WANSNUITJE

en de zwarte boterbloem

 

Het sprookje van de jongstgeboren draak

door Ine Verhoeven

 

HET DRAAKJE

Hoog boven in de groene boom keek hij met grote verbaasde ogen om zich heen.

Hij was zojuist geboren tussen de wuivende bladeren.

Een klein, lieflijk draakje, compleet met kraakbeen­hoorntjes en mollige rechtopstaande vinnetjes op zijn blauwge­schubde rug.

 

Zijn moeder lag onder de boom heel trots te wezen, ter­wijl zij rustte.

De grote schalen van het ei, waaruit ze haar zoon had gebaard, lagen gebroken als laatste resten over de grond ver­spreid.

De lieve heks had haar geholpen bij de geboorte van Wansnuit­je.

Want zo wilde ze haar zoontje noemen.

Wansnuitje, omdat hij zo ver­schrikkelijk oogverblin­dend mooi en schoon was.  

'A-a' zuchtte de babydraak, 'a-aa.'

Terstond sloot hij zijn ogen en sliep vredig.

 

Het slaapje duurde vierentwintig uur.

Toen werd hij wakker.

Heel goed wakker.

Hij strekte zijn pootjes uit en klauwde in de boomstam.

Hij krabbelde met zijn puntige kontje langs de takken en ja hoor, daar gleed hij pardoes omlaag.

Precies naast zijn mama kwam hij neer en hij likte hard haar grote linkerklauw.

'Lief jong van me,' zei mama.

Ze haalde hem dichterbij en gaf hem hagedisjes te eten, die ze eerst voor­kauwde.

Daarna spoot ze het voedsel in zijn tuitende bekje en gulzig schrokte haar jong het maaltje naar binnen.

Even later lag hij naast haar neer, tevreden vuurspu­wend met knorrende geluidjes.

Wat een heerlijk entree in de grote nieuwe wereld. 

 

DE OUDE VROUW

Een oude vrouw had het schouwspel van de geboorte van Wan­snuitje gadegeslagen vanuit het raam van haar kasteel.

Ze bewoonde een klein kamertje met een erker.

Daar vertoefde ze dag en nacht in eenzaamheid.

De mensen van Mensenland hielden niet van de vrouw.

Dat kwam omdat niemand haar echt kende.

Ze was niet mooi.

Ja, ze was aartslelijk.

En er was nog iets.

Iets wat niemand wist.

In de oude vrouw huisde en jong meisje.

Een kind, dat lieve blauwe ogen had, blond springhaar en appelwangetjes.

En soms, heel soms was de oude vrouw wel mooi, heel mooi zelfs.

En zo heel mooi was ze als dat kind in haar lachte.

Dan twinkelden haar ogen en was ze schoner dan de mooiste vrouw in Mensen­land.

Mooi, omdat haar ogen lach­ten.

Maar er was niemand die haar zo zag en niemand die dit wist.

De oude vrouw leefde dag in dag uit met haar geheim.

Met het lieve meisje in haar lichaam.

Dit geheim was het liefste wat ze bezat.

Het geheim hield haar in leven.

 

Daar buiten zag ze hoe alle addertjes onder het gras uitkwamen en zich verzamelden rond Wansnuitje.

De zwarte raven en de grijze uil vlogen opgewonden rond en de vleermuizen hadden zowaar hun slaapjes overgeslagen om de boreling te kunnen zien.

De mollen woelden zich omhoog uit de grond en de bijen en de hommels, tussen de bloeiende akelei en de witte winde, stopten met het verzamelen van nectar en vormden al zoemend

een kring als welkomstgroet.

Het was groot feest daar in het veld bij de groene boom. 

Wansnuitje snoof en brieste al zijn vuurvlammetjes van ple­zier. Hij klapte met zijn staartje op de grond en wapperde met zijn schubjes.

Wat een verrukkelijke wezens, die hem hier kwamen begroeten! Wat een lieve, lieve wereld!

Alle bloemen in het gras en langs de waterkant bewogen hun kopjes naar Wansnuitje toe.

Hij kon horen hoe ze lachten.

Hij zag hun blaadjes trillen van blij geluk.

Margrieten, koren­bloemen en klaprozen.

