HEER heeft een afschuw van iedereen, die oneerlijke zaken doet.’
En in Matteüs 7,2 staat: ‘Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt. Want op grond van het oordeel dat je velt, zal er over je geoordeeld worden, en met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden.’
De maat is vol. Het is genoeg zo. Wordt het nog erger: de maat loopt over.
Hij is lelijk te mate gekomen. Hij heeft een ernstig ongeluk gehad.
Er blijft te veel aan de maat en de strijkstok hangen. Bemiddelaars steken te veel van het geschonken geld in eigen zak. Het is een uitdrukking uit het boerenleven. De maat is het vat, waarin het koren zit. De strijkstok is een gladde ronde staaf waarmee het koren gladgestreken wordt. Aan de ronde staf blijft niets hangen.
Maatje. 1. Glaasje jenever. 2.Vriend. 3. Liefkozend woord voor moeder.
Maatjesharing. Maagdekensharing, haring waarbij de hom of kuit nog niet ontwikkeld is.
De uitdrukking ‘door merg en been’ is waarschijnlijk terug te voeren op het bijbelboek Job 30,17: ’s Nachts jaagt hij helse pijnen door mijn botten, het bloed in mijn aderen komt niet tot rust. Hij rukt met geweld aan mijn kleed, omklemt mij met de kraag van mijn mantel. Hij heeft mij neergesmeten in het slijk en ik ben als stof, als as geworden.’
Historisch is niets over de hoofdfiguur Job te zeggen. Het is moeilijk vast te stellen wanneer en door wie het bijbelboek geschreven is. Het boek zou zijn huidige vorm gekregen hebben tussen de vijfde en tweede eeuw voor Christus.
Het verhaal behoort tot de zogeheten wijsheidsliteratuur, en is een van de hoogtepunten in de wereldliteratuur. Het doel van het geschrift is de lezer kennis en moreel besef bij te brengen . In het boek Job betreft dat vooral de vraag naar de zin van het lijden en naar de rol van God in het lijden. Job verlangt van God duidelijkheid waarom hij moet lijden en hij dringt erop aan dat God zelf zijn onschuld vaststelt. Na het antwoord van God toont Job berouw en herroept hij zijn opstandigheid ten opzichte van God: ‘Daarom herroep ik mijn woorden en buig ik mij, zoals ik hier zit in het stof en het vuil.’ En de HEER was Job goed gezind en gaf hem het dubbele van wat hij eerder bezat.
De uitdrukking ‘door merg en been’ kan ook slaan op wat Paulus zegt in Hebreeën 4,12: ‘Want levend en krachtig is het woord van God, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, berg en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden.’
Hij heeft merg in de botten. Hij is heel sterk.
Merg en pit. Het sterkste deel.
Een musicus in merg en been. Een op en top musicus.
Frans Boddeke
Adam
is de eerste mens. In het bijbelboek Genesis 2 staat: ’ Toen maakte God, de
HEER, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in
de neus. Zo werd de mens een levend wezen.’
Eva
is de eerste vrouw. ‘Uit de rib die hij bij de mens had weggenomen, bouwde
God, de HEER, een vrouw en hij bracht haar bij de mens. Toen riep de mens uit:
‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een
die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd.’
In
adamskostuum lopen. De uitdrukking betekent naakt lopen, niets aan hebben.
In de bijbel staat: ‘Beiden waren naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze
schaamden zich niet voor elkaar.’
Adamsappel.
Is het vooruitstekende bovenste gedeelte van het strottenhoofd van de man.
Maar is ook een andere naam voor een citroen, of een
banaan of pisang.De volkse overtuiging meent dat de adamsappel een
stukje van de befaamde appel is, die Eva aan Adam te eten geeft. Maar in de
Schrift staat: ‘De vrouw plukte een paar vruchten van de boom (van goed en
kwaad) en at ervan. Ze gaf er ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook
hij at ervan. Toen gingen beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt
waren.’
De
oude Adam afleggen.
Adam zondigde tegen God. Een mens die niet meer zondigt, begint een nieuw
leven in Christus. Christus is immers de nieuwe Adam. In de brief aan de
Efesiers 4,22 staat: ‘Door Jezus wordt duidelijk dat u uw vroegere
levenswandel moet opgeven en de oude mens, die te gronde gaat aan bedrieglijke
begeerten, moet afleggen, dat uw geest en uw denken voortdurende vernieuwd
moeten worden dat u de nieuwe mens moet aantrekken, die naar Gods wil
geschapen is in waarachtige rechtvaardigheid en heiligheid.’
