WIJ HEBBEN VOOR ALTIJD VAKANTIE
In Dagblad Trouw, 9 september2006 ‘ Vakantieverhalen’, publieksprijs gewonnen door Ine Verhoeven.
We denken aan varen over de Rijn. We denken een busreis naar Rome te doen. We denken te vliegen naar Malaga. We denken dat het moet kunnen. We komen er niet uit. We moeten eraan denken. We mankeren nogal iets. We mankeren de ouderdom.
We dromen weg in de middag. We vertrekken tijdens de middagdut. We gaan fijn met vakantie. We reizen naar verre landen. We rijden in ons autootje. We trekken de bergen in. We wandelen in Oostenrijk. We winkelen in Parijs. We varen over naar Engeland. We vliegen naar Madrid…
We worden wakker van de bel. We moeten opendoen. We zijn niet aangekleed, wat nu? We houden ons niet thuis. We zetten een lekker kopje thee. We geven de bloemetjes water. We praten tegen het vogeltje. We eten ons koekje op. We kijken of de post er is. We zien een mooie ansichtkaart. We zien de hoge bergen. We zien de toppen met sneeuw bedekt. We zien een stralend blauwe lucht. We zien de zomerzon. We lezen wat er geschreven staat: Het is hier cool en reuzeleuk! Tot gauw! Wanneer gaan jullie?
We trekken onze jasjes aan. We gaan naar de supermarkt. We gaan met het oude autootje vanwege het gemak. We kopen 4 maaltijden kant-en-klaar. We nemen wat bananen mee en ook nog rode appeltjes. We dragen samen de boodschappentas, één hengsel is voor mij. We komen bezweet bij het autootje aan. We hebben toch wel genoeg gekocht? We kijken of alles aanwezig is. We rijden tevreden naar huis.
We zetten het vogeltje uit de zon. We sproeien de bloemetjes nat. We eten de avondboterham. We doen de insulineprik. We tellen de pilletjes op ons bord. We drinken er kraanwater bij.
We willen nog steeds met vakantie gaan. We kennen het hele mankement. We zijn twee oude ouwetjes. We mankeren nogal wat. We kunnen toch wel met vakantie gaan? We twijfelen en twijfelen. We opperen wat we nog kunnen doen. We kunnen die boottocht maken. We kunnen een vliegreis naar Lourdes doen. We kunnen met de trein! We kunnen met de fiets op pad, hoewel…
We kijken verslaafd de soapjes af. We kijken een quiz. We kijken het nieuws. We zien naar Nova uit. We wachten op Hart van Nederland. We dansen op vioolmuziek van André Rieu. We kijken naar elkaar. We lachen om het levenslot. We zijn tevreden mensen. We hebben de hele wereld op de buis. We vieren onze vakantie heilzaam thuis.
We wandelen in de avond samen op. We zien de mooie wereld om ons heen. We voelen ons rijk en beschermd genoeg. We zien de avondzon. We zien de einder achter het veld. We zien de oude kastanjeboom. We ruiken de kamperfoelie en de rozen in buurmans tuin. We horen voorbij een struik de nachtegaal. We keren terug naar huis. We eten de noten uit de hof. We drinken warme melk. We kijken het nieuws en we mopperen. We zien het geweld in Azië, de oorlog is weer uitgebreid. We weten de wereld in gevaar. We zijn te moe om nog films te zien. We zijn de scenario’s zat. We weten van de wereldbrand, van alle oude strijd. We kennen ook de detectives wel, de thrillers én de sprookjes. We kennen alle vergulde romantiek. We hebben het leven wel geleerd. We weten het innerlijk van de mens, maar niet van allemaal. We weten de waarde van geloof, van hoop en ware liefde. We weten de mens die sterven moet. We weten de ouderdom. We weten nog veel van onze jeugd. We denken er graag aan terug, en niet. We weten de plichten van man, vrouw en kind. We weten het allemaal. We zijn twee wijze ouwetjes. We hebben de dag gevuld en gehaald. We zullen maar gaan slapen. We zeggen goedenacht.
We eten een eitje bij het ontbijt, bepraten waar we aan denken. We willen nog wel met vakantie gaan. We weten niet waarheen. We beleven onze oude dag en kennen de bezwaren. We zijn te traag om op weg te gaan. We moesten de auto maar laten staan.
