WIJ HEBBEN VOOR ALTIJD VAKANTIE

In Dagblad Trouw, 9 september2006 ‘ Vakantieverhalen’, publieksprijs gewonnen door Ine Verhoeven.

                                                     

We zijn bejaard, twee ouwetjes. We willen met vakantie gaan, maar er mankeert zoveel aan ons.

We denken aan varen over de Rijn. We denken een busreis naar Rome te doen. We denken te vliegen naar Malaga. We denken dat het moet kunnen. We komen er niet uit. We moeten eraan denken. We mankeren nogal iets. We mankeren de ouderdom.

We dromen weg in de middag. We vertrekken tijdens de middagdut. We gaan fijn met vakantie. We reizen naar verre landen. We rijden in ons autootje. We trekken de bergen in. We wandelen in Oostenrijk. We winkelen in Parijs. We varen over naar Engeland. We vliegen naar Madrid…

We worden wakker van de bel. We moeten opendoen. We zijn niet aangekleed, wat nu? We houden ons niet thuis. We zetten een lekker kopje thee. We geven de bloemetjes water. We praten tegen het vogeltje. We eten ons koekje op. We kijken of de post er is. We zien een mooie ansichtkaart. We zien de hoge bergen. We zien de toppen met sneeuw bedekt. We zien een stralend blauwe lucht. We zien de zomerzon. We lezen wat er geschreven staat: Het is hier cool en reuzeleuk! Tot gauw! Wanneer gaan jullie?

We trekken onze jasjes aan. We gaan naar de supermarkt. We gaan met het oude autootje vanwege het gemak. We kopen 4 maaltijden kant-en-klaar. We nemen wat bananen mee en ook nog rode appeltjes. We dragen samen de boodschappentas, één hengsel is voor mij. We komen bezweet bij het autootje aan. We hebben toch wel genoeg gekocht? We kijken of alles aanwezig is. We rijden tevreden naar huis.

We zetten het vogeltje uit de zon. We sproeien de bloemetjes nat. We eten de avondboterham. We doen de insulineprik. We tellen de pilletjes op ons bord. We drinken er kraanwater bij.

We willen nog steeds met vakantie gaan. We kennen het hele mankement. We zijn twee oude ouwetjes. We mankeren nogal wat. We kunnen toch wel met vakantie gaan? We twijfelen en twijfelen. We opperen wat we nog kunnen doen. We kunnen die boottocht maken. We kunnen een vliegreis naar Lourdes doen. We kunnen met de trein! We kunnen met de fiets op pad, hoewel…

We kijken verslaafd de soapjes af. We kijken een quiz. We kijken het nieuws. We zien naar Nova uit. We wachten op Hart van Nederland. We dansen op vioolmuziek van André Rieu. We kijken naar elkaar. We lachen om het levenslot. We zijn tevreden mensen. We hebben de hele wereld op de buis. We vieren onze vakantie heilzaam thuis.

We wandelen in de avond samen op. We zien de mooie wereld om ons heen. We voelen ons rijk en beschermd genoeg. We zien de avondzon. We zien de einder achter het veld. We zien de oude kastanjeboom. We ruiken de kamperfoelie en de rozen in buurmans tuin. We horen voorbij een struik de nachtegaal. We keren terug naar huis. We eten de noten uit de hof. We drinken warme melk. We kijken het nieuws en we mopperen. We zien het geweld in Azië, de oorlog is weer uitgebreid. We weten de wereld in gevaar. We zijn te moe om nog films te zien. We zijn de scenario’s zat. We weten van de wereldbrand, van alle oude strijd. We kennen ook de detectives wel, de thrillers én de sprookjes. We kennen alle vergulde romantiek. We hebben het leven wel geleerd. We weten het innerlijk van de mens, maar niet van allemaal. We weten de waarde van geloof, van hoop en ware liefde. We weten de mens die sterven moet. We weten de ouderdom. We weten nog veel van onze jeugd. We denken er graag aan terug, en niet. We weten de plichten van man, vrouw en kind. We weten het allemaal. We zijn twee wijze ouwetjes. We hebben de dag gevuld en gehaald. We zullen maar gaan slapen. We zeggen goedenacht.

We eten een eitje bij het ontbijt, bepraten waar we aan denken. We willen nog wel met vakantie gaan. We weten niet waarheen. We beleven onze oude dag en kennen de bezwaren. We zijn te traag om op weg te gaan. We moesten de auto maar laten staan.

We trekken weer onze jasjes aan. We rijden gezellig een eindje weg, voorzichtig de provincie in. We horen getoeter achter ons. We zien het grote wegverkeer. We maken toch geen fouten? We horen die toeter alweer en alweer. We zien de chauffeurs die harder gaan dan op de weg is toegestaan.

We hebben zo onze ervaring. We blijven liever veilig thuis. We zullen maar niet op vakantie gaan. We doen ons ding in de tuin en in huis. We hebben de vrijheid verworven. We doen wat we willen en wat er nog mag. We oogsten onze oude dag. We lezen een boek en zijn goed voor elkaar. We blijven lekker thuis. We hebben voor altijd vakantie.

©

Floraweg 159

6542 KP Nijmegen

024-3787608

ine.verhoeven@chello.nl

www.ineverhoeven.tk

Nijmegen, 22 augustus 2005

 

                     

WITTE DOOD

Een witte ambulance staat klaar. In haar spierwit gelaat priemen mama's zwarte ogen. Haar blikt raakt mijn ziel. Mannen in witte pakken brengen de brancard naar de wachtende wagen. Deze rijdt Mama weg. Machteloos kijk ik toe.

Dit voelt als verraad. "Mama toch, daar ga je. Naar de plaats waarheen je per se niet wil. 'Laat me hier rustig dood gaan.' Dat zei je steeds, maar nee, het tehuis beschikte anders. Dus, Mama, je gaat sterven in een vreemde omgeving. Met apparatuur. En nòg meer mensen in witte jassen."

In het ziekenhuis legt men het broze lichaam in een wit stalen bed en mechanisme dwingt de uitgeputte vrouw tot langer lij­den. Niet haar leven maar haar doodsstrijd wordt verlengd.

Mama's doodsstrijd. Naast haar op het witte kastje brandt een witte kaars. Ze bidt. Soms hardop, dan mompelend. Sterk wisse­lende momenten van helderheid en verward gekreun. Ze gaat dood en weet er geen raad mee. Haar hele wezen is er klaar voor. Ze wil weg, maar kan niet. De machines houden het stervensproces gaande.

Ze weet wie ik ben. Voorheen doof hoort ze nu àlles. "Ik houd van je, Mam." Ik druk zachtjes haar hand. Duizend herinnerin­gen met honderd momenten, dat ik níet van haar gehouden heb. Ze gaat sterven. Ze vertrekt naar gene zijde. Daar weet ze Papa en haar veel te vroeg gestorven zoon.

Ze worstelt zich los, trekt het slangetje uit haar neus. Ze wil gewóón doodgaan. Verboden. Na dertien dagen en nachten beëindigt ze stikkend haar strijd. In een wit ziekenhuis, in een witte kamer met witte mensen en in een wit bed.

Ik zie haar in het mortuarium in een wit beklede kist. Haar spierwitte, dode gezicht is onnatuurlijk geschminkt.

Haar levenlang is Mama zichzelf geweest. Door alles heen liet ze zien wie ze was. Schmink heeft ze nóóit gebruikt.

Witte dood. Gekunstelde dood. Ik huiver.

© 1992 Ine Verhoeven

 

DIE ZWARTE DUIVELSE VLIEGEN!

 

Als mijn geloofsvriendin Lotus mij inviteert om een babbeltje te komen maken, weet ik nog niet dat dit mijn laatste bezoek aan haar gaat worden. Lotus' dochter Deborah heeft een zoon­tje gekregen en bij binnenkomst feliciteer ik de nieuwbakken grootmama met het nieu­we leven van dit nog zo prille mensen­kind.

Lotus schenkt zwarte koffie in. Dan zet ze zich neer en we zitten samen in de geriefelijke stoelen en tussen de vier honden, die op hun plaats­en in de kamer knorrend en snurkend waken en dommelen.

Bij de gewijde kruisen en de Mariabeelden en tussen de Indone­sische buddha's, die ze niet hoefde te verwijderen van een van haar paters-begeleiders omdat het erfstukken zijn, praten we vervolgens en zoals gewoonlijk over het geloof. Over ons geloof, ook over ongeloof. En Lotus zelf is expert in bijgeloof. Dat wist ik al, hoewel ik aldoor hoopte dat ze daar doorheen zou groei­en. Ik herinner me weer haar – plotselinge - reële visie op bepaalde religieuze bewegingen, hoe ze zich hiervan distan­tieer­de en van­uit welke beweegredenen dit doorgaans geschied­de. Dat gaf me de hoop op een voor haar frisse geloofshouding. Maar Lotus is veran­der­lijk waar ik het niet ver­wacht en vast­houdend waar ik het niet toejuich. De bekeringen van Lotus zijn veelvuldig en wisselend. Het wil me nogal eens vermoeien, maar ik hecht - op dat moment nog - waarde aan onze vriend­schap en hoop dat deze in christelijke zin kan blijven bestaan. Ze is echter ook berekenend. Ik blijf bij haar toch voortdurend op mijn hoede. Ze heeft in haar impulsi­viteit vaak wat al te snel geoordeeld, en niet onge­vaar­lijk. Vooral wanneer ze er op voorhand van uit­ging dat de duivel in haar bezoeker(s) aan het werk was. Ze zou dat kunnen zien aan de ogen en kunnen horen aan de stem, welke op zulke demonische momenten 'met elkaar vloeken'. Ach ja, Lotus was en is en blijft tóch een 'helder­zien­de'. Ze stag­neert zelf voortdurend bij het punt van haar paranor­maal en occult verle­den. Maar ze weet dit fenomeen ook handig te draaien en te integreren in de katho­lieke ge­loofs­leer. Rusti­g bouwt Lotus verder aan haar eigen bijgeloof binnen het roomse geloofsgoed, dat zij zelf ziet als het enige ware, het enige be­trouwbare ter wereld. En haar boeken over verschijnin­gen van allerlei Mariamaagden, engelen en duivels en de vele schr­ijf­sels over hel en ver­doemenis en het laatste oordeel worden hierbij door haar van harte verslonden en ge­koes­terd.

 

Afgoderij, wijwater en angst

Flash back: In de zomer van 1992 liet ze me eens ogenblikke­lijk opdraven. Alle foto's van haar en haar man Abel in Indo­nesië moesten worden vernietigd. Afdrukken van haar devote hou­ding bij de afgodsbeelden, bij de buddha's, bewijzen van kaarsen die ze offerde en geurende bloemen die ze legde in de tempels, plaat­jes van zegeningen die door de monniken over haar werden uitge­sproken bij de goden, dat alles moest weg, verdwijnen. Hoe dat te doen? Ja, wist ze, ze diende wijwa­ter te spren­ke­len, fles­sen vol, en die ledigen over de foto's EN over de negatie­ven. Daarna spiri­tus gieten over de scheursels en branden maar. Of ik wilde helpen, daar achter in die tuin? Waarom niet? Een barbecue was me wel aardiger ge­weest, maar die organi­seert Lotus liever voor haar profáne vrienden. Die moeten immers nog worden gered! En: ze is dan wel niet ván maar toch altijd nog wel IN deze wereld!

Alvorens aan het ritueel van de verbranding te beginnen, belde ze een van haar paters op: 'De zegen, alstublieft!' Die volgde prompt in het Latijn. Lotus accepteert niet minder. Enfin. We waren net klaar met de hele stinkboel toen Abel thuiskwam. En Lotus gebood me 'omwille van onze zielen' te zwijgen. Dus loog ze rustig over de stank. Abel was niet gek en Abel is niet gek te krijgen. Hij had niet veel voeling nodig om door te hebben dat de vakantiefoto’s uit Indonesië naar de bliksem waren. 'Voor je ziel, Abel! Ach, jij bent niet gedoopt!' En daar­mee was deze kous voor Lotus af.

