De olifant van bloemetjes

 

Het kleine verdriet en het miertje

Er was eens een grote, zielige olifant.

Tenminste, hij vond zichzelf zielig.

Hij huilde de hele dag, want hij dacht dat hij lelijk was omdat hij er zo groot en zo grijs uitzag.

Grote dikke tranen van verdriet rolden langs zijn wangen en drupten in het gras. Pats!

‘Wat nou toch?’ schrok een alleraardigst  miertje dat juist wat eten aan het vergaren was voor haar gezinnetje en nog net opzij kon springen, anders was de dikke druppel boven op haar bolletje terechtgekomen.

‘Wat is er met jou, grote olifant?’ vroeg zij.

‘Ach, ach,’ zuchtte de olifant, ‘ach, ach’ en huilde erbarmelijk verder.

‘Toe dan, wat is er?’ drong het miertje aan.

‘Ach, ach’, ik ben… ach, ik ben… zo grijs en zo… ach, ach, zo lélijk…!’

Verschrikt sprong het miertje opzij.

Een stortvloed van tranen kletterde naast haar neer.

‘Je moet niet zo huilen’, riep zij uit. ‘Ik verdrink nog!’

‘Oh, ach, neem me niet kwalijk, ach, ach, maar ik ben zo lélijk.

Alles is mooi, iedereen is mooi, maar ik… ik ben grijs, grauwgrijs!’, sipte hij nadrukkelijk.

‘Ach, dat komt omdat je een olifant bent, dat hoort toch zo!’ suste het miertje.  

‘Dat kan wel zijn, maar ik ben zielig.’

Hij legde zijn goedmoedige kop op zijn voorpoten neer en huilde verder.

‘Ssssst’, zei het miertje, ‘maar dat kun je wel veranderen!’

‘Veranderen? Hoe dan?’ de olifant snikte niet meer.

‘Laat maar aan mij over! Ik ga vlug naar huis, hulp halen.

Wij maken je mooi, let maar op!

Wacht hier tot we er allemaal zijn!

Heel mooi gaan we je maken. Hoera!’

‘O, o, o, dat kan toch niet?’

‘Let maar op!’ En weg tripte het miertje, de olifant verbaasd achterlatend.

 

De mooie bloemetjes

En even later, nee, dat kon niet!

Vier, vijf miertjes kwamen aangesneld met ieder een potje verf en ieder een penseeltje.

En voordat de olifant iets kon zeggen… begonnen ze hem te schilderen.

Ze kropen over zijn hoofd, zijn rug en zelfs zijn grote, grijze slurf en zijn staart vergaten ze niet.

In een wip hadden ze de grote grijze olifant vol geschilderd met… allemaal kleine, gekleurde bloemetjes.

Ze hadden het erg mooi gedaan, die drie mierenkindertjes en de vader en de moedermier.

Ze hadden het zelfs zo mooi gedaan dat je haast niet meer kon zien dat het een olifant was.

Je zag alleen nog maar bloemetjes.

‘Ooooo’, zuchtte de olifant, ongelofelijk, nee maar, wat mooi, wat mooi, dank jullie wel, ooo.’

‘Ben je tevreden?’ vroeg het moedermiertje.

‘jaa,jaaa,jaaaaa!’

‘Naar huis, jongens. Kom manlief’, riep de mier.

‘Dag grote olifant, veel geluk ermee!’ en daar vertrokken ze, alle vijf, vrolijk bungelend met hun lege verfpotjes en wuivend met hun kwastjes.

 

De wandeling en de droom

Vol trots en zich bewust van zijn prachtige uiterlijk - zijn verdriet was helemaal vergeten - bedacht de olifant dat hij zich moest laten zien aan al zijn mededieren.

En hij besloot een wandeling te gaan maken.

Hij stapte, bijna voorzichtig, alsof hij bang was dat de mooie bloemetjes eraf zouden kunnen vallen.

Maar dat kon niet en daar zou de olifant toch nog spijt van krijgen…

 

Iedereen die hij tegenkwam, stond stomverbaasd.

Niemand herkende hem, zelfs niet als hij vertelde dat hij de grote olifant was... 

Tja, dat was vervelend, maar ach, als ze aan hem gewend raakten, zouden ze hem wel weer herkennen.

Zo suste de olifant zijn knagende ongerustheid.

Want alles was beter dan lelijk, groot en grijs te zijn.

 

‘Ik rust wat’, dacht hij en plofte neer in het gras.

Van al de inspanning, die hij toch achter de rug had die dag, was hij moe geworden. En hij viel in slaap.

Toen hij fijn aan het dromen was van al die mooie bloemetjes op zijn huid, gebeurde het…

 

De bezige bijtjes       
     

De bijtjes, ijverig als altijd, zochten ook nu weer de honing die ze nodig hadden voor hun voorraad.

