DE HERFSTVOGEL

Ine Verhoeven

 

De teksten werden geschreven door Ine Verhoeven.

Lay-out: Jos Kruunenberg.

Druk: DAJA-stichting - Den Dungen.

Uitgave van Verhoeven & Boddeke, schrijvers.

ISBN: 90-76576-06-8.

 

© copyright 1999 – Ine Verhoeven Nijmegen.

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvul­digd en/of open­baar gemaakt worden door middel van druk, micro­film, fotoko­pie, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook en evenmin in een retrieval system worden opge­nomen zonder nadrukkelijke bronvermelding en met ten minste de naam van de au­teur.

 

Graag draag ik dit lichtverhaal van vrede op aan mijn dier­bare vader, wiens serene doodsgelaat ik me met dankbaar­heid herin­ner; en wiens stervensuur ik niet zal verge­ten: hij was vrede.

 

VOORWOORD

Wat me ten diepste heeft bewogen om het verhaal 'De herfstvo­gel' te schrij­ven, is niet gemakkelijk te definiëren. Wel weet ik dat het witte kerkje in het stadsdeel Neer­bosch van Nijme­gen mij al geruime tijd intri­geerde alvorens ik definitief de pen opnam om dit lief­tal­lige monumentje in woorden te vangen.

Van omwonenden had ik vernomen, dat het kerkje bewoond is geweest door 'n kunst­schil­der, die er ook gestor­ven zou zijn.

Deze luttele gegevens maar ook mijn franciscaanse verzoenings­oriënta­tie en - kern brachten 'De h­erfst­vo­gel' tot leven.

 

Het kerstverhaal 'De herfstvogel' was oor­spronkelijk bestemd voor het millenniumboek 'Geschreven twee­luik rond 2000 - Eeuwige Drempelverhalen'. Bij de samenstel­ling ­bleek het boek echter omvangrijker te worden dan was gepland. 'De herfstvo­gel' is daarom uitgegeven in de zoge­noemde 'bijla­ge', die dit boekwerkje is. Ik heb enkele gedichten toege­voegd om het millenniumleesfeest te vergro­ten. Moge 'De herfs­tvogel' een sterke lichtdrager voor ons zijn met veel vrede en alle goeds. 

Ine Verhoeven

 

KOESTERING

Door Ine Verhoeven

 

Daar kwam het licht

het ging doorheen de nachten

en danste langs de hemelen zo hoog

En het verdween, om plotseling weer

te schijnen toen het zwartste ogenblik

daar was, voor as en dood beloofd

En met het kleinste kind werd dan

het licht geboren, waar niemand nog

geloven kon in god en goed, in zacht

En met het kleinste kind deed licht

een bloem ontluiken bij stralend

vredesvuur: een nieuwe liefdesloot

 

Ik draag het licht zo vederlicht

ik draag het licht in hart en armen

ik koester in het kleinste wicht

de twijg, Gods loot van de liefdesboom.

 

DE HERFSTVOGEL                        

Van mensen en kinderen en de dingen die veranderen; van een oude man en een vogel; van vrede en goddelijk per­spec­tief.

 

Er stond 'ns een wit kerkje, vertederend voor het mensenoog, aan de rand van een grote stad. Het kerkje had diepblauwe ramen met helderwitte figuren erin, die aan God deden denken. Over­dag speelde de lichtval vrolijk of somber - afwisselend - door het gewillige glas, dat met dit lichtspel de voor­bij­gan­gers boeide, telkens weer. Nooit waren de ramen pre­cies het­zelfde, altijd weer was er een andere sfeer in de glaspar­tijen te zien en altijd weer riep zo'n sfeer dat heel bijzondere on­aardse op; in die ramen leek Gods hemel gevangen, maar kon er nooit lang in worden vastgehouden, want elk moment was Gods licht anders, elk miniem­ste tijd­stip klein kleurde Gods aange­zicht an­ders, elke klok­kentik kort toverde de hemel anders naar de aarde toe; en de mensen, daar aan de rand van de stad, ston­den stee­vast stil of staak­ten hun bezig­heden om min­stens heel even te zien hoe wonder­mooi al dat licht toch was.

Het witte kerkje was omringd met hoge oude bomen, die wijs en beschermend bij hem stonden. In de herfst vingen de bomen de wind met hun bladeren, zongen zacht hun lied of sloegen met hun takken de maat als die wind hevig waaien ging, en ze loei­den het lied van de storm mee als God het stormen liet; het kerkje stond en was en bleef staan met een gerust­heid - die ook van God kwam, dat kon niet anders zijn - tussen al die bomen. Ja, zo ging het in de herfst.

In de winter waren de hoge bomen ontdaan van hun bladeren­pracht, ze hielden dan stille­tjes afwach­tend de wacht bij dat huisje van God, stonden daar met hun takken opwaarts gehe­ven en bezwoeren onafgebroken met hun grijpende armen de hemel; in de nacht en over­dag, heel de lange winter­tijd lang. Als de sneeuw was gevallen en op hun dikke stammen te rusten lag, ademde God bijna voelbaar door de aarde rondom, en vanuit Zijn kerkje glommen de lichtjes door het sprookjes­glas naar buiten toe, het blauwe vooral was haast hoorbaar vrolijk en kaatste zijn licht koel tegen de sneeuw, die langs de randen van de vensters lag, op de bomen en de grond. De voorbijgangers en de omwonenden zuchtten gelukzalig bij de aan­blik van dat sne­euw­beeld van God. En als in de kleine klokkento­ren beweging kwam en de klokken begonnen te luiden, dan was het feest bij dat beeld van God. Mensen en kinderen, ja ieder­een repte zich naar het sneeuwwitte kerkenbos en alles stond er in heilige zang.  

