DE MUREN HEBBEN ARMEN
Gedichten
Ine Verhoeven
Copyright 1999 Ine Verhoeven.
Uitgeverij: VER(HOEVEN) & BOD(DEKE) Writers & Publishers - Nijmegen.
Druk: DAJA-stichting - Den Dungen.
Lay-out: Jos Kruunenberg.
ISBN 90-76576-02-5.
İ 1999. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, microfilm, fotokopie, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook en evenmin in een retrievel system worden opgenomen zonder nadrukkelijke bronvermelding en met ten minste de naam van de auteur.
Voor vrienden die liefhebben.
DE MUREN HEBBEN ARMEN
Muren zijn nergens weg te denken. Elk gebouw bestaat voornamelijk uit muren. Tuinen zijn ommuurd. Zelfs wegen hebben muren. Muren zijn voorname elementen. Men bouwt muren op. Men breekt muren af. Muren zijn ook zinnebeeldig, het zijn graag en vaak gebruikte symbolen: ze beschutten, ze schermen af, ze geven vrijheid en privacy; maar ook: ze beklemmen, ze bedreigen, ze zetten vast. Zo dagen muren uit. Zo blijven muren fascineren.
In De muren hebben armen geef ik mijn hosianna aan de werkelijkheid in de dingen, maar vooral signaleer ik de zin van realiteiten in het levende, het waardevolle van waarachtigheden in mensen. Nergens vormen muren een bedreiging voor mij als de dichter, het zijn de mij veilige vrienden, die mij aanvaarden, die mij in vriendschap omarmen als de vrouw, die ik ben, die ik ben geworden door en over alle voor mij -ooit- opgetrokken barricades heen. In deze bundel slecht ik benauwenissen, kijk ik onbeschroomd naar wat is zoals het is. Ik verwoord, gewoon omdat het moet, gewoon omdat de waarheid ís.
De eerste exemplaren van deze bundel zijn in vriendschap aangeboden aan hen, die mij hebben begroet in 't Sfeerhuis van Nijmegen op 28 maart 1999.
Ine Verhoeven
Wie de taal van de dichter verstaat,
weet dat nergens
het waarachtige wordt geschuwd. I.V.
1. Elixer
De nacht stond op
en leunde op de wereld
als een logge beer
Hij keek naar de dag
die juist vertrok en
hij wuifde hem na: die
dag met de zon en de
wind, met geen wolken
Traag rekte de nacht
zich uit en geeuwde;
de huizen op de grond
trilden even in hun
vesten en de bomen
deinden te vlug heen
en weer en de wateren
klotsten en joegen
hun golven op; en de
nacht schuurde zich;
hij wandelde over de
steden en keek, keek
zijn ogen uit, hij
proeste en nieste en
lachte en leefde; hij
kuste de wereld zwart;
- soms ergens
donkerblauw -
en de wereld werd suf
en loom en vleide zich
tegen het hart van de
nacht en sliep; en de
nacht was gelukkig
en danste, hij danste
tot de dag hem bezocht;
en de dag stond op
en wekte de wereld
als een lichtvoetig hert
Hij ijlde voort over
bergen, door wouden,
sprong over de steden
- en huizen met ramen -
en hij snelde langs land;
maar bij het water, bij
het water stond hij stil
en dronk.
2. Zondaggrens
De zomer stilt en zint op rust,
op zijn in rust; overal zingen
bloemen hun levensmelodie en
overal ruisen bomen naar stil;
stil verstilt het blad, het loof
verwijdt de zucht en ademt kleuren
en bloesems geuren geeuwend rond
en mensen weten niet te doen met
tijd van stil en rust en jachten
naar de grote stad of naar het
grensgebied waar alle winkels
open zijn en waar de etalages de
ogenblikken vertroebelen;
het paapsvoorbij gaat en ziet
en begeert en handen betasten
Gentse kant en de hemel zwijgt,
zwijgt, zwijgt stil ver boven
de huizen en kerken uit
En honden lopen aan de lijnen
en poezen zitten voor de ramen
en vrouwtjes doen hun best om
dik-dun door te gaan, geduldig
door hun dagen te gaan;
mannetjes zitten op bankjes
en wachten, wachten, waarop?
Alle mensen vieren de zondag en
de god is nergens, komt niet en
laat zich niet zien; achter het
roomsbronzen tabernakeldeurtje
zit hij gevangen en in het roomse
kerkruim is leegte gevuld met
vroomrooms niets, gebeeldhouwde
verlangens, biezen stoelen en
geen orgasme; een biechtstoel
toont haar knielbankje onder
het velours gordijn met zoom;
en de zomer bloeit door en de
herfst wacht gehaast en zelfs de
winter laat zich reeds zien, al is
het alleen nog maar in zij van oud
Zomermiddag 1997 - Impressie Baarle Nassau.
3. Brostugan - Brughuisje
Ter linkerzijde bij de muur, waar
de witte wilde rozen bloeiden,
heb ik de dood ontmoet; hij deed
een middagwandeling in het late
mensenlijf, dat stram en gammel
voortbewoog; ik zag hem aan in
ogen rood omrand; ik zag hem gaan,
nog net met lichaam aangekleed.
Zij waren samen in de schaduw
neergestreken, twee vrouwen oud
en door van alles aangetast - zij
wisten niet? - Zij dronken koffie
met hun laatste bibberhanden en
d'ene roerde deftig welgemoed - zij
kon dat nog - d'andere hapte teer
in koek met krenten en glazuur en
keek vervolgens wazig voor zich uit;
Zag zij de zomer om zich heen zo
volop levend, zo vol met groen,
met bloemem, vogels klein? Zag zij
de blauwe hemel hoog doorheen de
appelbomentakken, zag zij? Ze keek.
