HET WORDT KERST, DACHT IK
door
Ine Verhoeven & Frans Boddeke
Verhalen en Gedichten
Copyright 1998 Ine Verhoeven & Frans Boddeke.
Uitgevers: VERBOD Writers & Publishers - Nijmegen in algehele samenwerking met DAJA-stichting - Den Dungen.
ISBN 90-73180-60-0
Copyright 1998 VERBOD Writers & Publishers - Nijmegen.
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, microfilm, fotokopie, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook en evenmin in een retrieval system worden opgenomen zonder nadrukkelijke bronvermelding t.w. de naam van de auteur(s).
Voor Marij & Jos Kruunenberg, in trouw.
WOORD VOORAF
Waar mensen zijn, is aandacht nodig. Aandacht voor elkaar. Eerlijke aandacht. Wie kan zonder? Wie wil niet bevestigd zijn als mens, als individu, in zijn of haar bestaan?
Enkel vanuit de aandachtigheid van de ander en voor de ander kan de hoop existeren. De hoop, die op zich de basis is van het verlangen te leven, te mogen leven, maar dan wél in vrede.
Vrede. Jules de Corte schreef het ooit op, bespeelde de piano en zong dat, wat ook hij moest constateren: 'En we zijn al zo lang onderweg naar de vrede toe.' Het hele land zong dit met hem mee, een enkeling heeft het geneuried, maar tóch ...
Vrede. In hoopvolle aandachtigheid voor mensen -voor u- heeft de groep Verbod Writers & Publishers besloten om enkele vredeswerken van haar schrijvers Ine Verhoeven en Frans Boddeke in een vriendelijk kerstboekje samen te vatten en deze speels gebundeld als verderstrekkend vredesteken aan haar lezers aan te bieden: groeie zo aandacht en hoop en vrede meer en meer.
Dit boekje wordt u vrijblijvend aangeboden.
VerBod Writers & Publishers - Nijmegen, december 1998.
EXPLICATIE:
De VerBod-groep stimuleert de literaire ambitie van schrijvers, dichters en denkers; zij mogen hun filosofieën in boekwerken samenvatten en deze publiceren tegen de kostprijs, dus zonder winstbejag. Beoogd wordt een zo breed mogelijke bereikbaarheid van de karakteristieke VerBod-werken te realiseren. Verbod biedt schrijvende belangstellenden de mogelijkheid tot participatie.
Namens VerBod Writers & Publishers,
Frans Boddeke, voorzitter.
Ine Verhoeven, secretaris.
Info: Telefoon 024-3788904 (beantwoorder aanwezig)
TROOST VAN DE HEMELEN
Door Ine Verhoeven
'Dauwt, hemelen, en regent de Gerechte.' Zo klinkt -nog altijd- in de adventstijd het keervers van dat ontroerende lied, het aloude Rorate. De kleinheid van de mens in nood en zijn intense hoop op de Godsliefde worden in deze psalmmelodie in getreur én gejubel uitgezongen, want bij 's mensen verslagenheid komt in dit lied Gods antwoord als balsem op ieders wonden: 'Troost u, troost u, mijn volk, waarom wordt u aangegrepen door droefheid? Ik red u toch? Wil niet vrezen!'
In de nabijheid van een pasgeboren kind overvallen mij vaak ontroering, weemoed, gedachten. Hoe zal het deze kleine mens
vergaan, hoe zal dit prille leven uitgroeien? Hoop en twijfel, verwachting en desillusie ondergaat ook hij in zijn leven onderweg. Weten zal hij van leven en dood. Hij zal beide ontmoeten, hand in hand, naast elkaar, als mysterieuze verwanten. Verwonderd zal hij staan om leven, verbaasd om dood.
Weer gaat er een mens op weg. In het ongewisse over de duur van zijn levensreis. Nog onbekende passanten, nog onbegane wegen. Nog ongekende vreugden, nog ongezien verdriet.
Met deze bagage reist hij verder doorheen alle ballingschap, even hoopvol reikend als eenieder die vóór hem was, als elkeen die ná hem komt, naar die heel bijzondere belofte vanuit een oud Verbond: 'Daar is onze God, ons Heil, onze Verlosser!'
'Dauwt, hemelen, en regent de Gerechte.' Daar daagt de hoop,
dat gevoelig verlangen, dat verlevendigd wordt, maar dat ook onbarmhartig kan worden vernietigd.
Hij, de Gerechte, kwam tweeduizend jaar geleden ter wereld om de hoop op heelheid te behouden, om het geloof in gerechtigheid te bestendigen, om de levende liefde op te tillen.
En Hij, de Gerechte, werd lijfelijk gedood door verwarde mensengeesten, door meedogenloze mensenhanden.
Aan het einde van zijn ballingschap ging Hij, dat Kind van Betlehem, die Man van Nazaret, het Woord van God, ter helle om daarna uit de doden op te staan en naar zijn God terug te keren; in de volheid van De Liefde, in de glans van Het Licht.
Geloof en hoop en liefde. Altijd opnieuw herhaalt zich het verhaal over de geboorte van die Mens, van die héle Mens, van de Ommekeer:
Zie op en luister. Mensen, hóór! Daar komt de Mensenzoon. Hij wordt geboren uit een vrouw: Miriam van Nazaret. De Gerechte daalt neer, ligt als dauw op de bloesems. En de vrouw, zij jubelt om God haar Redder. En alle geslachten prijzen haar.* Door haar heeft God Zijn volk getroost.
'Dauwt, hemelen, en regent de Gerechte.'
* Vrij naar het Magnificat.
LOOT VAN JESSE
Door Ine Verhoeven
Die ene loot van Jesses stam
zal kiemen en ontspringen, bloeien
haar bladeren zingen in de wind
een stem wil in het ruisen klinken:
Druk jouw gezicht in mijn gezicht
vlecht je armen in mijn armen
strengel je vingren in mijn vingren
beweeg jouw voeten in mijn voeten
Glans jouw ogen in mijn ogen
klop je harte in mijn harte
plant je leven in mijn leven
groei jouw wezen in mijn wezen
Ga voort in mij en doe mij gaan
geef Geest aan mij en doe mij geven
spreek in mij en doe mij spreken
lief in mij en doe mij lieven
Ik ben Die ben doe jij mij zijn
ik vrouw geboren doe mij jou baren
Ik ben Die ben doe jij mij staan
ik vrouw geboren doe mij jou doen
Die ene loot van Jesses stam
zal groeien, bloeien, zijn en gaan
die ene loot van Jesses stam
zal dragen duizendvoudig vrucht
Het oorspronkelijke gedicht 'Loot van Jesse' van Ine Verhoeven heet 'Adonaï' in 'Zalig de niemanden', Frans Boddeke en Ine Verhoeven. Uitgeverij Abdij van Berne 1997.