 

De verandering

Maar op een dag in de lente gebeurde er iets, dat veel in de hele vredige omgeving zou veranderen; de passanten stonden er nog niet bij stil, zagen wat gebeurde nog niet meteen gebeuren en genoten volop van het pittoreske aanzicht van het witte kerkje en de hoge bomen rondom, nog wel. Die hoge bomen hadden lang en zwaar geademd door de lange winter heen, maar ergens was de lucht beginnen te trillen, er kwamen heel jonge crocus­jes naast hun oude stam­men staan bloeien en de lente arriveer­de met regen en hagel en dunne zonnestra­len, die, eerst voor­zich­tig nog, langzaam maar zeker lentewarm werden. Het ge­zicht van het kerkje was wat schraal geworden door het winter­se weer, de lente nu waste met schone voor­jaarsregens en zacht warm licht zijn ver­weerde la­chrim­pel­tjes in de stenen schoon en onzicht­baar. Op zo'n dag dus, dat alles weer zijn lente­kleur kreeg en het jonge groen met zijn kleine blaadjes een nieuwe ajourjas breide voor de oude bomen, hoorden de bosmui­zen als eerste een oor­verd­ovend gegalm in hun holen, de voet­paden waren vol met voetstap­pen, die door de grond dreun­den tot in hun spitse muizenoortjes en naechoden in hun woon­gange­tjes. Het was niet het beken­de geluid van de rustige stap van de kerkganger of van de eenzame wande­laar. Nee. Het leken wel profetische voetstap­pen, zulke van on­heil. En ja, er waren mannen met mappen gekomen, er waren mannen met over­alls geko­men; en er waren van toen af aan geen mensen meer geko­men, die gewoon­tegetrouw zongen en baden daarbinnen ­in het kerken­hart. Aan de kerkdeur hing een zwaar slot en ze was dichtge­spij­kerd; de ramen van droom­blauw met godde­lijk wit zaten ver­borgen achter som­ber­grauwe planken. Het witte kerkje was gesloten. Zo zagen het de wande­laars en de mensen die woonden aan de rand van de grote stad. De bosmuizen zochten een ander heenko­men; ze waren verdwe­nen, wég uit de kleine sacris­tie: er lagen daar geen krui­mels meer. Maar toch. De merels nestel­den zoals elk voor­jaar in de strui­ken, de zwalu­wen kwamen en vlogen als vanouds in en uit hun nestjes onder de dakpan­nen; de wilde roos kreeg grotere knop­pen, net als al­tijd, en begon te bloei­en, de klimop werd niet meer ge­snoeid en verwil­derde langs de achter­muur omhoog en omlaag, de kas­tanjebomen strooi­den in hun bloei­tijd de rozero­de bloesems naar de grond, de boe­ren­horten­sia wachtte op haar bloei­beurt, want het was nog geen zomer; de oude kerkuil kreeg honger en vertrok, hij miste de muis en de kerkrat, de tor­tels hadden het naar hun zin en gin­gen door met minnen, zij stoor­den zich nog nooit aan iets.

Zo stond het kerkenbos erbij toen het zomer werd. Het witte kerkje was dicht. Het leven rondom ging met gestage zekerheid door, net als de tijd. De voorbijgan­gers stonden wel stil en keken, maar ze zucht­ten om de teloorgang. De rand­bewo­ners van de stad verga­derden nog 'ns ongerust in hun ste­riele wijk­ge­bouw, zij wensten hun kerkje terug; de deftige burge­mees­ter werd zelfs te hulp geroe­pen, maar die kon niets meer doen, de hele be­stem­mings­deskun­dige gemeen­te­raad en het voltallige kerk­bestuur hadden allang en un­aniem beslist dat het witte kerkje niet langer open was.

Intus­sen zwegen de kerkklok­ken reeds vele zonnemaanden lang, slin­gerde de akelei zich met de winde hoog over de punt van het torentje heen en was ze achter tegen de muur ver­strikt geraakt met de snel­verwil­derende klimop. De gele thee­ro­zen hadden dorst. 'n Treurwilg bloeide op en treurde nog dieper en schreide zonder tranen om dat dichte kerkje in het ker­ken­bos.

 

Een significante man

De nazomer naderde reeds - zoals altijd was de tijd on­stuit­baar geweest - toen een man met een grijzende baard pein­zend bij het verstilde kerkje stond. De bewoners van de stadsrand merkten hem op. De man droeg een fluwe­len baret van 'n diep­groene kleur, een beige ribbroek en een witte blouson. Hij deed denken aan verleden kunstschilders, aan zulke als bij­voor­beeld de oude meester Rembrandt van Rijn, maar ook wel aan de God van de kinder­ge­dachte. Of wás hij God, mis­schien? Of een engel, soms? De bewo­ners en de pas­santen voelden het aan, de lucht trilde voorspel­lend: er hing iets te gebeu­ren, iets. 