De
oude Adam komt weer boven. Het
gaat weer verkeerd met de mens.
Een
neef van Adamswege.
Verwijzing naar een ver familielid.
Als
de echte Adam komt, gaat Eva mee.
Voor het meisje is de ware Jacob
gekomen,
Adam
en Eva.
Zo worden de monnikskap, de witte dovenetel en de gevlekte orchis
genoemd.
Met
Adamsvorken eten. Eten met de vingers.
Ze
leven als Adam en Eva in ’t paradijs.
Ze zijn gelukkig.
Het
paradijs moge ook u, waarde lezer en lezeres, toevallen!
De
bijbel is het boek der boeken. Het woord bijbel komt van ‘Byblos’
en Byblos was de naam van een oude havenstad in
Palestina. De haven van Byblos speelde een grote
rol bij de import van papier. Papier werd gemaakt van Egyptisch papierriet.
Dunne schijfjes van de stengels werden aan elkaar geplakt en vervolgens
geperst, minstens twee lagen op elkaar. Het werden soms meterslange stukken,
die om een stok werden gerold en bij lezing ontrold. Daarom spreekt de
bijbel van ‘boekrollen’.
Buche
en Buch.
Onze
voorouders schreven hun schone gedachten neer op de bast van een beuk. De
bast van een beuk is immers opvallend glad. Het verband van beuk en boek is
het meest duidelijk in het Duits. Een beuk heet Buche,
en een boek heet Buch.
In
het Hebreeuws betekent het woord bijbel ‘Tenach’.
Het woord Tenach is
samengesteld uit de drie beginletters van de Torah,
de Nebiim
en de Ketubim.
De
Torah omvat de vijf boeken van Mozes:
Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri
en Deuteronomium. Het begrip Torah
betekent leer, onderrichting.
De
Nebiim bevat de profetische geschriften en de
historische boeken van Jozua tot en met 2
Koningen.
De
Ketubim bevat de overige boeken van het Oude
Testament.
Christenen
erkennen als richtlijn in het leven zowel het Oude Testament als het Nieuwe
Testament. Men spreekt ook wel van het Oude en het Nieuwe verbond.
Daar
kom ik aan met de boeken van Mozes.
Dat zijn zware en oude boeken. Men spreekt ook wel van ‘de vijf boeken van
Mozes‘ en men bedoelt dan vijf ongetrouwde
vrijsters.
De
toekomst is een gesloten boek, een afgesloten hoofdstuk.
De toekomst is nog geheim. Het boek van de Openbaring 5,1 zegt: ‘Toen zag
ik dit: degene die op de troon zat, had in zijn rechterhand een boekrol die
aan beide zijden beschreven was en met zeven zegels was verzegeld. Ik zag
een machtige engel die met luide stem riep: wie komt het toe de zegels te
verbreken en de boekrol te openen? Maar er was niemand in de hemel of op
aarde of onder de aarde die de boekrol kon openen en inzien. Het deed me
veel verdriet dat blijkbaar niemand het verdiende om de boekrol te openen en
hem in te zien.’ Vandaar dat men soms zegt: de
toekomst is een boek met zeven zegels.
Een
boekje opendoen over iemand. Mogelijk
stamt deze zegswijze uit het boek van de Openbaring 20,12: ‘Toen zag ik
een grote witte troon en hem die daarop zat. De aarde en de hemel vluchtten
van hem weg en verdwenen in het niets. Ik zag de
doden, jong en oud, voor de troon staan. Er werden boeken geopend. Toen werd
er nog een geopend: het boek van het leven. De doden werden op grond van wat
in de boeken stond geoordeeld naar hun daden.’
Prediker
12,12: En
tot slot mijn zoon, nog deze waarschuwing: er komt geen einde aan het aantal
boeken dat geschreven wordt, en veel lezen mat het lichaam af. Alles wat je
hebt gehoord komt hierop neer: heb ontzag voor God en leef zijn geboden na.
Dat geldt voor iedere mens, want God oordeelt over elke daad, ook over de
verborgen daden, zowel over de goede als over de slechte.
Abraham
is stamvader van de Hebreeën, de eerste van het joodse volk. Zo staat in
de Meppeler Courant van september 1992: ‘Zo verscheen de ene na de
andere verordening, waarbij het Volk van Abraham steeds verder geknecht,
vernederd en uitgemolken werd. Het was op 29 augustus 1941 dat de joodse
leerlingen de toegang tot de scholen ontzegd moest worden.’