We trekken weer onze jasjes aan. We rijden gezellig een eindje weg, voorzichtig de provincie in. We horen getoeter achter ons. We zien het grote wegverkeer. We maken toch geen fouten? We horen die toeter alweer en alweer. We zien de chauffeurs die harder gaan dan op de weg is toegestaan.
We hebben zo onze ervaring. We blijven liever veilig thuis. We zullen maar niet op vakantie gaan. We doen ons ding in de tuin en in huis. We hebben de vrijheid verworven. We doen wat we willen en wat er nog mag. We oogsten onze oude dag. We lezen een boek en zijn goed voor elkaar. We blijven lekker thuis. We hebben voor altijd vakantie.
©
Floraweg 159
6542 KP Nijmegen
024-3787608
ine.verhoeven@chello.nl
www.ineverhoeven.tk
Nijmegen, 22 augustus 2005

WITTE DOOD
Een witte ambulance staat klaar. In haar spierwit gelaat priemen mama's zwarte ogen. Haar blikt raakt mijn ziel. Mannen in witte pakken brengen de brancard naar de wachtende wagen. Deze rijdt Mama weg. Machteloos kijk ik toe.
Dit voelt als verraad. "Mama toch, daar ga je. Naar de plaats waarheen je per se niet wil. 'Laat me hier rustig dood gaan.' Dat zei je steeds, maar nee, het tehuis beschikte anders. Dus, Mama, je gaat sterven in een vreemde omgeving. Met apparatuur. En nòg meer mensen in witte jassen."
In het ziekenhuis legt men het broze lichaam in een wit stalen bed en mechanisme dwingt de uitgeputte vrouw tot langer lijden. Niet haar leven maar haar doodsstrijd wordt verlengd.
Mama's doodsstrijd. Naast haar op het witte kastje brandt een witte kaars. Ze bidt. Soms hardop, dan mompelend. Sterk wisselende momenten van helderheid en verward gekreun. Ze gaat dood en weet er geen raad mee. Haar hele wezen is er klaar voor. Ze wil weg, maar kan niet. De machines houden het stervensproces gaande.
Ze weet wie ik ben. Voorheen doof hoort ze nu àlles. "Ik houd van je, Mam." Ik druk zachtjes haar hand. Duizend herinneringen met honderd momenten, dat ik níet van haar gehouden heb. Ze gaat sterven. Ze vertrekt naar gene zijde. Daar weet ze Papa en haar veel te vroeg gestorven zoon.
Ze worstelt zich los, trekt het slangetje uit haar neus. Ze wil gewóón doodgaan. Verboden. Na dertien dagen en nachten beëindigt ze stikkend haar strijd. In een wit ziekenhuis, in een witte kamer met witte mensen en in een wit bed.
Ik zie haar in het mortuarium in een wit beklede kist. Haar spierwitte, dode gezicht is onnatuurlijk geschminkt.
Haar levenlang is Mama zichzelf geweest. Door alles heen liet ze zien wie ze was. Schmink heeft ze nóóit gebruikt.
Witte dood. Gekunstelde dood. Ik huiver.
© 1992 Ine Verhoeven
DIE ZWARTE DUIVELSE VLIEGEN!

Als mijn geloofsvriendin Lotus mij inviteert om een babbeltje te komen maken, weet ik nog niet dat dit mijn laatste bezoek aan haar gaat worden. Lotus' dochter Deborah heeft een zoontje gekregen en bij binnenkomst feliciteer ik de nieuwbakken grootmama met het nieuwe leven van dit nog zo prille mensenkind.
Lotus schenkt zwarte koffie in. Dan zet ze zich neer en we zitten samen in de geriefelijke stoelen en tussen de vier honden, die op hun plaatsen in de kamer knorrend en snurkend waken en dommelen.