 

Zwarte vliegen en paters sparen

'Luister', klaagt Lotus terwijl we in de comfortabele stoelen de zwarte koffie drinken, 'Onze zoon Point is sinds kort in militaire dienst. Ver­schrikkelijk! Niets is er met die jongen nog te beginnen. Hij wil niet meer naar de kerk. Hij wil niets meer horen over Jezus en moeder Maria! Hij gaat op stap, hij gaat VERLOREN! Hij is zo onverschillig. Hij lacht me uit! Hij heeft zich pás laten dopen! En hij wilde priester worden, weet je nog? Wat moet ik doen?' Ik hoef haar geen raad te geven, ik wéét wat ze zal gaan doen. Ik zeg: 'Wat je hart je ingeeft, Lotus.' Ze staat op en draait een nummer: 'De zegen, pater, alstublieft.' Als ze weer zit, gooit ze er in één adem uit: 'Ik stond te strij­ken op Points kamer. Honderden, nee, wel duizen­den zwarte brom­vliegen kwamen tevoorschijn uit alle hoeken. Ik meppen en meppen. Ineens waren ze allemaal verdwe­nen. Ik pater Jozef bellen. En pater Hubertus. En pater Piet en pater Jan van de franciscanen en pater Koopman. O, en pater Amadeus, die exorcist, die al eens hier was. Ik vroeg hen allemaal om de zegen! Ik heb gebeden! Het ene rozenhoed­je na het ande­re. De duivel was toen verdwe­nen. Want jij snapt toch wel dat dat alle­maal duivels waren! Nou, de volgende morgen weer! Ontel­baar, zoveel van die vieze zwartgroene vliegen! En ik weer vech­ten, vechten met die dui­vels. Weer bellen naar de paters, weer zegen van de paters! En met wijwa­ter door mijn huis. Abel was weg, dus ik kon rustig zuiveren! Toen ik ze allemaal had verjaagd, was er nog één over. De dikste, wat denk je?! Een gevecht op leven en dood! Weg was-ie. Ik had gewon­nen! En 's avonds zat die dikke er wéér! Weet je wat het is? Het is Point. Point deugt niet. Point gaat naar de hel! Denk je dat ik een pater moet laten komen om ons huis nog eens te zuive­ren? Abel zal weer mopperen! Hij laat zich niet dopen, nog altijd niet. Móet er nou een pater komen?' Ik denk dat ze dat allang ge­pland heeft. Maar ik leg die be­slissing bij háár neer en zeg dat ze dat zelf moet bepa­len.

Lotus kan echt niet zonder de telefoon: 'Vóór ik op bede­vaart ga, moet alles hier veilig zijn. Pater Jozef is oud en Huber­tus zit in Fatima of in Lisieux. Ik denk nu aan pater Jan.' Ze drukt het nummer feil­loos in zonder op een papiertje te kij­ken. 'Werkelijk', denk ik, 'Lotus spáárt paters!'

'Voor elkaar', triomfeert ze even later, 'hij komt!'

Ik sta op en aai links en rechts de honden. 'Dank voor de koffie, Lotus, kom jij nu maar eens bij míj op be­zoek', pro­beer ik, wetende dat ze dat NOOIT zal doen. Er ligt immers stof in mijn huisje en soms vliegen er van die dikke vette brommers rond. Groenzwart en glimmend. En ze weet, dat ik stel dat het gewone bromvliegen zijn. De duivel bestaat niet voor mij. Dat is het ergste voor Lotus: dat ik niet geloof in die dui­vel. Maar ik geloof wél in God. En met de hoogste voor­rang.

Later heb ik Lotus nog eens een brief geschreven. Ze heeft me niet geantwoord. Een van 'haar' paters is het gloeiend met Lotus eens. Hij kwalificeerde me tot de zoekers, tot de twij­fe­laars, zelfs tot de dolenden der aarde. Dat zij maar zo, want het lijkt me niet onfris bij tijd en wijlen de waarheid der dingen te peilen. En van brom­vliegen lig ík niet wakker. Noch van vermeende zwarte duivels.

 © 1993   Ine Verhoeven

 

Uit:

DE SCHRIJFSTER IS NIET GEK

INE VERHOEVEN  

ZO UNIEK

Als mijn Romeense kennisje Ecaterina me vraagt iets te schrijven voor het tijdschrift van het bejaardentehuis waar ze werkt, brengt ze me ietwat in verlegenheid. Toch beloof ik dan spontaan het te doen.

Terwijl ik overdenk wat ik deze generatie lezers zal kunnen bieden, bespeur ik enige terughoudendheid: ouderwordende mensen dwingen als vanzelf mijn respect af, ze doen me denken aan mijn ouders. Twee dierbaren. Ze leven niet meer.

Ik ga terug in de tijd en de stroom herinneringen is niet te stoppen. Mijn vader en mijn moeder. Er zijn heel goede gedach­ten maar daar doorheen zie ik weer de wegen met brokstukken, obstakels, met de bijna niet te nemen hindernissen. God, wat is er veel verdriet geweest, duidelijk meer dan vreugde.

Ach, lieve lezer(es), ik onthoud u de geschiedenis. Hun le­vensverhaal is niet het mijne - ik vul maar een heel klein stukje in - en ik zal mij nooit durven verplaatsen in anderen. Anderen?

Ik besef, dat het zo is. Mijn eigen vlees en bloed - nabijer kan haast niet - zijn mensen met een eigen identiteit, met een eigen achtergrond, een eigen verhaal.

Ze zijn gestorven. Ik zie het lieve gezicht van vader, heel rustig ingesla­pen. En ik denk aan de strijd van moeder toen haar afscheid naderde. Dat bevreemdt me nog steeds: mijn hart liep over van liefde. Zowel bij het heengaan van hem als van haar. Ze hebben dat gevoeld. Ik weet het. De liefde weerkaats­te. Twee vonkjes resten in mijn binnenste. Vuurvonkjes, niet te doven vlamme­tjes. Nu ik dit neerschrijf, voel ik de warmte. Vader en moeder. Zo uniek. © 1992

  BLOESEM

Waar de tuin ophield, was een diepe afgrond. Een zwarte poel, waar de ratten zich naar hartelust voortplantten, was het directe uitzicht vanaf de rand. De tuin zelf was mooi. Zacht, jong gras en allerlei bloemen, appelbomen, perziken en prui­men, bessenstruik en perenboom en de sering.

Als de perenboom in bloei stond, ging ik eronder liggen, keek naar de bloesems en sprak met God, ergens daarboven in de helderblauwe lucht. Had God me antwoord gegeven, dan zou ik niet eens geschrokken zijn. Hij was wezenlijk aanwezig, alleen al door de natuur die vibreerde van het leven.

Deze momenten waren zeldzaam en daardoor heel kostbaar. Ik droomde dan weg naar de hemel en naar de aarde. En het was overal verrukkelijk. Ik creëerde mijn eigen wereld en dag­droomde zolang het kon duren, dus kort. Er was altijd wel iets of iemand, die deze zaligheid verstoorde. De stem van mama of van een geïrriteerde broer, die het wicht zag liggen. Weg vrede. Weg lieftal­lige bloesems, weg prachtige boomstam, weg blauwe lucht, dag God.

Dan zuchtte ik, stond op, liep langs de afgrond en keek in het zwarte water beneden me. Ratten. Daar zou de hond dan 's avonds weer op jagen.

Het contrast tussen de lieflijke tuin en de zwarte poel was als de inhoud van een mensenleven, doorheen de dagen en de nachten. Ik wist dat toen nog niet. In die tijd werd ik 's nachts vaak wakker, angstig, bezweet en soms gillend. Dat was de donkerte, dat waren de ratten. God was dan ver weg. Ik dankte Hem oprecht als het begon te dagen, de schrale lichtval zich voorzichtig aankondigde.

De tuin met de afgrond. Ik was toen veertien jaar. Hij bleek een symbolische realiteit. Later. © 1992

  HET IS DE FUN

Die ene, geestkille avond in maart voelde ik me wel bijzonder beroerd. Ik sjokte niet zozeer met mijn ziel onder mijn arm, nee, eerder lag ik met die ziel overhoop. Het was de eenzaam­heid. Het gevoel van totale verla­tenheid, dat me opstandig maakte. Ik was gekwetst en zat geïsoleerd in mijn vrouw­zijn. Er was man noch vrouw, vriend noch vijand in mijn nabijheid om tegenaan te pra­ten. Mijn piepkleine woning leek zich meer en meer te ver­smal­len. De muren en lamellen kwamen op me af.

En als pas gescheiden vrouw deed ik toen - voor het eerst na het stuklopen van mijn huwelijk - wat menige pas geschei­den vrou­w blijkens de statistieken pleegt te doen: ik besliste dat ik ging stappen. Mijn normenpakket, mijn hang naar waar­dig­heid liep ik dan nu maar een keertje voorbij. Ik wilde wel eens meer van het leven proe­ven. Deze kuise Susanna ging uit, op stap. Op stap gaan was naar mijn overtui­ging van dat moment trouwens niet alleen voor vaders. Toon Hermans kon de pot op. Het was nu móéder gaat op stap, juist ja. Zo gebeurde het, dat ik die avond in maart als ’n rebellerende akela in mijn uppie door de straten van de stad dwaal­de, op zoek naar een donker­bruin café. En tegenover de Sint Jan vond ik 'n gele kroeg.

Aan de bar trachtte ik professioneel een sigaret te roken. Normaliter rookte ik nooit. Qua­si doorgewinterd en als vrouw van de wereld hing ik half op de kruk volgens mijn fantasie interessant te wezen bij een glas rode martini. Met ijs en citroenschijf. Inwen­dig stiknerveus en zo ongemakkelijk als maar kon, zat ik te hangen. Ik hoopte op 'n jeugdig uiter­lijk en minder rim­peltjes bij het kunstlicht: het aanwezige kroegpu­bliek was aanzien­lijk jonger dan ik.

De cafédeur zwaaide open. Een tafereel ontpopte zich voor mijn ogen, dermate, dat ik mijn bril weer opzette. In mijn ijdele verbeelding had ik deze - achteraf lachwekkend uit de tijd, maar wist ik veel - afgezet voor een beter imago tijdens mijn bezoek aan dit amberkleurige café.

Ik zag een dametje. Althans in nuchtere toestand zou ze hier­voor naar mijn idee moeten doorgaan. Ze droeg een fluwelen hoed met brede rand. De kleuren van haar overvloedige make-up liepen, net als de bonte print van de hoed, door elkaar. Het schilderwerk op het gezichtje had, door het zweet des aan­schijns, de schone geredu­ceerd tot een half­slachtig clown­tje. Ze wist het niet. Ze hing in de armen van haar gezellin, die haar, net iets minder aangeschoten, de kroeg binnensleepte. Ze was ongegeneerd zat en dat wilde ze ook. Ze lalde en bralde: 'We zijn aan het stappen. Wij samen. Ja, we zijn buurtjes!' 'Zij heeft een landhuis in Portugal', lalde de beschermengel van de dronken dame. 'Cootje, twee pils!' In de gele kroeg was het in ene keer levendig toeven. Er was letterlijk beweging binnengeschommeld. Hoe ik het ook bekeek.

  De twee laatbloeiers stonden naast me te stoeien en dronken hun blonde biertjes. Mijn bril ging weer af. Ik had het gezien en rookte verder. 'Ben jij hier in je eentje?' gaapte de aangeschoten geleidster mij aan. Nee toch, dacht ik en knikte. 'Hoe voelt dat?' dramde ze. 'Okay', zei ik, pafte met interesse zo’n klassenmerk stok­je-rook-je-dood met mond­stuk, ging verzitten en deed alsof ik dagelijks de kroeg bezocht. Hemel, mijn eerste solostapper­tje! Ik was in feite aan­gaande alleen uit­gaan wereld­vreemd! Wat voelde dat truttig. Voor de veiligheid wendde ik me af.