Ter rechterzijde bij de heg, hoge
liguster, daar zaten protestanten
in het zwart, zeven lutheranen van
welooit, maar in het nu; Zij hadden
haar begraven en aten in de schaduw
gezamenlijk het brood en dronken
mineraal; zij eerden God en baden
hun gebeden en niemand lachte op dat
heilige moment, nee géén, want ergens
lag ook nog de dood begraven en zij
hadden God gesmeekt met neergeslagen
ogen - zojuist: Erbarm U over ons.
Daartussenin, daar speelden kleine
kinderen; zij ringden, wipten en zij
gleden van de baan; zij schreeuwden,
zongen, riepen, lachten, huilden en
hun ouders liepen zorglijk af en aan;
En alles groeide en bewoog en vocht
te leven, en ook de dood aanwezig
voerde strijd, en overwon: Die daar,
dat oudje in de rolstoel wordt de mijne.
Zo broos verwachtte zij toch lang al
eeuwig levenslang? De zon sprong hitsig
tegen muur en op liguster - beloofde
leven voor de dag: Wees maar niet bang.
En het bladgroen van de bomen omlijst
de beelden die zijn; en zijn geweest.
Binnen, in het brostugan vertellen foto's
aan de muren van ooit, en helemaal niets
over wie zo vriendelijk nooit meer zijn.
In de verhuisdoos ligt moeder, mooi,
dood, bijna vergeten, stil te vergaan.
Stockholm, juli 1998.
4. In de april door Zweden
Ik zie paddestoelen
langs de wegen staan
en uit de stenen
groeien bomen
met takken
zonder blad noch loof
Ze wuiven niet naar mij,
die takken van die bomen,
en ook de zwammen staan
heel stil vol rood,
en met hun witte ogen
kijken zij, kijken zij;
ik ga voorbij
Ik zie hen staan,
maar zien zij mij?
Met mijn ziel
in mijn armen
reis ik door land
en langs wegen
waar alles stil
staat te bewegen
net zoals in mij
het leven
broeit en zwijgt
Zo stil zit ik,
zo roerloos
en ik ga voorbij,
de tijd voorbij
Nóg ben ik, nog
Ik streel de ziel
De ziel van mij.
Arlanda - Stockholm juli 1996.
5. Neerslag
In de grauwe volkswijk
is het rijk toeven
voor witte meeuwen
en zwarte kauwen
Regen doet wormen bewegen
als voer voor vogels
De kauw aast, pikt en vreet
De meeuw vliegt op en krijst
De bus dendert door naar de stad
Ik zit
Ik ben
Ik besluit niets.
Het uitzicht van de Neerstraat, 's-Hertogenbosch 1996.
6. Heb jij hem gezien, misschien, misschien?
Geen van de bidders in de dom keken op of om
Zij waren in gesprek -zo goed- en met hun God begaan
Zij zagen de junk in zijn schamelheid niet staan
Maar de suisse is gekomen en heeft hem gezien
Ja heeft hem bevolen om weg te gaan; de zwerver
Had als arme ziel zijn zondagse kleed niet aan
Heb jij hem gezien, misschien, misschien?
En onder de brug daar zag ik hem gaan, verdwijnen
In de tijd; hij legde zich te rusten neer en
Tussen de halmen van het gras vergat hij even leven
De bidders in de dom -zo goed- zijn daar alras gekomen
Zij dromden om hem heen en hebben die ziel daar weggejaagd
Ze keken boos, en op en om, omdat hij om kruimels had gevraagd
Heb jij hem gezien, misschien, misschien?
Ergens tussen het capucijnenklooster en de Wilhelminabrug in 's-Hertogenbosch, 1996.
7. Mortibus
Daar kwam de dood
hij danste door de straten
en als een jonge bruidegom
nam hij haar tot zijn bruid
hij nam bezit van haar
en hij verdween in haar
en langs zijn speelse armen
gleed zij het leven uit.
Moment visionair: Sint Jorisstraat - 's-Hertogenbosch.
8. Waar ga je heen? Waar ga je?
Doof en blind en stomgeslagen
vind ik geen weg, hoor nergens klank
nergens waarheid, nergens waarheid
Ik raak vermoeid, mijn hart is moe
Mijn hoofd weet van de straten niet
waardoor de liefde schreiend wandelt
Ik zie haar niet, ik weet haar niet
Ik leg mij neer, mijn hart is moe
En met mijn ogen stil gesloten
rust ik van het zoeken uit en
'k slaapdroom ongerust mijn dromen
Ik zoek niet meer, mijn hart is moe
Plotseling ga ik door de straten
waar ook de liefde schreiend wandelt
langs huis en kerk, langs hart van steen
Geen ziet haar aan, mijn hart is moe
Dan keert de liefde, ziet mij komen
strekt haar armen naar mij uit
Ik zie, herken, ik weet en hunker:
Waar ga je heen? mijn hart was moe
Nu waakt het op, ik kus de liefde
haar tranen wassen mijn bestaan
Niet doof, niet blind, niet stomgeslagen
zie ik mensen door de straten gaan
Waar ga je heen? Waar ga je?
Moment visionair: Kerkstraat - 's-Hertogenbosch 1996.
