PASTORAALTJES

 

 Zo is het, mijnheer!

Ik hoor bij het warenhuis een stem: ‘Mijnheer, u kunt beter uw fiets op slot zetten. Het is zo’n mooie fiets, mijnheer.’

Ik zie een duidelijke zwerver met bonte muts, opzij van de ingang een shagje rokend en een bundeltje papieren vasthoudend. Ik merk dat ik inderdaad mijn fiets niet heb afgesloten.  ‘Dank je wel,’ zeg ik en geef hem wat kleingeld uit mijn jaszak.

‘Dank u, mijnheer’, zegt de man terug, ‘dan is dit voor u.’ Hij geeft me een klein boekje, getiteld: Wegwerppoëzie.

’Het zijn eigen gedichten, mijnheer. Ik ben op weg dichter te worden. Zo is het, mijnheer!’

‘Ik zal het graag inkijken’, zeg ik.

‘Dat is goed, mijnheer.’

Ik ga V&D binnen, glimlachend om het correcte ‘mijnheer’: daklozen hebben zo hun eigen tactiek om de mens te vermurwen.

Thuis lees ik de gedichtjes van de man Berd Ebbo Visser geheten. Er staan gedachten in als:

- Geen geld, geen opleiding, geen uitkering, geen werk, geen probleem: ik dicht.

- Ik droom de dingen op mijn pad en suggereer het leven.

- Langs alles kwam ik bij niets meer uit dan God, ik groette vriendelijk en kwam weer terug              langs alles.

- Ik sta hier, maar ben daar, hier sta ik als inkijkexemplaar.

~

Bert Ebbo Visser beschrijft zichzelf als inkijkexemplaar. Inderdaad: voor velen is zo’n zwerver vaak niet meer dan een inkijkexemplaar, wellicht zelfs een wegwerpmens zonder poëzie.

Berd Ebbo Visser karakteriseert zichzelf met de woorden: ‘Hap slik weg – de dikste blijft aan het woord – de kleinste verzwakt – gaat te langzaam dood – terwijl zijn ouders vrolijk blijven fluiten.

Dat is de paradox van onze samenleving: velen kleinsten sterven verzwakt een te langzame dood, terwijl de gegoeden in de ‘dikke’ wereld vrolijk verder fluiten. Zo is het, mijnheer!

 

Frans Boddeke, januari 2007

  

 

De preek haalt niet veel uit

Na de eucharistieviering in de Boskapelse kerk sta ik even te kijken bij het eenvoudige boekenstalletje als een zuster me om 2 euro vraagt: ''Ik zou graag dit boekje over het kloosterleven kopen, maar ik heb geen geld bij me. Kan ik het van u lenen? Ik doe het geld straks wel terug in uw brievenbus.''

Naast ons komt ineens een vrouw staan met grijze, kortgeknipte haren. De zuster groet haar vriendelijk en gaat weg. De vrouw met het warrige kapseltje groet haar eveneens, kijkt haar na tot ze uit de buurt is en zegt met toornige stem: ''Dat is een non in burgerkleding. Dat doet maar. Een prostituee komt eerder in de hemel dan zij. Dat heeft de armoede beloofd. Net als de paters hier. Die hebben allemaal een mooi huisje in het bos en ik woon maar in een flatje. Leve de gelofte van eeuwige armoede.”

Ik kijk haar aan en zeg wat in me opkomt: ''De meeste kloosterlingen hebben hun geloften in een vlaag van lichtelijke waanzin afgelegd, moet u maar denken. Ze wisten toen niet wat ze beloofden.” Ze kijkt me met vinnige ogen aan en vervolgt haar boosheid: ''Die preek van die burgerman zei me ook niets. Dat doden niet mag, weet ik al mijn leven lang. Dat leerden we al op school van de pastoor. Had hij beter tegen mijn ex kunnen zeggen. Ik ben tegen pastorale werkers. Er zijn priesters genoeg die niks willen doen op zondag. Jan en alleman staat tegenwoordig maar op het altaar.''

Dat kan ik als toeziend priester in mijn zak steken. Ik bedenk maar als troost dat zelfs een góéde preek niets uithaalt, althans bij sommigen, althans bij haar.

Toch zie ik haar even later in de zaal geamuseerd koffiedrinken met dezelfde pastoraal werker. Ook híj kijkt vergenoegd. Blijkbaar heeft ze hem geprezen. Om zijn preek.