Lavendel, ridderspoor en monniks­kap.

Leeuwenbekjes en boterbloemen.

Gele stralende boter­bloe­men!

En boven dit alles scheen de zon.

Ze strooide kwistig haar warme stralen over Mensenland uit.

In en in tevreden en voldaan gaf Wansnuitje zich over aan zijn volgende slaapje.

Het was intussen middag geworden.

 

DE BOTERBLOEM EN DE FEE

Niemand lette op die ene boterbloem tussen al dat plezier.

Die ene zwarte boterbloem.

Die lachte niet.

Die was niet blij.

Die liet zijn kopje hangen.

Die zwarte boterbloem was boos.

Hij kon niet tegen vreugde.

Hij wilde geen boreling zien en al zeker geen lief draakje!

En langzaam maakte hij zich giftig.

Hij maakte zich net zolang giftig tot hij groen zag van nijd.

 

En dat was een signaal voor de lieve fee, die heerste in het geboorteland van Wansnuitje.

Zij had de macht om dit land te behoeden.

Zij had de macht om dit land ten onder te doen gaan.

Zij had alle macht.

En zij was zó machtig, dat zij de gevoe­lens kende van alle bewoners.

En zij zorgde ervoor dat ieder­een haar lief vond en aardig.

Dat alle wezens en wezentjes een buiginkje voor haar maakten waar ze ook maar eventjes ver­scheen.

En zij zorgde ervoor dat zij straalde van schoonheid.

En iedereen geloofde in haar omdat ze zo oogverblindend mooi en schoon was.

En de fee vertoonde zich op het moment dat Wan­snuitje in zijn middagdutje wegdommelde.

De fee had de gif­groene boterbloem gezien en met haar hand had zij hem een teken gegeven en hiermee bezwo­ren, dat zij zou zorgen voor een andere stemming.

Zij zou de blijdschap doen verdwijnen.

Toen ze dit de boze boterbloem had toegefluisterd, voelde hij zich een stuk beter en zijn zwarte kleur keerde terug.

 

Ze zette zich op een zachte bries van de warme wind, die haar verder droeg.

En de mooie fee verscheen bij Wan­snuitje.

En alle schep­selen werden stil.

Wie zich buigen kon, boog.

De anderen keken eerbiedig naar haar op.

De fee...

 

En de schone fee zag toe hoe de kleine draak tevreden sliep tegen de krakende schubben van zijn mama.

Een kort moment stond ze roerloos en rechtop.

Dan hief ze beide handen omhoog en keek met indringende blik naar Wan­snuitje.

En plotseling verdween ze.

Op een bries, zoals als ze was gekomen.

 

En er heerste een andere sfeer.

De dieren waren onrustig geworden.

De vogels piepten.

De uil knorde als een zwijntje en de vleer­muizen verdwenen gezwind.

De mol ging onverhoeds terug onder de grond en de addertjes verscholen zich tussen het gras.

De zwarte raven vlogen rich­ting kerkhof en zetten zich op een verzakte zerk.

Het feest was voorbij.

 

Alleen de zwarte boterbloem was gelukkig.

Alle andere wezens huilden zich in slaap.

En dat was de bedoe­ling van de lieve fee.

 

DE KWADE GEEST

De lieve fee had een geheim.

Zij droeg in haar binnenste het geheim met zich mee.

En dat geheim was een boosaardig kind.

Ze kon het niet kwijt­ra­ken.

Het boze kind was als een vloek in haar lichaam geko­men.

Een kwade geest had haar eens gezien in het veld bij het bloemen­plukken toen ze nog een jong feetje was.

Deze geest wilde haar hebben om zijn macht in Mensenland uit te oefenen.

En hij had haar naar zich toe gelokt en gezegd dat hij haar eeuwige schoon­heid beloofde als ze haar ziel aan hem zou geven en een lelijk kind van hem zou dragen in haar bin­nenste.

En ze gaf hem haar ziel.

En hij gaf haar dat kind.

Nu was zij zijn instrument en ze deed voortaan alles wat de boze geest haar influisterde.

Ze rea­geerde op alles wat ze maar hoorde en ze deed zoals het lelijke kind in haar deed.