9. Verlaten eend
Meeuwen vliegen op en masse
en schreeuwen, ze zeuren
kriskras krijsend om voer
ver weg van de waterplas
een enkele kleine muis
wat kale late luizen en
verborgen wormen onder de
harde grond lokken het honger
Doorheen de kale takken
schouw ik de winter en zie
de koude in lage nevels boven
de schraalte van het veld
ik zucht en lief de sfeer
van winters, in mij leeft
verlangen naar het vries
dat hard geeft aan mijn hart
Meeuwen, witte meeuwen en
veel gespikkeld gespreeuwte
die kleine schriele mus en
nog een verlaten eend, een
eenzame zwaluw en twee kleine
vreemde duiven met kuiven
pikken naarstig her en der
daar komt de kauw in zwart
Op vliegt het vogel
op vliegt het dier
op en weg van zwart
behalve de verlaten eend
Op het veld bij de Zusters Dominicanessen te Neerbosch - Nijmegen, november 1997.
10. Droom over hem
Honderd wagens rijden
aaneengeregen als een ketting
onderweg naar plaats van dood
Zij haasten niet
De wielen draaien langzaam
en achterlampen lichten rood
Ik moet voorbijgaan, weg van de
passanten, die voor mij rijden
als weer een oponthoud in zwart
En aan de rechterzijde zie ik
mijn verlossing, een overlevingslijn
langs het spoor van het station
waar treinen deinen, hortend stoten,
gillend remmen, en plots stilstaan:
en aan dit alles ga ik dan voorbij
Maar links rijdt altijd nog die ene
zwarte massa wagens met al die mensen
trouw achter de dood, om te begraven
die daar ligt gestorven; zij huilen
hem naar huis zonder de baar, hij
ligt daar onbedekt te liggen in zijn
wagen; de koning van zijn volk gaat
het voor, en in zijn rijdende paleis
leidt hij zijn mensen naar het einde
van een weg, die híj moest gaan
Ongekroond ligt hij daar naakt te kijk
voor ieder en ik zie, geschokt, zijn
schaam in onbeschaamd; ik rijd in haast
de stoet van rouw voorbij tegen regels
in van eerbied voor de dood; ik ga die
dood voorbij, ga lángs het zwart van
smet en onrust, langs oordeel over net
Ter rechterzijde ben ik langsgegaan,
hoor stemmen, verderaf, haast ijl:
En water vloeide uit de linkerkant!
Terwijl het rode bloed nog stolt
stopt de rouwstoet bij een marmergraf
Ik ontwaak met het naakte lichaam
dat neergelegd is in mijn hoofd
Ik voel mannenlijven zwetend zwoegen
en hun gezichten dragen onvermogen
En ik weet mij een vrouw, weer net zo
vernikst als toen; en de slag van mijn
hart heeft weer geprotesteerd, zoals
toen en toen en toen en toen, en toen
11. Lentevrucht nooit nog
Het groen ontluikt
Niets nog in mij ontloken
Gekapt het vruchtbaar met
harde snijdershand uit
buik en vlies en water
ooit gebroken toen het kind
daar kwam uit mij mijn
vruchtbaar en mijn vrouw
Het groen ontluikt
Geen leven ooit gegeven
aan het vruchtenkind van
mijn en dijne zaad nog
Geen ogenblik van nieuw en
van een herbloeien nog te
wachten uit vruchtbaar mijn
Geen dijne zaad geen vrouw
Buiten ontluikt een populier - Catharinahof 1998, Neerbosch.
12. Dag nacht
De boze droom is terug
twee kornalijnen ogen
zien me aan in kleur
van vlammend rood dat
keert naar fel oranje
in blindend gevecht
De boze droom is terug
twee albasten vuisten
beuken mijn slapen
in tinten van zwart
en donkergroene dreig
naar schelgeel geschreeuw
De boze droom is terug
een onyxen robuust
overweldigt mij
zwarte aders drukken
mijn rozekwartsen ziel
in duizend huilen
De boze droom is terug
een citrienen fallus
klopt tegen mijn hoofd
zwarte zaden stromen
tot travertijnen vrucht
en smaken naar niets
De boze droom deinst terug
een amethisten hart
dringt zich door mij heen
en saffieren vingers
drogen mijn robijnen
tranen en strelen
13. Grote broer
Ik ben een konijntje
Zo'n klein, kwetsbaar konijntje
Mijn broer is groot
Hij slaat alle kleine, kwetsbare
konijntjes dood
14. Vrouw
Vrouw zijn wil ik, vrouw
o vrouw zijn wil ik
Ze hebben mij ontmaagd
verkracht, mijn pure
zijn ontnomen; mijn
vrouwzijn weggenomen
mijn baarbuik uit mijn
lijf gehaald omdat de
dood wou komen; maar toch,
nu nog en immer door
zal in mij het vrouwzijn
leven, dat vrouwzijn mij
gegeven; geen neemt mij af
O vrouw zijn zal ik
Vrouw zijn zal ik, vrouw
15. Het familiefeest
Ratten dansen in het rond
en vieren feest
Ze slaan de poten in elkaar
en doen de polonaise
Met een glas bloed te veel
danst op een ballade een
verdriet
Geen rat die hoort
Geen rat die ziet
Vader en moeder zijn
in hel-geel goud getrouwd
De fanfare heeft zojuist
haar lied gespeeld
Buiten in het duistere
hangt het dichte nevelveld
Ratten dansen in het rond
en vieren feest
op de verlichte vloer
en spots weerkaatsen
een zilverglans op grijs
Met spitse snuiten zingen
ze een dronkelappenlied
en het gekraalte in hun koppen
loert hongerig op praat
vol schandelijk, klets voor
bij de thee, of een begrafenis
Ratten klinken in het rond
op helgeel goud
Samen heulend lachen ze
om het voorbije in dat oud
Ratelende karrenwielen komen
en houden stop bij de poort
Mannen in grijs rapen het puin
op, voor de mest van morgen.