Drie dagen later knarste hoorbaar ergens een sleutel in een slot en even later zagen alle mensen, die keken, de kerk­deur open­staan. De mannen met de overalls waren geko­men en aan de slag gegaan; ze verwij­derden de somber­grauwe planken van de kerkra­men, die het niet nalieten te schitte­ren, zelfs onder de stoflaag van dat hele jaar lang. Het kerkje werd opge­knapt, geschilderd en gewassen, van­binnen en vanbui­ten. De tuin werd opnieuw aange­legd en ingezaaid en de graf­zerken op de kleine begraaf­plaats werden geschrobd, de verzakte stenen goedgelegd en rechtgezet. Toen aan al het opknapwerk de laat­ste hand was gelegd en ook het gods­huisje helemaal klaar was, schoon en geverfd, ver­scheen de man met de grijzen­de baard en de pein­zende blik, hij torste 'n vogel­kooi en 'n schildersezel en trad het kerkje bin­nen. Voort­aan woonde hij in het kleine witte huis van God, in dat huis met het hemel­glas.

 

Maar wie was die man? Vanwaar kwam die man? Wat deed die man alleen in dat kerkje, dat eens van alle mensen was, dat eens ieders gebeds­huis was, dat eens ieders huis van vrede was?

Die vragen waren de mensen 'n hoofdzaak en het gesprek van de dag. Maar toen die avond de ramen schit­ter­den door het licht van binnen­uit, hing er een opmerke­lijke sfeer rond het kerkje. Zo'n sfeer van zo'n vrede alsof er iemand was thuisge­ko­men, alsof er een hart weer was gaan kloppen, alsof er een ziel was terug­ge­keerd. Maar nie­mand kon bevatten waar­aan dát wel lag.

 

De herfstvogel

De herfst verstreek zoals hij elk jaar verstreek, maar hij was voller ge­weest met meer en gelere bladeren, hij had rode zonnen laten zien met donkerblauwe wolken, en met grijze en witte; hij was gekomen en gegaan met gierende wind en bulde­ren­de stor­m, ook. Zo had hij getierd en zich uitgeleefd tussen misten en regens, tussen mild licht en strenge duisternis. Dat deed hij tot de winter er in de verte aankwam. Toen werd hij langzamerhand stil, en hij verdween; of was het dat hij sliep? De kerkuil was bij 't kerkje teruggekeerd. Hij mocht weer oog hebben voor de bosmuizen, die nu hun buikjes volknab­belden aan kaas en krui­mels in de keuken; dat was de vroegere sacris­tie.

Ze hoorden in hun holen voortaan de rustige stap van de man met de grijzende baard en de peinzende blik. En steevast als de avond viel, klonk er een warme stem, die zong, hoog en laag, zacht en luider, maar altijd mooi; zó mooi, dat zelfs de bosmuizen eerbiedig in slaap dommelden, tot ze de volgende ochtend werden gewekt door hun knorrende maagjes. Dan tripten ze naar de keuken in het gastvrije huis, ooit van God, en aten er gerust, want er woonde behalve de man in de kerkkeuken ook nog 'n vogel die in 'n kooi zat, en die er rustig at van al wat de man hem gaf.

'Mijn Her­fst­vogel', sprak dan de man, 'eet maar en drink toch, want je bent mijn vriend.' Dan streelde hij de vogel zacht langs zijn veren rug en krab­belde hij over zijn kopje.

 

De mensen

Buiten was de wereld roerig als altijd. En alsof dat geen ernst genoeg gaf, maakten de bewoners van de stadsrand nog meer dei­ning. Ze wisten nog steeds niets van de excentrie­ke man daar in hun kerk­je - want het was hún gods­huisje, en dát zou zo blij­ven. Zo stelden het de vrouwen bij hun koffie­praat, zo meenden het de mannen bij hun kaartspel. Het bijzondere ge­voel, dat die avond in de nazomer de mensen had vervuld en de hemel en de aarde zo vredig had doen zijn, was allang verge­ten. En als de grijzende man naar buiten kwam, gingen alle dichte huis­ka­mergordijn­tjes opzij en bij het voorbijgaan keken de mensen hem na. De schoolkin­deren joel­den in koor als ze hem zagen, of ze liepen schichtig om hem heen als ze alleen waren, want ze hadden de verhalen van hun ouders gehoord en hun ouders wisten het, die wisten alles, im­mers? Zo wisten ook de kinderen niets anders van de man dan dat, wat de mensen onder elkaar hardop dach­ten: 'Die man is gek. Die man is gevaar­lijk. Wacht maar af. Er gebeurt nog wel iets! Je zult het nog zien!' Door de tijd heen waren de mensen het kind in hun hart kwijt­geraakt. 