Ik observeerde de omgeving. De gele kroeg met de kleine kaarslichtjes had een typische sfeer. Een vreemd soort huise­lijkheid, waarin ik iets miste zonder te vatten wat. Overal prijkten de namen van het te promoten bier en de Amerikaanse bubbeldrankjes. Hier zat ik dus nu even niet eenzaam te wezen.

De muziek daverde. Een opstandig duveltje binnenin me schold me toe: 'Ouwe trien, wat zoek je hier? Niks toch! Wil je weer jong zijn? Vergeet het maar!' Ik blijf tóch hier zitten, dacht ik weerbar­stig. Ik ben vrij. Mijn ex zei 'rooi wijf'. Grijs, zal ie bedoelen. Maar dat kon híj niet zeggen: hij was al grijs op z'n vijf­entwintigste. Haha, rooi wijf! Nou en? Mooie boel. Hier ben ik dan: een rooi wijf en ook nog hartstikke katholiek! En híj is weer getrouwd. De sukkel! Getrouwd! 'Cootje, geef me maar een spaatje!' Cootje spoelde 'n glas, deed het mineraal erin en zette het watertje voor me neer.

Co is een pot, signaleerde ik. Duidelijk. Maar ja, wie is tegenwoordig wát? Ik ben hetero, geloof ik, pas gescheiden en ik heb ergens in de verte de verkeer­de lief. Wat is het beroerdste? 'Hé jij, je naam!' brulde de dronken geleidepoes.

'Irene', zei ik maar en dacht: barst jij!

'Irene, drink wat van me.' 'Heb nog!'

'Zeg, niks voor jou, het Vrouwenpodium? Heb je iets te bieden, zing je, dans je?'

'Nee, ik schrijf. Maar hoezo, Vrouwenpodium?'

'Je kan er je ei kwijt, meid! Kom eens kijken. Alleen voor vrouwen! Je hebt iets, ik proef het!' Ze was hoopvol gestemd.

Ja, ik had wel iets. De p in. En veel, heel veel verdriet. Ik lachte mijn liefste lach, want ze zei het immers: ik had iets. En dat was nú een podiumsmile. Alvast als generale repetitie.  

Daar kondigde de dronken dame met de fluwelen hoofdtooi aan dat ze verderop in de straat even shoarma ging eten en waggel­de vervolgens de kroeg uit. 'Brood­je kapot schaap' zei ik en herin­nerde me ene Karin uit het ‘ge­sticht', zoals die spottend het rusthuis placht te noemen, waar ze tegelijk met mij een poos gele­den verbleef. Zij was dol op broodje 'kapot scha­ap' en alvorens ze in de schapenhap beet, opperde ze ge­heid, als 'n soort gebedje, haar verta­ling. Vervolgens at ze smake­lijk, die magere Karin. Ze was brutaal grappig, dat wist ik ook nog. 

De poes kwam naast me staan. Ze ging gewichtig doen, iets wat altijd al averechts werkte bij mij. Quasi-intellectuele ver­moeienis was een van de redenen waarom ik nooit op langdu­ri­gere termijn bij iemand koffie had gedronken tijdens mijn dertig diepgevro­ren huwelijksjaren. Bovendien verafschuwde ik opge­fokte situa­ties met semi-inte­ressante gesprekken waar fat­soenshalve bij kwam, dat ik voort­durend recht in de houding moest zitten. Ik was er, denk ik, gewoon te lui voor, of te moe, of te onconventioneel. Als ik als gaste mijn voeten niet kwijt kon onder m'n achterste op bank of stoel voelde ik me gewoon niet thuis. En mede hierdoor ging ik ongemerkt en steeds eenzamer als huismus met pre­tentie 'eigen haard is goud waard' door mijn moeizame leven. Want bij de meeste mensen moesten de voetjes op de grond. 

'Clapton', zei de poes. Zonder airtje leek ze me wel aardig.

'Irene', hield ik vol. 'Nee, de muziek! Hij zingt', verklaarde Poes. 'Dansen?' 'Goed hoor', ik oversteeg mezelf en dacht aan de boerenvrou­wen die vroeger tijdens de ponyclubfeestjes van mijn dochter, baasje van het bruin­zwarte hengs­tje Pepijn gedurende haar jeugdjaren, zonder gêne samen dansten. Pure on­schuld. Maar nu wist ik het niet.

'En hoe heet jij?' 'Henny', zei Henny.

En zo danste ik met Henny. In een gele kroeg. Met mijn vijftig jaren, een getrouwde ex-man, een onbereikbaar kleinkind, een afstandelijke zoon. En met een door het leven en papa beetgenomen dochter ver weg in Scandinavië. En met een, door institutionele regels bepaald, onbe­reik­bare vriend, ergens in de verte. Aan ellende geen gebrek. Al dansend flitsten spooksels op als flashlights in een disco: relaties die een spoortje zinnelijkheid in zich dra­gen, zijn voor gescheiden mensen verboden door de prelaten. Volgens zeggen in naam van God zelf. Innige vriendschap na je scheiding mag niet van mijn Kerk. Waarom stap ik daar niet uit? Het leven is zonder die genadeloze regels al moeilijk genoeg. Ach, simpel toch: ik houd van die Kerk. Wat een trage­die. En dan heb je nog die jehovagetui­gen die al een hele poos jacht op me maken! En mijn verstoorde identiteit: Irene, Inge, Linel Hest. Hoe heet ik echt? Maar goed, als ik wil, als ik dat helemaal zelf wil, ga ik het veld in. Bij­bels vertalen. De blijde bood­schap vertel­len. Welke blij­de..? Hemeltje, zeg. Wat 'n warboel in mijn hoofd. Wat een drukte in mijn brein! En waarom? Ik dans, warempel! Dus blijf bij je dans!

Henny legde haar hoofd voorzichtig tegen mijn schouder. Wat was ze fragiel. Ik dwong me mijn preutse verlegenheid te overwinnen en concentreerde me op dit moment. Ik danste en dat stond ik me toe. Ik mocht van mijzelf nu hier zijn. Ik mocht er even bij horen. De gele kroeg had toch wel iets. Dat in elk geval! Er hing een zekere Henny om mijn hals... 'Mooi liedje, hè?' Ze neu­riede zachtjes mee. 'Ben jij ouder dan ik?' Ze was zo rechtstreeks! 'Weet ik niet', ontweek ik. Verdorie, dit was shit! Vijftig. 'Hoe vertel ik het mijn kind?' Morgen naar de kerk. Lezen, ben vaste lector. Nu in de kroeg. Frivool dansend met een pot. Hoe rijmde ik dit? Was ik nou scrupuleus of hypo­criet? Of gewoon een mens als alle anderen?

'Hé, was het lekker?' De dronken eigenaresse van het Portugees landhuis kwam teruggezwabberd, brabbelde dat het broodje eetbaar was geweest en verkondigde met driedubbele tong dat ze nu echt huiswaarts moest. Ze wist daar haar man en kindjes. Bovendien voelde ze zich misselijk. Ze was simpelweg dronken. Ik zag de grimmige kater al loeren in de ochtendstond. Ze vertrok. Een naamloze chic, die ik waarschijnlijk nooit zou weerzien. De rand van haar fluwelen hoed leunde tegen één oor en het geblondeerde haar hing slier­tig uit model. Zo zwalkte ze met de her en der verlopen bonte kleurtjes op haar snoet de deur weer uit van de gele kroeg.  

'Mijn moeder gaat dood', zei Henny. 'Ik woon samen met Lidia. Ik houd van Bonnie en mijn moeder gaat dood. Lidia biljart nu. Lidia biljart altijd.' 'Ga dan bij haar weg', merkte ik op. 'Ik doe het Vrouwenpodium', zei ze, 'kom je ook? Het is fan­tastisch. Niet feministisch, hoor. Ook niet helemáál lesbisch. Gewoon, aller­lei... Ha, dag lieverd!' vloog ze plots een wel erg jong jongetje om zijn smalle halsje. Knuffeldeknuf. 'Fun', riep Jongetje. 'Fun! Henny, die roze week in Maastricht! Klasse! Gaan we dit jaar weer naar de roze feesten?' 'Tuurlijk, schat­je', tuttelde Henny. Typi­sche knul, dacht ik en kocht geforceerd nog een pakje Dunhill: 'Si­garet?' Henny deed een graai en hield Jonge­tje vast. 'Ze is zo lief', ver­klaarde mijn nieuwbak­ken vrien­din, ter­wijl ze haar aansteker aanjoeg. 'Ze?' O, weer iets nieuws. Ze. Geen jongen dus. 'Het is de fun, hè, de fun!' riep Ze. 'Jaja, het is de fun', knikte ik. Henny legde haar sigaret neer, liet Ze los, sprong over­eind en trok me van de bar­kruk. We dansten weer. Ik was ver­bouwereerd en pro­beerde dat te verber­gen. Wat een wereld! Hier kwam ik niet uit: vrouwe­lijke manne­tjes en manne­lijke vrouw­tjes. Maar goed, dit was niet mijn pro­bleem. En ik was nu eenmaal toch ter plek­ke... en we dansten rustigjes verder.

Zoetjesaan liep de gele kroeg leeg. Ik bestelde nog een marti­ni. Weer een rode, als symbool voor mijn wijze van vrouw­zijn. Ik proostte op mijn ex en op rooi wijf: mijn hart huil­de. God was weer eens ver weg en mijn Kerkje leek me onwaarach­tig in dit oord van drank, erotiek en oorverdovende muziek. Ik dacht aan mijn onbereikbare vriendschap, ginder, heel ver weg. Henny kletste tegen me aan en ik knikte en schudde met mijn hoofd, al naargelang. Ik luisterde terwijl ik besefte, dat ik haar net zoveel te bieden had als zij mij: helemaal niks. We zaten samen in de kroeg met hart­zeer, eenzaamheid, met zielenpijn. We hadden ieder ons eigen verhaal.

De andere vreemde vogels waren nu allemaal vertrok­ken. Het was laat. Het lege café weergaf een vreemde, haast akelige sfeer. Henny en ik liepen naar buiten. Tegenover de gele kroeg staarde de Bossche kathedraal ons aan. Hij was de oudste. Henny ging rechts en ik ging links. Zo scheidden zich onze wegen. Terwijl ik behoedzaam terugreed naar mijn piepkleine flat zag ik langs de Zuid Willemsvaart bij een schaars verlicht huis een dodenwagen staan. That's life, dacht ik, dead and no fun. De volgende ochtend schreef ik, ietwat cynisch:

Lentenacht

In de zwarte lentenacht

staat voor het hoge herenhuis

langs de lange vaart

de witte dodenwagen

  En in de zwarte lentenacht

leggen witte heren

het levenloze lichaam

van de heer van het herenhuis

neer in de witte wagen

en rijden langs de lange vaart

weg van het hoge herenhuis

 

Dag mijnheer!

Tussen bloesemtakken staat

langs de lange vaart

dat hele hoge herenhuis

statig overeind

met gevulde kamers vol

leegte en een erfgenaam

 

Gecondoleerd mevrouw!

Ik overpeinsde opnieuw mijn dertig voorbije, diepgevroren jaren. Ik dacht aan de dood van mijn schoonpapa, ook dertig jaar gele­den. Aan dat hele hoge herenhuis in de stad, waar ik vele lange en bange jaren had gewoond met mijn lieve gezinnetje. Zoals de avond ervoor in de gele kroeg flitsten ook nu weer over­wegend de nare herinneringen op. De drank, de muziek, het dansen, het had allemaal niets opgelost. Het leven moest geleefd. Precies zoals het zich aankondig­de. Ik kon schaven, hakken, beitelen, schilderen en kleuren bedenken; ik kon huilen en lachen, ik zou het leven, als elk ander mens, helemaal zelf moeten doen. En alleen.