Abraham
zien. De
uitdrukking betekent dat iemand vijftig jaar is geworden. Men geeft de
jarige een platte koek in de vorm van een man met een baard. Het gezegde
vindt zijn oorsprong in de tekst van Johannes 8:56-59. Jezus zei tegen de
Joden: ’Abraham, uw vader, verheugde zich over mijn komst, en toen hij
die meemaakte, was hij blij.’ De Joden zeiden: ‘U bent nog geen
vijftig en u zou Abraham gezien hebben?’ ’Waarachtig, ik verzeker u,’
antwoordde Jezus, ‘van voordat Abraham was, ben ik er.’ Toen raapten
ze stenen op om naar hem te gooien (vanwege de godslasterlijke woorden van
Jezus: Ik ben aan God gelijk!). Maar Jezus wist onopgemerkt uit de tempel
te ontkomen.
Weten
waar Abraham de mosterd haalt.
Dit gezegde betekent dat men goed op de hoogte is. Mogelijk werd met
mosterd musterd of mutsaard bedoeld = takkenbos of brandhout.. Abraham zou
dan musterd gezocht hebben om hout te hebben voor het brandoffer van zijn
zoon Isaak. Andere bronnen menen dat Abraham een normale naam was en dat
musterd een gewoon alledaags gebruiksartikel was. Dan betekent de
uitdrukking ‘waar Abraham de mosterd haalt’ alleen maar ‘een
boodschap halen’.
In
Antwerpen kende men het gezegde: ‘waar Bert zijn mostaard haalt’ en in
Duitsland: ‘Er weiss wo Bartel Most (= jonge wijn) holt.’
In
Abrahams schoot zitten - aan Abrahams borst rusten. Het
naar de zin hebben. Bij Lucas 16,23: staat: ‘Toen de rijke gestorven man
in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij
in de verte Abraham met (de arme) Lazarus aan zijn zijde.’
In
het Oosten lag men onder de maaltijd op rustbanken waarbij het hoofd van
de een rustte tegen de boezem van een ander.
Abrahammetje
spelen.
Dit houdt in dat men de halve waarheid spreekt. In het bijbelverhaal zegt
Abraham tegen zijn vrouw Sarai - als ze in Epypte aankomen - dat ze zich
niet als zijn vrouw mag uitgeven, maar slechts als zijn zuster. Sarai is
knap en Abraham vreest dat ze hem omwille van haar zullen ombrengen. En
inderdaad: de Egyptische farao neemt Sarai tot zijn vrouw. Abraham
handelde dus weinig moreel. Zie Genesis 12:10-19.
Sara.
Sara zien of Sara onmoeten: een vrouw die vijftig jaar wordt,
krijgt een koek of een pop die een oudere vrouw uitbeeldt. Sara of Sarai
was de vrouw van Abraham. Het gezegde heeft geen bijbelse grondslag.
Ze
is een Sara.
Een vrouw is al op leeftijd en krijgt toch een kind. Een zinspeling op het
verhaal dat God aan Abraham en Sara een zoon belooft, ofschoon zij al oud
zijn (Sara: ‘ik ben immers verwelkt en ook mijn man is al oud’. Zie
Genesis 18:10-14).
Amen
is een Hebreeuws woord. Het betekent: ja, zo is het, zeker. In het boek
Deuteronomium 27,14-26 geeft Mozes het joodse volk twaalf geboden waarop
het Amen moet zeggen. Bijvoorbeeld: ‘Vervloekt is eenieder die zich
laat betalen een onschuldige te vermoorden.’ Dan antwoordt heel het
volk: Ámen.
Ook
Paulus gebruikt het woord Amen. In de tweede brief aan de Korintiërs
1,19 staat: ‘In hem - de Zoon van God, Jezus Christus - worden alle
beloften van God ingelost; en daarom is het ook door hem dat we amen
zeggen, tot Gods eer.’ Amen
is het slotwoord van de meeste gebeden. Men is het eens met het gebedene.
Ik
zeg er ja en amen toe. Ik
beaam ten volle wat er gezegd wordt.
Ja
en amen zeggen. Alles
maar goed vinden, wat er gezegd wordt.
Ja
en amen spelen.
Met iemand meepraten.
Ik
wil dat de predikant eens amen zegt. Dat
hij ophoudt met zijn preek.
Van
eeuwigheid tot amen.
Eindeloos voortdurend. Ononderbroken.
Amen
en uit. Afgelopen.
Hugo
Claus in ‘Verdriet van België’: Ze wil hem niet zien, amen en uit.
Vermoedelijk
slaat dit gezegde op Jezus die tussen twee andere mannen aan het kruis
hing. Matteüs 27,38: ‘Daarna werden er naast hem twee misdadigers
gekruisigd, de een rechts van hem, de ander links.’