 

Maar bij het kerkje was geen spoor van onrust te beken­nen. 's Avonds scheen vrolijk het kamerlicht door de ramen naar buiten en de glas­partijen schitterden hun blauw en wit de donkere wereld in. Het kerkje stond daar dan als een stukje hemel op aarde. Overdag stond het fier te pronk en was het nog altijd een gods­huis te noemen, al was het maar doordat God zelf er had ge­woond, tóén. Alles van het kerkje herinnerde aan Hem. Alles. Nou ja, de klokken­toren deed niet mee, die was stil gebleven vanaf het moment dat de kerkdeur vorig voorjaar voor de mensen was geslo­ten. En behalve zijn mooie silhouet in de nacht en zijn pitto­reske uitstraling over­dag was de witte spitse toren toch zijn godde­lijke beteke­nis kwijt, ook ondanks de koperen haan, die nog altijd glom boven op het toren­kruis. Zo bedach­ten het de mensen en zo zegden ze het voort.

 

De winter trad winters in. Sneeuw lag op de daken van de hui­zen en 'n wit vlokkendek had zich over het kerkje uitgespreid; en er hing nevel, prach­tige, lichtgrijze nevel. De wereld was wit en gesluierd en ongerept.

De winterzon was die morgen opgegaan, ergens ver; hij stond laag boven het land en brak zwijgend de nevel. Zijn licht viel op het kleine raam van de sa­cris­tie, aan de zijkant van het godshuis. Het raam­pje stond open. Binnen klonk ge­klop, alsof er werd ge­werkt. Een stem zong 'n lied. Was het een hemellied? De mensen luisterden ver­won­derd, zulk schoon gezang hadden zij hier nog niet ge­hoord! En de kinderen werden er verlegen van. Ze sleeden braaf en maakten hun sneeu­wpoppen zonder geruzie. En de lucht trilde voorspellend, net als die dag toen de rare, mar­kante man voor het eerst bij het kerkje was gesigna­leerd.

 

De voorbode

Op het kleine ven­sterkozijn streek een witte uil neer. Hij draaide zijn kop naar links en naar rechts, hipte door het open ven­stertje en binnen was hij, in het kerkje. De vogels in de omtrek werden stil, allemaal. Rood­borstje noch winterko­ninkje, meesje noch mus, kraai noch ekster gaven geluid. Een verdwaal­de meeuw vertrok gehaast. Zelfs de bosmuizen en de kerkrat, die ook was terug­gekeerd in de herfst, zaten muizig stil. Het leek wel of heel de dierenwereld roer­loos was gewor­den. Waren ze bang, of zo?

'Wat is het vredig van­daag', zeiden de mensen. 'Wat een prach­tige dag is het. Het is zo'n dag waar we altijd van dromen, maar die nooit echt komen wil. Ja, zo'n dag is het vandaag.' En ze gingen welgemoed verder met hun bezigheden en ze waren een lang moment uitzon­der­lijk en opmerkelijk goed voor elkaar.     

Op dát moment precies keerde de witte uil terug. Ge­zwind verliet hij het venstertje en vloog op naar de beuken­boom, die haar trage takken al bijna tweehon­derd jaar droeg en die nu bijna slepend nog net niet de grond raakten. De uil riep zijn roep, tot driemaal toe. Toen ging hij heen, de beukenboom uit en over de toren, verder weg en hoog voorbij de stad - wég.

 

De nevel was opgetrokken, de winterzon trok laag over het kerkenbos. Zijn licht kaatste minzaam op het kerkje en op het glas van blauw en wit, gleed strelend langs de witte muren en ving de koperen kerk­haan in een verblindende glans. De mensen waren weer in hun gewone doen; ze mopperden, lachten en klets­ten als voor­heen, af en toe huilde er een kind, of het was dwars of lief, al naargelang. De wereld draaide door en de tijd ging door, ook daar aan de rand bij het kerkenbos.

Over drie dagen was het weer de donker­ste dag van het jaar. Dan duurde het licht het kortst en het donker het langst.

De mensen waren in de weer - dat waren ze altijd zo vlak voor die donkerste dag. Ze kochten extra proviand, sierden hun huizen op met lichten­de lamp­jes en veel groene takken, die ze vol hingen met kleine glan­zende glasbal­len en soms met vro­lijk gekleurd snoepgoed: zachte suiker­beestjes en roomfondan­ten hartjes; en ook nog kransjes van chocola. 

 

Het gesprek

De winter had zich definitief gevestigd. De sneeuw lag vast op de huizen en de velden en zelfs het ijslaagje op de sloot torste 'n witte deken. Het witte kerkje droeg een extra wit kleed, dat leek op een glinsterende winterjas, of, zoals bij het kleine paard in de wei achter het bos, op een win­tervacht

- van wit. De ramen blonken bijna de ganse dag door met vrien­delijk weerkaatsende lichtjes. Het kerkje be­zielde de hele omgeving met een sfeer, die harten snel­ler deed klop­pen, die mensen en kinderen gevoeliger stemde, die iets be­loofde, iets.

 

Binnen in de kerkkeuken snorde huiselijk de kachel. In 'n emaillen pot prut­telde de koffie, hij geurde. De grijzen­de, pein­zen­de man las de krant. De vogel in de kooi zong zijn lied en tjilpte na - als gaf hij 'n toegift; dan wipte hij uit het open­staande deurtje en buitel­de langs de tra­lies om en om; éven vloog hij op, pikte met zijn snavel 'n broodkruimel van de tafel, en terug hipte hij, weer op zijn stokje in de kooi.

 

'Herfs­tvogel', sprak de man terwijl hij de krant neer­legde, 'Herfs­tvo­gel, mijn vriend, kom, eet wat met mij.'