Vught, El Dorado 1975.
16. Wist ik dan niet?
Waar blijf ik, als jij niet god zou zijn
niet ziel, niet geest, niet woorden bent
niet in mij bent, niet om mij bent -zou zijn;
als jij niet en nergens die eenling bent op wie
mijn hongerhoofd in nietweten en blind wacht?
Ik ben de zonderling, de zonderling van god
mijn machtigen en mijn lachers, zij belagen mij
en honen; zij cirkelen om mij rondom, en verderop
Wist ik dan niet, niet van de grote boze man -de vrouw
niet van de wet; en blijft zonderling altijd kind?
Waar blijf ik, als jij niet god zou zijn
niet jij, niet hij, niet mensen bent
niet met mij bent, niet naast mij bent -zou zijn;
als jij niet en niet hier dat leven bent waarop
mijn dovenoog in niettwijfel en hoop wacht?
Ik ben de lieveling, de lieveling van god
mijn minners en mijn vijanden, zij verstoten mij
en klagen; zij wenden af, verdwijnen, gaan verderop
Wist ik dan niet, niet van de grote boze man - de vrouw
niet van de wet; en blijft lieveling altijd kind?
17. Ik heb gegroet
Ik heb jou gegroet
en jou gegroet
en vaak gezegd:
het ga je goed
En ook heb ik gesust
met zoiets van:
het komt wel goed
Ik heb gegroet
zo vaak gegroet
en alle tijd voorbij
gegroet
en lievelingen
uitgegroet
met altijd weer een
laatste groet
De laatste groet
verlate groet
Geschreven heb ik:
wees gegroet
Gebeden heb ik:
wees gegroet
En onvermoed kreeg
ik een groet
Een groet van jou
van hem, van haar
Géén groet van
gene zijde
De groet op straat
en in de kerk
De groet van mensen
in mijn huis
De groet van mensen
op hun werk
De groeten van de
levenden; en ik groet
ik groet geen doden
Ik groet alleen
de levenden
Ik ren, ik snel de
groet voorbij
Ik word aangetikt:
Herkent hij mij?
Ik snel de laatste
groet voorbij
Ik roep verdaasd:
De groeten!
Ik heb gegroet
ja jou gegroet
En soms ook wel
geen mens gegroet
En niet gezegd:
Het ga je goed
Geen groet, geen
groet, geen groeten.
Ik groet iedereen en mijn broers.
18. Haar hand van mij
Op de strook
van het katoenen laken
ligt stil mijn hand
niet van mij
In het bed ligt weer
mijn moeder neer
In mijn hand herleeft
mijn moeder weer
Het is haar hand - die
hand van mij - en zij
beweegt rusteloos
zoals zij altijd was,
in mij
Als mijn hand daar ligt
op die strook
ís zij, en is zij
voor het eerst
heel even stil in die
stille hand van mij
Alsof ik haar begrijp
als ik haar hand bekijk,
van mij
Alsof ik eindelijk weet
wie zij was.
Carolusziekenhuis, augustus 1985.
19. Zij rest in pastellen
Mijn moeder was
groen en geel en zwart
was
blauw en paars en wit
was
felrood en hel-oranje
Mijn moeder was
geen vrijdagmorgengrijs*
noch het lila van een zondag
Mijn moeder was
alle kleuren ontstijgen
en overstijgen
Mijn moeder was
weggaan en blijven
in pastellen.
* Gerrit Achterberg.
Dominicuskerk, Amsterdam 1997 - Moederdag.
20. Hartenfeest
In mijn hartenkamertje
heb ik een stoeltje neergezet
versierd met witte akelei
en blauwe slingerwinde
In mijn hartenkamertje
heb ik een feestdis klaargezet
In tinnen deed ik ambrozijn
en mede van de bijen
In mijn hartenkamertje
heb ik een gouden kooi gezet
met open deur, en 't vogeltje
zal tjilpen, zingen, fluiten
En de goede God zal komen
en waken over dromen en
wensen die jij koestert, stil:
je hele leven lang
En in mijn hartenkamertje
wordt feestgevierd voor jou!
Patricia's verjaardag 1997.
21. Lievelingen in het oud
De oude dametjes die eens de
jonge meisjes waren, zij zijn
zo zedig, zo gekuist van elk
onkuis
en hun kuise blikken werpen
zij zo onschuldig
met ogen zonder sensueel of
hongerige lust
naar oude mannen met hun lief
En naar de jonge vrouwen wordt
gekeken met toegeknepen oogjes
vol venijn en met saamgeknepen
lippen in de kinnenbakken - ze
tekenen een ontevreden lijn op
hun geschminkt gelaat, dat
schuilgaat onder dunne kroes
van permanent of wave met
blauwe gloed
De korte lijntjes potloodbruin
staan in wenkbrauwen opgetrokken
boven het chagrijn van leeg
en van vergeten hoererij,
van lonkend snollebollen met
van toen die bakker aan de deur,
de slager met de fiets en de
tuinman in het theehuis ginds
achter de boompartijen in de tuin
en kijk, daar komt de loodgieter
en soms gaat er een dominee voorbij
voorbij
Weten ze het nog wel! als ze zo
benepen kijken
daar vooraan in die grote kathedraal
waar ze hun
kuise benen kruisen op de rieten
stoelen
en waar
de priester komt met hun eigen heer
hij legt hem warempel
op hun witbeslagen roddeltongen neer
Hun heer - weten ze het nog wel?
Hun heer - kennen ze hem nog wel?