LOUTER GENADE
Door Frans Boddeke
De groene dennenboom draagt hoog
in de top -in excelsis- een heuse
engel met vleugels van zegening
De engel wijst naar omhoog, naar God,
de engel lijkt op Jezus van Nazaret
de mens met handen vol vrede
hij, die de vrede met open hart
omlaag strooit over en op de
geurige takjes, die de mensen zijn:
Hij als vredesboom
In de groene dennenboom branden
gekleurde lichtjes
de rode en witte lichtjes roepen
hét licht op: Jezus de Messias
In de groene dennenboom bewegen
geschenkjes in goudpapier
ze doen denken aan hét edele geschenk
Jezus de heiland:
Hij als lichtboom
De groene dennenboom is
onlosmakelijk geworteld
in levenademende grond
in Gods goede grond
de boom staat voor Jezus,
schuilboom met vruchten van genade:
Hij als levensboom
Het woord is mens geworden
uit zijn volheid ontvangen
wij genade op genade - naar Johannes 1,14.
DE KERSTVROUW
Van een vrouw en een kind, van God en zomaar iemand op bezoek.
Door Ine Verhoeven
Het was zo'n dag waarop je van geen mensen meer wilt weten, met van die uren waarin de wereld ophoudt te bestaan, zoals 'n zomerdag met volop winter, zo'n allerzielendag in de mei.
Ik ging door het huis met zijn innerlijk van nergens warmte, ik liep door de tuin met zijn diepgebogen laatste asterkopjes langs het gazon en de troosteloze lege takken van de sering voor het raam; ook de magnolia, daar zo middenin geplant, deed aan blij niet meer mee; alles wat eens groeien en bloeien zou in het hart van een seizoen, paste zich aan aan mijn gemoed; alles rondom huilde, alleen, met elkaar en mij. En ik ging.
Op straat was het al niet veel beter, en langs de waterkant dribbelden de waterhoentjes als kleine zwarte winteruivers zonder nieuw leven snel wegwaarts, het water in, en vluchtten.
Witte meeuwen krijsten hun schreeuwen naar hemel en aarde, pikten naarstig brood en resten afval op en bevochten meedogenloos door de lucht hun eigen ik, vlogen op en vielen neer, de rovers. Zes kauwen keken vanuit een blote boom schuwelijk rond, schichtig als ik, dacht ik. Ik haastte mij naar de bus, die aan kwam denderen en was mijn strippenkaart vergeten. Dubbeltarief. Ik zeulde mee, schokte en bonkte met mijn hoofd tegen het glas, dat zo vuil niet naar buiten liet kijken, dof.
De wereld was weg in die bus en ik wilde gaan naar het leven, dat wel bruisen moest in de stad; pep je op, mens, straks zul je weer lachen, zoek mensen op, ga eruit en voel dat je leeft.
En voel dat je leeft. In de stad liep ik rond en verloren, geen kende er mij, ik kende er geen, ik was pas verhuisd om weer opnieuw beginnen te leven, weg had ik gewild van al wat me bond aan de tijd dat ik nog gelukkig zou zijn geweest, weg.
De gebouwen nog nieuw voor mijn weten stonden oud te gapen, vermoeid als ikzelf; en ik haalde bij een apotheker fitpillen, want ik was zo moe. In de kinderboekenwinkel lag mijn sprookje niet verkocht, arm kind. Een hond stond vastgebonden aan een fietsenrek, ik streelde hem, of haar, en zei iets van ha jochie toch; het beestje praatte even terug in bijna mensentaal, was wit en wachtte voort. Waar was zijn baas? Ogen en melancholie gaan vaak samen en scheppen een brok in mijn keel, dat hondje hielp niet erg mee, kon mijn weeën niet wegnemen, ik hoopte op nieuw geluk. Een hoogzwangere vrouw liep voor mij uit, een kind hing aan haar linkerarm wat bungelend te zijn, en het was december geworden, pas. Zij gingen een kerk binnen op donderdagmiddag. Er kwamen er nog drie me tegemoet, mannen, maar ze bogen af naar de kerkdeur, die open was blijven staan. Ik wilde zien en kwam over de treden aan bij God, die in een gouden muurkast woont met een lamp voor de deur, dat wist ik van ooit geleerd. De moeder van God was beeldig en geplaatst in een gebedsalkoof, het was er dus enkel stil. Het jodenjongetje op haar rechterarm glimlachte en droeg een wereldbol. De moeder van God keek met serene blik en waste daarmee mijn ziel. Hier heersten ernst en gebed. Hier mocht ik tranen hebben, van berouw, ik zag drie biechtstoelen met drukbellen en naambordjes ernaast; verderop blonken lichtvallen vanuit de hemel door veel glas-in-lood, ik zag stralende kleuren en een pasgeboren kind met grijpgrage handjes naar drie koningen toe, die knielden en bogen met mirre en goud; daar keek ik naar, lang. Een raamtafereel met eeuwigheidswaarde, bedacht ik. Een kind wordt geboren, geëerd als een god, bedacht ik, door vreemde koningen, oosterse wijzen, sterrenkijkers. Wel erg vredig, bedacht ik. Een vreemde geboorte van een vrijheidsstrijder, van een vreemde vredestichter, die vrede bracht én strijd. Onduidelijke man, bedacht ik. Er is geen vrede, nergens niet, in de wereld niet, in gezinnen niet, in mijn hart niet, bedacht ik. Daar zag ik de hoogzwangere vrouw roerloos bij de heilige maagd in gebed, haar kind bungelde niet meer maar was, het zat met ogen dichtgeknepen, als zij. Ik keek naar Gods muurkast en die flakkervlam en dacht: gaat die lamp dan nooit 'ns uit? De vrouw stond op, nam het kind bij de hand en schreed weg, alsof er iets koninklijks was gebeurd, alsof zij een koninginne was, die spoedig een koningszoon zou gaan baren. In het voorbijgaan zag ik een serene oogopslag, de vredige zielsuiting van een vrouw vol van haar verwachting, en vol van haar komende kind. Hoog verheft mijn ziel de Heer en alle geslachten prijzen mij, dacht ik, hij heeft de geringen opgericht en de machtigen slaat hij terneer. Mijn hart jubelt het uit om God, mijn redder, dacht ik. Drie mannen wasten de ramen van glas-in-lood, de kerk geurde fris en alles stond er helderder dan ooit; de lichtvallen verbleekten enkel als het donker zou worden. In de kerkramen bleef het kind van God pas geboren zijn en het strekte nog altijd zijn armpjes uit naar de ouderdom in de koningen. Ik zag daarin de verbondenheid van de dag met de nacht, het licht met het donker, het leven met de dood; ik zag daarin de vreugde samengaan met het verdriet, het leven compleet zijn in dat kind met die wijzen.