De raten moesten vol en ze hadden ook vandaag hun dagelijkse honger.

En natuurlijk, ook de bijtjes herkenden de grote olifant niet.

Blij verrast dat ze ineens zoveel prachtige, heerlijke bloemen vonden, zoemden ze erop af en begonnen de honing eruit te halen.

Tenminste, dat probeerden ze.

Maar nee, wat raar, het lukte niet.

Bloemen zonder honing?

Nee maar, nog eens proberen…

‘Wie houdt ons voor de gek?’ riep een van de bijtjes boos.

En alle zoemden instemmend: ‘Wie? Wie? Wie?’

‘Foei! We zullen je stéken!’ riep een kattenkoppig bijenmeisje.

Ze had honger.

‘Jongens, verráád’, riep haar grotere bijenzus vinnig, ‘we gaan stéken, stéken, stéken!’  

 

Weg met de bloemetjes!

Mooie, prachtige, arme, zielige olifant.

In zijn dikke huid voelde hij de kleine bijenangels niet.

Maar toen hij wakker werd, zat hij wel vol dikke, pijnlijke bulten.

Hij zag nog net hoe de bijtjes boos wegvlogen…

Hij schudde en schudde zijn grote lijf, en zijn bloemetjes schudden mee.

Hij flapte met zijn staart en oren en zwierde zijn slurf heen en weer.

Kon hij die bloemetjes nu maar eraf schudden!

Maar nee.

De bloemetjes waren dikke bulten geworden en wat hij ook deed, kwijtraken kon niet meer.

 

De olifant en het miertje

Bedroefd en met grote tranen in zijn ogen verlangde de olifant naar zijn eigen lelijke, grijze huid.

Mistroostig stond hij op en sukkelde terug naar de plaats in het bos waar de miertjes hem zo vrolijk opgeschilderd hadden…

Weer drupten zijn tranen op de grond.

Mooi zijn had ook geen nut.

Niemand wist wie hij was.

En hij had de bijtjes beledigd, zodat ze hem gestoken hadden.

En nu was hij nog lelijker met al die bultige bloemen dan toen hij grijs was.  

‘Was ik maar grijs!’ snikte hij.

‘Oh grote olifant, wat is er gebeurd?’ riep een verschrikt stemmetje.

En hij zag de mier die hem had geholpen mooi te worden.

‘De bijen! Ze hebben je gestoken!’ riep de mier.

‘Oh arme olifant, ik zal je helpen.

Je moet weer grijs worden, dit kan zo niet hoor!

Oh, daar heb ik niet aan gedacht, de bijen…’.

En ze snelde weg.

 

De handen uit de mierenmouwtjes

Weer kwam de hele familie mier aanrennen.

Maar nu trokken ze een bolderkarretje met een grote fles azijn erop.

Ze maakten de fles open en de azijn sijpelde zachtjes eruit.

De miertjes smeerden de olifant er helemaal mee in.

En… wat een geluk!

De verf verdween en daarmee waren natuurlijk ook de bloemetjes weg.

De akelige bulten bleven zitten, die moesten eerst genezen.

 

Nogmaals bedankte de olifant de miertjes, maar nu omdat hij weer een gewone olifant was, grijs, groot en lelijk.

Ach, dacht de olifant, ben ik lelijk, dan ben ik lelijk.

Ik ben een echte olifant.

En wat is trouwens lelijk?

Iedereen hield van hem, dat is toch mooi?

En hij groeide in zelfbewustheid.

 

Nooit meer eenzaam

En kijk eens aan, toen de mierenfamilie, tevreden over de goede afloop, vertrokken was en de olifant nog eens aan een wandeling begon, herkende iedereen hem en vrolijk werd hij onderweg gegroet.

Hoe gelukkig en voldaan de grote grijze olifant zich nu voelde, hoeft niemand te worden verteld.

Dat spreekt!

 

© Ine Verhoeven 1971/Patricia Viguurs 1971

’s-Hertogenbosch, 20 juli 1971. Patricia Viguurs bedacht als zevenjarig meiske het begin van dit olifantenverhaaltje. Moeder Ine schreef het af.   

BROMVLIEGS LENTEBUI

Het is een warme lentedag. Geen wolkje dat zich aan de hemel vertoont.

Dorisje Bromvlieg wordt wakker.

‘Huuuuuuh,’ zijn bromvliegenmondje gaat wijd open om met een klapje weer dicht te vallen.

Slaperig strekt hij zijn pootjes uit en wappert even met zijn vleugeltjes.

‘’n Vliegenmens kan slaap hebben,’ bromt hij in zichzelf, ‘vooruit Doris, je moet omhoog, jongen!’

Nog even natrillend legt hij zijn vleugeltjes uit. Dan zoemt hij als een frisse bromvlieg de wijde wereld in.