Mundus vult decipi, ergo decipiatur, zei paus Paulus IV ooit. De wereld wil bedrogen worden, dus wordt zij bedrogen.

Thuis lees ik nogmaals de woorden uit de viering. Het zijn woorden van de heilige Augustinus: ''Bemin nooit de fouten van een persoon, maar wel de persoon zelf.

Want God heeft de mens gemaakt, maar de fouten worden door de mens gemaakt.

Bemin de mens door God gemaakt, niet de fouten door de mens gemaakt.

Bemint gij de mens, dan zult gij hem ook bevrijden van zijn fouten.''

Aan beminnen kwam ook ik vandaag niet erg toe.

Frans Boddeke

 

 

Ik beteken niets

Het gedachtenisprentje vermeldt dat 'onze lieve en goede vrouw en moeder onverwacht van ons is heengegaan'.

Ja, lief en goed was ze zeker geweest. Maar we hadden ook ervaren dat ze de laatste jaren uitsluitend met zichzelf bezig was geweest. Voor ons was ze dan ook niet zo erg onverwacht heengegaan. We hadden voor een geplande uitstap gevreesd.

Ik kende haar al vanaf haar jeugd. Een jonge vrouw met veel psychische moeilijkheden, levend in een gezin dat geen warmte doorgaf, dat geen affectiviteit kende. Zelf kwam ze heel intelligent over maar zonder veel spontaniteit. Haar huwelijk had daarom iets riskants, had veel van een vlucht. Ze wilde geen kinderen, maar omwille van hem plande ze er een: 'Ik weet precies wanneer hij ontstaan is.'  De opvoeding kon ze niet aan. Ze had te veel trauma's opgelopen. Ze wilde het beter doen dan haar ouders, maar ze viel in precies dezelfde fouten. Ze plande het huishouden, maar veel van wat ze deed, viel verkeerd.

Lang bracht haar man het op om met haar mee te denken en met haar op te trekken. Maar op de duur kon hij geen begrip meer opbrengen. Hij trok zich terug in rookwolken, zittend met de fles, zappend bij de televisie. In mij had ze lang vertrouwen. We voerden vele gesprekken. Maar ook ik stelde haar uiteindelijk teleur, evenals iedere dokters die ze raadpleegde, en dat waren er veel.

Tijdens de oplopende impasse werd het gezin de zondebok: ‘Ik heb het altijd gedaan. Ik doe álles. Zij doen nooit iets terug. Ik beteken niets. Voor niemand. Ik deug nergens voor.'  Ze ging aan de drank, rookte tegen de klippen op en lag meestal op bed. De toch al schaarse lach verdween helemaal. Haar gezichtsuitdrukking raakte uitgehold, leeg. Het dode punt werd bereikt.

Ze loste het zelf op.

Frans Boddeke

 

Het einde

Vijfenveertig jaar waren ze al samen. Alle lief en leed hadden ze samen gedeeld, vooral het leed van geen kinderen te mogen krijgen. Ze hadden samen een hechte relatie opgebouwd. Ze waren graag geziene buren en kennissen.

Vijfenveertig jaar ging het goed naar lichaam en geest. 'Wij hebben het eeuwige leven', zei hij opgewekt tegen ieder het horen wilde. 'God is ons goedgezind. Dat is mooi meegenomen. Toch?'

Maar ook zij bleven uiteindelijk niet gespaard. Maar het verval en de ontluistering klopten wel ineens heel nadrukkelijk op de huiselijke deur.

In zeer korte tijd trad de dementie binnen in haar geest. Toegewijd verzorgde hij haar, dag en nacht, vierentwintig uur lang. Eindeloos beantwoordde hij de vraag die ze net gesteld had, eindeloos liep ze hetzelfde rondje om de tafel dat ze net gelopen had, eindeloos sjokte ze naar de keuken om de afwas te doen, die er niet was. Het drama was niet te keren. En zo gebeurde het dat ze in het verpleeghuis werd opgenomen 'bij de erge gevallen'.

Dagelijks bezocht hij haar in het tehuis, meestal een kleinigheid voor haar meenemend. Maar tot zijn ontsteltenis herkende ze hem niet meer. 'Maak dat je wegkomt. Blijf met je gore poten van mijn lijf af', schreeuwde ze door de zaal, als hij haar een kus wilde geven. Niemand in de zaal keek bij zo'n uithaal op, iedereen ging gewoon verder met wat hijzelf aan zinloosheid aan het doen was. Het negatieve heeft ook iets positiefs.