En de dag ging door, en ik ging door, liep door de regen van december, geen sneeuw nog niet, bladeren lagen klef over straat en mensen snelden voort, huiswaarts, naar huis. Een zwerver borg zijn straatkranten op en schuifelde glibberig, gleed half uit, viel niet en de wind joeg door de straten van mijn nieuwe stad en brulde op elke hoek, hij gierde het uit; was het God, die daar lachte, misschien? De stad was leeg, bijna. De bus was te laat, en stampvol en dampend; beslagen ruiten waarin geen kon naar buiten zien, maar we zagen de reizigers, elkaar, in die bus onderweg. De busman was goedlachs en een fluiter, zou hij een gele kanarie hebben, of een van groen met rood of blauw? Het wordt kerst, dacht ik, ik zal mijn hart gaan wassen, mijn ogen zijn schoon, ik zag wat ik heb gezien, die moeder had een bevallige schoonheid, zou dat kindje van haar voor Kerstmis zijn? Ik veegde met mijn mouw langs het busraam, dacht aan God in zijn muurkast met het altijdbrandend licht - wat zou hij zien? en zag door de kleine opening de moeder gaan met het kind, zij schreed nog immer; een kleine witte hond blafte hen na alsof hij zijn lied wilde zingen en dolde door de wind en langs de lange straat, en was weg; een hardnekkige fietser trapte door en trotseerde de storm; en de bus denderde voort als het leven. Ik lachte, net als God? bedacht ik, en mijn hart was gerust in een vrede, bedacht ik, en dagdroomde van een witte kerst met een klein kind, met een groene boom en een zilveren piek en lichtjes overal; en ik dagdroomde van zo'n kerst, zo'n kerst met sneeuw dus, en met zomaar iemand op bezoek.
Teer is de mensenziel
waarmee mensen liefhebben
elkaar liefhebben
want liefhebben
is de opdracht van de mens.
Ine Verhoeven
ANNO DOMINI
Door Frans Boddeke
In het jaar iedere dag God beleven
in het jaar iedere dag met God verkeren
in het jaar iedere dag van God uitgaan
in het jaar iedere dag in God zijn
dat is meer en meer Liefde worden
dat is meer en meer van God worden
In het jaar
het betrouwbare Woord horen
het levende Woord ademen
het gevende Woord doen
met als beginsel
de Geest van liefde dragen
tot voor de nabije God
tot bij de nabije mens
de Geest van licht dragen
in donkere dalen
op witte hoogten
De mens met hart warmt zich aan God
maar verwarmt ook God
de mens met ziel wordt God-vertederd
maar vertedert ook God
de mens met overgave verkwikt zich in God
maar verkwikt ook God
Gloria in excelsis God
gloria in excelsis Mens
in het jaar
van de eeuw
met haar donkerte en witheid
De ontfermer zij alles in allen.
HOCUSPOCUS EN KERSTGEPREEK
Het kerstkind en de vreemde vredezoekers
Door Ine Verhoeven
Het was kerstavond. De straten van het dorp lagen er verlaten bij. Bijna niemand ging nog over straat. De wekenlange, rumoerige drukte van de tijd vóór Kerstmis bestond niet meer. Rust lag als een onzichtbaar vriendelijk deken over de huizen uitgespreid. De hemel was helder en de sterren fonkelden. Terwijl de winter het land en de huizen omarmde, keek de maan vredig op de aarde neer. En één dorpje werd extra beschenen.
In de pastorie van het dorpskerkje zat de oude pastoor gebogen over zijn bureau. Zijn wenkbrauwen stonden gefronst en zijn ogen hield hij half dichtgeknepen. Dat deed hij alleen als hij ernstig bezorgd was. En de herder wás nu ernstig bezorgd. Hij had zijn kerstpreek voorbereid voor deze kerstnacht. Hij zou de mensen vertellen over de vrede. Iedereen wilde toch vrede? En hij zou de mensen aanmoedigen om goed te zijn voor elkaar. Iedereen wilde toch goed behandeld worden? Hij zou vooropstellen dat de ware vrede begon bij de mensen zelf. Zolang er nog ergens ruzie was of ergernis kon het kerstfeest niet écht worden gevierd! Hij schudde zijn hoofd en zuchtte diep. De mensen hadden de bedoeling van Jezus' komst blijkbaar nog altijd niet begrepen. Ruzie en verdeeldheid waren in zijn dorpje schering en inslag. En als vrede niet stand hield in een eenvoudig mensenhart, hoe kon er in de grote wereld dan ooit vrede zijn? Daarover had hij willen preken. Hád, ja. Want sinds vanmiddag wist hij het niet meer. Hij was van slag geraakt toen Jannes onverwacht was komen binnenvallen om hem -de pastoor- eens even haarfijn het geheim van het rencarnatiegebeuren uit te zullen leggen. En Jannes had gebakkeleid, zoals alleen Jannes kon bakkeleien. De pastoor had hem tenslotte weggestuurd. Bij de deur had Jannes geroepen: 'Bekijk het maar, pastoor. Ik kom niet naar de nachtmis. Ik kom trouwens helemaal niet meer in jouw kerk. Ik ga voortaan mediteren in het bos. Want als ik doodga, kom ik terug als een konijn. Gegroet.' De broer van Jannes -wist de pastoor- had ook al van die vreemde ideeën. Dat was Hannes. Die wroette als helderziende in andermans leven, deed aan spiritisme en pendelde erop los. En niet zomaar! Nee, hij had, zo beweerde hij, met die pendel zijn gestorven vader en moeder opgespoord en samen met een bijgelovige kapelaan had hij met allerlei cijfertrucs berekend dat zij nu bijna uit het vagevuur waren. Ze zaten zowat op de stoep voor de hemel. Nog even en ze stapten er binnen. Ach, ach. Hij had de ouders van dat tweetal goed gekend. Dat waren beste, brave mensen geweest. Goed voor hun zoons en goed voor elkaar. Ze lagen begraven op het kerkhof. Maar hij, de pastoor, had bij hun graf nog nooit een bloemetje gezien, laat staan ooit Jannes of Hannes. Weer zuchtte de pastoor. Er was nóg iets wat hij niet kon loochenen. Er waren de laatste jaren nogal wat stadse lui in het dorp komen wonen. Dat was goed, had hij gedacht. Maar er zaten van die rare snuiters bij met van die vreemde trouvailles. Spiritueel begenadigd, kwalificeerden ze zichzelf. En behalve Hildegard von Bingen vanwege haar geneeskruiden en visioenen, en soms nog Franciscus van Assisi vanwege zijn liefde voor de natuur, hield het katholieke geloof voor die vreemde snoeshanen verder niks meer in. Onze Lieve Heer kwam niet meer aan bod. Hocus-pocus uit verre landen was de tegenwoordige trend en onbekende afgoden werden geadoreerd. Dat spokerig gedoe maakte iedereen nieuwsgierig. Erger nog: zijn trouwe huishoudster Anna was onlangs naar India getogen en toen ze teruggekomen was, bleek ze hoteldebotel te zijn van ene goeroe Sai Baba. Van hem had ze een grote prent tegen de muur van haar zitkamertje geplakt, pal achter haar heilighartbeeld. Nee, het geloof had een vreemde duik genomen in heel ondiep en heel troebel water. Als Anna ooit erg ziek zou worden, zo had ze hem ook nog meegedeeld, dan hoefde hij haar de laatste sacramenten niet toe te dienen, want Sai Baba zou dan heilig zand bij haar strooien; dat zand zou op Baba's bevel uit de lucht komen vallen, zomaar! vanuit het verre India. Dát was nog 'ns een wonder! had Anna gezegd. De pastoor zuchtte nog eens héél diep en bedacht hoe treurig het was dat het halve koor intussen in de ban was geraakt van Jomanda, die rare toverkol in haar Mariablauw gewaad. Deze Jomanda deed gelovig, maar ze had niets van doen met God de Vader of met God de Zoon, en wellicht had ze ook niksniet uit te staan met God de heilige Geest. Hij verdacht haar eerder van moderne hekserij, en dat had geheid met de boze te maken. Ach nee, schuddebolde hij, het was duidelijk een rare wereld. De mensen sjokten alleen nog maar achter vreemde godsdiensten aan, en achter dubieuze kwakzalvers en uitgekookte charlatans. Wie uit het dorp kon hij vannacht nog bereiken met zijn kerstgepreek over de vrede? En moe van het peinzen sukkelde de oude pastoor boven zijn bureau in slaap.