Hij gaf de vogel een stukje appel, van de appel­boom nog uit de oude tuin en hij reikte hem een stukje noot, van de notenboom nog uit de oude tuin. De man nam een hap van het versgebakken brood, dat hij die morgen al vroeg uit de oven had ge­haald.

'Herfstvo­gel', sprak weer de man, 'luister. Je weet toch dat de witte uil is geweest?'

De vogel floot.

'Juist', zei de man, 'daar ga je van fluiten. Deze uil is wijs en zijn komst ver­telt de mensen van het ster­vens­uur, van het menselijk dood­gaan.'

Nu bleef de vogel stil.

'Juis­t', zei de man, 'daar word je stil van. Kijk, de witte uil liet zich aan ons zien omdat hij een wijze bood­schapper is, hij komt van ver, en hij is van Godswege.'

De vogel zat onbe­weeg­lijk.

'Ik wist, Herfst­vogel, dat de uil zou komen. Over drie dagen is het weer de donker­ste dag van het jaar. Met zijn komst liet de uil me weten, dat ik op die dag in het eerste uur mijn taak moet afron­den. Ja, het werk is bijna gedaan, vogel-mijn. De mensen mogen gelukkig zijn, want het kind in hun hart, dat zij zijn kwijtgeraakt, zal over drie dagen voor­goed bij hen terug­ke­ren. De mensen en de kinderen zullen voort­aan de vrede weer her­kennen. Die vrede komt met het lichtste licht; lichter zal het daarna nooit meer zijn.'

De vogel dook haast tegen­sputterend in het linkerkooi­hoekje. 'Niet bang zijn, vriend, er komen mensen die voor jou zorgen, mensen met 'n hart van goud, die jou laten wonen waar jij thuis zult zijn.' Zacht streelde de man de vogelveren.

'Ik ga naar mijn huis in de hemel, maar het is te ver en nog te vroeg om je voorgoed met me mee te nemen.'

De vogel wipte op het stok­je, tripte langs het kooideur­tje, wiekte op en vloog op de schou­der van de man. Daar zat hij en tikte zacht met zijn snavel tegen het oor van zijn vriend.

'Ik luister', zei de man.

En de vogel floot, eerst zacht en laag, toen luider en fel, en de toon klonk hoger en hoger. Dan bleef het stil. Ontroerd sloeg de man zijn handen voor zijn ogen, hij huilde zacht.

'Herfstvogel', hervatte hij, 'ja, zo heb ik je ge­noemd. Toen je destijds bij me binnenvloog, wist ik dat jij mijn laatste levens­vriend was. Ik wist ook dat, wanneer ik eenmaal in de herfst van mijn leven zou komen, ik de kennis van het vreedza­me had en dat ik grote vrede in mijn hart zou dragen. Deze har­ten­vrede heb ik door te geven aan de we­reld, aan die mensen vooral, van wie het hart onrus­tig is, aan die mensen vooral, die geslagen zijn, en aan de kin­de­ren, die het leven nog moeten leren. Vriend, bij alles wat ik in mijn jaren beleefde en door­stond, heb ik uiteindelijk het belang van het barm­har­tige ideaal her­kend; alleen niet-afla­ten­d mededogen jegens elkaar reikt aan de mens en zijn leefwereld de zo felbe­geerde vrede; zo'n volkomen vrede draag ik in mijn hart nu ik aan het einde van mijn levens­herfst ben gekomen. Daarom, en omdat jij me aan die vrede doet denken, heb ik jou Herfst­vogel genoemd. Mijn vrie­nd, de diepe slaap van mijn levens­win­ter is in aan­tocht. Ik zal aan je denken, daar waar ik ga wonen en slapen tot de jongste ochtend van de opstanding gloort. Het is er heilig en schoon. En wanneer ik zal opgaan, zal gezegend licht stra­len, het zal me dragen en brengen naar mijn eeuwige plaats met enkel vrede. Weet dan, vogel-mijn, dat ik bij De God ben.'

De man zweeg en boog zijn hoofd. Ook de vogel zweeg en bleef roerloos op zijn schouder zitten. Zo zaten ze samen, peinzend en zwij­gend.

Het snorrende vuur in de kachel deed de koffie in de ­pot hoor­baar sneller pruttelen. De man stond op, zette de vogel op de kooi en schonk wat koffie in een mok. Hij gaf de vogel een partje van het verse brood, dronk de mok leeg, sloeg de krant dicht en ver­liet de be­haaglijke kerkkeuken. Zijn werk moest zéker af voordat de kort­ste dag er was; en die kwam gauw, heel gauw.

 

De nacht   

Maar bij alle drukte en gevoeligheid zo voor de donkerste dag van het jaar bleken de mensen even nieuws­gie­rig en even hard­vochtig als voorheen. Ze hoorden geluiden van geklop en ge­schuifel daar in het kerkenbos. Het kwam uit het kerkje, dat wisten ze zeker! Wat dééd die zonderling er toch? De zot! Want hadden ze hem niet zien praten met zijn vogel, juist toen het zon­licht in de kerk­keuken viel? En hadden ze niet tot driemaal toe de roep van de uil ge­hoord? Een duivels voor­te­ken, wacht maar! Zo spraken de mensen met elkaar terwijl ze hun huizen en tuinen versierden, hun koeken bakten, hun feest­dis bereid­den en wachtten tot het uur sloeg waarop ze de donkerste dag van 't jaar zouden gaan vie­ren. Dat hadden ze altijd in het witte kerkje gedaan, maar daar zat nu die rare man. En morrend deden ze wat ze deden, en verheugden zich op het nachtelijk feest.