De beproeving werd nog erger. Ze werd stapelverliefd op een andere demente man van de afdeling. Heel de dag door zat ze hand in hand met die vreemde snuiter. Machteloos keek hij toe. Heer ontferm u over ons, bad hij dan maar zachtjes. Het grote hoge kruisbeeld aan de wand keek met hem mee naar haar.

Frans Boddeke

 

Tante Jobje

Als mijn disgenote in het restaurant van het Radboudziekenhuis vertelt dat ze die ochtend tot half zes heeft doorgewerkt  aan haar nieuwe boek, komt tante Jobje binnen. Tante Jobje is een regelmatige gast. Ze is vrij klein en gezet, ze is vrij slordig gekleed en ze is altijd alleen. Over haar zou ook een wel boek te schrijven zijn. Zoals gewoonlijk draagt ze twee plateaus met warm eten en met liefst drie glazen water tegelijk. Tante Jobje zet alles neer op een eenzaam tafeltje in de achterste rij van het restaurant, ter dekking van zichzelf. Daarna sjokt ze opnieuw naar de maaltijdvoorziening om even later terug te komen met een dérde bord eten. Ze begint nu twee maaltijden achter elkaar te verorberen. Ondertussen kijkt ze rond, over haar brillenglazen heen, om te zien op welk moment ze onopgemerkt het derde bord eten in de pan kan doen, die geopend in de verschoten tas naast haar staat. Is de manoeuvre geslaagd, zit het deksel op de pan en is de tas weer gesloten, dan staat ze op en haalt twee koppen koffie tegelijk. Koffie en thee zijn gratis in de mensa. Ze drinkt er gulzig van. Alles gaat erin. Ze heeft alle tijd van de wereld. Af en toe kijkt ze in Spits, het gratis ochtendblad van het station.

Naast ons verblijven twee welgestelden op leeftijd. Ze dragen duurzame kleding van merk en stijl, alles in warme, chique tinten zoals diepblauw en warmrood; en ook nog mosgroen lederen schoeisel. Ze lossen al etend en discreet steggelend een cryptogram op. Eén woord wil maar niet lukken. Eerst tijdens het toetje verzucht de man: het woord is anonymus.

Een treffender woord is in deze situatie niet denkbaar. Anonymus. De vreemde eenden in de bijt van deze mensa kennen elkaar doorgaans niet. Daarbij is vooral tante Jobje een cryptische figuur, die alleen, onbekend en wellicht onbemind door het leven gaat; die zich als etende eenling in dit restaurant in ieder geval door niemand laat kennen. Ze is zo'n icoon van een zonderling: een ware anonymus temidden van honderden, vooral jongere mensen.

Terug bij de auto bemerken we, dat er een onvriendelijke parkeerbon achter de linkerruitenwisser zit. Een parkeerbon in de parkeergarage van het ziekenhuis op zondagmiddag? Ook de parkeerwachter is verdwenen. Nóg een anonymus.

Frans Boddeke

 

Over Barmhartigheid

De eerste automobilist ziet dat er een auto tegen een boom is gereden

en zegt: ‘Als ik stop mis ik mijn belangrijke afspraak. Dat mag niet.’

De tweede ziet dat er een auto tegen een boom is gereden

en zegt: ‘Als ik uitstap, krijg ik allerlei narigheid. Ik zie liever niets.’

De derde ziet dat er een auto tegen een boom is gereden

en zegt: ‘Het zal wel weer zo’n stomme hardrijder zijn. Eigen schuld.‘

De vierde ziet dat er een auto tegen een boom is gereden

en zegt: ‘Tja, zeker weer een met te veel alcohol op.’

De vijfde ziet dat er een auto tegen een boom is gereden,

hij stopt, helpt de ernstig gewonde, belt de ambulance en wacht.

Zodoende mist hij een belangrijke vergadering, derft hij inkomsten,

moet hij getuigen en verliest tijd aan bezoeken in het ziekenhuis.

In de Bijbel vraagt Jezus - zie het evangelie van Lucas 10 - :

‘Wie van deze mensen is de naaste geworden van het slachtoffer?’

‘De man die medelijden met hem heeft betoond.’