EN HIJ DROOMDE:
Buiten was de wereld wit. Het dorpskerkje, het raadhuis en de huizen baadden in zilver en schittering. Zachte sneeuw lag, als een donzen deken, op straat, plein en veld te wachten tot de mensen uit hun huizen kwamen. Plotseling begonnen de klokken te luiden. Helder en vrolijk sloegen de klepels tegen het gietijzer aan en galmden hun tonen over het dorp. Een voor een gingen de deuren van de huizen open. En een voor een kwamen de mensen naar buiten. De pastoor haastte zich de kerk in, snelde langs het stalleke en ging bovenop de hoge preekstoel staan om vandaar zijn schapen te tellen, want hij wilde precies weten hoe vol zijn kerkje wel zou worden. Hij wachtte ongeduldig. Hij had immers ieder jaar een volle kerk met de kerst! De kerkdeur stond wagenwijd open. Waar bleven de mensen nou? Zijn voeten werden koud. Zijn handen werden koud, zijn gezicht werd koud en zijn mond verstrakte van de kou. En als de mensen nu niet snel binnenkwamen, kon hij zich niet meer bewegen van de kou. Waar bleef iedereen toch! Zijn ogen speurden door de lege kerk, zijn blik ging langs het lege koor en bleef steken bij de sacristie: die was ook leeg. Er was echt helemaal niemand. De klokken beierden luider en luider. Maar de kerk was leeg en de kerk bleef leeg. Verward keek de pastoor naar het stalletje. Daar stonden de dieren, de herders, de koningen. Een engel hing gloria te hangen aan het staldak. Maar wie hij niet zag was Maria, hij zag Jozef niet en hij zag ook het Jezuskindje niet. En de oude pastoor raakte in paniek. Hij sidderde en beefde: 'Jezus, Maria, Jozef! Waar zijn jullie dan toch? Kom in de stal, laat me niet in de steek, het is kerstnacht! Hóór de klokken!' Hij staarde verschrikt naar de kribbe en wachtte. 'Heer', prevelde de oude man ten einde raad, 'in uw Vaders' huis zijn vele woningen. Op aarde zijn ook vele woningen. Kom in deze woning vannacht, kom hier in mijn kerkje.' Er gebeurde niets. En de pastoor gaf het op. Net toen hij besloot om de kerk dan maar te sluiten, zag hij in de kerststal een konijn. Het beest knabbelde van het kribbenstro. Links van de krib en het knabbelkonijn zat Jannes neergeknield en rechts stond Hannes met een pendel in zijn hand. Jannes had lange konijnenoren en het hoofd van Hannes was pekzwart geblakerd. De oude pastoor schrok nog heviger, werd heel bang en zette het op een rennen. Hij ijlde door de kerk, botste tegen de kerkdeur op en tolde het voorportaal uit. En toen stond hij stil. Want daar, vóór de kerk op het plein, stond een grote mensenmassa rond een kribbe geschaard waarin het kindje lag. En Maria bloosde toen ze de oude pastoor aankeek. En Jozef
reikte hem zijn staf en ondersteunde hem. De kleine Jezus klapte van vreugde in zijn handjes en tuitte zijn lipjes. 'Suja pastoor', sprak het kindeke, 'laat de mensen God zoeken waar ze maar willen. Heb geen zorg, goede man, want ik ben hier gekomen voor iedereen. Suja. Ik ben trouwens geboren onder de blote hemel. 'n Stalleke kreeg ik pas van Sint Frans van de Vrede*, toen was ik al 1200 keer geboren, maar dat doet er nu niet toe. Suja. Als de mensen mijn vrede zoeken en die op een keer ook zullen hebben gevonden, dan hebben ze míj gevonden. Maar elk zoekt op zíjn wijze en elk zoekt op zíjn tijd, omdat elkeen anders is. Suja. Ik troost je, luister maar: iedereen zoekt immers naar de vrede? Net als jij. En jij, brave man, tel jij de mensen maar niet meer. In de kerstnacht zijn de mensen, die aan mij denken, niet te tellen. Suja. Houd jij je preek nu maar!'
DE PREEK?
Met een schok werd de oude pastoor wakker. De kerkklokken beierden boven zijn hoofd en galmden hun klanken uitnodigend over de huizen van het dorp met de bijzondere mensen. Hij keek door het raam. De heldere maan bescheen de straten en daar zag hij over het plein de nachtelijke kerkbezoekers komen. De pastoor repte zich ter kerke. Door de wijdopen deur schuifelden zijn mensen eerbiedig naar binnen. Ze schoven bij elkaar aan in de kerkbanken en er werden extra stoelen neergezet. Zijn kerkje was bijna te klein. De pastoor pinkte een traan weg, vermande zich en keek fier en gelukkig rond: hij wist de vrede van Kerstmis aanwezig in zijn Godshuis. Onder de preek kraakte de kerkdeur, omdat Jannes binnenkwam. In de kribbe glimlachte het kindje. De gloria-engel aan het staldak ook.
Die nacht at de pastoor zich ongans aan worstenbrood en kerststol-met-spijs. Hij vierde de kerst van z'n leven. Want hij geloofde opnieuw. Hij geloofde dat mensen waarachtig zoeken naar vrede.
* Franciscus van Assisi.
WAAR GA JE HEEN, MIJN KIND?
Door Ine Verhoeven
Wijzen trekken langs de wegen
mannen, zoekend naar een kind
dat als koning is geboren
Waar ga je heen, mijn vrind?
Hemels licht, hel in het duister
gaat als bode voor hen uit
naar de koning, pas geboren
Waar ga je heen, mijn vrind?
Wijzen vinden daar het kindje
koningszoon, Gods kwetsbaarheid
met het kloppend hart van mensen
Waar ga je heen, mijn vrind?
Goud en wiereuk en de mirte
en gezangen zonder hoon
omringen Gods gezonden zoon
Waar ga je heen, mijn vrind?
Wijzen treden voor zijn aanschijn
mensenzoon, Gods tederheid
strekt zijn handjes naar de wereld
Waar ga je heen, mijn kind?
HIJ IS HET LICHT
Door Frans Boddeke
De schrijver had al heel wat grijze haren. Van al die grijze haren zat er niet één op de juiste plaats. Bij een beetje goede schrijver is dat trouwens altijd het geval. Vraag niet waarom: IS nu eenmaal zo.
De schrijver dacht na bij een grote kaars. Het elektrische licht moest nog uitgevonden worden en het huis had maar een paar kleine raampjes met weinig lichtinval. Hij schreef dus met rechts van hem een grote kaars. Die kaars noemde hij de 'Jezuskaars'. Jezus was immers het licht in de duisternis. Zijn collega's spraken ook wel van Paaskaars, van Verrijzeniskaars. Maar ja, dat moesten ze zelf weten. Hij vond 'Jezuskaars' veel persoonlijker.