Bij de gewijde kruisen en de Mariabeelden en tussen de Indonesische buddha's, die ze niet hoefde te verwijderen van een van haar paters-begeleiders omdat het erfstukken zijn, praten we vervolgens en zoals gewoonlijk over het geloof. Over ons geloof, ook over ongeloof. En Lotus zelf is expert in bijgeloof. Dat wist ik al, hoewel ik aldoor hoopte dat ze daar doorheen zou groeien. Ik herinner me weer haar – plotselinge - reële visie op bepaalde religieuze bewegingen, hoe ze zich hiervan distantieerde en vanuit welke beweegredenen dit doorgaans geschiedde. Dat gaf me de hoop op een voor haar frisse geloofshouding. Maar Lotus is veranderlijk waar ik het niet verwacht en vasthoudend waar ik het niet toejuich. De bekeringen van Lotus zijn veelvuldig en wisselend. Het wil me nogal eens vermoeien, maar ik hecht - op dat moment nog - waarde aan onze vriendschap en hoop dat deze in christelijke zin kan blijven bestaan. Ze is echter ook berekenend. Ik blijf bij haar toch voortdurend op mijn hoede. Ze heeft in haar impulsiviteit vaak wat al te snel geoordeeld, en niet ongevaarlijk. Vooral wanneer ze er op voorhand van uitging dat de duivel in haar bezoeker(s) aan het werk was. Ze zou dat kunnen zien aan de ogen en kunnen horen aan de stem, welke op zulke demonische momenten 'met elkaar vloeken'. Ach ja, Lotus was en is en blijft tóch een 'helderziende'. Ze stagneert zelf voortdurend bij het punt van haar paranormaal en occult verleden. Maar ze weet dit fenomeen ook handig te draaien en te integreren in de katholieke geloofsleer. Rustig bouwt Lotus verder aan haar eigen bijgeloof binnen het roomse geloofsgoed, dat zij zelf ziet als het enige ware, het enige betrouwbare ter wereld. En haar boeken over verschijningen van allerlei Mariamaagden, engelen en duivels en de vele schrijfsels over hel en verdoemenis en het laatste oordeel worden hierbij door haar van harte verslonden en gekoesterd.
Afgoderij, wijwater en angst
Flash back: In de zomer van 1992 liet ze me eens ogenblikkelijk opdraven. Alle foto's van haar en haar man Abel in Indonesië moesten worden vernietigd. Afdrukken van haar devote houding bij de afgodsbeelden, bij de buddha's, bewijzen van kaarsen die ze offerde en geurende bloemen die ze legde in de tempels, plaatjes van zegeningen die door de monniken over haar werden uitgesproken bij de goden, dat alles moest weg, verdwijnen. Hoe dat te doen? Ja, wist ze, ze diende wijwater te sprenkelen, flessen vol, en die ledigen over de foto's EN over de negatieven. Daarna spiritus gieten over de scheursels en branden maar. Of ik wilde helpen, daar achter in die tuin? Waarom niet? Een barbecue was me wel aardiger geweest, maar die organiseert Lotus liever voor haar profáne vrienden. Die moeten immers nog worden gered! En: ze is dan wel niet ván maar toch altijd nog wel IN deze wereld!
Alvorens aan het ritueel van de verbranding te beginnen, belde ze een van haar paters op: 'De zegen, alstublieft!' Die volgde prompt in het Latijn. Lotus accepteert niet minder. Enfin. We waren net klaar met de hele stinkboel toen Abel thuiskwam. En Lotus gebood me 'omwille van onze zielen' te zwijgen. Dus loog ze rustig over de stank. Abel was niet gek en Abel is niet gek te krijgen. Hij had niet veel voeling nodig om door te hebben dat de vakantiefoto’s uit Indonesië naar de bliksem waren. 'Voor je ziel, Abel! Ach, jij bent niet gedoopt!' En daarmee was deze kous voor Lotus af.
Zwarte vliegen en paters sparen
'Luister', klaagt Lotus terwijl we in de comfortabele stoelen de zwarte koffie drinken, 'Onze zoon Point is sinds kort in militaire dienst. Verschrikkelijk! Niets is er met die jongen nog te beginnen. Hij wil niet meer naar de kerk. Hij wil niets meer horen over Jezus en moeder Maria! Hij gaat op stap, hij gaat VERLOREN! Hij is zo onverschillig. Hij lacht me uit! Hij heeft zich pás laten dopen! En hij wilde priester worden, weet je nog? Wat moet ik doen?' Ik hoef haar geen raad te geven, ik wéét wat ze zal gaan doen. Ik zeg: 'Wat je hart je ingeeft, Lotus.' Ze staat op en draait een nummer: 'De zegen, pater, alstublieft.' Als ze weer zit, gooit ze er in één adem uit: 'Ik stond te strijken op Points kamer. Honderden, nee, wel duizenden zwarte bromvliegen kwamen tevoorschijn uit alle hoeken. Ik meppen en meppen. Ineens waren ze allemaal verdwenen. Ik pater Jozef bellen. En pater Hubertus. En pater Piet en pater Jan van de franciscanen en pater Koopman. O, en pater Amadeus, die exorcist, die al eens hier was. Ik vroeg hen allemaal om de zegen! Ik heb gebeden! Het ene rozenhoedje na het andere. De duivel was toen verdwenen. Want jij snapt toch wel dat dat allemaal duivels waren! Nou, de volgende morgen weer! Ontelbaar, zoveel van die vieze zwartgroene vliegen! En ik weer vechten, vechten met die duivels. Weer bellen naar de paters, weer zegen van de paters! En met wijwater door mijn huis. Abel was weg, dus ik kon rustig zuiveren! Toen ik ze allemaal had verjaagd, was er nog één over. De dikste, wat denk je?! Een gevecht op leven en dood! Weg was-ie. Ik had gewonnen! En 's avonds zat die dikke er wéér! Weet je wat het is? Het is Point. Point deugt niet. Point gaat naar de hel! Denk je dat ik een pater moet laten komen om ons huis nog eens te zuiveren? Abel zal weer mopperen! Hij laat zich niet dopen, nog altijd niet. Móet er nou een pater komen?' Ik denk dat ze dat allang gepland heeft. Maar ik leg die beslissing bij háár neer en zeg dat ze dat zelf moet bepalen.