Als ze dat wei­gerde en dus niet gehoor­zaamde, betekende dat het einde van haar schoon­heid.

Dan zou ze als een akelig kromge­groeid vrouwmens tot het einde van haar leven met haar handen moeten wroeten in de grond om mollen te vangen voor de rijke mensen.

Zo luidde hun afspraak.

En de fee keek wel uit...

 

DE VLOEK

Vanuit de erker in het grote kasteel had de lelijke oude vrouw alles gezien.

Ze zuchtte diep.

Het was weer zover.

De fee had zich vertoond en dat betekende onheil voor het lieve, wonderschone draakje en zijn mama.

Het kind in de oude vrouw huilde en zij huilde mee.

De lieve blik in haar ogen was verdwenen.

De oude vrouw keek in de spiegel.

Ze wist wat ze zou zien.

Ze was lelijker dan lelijkst.

Ze treurde en zocht naar een oplos­sing om het drama te verhin­deren, dat de pasgeboren draak wachtte.

Want ze herinner­de zich al te goed, hoe vijftig jaar geleden het jongstgeboren draakje door de fee was vervloekt.

De fee zou wis en zeker nog twee maal terugko­men.

En dan, na de derde maal zou het draakje sterven nog voor de maan onder­ging...

 

Naar­stig dacht ze na.

Drie lange nachten sliep ze niet.

En in de slapeloze nachten rijpte een plan.

Een plan dat de oplos­sing zou moeten brengen om de macht van de mooie lieve fee te verbreken.

De oude vrouw zou naar buiten gaan om het kloos­ter te bezoe­ken, dat boven op een berg in het woud was gebouwd.

Daar wist ze de monniken.

Zij lazen in boeken en waren heel wijs.

Zij zouden haar kunnen helpen.

Misschien.

 

DE VOETTOCHT

En de oude vrouw vertrok.

Honderd jaar geleden was ze voor het laatst buiten het kas­teelkamertje geweest.

Ze was stram gewor­den.

Maar het kind in haar richtte haar op.

Ze voelde het bloed tintelen door haar lijf.

En snel, steeds sneller liep de vrouw.

En de mensen van Men­senland zagen haar gaan en waren verwon­derd.

Ging daar de droevige kasteelvrouw?

Leefde zij nog?

En de kinderen joelden haar na, net zoals de kinderen van honderd jaar gele­den dat hadden gedaan.

Maar het lieve kind in haar hield haar hart mild en ze ging verder.

Ze wilde haar doel bereiken.

Als ze dood ging, had ze tenmin­ste nog deze goede daad ge­steld.

Dan had ze in ieder geval het land gezui­verd van de boze geest die huisde in de lieve fee.

Dan konden alle schepselen in vrede leven.

Dat wenste ze nog: Waarachtige ware vrede.

De tocht was de moeite waar­d...

 

Drie dagen en drie nachten liep ze door.

Onderweg dronk ze water uit de rivier en at ze van het gewas op de velden.

En ze kwam bij het woud.

Het was donker tussen de bomen.

Ze zag de herten en de konij­nen, die schichtig vluchtten als ze haar ontwaarden.

En ze ging door het zwarte woud.

Net zolang tot ze de berg naderde met het grote klooster en de dikke muren.

Ze klom en ze klom.

En de lelijke oude vrouw kwam bij de geslo­ten poort.

Ze klopte aan.

 

DE RAAD VAN DE OUDE MONNIK

De poort knarste lang­zaam open en de oude vrouw keek in het wijze gelaat van een oude monnik.

'Ik weet van uw komst,' sprak de grijsaard.

‘Gaat u terug en baant u een weg door de distelvelden, die achter de berg liggen.

Aan uw rechterhand vindt u een oude eik.

Daar moet u wachten.

Gaat in vrede en vreest geen lot!'

De poort sloot met een klik in het slot.

 

DE DROOM

Niets weerhield haar.

Ze begaf zich op weg en ging de berg af en door de distel­velden.

Ze kwam bij de oude eik.

Daar wachtte ze, zoals de monnik had gezegd.     

Ze zette zich op de grond onder de hoge boom en viel in slaap.

En in een droom verscheen haar een kluizenaar met een heel dik boek in de handen.

‘Luister goed, vrouw,' zei deze man.