De schrijver lag praktisch met z'n neus op het papier. Zijn ogen waren werkelijk slecht. Dat kwam volgens de dokter omdat hij al zo oud was. Die opmerking had hij zelf ook wel kunnen verzinnen. En nu vraag je natuurlijk: maar waarom droeg de schrijver dan geen bril? Dat is een goede vraag met een gemakkelijk antwoord: er wáren nog helemaal geen brillen. En al had hij toevallig wel een eksteroog, daardoor ging je natuurlijk niet beter zien.
Zijn vrienden hadden hem onlangs gevraagd om eens iets op te schrijven over de geboorte van Jezus. Hij had immers Jezus goed gekend. Maar dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ze hadden wel lang met elkaar opgetrokken maar over hun jeugd hadden ze het nooit zoveel gehad. Wat moest hij nu over Jezus' jeugd schrijven?
Ja, Jezus had geleefd in Nazaret. En hij had veel van zijn ouders -Maria en Jozef- gehouden. En hij had altijd veel plezier gehad met de andere kinderen. En zaterdags waren ze naar de synagoge gegaan, maar verder?
De schrijver zoog op het puntje van zijn potlood... Kijk, hij wist het. Hij zou een aantal teksten uit het Oude Testament opschrijven, mooie teksten die aan Jezus deden denken. Hij had natuurlijk ook best teksten willen aanhalen uit het Níéuwe Testament, maar dat kon niet, want dat was hij namelijk juist aan het schrijven.
Van al die teksten uit het Oude-Eerste Testament zou hij een fijn geboorteverhaal maken: een kerstverhaal. Want Kerstmis betekende immers Christus.
Hij bladerde in het oude bijbelboek. Kijk, daar stond dat koning David in Betlehem had geleefd. En Jezus was toch familie van koning David? Daarom was het mooi Jezus in Betlehem geboren te doen worden.
En wanneer is het het meest donker? Toch zeker eind december. Daarom zou hij Jezus geboren laten worden op 25 december. Die dag was gemakkelijk te onthouden. Het was de meest donkere dag van alle dagen. Als Jezus op 25 december geboren werd, kon iedereen heel gemakkelijk begrijpen dat Jezus het licht in de duisternis was. Je moest de natuur niet verwaarlozen.
En vervolgens las hij in het oude boek, dat engelen goed nieuws kwamen brengen namens God. Prachtig! Bij Jezus' geboorte hoorden dan ook veel engelen. Want Jezus was immers Gods beste nieuws.
Wie hoorden er nog meer bij Jezus' geboorte? Toch zeker de arme mensen. Jezus was heel zijn leven opgekomen voor de armen. En wie waren er werkelijk arm? Waren dat bijvoorbeeld niet de herders? Die moesten zich uit de schapennaad werken voor een paar onogelijke centjes. Bovendien keek iedereen hen met de nek aan. Vooruit dus: herders in het geboorteverhaal.
En zo schreef de schrijver zijn kerstverhaal. Het werd een hele kerststal. Maria en Jozef. Jezus zelf natuurlijk. De engelen, de herders, de schapen, de os en natuurlijk een collega: de ezel. Voor de wijzen uit het oosten kon hij zo gauw geen tekst in het Oude Testament vinden. Die moesten dan maar later aan de beurt komen, aan het begin van het nieuwe jaar.
De schrijver glimlachte. Ja, Jezus had veel goeds gedaan in Gods naam. Hij had werkelijk vrede gebracht. Want wie aan Jezus dacht, dacht aan God.
Hij vond nog een mooie tekst. Maar die was wat moeilijk in het verhaal te verwerken. Die zou hij er als bijlage bij doen. Weet je welke tekst dat was? Deze, van een zekere profeet Jesaja: Er is een kind geboren, een koningszoon. Op zijn schouders rust de heerschappij. Men zal hem noemen: krachtige bestuurder, goddelijke held, eeuwige vader, vredevorst.
Opnieuw speelde er een glimlach rond de oude mond van de grijze schrijver. Dat waren wel heel erg moeilijke titels, die de profeet Jesaja bij elkaar gesprokkeld had. Hij zelf noemde Jezus toch maar het liefst 'het licht in de duisternis', dat was eenvoudiger om te begrijpen. Jezus zelf had toch ook nooit van moeilijke woorden gehouden.
Hij keek door het kleine dakraampje naar de maan. Oei, het was al laat, zelfs te laat voor een kort avondgebed. Met een haastige zucht blies hij de Jezuskaars uit.
ALS HIJ, HET KIND
Door Ine Verhoeven
O jij, mijn lieve mensenziel
Geboren eens, vandaag en toen
Mijn mensenziel in mij en jij
Ontstaan om niet, gevraagd door
Geen en toch ontvangen van de God,
Die zelf geboren is, gemaakt om niet
Uit niet en toch, en toch bestaat en
Leidt, geleidt wat ooit geschapen is,
En doet bestaan, bestaan mijn lieve
Mensenziel, geboren eens, vandaag en
Toen, mijn mensenziel in mij en jij
Ontstaan om niet, als Hij, het kind.
INHOUD
Opdracht
Woord vooraf
Troost van de hemelen - Ine Verhoeven
Loot van Jesse - Ine Verhoeven
Louter genade - Frans Boddeke
De kerstvrouw - Ine Verhoeven
Anno Domini - Frans Boddeke
Hocuspocus en kerstgepreek - Ine Verhoeven
Waar ga je heen, mijn kind? - Ine Verhoeven
Hij is het licht - Frans Boddeke
Als hij, het kind - Ine Verhoeven
Ter informatie:
VerBod Writers & Publishers - Nijmegen is een oecumenische groep van schrijvers en dichters; zij heeft als missie haar geestelijke en profane filosofieën literair te verwoorden en te bundelen in betaalbare werken zonder winstbejag.
Daja-stichting - Den Dungen is een groep vrijwilligers, die een brug wil slaan naar mensen en/of groeperingen, die niet
gehoord worden, waaronder onder andere geestelijk- en lichamelijk gehandicapten, maar ook gedetineerden.
![]()

Dag Licht in mij
~
Waar is de schaduw
die mij heeft omgeven
toen ik nog angstig was
en bang was voor Jou?
Wie heeft haar opgetild
en weggestuurd, de nacht
in terug, toen ik nog
klein en al verkleumd niet
weten wou van Jou?
~
Dag licht in mij, wees welkom
en brand je vuren voort,
wakker aan en flakker, tot
ik weet wie Je bent, wie Je bent
~
Waar is de schaduw
die het kind in mij
zo vroeg verdreven heeft
naar nergensland?
Wie is mijn redder toch
geweest, wie heeft het
duister van de nacht
getoverd naar het licht
en weg verdreven bang?
~
Dag licht in mij, wees welkom
ik draag jouw vuren voort;
ik heb de mensen aangezien
en 'k weet wie Je bent
~
Jij bent de schaduw
voorbijgegaan
Jij bent het licht
in mensen
Jij bent het vuur
van hartenbrand, de
ogengloed van God en
ik herken in Jou weer kind.