Vreemd, dat jongetje bleek een meisje te zijn. Symbool? Syno­niem? Geen idee. Wat een nacht. Wat een levendige beproeving. Wat een klater­goud ook, die gele kroeg... En die witte wagen van Skelet langs de vaart was als het askruisje op de vastenwoensdag na carna­val. Leven en dood hand in hand. Gelijk humor en verdriet, onaf­scheidelijk met elkaar zijn verweven. O, heerlijke onschuld. Kon ik roepen: 'Het is de fun!’ © 1993

DROOM TUSSEN ROZEN EN HONING                               

De rozentijd is voorbij. Maar het is niet erg. Ik houd niet echt van rozen. Ze worden gesnoeid. Ze mogen beslist niet buiten hun perken. Niet de geculti­veerde rozen, tenmin­ste. Vond ik ze eigenlijk ooit echt mooi? De wilde wel. Ja, de wilde rozen. Zoals de egelan­tier. Die eigenwijs kleine wilde­bras. Die ik te bloeien zag in onbepaald landschap. Dromenver­wekker.

De rozentijd is voorbij. Een enkele eenling probeert nog op te bloeien. Armtierig. De schraalte van mijn tuin staat op. De zwarte grond omarmt de eenzame zilverberk. De lavendel slaapt verdroogd. O nee. Niemand mag haar plukken. Mijn laven­del is me heilig. Blijf af, jij met je mannenhand. Je vertrap­te mijn kamille al! Met je stampende voet. En je kleineerde mijn hortensia. Mijn struik zal geen bloemen geven, let op. Je schaar heeft de knoppen weggeknipt. Volgende zomer geen bloe­men, dus.

De rozentijd is voorbij. Langs kusten slaan golven stuk. En de wolken drijven al even wild en driftig over mijn hoofd. Mijn hoofd dat als een landschap trilt en bonkt en rust en ademt en slaapt en leeft en droomt en sterft. In de nacht, als de maan zich laat zien of zich verschuilt achter de massa dampende mist.

En de hemel reikt te ver. Ik raak hem niet aan. Hij mij wel. Altijd weer overmeestert hij me. Hij tilt me op. Mijn gemoed draait rond. Mijn geest is helder. De hemel is wijd, zo wijd. De hemel is zekerheid. De zekerheid van de onbereikbaarheid. Alleen de vogels komen hogerop. En de vleermuizen. En de insecten. Daar zijn ze er voor elkaar. Ze voeden zichzelf en elkaar. Om te leven, om te overleven en om te sterven. Te sterven zonder graf. In een onbepaald land­schap. Onzeker vergaand.

De rozentijd is voorbij. Mijn hoofd leg ik neer op het halm­gras, vergeeld. De cellen denken, denken. Ze seinen de herin­nering terug. En de kruisspin zit weer aan mijn venster vast. Ze wacht op haar prooi. Ze aast om te leven. En de laatste hommels zuigen de nectar uit de pepermunt. Ze dragen de witte honing mee. En torren en muizen en egels ritselen door de tuin. Door mijn schrale tuin. Met de stronk van de blauwe regen, die breder en sterker geworden is. Om te dragen, te dragen de trossen die weer komen gaan. Na de winter.

De rozentijd is voorbij. Het deert me niet. De witte slin­gerwinde en de kamperfoelie zijn allang niet meer. Eksters zie ik, en mussen en spreeuwen. Geen Vlaamse gaai, geen merel en geen lijster. En ook de koekoek is stil. En de uil.

De rozentijd is voorbij. Als de cellen in mijn hoofd stil gaan worden voor de slaap, ontwaak ik in een ander land. En ik droom, ik droom. Alles wordt goed, ooit, eens. In een onbe­paald landschap. De nachtmerrie begint. De kleine wildebras, die egelantier, bloeit op de dorens van mijn bestaan. Witte honing stroomt uit de hemel die ik niet bereiken kan. Vleermui­zen vluchten scheerlings langs mijn hoofd. Libellen dansen boven een meer vol witte honing. En de hel doemt op aan de horizon. Vlammen, vlammen in het huis van het kind. Het kind in mij. De vuurzee vreet zich door muren en deuren. Een man rukt mij uit het kinderledikant. De maan staat bol aan het firmament. Volle maan.

Moeder is uitgegaan. En de man is mijn vader. Hij heeft me gered uit de vlammenzee. Hij brengt me naar de buren. Warme chocolademelk krijg ik. En een beschuit met witte honing. De mensen zijn lief en ze glimlachen. Ik zit in mijn blauwe pyjamaatje. Ik slaap op vaders arm. Moeder is thuisgekomen. Het huis is afgebrand. Mijn leven begint. En nu?

De rozentijd is voorbij. Ik heb nooit van rozen gehouden. © 1993

EN DAN SLAAPT MIJN HOOFD               

Niet denken. Niet denken. Laat maar tollen, mijn hoofd. Laat maar draaien. Niet denken aan toen, niet denken aan nu. Alles gebeurt zoals het gebeurt. Niet anders. Buiten zwaaien de bladeren. Heftig en onbeheerst voortgedreven en vastgeklemd aan de takken van de meiboom. Ze kunnen niet los. Ze zitten vast en waaien mee met de wind. In de richting van díé wind. Noord, zuid, oost, west? Ik weet het niet. Ik heb nooit de richtingen gekend. Waar ligt west, waar ligt oost? Noord boven en zuid onder. Of andersom. Maar werkelijk weten doe ik het niet. Alle richtingen ben ik kwijt. Nooit richting gehad. Niet van de wind. Niet van de zon. Niet van de mens, mijn soortge­noot.

Die bladeren zwieren maar door. Net als al die cellen in mijn hoofd en lijf blijven zwieren en dansen. Onbestemd en zonder richting. Kriskras door elkaar. Alsof ik omval. Elk moment kan omval­len. Vreemd dat dat niet gebeurt. Ik duizel wel wat, maar val niet om. Ik ben als de stam van die meiboom. Die late blad­boom. Die laat­bloeier en die laatsterver. Zelfs in de winter houdt hij zijn dode bladeren nog vast. Door mijn raam zie ik hem tot leven komen. En door hetzelfde glas onderga ik zijn ondergang.

De vogels zijn uitgevlogen. Waar schuilen zij? De eksters, de mussen, de kauwen, de duif? En mijn vogels, mijn bloedeigen vogels zijn weg. Ze vlogen uit, en ze waren weg en ze bleven weg. Niet denken. Niet denken aan toen. Niet denken aan nu. Niet denken aan dan. Is er een dan? Ik weet het niet. Ik voel een dan die niet te doen is. Een onleefbare dan. Wil ik dat dan nog wel? Ik moet. Ik moet. Overleven is de moeite waard. Wie zegt dat? Wie vertelt me de waarheid over dat de moeite waard? Wie kent de waarheid en waarvan? Van dan? God nee, dat niet. Geen hemel, alsjeblieft. Sprookjes schrijf ik zelf wel. Mijn sprookjes. De horrors van mijn leven. Van mijn morbide toen. Niet denken. Nee, niet denken nu.

Ik hoor een vogel. Het wordt donker, buiten. Een late vogel? Zacht geluid. Mijn cellen draaien nog. Ze tuimelen nog. Mijn hoofd ruist. Net als de wind in de bladeren. Net als die gier langs mijn raam. Geen vogel. Neenee. Een gier. Als van een lach. Dringend doordringend. Gier. Een loeiende suis. Zó een gier. Geen vogel. Maar ik denk weer. Ik denk. Ik denk aan de gier. Aan die ene, met de zwarte ogen. Die met de volle buik. Die aas­gier, die mij doden wil. Mijn God. Nu roep ik Jou toch! Mijn God.

Nog tjilpt een vogeltje buiten. De wind hoor ik niet. Dat vogeltje wel. Het tjilpt, het zingt. Het roept, het deunt. De nacht komt. Met muziek. Vogelgezang. Vol leven. En mijn moede oor hoort. En mijn dolle hoofd tolt door. Het tolt door het leven. Buiten en binnen. Leven. En ik ben. Nu. En luister! Ik hoor nóg een vogelstem. Een klein geluid uit een kleine keel. Het wordt donker, en ontwaken zij? De cellen dansen nog. Ik weet dat ze straks gaan slapen. Rustig maar. De cellen gaan slapen. En dan slaapt mijn hoofd. © 1993

VERSCHEURD

De angst in mijn lichaam, elke nerf vibreert, als op een sombe­re ballade dansend en stampend en tergend vretend aan mijn gemoed. Gezaaide onrust, vanwaar? Angst. Verscheurde blijdschap, gehalveerde glimlach, nooit echt. Ziekmakende angst en omgeven door onbegrip: 'ben je bang?' Spot. Nergens warmte. Nergens handen. Nergens harten. Nergens ogen. Alleen koude blikken, beris­pend. Afgestraft: 'doe niet zo stom!' Blijven. Staande blij­ven. Doorgaan. Ik leef, ik leef. Maar ik sterf. Ik sterf. Ik ben dood. Dood van angst. Een marionet. Met duizend gevoelens, maar verstikt.

Ik leef niet meer. Ik lig versteend. Beschermend bed. Mijn bed. Mijn bed met niemand. Ik alleen met angst. Mijn partner Angst. De nacht doorwor­steld. Ochtend. Mijn hart klopt op de motor van de angst. Verstoord ritme. Pillen. Pillen. Angst. Trillende nerven doorheen mijn lijf. Mijn lijf is verstijfd van angst. Mijn hoofd. Draaiend in mijn hoofd. Angst. Kijken. Ik wil kijken. Waas. Ik kan niet zien. Angst maakt wazig. Alles wazig. Ik kan niets zien. Mensen zijn gestalten. Ze hebben toch armen? Ik voel ze niet. Geen armen, geen handen. Hebben zij harten? Hart? Ik ben ziek. Doodziek. Dood. Gestorven. Angst wil winnen. Angst heeft gewonnen. Ik ben dood en leef. Ik ben levend dood. Ik sterf elke nacht. Ik gil me tot leven. Gillend. Beschermend bed. Ik voel de lakens. Dodenlakens. Droom. Verwrongen gezichten. Doodshoofd. Uit bed, uit bed! Duivelskop! Ik ren... vaders armen. Slaapwandelend in vaders armen: 'is het weer zover?' Géén armen.

Het is weer dag. Dodelijk vermoeid ga ik slepend door de dag. In mij en om mij is de angst. Mijn vaste partner. De enige, die nooit verstek laat gaan. Angst. Mijn enige zekerheid. Professionele hulp. Professioneel? Aangeboren angst. Aangeleerde angst. Hulp bestaat niet. Ik moet erdoorheen. Doorheen de angst. Opgevre­ten vechten.

Er ís nog wel iets. Ik weet niet wat. Iets houdt me overeind.

Wat? Geen antwoord. Nooit antwoord. Opgevreten vechten. Opge­vreten door­gaan. Opgevreten leven. Doorworstelen. Leven door­worstelen. Waar is God? Waar is die almachtige, goede God? Heb je naas­ten lief. Liefhebben. Beminnen. Wie? Hoe? Angst. Angst. Alles is fout. Ik ben niet goed. Ik ben fout. Maar waarom?

Normen. Opgelegd door de ander.

Wetten. Voorgeschreven door de ander.

Cultuur. Gevormd door de ander.

Geschiedenis. Gemaakt door de ander.

Geboren. Ongevraagd verwekt.