‘Doe dan voortaan net zo! ‘

Frans Boddeke

 

Geloven in leven

'Geloof je in leven na de dood?' vraag ik tijdens de afscheidsreceptie aan Mirjam. 'Nee hoor', zegt ze, vrolijk van de sherry nippend. 'Ben je mal, dat kan toch helemaal niet, leven na de dood! Zag je ooit iemand terug?' Mirjam is een trouwe kerkbezoekster.

'Geloof je in leven na de dood?' vraag ik aan Jan. Jan gelooft wel, maar doet er verder niets aan. 'Natuurlijk geloof ik daarin. Er móét wel iets zijn. Het wil er bij mij niet in, dat de dood het einde is. En Maria is toch ook in Lourdes verschenen?'

'Geloof je in leven na de dood?' vraag ik aan Tom, die als missionaris in Brazilië werkt. 'In Brazilië zoeken we allereerst naar leven vóór de dood. We praten over hoe leven op dít moment verwerkelijkt kan worden. Dood is er genoeg. God moet allereerst hier en nu tot leven gebracht worden.'

'Geloof je in leven na de dood?' vraag ik aan Ans. Ans heeft pas geleden een kind verloren. 'Ik weet zeker dat ons Monique aan gene zijde op me wacht. Ik verheug me erop haar later terug te zien.'

'Geloof je in leven na de dood?' vraag ik aan mezelf. Ik loop op het kerkhof. Geloof ik in wat ik zojuist verkondigd heb: dat de doden in God leven? Het evangelie bemoedigt me met zijn wijze gedachten. Één van die wijze gedachten is dat God liefde is en dat daarom iedere mens in Gods algoede liefde wordt opgenomen.

Frans Boddeke

 

Tien euro!

Het is zondagmorgen acht uur. Ik maak een ommetje door het centrum van de kleine stad. Bij het busstationnetje nadert snel sloffend een zwerver. Hij is gekleed in een gescheurd lang regenpak. Hij gluurt in de verschillende vuilnisbakken, en bekijkt ze een voor een met vakmansoog. Kijk, daar ligt een weggegooide boterham. Hij pakt en eet goedkeurend. Het ontbijt van vanochtend is redelijk geregeld.

Uit een zijstraat komt een zwerfster met rode muts op. Ook zij inspecteert dezelfde bakken. Een vergeefse manoeuvre, weet ik. De ander is haar voor geweest. Ze ziet mij en vraagt of ik niet een kleinigheidje voor haar heb. Ik geef haar een euro. Snel loopt ze weg, een andere zijstraat inslaand.

Er is dus concurrentie in stadsloperskringen. Zo zal het iedere dag wel gaan bij regen of zonneschijn: elkaar aftroeven, en niks delen van wat men buit heeft gemaakt. Ieder moet geheel alleen de dag overleven. Daarbij gaan vrouwen en kinderen niet voor.

Ik loop terug naar het klooster. Ik bedenk dat ik niets tekortkom aan eten, kleding en bewoning. Ik heb hartelijke confraters. Over een uurtje zal ik vanaf de ambo het woord Gods verkondigen aan allemaal nette mensen. Ik neem mijn preek door. Ik zal onder andere dít zeggen:

'Jezus was een mens vol mededogen. Hij nam het op voor de mens in moeilijkheden. Voor de vrouw. Voor het kind, Voor de verlatene. Voor de vreemde. Voor de vluchteling.’ Voor de zwerver: schrijf ik erbij aan de kant. ‘Jezus was allereerst pastor. Hij was geen officier van justitie, hij was geen rechter, hij was allereerst advocaat, voorspreker. Hij was niet de man van het vingertje. Hij gaf een weg aan. Een weg ten leven. Met de liefde als hoogste doel. De liefde tussen God en de mens, de liefde tussen mensen onderling. Hij zegt: ‘Heb lief en je zult leven.’

Het zijn mooie woorden. Woorden die - zo besef ik weer eens - concreet vertaald behoren te worden. Je moet ze praktiseren. Daarom was de ontmoeting met de zwerfster van zojuist een extra prikkel. Jezus navolgen, Jezus durven navolgen. Buiten je eigen kleine kringetje durven kijken en handelen. 

Misschien had ik de zwerfster niet minder dan tien euro moeten geven.