‘Wat een prachtige dag,’ zucht hij. ‘Kijk, daar heb je Elsemie Vlinder ook en daar is Jantje Kalf. Wacht! Ik zal hem eens gaan wekken!’

De daad bij het woord voegend, zoemt hij op Jantje af, die lekker lui in het gras ligt.

‘Zo Jantje, lekker weertje hč?’ bromt Dorisje en gaat ongegeneerd op zijn kop zitten.

Maar daar is Jantje niet van gediend. Hij heeft en hekel aan Dorisje. Hij zoemt zo hard en dat houdt hem maar uit zijn slaap.

‘Scheer je weg, vlegel,’ loeit hij met zijn kalverenstemmetje, ‘scheer je weg!’

‘Hihi,’ giechelt Dorisje, ‘kwaaie zin, jongetje? En dat nog wel op deze prachtige lentedag!’

Hij kriebelt nog eens met zijn voorpootjes over Jantjes linkerwenkbrauw.

Jantje snuift wild en flapt met zijn oren.

Maar Dorisje houdt niet op. Hij blijft kriebelen en zoemen.

‘Plaaggeest,’ klaagt Jantje. ‘Deugniet! Ophouden nu!’

‘Maar Janneman, je kent de spreuk der bromvliegen toch wel? Nee? O nou, dat is dom!’

En zonder zich aan de van ergernis vertrokken kalverenkop te storen, zegt hij: ‘Een bromvlieg is en vlieg die bromt. Je begrijpt de betekenis toch wel Jantje? Een echte bromvlieg móét brommen. Als een bromvlieg niet bromt, is hij geen bromvlieg maar een doodgewone vliegvlieg en ik ben geen doodgewone vliegvlieg maar een hele echte bromvlieg, hoor maar!’ En weer begint Dorisje te zoemen.     

Jantje echter, die helemaal niet tegen plagen kan, begint te huilen.

Grote dikke tranen druppen uit zijn bruine kalverenogen.

Daar schrikt Dorisje van. Het was zijn bedoeling niet op deze prachtige lentedag iemand te bedroeven. Met een bedrukt kopje gaat hij op een boterbloem zitten. Hoe moet hij hem nu troosten? Zijn goeie zin is helemaal bedorven.

‘Akelig Jantje,’ denkt hij, ‘akelig prutskalf om zo gauw te huilen!’

Maar daar schiet hij niets mee op.

Jantje snikt en schijnt niet van plan te zijn ermee op te houden.

En dat terwijl de zon schijnt en alles zo vriendelijk lacht…

Ja, álles lacht. Het zonnetje lacht, de bijtjes lachen, de vlindertjes lachen.

En er is nog iemand die lacht!

Dat is een grote dikke kikker. Kikker Kwaakmans.

Hij lacht, want hij heeft op een boterbloemetje een bromvlieg ontdekt.

Een bromvlieg, mmm, het liefste wat hij heeft! Zijn kraaloogjes glimmen van plezier.

Doodstil zit hij, klaar om toe te springen…

Arm Dorisje, arm bromvliegmensje. Zo-even was je nog in je lentebui! En dadelijk…

Nog drie tellen, nog twee, nog een, nog een halve tel, nog een kwart tel…

Strak is Kwaakmans blik op zijn prooi gericht.

Dorisje heeft nog niets in de gaten. Hij treurt op de boterbloem omdat Jantje huilt.

En nog weet hij het niet…

Ineens hoort hij achter zich gespartel en het heftig gekwaak van een kikker, een kikker in doodsnood.

Verschrikt draait hij zich om en ziet hoe een enorme ooievaar, die de dikke Kwaakmans tussen zijn snavel beetheeft, zich opricht en wegvliegt met langzame slagen.

‘Jantje!’ roept Dorisje. ‘Jantje, zie je dat? Daarginds, Kikker Kwaakmans, de vijand der insecten. Hij is gevangen!’

‘Het mocht wat,’ bromt Jantje, die snuivend zijn tranen droogt. ‘Het zou me geen leed hebben gedaan als Kwaakmans jóú opgegeten had!’

Maar Dorisje hoort het al niet meer.

Stel je voor, Kwaakmans veilig en wel in de maag van een ooievaar!

Hij vergeet het boze Jantje en zoemt weg om zijn makkers en familieleden het grote nieuws te vertellen.

En Jantje zucht van opluchting.

Hij strekt zijn kalverenpoten nog eens uit en legt zich weer behaaglijk in het gras.

O wat is het nu heerlijk rustig om hem heen.

Hij loeit zachtjes een diepe zucht en valt in slaap.

Het is me toch wat, als je met een bromvlieg te doen hebt, die in een lentebui verkeert...

© 1956 Ine(ke) Verhoeven.

Schoolopstel, voorjaar 1956. Punt 8.