Geboorte. Kind. Ik ben een kind, een mensenkind. Ongevraagd­ verwekt. Ongelukkig moment. Oorlog. Mama is ziek. Ik neem Mama alles af. Ik drink haar melk. Oor­log. Mama is bang. Mama sterft van angst. Ze voedt me. Mama en ik. Angst. De band van de angst. Mama's liefde is opgevreten door de angst. Ik ben een kind van de angst. © 1992

Zondaggrens

De zomer stilt en zint op rust,

op zijn in rust; overal zingen

bloemen hun levensmelodie en

overal ruisen bomen naar stil;

stil verstilt het blad, het loof

verwijdt de zucht en ademt kleuren

en bloesems geuren geeuwend rond

en mensen weten niet te doen met

tijd van stil en rust en jachtigen

zich naar de grote stad of naar

het grensgebied waar alle winkels

open zijn en waar de etalages de

ogenblikken vertroebelen; het paaps

voorbij gaat en ziet en begeert en

handen betasten Gentse kant en de

hemel zwijgt, zwijgt, zwijgt stil

ver boven de huizen en kerken uit

En honden lopen aan de lijnen

en poezen zitten voor de ramen

en vrouwtjes doen hun best om

dik-dun door te gaan, door hun

dagen te gaan; mannetjes zitten

op bankjes en wachten, waarop?

Alle mensen vieren de zondag en

de god is nergens, komt niet en

laat zich niet zien; achter het

roomsbronzen tabernakeldeurtje

zit hij gevangen en in het roomse

kerkruim is leegte gevuld met

vroomrooms niets, nostalgische

verlangens, biezen stoelen en

geen orgasme; een biechtstoel

toont knielbankjes onder het

velours gordijn vervaald; en de

zomer bloeit door en de herfst

wacht gehaast en zelfs de winter

laat zich reeds zien, al is het

nu alleen nog maar in zij van oud 

3 juli 1992. Impressie Baarle Nassau.

 

DE PRIOR VAN DE KIPPEN

Zijn ideaal was het om monnik te worden. En op een goede dag vertrok hij naar een van de nederzettingen van de benedictij­nen. Hij werd daar postu­lant en hij deed wat hem werd opgedra­gen.

Naarmate de tijd vorderde, zag hij in dat zijn leven slijten op deze onderdanige manier stijlvol noch waardevol noch le­vensvullend was. De waarde van het contemplatieve, het be­schouwende, het voort­durend in gebed gaan met de medemonni­ken ontging hem. De kuisheid die de roomse kerk hem afdwong, viel hem zwaar. Hij deed zijn best. Maar de jeugdige, mooie monnik voelde het leven bruisen in zijn body. En op een stof­fige dag, toen hij de grote stofzuiger hanteerde om de kapel te zuive­ren, liet hij, plotsklaps, dit attribuut voor wat het was, zegde tegen de regels van de benedictijnenorde in zijn confra­ters goeden­dag en vertrok na het middagmaal, meedo­genloos niet uitge­zwaaid door de mannen van wie hij was gaan houden. Maar hij vertrok wel.

Hij ontmoette zijn vriend, vijftien jaren ouder dan hij. Hij, de jongeling, liep het vuur uit zijn sloffen om aan de wensen van deze hem dierbare man tegemoet te komen. En hij verslaaf­de. Hij werd de sloof van zijn wel oudere maar zeer afhanke­lijke vriend. Hij was zijn butler. Het dienen zat hem in het bloed en hij vloog voor vriendlief. De verslaving had zich intussen omgezet in gewoon­ten. In sleur. Desondanks deed hij nog steeds zijn best om zijn hartenlief te behagen. En hij regel­de, kook­te, waste, kocht in. Hij deed de zaken die gedaan moesten worden, nam beslis­singen en koos op gezeur van zijn vriend de kledingcom­binatie uit die die dag moest worden gedragen. En de vriend liet het zich welge­vallen. 

Dat ging veertien jaren goed. In die jaren was wel elk diep­zinnig gesprek uitgebleven. Vriendlief was kort aangebonden. En kinderlijk afhankelijk. Dus de exmonnik hield liefdevol reke­ning met zijn wensen.

Ze hadden samen een zaak opgebouwd. En ze bewoonden samen een riant woonhuis met alles erop en eraan. Incluis de drankvoor­raad en de provisie­kast. Beiden hadden smaak op alle fronten. En ze hadden honden. Grote honden die hun aanzien en positie leken te versterken. Ze wandelden veel om de dieren hun na­tuurlijke behoeften niet te onthouden: ze moesten rennen en stoei­en. En de honden kwamen niets tekort.

Maar de exmonnik wel. Hij miste warmte, begrip, genegenheid. En zijn hart was bij zijn God. Zijn verlan­gen naar het mystie­ke lag in onrust te wachten naast de nostalgische herinnering aan het kloos­ter dat hij vaarwel had gezegd. En terwijl de tijd voortschreed, rijpte zijn verlangen naar de eenwor­ding met deze onzichtbare maar voor hem zo wezenlijke God. En naar de kloos­termuren.

De twee mannen dronken hun Franse cognacs, ze namen hun Cana­de­se whisky's, ze droegen de duurste creaties, ze gebruikten hun peperdure parfums pour hommes, ze gingen uit en verkleed­den zich als vrou­wen. Ze maakten zich mooi en ze vermaakten zich mooi. Maar vrede in hun harten was er niet. Slechts het kla­tergoud van de buiten­kant hield beiden, en hun relatie, overeind.

Het moest ervan komen. Er dreigde een breuk. De afhankelijke vriend zeurde aan het hoofd van de exmonnik. De zaken gingen niet zo goed meer want de kosten van hun levensonderhoud overstegen de zakelijke inkomsten. De maandelijkse diners in de excellente en onbetaalbare restaurants kwamen te verval­len. De inko­pen werden niet meer serieus genomen door de handelaren en fail­lissement dreigde. De exmonnik hunkerde nu nog heviger naar de vervlogen tijd in het klooster, en hij miste meer dan ooit de spiritualiteit die hem verbond met zijn God. En hij nam de beslis­sing: hij zou terug­ke­ren binnen de kloos­termu­ren en zijn leven aan die God van hem gaan wijden. Wellicht zou hij nog priester kunnen worden. De vriend was ontstemd maar moest hem laten gaan, want de exmon­nik bleek onver­bidde­lijk. De relatiebreuk was com­pleet.

 

Enkele jaren later. Ik ontmoet hem in een mij dierbaar kloos­ter. We raken bevriend en af en toe bezoekt hij me. We praten over veel, over heel veel. Hij is een mij veili­ge vriend. Op een ochtend visiteer ik hem. Hij ontvangt me met open armen. Plotseling zegt hij: 'Ik moet de kippen voeren! Oei! Bijna verge­ten, de dieren hebben honger!' Ik loop met hem mee. Hij draagt zijn toog. Hij is een mooie monnik in wit. Bij de riante kippenren rennen de kippen hem tegemoet. Ze kennen hem al te goed. Hij lokt ze dichterbij met voer en nabootsende gelui­den. 'Daar loopt Bertha, ze is veertien jaar, en daar gaat Hendrik, ook al negen.' Ik kijk mijn ogen uit. Tot mijn heimelijke hilariteit stapt de witte monnik de ren binnen en tilt zijn habijt op. Ik zie twee witte mannenbenen, mooie zelfs, zo op het eerste oog. Hij stapt omzichtig tussen de vuiltjes van de gevederde diersoort. Hij vult de bakjes met water en extra korrels. Intussen controleert hij de leg. Hij neemt de enkele eieren op en stapt weer even omzichtig de ren uit, weer met de habijtrok opgetild en de mannenbenen bloot. Een heel interes­sante gewaarwording voor mij als gelovige vrouw. 'Ik ben de prior van de kippen', zegt hij. De hanen laat hij buiten be­schouwing. Zijn wereld voorheen was kennelijk al hanig genoeg geweest.

Hij oogt gelukkig. Hij oogt vredig. Hij oogt als een geroepen monnik. © 1996

 

VROUW ZIJN

Vrouw zijn wil ik, vrouw,

o vrouw zijn wil ik

Ze hebben mij ontmaagd

verkracht, mijn pure

zijn ontnomen; mijn

vrouwzijn weggenomen

mijn baarbuik uit mijn

lijf gehaald omdat de

dood wou komen; maar toch,

nu nog en immer door

zal in mij 't vrouwzijn

leven, dat vrouwzijn mij

gegeven; geen neemt mij af

O vrouw zijn zal ik

Vrouw zijn zal ik, vrouw

 

MEIDOORNVLINDER

Ik heb voor je gedanst

ik heb voor je gezongen

ik speelde op mijn citer en

ik dichtte jou een lied

Je hebt je ogen toen gesloten

en je mond; je gehoor verdoofd

en roerloos bleef je staan

En stil ben ik verdwenen langs

de cirkel van jouw ik

                

DE NATUUR ZONG AMEN

De monnik en ik. We gingen langs snelstromend water, een smal riviertje dat intrigeerde door de korte, rap klotsende golfjes. Daar bloeiden tegen de oever de gele violen die zonder muze hun kleur zongen, een kleur van ongekend vreugdejaune; dat geelsoort van de unieke zinkvi­ool­tjes die groeiden langs deze smalle rivier. Slechts het meest Limburg­se zuiden vertelt van hun be­staan.

De monnik leek te genieten. Ik genoot zeker. De flora en ook de fauna waren paradijse­lijk. Zon of geen zon: dit was Lim­burg. En we ver­volgden onze weg over een pad dat zich speels door het landschap slingerde. Had ik Frankrijk aangedaan, zoals ik al zolang van plan was geweest, dan zou ik déze vreugde niet hebben gekend: samen met de monnik ging ik langs de goddelijkste wegen in dit kleine kikkerland.

Ik keek naar de hemel. Was God daar soms? Ik zag een dikke wolk. Even later probeer­den schrale zonne­stralen haar voor­zichtig te doorbreken. 'Is God daar?' vroeg ik aan de monnik. Hij glimlachte, maar antwoordde niet.

Mijn pas ver­traagde. Zag ik forellen in de snelle stroom? Schielijk scho­ten de vissenlijven door het water. Forellen. Heuse forellen. Opgewekt stapte ik door. Het pad voerde langs water, weiden en akkers. Koeien bekeken ons dom­nieuwsgierig; vogels vlogen hoog op en scheerden laag weg; bloemen bloeiden volop; grassen deinden hun bloeisels, hun halmen.

De monnik stopte abrupt. Hij boog voorover, alsof hij iets bekeek. Het was een slak, die zijn aandacht trok. Met zijn voet bewoog hij het huisje. De slak kromp niet ineen, wat ik ver­wacht had, maar ging verder het slakken­huis uit. Zijn voel­sprieten staken meer naar voren, alsof hij wilde tasten waar hij zich bevond. Dat was in zand en onder vlier en braam­struik. Ik rolde het slakken­beest verder, het hoge halmgras in, ter bescher­ming. Ik keek naar de monnik. Hij liep door. Langzaam.

Dan plotseling viel hij op de knieën, hief zijn armen omhoog en begon te zingen. Ik hoorde een hoge, heldere stem. Een manne­lijke sopraan. De monnik jubel­de. Hij zong een Godlof, een psalm gelijk: 'Dank Jou, Vader, voor dit aardse goed! Dank Jou, Vader, voor deze won­derschone natuur. Dank jou, hemel, voor de wereld. Dank jou, wereld, voor de hemel.'

Ik was stiller dan stil. Ik boog mijn hoofd. Ik sloot mijn ogen. Ik ervoer een stroom die sterker moest zijn dan het snelle water van het riviertje. Vissen zwommen in mijn bloed. Vlin­ders dansten onder mijn huid. Vogels zwermden in en uit mijn hoofd. En liefde, heel waarachtige liefde, bewoog heftig mijn hart.

En ook ik knielde neer. Met ingehou­den adem boog ik mij voor­over. Ik kuste de grond die mij droeg en ik aanbad God zelf. Dit was Zijn aarde. Dit was Zijn rivier. Dit was Zijn schep­ping. Wat wilde ik meer? Wat verwachtte ik nog?

De zinkvi­ooltjes roerden zich in het ritme van de zachte wind. Het Engels gras trilde mee.

De monnik ging staan, rechtop. Hij keek naar de hemel. Toen keek hij naar mij. We lachten.