Frans Boddeke

 

Niemand

Hij zit in een portiek op zijn hurken. Boven hem geeft een klok de tijd aan: zeven uur in de ochtend. De temperatuur is acht graden. Rechts van de man staat een bierblikje. De morgen begint al of niet gezegend met een prosit, al is er niemand om mee te klinken.De handen van de man spelen een spel. Van de ene hand worden muntjes gebracht naar de andere hand, en dan weer omgekeerd. Hij staart naar een onbestendig punt op de grond. Waar denkt hij aan? Denkt hij eigenlijk wel? Twee uur later zit hij nog altijd zoals hij zat om acht uur. Nog altijd spelen zijn handen het muntjesspel. Nog altijd staart hij naar hetzelfde punt. Alleen de tijd en het bierblikje zijn verschoven. Tijd is bier geworden.Wat voor leven leidt hij? Is zijn leven in een patstelling gekomen? Of is de grens van het leven al bereikt? Zijn leven lijkt althans even leeg als het bierblikje. Het enige dat beweegt, zijn de handen.Niemand zal vandaag met hem spreken. Niemand zal hem vandaag beminnen. Hij is niemand. Ook voor mij is hij niemand. Ik passeer hem rakelings, maar zeg niets.  Binnenkort zal vermoedelijk de tijd voor hem stilstaan. Niemand zal om hem huilen. De begrafenisondernemer zal dan onbestemd in de verte staren. Want veel eer is er voor hem als vakman-in-doden niet te behalen bij zo’n armeluisvertoning. Kostbare tijd gaat gewoonweg verloren.Sommige mensen gaan eerder naar de bliksem dan naar de hemel.

Frans Boddeke

 

De reiziger in bed gestrand

De post brengt weinig vrolijk nieuws: een blauwe belastingbrief en een grijze rouwannonce. Van Harrie, bij wiens sterven ik als pastor in deze dagen aanwezig had mogen zijn. De belastinginspecteur gaat akkoord met tijdelijk uitstel. Van de dood kun je dat niet zeggen: die kent geen tijdelijk uitstel.

Harrie ken ik al vele jaren. Elf jaar geleden hebben we zijn vrouw ten grave gedragen. Over haar dood is hij nooit helemaal heen gekomen. Regelmatig was zij in het gesprek aanwezig, en zeker deze laatste weken die hij in het ziekenhuis had moeten doorbrengen.         

Een van de gesprekken aan zijn ziekenhuisbed is mij nadrukkelijk bijgebleven. Zijn liefste wens was, zo vertrouwde hij me toe, om nog eenmaal in de trein te mogen zitten: ‘Reizen, reizen, aan het raampje zitten, niets doen, naar buiten kijken, het landschap met de koeien in me opnemen, wat was dat mooi. Van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat zat ik de trein. Zou dat ooit nog eens terugkomen? Ik reisde altijd eerste klas. Ik vond me dat aan Annie verplicht. De trein en ik, we konden het goed vinden samen.’

Maar de reiziger is in bed gestrand. Waar zou deze eenvoudige mens nú zijn? Heel zijn leven heeft hij het rechte spoor gevolgd. Nu is hij vanaf het ziekenhuisperron in de hemeltrein van Gods openbaar vervoer gestapt. Voor zijn laatste eersteklasreis. En wij zwaaien hem na. Zie: hij wordt in een wel wat erg lange tunnel opgenomen. Zie: de lichtjes verdwijnen helemaal en allemaal. 

Frans Boddeke

 

Méér dan een heerlijke bloem

Vele weken lang zaten de vier dochters aan het uitzichtloze ziekbed van hun moeder. Deze lag in diepe coma op de zevende verdie­ping van het ziekenhuis. Het grote raam van haar kamer bood een prachtig uitzicht op de bloemenrijke tuin beneden: er werd veel naar gekeken tijdens het waken. De vier dochters kusten hun moeder, legden haar goed, kamden haar haren, en praatten sereen tot haar.

Zittend aan haar bed vertelden ze me haar leven. Hoe gelukkig ze altijd met Pa was geweest, hoe een lieve moeder en gezelli­ge oma ze was. Ze kleurden dit grondgegeven in met allerlei concrete details. Vaak lachten we hartelijk bij het ophalen van deze herinneringen. Geen betere moeder en oma was denk­baar.

De verkondiging zou niet moeilijk zijn op de dag van het afscheid. Maar die dag kwam niet. De dood onttrok zich aan ieder uitzicht. Het werd haar niet gegund om de bloemenrijke tuin van het paradijs te bewandelen.