 

Terwijl grote witte vlokken uit de hemel dwarrelden en het sneeuwpak op de grond en de daken nog dikker werd, strooide de maan haar zilveren licht uit over het kerkenbos en langs de stads­rand en fonkelden de sterren als gouden vonkjes tussen de sneeuw­wol­ken door; het was alsof ze wilden zeggen: 'Wij doen mee met het feest van de langste nacht. Wij dragen ons straal­lichtje bij. Wij zullen dansen aan de hemel met onze schitte­ring. Zo prij­zen wij God!'

In de huizen brand­den de lichtjes en twin­kelden de kaars­vlam­me­tjes met de lamp­jes mee. De mensen waren klaar met het werk, hadden zich schoongewassen en mooi ge­maakt. Man, vrouw en kind, allemaal droegen ze hun mooiste kleren van zwart en goud­draad, van rood en zilverlo­ver­tjes, van groen en glansflu­weel. In het haar blonk soms een diadeem, of het was feeste­lijk gekruld of in een strik bijeen­gebonden. Dat was bij de vrouwen. Het kapsel van de mannen was naar de laatste trend gladge­kamd, keurig en net. Zij droegen hun schoon­ste pak van glan­zend zwart of gespikkeld antraciet, hun witte hemdboord werd ver­fraaid met een rode of een groene of een gouden strik, en 'n enkeling droeg zelfs een ware zijden das. Alles en ieder­een straal­de en glom van top tot teen, jong en oud, klein en groot. Het langver­wachte feest kon begin­nen.

De kinderen gluurden met hun neuzen plat tegen de ramen ge­drukt naar buiten en zagen er de neerdwarrelende sneeuwvlok­ken en de allerwitste wereld. Dát zou pas een feest zijn: vannacht een grote sneeuw­pop maken! En de klokken tikten, ergens sloeg het dwingend half twaa­lf; alle wijzers bewogen nu rap naar mid­der­nacht.

 

De man en de vogels in de maan

Hoor dan! Hoor! In de verte luidde een kerk­klok. Langzaam werd het gelui sterker en sterker - totdat helder klok­kenge­beier de huizen aan de stadsrand doordrong. Verbaasd snelden de mensen naar buiten, de straat op, zo vlug als hun voeten hen wilden dragen; en ze liepen er tot bij het kerkje te hoop.

'De klok­ken! De klokken! Hoor toch, de klokken!' klonk het verheugd. Toen was er nog enkel gestamel, met ergens 'n verle­gen blik en met overal ontroe­ring op de gezich­ten. 'n Oude vrouw huilde van geluk, want het waren de klokken van het witte kerkje, die in deze feestnacht hun stemmen plotseling weer lieten horen. Hoe schoon luidden zij hun klanken rond, mooier was hun gelui dan 'n koorgezang, mooier zozeer. En het kerkje stond er op z'n stralendst bij, bij de bomen, bij de zerken en bij al die mensen daar voor zijn wijdo­pen deur. En de mensen en de kinde­ren keken en keken, en ze zagen een ongekend wonde­re gloed, die heel het kerkje leek te omvatten als zou het worden opge­tild. Dan bezonnen ze zich en gingen verwach­tings­vol door de wijdo­pen deur hun gods­huisje binnen. Wat ze dáár zagen, deed hen stil­staan met alleen nog eerbie­dige verwonde­ring.

 

Bij de grootste pilaar stond de zonderlinge man, hij luidde gedreven de klok­ken. De man droeg zijn fluwe­len baret van 'n diep­groene kleur, zijn beige rib­broek en zijn witte blou­son, de kleren, die hij ook aanhad toen hij die eerste keer bij het kerkje was ge­zien. De man trok zwij­gend aan het koord, hij luidde maar door. Het was feest, feest! Dat ervoe­ren zo de men­sen, en hun kinde­ren hadden een blos op de wangen van opwin­ding en genoe­gen, nog. En: 'Kijk toch eens! Kijk!' riep 'n jon­get­je. Mild licht scheen langs de kerkmu­ren, het leek wel als waren die muren van satijn. En de mensen zagen het wonder. In zacht­glan­zen­de kleu­ren van pastel was daar een aller­schoonst kind te zien. Het kind was met lief­lijke lijnen getekend op de witte muur, waartegen het taberna­kel met de brandende godslamp stond. En in dezelfde zachte lijnen stonden er een man en een vrouw bij dat kind, dat van God gekomen moest zijn.

Van God gekomen moest zijn? Bij dat besef knielden allen neer; en men aanbad het kind, eerst in stil­te, toen hardop. Ergens neuriede iemand voorzichtig 'n melodie, en de mensen en hun kinderen zongen de woorden van het lied; ze zongen ál hun mooi­ste liede­ren daar bij dat pasge­boren kind in die kleine witte kerk aan de rand van de stad. Toen het kerkje helemaal vol was met al die verba­zing, met al dat geluk en met al dat gezang, zwegen zijn klok­ken. De man was weg, zo zagen het de mensen. Naar de sa­cris­tie gegaan, zo bedachten het de men­sen.