Langs de snelle rivier gingen we samen verder. We wisten ons kinderen van God. Zonder woorden ervoe­ren we het leven als amen. Niet meer en niet min­der. Het kwaad was ver weg, heel ver weg. Want God ging met ons mee. Net als de vissen in de rivier. Net als de vogels in de lucht. Net als de wind in onze haren. We gingen verder: God, hij en ik. Ik, hij en God. We gingen gedrieën langs de bloe­men­ en de strui­ken en langs de oevers met de zinkvio­len en het Engels gras. We lachten, we zongen. Godpsalmen galmden over de akkers. De bomen waren duizend keer groen. De natuur zong amen. © 1993

 

ADEL, OFFERS EN EVA

Hij was uiterst rechts in de roomse leer. De priesterlijke snit van het sacrale pak droeg hij met schrijdende pas en met waar­digheid. Hij was van de adel met het paarse bloed.

De katholieke katechismus lag hem na aan het hart. Scrupuleus behield hij de inhoud van de editie van vóór Vaticanum II. Intussen was verdorvenheid deel geworden van Gods Wereld en in het Rijk der Geeste­lijkheid. Zelfs binnen de contreien van Vaticaan­stad heersten de slechtste geesten. De grote geloofs­catastrofe was compleet. De mens was slechter dan ooit en de jaloerse God zou toeslaan. Deze mening was hij toegedaan. En hij verkondig­de tijdens preken en confe­renties en in zijn ge­schreven werken dat satan als de leider der wereld rondging en als een brul­lende leeuw allen zou verslin­den die hem maar enigszins ten prooi konden vallen. Het waren er té velen...

'Het is enkele reis. Uw ziel heeft nu nog een kans. Bied hem aan God aan en offer, offer, offer. Geen offer mag u te zwaar wegen. Geef uw leven als Hij dat van u vraagt. Offer uw geld voor nieuwe priesters. Bid, bid, bid. En bemin uw God. Verloo­chen uzelf. Leef voor uw naasten. Bekeer u elke dag opnieuw. Waakt, waakt, waakt opdat u niet in bekoring komt! Geef uzelf aan de maagd Maria en luister naar uw engelbe­waarder. Doe wat hij u be­veelt. Als híj toornig op u geraakt, bent u verloren!'

En vele, vele goede lichtgelovigen knielden neer voor de pries­ter met de zwarte toog. En vele, vele goede lichtgelo­vigen bewonderden de sacrale snit van zijn overige klerikale out­fits, en hier­door verblind zagen zij geen mens meer in hem. Hij was een weldoener, een heilige. Hij had woorden van God. Hij was zó geleerd! Was hij niet gepromoveerd op Ezechiël? Reisde hij - als doctor toch maar! - niet de hele wereld rond om zielen en priesters en nonnen te winnen? Was hij geen vechter, geen held voor Rome? Ach, hij beminde zozeer de paus! En hoe ado­reerde hij Maria! Hij ging veelvul­dig ter bede­vaart naar haar heilig­dom­men en dat deed hij in alle nederig­heid. En zijn liefste heilige, dat was Treesje van Li­sieux. Hij vertel­de immers altijd over haar heiligheid, over haar glim­lach en over haar rozen­blaadjes! 'Zij was zo rein, zo schoon van ziel', zei hij dan. 'Zij was Gods lieveling.' Welis­waar, daarnaast wist hij stellig: 'In elke vrouw zit een kleine Eva verborgen. Vrouwen verleiden altijd. Dat doen ze allemaal. Behal­ve Maria, de nieuwe Eva. Zij is kuis geweest in alles. Zij was zuiver, zij was door en door schoon. Ja, ja. Bernardus van Clervaux mocht Maria's melk drinken, proeven, smaken. Bernar­dus was groot door zijn liefde voor de Maagd en zo was deze heilige man een van haar uitver­kore­nen. De moedermelk sijpelde uit haar bor­sten in zijn mond en langs zijn lippen druppelde het kostbare vocht. Er bestaat een rots, die nog altijd wit is van haar melk. Als rotsvast be­wijs! Welk een wonder, niet­waar!' Zo zalfde de gesacreerde man legendes met balsems van eigen waarhe­den en ver­kwanselde hij zijn individu­aliteit en zijn intel­lect. Zou dat? Kijk nog even mee:

Tijdens een stille dag werd een charmant Indonesisch vrouw­tje op een onverwacht moment aan hem voorgesteld. Zijn wenk­brauwen gingen in ene omhoog, zijn liefste glimlach ver­scheen. En hij nodigde haar uit. Na de slotvie­ring werd zij in zijn residentie verwacht. Ze was onverhoeds zijn uitver­koren lieveling geworden, naast Treesje van Lisieux, naast Maria maagdeke, naast de witte paus van Rome en naast alle sacrale paarse en rode witboorden. Hij schreef haar briefjes: 'Voor altijd de uwe.' Ja. Hij was verliefd. Heel duide­lijk bekoord door de kleine Eva in die kleine donkere vrouw. En zij was ge­flatteerd. Ze giechelde als een bakvis als de post de zo­veel­ste ansichtkaart van hem bracht uit de verre landen die hij aandeed om zielen te winnen. Of bij het ontcijferen van zijn kriebelig scrupuleuze handschrift achter op de heiligenprent, die hij haar stuurde vanuit zijn favo­riete bede­vaartsoorden. En des avonds dronk zij 'n glas wijn, sprak verward en raakte opge­wonden door zijn danktele­foontje, dat hij steevast pleegde als hij op bezoek was ge­weest voor een persoon­lijk gesprek­, dat zij had aange­vraagd en dat hij hield met haar. Dan had zij ge­biecht bij hem en zij had ge­knield voor hem en hij had haar geze­gend. In het Latijn. Benedicat vos omnipotens Deus. In nomine... © 1992

 

VOILE OVER GOD

Lisa en ik. De boot voer richting Dover in 'n langzaam tempo door de dichte mist. We wilden de krijtrotsen zien, maar ze lagen onzichtbaar in het wolkenpak. We konden geen contouren onder­scheiden en we hadden Engeland vanaf de Noordzee willen schou­wen.

Het werd een onaangename intrede. Aan wal was de Engelse douane bijzonder onbehouwen tegen de reizigers die het land aandeden. Ik had het verstikken­de gevoel in een regiem te zijn beland waar menslievendheid ondenkbaar was. Ik zei 'Sieg Heil' en maakte een saluutgebaar. De koude mannen schreeuwden bruut en pakten eenieder hardhandig aan. Men voerde strenge contro­le. Begrijpelijk, toch wel: Er waren diverse IRA activiteiten geweest en vele burgers gedood. Engeland was op z'n hoede.

Reis in de mist. De trein naar Londen was vertraagd. Onze magen knorden. We verlangden alleen nog eten en een bed. Na uren beproefd geduld arriveerden we in een duister hotel. De beloofde folderluxe bleek valse propaganda. We waren te honge­rig en te moe om ons te verbazen.

Gelukkig maar. De volgende ochtend bij het ontwaken zagen we vanuit het venster een vuilnisbelt tegen het hotel. Het nach­telijk onge­dierte zou hier voldoende energie hebben opgedaan. Nu was er rat noch gier te bekennen. De mist was weg.

Toen keek ik Lisa aan. Ik schrok. Ik zag haar gezicht. Ze leek op een varken. Lisa was knap. Lisa was mooi... Lisa was zonder make-up en ik herkende haar niet. Ze had zwijnenoogjes en een vale, bleekroze huid, onzichtbare wenkbrauwen en ze was wimperloos. Ontzet staarde ik haar aan. 'Heb je ook zo eng gedroomd?' vroeg ze. Ik zweeg. Ik dacht aan de alles verhullende make-up. De mist was weg en ik zag de belt...

Ze schminkte zich. 'Zo voel ik me aangekleed', zei ze. 'Waarom tut jij je niet op?' Ze had geen idee van de wanhoop in m'n ziel. Als ze naakt was geweest, zou ik niet geschrokken zijn. Maar nú: Lisa's schoonheid bleek mist te zijn. Alles verhullen­de mist. Vanaf dat moment wist ik dat ik geen make-up meer zou aanra­ken. Het was AD 1974. © 1992

 

GOD ZIEN

We lagen in het hoge gras langs de waterkant. Het water was donker met veel kroos. Hij kauwde grasspriet. Omdat hij op Shaffy leek, noemde ik hem Ramses. Zijn zwarte naamloze hond rende heen en weer en plonsde af en toe in de poel, zich daarna niemand ontziend breed uitschuddend. Dan was ik nat.

'Morgen geef ik het beest een naam', zei Ramses. Ik noemde dat beest dus Morgen. Morgen was aardig en aardig vervelend. Hij mocht teveel.

Jes lag erbij als een elfje. Hoewel, in het leven van alledag waarde ze al rond als een lieve fee. Haar ogen droomden rich­ting Ramses. 'Ze houdt van hem', dacht ik. 'Of ze is 'n dagje verliefd.' Bij Jes wist ik het nooit. Ze zat zo boordevol liefde voor de mensen die ze ontmoette en die haar omringden. Jes had eigen­lijk iedereen lief. Heel puur. Wonderlijk. Ze had in haar jonge leven al veel levens geleefd met als hoogtepunt ellende. Desondanks bleef ze overeind, leefde blijmoedig verder en stopte niet met beminnen. Jes was een christin van het zuiver­ste soort.

Ramses dronk bier. Hij haalde het tinnetje uit zijn schapen­vellen bólero. Zijn blik was wazig en z'n lach onzeker.

'Hoe zie jij God?' vroeg ik.

'God? God nog aan toe! Weet ik niet, jij?' Ik hield aan. 'Kijk', zei hij, 'mijn moeder geeft geen moer om me, mijn vader ken ik niet, ik ben enigst kind, heb amper te vreten. Hier ben ik: wat zie je nou? En jij vraagt mij naar God? God nog aan toe!'

Hij slurpte van zijn bier, gooide de zoveelste tak in het water voor Morgen en sprong overeind. 'Hier word ik niet goed van. Laten we het gezellig houden, ja?' Fee Jes stond op, sloeg haar armen om hem heen en wiegde hem zachtjes: 'We moeten God zijn voor elkaar, stil maar lieverd. Ik zal God voor je zijn.' Ze streelde zijn ruwe gezicht en het verwarde, stugge haar. Ramses lachte breed. Hij genoot van Jes en ik aanschouwde het tafereel ontroerd.

 

Ik dacht terug aan een conservatieve priester die me thuis eens had bezocht om tegelijkertijd kennis te kunnen maken met Jes. In alle openheid had ze de inhoud van haar hart en haar kennis aan hem toevertrouwd, hem zonder schroom verteld over alles wat haar bezighield. Ze was geïnteresseerd in alle soor­ten van mystiek. Ze weergaf haar vele reïncarnaties en vertel­de van haar verbondenheid met de maan...

'Gaat u niet meer met haar om', zei de letterknecht me later, 'zij is een heks.' Terstond onderging ik de gruwel van zijn uitspraak, maar deze stemde me vervolgens dankbaar, want hij creëerde, zonder dat te beseffen, een legende rond Jes. Zijn stelling vertelde ook iets van hem... En ik kende haar ge­schiedenis. Jes: voor hem een heks, voor mij een fee. Jes: een van de allermooiste mensen die ik mocht kennen. Een christin. Met een sterke identiteit.

Ik zei de behoudende priester met zíjn bijgeloof vaarwel.

Die middag langs de waterkant was onvergetelijk. Ik mocht God zien. © 1993          

 

HET WINTERKONINKJE

Bij het kapelletje in het bos, gezeten op een bank, bad zij om genezing voor haar zieke zus. De atmosfeer was somber door de dreigende wolken die loodzwaar terneer drukten. Afwachtend zat zij daar en iets in haar vertelde, dat haar vertrouwen niet vergeefs zou zijn.