Euthanasie kwam ter sprake. Dat euthanasie zou mogen, daar had geen van hen enige moeite mee. Ieder zag het zo lange tijd in coma moeten liggen als een armoedig slot van een rijk leven. Zij zou dit einde ook zelf nooit zo gewenst hebben. We bepraatten de mogelijkheid. Euthanasie doet geen af­breuk aan God als gever en terugnemer van het leven, vonden we. Er is in wezen niets op tegen om het leven zo menselijk en menswaardig moge­lijk te voltooien. Maar iets weerhoudt de mens. Wellicht juist de eerbied voor het leven. Het was toch nog altijd een lief levend lichaam dat we in ons midden hadden. Wie zou trouwens euthanasie durven toepassen? De dochters? Ze moesten er niet aan den­ken. 'Het zou ons altijd bij blij­ven.' En de dokter? De dokter ontweek de discussie met zijn woorden: 'Ze heeft geen pijn en dat hoeft ook niet. Ik hoop voor jullie dat het snel voorbij is.'

Was het inderdaad een armoedig slot van een rijk bestaan? Neen, heel zeker niet. Tijdens haar ziekte werd ze barmhartig en teder gekoesterd, als het ware nog méér dan tijdens haar leven. De vier dochters deelden met elkaar lief en leed, ze bespraken goed en kwaad, ze kwamen juist door hun moeder de onderlinge oppervlakkigheid te boven, ze kwamen dichter bij elkaar en bij alle pijn en onvermogen hielden ze hun moeder liefdevol in leven. De bloem, die zij was, werd tot het laatst gekoesterd.

Nee, het was geen verloren tijd. 'We hebben eerbied voor iedere bloem', zei een van de dochters, naar beneden in de tuin kij­kend, 'mijn moeder is méér dan een heerlijke bloem. We doen dus niets anders dan van haar houden.'

Frans Boddeke

 

Over vissen

In de visspeciaalzaak Baarssen is het lang wachten. Velen willen vis: de een: zes haringen, de ander: zeven ons zalm, en ik graag een pond kibbeling, en ik vier lekkerbekjes, waarop de verkoopster met een pet op uit Urk zegt: ‘u bedoelt zeker kabelauwfilet?’ Ik hoor de afrekening en denk: de vis wordt duur betaald.

Een jonge student maakt vrolijk fluitend haringen schoon met een vlijmscherp mes. Ik word er niet bedroefd van, maar denk wel: zo, eergisteren zwommen jullie nog gezellig rond en vandaag worden jullie panklaar gemaakt, en verdwijnen jullie in ‘s mensen buik. Misschien een hele eer, maar is dat het doel van het vissenleven? Al wachtende bedenk ik: er zwemmen prachtige visjes in het aquarium, vissen zijn lekker voedsel, en er zijn monsters van vissen die als een soort tegenwraak graag aan mensen knabbelen. En dan heb je nog de meest beroemde walvis, de vis die de profeet Jona opslokte. De nieuwe bijbelvertaling spreekt niet van walvis, maar van een grote vis. Vissen zijn in ieder geval volgens de bijbel de rijkdom van de zee.

In het Grieks betekent vis ichtys. De vijf letters van ichtys staan voor Iesous Christus, theou huios soter – Jezus Christus, Zoon Gods , Heiland. In de vroege kerk werd de vis een van de eerste christelijke symbolen – opmerkelijk genoeg was niet het kruis het symbool, maar de vis! De ichtys vinden we ook terug op de muren van de catacomben. Vis wordt nogal eens genoemd in de bijbel, bijvoorbeeld tijdens de maaltijd van Jezus met meer dan vijfduizend mensen: ‘Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen – maar wat hebben we daaraan voor zoveel mensen? … Jezus verdeelde het brood onder de mensen die er zaten, hij gaf hun ook vis, zoveel als ze wilden.’

Waarom koos Jezus eigenlijk voor vissers als apostelen, terwijl hij zelf het beroep van meubelmaker uitoefende?

De student biedt mij een haring met uitjes aan: tegen het lange wachten. Ik houd haar boven mijn mond. Als dierenvriend zou ik me moeten schamen, maar lekker is ze wel.