Het zijn die schatjes van voorbij,
ze zijn toch lief gebleken
en welbespraakt gebleken
op hun oude dag! ze zijn
toch goed, toch rein van ziel en
schoon van alle blaam
en schaam,
alles vergeten immers, immers?
En het minnen is voor de boze wereld
buiten hun raam
en de duivel werkt door als een
brullende leeuw
en weet van wanten, wee!
De wereld vergaat al gauw!
Bimbam, bimbam, oh God, wat nou?!
oh God, wie nou?!
oh God, wie dan toch nou alweer!
De tweede keer vandaag,
de tweede keer,
oh God, nee!!
Zij, zij dat snoepje van hiernaast?
Voorbij? Ze was zo lief, zo lief
gebleven zij, nee toch, waarom zij?
Oh! En ze slaan hun
ogen neer en
wachten op hun beurt tot het zal zijn
gebeurd
met hen
en ach, zij waren toch hun tijd al
lang geleen voorbij,
al lang, lang
Ze zitten vooraan in de rij als
de dood op wieltjes
binnenratelt en stilschokt vooraan
bij een kruis
en bloemenkransen veel te veel
en ze luisteren
naar het woord van deugd en goed en
lievigheid
gedurende haar leven, want nu is ze
toch dood!
En bij de herinnering liggen hun
handen
in de schoten
gevouwen,
die schoten waren ooit ontbloot
en vol
van lust en van mannenzegeningen
En de oude vrouwen in de rij
volgen starend met hun
doodse ogen
het ritueel van de man in het
priesterkleed
en ze zien toe hoe hij haar,
in de kist daar koud gelegen,
besprenkelt met een geheiligde
kwast
en haar omgeeft
met wolkenwalmen van gesacreerde
geur
Wie draagt haar gouden armband en
haar bloedkoralen snoer?
Bij 'n uitvaart in de Sint Jan - 's-Hertogenbosch.
22. Legitieme honderddood
In een dun vliesje brood verpakt
zit god de heer streng vastgeplakt
door weters die het weten kunnen
hoe hij daar woont in 't rondje wit
Zij ademen hun hoc est enim en
toveren calix sanguinis
en langs de laan van hun geweten
pakken zij ook nog mensen in
en kinderen die tot jezus komen
in bruidstoilet en hoed met lint
waaronder 't haar in krullen danst
hun witte schoentjes huppen mee
En 't jezuskindje zit te beuken
met zijn knuistjes op de plank
zonder brood en zonder kruimels
en zonder rijst in armenland
In een dun vliesje vel verpakt
zit het kind streng vastgeplakt
door weters die het weten kunnen
hoe legitiem het sterven mag
En hoc est enim ligt verteerd
en calix sanguinis verdroogt
en langs de laan van beriberi
sterft god de heer zijn honderddood
Televisiebeelden: stervende kinderen in de derde wereld.
23. Perspectief
Miljoenen microben eten me op.
De tijd verstrijkt. Tik-tak.
Het bruisende leven in mijn lijf
vreet mijn leven naar de dood.
Kist in zicht. Tik-tak.
Kerk in zicht. Tik-tak.
Zerk in zicht. Tik-tak.
Klokken beieren mijn lijk de hemel in.
Bim-bam.
Leiomyosarcoom 1985.
24. De honden zijn dood
Het huis dat daar staat
zo machtig, zo ik
Met vensters als ogen
en luiken als wimpers
Een zwarte hond
loopt rond en snuffelt
en ligt neer, ligt dood
voor het vrouwtje wier
baasje reeds gestorven is
Voelt zij gemis?
De hond ligt dood
Het huis dat daar staat
met die machtige blik,
met die ogen van ik
dat huis lonkt en nodigt
De hond is weg
Mijn huis dat daar staat
zal ik nooit binnengaan
zal nooit meer bestaan
En al mijn zwarte honden
zijn dood
De honden zijn dood.
Het huis en mijn herenhuis; de herinnering.
25. Ooit nog
De juffrouw is een kind nog
met kinderogen en nog een
ongerepte ziel, dacht ik
toen ik mijn kleinzoon
van het schooltje ophaalde;
de juffrouw is als ik was
toen ik mijn zoon had gebaard:
een kind nog en met een ongerepte
ziel nog, zo'n kind nog met van
die kinderogen en nog nergens een
perverse kijk op, nog, nog niet
Toen ik de bloemkool serveerde
aan mijn zielsverwant wist ik
dat al het wit eraf was gekookt
Ik strooide nootmuskaat.
26. Pro memorie
Chaos ben ik, dacht ze.
Niks meer. Leeg hoofd.
Vegen op mijn ramen.
Smoezelige deur en
beslagen tegels op het
toilet. Paperassen uit
de laden, kranten op de
grond en brieven kwijt.
Chaos ben ik, dacht ze.
Weg mens. Leeg hoofd.
Geen kinderhandjes en
geen vlekken op de tafel.
Met nergens kruimels op
de grond en geen vogel
in 'n kooi. Leeg bed en
kussen niet verschoond.
Blik door de woning roept wanhoop op en heimwee.
27. Broccoli en zij
In haar binnenste laaide heet
een felgroene woede - 'n nijd.
Op de bladzijden van haar leven
brandden de letters zwart en
bruingeblakerd papier restte
half om half in as, grauw als
het verleden, dat grijnzend
opkeek en bleef grijpen in
nooit gekend; lachend zou ik
nu kunnen sterven zonder spijt,
dacht ze, en haatte de liefde
die maar niet wilde bestaan.
Ook bloemen sterven een marteldood,
dacht ze, en ze stierf haar zoveelste
dood, maar nu met bijna geen pijn.
Ze kookte broccoli; het was zaterdag
en ze hield nog van iemand.