 

Plotseling brak licht door het wolkendek en vriendelijk zacht scheen de zon haar warme stralen uit en op het beeldje van de 'Heilige Eik' streek een winterkoninkje neer en zong... en zong uit volle borst. En zij begreep dat dit heerlijk visioen wonderlijke realiteit was en het winterkoninkje haar symbo­lisch kwam vertellen dat haar zus genezen zou...

 

De lucht trok dicht, het licht verdween, de wolken woelden verder, terwijl het beestje met zijn lied in haar nabijheid bleef.

 

Langzaam maar zeker genas haar zus en met een dankbaar hart herinnerde zij zich die kleine lieveling, zo zingend in het licht dat van de hemel kwam... dat winterkoninkje met een boodschap van God.

 

Nu is zíj ziek en ligt soms dagenlang verkrampt van pijn. De lange nachten kwellen en moedeloos maakt wachten op verbete­ring, die misschien nooit komt.

Ik weet waarop ze hoopt. Ze heeft het me verteld: 'Ik heb hem nog niet gezien, maar als ik hem hoor zingen, alleen nog maar hoor zingen, dan weet ik dat ik beter word...'.

 

In Oirschot bij het kapelletje naast die grote eik vraag ik de goede God één ding: 'Stuur haar dit vogeltje'. © 1992

Uit de mond van VerbolgenVrouwen 

(Naar een idee van Christine Brückner)

 

VOOR IK STERF, HEB IK NOG WAT TE ZEGGEN

Door Ine Verhoeven

 

Theofila Boerhoefer praat tegen Moepie de poes 

 

Moepie, kom. Leg je warme vachtje maar tegen het vrouwtje aan. Luister! Ik vertel het jou: ik ga praten. Ik ga mijn mond opendoen. Ik ga vertellen wat ik altijd verzweeg. Omdat alles wat ik wèl zei, toch niet werd geloofd. Omdat ik fantaseerde? Ik fantaseerde niets! Maar ik heb wel fantasie. Gekregen door de ervaring. En omdat ik onthouden kon. Omdat ik keek en ook zag, wat ik bekeek. Dat lusten niet veel mensen, Moep. Nee, ze lusten het niet als je kijken kunt. Ze willen me liever blind hebben. Dan kan ik mijn mond niet opendoen, omdat ik dan niets zie. Mijn hoofd is wel ziek. Maar mijn geest is helder. En ik ben nog niet blind. Als die tumor eruit is, zal ik niet blind worden ook! Maar wat er ook gebeurt: ze zullen het weten. De rotzakken die mijn leven verziekten. De etters die mijn naam vervuilden. Geloof jij de mensen maar, beestje. Ik niet meer. Ik geloof mezelf. En mijn zoon. Maar dat klinkt niet goed. Ik geloof ìn mijn zoon. Dat is het. Omdat hij mijn leven nog vult. Hij wel. Verder niemand, geen mens! Jawel, jullie twee, mijn poezen. Misschien zijn jullie wel mijn redding geworden.

 

Nee Moep, blijf hier! Kom, en luister goed! Ik had je eigenlijk niet willen hebben, maar ach. Na die vluchtpoging van mij naar de andere wereld was ik eenzamer dan ooit. Wat was toen beter voor me dan de aanhanke­lijkheid van een kat? En Moep, al mijn poezen worden oud bij mij. Ik doe nooit een poes weg. Ik heb Zwartje er maar bij genomen, toen Katinka nieste en vies werd van de kat­tenharen. Ze werd er gek van. Het was net schaamhaar, bedacht ze. Wat is daar waar van? Een t’mea  die vies is van schaam­haar? Maar jij en Zwartje blijven bij mij. Jullie behoef­tigheid heeft mijn zorg. En jullie afhanke­lijk geeft me een goed gevoel. Ja, ik zorg. Ik heb altijd gezorgd. Nee, niet voor mezelf. Dat dacht de wereld wel. Als ik voor mezelf had ge­zorgd, dan was ik niet bij Boris gebleven. Het kind Boris. De versierder die alles, maar nooit iets ècht versierde. Die mij wel versier­de en zijn vrouw. Die ons versierde. En genoot van ons, als we kronkelden in bed en hij toekeek. De opzich­ter! En hij versier­de bij mij een kind. Mijn zoon. Moep! MIJN zoon, zeg ik! Hij heeft mijn achternaam. Boris zou met me trou­wen. Trouwen! Wat zeg ik je? Dat woord deugt niet. Er bestaat geen trouwen. Wat is dat, trouw? Ik ben trouw, dat weet ik. Mijn eigen trouw ken ik. Maar hij! Hij was ontrouwer dan prins Hendrik in zijn tijd! Boris bedotte Jana en mij. Met een Griekse! Ons allebei tegelijk. En Boris bedonderde die Griekse. Boris had sperma over. Maar noem ik prins Hendrik? Prins Bernhard kan - of kon - er ook wat van! Met zijn Duitse! praktij­ken heeft hij mooi de adel en de hele wereld bedonderd. Die mooie jongen van toen draagt nu een baard. De ouwe knar. Wat was dat laatste schandaal over hem? Hij had weer gezwen­deld, ach laat maar. Alle kerels zwendelen toch. Ik moet de eerste nog tegenkomen die niet aanrommelt met wat dan ook. Of met wie dan ook. Trouw is een vies woord, ik zeg het je. En zwen­del is gewoon. Bennie wordt toch niet gepakt? Hij moet zijn apenpakje uit op grote feesten. Verder een medaille minder dragen. Nou en? Weet je dat zijn dochter Irene praat met bomen? Alsof dat iets nieuws zou zijn. Ik praat al jaren met bomen en planten en bloemen, en met poezen. Zij verhoudt zich met dolfij­nen? Ik met poezen, Moep! En ze is behoorlijk achter­lijk, want waar zij nu pas achter komt, ben ik al der­tig jaar achter! Ik, het lelijke prinsesje in de familie. Bij de Boerhoefers. Mijn mooie zusje is dood. Vandaag is ze jarig. Het is de zevende alweer. De zevende april. Wat heb ik toch met die zeven. Met dat ongeluksge­tal? Ik kan er niet omheen. Als de zeven in mijn buurt komt, weet ik hoe laat het is. Vijf voor twaalf. Ongelukstijding. Voorbode.

 

Zie je die foto? Dat is ze, mijn mooie zus. Mijn moeder was trots als een pauw op haar voorkind. Wat verzweeg mamaatje de waar­heid goed. Iedereen was rot, alles was ondeugdelijk. Ze ver­kocht zich laag en groots tegelijk, die koningin Eliza­beth! Ze verborg haar rottig­heid in haar trukendoos. En haar liefde voor mij, die is een droom van mezelf. Och, ze kon niet lief­hebben. Ze had geen gevoelsleven. Ze was zonder affectie. De eerste kus moet ik nog van haar krijgen. De eerste knuffel heb ik nog altijd tegoed. Hoe heeft ze mijn vader eigenlijk ver­sierd? Hoe ging die truc? Natuurlijk ging hij vreemd. Natuur­lijk zocht hij 'het' buiten de deur. Ik lach me wild: seks met die kouwe vis? Mooie kleren en dure spullen. Jonge jongens met bruine ogen. Daar viel ze op! Zoals destijds op Vetersen en op Van Ommen. En wat is er werkelijk in de theaterwagen van papa gebeurd? De nachten dat ze samen sliepen met tante Roxy in die grote auto? Marij werd geboren. Dochter van Roxy, het zusjelief van mama. Heb ik nog een halfzusje soms? Zelfs mama twijfelt!

 

Wie is dat mens? Haar naam is Moeder. Ik ken haar niet. Ik ken de nonnen. Van de kost­scholen. Van de wasbeurten onder de douche, wassen met de schort aan. Om de kuisheid te beschermen. Haha. Onkuis­heid troef. Treesje Achterbeek voelde mijn boezem. En ik die van haar. Lekkere lesbische trekjes van Trees. Of liever, Marie Thérèse Achterbeek Boom. Een Indonesische schoonheid. Geil als boter. Kuis als de sterren! Om te zien. Haha! En de nonnen maar bidden. In de mis. In het lof. Heilige Maria, moeder ván. En mijn heilige mama was hitsig, net als elke andere mama. Moet ik nou medelij­den heb­ben? Ze wordt oud. Ze dementeert al. Toen papa ineens dood­bleef, was hij haar god. Heel eventjes. Bang was ze in het huis. Want daar viel hij dood neer. Hoe vaak zou ze dat gewenst hebben? Als hij thuiskwam van weer een ander liefje? Als hij onder de krabben en de strie­men zat? 'Jij snapt toch niks van de liefde', zei hij dan. Ik hield van hem. Ik voelde dat hij ook van mij hield. Maar dat hij het niet liet merken! Mijn zigeu­nermoeder, de koningin zelve, had hem vermoord. Zielig is ze. En zielig was ze. Onze herdershond lag destijds aan haar voeten te janken. Ze had teveel tranquillizers ingeno­men. Wat zeg ik? Te wéinig. Ze ging niet dood. Hoho.

 

Maar die hond, had die mensenkennis? Moep, heb jij dat soms? Dood­doen is een familie­trek. Doodgaan niet. Zelf­moordscènes te over. Mama, mijn broer, mijn zus, en ikzelf. Tekort aan aan­dacht. Tekort aan warmte. Tekort aan armen. Tekort aan mensen. En tekort aan lief. Boris copuleert. Boris geilt. Boris laat me stikken. En Boris houdt van me. De stumper. Ik kom ze tegen, overal, de mensen met het trauma 'liefdetekort'. En jammeren of smeken, gillen of fluiste­ren, geilen of geildoen: niks helpt echt. Het is de vreselijke worsteling van het overleven, anders niks. Nee, niet met je nagels, Moep. Dat doet me geen deugd. Krabben doen de ménsen al genoeg.

 

Weet jij al van Jorin? Wat waren we verliefd. Jong, wild en verliefd. Hij is dood, Moep. En weet je hoe hij stierf? Hij dronk geest van zout. Geest van zout! Hij was geadopteerd, en veraf­good. Hij was ook stil. En impotent. Van wie zijn Herma's kinde­ren? Van Jorin? Of toch van Willem? Herma is weduwe. Ze zit gebeiteld. Een eigen huis. Met haar eigen kinderen, die nu ook volwassen zijn. Zou ze al oma zijn? Ik hoorde dat haar zoon wegliep toen Jorin dood was. Jorin dood. Annemarije dood. Papa dood. Al mijn lie­verds zijn dood. De serpenten leven nog. Nou ja, kijk tante Theofila. Op haar verscheiden moesten we wat langer wachten. Stom zeg, ze lag een week dood in haar huis. Haalde ze het nieuws in de krant ook nog. Het is maar hoe het je overkomt, Moep.

 

Maar Jorin is een hoofdstuk apart. Toen was ik een 'volwas­sen' tiener. De kermissen liepen we af. Met Tina en Toton. Met hem mocht Tina niet omgaan. Met Jorin mocht ik niet lopen. En daar wandelden pa en ma. Ze zagen ons. En bang waren we, Tina en ik. Wat een rotjeugd. Altijd angst. We waren nog zo zedig. Groen als gras. Een kusje verwekte een kindje! We keken wel uit! Maar dat duurde niet lang. Tina moest trouwen en ik had Boris ontmoet. Kiezen of delen dan: Boris, of het huis uit. Boris dus! Getrouwde Boris. En vader ván. Van hotel naar hotel ging ik. Boris’ vrouw Jana ving me toentertijd nog op. Later nachten lang slapen in de auto. Toen weer in een hotel. En zwanger raken, natuurlijk. Dat hoorde er zo bij, in mijn tijd. Losgeslagen verliefd zijn en ongeborgen ronddolen, zoiets maakt neuken tot een verrukke­lijk spannende ontspan­ning. En Boris lustte er wel pap van. Nu nóg. De onverzadigba­re dik­pens. In Utrecht kreeg ik mijn zoon. De hel van het roomse tehuis voor ongehuw­de moeders heb ik doorstaan. De beloftes van Boris om met me te trouwen heb ik geloofd. Maar bijna tegelijk met de geboorte van Mattijs beviel Jana: ook van een zoon.