'Doe wat ik u zeg en de allerhoogste geest der geesten zal uw hulp zijn.'

En de oude vrouw luisterde goed.

Ze zag de kluize­naar lezen in het boek en hoorde hem zijn formule mompelen:

'O hoogste krac­ht,

ik smeek het u,

doe wat hier wordt ver­wacht!'

Het begon te donderen en te bliksemen.

Verder gebeurde er niets.

De kluize­naar aar­zelde.

Dan opende hij nogmaals het boek.

Luid riep hij uit:

'Geef wijs­heid en licht

 en innerlijk zicht.

 Geef dat het goede wordt opgericht.'

En onmid­dellijk kromp de lelij­ke oude vrouw ineen.

Ze ver­schrompelde en verdween...

 

Een jong en heel mooi meisje met blauwe ogen, blond springhaar en appel­wangetjes zat neer naast de grote voeten van de oude kluize­naar.

Hij keek het kind aan en sprak:

‘Jij bent de tegen­kracht.

Ga naar de zwarte boterbloem.

Dan zal de mooie lieve fee komen.

De fee kan niemand aankijken, die mooier is dan zij.

Jij bent de tegenvloek.

Zij verliest haar schoon­heid als die wordt overtroffen.

Maar je mag niet alleen gaan.

Zij heeft een boze kracht die jij niet aankunt.

Je moet een mascotte hebben, die sterker is dan het kwaad.

Die mascotte vind je alleen in een pasgeboren draak.

Gaat heen en zoekt de jongstgeboren draak!

Hij is puur door het vuur!'

En weg was de kluizenaar.  

 

BIJ DE EIKENBOOM

De oude vrouw werd wakker.

Ze keek om zich heen en zag de grote eikenboom.

Ze dacht aan haar droom en aan de raad van de oude monnik in het klooster op de berg.

Waar wachtte ze op?

Toen keek ze naar de grond.

En ze zag allerlei bloemen, die hun kopjes naar haar hadden gericht.

Ze zag dat de bloemen lachten.

Ze zag hun blaadjes trillen van geluk.

En wat voelde ze zich zélf vreemd gelukkig!

Wat raar!

En die grond, dit was niet de grond waarop ze in slaap was gevallen!

En die boom dan?

Waar was ze eigen­lijk?

En daar zag ze Wansnuit­je.

Hij stond parmantig te wankelen op zijn klauwpootjes, viel op zijn puntkontje, sprong weer op en kleine vlamme­tjes opkirrend kwam hij zigzaggend naar haar toe.

Zijn grote zachtaardige ogen straalden haar blij tegemoet.

En ze voelde een diepe warmte in haar binnenste.

Ze wist het.

Ze hield van Wansnuit­je.

 

HET MEISJE

En ze ging naar de mamadraak.

Ze stak haar hand uit en streel­de de grote groene schubben.

Ze zei tegen haar dat Wansnuitje het allermooiste jongstgeboren draakje was...

En toen zag ze haar hand.

En ze keek en ze keek.

En ze voelde aan haar voeten.

En ze voelde aan haar wangen.

En ze schrok.

Ze snelde naar de waterkant.

En in het water van de gracht zag ze haar gezicht.

Ze zag het mooiste gezicht, zo een gezicht waarvan ze nimmer had durven dromen.

Dit was zij.

Zijzelf was dit mooie meisje!

En ze besefte dat de droom werkelijkheid was.

En dat ze in haar slaap was opge­tild en was neerge­legd bij Wansnuit­je, de jongstgeboren draak.

En ze wist dat het kind in de oude vrouw terug was.

En ze wist dat zij nu het kind was.

En ze begreep de boodschap van de oude monnik.

Hij had haar gezegd geen lot te vrezen!

En ze vreesde niets.

 

DE BOZE FEE

Op dat moment zag ze de zwarte boterbloem.

En de zwarte boter­bloem zag haar.

En hij voelde hoe hij begon te trillen van woede.

Zoveel liefde keek hem aan in dat mooie kind.

Dat kon hij niet ver­dragen.

En hij seinde zijn woede uit met het gifgroen dat hem door­spoelde.

En de lieve mooie fee had zijn signaal opge­van­gen.