Lotus kan echt niet zonder de telefoon: 'Vóór ik op bedevaart ga, moet alles hier veilig zijn. Pater Jozef is oud en Hubertus zit in Fatima of in Lisieux. Ik denk nu aan pater Jan.' Ze drukt het nummer feilloos in zonder op een papiertje te kijken. 'Werkelijk', denk ik, 'Lotus spáárt paters!'
'Voor elkaar', triomfeert ze even later, 'hij komt!'
Ik sta op en aai links en rechts de honden. 'Dank voor de koffie, Lotus, kom jij nu maar eens bij míj op bezoek', probeer ik, wetende dat ze dat NOOIT zal doen. Er ligt immers stof in mijn huisje en soms vliegen er van die dikke vette brommers rond. Groenzwart en glimmend. En ze weet, dat ik stel dat het gewone bromvliegen zijn. De duivel bestaat niet voor mij. Dat is het ergste voor Lotus: dat ik niet geloof in die duivel. Maar ik geloof wél in God. En met de hoogste voorrang.
Later heb ik Lotus nog eens een brief geschreven. Ze heeft me niet geantwoord. Een van 'haar' paters is het gloeiend met Lotus eens. Hij kwalificeerde me tot de zoekers, tot de twijfelaars, zelfs tot de dolenden der aarde. Dat zij maar zo, want het lijkt me niet onfris bij tijd en wijlen de waarheid der dingen te peilen. En van bromvliegen lig ík niet wakker. Noch van vermeende zwarte duivels.
© 1993 Ine Verhoeven
Uit:
DE
SCHRIJFSTER IS NIET GEK
INE
VERHOEVEN
ZO
UNIEK
Als
mijn Romeense kennisje Ecaterina me vraagt iets te schrijven voor het
tijdschrift van het bejaardentehuis waar ze werkt, brengt ze me ietwat in
verlegenheid. Toch beloof ik dan spontaan het te doen.
Terwijl
ik overdenk wat ik deze generatie lezers zal kunnen bieden, bespeur ik
enige terughoudendheid: ouderwordende mensen dwingen als vanzelf mijn
respect af, ze doen me denken aan mijn ouders. Twee dierbaren. Ze leven
niet meer.
Ik
ga terug in de tijd en de stroom herinneringen is niet te stoppen. Mijn
vader en mijn moeder. Er zijn heel goede gedachten maar daar doorheen
zie ik weer de wegen met brokstukken, obstakels, met de bijna niet te
nemen hindernissen. God, wat is er veel verdriet geweest, duidelijk meer
dan vreugde.
Ach,
lieve lezer(es), ik onthoud u de geschiedenis. Hun levensverhaal is niet
het mijne - ik vul maar een heel klein stukje in - en ik zal mij nooit
durven verplaatsen in anderen. Anderen?
Ik
besef, dat het zo is. Mijn eigen vlees en bloed - nabijer kan haast niet -
zijn mensen met een eigen identiteit, met een eigen achtergrond, een eigen
verhaal.
Ze
zijn gestorven. Ik zie het lieve gezicht van vader, heel rustig
ingeslapen. En ik denk aan de strijd van moeder toen haar afscheid
naderde. Dat bevreemdt me nog steeds: mijn hart liep over van liefde.
Zowel bij het heengaan van hem als van haar. Ze hebben dat gevoeld. Ik
weet het. De liefde weerkaatste. Twee vonkjes resten in mijn binnenste.