 

Plotseling daalde een witte uil vanuit het hoge kerkgewelf neer; hij vloog rakelings langs de godslamp, raakte met zijn lin­kervleu­gel éven het lieflijke muurkind aan en steeg weer op; een licht­straal ving de grote vogel in zijn vlucht en hield hem vast. 

De mensen en hun kinderen keken getroffen toe, en zwegen; allen waren vol van ont­zag; ner­gens klonk nog geroeze­moes of 'n stem; stil was het, dood­stil; er ge­beur­de hier wel iets heel, heel groots...

En om hen heen lichtte het licht op en op, het blik­semde fel. En zie: Het blik­semlicht bundelde zijn snelle schichten tot één trage gloed van heilig rood; en de heilige gloed toverde een schaduw groter dan mangroot, dreef hem over de mensen en hoog langs het gewelf; dan tilde hij de scha­duw op en droeg hem tot bij de muur met het lief­lij­ke kind; en de licht­gloed staakte zijn vurige spel, wég was die gloed van God - verdwe­nen.

 

Waar de gloed de schaduw had achtergelaten, daar stond de man; hij stond eer­biedig recht en zag met zwijgende ernst op naar zijn fres­co - het was alsof hij wacht­te, ergens op wacht­te.

 

En wéér keken de mensen: Daar vloog ook de vogel van de man langs het aller­schoon­ste kind! Over het altaar scheerde hij laag weg en óp ging hij, naar de uil, die hoog in de kerknok tot drie­maal toe zijn roep riep, luid en klaar. En door de grote o­pen kerk­deur vlogen zij samen weg, de vogels, nage­staard door de mensen en hun kinde­ren.

En iedereen keek omhoog en zag hoe in het licht van de volle maan de uil en de herfst­vo­gel hoger en hoger naar de hemel opwie­kten. Hun veren lijfjes ver­smal­den langzaam tot scher­pe con­touren, die op­waarts bewo­gen en tege­lijk bleven zweven als een gevan­gen beeld, daar mid­den in het lieve licht van het maanop­per­vlak. En in de glimlach van de oude maan werden de vogels opgeno­men. Of was het in de lach van God, misschien?

Helderder dan van­nacht was de maan nooit ge­weest. De kerkramen schitterden, het blauw en het wit kaats­ten koel op de sneeuw. In het witte kerkje voor de muur met het tabernakel en de gods­lamp drom­den de kerkgan­gers samen. Bij het kind lag de oude man. Hij was dood. 

 

Het godsakkoord

De mensen en hun kinderen waren bedroefd; ze treurden om de gestorven man, maar meer nog om hun onhebbelijk gedrag jegens die goede mens, die ze zo onheus hadden bejegend, allemaal! en alleen omdat ze hem niet kenden, niet wisten waarvandaan hij was gekomen; en ze schaamden zich omdat ze zijn komst hadden verfoeid, hem het kerkje als zijn woning niet hadden gegund. Nu had hij hun het kerkje teruggegeven, het godshuisje in ere hersteld; hij had het kerkje gerestaureerd en er een kostbare muurschilde­ring in aangebracht. De man was van God gezon­den ge­weest, zo zeiden ze het tegen elkaar en tegen hun kinde­ren.  

En zo vierden de bewoners van de stadsrand in het witte kerkje bij het hel­derste licht de ge­boorte van Gods godde­lijk kind. De dode man had hun goedheid en vrede geschon­ken. Het kind op de muur was hun vredesak­koord, dat hij gete­kend had.

En zij waakten, en baden en zongen; 'n man las uit de bijbel de lofwoorden van de oude Simeon voor: 'Nu, mees­ter, ont­slaat u, zoals u hebt gezegd, uw knecht in vrede van zijn taak; want mijn ogen hebben uw heil gezien, dat u ten aan­schou­wen van alle mensen hebt toebereid, een licht dat een openba­ring zal zijn voor de volken en een glorie voor uw volk --.'*    

 

En toen de mensen en hun kinderen in die aller­licht­ste nacht van hun leven einde­lijk sliepen en de kerkklok olijk zeven uur sloeg, keerde de herfs­tvo­gel terug van zijn hemel­vlucht; samen met de witte uil had hij de ziel van de man bij God ge­bracht. De vogel was terugge­komen om te wonen in het kerk­je zolang hij nog leefde; en de mensen zorg­den voor hem. De witte uil was naar elders vertrok­ken, hij moest immers altijd door eerst met de mensen­zielen spreken voordat ze naar de hemel konden gaan.

 

Nergens was er in die dagen meer harmonieuze vrede te vinden dan bij de mensen en hun kinderen rondom het witte kerkje met de hemelra­men en het licht van God. Zo wisten 't de passan­ten.

 

* Zie Lucas, hoofdstuk 2,29-33 - De vier Evangeliën en de Handelingen van de apostelen, Katholieke Bijbelstich­ting, Boxtel 1987.

 

GEKOMEN IS VREDE

Ine Verhoeven

 

Hosanna! Hosanna!

Gekomen is Vrede

Halleluja! Hosanna!