 

Boris’ losse handjes onderging ik gelaten. Bont en blauw sloeg hij me. Mijn hysterie en gegil bedaarden hem niet. Hij kickte op mijn verzet. En ik werd zijn slavin. Onopge­merkt sloop ze bin­nen, mijn afhankelijkheid. En mijn eerste overdo­sis had ik al achter de rug. Sterven helpt niet, Moep. Schreeu­wen om aandacht ook niet. Maar daar was ik toen nog niet achter. Ik geloofde die vader van mijn zoon. Gekneusd was ik vanbinnen en vanbuiten. Toch geloofde ik hem. Toen. En nog. Daar ligt een raad­sel. Wat bindt mij aan die vent? Dertig jaren wachtte ik op de uitvoering van zijn belofte: trouwen. O ja, hij zou gaan schei­den. Jana had haar toekomst veilig gesteld. Zij is de lachende derde. Niet ik. Zij. Scheiden? Goed. Maar dan wordt alles van haar. En daar kan 'man' Boris niet tegen. Hij moet niets hoeven inleveren. Met behoud van alle rechten. Ach nee, Moep, het was een pose van hem! Een spel. Een zoethoudertje voor mij. En ik sabbelde op zijn zuurtjes. Als een braaf kind.

Nooit vergeet ik de rapheid van de roomse nonnen om me mijn kind af te nemen. Adoptiegeval! In geen enkel geval, hoho! Vechten Theofila, vechten. En ik vocht. Als een tijgerin. Al­leen. Als Theofila problemen heeft, slaat Boris op de vlucht. De eeuwige vluchteling! Ook nu weer, Moep. Ik zit met die tumor in mijn hoofd. Wachten op die neurochirurg. Mijn oog wordt slechter. Mijn hoofd bonkt. Scheel zie ik van de druk. En ik wacht. Niet alleen op die operatie. Ik wacht op Boris. Die niet komt. Ik wou dat ik hem als een jas uit kon trekken. De laffe hond met zijn grote bek. Blaffen, grommen en bijten. En wegblijven als het moeilijk wordt. Ruzie zoeken, en schelden en tieren om een rollend appeltje in de auto. Gezellig een dagje uit. Om even te verge­ten dat ik met mijn hoofd vol dood loop. Afgezet voor de deur. Zoek het maar uit, trut.

 

Maar ja. Het was bijna Pasen. Deze scène voert hij ook op als Kerstmis nadert. Dan hoeft hij niet te komen. Dan zit hij veilig bij zijn vrouw. Bij zijn gezin met aanhang. Als een echte vader. Als een waarachtige opa. Geloof ik die zak nog? Wil ik die zak nog? De vrek! Met mijn uitkering moet ik ook nog eens ruim kunnen leven. Dat meent die mijn­heer met zijn dikke baan en zijn vette ton op de bank. Hij wel! Hij heeft een goedkoop adresje, hier. En een hele grote bek. Daar komt niet alleen van alles aan kritiek uit. Daar gaat ook de uitkering van Theofila in. In de vorm van koffie, eten, koek en snoep. Ja, hij laat zich voeren, net als Zwartje en jij, Moep! Zou hij nog ergens een Griekse achter de hand hebben? Als ik straks uit het ziekenhuis ben, komt hij gegarandeerd weer terug. Had ik maar moed genoeg. Alle trucs en alle denkbare mogelijkhe­den heb ik al toegepast om hem te vergeten. Nooit meer Boris. Maar dan staat hij weer voor mijn deur. Dag Boris. 'Ik houd toch van jou.' Houden van. Ook zo'n vies begrip. Boris houdt van Boris. Zoals mannen toch alleen van zichzelf kunnen houden. Zo overle­ven ze misschien? Egotrip­pers. Dat zijn ze! Allemaal!

 

Wippen we vandaag nog of hoe zit dat? Nee toch! Mijn hoofd is ziek. Boos is Boris. Weg is Boris. Dag Boris. Wat moet Boris met een zieke maîtresse? Hoewel. Goedkoper kan hij nergens terecht. De hoeren zijn hem te duur. En de risico's te groot. Hij mocht eens platjes krijgen. Of 'n druiper. Of aids, nog erger! En dan, Jana be­heert het banksaldo­. Of zou hij me weer een loer draaien? Ze heeft een volledige baan. En Boris is niet bang van een vrouw. Wat zwetst hij, dat zíj het geld be­stiert?

 

Boris, je moet kiezen. Boris, wees eerlijk. Boris zegt ja. Theofila gelooft hem. Ik ben een slechte hoer, Moep. Omdat ik een eerlijke maîtresse ben. Maîtresses zijn geen hoeren. Mits ze slim zijn. En pluk­ken. En hun rug­pijn laten betalen. Maar ik heb hem nog nooit één pijntje van me laten beta­len. Ik had hem aan kunnen geven wegens mishande­ling. Maar nee. Altijd heb ik hem gespaard. Altijd verzon ik een gegron­de reden voor zijn gedrag. Dat leverde me zelfs een schuldgevoel op. Ik ging alles omkeren! En hoe blij was ik als die klootzak weer voor me stond. Die breedlo­per met zijn grote bek. Boris houdt van me. Hahaha! Ooit zal hij mij en zijn ! zoon genoegdoening schenken. Dan zal hij niet aan mij voor­bij kunnen. Mijn zoon is zijn zoon. Wat lijkt hij sprekend op Boris, en op die bijna twee­ling­broer! Maar tóch, Moep, Boris liegt me voor. Dat zie ik nu pas heel duidelijk. Moest ik dan eerst half blind worden om goed te leren zien?

Kom, ik sta eens op. Ik ga jullie eten geven. En drinken. En jullie kattenbak verschonen. Ik houd van schoon. En van mijn dikke poezen. Het leven is kort.

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

ROOD KARDINAALTJE

In het braadpannetje pruttelt een blind vinkje, ik jas een pieper met oogjes en weet, dat ik een bundeltje moffelboontjes zal gaan doppen. Mijn maag vraagt om een maaltje. Eenvoudig en graag ge­zond.

Bedenk ik ondertussen dat ik zelden of nooit tv kijk. Ik heb zo'n ding wel, maar waarvoor eigenlijk? In een opwelling laat ik mijn halfnaakte pieper achter op het aanrecht, kijk nog even naar mijn vogel in de pan, laat de moffels gemoffeld en ren naar mijn toe­stel, alsof ik ineens zonder die vreselijke haast iets zal missen.

Warempel, het nieuws! In Oos­ten­rijk en Zwitser­land blijken prelaten in opspraak. Hoge bomen vangen binnen Kerkeland loei­en­de storm­wind: De roomse adel blijkt onder de 'Mes-sig­neurs' sterve­lingen met aardse gevoelens te herber­gen. Ene kardinaal en ene bisschop zijn in het vizier. Hun mense­lijke trekjes kwamen aan het daglicht: De ene heilig­heid heeft lijfelijke contacten onderhouden met mannetjes en de andere sin­theer heeft 'bekend' spoedig papa te worden. Ik bekijk de aan­staande vader kritisch en bedenk dat Onze Lieve Heer wel een heel erg mooie man in dienst heeft genomen. Zo'n schoon­heid bekoort zelfs ongewild de meest preutse begijn. Zo'n mooiheid zorgt als vanzelf wel voor een 'gevallen vrouw'.

Maar wat nu? Rome heeft zorgen, grote zorgen. Het zijn immers geen kleine jongetjes, die hier publiekelijk op hun bekje zijn gegaan. Vooraanstaande gezagsdragers profaneerden hun gewijde heelheid en dreven hun ziel richting hellevuur. Oef!

 

De stich­ting Philothea hier in den lande, die momenteel ope­reert onder de naam 'Stichting Magda­la - voor vrouw en pries­ter' en die haar bestaan dankt aan Tineke Ferwerda met haar boek 'Zuster Ph­ilo­thea, ziet gij nog niets komen?', krijgt na de gewraakte val van deze groten der kerk wèl nu een tranentroost voor gekwelde pries­ters en voor hun eveneens getarte vriendin­nen aangereikt middels deze bondgenoten in het ornaat van zwart met bis­sch­op­paars en kardinaalrood.

En wat wil nu het toeval? In het DABAR-bericht nummer 3-1995 lees ik later, na het een­gangsdineetje met blind vink­je, bloot aardappeltje en ontmantelde boon­tjes, bij 'korte berich­ten' een mededeling van deze Magda­lastichting. De annon­ce haalt een Arabisch spreekwoord aan: 'Er zijn drie dingen die men niet kan verber­gen: dronken­schap, zwangerschap en liefde.' Had ik wellicht zelf ook kunnen bedenken, maar toch, er zit een waarheid in zo groot als een koe. De tekst meldt verder: 'Vroeger of later, er komt een moment waarop je de toestand waarin je verkeert onder ogen moet zien. Dat kan pijnlijk zijn. Pijnlijker wordt het als die toestand geheim moet blij­ven. En het pijnlijkst wordt de situatie als je dat niet (meer) wilt. Intense vriend­schap en liefdesrelaties tussen priesters en vrouwen staan in veel gevallen onder deze pijn­lijke druk van geheimhouding. 'Stich­ting Magdala' wil zich voor mensen in zo'n situatie inzetten. Wilt u meer weten: Postbus 4114-1620 HC Hoorn.' Einde citaat.

Wel, Rome zal zich niet met deze Magdala's inlaten. Toch is het goed dat de wereld kan zien - zoals in het tv-spekta­kel - hoe menselijk de priestermens is. Hij is geen god. Hij is niet as­traal. Hij is van vlees en bloed. Hij leeft niet alleen van eten en drinken. Zo wel, dan is de kans op vraat­zucht of alcohol­ver­slaving groot. Iets, waarom niemand zich dan druk maakt. Bij het pastoorsbeeld horen een goed gedekte tafel, de borrel en de sigaar. Dat zijn attribu­ten die hem gena­dig worden toege­staan, die bij z'n aanzien horen en hemzelf 'de si­gaar' doen zijn. Want affec­tie is ta­boe. Lijfelijke lievig­heid mag niet. Valt het me nog mee dat deze mannen niet worden ontmand. Of seksrem­mende pillen moeten slikken. Maar dan zit het instituut naast de anticonceptiepil met nog een ander pil­pro­bleem. Enfin, de prelaten bewij­zen zelf wel de onmoge­lijk­heid van de door hen verkondigde onmogelijke moge­lijkheid. Een van seksuali­teit ontzield lichaam is of niet in orde of het bestaat niet; of het is gevoelsdood door trau­ma's of scrupules die onheilig de staat van de sekslo­ze heilig­heid(?) waarborgen. Rome zoekt het maar uit. De Magdalastich­ting heeft de handen vol. Ik hoop dat ik de Frontlijnlezers in hun mensen­harten heb mogen berei­ken, zodat dezen - tenminste - de pries­ter(s) met vrien­din of vriend onbevooroordeeld tege­moet zullen treden. Als slot bezie ik ook nog de homopastores. Allen creaties van de Grote Schepper: 'En God zag dat alles goed was. En het wás goed'. 

 

Wat zal ik morgen eten? Kapucijners? Dan drink ik daar een trappistje bij. En in mijn koffie gaat een benedictijntje. Maar nú eerst een glas bisschopswijn! Heerlijk proeven van het rijke roomse leven! Lekker katho­liek! En ik zal eens op zoek gaan op de vogeltjesmarkt in Antwerpen naar een kardi­naal­tje, zo'n mooi roodkleurig pape­gaaitje. Voor in mijn zwarte kooitje uit Tunesië. Heb ik nog aan­spraak met een rooms accent­je en kan ik genieten van de juiste tintjes. Verheugend!

© 1995.