Je bent gewoon een aardig mens, dat af en toe een beetje pech heeft, schreef de minister die van vlinders hield. 14 augustus 1998.
28. In maandagochtendlief
Zacht wil ik zijn
heel zacht wil ik zijn
En lief wil ik zijn
heel lief wil ik zijn
En heel vleselijk
Voelen wil ik
Heel zacht en heel lief
en heel vleselijk
wil ik voelen
het heel vleselijk zijn
En huid aan huid liggen wij
heel zacht, heel lief, heel vleselijk
En ziel aan ziel verzielen wij
heel zacht, heel lief, heel vleselijk
ons zijn
in maandagochtendlief.
29. Mijn oude hart
In mijn oude hart
heeft zich een lach gegroefd
en mijn stramme lichaam
daalt -heel licht- van alle
trappen, met van die treden
die hun sporen van de tijden
afgetekend ingekrast achterlieten
in bijna opgesleten steen van toen
En in mijn oude hart
heeft zich een lach gegroefd
die tijd en God en mooie allemensen
er kerfden; ik ga voorbij
-ook aan mijn stramme lijf-
en voor ik aankom bij mijn
God en Schepper, nog voor ik
binnenga in Zijn eeuwigheid
kijk ik nog éven om en zie de
nieuwe stoet van mensen, de jongsten
in het hart van God en medemens
-ná mij; hoe schoon zijn zij! die
jongsten in de tijden, die nieuwen
die daar wachten, die ook wachten,
die nog wachten moeten op -
hun oude hart, waarin de lach zich
groeft na alles; en zich kerft in
het mooi van oud, dat mooi van oud.
In mijn oude hart
heeft zich een lach gegroefd.
(Ik dacht aan mijn vrienden de Redemptoristen.)
30. Wat zal ik vrezen
Ik ga door de tuin van mijn aards paradijs
en ik kijk naar de bloeiende bloesems
Ik zie er de vogels zo hoog in lucht
en in boomlovers nestelen merels
Een gaai is geland op de kruin van mijn hoofd
en zijn roep deint mee in de wind
En in de straat van mijn aards paradijs
daar zie ik een kind, daar zie ik een kind
Het huppelt zo gaande langs huizen met tuin
langs bomen en struiken, langs bloemen
Het springt en het danst, het gaat en het gaat
Dan, bij de kleine rozen, blijft het staan
-het is de roze egelantier- en het staat
daar zo stil, en het staat daar zo broos
en het staat daar zo klein als die kleine roos
En het kind kijkt op, het kind ziet mij aan
en ik blik in heldere ogen; ik zie er de
hele wereld in, heel de wereld in kinderogen
Ik ga door de tuin van mijn aards paradijs
en de windebloem heeft zich verslingerd
met lavendel, margriet, madelief, engels gras
En ik ga langs de wilde wingerd
De gaai op mijn hoofd en het kind in mijn hart
draag ik mee in de wind, in de wind
Ik ga door de tuin van mijn aards paradijs
en Gods lach gaat over het land
Gods lach hangt over het land
En de gaai vliegt op
En het kind stapt door
En ik kijk en ik zie, ze verdwijnen
En onder de bomen rust ik uit
de bomen met takken en vogels
kraaien en eksters en kauwen, de raaf
En ik slaap, ik slaap gerust
want ik slaap in Gods hart
Ik ontwaak in een bed, dat ik niet ken
Ik ontwaak in een huis, waar ik niet woon
Ik wist het wel, ik weet mij helemaal verlaten
- misschien - ik wist het wel, ik wist het wel
dat ik opsta in Gods hart
Wat zal ik vrezen?
Vught, waar ik mijn kleinzoon Conner zag.
31. Want teer is de mensenziel
Mensen en wij -jij en ik- keren om
en zien elkaar voortaan, elkaar,
niet enkel ik; en jij wordt opgetild
uit stof en as, vergetelheid;
en jij wordt opgetild, gezien,
en ik groet jou met mijn hart;
jij bent en mag er zijn, als ik
en géén ontkent jouw hart; ik ben,
jij bent; gelijk mijn God er is,
Hij ís; en weten zullen wij
van onze ziel, die ís
Maar teer is de mensenziel
zo teer is de mensenziel
waarmee mensen liefhebben,
elkaar liefhebben en jou,
want liefhebben is de
opdracht van de mens
Mensen en jou liefhebben
gaat vanzelf en kennen mag
ik jou, maar nooit zonder
het kwetsbare, het weten
van het kwetsbare in jou
Want teer is de mensenziel
32. Stemming I
Je bent als een oude boom
met alle kleuren in je grijs
en stemmingen in je bladeren
met de kerven in je bast
als de lijnen in je huid
Je bent als een oude boom
die dromerig in voorbij
omziet, en naar de hemel reikt
33. Stemming II
Je bent als een oude boom
die wijs en grijs in herfst staat
en alle kleuren in zich heeft
die hij -ooit- heeft mogen dragen
en zien; een boom, die nu onbewogen
schouwt naar wat hij kent en die
af en toe nog even meedeint op
de wind, de wind die nukt en norst,
die giert en lacht, die woest en
streelt en kust en nooit sterft.
De oude vriend.
34. Dat ene trekje
Ik kijk naar jou en zie
het pretlicht in je ogen
En ik moet lachen om dat
ene gemene trekje in je
gezicht, dat je hebt en
niet weet en niet weg
kunt wissen; en dat ik
weet en ken en niet weg
wil wissen; want dat deel
van jou dat ben jij ook.