’De
deugd in het midden’, zei de duivel en hij nam plaats tussen twee
broeders kapucijnen.
Dat
duurt van eeuwigheid tot amen, er komt maar geen eind aan zijn betoog.
Vermoedelijk
is het gezegde ontleend aan het einde van het onzevader volgens de
Didache: ‘Want van u is het koninkrijk, en de kracht en de
heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.’
Het
begrip apostel betekent:
getuige van het rijk Gods zijn in opdracht van Jezus van Nazaret.
Matteüs
10: ‘Daarop riep Jezus zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de
macht om onreine geesten uit te drijven en iedere ziekte en elke kwaal
te genezen: ‘Ga op weg en verkondig: ‘Het koninkrijk van de hemel is
nabij.’
‘Dit
zijn de namen van de twaalf
apostelen: als eerste Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer
Andreas, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes,
Filippus en Bartolemeüs, Thomas en de tollenaar Matteüs, Jakobus, de
zoon van Alfeüs, en Tadeüs, en tenslotte Simon Kanaeüs, en Judas
Iskariot, die hem zou uitleveren.’
Een
van de bijbelboeken heet ‘De
handelingen van de apostelen’. Het boek beschrijft voornamelijk de
lotgevallen van de apostelen Petrus en Paulus.
Willibrord
en Bonifatius worden de apostelen
van Nederland genoemd.
Apostelenweetjes:
Per
pedes apostolorum:
te voet lopen, zoals de apostelen te voet rondtrokken. Hetzelfde
betekent: gaan met de apostelwagen, op apostelpaarden rijden.
Er
zijn apostelen en martelaren:
de een verkondigt bepaalde opvattingen en de ander lijdt daaronder. En:
de een heeft geluk, de ander heeft pech.
Apostelen
van de vrije gedachte: iets
nieuws verkondigen.
Een
rare apostel: een
zonderling.
Apostelzalf:
een
geneeskrachtige zalf, uit twaalf bestanddelen samengesteld.
Twaalf
apostelen:
een andere benaming voor de zwaardlelie of de gladiolus.
Een
huis vol kleine apostelen:
een huis vol kinderen.
Frans
Boddeke
De uitdrukking ‘iemand
jonassen’gaat terug op het bijbelboek Jona. Jona is een profeet in
het oude Israël. God de HEER zegt dat hij naar de heidense stad
Ninive moet gaan om de inwoners op te wekken beter te gaan leven: ‘Ga
naar Ninive, die grote stad, om haar aan te klagen, want het kwaad dat
ze daar doen is ten hemel schreiend.’. Indien de inwoners zich
bekeren, zal God de stad sparen. Jona heeft daar geen zin in en neemt
de boot naar Tarsis , weg van de HEER. Maar de HEER doet een storm
opsteken, zodat de boot dreigt te zinken. Ten einde raad werpen de
zeelui Jona overboord in het water, want Jona heeft bekend dat hij de
oorzaak is van de storm: ‘Toen tilden ze Jona op en gooiden hem in
zee, en de zee bedaarde.’ Ze ‘jonasten’ Jona.
Zat Jona in een walvis? De
tekst spreekt slechts van een grote vis: ‘De HEER liet Jona
opslokken door een grote vis. Drie dagen en drie nachten zat Jona in
de buik van de vis. Toen op bevel van de HEER, spuwde de vis Jona uit
op het land.’ Dan gaat Jona naar Ninive en de stad - ‘Ninive was
een reusachtige stad ter grootte van drie dagreizen’ - bekeert zich.
Maar Jona is kwaad, omdat: ‘ik wist het wel: u bent een God die
genadig en liefdevol is, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid.’
Het verhaal van Jona komt
terug in Matteüs 12: ’Dit is een trouweloze en verdorven generatie.
Ze verlangt een teken, maar ze zal geen ander teken krijgen dan dat
van de profeet Jona. Want zoals Jona drie dagen en nachten in de buik
van een grote vis zat, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten
in het binnenste van de aarde verblijven. Op de dag van het oordeel
zullen de Ninivieten samen met deze generatie opstaan en haar
veroordelen; want zij hadden zich bekeerd na de prediking van Jona en
hier ziet u iemand die groter is dan Jona.’ Deze tekst gaat over het
sterven en verrijzen ten derde dage van Jezus.