~

Over vrede – ik had heel wat te denken
Door Ine Verhoeven
~
Het was een winterse dag met wind en kou, en geen regen. Het zou best eens kunnen gaan sneeuwen, dacht ik. De wolken hingen zwaar en volgepakt en oogden als een donzen dekbed dat boven de stad hing om door de weergodinnen te worden geschud.
~
Het herenhuis aan de overkant stond er fier bij; het pronkte ijdel tussen de kale boomtakken van de straateik. Zijn witte stenen bast met lila ornamentjes lachte me toe, de oranje overgordijnen achter de barokke ramen hingen zomers te overwinteren. Een eenvoudige lamp brandde boven de voordeur. Ik wist niet of ik het huis majesteitelijk vond of van een povere adel, ik dacht het laatste. Majesteit en adel immers waren nog schaarse begrippen in onze dagen. Steeds moeizamer vonden Europese prinsen van origine nog een adellijke bruid uit een adellijk geslacht. Het wordt opmerkelijk, dacht ik, het valt ernstig op. Ons koningshuis bijvoorbeeld heeft moderne burgervrouwen als heuse prinsessen geadopteerd; zij zullen met hun stamboomprinsen het Oranjegeslacht bestendigen. Zijn de kindjes, die ervan komen, dan van halve adel? Is prinsesje Amalia van Maxima en haar Prins van Oranje een waarachtig kroonprinsesje? Ik vroeg het me af.
~
Langs het witte huis met de lila ornamentjes en de oranje overgordijnen reden haastige auto's en rappe fietsers af en aan. De verkeerslichten sprongen om en om op rood, groen en oranje. Het drukke verkeerspunt tussen mijn flatwoning en het huis aan de overkant was als een kruislingse wegwijzer op het levenspad van de passanten. Dit filosofisch tafereel was het aanschouwen waard; het wekte mijn brein op uit de naslaap van de voorbije nacht, want het was ochtend. Was er in dat hoge huis niet onlangs een kindje geboren? Had ik daar niet een papieren ooievaar gezien die ter ere van de boorling was neergezet aan de zijkant van het huis, precies ter hoogte van het verkeerslicht? Ik probeerde het mij te herinneren.
~
Het huis aan de overkant leek me ondanks de nabije locatie veraf gelegen in deze tijd van afstandelijke buren. Hoewel de bewoners mijn rechtstreekse overbuurtjes waren, dubde ik hevig of ik bij hen op kraamvisite kon gaan. Het kindersprookje van de vrede, dat ik ooit optimistisch had verwoord in een eenvoudig boekje, zou wél een toepasselijk presentje zijn, dacht ik. En staat de decembermaand niet in het teken van de samenkomst rond de geboorte? Ik kan het gerust doen. Maar ik twijfelde --.
~
De weg glom van de regen, die gekomen was in plaats van de sneeuw die ik nadrukkelijk had verwacht. De sneeuwgodin had zich wellicht verplaatst naar de deftige buurlanden met de hoge bergen. Ook in deze decembermaand zouden weer veel opgetogen vakantiegangers de kerstdagen doorbrengen in de Duitstalige skigebieden, waar de kerstman en de arrenslee de vredessferen vertolkten bij de kleine glanslampjes in de avond, bij de zoete Glühwein en de open haard, bij de nostalgische geuren van het besneeuwde dennenwoud.
~
Ik zag daarginds twee wandelaars met rappe stap de bus halen. Reizigers, dat zijn we allemaal, dacht ik. Waar gaan we naartoe? En waarom is een gelukkige bagage zo moeilijk te vergaren? Zelfs een verheugd gemoed moet worden verworven; het komt geen mens aanwaaien. Was het de natte regen in grijs die mijn gemoed heel even versomberde of de herinnering aan een mensenleven dat niet vanzelfsprekend was geweest?
Ik keek naar het witte huis. Het stond daar sierlijk en statig en vreedzaam. Daar word je blij van, dacht ik, dit is een plekje van Gods genade. Hier moet ik vaker naar buiten kijken. En zie eens, het straatbeeld is stil en leeg, al twee minuten lang. Nu glijdt een fietser neerwaarts, de weg af; en glipt in zijn vaart door het rode licht. Gevaarlijk, dacht ik, ik heb ze zien vallen, mensenkinderen plat op hun gezicht, schreeuwend van schrik en onverhoedse ellende: allemaal leed door gemis aan inzicht en geduld. Het moet hun immers worden geleerd.
~
Ik had mijn bril opgezet, zonder bril zag ik veraf de contouren der dingen niet. Nu werd mijn zicht op het huis van de overkant erg interessant: Twee mannetjes in regenpakken gingen aan de slag met kerstversiering! Kleine lampjes werden doorheen de oude eikenboom gevlochten en de voordeur van het herenhuis kreeg een krans van dennenappels met vuurrode besjes en hulst, en misschien met mistletoe! Mijn hart smolt van vertedering: het werd kerst! De lampjes in de eikenboom gingen aan en uit; toen bleven ze lieftallig branden.
~
Er reden drie auto's met felle koplampen de hoek om naar het volgende verkeerslicht ter linkerzijde. Allemaal mensen onderweg, dacht ik, allemaal werkend, visiterend, zoekend, pelgrimerend. Allemaal mensen met verwachtingen, en sommigen allang niet meer. De levensweg is vol valkuilen, is gemarkeerd met obstakels die de passant hinderen naar zijn einddoel. Er is karakter nodig, en volharding, om bij de uiteindelijke zaligheid te geraken, door de levensreiziger gehoopt en verwacht.
~
Hoe heten die mensen aan de overkant? Ik wil er graag heen! Het is magnifiek, een nieuw winterkind te ontmoeten; en een jonge moeder vol van geluk en een vadertje die nog wat stamelt in onwennigheid. Trouwens, kwamen de herders en de wijzen ook niet vol verlegenheid kijken bij de pasgeboren Jezus, toen in het huis van Betel?
En brengt ook niet dit nieuwe kindje-klein nieuwe vrede in de straat? Elk kind zal een kind van vrede zijn! Waarom vergeet de mensheid haar geschiedenis, blijven strijd en onvrede altijd door bestaan, en waarom wordt het kind in zijn onbevangenheid door zijn medemens en volk verraden?
~
Ik heb heel wat te denken, dacht ik. Het was december geworden, zomaar om niet.
De zomer was heet geweest, veel te heet voor mensen in deze regionen van Europa. Ik herinnerde me de pittige verzuchting van een Vlaamse passante: 'Ik heb de hitte van de zomer ondergaan als een ziekte.' Dat was scherp geschetst, maar met een kern van waarheid. Hoezeer had gans Europa niet vermoeid terneergelegen onder de machtige zon, en hoeveel meer mensen waren er, alleen al in Frankrijk, niet aan haar bezweken? Blij was ik geweest toen het herfst werd. Ik kan me kleden tegen de kou, niet tegen de hitte, dacht ik, en genoot van de rijp op het gras, de geur van de jonge vrieskou en van de oude westenwind.