35. O jij, mijn lieve verlegenheid
Mijn lieve verlegenheid
met je lichtrode rose blos
van ongenuanceerde schaamte
om niet, ach om niet
Zo vertederend
in je grote kleinzijn
lieve man
met jongensgevoelens
en je lachen
om onnozelheid
van mij, van jou, van hen
Mijn lieve verlegenheid
zal je ooit verdwijnen
in vergetelheid
bij mij, bij jou, bij hen
Of blijf je, blijf je en voorgoed
voorbij vergetelheid,
voorbij
Dan altijd blijft herinnering
aan jouw verlegenheid
aan jouw lichtrode rose blos
van ongenuanceerde schaamte
van aangeleerde schaamte
O jij, mijn lieve verlegenheid.
Voor jou die mij lief is in onze verlegenheid
36. Dag licht in mij
Waar is de schaduw
die mij heeft omgeven
toen ik nog angstig was
en bang was voor Jou?
Wie heeft haar opgetild
en weggestuurd, de nacht
in terug, toen ik nog
klein en al verkleumd niet
weten zou van Jou?
Dag licht in mij, wees
welkom
en brand je vuren voort,
wakker aan en flakker, tot
ik weet wie Je bent, wie
Je bent
Waar is de schaduw
die het kind in mij
zo vroeg verdreven heeft
naar nergensland?
Wie is mijn redder toch
geweest, wie heeft het
duister van de nacht
getoverd naar het licht
en weg verdreven bang?
Dag licht in mij, wees
welkom
ik draag jouw vuren voort;
ik heb de mensen aangezien
en ik weet wie Je bent, wie
je bent
Jij bent de schaduw
voorbijgegaan
Jij bent het licht
in mensen
Jij bent het vuur
van hartenbrand, de
ogengloed van God en
ik herken in Jou weer kind
37. De juli en een dag eraf
De juli bleekt met zonlicht
de gewassen en uit de zanden
rijst hoog op het groenrijpende
graan, dat even nog mag wachten
op voltooiing in rijp om dan
te verdwijnen, door kapslag van
het veld gehaald, eraf, eraf
De juli streelt met zonlicht
langs de velden en in de bomen
klinkt van hoog het krassen van
de kraai; de ekster hipt en pikt
zijn voedsel op uit gronden en
langs de vaart klapwiekt een
reiger langs een mees, eraf, eraf
De juli speelt met zonlicht
langs de daken en alle muren
staan strak van 't witte heet;
en de klimop versiert de binnen-
plaats van huizen en groeit met
speelse slag hun kamerogen toe;
'n mens wacht op de nacht, eraf
Zomeravondherinnering Ravenstein 1998.
38. Honderd rozen jong en die dans
Honderd kleine wilde rozen jong
staan beperkt volop te geuren
en kleuren de straat rozerood
De kerk rijst majesteitelijk
boven de huizen uit en dringt
zich penetrant naar de hemel
Twee herenhuizen leunen scheef
tegen elkaar en lachen met even
scheve monden, waarin de mannen
met honden verdwijnen, en 'n kat
Ganzen hebben Rome gered en met
oude harten dansen twee mensen
jonge passen in het rond en op
het plein, waar grasjes groeien
Nergens wordt onweer verwacht
en op de houten plankenbankjes
zitten zij neer en rusten tot
alles lichter wordt om te dragen
en verder te gaan in dag en nacht
Zo heeft de wilde roos de straat
versierd en een kloostermuur
staat fier in grijs en onbevlekt
Een priester heeft een hart gekust
en de kleine rozen leven en sterven
als honderd grote mensen
Nergens staan antwoorden klaar op
vragen, ze zijn er niet en alle
leven gaat door, geen ziet nog om
Een dans heeft ritme nodig en
ook klanken sterven weg als zij
Maar die ene dans blijft jong, jong
Ravenstein, zomer 1998.
39. Goddank dat zij bestaat
Onder het dikke wolkenveld
van grijzig witte dons
hippen in de zachte sneeuw
de eksters rond de lijsterbes
en tussen de rododendron door
trippen de meesjes en een mus
Winterland, o winterland
ik wil ter kerke gaan
en kleed mij hippig, met een
muts en wollen wanten en
gekleurde sokken over mijn
geribde broek van zwart fluweel
Kleine vlokken dwarrelen neer
en trippen op mijn wangen
ik stap doorheen de witte sneeuw
krikkrak onder mijn voeten
want ik wil ter kerke gaan
en horen naar het woord
Daar zie ik ze gaan als
kostelijk omlijst in nostalgie
twee donkerzwarte nonnen
hun kapjes om hun hoofden
en waarlijk in habijt, hoe
schoon dit beeld in sneeuw
Langs het pad ga ik verhipt
en zustertjes in burgerkleed
kletsen, ketsen, kletsen samen
door en trappen in allerijl
over de sneeuw verhard en in
hun ogen mis ik het zacht
Heb ik te veel verwacht? Of
wellicht mezelf beloofd dat
zij met hun gekleurde zielen
vol paarse gloed in geestigheid
liefde in hun blikken dragen
en stralen zonder argusoog?
Ik bedenk mij en ga maar niet
ter kerke, ik bezoek die kleine
lieveling in het bejaardenoord
vol terminaal en ik word blij van
haar, omdat zij zo tevreden is
zo vrij van enig vooroordeel
Goddank dat zij bestaat
Voor Jorista.
40. In het hart van mijn God
In het hart van mijn God
heb ik mijn huis gebouwd
Zijn ogen zijn de ramen
naar het licht
Zijn handen zijn de kussens,
mijn rug tot zachte steun
En zijn arm bedekt de muren
waartegen ik me vlij, mijn
huid zich lievig schuurt
In het hart van mijn God
heb ik mijn thuis gebouwd
Zijn mond bezingt mijn leven
En zijn lach vult elke dag
Zijn linkerhand droogt tranen
wijl zijn rechter mij omvat
Zijn oren zijn mijn wachters,
veilig tegen valse klank
Zijn stem maakt mij gerust
In het hart van mijn God.