Het bijbelboek Jona
vertelt geen historische gebeurtenissen. Het boek behoort tot de kleine
profeten en is een leerverhaal: de HEER is niet alleen het
Joodse volk genadig, maar alle volkeren. Gods liefde omvat alle mensen
zonder onderscheid. Hij roept op tot openheid, verdraagzaamheid en
vergeving.
Het verhaal wordt in de
synagoge gelezen op Grote verzoendag. Jona is de hoofdpersoon in het
boek en is de enige die met naam en toenaam genoemd wordt. Zijn naam
klinkt 18 keer. JHWH wordt 26 maal genoemd.
De verzonnen novelle is
geschreven rond het jaar 400 voor Christus. Het is als volgt
opgebouwd: 1. Jona’s roeping en vlucht. 2. Gebed en roeping van Jona,
3. Jona’s optreden in Ninive. 4. De HEER leest Jona de les.
Iemand jonassen. Iemand
beetpakken aan handen en voeten en hem in het water smijten. Vaak
wordt daarbij gezongen: ‘Jonas, die in de walvis zit, van je een,
van je twee, van je drie. Hupsakee.’ Soms zingt men: ‘Toen Jonas
in de walvis zat, werd z’n hele broekje nat. Van je een, twee, drie.’
Het lot valt op Jona. Pech
hebben.
Kijken zoals Jonas in de walvis. Het
Spaans benauwd hebben.
Een jonashaai. Een haai die zwemt
bij de kust van de Atlantische oceaan en die graag een mensje verobert.
De
uitdrukking gaat o.a terug op het evangelie van Matteüs, waarin verteld
wordt dat Petrus, de eerste van de apostelen, Jezus driemaal verloochent -
Matteüs 26,32 -: ‘Petrus zei daarop tegen Jezus: ‘Misschien zal
iedereen u afvallen, ik nooit.’ Jezus antwoordde hem: ‘Ik verzeker je:
deze nacht zul je, nog vóór de haan kraait, mij driemaal verloochenen.’
Petrus zei: Al zou ik met u moeten sterven, verloochenen zal ik u nooit.
Alle andere leerlingen vielen hem daarin bij.’
En
als Jezus gearresteerd is, zeggen omstanders, als Petrus Jezus al tweemaal
verloochend heeft - Matteús 26,73 -: ‘Jij bent wel degelijk een van
hen, trouwens, je accent verraadt je.’ Daarop begon Petrus te vloeken en
hij bezwoer hun: ‘Ik ken die man niet.’ En meteen kraaide er een haan.
Toen herinnerde Petrus zich wat Jezus gezegd had: ‘Voordat er een haan
gekraaid heeft, zul je mij driemaal verloochenen.’ Hij ging naar buiten
en weende bitter.’ Er staat dus dat de haan kraaide, maar niet dat hij
driemaal kraaide!
Daar
kraait geen haan naar. Dit
gezegde kan komen van bovenvermelde tekst. Maar men denkt ook wel dat de
haan eens getuige zou zijn geweest van een moord, en met zijn gekraai de
moordenaar wilde aanwijzen. Maar het gezegde gaat wellicht terug op de
verloochening van Jezus door Petrus. Er zijn geen menselijke getuigen over
wat gebeurd is. Het komt nooit aan het licht.
Hij
hangt de gebraden haan uit. Hij
is een opschepper. Hij doet zich voor als een grote meneer. In vroeger
tijd waren er gaarkeukens. Deze hadden soms een bord ‘uithangen’ dat
er daar gebraden hanen te eten waren..
Zijn
haan wil koning kraaien. Hangt
samen met hanengevechten. De baas willen zijn.
De
rode haan laten kraaien. Brand
stichten. Mogelijk komt het gezegde van het feit dat brandstichters op de
gebouwen die ze in brand wilde steken, een haan met rood krijt tekenden.
Zo
rood als een kalkoense haan. Als
de kalkoen kwaad wordt, lopen zijn kam en lellen plotseling rood aan. Erg
kwaad worden.
Haantje
de voorste zijn. De
haan vliegt onmiddellijk op zijn tegenstander af. De haan is nummer een,
hij loopt voorop, duldt geen tweede plaats.
De
haan is de baas, als de hen niet thuis is.
De man is het hoofd van het gezin, maar de vrouw heeft het voor het
zeggen.
Hij
schrijft hanenpoten.
Een moeilijk leesbaar schrift. Het geschrevene ziet er uit als de sporen
die een haan nalaat op modderige grond.
Een
goede haan is niet vet. Een
magere haan en vette hin, is het bewijs van zoete min.
Daar
dienen geen twee hanen op één mesthoop. Geen
twee kapiteins op één schip.
Frans Boddeke