~
Het panorama glom van de regen. Het witte herenhuis werd lichter, witter ook en de lila kozijnen met de ornamentjes waren als amethisten cartouches die me religieus aanmoedigden tot gebed. Mijn drakensprookje lag open en ik las achterin een korte strofe van het lieveheksenlied: Hoor wereld, hoor mensen, hoor kinderen klein / Nooit zal op aarde nog oorlog zijn / Hoor uiver, hoor ijsbeer, hoor walvis, hoor slang / De vrede verjaagt niet, dus wees nooit meer bang. Een merkwaardige mengelmoes van vredige verlangens in december, dacht ik, profaan en heilig tegelijk, zo vlak voor het naderende kerstuur.
~
De telefoon ging en mijn geloofsvriendin Maria vroeg of ik bij haar op theebezoek kwam, maar ik schreef juist mijn kerstverhaal. Mooie naam, Maria, dacht ik. Ook ik heet Maria. En zelfs Theodora: Geschenk van God. Bijna zoals het kerstkind dat van God kwam, dacht ik. Maar dat tere lichtkind van vrede was wel van Gods hoogste genade gemaakt voor de prachtige wereld met haar nukkige mensheid. Met dat kind had God grootse plannen gehad. Ze waren van wereldniveau, dat was wel gebleken door de laatste twintig lange eeuwen heen. Alleen, het lijden in de wereld was niet opgehouden te bestaan en de mensheid had intussen nog maar weinig van dat godskind begrepen. En de vrede was nog niet, integendeel.
~
Een mens zal zelf zijn vrede maken, dacht ik, en haar ongeclausuleerd ronddelen. Het karakteristieke kerstfeest is geven, delen en goedheid doen, samen met de mensen van goede wil. Gaan zij niet eensgezind over de wegen die door God zijn aangelegd? Is God niet hun wegenbouwer en is Jezus niet hun wegbereider?
Het is mooi dat ik de tijd nog heb om de heilige dingen te bepeinzen, dacht ik. Ik keek naar de oeroude geode op de vensterbank: net een kleine wereldbol, ondoorgrondelijk ontstaan, ondoorgrondelijk volgroeid, ondoorgrondelijk van zin en nut; maar mooi en bijzonder in haar existentie. Huist dan niet in alles het ondoorgrondelijke mysterie? En is niet alles wat bestaat aangewezen op een ondoorgrondelijke lotsbestemming, die alleen door een alwetende God gekend kan zijn?
~
Onze God is ons majesteitelijke mysterie. Maar dat is ook het kindje dat vrede brengt. Dat zijn ook de mensen in het witte herenhuis met de lila ornamentjes. En de prinsenkinderen van Oranje met hun niet adellijke moeders. Alle kinderen zijn van adel, bedacht ik gedecideerd. Het is ondenkbaar dat God het zo niet heeft bedoeld. Koningskinderen worden elke dag geboren, steeds weer en overal. Brengt niet elk kind een nieuw begin, nieuwe vrede en nieuwe adel? Elk kind is toch een kind van God? Was Jezus niet als kwetsbaar schepseltje op aarde gekomen om juist het kind hoog naar God op te tillen? Jezus, het jodenjongetje van Betlehem en Nazaret, het volkskind dat van de hoogste adel was: Vredevorst! Zoon van God!
~
De winterzon brak door. Het regende niet meer. De mannetjes in de regenpakken waren van het straattoneel verdwenen. De verkeerslichten bij het kruispunt leidden nog altijd het mobiele volkje veilig links en rechts, en rechtdoor, richting ieders bestemming. Ik keek ernaar--.
Toen zag ik iemand langs mijn venster gaan. Kreeg ik bezoek? De deurbel klingelde verheugd! en mét de bezoeker trad in hoogst eigen persoon de lieve vrede mijn woning binnen. Hij nam zijn hoed af, boog licht en sprak de shalom uit in zijn groet. O dit was waarlijk een uur van genade gemaakt! En de vrede nam plaats in de grote stoel, vertelde bij een kopje verkwikkende thee hoe iedereen de vrede recht uit het hart kon bereiken...
~
Later op die lichte winterdag zou ik mijn vredessprookje gaan brengen naar het jongstgeboren kindje in het huis aan de overkant. En ook Maria, mijn vriendin, kreeg haar visite.
~
~
Die ene loot van Jesse’s stam
zal kiemen en ontspringen, bloeien
haar bladeren zingen in de wind
een stem wil in het ruisen klinken:
~
Druk jouw gezicht in mijn gezicht[1]
vlecht je armen in mijn armen
strengel je vingren in mijn vingren
beweeg jouw voeten in mijn voeten
~
Glans jouw ogen in mijn ogen
klop je harte in mijn harte
plant je leven in mijn leven
groei jouw wezen in mijn wezen
~
Ga voort in mij en doe mij gaan
geef Geest aan mij en doe mij geven
spreek in mij en doe mij spreken
lief in mij en doe mij lieven
~
Ik ben Die ben doe jij mij zijn
ik vrouw geboren doe mij jou baren
Ik ben Die ben doe jij mij staan
ik vrouw geboren doe mij jou doen
~
Die ene loot van Jesse’s stam
zal groeien, bloeien, zijn en gaan
die ene loot van Jesse’s stam
zal dragen duizendvoudig vrucht.
~
~
O kindje klein, zo nieuw geboren,
niet wetend van het grote leed,
van de zorgen om het leven,
van de mens met hartenpijn.
~
O kindje klein, zo pril geboren,
jij ziel van God nog ongerept,
vreugdebrenger in ons midden,
wonder dat te slapen ligt.
~
O kindje klein, bij ons geboren,
teerbemind en zacht gestreeld,
lieve zorgendroom van moeder,
kleine man aan vaders hand.
~
O kindje klein, van God geboren,
heilig mag jouw toekomst zijn,
opstaan mag je in Gods mooiheid,
jij die uitverkoren bent.
~
O kindje klein, slaap zacht en rust nu
want de wereld wacht op jou,
huil niet, lach, groei op in voorspoed
om tot heil en vreugd’ te zijn.
~
met
Kerstmis
~
Wie Kerstmis viert, draagt een vreugde in zich. Wie Kerstmis viert, verwacht véél. Hij vertrouwt erop dat het goede zal komen, zal dóórbreken in de wereld ver weg en rondom. Wie Kerstmis viert, is verheugd, want hij viert een nieuwe geboorte van Godswege: een nieuw mensje brengt nieuwheid uit de hemel, uit de heilige windstreken van God. Kind van vrede?
~
Ja, de mens die Kerstmis viert, hoopt op nieuwheid uit de hemel. De aarde donkert, hij verlangt naar licht. Hij wil zien waar hij gaat, hij wil de weg kunnen vinden op zijn cruciale tocht door het leven. En het is waar, ook zijn gemoed is donker. Hij verlangt, behalve naar licht, naar geurige frisheid, naar opbeurend gezang met heilige woorden van de hoge hemel die nog zijn hoop is. En de gelovige mens heeft zijn betere verwachtingen verlegd naar de hemel, hij heeft zinnebeeldig de aarde verlaten, hij vindt er maar droefenis, onrecht, onvrede, hij vindt er geen werkelijk schoon perspectief. En deze mens zoekt in zijn diepe duisternis naar het kind van God, de vreugdebrenger, de vredesbode bij uitstek; de hoogste lichtval, de mooiste nieuwheid. Hij zoekt en vindt …
~
De mensen maken hun kerststallen op met stro en kribbe, en met nog meer vriendelijke toebehoren. En alles wordt klaargezet in alle liefelijkheid: het vredeskind van God kan komen. Nú zijn hemel en aarde verenigd: engelen en herders, rijken en armen, boeren en notabelen, koningen en zwerversvolk: allen zijn op weg gegaan en komen nu bijeen bij de stal. En ze zingen en prijzen het kind, het nieuwe koningskind uit Gods hemel …
~
Wat doen we met Kerstmis te vieren? Wat zoeken we werkelijk bij die kribbe met stro? Wat willen we werkelijk van het tedere kind van God? Waarom zingen we van vrede en rechtvaardigheid, van de komst van de vredevorst? En hebben we niet in de koude advent gezongen: Dauwt hemelen en regent de Gerechte? Wat willen we dan bereiken?