In een oogwenk was ze ter plekke.

En ze keek naar de oorzaak van de giftige boterbloem.

 

'Ik stuur jou heen,

 ik stuur jou weg,

 o boze geest,

pleeg overleg!'

riep de fee radeloos uit.

Dit kon ze niet hebben!

Een mooi meisje, mooier dan zij?!

Dat kon ze niet verdragen.

Kwaad werd ze.

Kwader dan kwaadst werd ze.

 

En terwijl ze zich zo onuit­spreke­lijk boos maakte, kwam Wan­snuitje dichterbij en ging naast het mooie lieve meisje staan.

Hij richtte zijn trouwhar­tige ogen naar de fee en blies zijn eerste echte vuurstralen uit.

En het eerste echte vuur van de jongstgeboren draak raakte de fee...

 

DE TEGENVLOEK

Er volgde een verschrikkelijk tafereel.

De boze geest, het boos­aar­dige kind en de mooie lieve fee tuimel­den door elkaar en draaiden ijlings in een vlam op­waarts.

Een damp van zwarte pek bleef nog even hangen om daarna op te lossen in het niets.

Een stem sprak:

'Gaat heen, voorgoed.

Laat ons met rust, voorgoed.

Oh aller­grootste goede geest,

gij weet wel hoe het verder moet!' 

Het mooie meisje voelde een warme hand in de hare.

Ze keek op en zag de kluizenaar.

Hij glim­lachte en knikte haar gerust­stel­lend toe.

Ze nam met haar andere hand een kraakbeen­hoorn­tje vast van Wansnuitje.

Er ge­beurde ook zoveel tegelijk!

En de kluizenaar riep nog eens met krachtige stem:

'Gaat heen, gaat heen,

 wordt steen, wordt steen!'

Het donderde en bliksem­de.

En verder gebeurde er niets.

Want de kluizenaar had zich vergist. 

Hij was de vloek vergeten die op de lieve mooie fee rust­te...

Daar zag hij een oud krom­ge­groeid lelijk vrouwmens gaan.

Ze liep naar de tuin van het kasteel.

Ze begon met beide handen in de grond te woelen.

Ze zocht naar de mollen in de tuinen.

Voor de rijke men­sen.         

 

GELE BOTERBLOEMEN

Toen zij uit het oog was verdwenen, kwamen alle dieren te­voor­schijn.

Ze hadden zich schuil gehou­den tijdens het enorme tumult.

Hun angst was voorbij.

Ze wisten zich bevrijd.

De lucht was opge­klaard.

Er was niets meer te vrezen.

De adder­tjes kropen onder het gras vandaan.

De zwarte raven en de grijze uil en alle vleermuizen vlogen sierlijk rond.

De bijen en de hommels gingen vrolijk van bloem tot bloem.

Want alle bloemen hadden hun ingetrokken kopjes weer opgericht en de gele boterbloemen straalden hun vreugde uit tussen het groene gras.

De zwarte boterbloem was weg.

Hij was door de wervel­rook uit de grond gerukt en verdwenen met de wind.

 

VREDIGE VUURVLAMMETJES

En een zachte bries voerde een lieve heks met zich mee en zette haar neer bij Wansnuitje en zijn mama.

Toen haar voeten de grond raak­ten, kwamen de mollen tevoorschijn.

De kluizenaar knielde neer en prees de allerhoogste goede geest.

Het meisje boog haar hoofd en Wansnuitje blies kleine vuurvlammetjes. Mama draak haalde hem aan met haar linkerklauw en zei:

'Lief jong van me.'

Hij verborg zijn drakensnuitje tussen haar schubben.

Hij trilde van genoegen met zijn mollige vinnetjes op zijn blauw­geschubde rug.

En Wansnuitje viel in slaap.

 

DE ZINGENDE HEKS

De lieve heks had dit alles aanschouwd.

Ze begon te zingen.

Ze zong heel hoog en heel zuiver.

De tonen zweefden door de lucht als streling voor de oren van ieder die het horen kon.

En ieder die het horen kon, luisterde.

Want ze zong een lied over vrede.

 

LICHTJES IN HET KASTEEL

Het jonge meisje maakte zich los van het gezelschap.

Ze gaf kushandjes tot niemand haar meer zag.