Confessio
Dichter in Brabant. Met deze aanhef had ik aanvankelijk deze bundel willen openen. Gewoon omdat ik Brabantse ben, en van kindsbeen af mijn gedichten in Brabant ontstonden; gewoon omdat ik kenner ben van mijn geboortegrond, dat Brabantse land waar ik opgroeide en leefde en beleefde al wat me overkwam, waar ik voelde en kende en herkende, altijd; dat land met zijn sappig dialect, de taal, die altijd zal blijven doorklinken, die hoorbaar is, onvervalst.
Ja, Brabant. Het leven voor mij ging er voorbij, de dagen verliepen er en de mensen werden er stiller; en het was goed voor mij om even te wuiven naar al wat was, ooit en eens; en ik trok over de grens naar de bovenburen; en ik ging het Gelderse binnen onlangs om te wonen en te werken in dat ook fascinerende land tussen de Maas en de Waal: dáár kon ik als Brabantse het leven wel aan. Zo heb ik het vermoed.
Hier in Nijmegen kijk ik met niet weinig weemoed, maar ook niet zonder vermaak en mét nostalgische trots, om naar 's-Hertogenbosch, mijn geboortestad, hier kijk ik om naar dat kloppende hart van het Brabantse compleet; en hier kijk ik ook om naar Vught, dat trotse dorp waar ik woonde en trouwde, en echtscheidde. Én ik zie om, als langsheen een driehoek, naar Zweden, dat hele grote land waar mijn dochter woont, mijn lieve kind, die wijze vrouw. De deugd van beminnen is moeders gegeven; ook ík heb mijn kinderen lief.
De dingen gebeuren zoals ze gaan en vraag míj niet waarom: ze gebeuren gewoon en je leert ze te leven; en doorheen de tijd worden de dingen en de dagen er niet aangenamer op, maar ook niet verdrietiger, niet erger dan anders, of bij anderen, nee, het leven blijft het waard om te dóén: want is het leven, mijn leven niet het enige, dat ik ken, dat ik heb, dat ik bén?
De gedichten in De muren hebben armen schreef ik in de recente jaren voorbij. De meeste teksten zijn voor mij van Brabant getint, want het is voornamelijk dáár geweest, dat alles wás; en waar het land van Zweden of het gouden Gelderland in deze bundel even om de hoek komen kijken, was ik er - alreeds en evenzeer - intens aanwezig als thuis, toen daar.
In De muren hebben armen ben ik thuis, overal. En mijn muren zijn er niet om tegen stuk te lopen, ze beschermen ook. Mensen vervreemden van elkaar, hebben soms angels als de wespen - gekregen - ter bescherming van zichzelf én tegen een omgeving waarin ze niet worden begrepen maar wel rücksichtlos ontkend. Mensen willen overleven, en soms kan dat alleen nog maar door de afzondering, door het afwenden van; door de eigen weg te gaan, door weg te gaan. Het eenzame wordt de vertrouwde bekende van de einzelgänger, die weet heeft van de muren die zijn troostende stenen zijn: je kunt er tegen rusten, dan wordt het harde zacht, is zacht - minstens in de kern, waar het zachte ooit begon, ontstond, er was. En het is goed in veel. Jezelf tot het goede gezelschap zijn. Soms gebeurt het zo.
Ine Verhoeven, februari 1999.
Inhoud:
Opdracht
De muren hebben armen
Elixer
Zondaggrens
Brostugan - Brughuisje
In de april door Zweden
Neerslag
Heb jij hem gezien, misschien, misschien?
Mortibus
Waar ga je heen? Waar ga je?
Verlaten eend
Droom over hem
Lentevrucht nooit nog
Dag nacht
Bevroren goud
Grote broer
Vrouw
Het familiefeest
Wist ik dan niet?
Ik heb gegroet
Haar hand van mij
Zij rest in pastellen
Hartenfeest
Lievelingen in het oud
Legitieme honderddood
Perspectief
De honden zijn dood
Ooit nog
Pro memorie
Broccoli en zij
In maandagochtendlief
Mijn oude hart
Wat zal ik vrezen
Want teer is de mensenziel
Stemming 1 - Stemming II
Dat ene trekje
O jij, mijn lieve verlegenheid
Dag licht in mij
De juli en een dag eraf
Honderd rozen jong en die dans
Goddank dat zij bestaat
In het hart van mijn God
Confessio
~
Eerder verschenen van Ine Verhoeven:
- Streel mijn leven, kus mijn dood - Dabar/Luyten, Heeswijk
- Witte koekoek en roomse kamille - Dabar/Luyten, Heeswijk.
- Zalig de niemanden, Frans Boddeke & Ine Verhoeven - Abdij van Berne, Heeswijk
- Miriam, mijn adem bidt - Abdij van Berne, Heeswijk
- 'n Bloembak blauwe begonia's - Frans Boddeke & Ine Verhoeven, Abdij van Berne, Heeswijk
- Tekstkaarten - Abdij van Berne, Heeswijk
- Wansnuitje en de zwarte boterbloem - Daja-stichting, Den Dungen
- Het wordt kerst, dacht ik - Ine Verhoeven & Frans Boddeke - Daja-stichting, Den Dungen
- Gebroken lentebrood Ver(hoeven) & Bod(deke) Writers & Publishers, Nijmegen
![]()