Van God in Zijn Kind

 

Wie zingt daar zo helder

wie speelt op de fluit

wie gaat er zo laat

door het holst van de nacht?                     

 

Reik me je hand

dan zullen we samen

de vrede gaan zoeken

van God in het Kind

 

Een ster staat te dansen

met wenkende lichten

de maan strooit haar lach

gul uit over het land

 

Reik me je hand

dan zullen we samen

de vrede gaan vinden

van God in het Kind

 

De duif van de vrede zit

kirrend en koert op

het dak van een huis

waar genadelicht straalt

 

Reik me je hand

dan zullen we samen

naar vrede gaan kijken

van God in het Kind

 

Zie! Blozende mensen

vol van genade

vol van Gods goedheid

aanschouwen 't klein Lief

 

Reik me je hand

dan zullen we samen

de vrede gaan voelen

van God in het Kind

 

Hosanna! Geboren

de Vrede op aarde

in kribben van ieder

die leeft op Gods grond!

 

Reik me je hand

dan zullen we samen

de vrede gaan vieren

van God in ons hart

 

Hosanna! Hosanna!

Gekomen de Vrede!

Halleluja! Hosanna!

Voor God in ons Kind!

 

MIJN HETE HART

Ine Verhoeven

 

Geef mij de lamp en ik laat branden

mijn vuren, mijn vlammen, mijn hete hart

Geef mij de lamp en ik zal zwaaien

mijn lichtende lamp voor de voet van jou

 

Dode dagen zijn vervlogen

het levenloos is voorbijgesneld;

want daar, bij de jongste ochtendzonne

ontwaarde ik zo een regenboog

die aan de einder stralend lichtte

en mij de wereldzon liet zien met de

lach van Gods gedachten in de flits

van bliksemlicht; en de donder

liet mij weten: ik aanschouw Gods aangezicht

 

God heeft mij aangetikt, sprak

niet tot mij maar wees naar licht;

en ik gaf Hem mijn ziel, en naast

mij zag ik lichten branden in ogen

van mensen, en ik ervoer Hem weer

van aangezicht tot aangezicht

 

Geef mij de lamp en ik laat branden

mijn vuren, mijn vlammen, mijn hete hart

Geef mij de lamp en ik zal zwaaien

mijn lichtende lamp voor de voet van Jou

 

Bij Matteüs 6,19-23; Lucas 8,16-18; Lucas 17,24-36

 

CREDO IN ZIJN

Ine Verhoeven

 

Het zijn niet de raadselen

die een mens doen geloven

 

Het zijn de momenten

waarop jij en ik elkaar ontmoeten

van die momenten

die ons doen huiveren van geluk

van die momenten

die ons doen duizelen van ontzag

van die momenten

die ons doen beseffen:

ik besta met jou

ik ben met jou

wij zijn in JHWH onze God

 

Het zijn niet de raadselen

die mensen, jou en mij naar God bewegen

Het zijn de godsmomenten in de tijd

waardoor 'n mens gelooft.

 

BESTELLIJST

De treinman­ - poëzie, Frans Boddeke. Nog verksijgbaar.

'n Bloembak blauwe begonia's - sprookjes/poëzie, Frans Boddeke & Ine Verhoe­ven. Nog verkrijgbaar.

Zo betoverend mooi, Etty Hillesum en de Goede - proza, Frans Boddeke. Uitverkocht.

Zalig de niemanden - verhalen/poëzie Frans Boddeke & Ine Ver­hoeven. Uitverkocht.

Streel mijn leven, kus mijn dood - poëzie, Ine Verhoeven. Nog verkrijgbaar.

Witte koekoek en roomse kamille - poëzie, Ine Verhoeven, Nog verkrijgbaar.

Miriam - mijn adem bidt - proza, Ine Verhoeven. Uitverkocht.

Wansnuitje en de zwarte boterbloem - sprookje, Ine Verhoeven.  Nog verkrijgbaar.        

Tekstkaarten - poëzie, Ine Verhoeven. Uitverkocht.

Het wordt kerst, dacht ik - proza/poëzie, Ine Verhoe­ven & Frans Boddeke. Uitverkocht.

Gebroken lentebrood - proza/poëzie, Ine Verhoeven & Frans Boddeke. Uitverkocht.

De muren hebben armen - poëzie, Ine Verhoeven. Uitverkocht.

Luister, vogel, luister - proza/poëzie, Ine Verhoeven. Uitverkocht.

Ik zie de mens - poëzie, Frans Boddeke. In voorraad.

Maar steeds die verwondering – poëzie, Frans Boddeke. Nog in voorraad.

Mag ik met u meereizen, mijnheer? - poëzie, Frans Boddeke, Rosa de Limastraat 30, 6543 JG Nijmegen.

Menslievendheid in God - poezie, Frans Boddeke, Rosa de Limastraat 30, 6543 JG Nijmegen.

Maria of... - brief, Mieke Morgenstern. Maasdijk 5, Aalst - Gelderland.

Geschreven tweeluik rond 2000 - proza/poëzie, Ine Verhoeven e.a.. Op de website.

De herfstvogel - proza en poëzie, Ine Verhoeven. Op de website.

Kabouters en Engeltjes - sprookje, Mieke Morgenstern, Maasdijk 5, Aalst – Gelderland