Frans Boddeke

 

Over Kevelaer

Kevelaers heiligdom is bijzonder klein: het bevat slechts een oppervlakte van enige vierkante meters. Om het heiligdom heen staan - laten we zeggen op de grondoppervlakte van een voetbalveld - liefst vier kerken: de grote kerk met de Sacramentskapel, de kaarsenkerk, de processiekapel, de oosterse kapel. Aan vroomheid dus geen gebrek. Even buiten het centrum, tegenover het postkantoortje, ligt ook nog de parochiekerk, eenzaam en alleen in de devotionele beweging, een mariaal stiefkindje.

De Kevelaerse winkeliers zijn vrome mensen, alhoewel zij de euro ten zeerste liefhebben. Wie namelijk na de aanbevolen collecte nog euro’s overheeft, is deze spoedig kwijt in een van de talrijke winkels en Konditoreien. Van de andere kant mag je  - als je de weg weet - achter de grote kerk gratis parkeren!

De pannenkoek die me in een der Konditoreien wordt aangereikt, is van bosbessenmakelij. De gedienstige draagt tijdens het bedienen witte handschoenen. En naast mes en vork ligt een in plastic gehulde tandenborstel! Een witte slabber voor de smulpret maakt het servicepakket compleet. Mag stijl dan wat kosten?

Op deze dag in juni is Maria na de meimaanddevoties nog altijd ín. Er branden vele kaarsen op het verzamelplein en vele mensen zitten op de bankjes bij Maria te bidden. Ja. Maria is de Zoete Moeder van Kevelaer. Bij haar vinden veel mensen groter heil dan bij God en Jezus, zo lijkt het.

Maar het meest significante van dit mariale stadje is de vrede alom en de vriendelijke rust.

De grote boze wereld gaat aan Kevelaer voorbij. 

Frans Boddeke

Over bijbelse getallen

Op de Nijmeegse maandagmarkt kost een horloge € 5, een portemonnee € 7 en een broek € 10. ‘Alles voor een koopje voor Ollanders’, zegt een Turkse verkoopster tegen me. Een vrijmoedig aardig hoofddoekje!

Zonder getallen kunnen wij niet met elkaar omgaan. Getallen geven duidelijk aan wat mensen bedoelen. Maar in de bijbel hebben getallen nog een andere waarde dan de letterlijke, ze hebben tevens een religieuze betekenis.

Zo verwijst het getal een naar het hoogste in Israël: ‘Luister Israël: de HEER, onze God, de HEER is de Enige.’ Het begrip een geeft Gods eenheid en eigenheid weer.

Het getal twee symboliseert zowel contrast als aanvulling, eenheid en scheiding: Adam en Eva zijn samen en tevens alleen.

Het getal drie drukt het volmaakte uit, drie eenheden in eenheid. Geloof, hoop en liefde zijn verschillende deugden, maar roepen elkaar tegelijk op. De derde dag is bovendien de dag van de verrijzenis van Jezus.

Het getal vier wijst op de vier letters van de unieke naam van God: JHWH. En er zijn vier evangelies. En het nieuwe Jeruzalem van vrede en gerechtigheid is vierkant, even lang en breed.

Het getal vijf verbeeldt de beperking. Met het getal vijf bereikt bijvoorbeeld Paulus de mensen voor wie tongentaal (nog) onbereikbaar is: ’Om in de gemeenten te onderwijzen, gebruik ik liever een vijftal begrijpelijke woorden dan ontelbaar vele in klanktaal.’ En er zijn vijf dwaze en vijf wijze maagden.

Het getal zes verwijst naar de schepping in zes dagen, waarbij de mens Gods schepping op de zesde dag is. En Jezus identificeert zich met zes humane daden: honger stillen, dorst lessen, vreemdelingen opvangen, naakten kleden, zieken ondersteunen en gevangenen bezoeken.

Het getal zeven is het heilige getal. De zevende dag en het zevende jaar zijn heilig. Zevenmaal vergeven is iemand tot het uiterste vergeven. Alles wat we zevenmaal doen, heeft iets goddelijks.

Het getal acht: de achtste dag is de dag van de verrijzenis van de opgestane Christus. Op de achtste dag komen de leerlingen van Jezus na zijn lijden en opstanding bijeen en ontmoeten ze Hem. De besnijdenis van een joodse jongen vindt op de achtste dag plaats: een nieuw begin van verbond met de HEER.