Terwijl we naar het nieuwe kindje kijken, bezien we een mooi stenen popje met een ernstige glimlach. De handjes geopend van: kom! En we smelten. Ons hart wordt vol aangeraakt. Daar ligt het vredeskind van God. Onze vredevorst is waarlijk geboren. De vrede kan nu in de wereld komen. De vrede kan nu in de wereld komen ....
~
Wat gebeurt hier in deze nacht? We zien toch maar een kleine pop die onze verbeelding aanwakkert! Maar nee, we zien in dit heilige uur geen pop, we zien het pasgeboren Jezuskind! En we zien moeder Maria en vader Jozef, de herders en de schapen, de koningen en de kamelen; en ook nog de os en de ezel. Alles is mooi, alles is teder en lief. Maar waartoe díént dit gebeeldhouwde tafereel? Wat is de diepere bedoeling van het vreugdefeest dat Kerstmis is? Hoe gaan we om met dat pasgeboren vredeskind? Hoe verstaan we de geboorte van de Vredevorst? Hoe verstaan we de missie van zijn komst naar de aarde? In hoeverre heeft dit kind invloed op onze menslievendheid, onze vrede?
~
In de tederheid, de broosheid van het kerstkind ligt de broosheid verankerd van alle mensen, van grote en kleine mensen, van rijke en arme mensen, van goede en slechte mensen. Want ieder van ons is ooit in alle broosheid en puurheid geboren. Ieder van ons is een identiteit, eerst in ons kindschap, dan als opgroeiend, als wordend individu met ons eigen unieke innerlijk. Niemand kan regelrecht de andere mens ‘lezen’; je kunt probéren de ander te leren kennen, te ontdekken; je kunt wetenschappelijk andermans aard, karakter, proberen te ontcijferen, daarbij wel bedenkend dat iedere mens leeft vanuit hetgeen hem werd meegegeven, en vanuit hetgeen aan hem is geschied. Want dat heeft hem gevormd, heeft hem doen worden die hij is.
~
Het is de mens zonder inzicht die luidop kwaadspreekt, die oordeelt, die de medemens verguisd om zijn anderszijn. Omdat de mens zonder inzicht niet weet, niet herkent, niet inleeft, zich niet kan indenken. Hij kan het niet, hij is niet bij machte de ander te verstaan omdat hij de andere mens niet gewend is; die andere mens is te anders, hij leeft te anders. Hij kan simpelweg niet goedkeuren dat die andere mens anders dan híj is. Hij kan hem derhalve enkel misprijzen. In zijn persoonlijke stramien komt de kleur, de vorm, de eigenheid van die andere mens niet voor. Hij herkent hem dus niet. En de ene mens probeert de andere mens aan banden te leggen; hij zal hem oordelen, beoordelen, veroordelen. En opnieuw is een stap in de goede richting naar de o zo begeerde vrede tussen mensen gemist. En zoals het in het kleine geschiedt, zó geschiedt het in het grote.
~
Het kind van Gods vrede wordt geboren, elk jaar weer. Deze kleine kwetsbare spoort ons aan tot ommekeer. Deze tedere onschuld verdedigt simpelweg door er te zijn de heilige vrede die mensen moet samenbrengen, die mensen moet doen samenleven in onderlinge harmonie.
Maar het kerstkind komt ook om ons, de mensen, te wijzen op de broosheid, de breekbaarheid van het aardse bestaan. Het kind vertelt ons niet dat er geen leed meer zal zijn, het komt ons geen sprookjesboodschap brengen die in het leven gewoon niet kan worden waargemaakt. Het kind komt wel van de hemel gezonden om te verwijzen naar het hogere begrip tussen ons, de mensen onderling. Het kind laat zich in zijn kwetsbaarheid zien, juist om de mensheid aan te geven dat ze fragiel is zoals hij, het kind. En met hem élk mensenkind, elk schepsel van de wereld.
~
De boodschap van Kerstmis is de goede boodschap van vrede en gerechtigheid, en dus van medemenselijkheid en mededogen, van gelijke rechten en gelijkwaardigheid, van nieuwheid en verzoening, van telkens weer op te mogen staan, van wakker mogen worden, van groeien en bloeien ten bate van zichzelf, van elkaar en van het kind. Het kind dat nooit mag worden beschadigd, dat te allen tijde moet worden geëerd; dat eren gaat niet gepaard met wankelmoedigheid of zwakte, maar met waarachtige eerbied en diepe nadenkendheid. Want is het niet het kind dat straks de wereld draagt? Is het niet het kind dat onze erfgenaam zal zijn, dat ons enige, heilige erfgoed gaat beheren? En wat hebben wij mensen het kind bij ons verscheiden als hoogste erfenis dan te offreren?
Dat is de goede aarde met het beste van God, optimaal verzorgd door ons, zijn mensen. De wereld zal goed zijn, heilig en volmaakt, zo moet het worden volgens het evangelieverhaal. Geen schande van oorlog en geweld, van moord en doodslag, van roof en macht, van hebzucht en onrecht, van onmin en lastering, mag de wereld tekenen, maar wel de schoonheid van alle leven tussen hemel en aarde; wel de mooie mensenliefde voor elkaar en voor de hele wereld, een liefde die van God is uitgedacht.
~
Het is een zeer hoog streven voor de negatief beïnvloedbare mensheid, maar haalbaar. Als mensen maar durven omkeren, maar beginnen met in hun eigen hart te schouwen; als mensen maar hun eigen denkwereld zullen toetsen, hun eigen handelwijze. Als mensen maar beginnen met hun zelfverbetering. Dan zal de vrede niet bij dat ene heerlijke uur in de kerstnacht hoeven blijven steken, maar gestadig bewaarheid worden. Dan draagt de mensheid uiteindelijk de ware vreugde met zich mee; zo’n vreugde en vrede waarop elk mensenkind zijn veilige toekomst kan bouwen. Dan wordt Kerstmis ons tot heerlijk ijkpunt; dan staat de herinnering aan de geboorte van het godskind in ons hart gebeiteld als een heilige hoeksteen, een vast draagvlak van God en zijn mensen. Dan wordt Kerstmis messiaans gevierd, goudeerlijk. Dan bouwt men Gods wereld daadwerkelijk op, want iedereen zal zijn: kind van Gods vrede. Zalig Kerstfeest.
Ine Verhoeven
![]()