Het meisje, het mooie meisje, was naar huis teruggegaan.

En ieder, die maar wilde kijken, zag hoe in het kasteel overal de lichtjes brand­den.  

En de mensen van Mensenland waren ver­baasd.

En alle kinderen waren opgewonden.

Het kasteel was weer bewoond!

Er woonde zelfs een mooie jonge vrouw.

Alleen.

 

DE RUITER

De volgende ochtend kwam een ruiter voorbij.

Bij het kasteel hield hij plotseling zijn paard stil.

Was het kasteel weer bewoond?

De ruiter sprong uit het zadel en liep in de rich­ting van de poort.

Hij zou gaan vragen wie de nieuwe bewoner dan wel kon zijn van het kasteel.

 

Het mooie meisje stond op de brug voor de poort en keek hem aan.

Toen de ruiter haar zag, vertraagde zijn stap.

En toen stond hij stil.

Hij bewoog zicht niet.

En hij was spra­ke­loos.

Hij boog zijn hoofd in diepe eerbied voor haar lief­lijke schoon­heid.

 

Hij draaide zich haastig om.

Hij vertrok zonder een woord te zeggen.

Want niets had hij nog te vragen…

 

De ruiter gaf zijn paard de sporen en het dier galop­peerde weg, ver weg de verten in.

Op een dag zou de ruiter terug­keren.

Op een dag kwam hij weerom.

Het mooie meisje keek hem na.

Ze glim­lach­te.

Ze wist het wel.

Ze wist het zeker!

Daarginds, daar ging haar man te paard.

Als hij terugkwam, zouden ze gaan trouwen.

En ze zou op hem wach­ten...

 

HET LIED VAN DE VREDE

Daar, onder een boom, zag ze Wan­snuitje.

Hij lag vredig tegen de schub­ben van zijn mam­adraak.

Hij blies vlam­metjes de lucht in.

De vlamme­tjes maak­ten rookwolk­jes.

Die kronkel­den tot een sig­naal.

Een signaal van waarachtige ware en heerlijke vrede.

 

Daarboven stuurde de zon lachend haar dansende stralen naar de wondere wereld omlaag.

De bo­terbloe­men wiegden zachtjes op de bries van de wind.

Alle vogeltjes en alle andere diertjes deden een rondedansje van vreugde.

En de monniken op de berg gaapten gerust voor zij aan hun middagdutje begonnen.

 

Over dit alles heen klonken de mooiste tonen.

Ze werden gehoord in heel Mensenland.

En de mensen en hun kinderen waren stil, heel stil.

Want wat ze hoorden, was nog nooit gehoord.

Want wat ze hoorden, was nog nooit tot hen doorgedrongen.

Ze hoorden de stem van de lieve heks.

De lieve heks zong haar lied.

Zij zong haar heksenlied.

Zij zong het lied met heel haar hart.

Zij zong over vrede.

 

En het heksenlied ging zo:

 

Dag vogel, dag vlinder, dag adder, dag pad.

Luister, ik zing van de grootste schat.

Dag hommel, dag kikker, dag uil en dag muis.

Voor altijd heerst vrede in nest, hol en huis.

 

Dag bloemen, dag bomen, dag zon en dag maan.

Ziet elkander maar glimlachend aan.

Dag wolken, dag winden, dag nacht en dag uur.

De vrede verjaagt niet, nooit is het nog guur.

 

Hoor wereld, hoor mensen, hoor kinderen klein.

Nooit zal op aarde nog onmin zijn.

Hoor uiver, hoor ijsbeer, hoor walvis, hoor slang.

De vrede verjaagt niet, dus wees nooit meer bang.

 

Ja, dit was het lied dat de heks zong.

En het lied klinkt nog altijd over de wereld.

En wie goed luistert, hoort de klanken.

En wie beter luistert, kan de woorden verstaan.

En wie het best luisteren kan, die begrijpt wat vrede is.

 

SHALOM!

 

İ 1998 Ine Verhoeven.

Het boekje WANSNUITJE EN DE ZWARTE BOTERBLOEM is nog in voorraad.

Wie interesse heeft, kan gratis 1 exemplaar bekomen, eventueel tegen portovergoeding. I.V.