Het getal negen is net nog geen tien, nog net niet het getal van het perfecte. Negen verwijst wel naar een nieuw begin, naar een nieuwe geboorte. Het is opvallend dat in bijbelboeken als Ezra, Daniel en Judith in het negende hoofdstuk een gebed staat. Is dat toeval of een bewuste keuze van de schrijvers?

Het getal tien is een zeer sacraal getal : tien is drie plus zeven, beide getallen van heiligheid. Er zijn de tien woorden van Mozes, de tien verzoekingen van Israël, de tien talenten, de tien maagden, de tien melaatsen. De tien machten kunnen de mens niet scheiden van Gods liefde. De synagogedienst kan alleen doorgaan als er minstens tien mannen aanwezig zijn.

Het getal elf  staat voor tekort. Na het wegvallen van Judas blijven er elf apostelen over: een tekort van een.

Het getal twaalf : er zijn twaalf stammen van Israël, er zijn twaalf apostelen, er blijven twaalf manden met brood over na de broodmaaltijd, er is een twaalfjarig meisje gestorven en ze staat op door Jezus en er is een vrouw die twaalf jaar aan bloedverlies lijdt en ze wordt door Jezus genezen, er is een vrouw met twaalf sterren op haar hoofd, er is de levensboom die twaalfmaal vrucht draagt. Twaalf is alles, twaalf is het geheel.

Het getal veertig is een theologisch getal, geen letterlijk getal. Israël is veertig jaren in de woestijn, zoals Jezus veertig dagen en nachten in de woestijn is. Het getal veertig wijst op een nieuwe tijd die komen gaat. Veertig wijst op een periode van bezinning, waarna een nieuwe fase van bevrijding ingaat.

Maar op de Nijmeegse maandagmarkt kun je deze bijbelse getallen niet verkopen.

Frans Boddeke

Literatuur: Symbolen in de bijbel van C.J. den Heyer en P. Schelling.  

Buitengewoon

Haar verhaal is, alhoewel het enkele amusante kanten telde, niet bepaald opgewekt. Het gaat over haar ex. Ze laat me zijn foto zien. Een harde, bitse kop. Maar zijn karakter blijkt nog tirannieker te zijn. 'Buitengewoon onaange­naam' merkt ze op.

Hij is nederlands-hervormd en zij katholiek. Tien jaar geleden zijn ze getrouwd. Waarom eigenlijk? 'Ik dacht: het zal wel meevallen. Hij veran­dert wel. Naïef van me. Buitengewoon naïef.'

En inderdaad: spoedig blijkt dat hij niet van plan is zich verder te hervormen. Bovendien heeft hij een uitgesproken hekel aan katholieken. Zo heeft hij de vaste gewoonte om het schilderij van Maria om te draaien. Als ze er iets van zegt, kletst hij: 'Ik houd niet van maagden.' Buiten­gewoon kuis.

Treiteren kan ie als geen ander. 's Avonds mag er maar een klein lichtje branden: 'Zie je niet goed, dan val je maar, dat is de beste leerschool.' Ook een stofzuiger is overbodige luxe: 'Mijn moeder hield het huis buiten­gewoon goed schoon met stoffer en blik en jij bent heus niet beter dan mijn mama.' In de winter smijt hij de kruik uit bed, als ze niet heet genoeg is. Maar de verwarming mag amper aan: 'Waar moet het geld vandaan komen? Jij zit maar heel de dag op je luie kont uit je neus te eten.' Snoep koopt hij graag, maar alleen voor zichzelf: 'Jij krijgt daar maar slechte tanden van.' Buitengewoon onsmake­lijk.

Het morgen-neem-ik-bloemen-voor-je-mee was haar, en zeker hem, onbekend. Ze is al onbestorven weduwe tijdens haar leven. Scheiding zit er dus dik in. Ze neemt een advocaat. En voor het eerst in tien jaar doet hij mee, zij het op buitengewone wijze. Hij gaat van kwaadheid zomaar ineens dood. Buitenge­woon meegeno­men.

Daarom belde ze vanochtend op. Of ik langs wilde komen. De familie vond dat er toch iets moest gebeuren. Een soort neutrale dienst in het crematorium. 'Nou ja, je kunt hem toch ook niet als een hond de grond instoppen, al was hij een pitbull.' Een buitengewoon nietszeggend requiem wordt het, derhalve.

Frans Boddeke