Vuurvonkjes, niet te doven vlammetjes. Nu ik dit neerschrijf, voel ik de
warmte. Vader en moeder. Zo uniek. © 1992
Waar
de tuin ophield, was een diepe afgrond. Een zwarte poel, waar de ratten
zich naar hartelust voortplantten, was het directe uitzicht vanaf de rand.
De tuin zelf was mooi. Zacht, jong gras en allerlei bloemen, appelbomen,
perziken en pruimen, bessenstruik en perenboom en de sering.
Als
de perenboom in bloei stond, ging ik eronder liggen, keek naar de bloesems
en sprak met God, ergens daarboven in de helderblauwe lucht. Had God me
antwoord gegeven, dan zou ik niet eens geschrokken zijn. Hij was wezenlijk
aanwezig, alleen al door de natuur die vibreerde van het leven.
Deze
momenten waren zeldzaam en daardoor heel kostbaar. Ik droomde dan weg naar
de hemel en naar de aarde. En het was overal verrukkelijk. Ik creëerde
mijn eigen wereld en dagdroomde zolang het kon duren, dus kort. Er was
altijd wel iets of iemand, die deze zaligheid verstoorde. De stem van mama
of van een geïrriteerde broer, die het wicht zag liggen. Weg vrede. Weg
lieftallige bloesems, weg prachtige boomstam, weg blauwe lucht, dag God.
Dan
zuchtte ik, stond op, liep langs de afgrond en keek in het zwarte water
beneden me. Ratten. Daar zou de hond dan 's avonds weer op jagen.
Het
contrast tussen de lieflijke tuin en de zwarte poel was als de inhoud van
een mensenleven, doorheen de dagen en de nachten. Ik wist dat toen nog
niet. In die tijd werd ik 's nachts vaak wakker, angstig, bezweet en soms
gillend. Dat was de donkerte, dat waren de ratten. God was dan ver weg. Ik
dankte Hem oprecht als het begon te dagen, de schrale lichtval zich
voorzichtig aankondigde.
De
tuin met de afgrond. Ik was toen veertien jaar. Hij bleek een symbolische
realiteit. Later. © 1992
Die
ene, geestkille avond in maart voelde ik me wel bijzonder beroerd. Ik
sjokte niet zozeer met mijn ziel onder mijn arm, nee, eerder lag ik met
die ziel overhoop. Het was de eenzaamheid. Het gevoel van totale
verlatenheid, dat me opstandig maakte. Ik was gekwetst en zat
geïsoleerd in mijn vrouwzijn. Er was man noch vrouw, vriend noch vijand
in mijn nabijheid om tegenaan te praten. Mijn piepkleine woning leek
zich meer en meer te versmallen. De muren en lamellen kwamen op me af.
En
als pas gescheiden vrouw deed ik toen - voor het eerst na het stuklopen
van mijn huwelijk - wat menige pas gescheiden vrouw blijkens de
statistieken pleegt te doen: ik besliste dat ik ging stappen. Mijn
normenpakket, mijn hang naar waardigheid liep ik dan nu maar een
keertje voorbij. Ik wilde wel eens meer van het leven proeven. Deze
kuise Susanna ging uit, op stap. Op stap gaan was naar mijn overtuiging
van dat moment trouwens niet alleen voor vaders. Toon Hermans kon de pot
op. Het was nu móéder gaat op stap, juist ja. Zo gebeurde het, dat ik
die avond in maart als ’n rebellerende akela in mijn uppie door de
straten van de stad dwaalde, op zoek naar een donkerbruin café. En
tegenover de Sint Jan vond ik 'n gele kroeg.
Aan
de bar trachtte ik professioneel een sigaret te roken. Normaliter rookte
ik nooit. Quasi doorgewinterd en als vrouw van de wereld hing ik half op
de kruk volgens mijn fantasie interessant te wezen bij een glas rode
martini. Met ijs en citroenschijf. Inwendig stiknerveus en zo
ongemakkelijk als maar kon, zat ik te hangen. Ik hoopte op 'n jeugdig
uiterlijk en minder rimpeltjes bij het kunstlicht: het aanwezige
kroegpubliek was aanzienlijk jonger dan ik.
De
cafédeur zwaaide open. Een tafereel ontpopte zich voor mijn ogen,
dermate, dat ik mijn bril weer opzette. In mijn ijdele verbeelding had ik
deze - achteraf lachwekkend uit de tijd, maar wist ik veel - afgezet voor
een beter imago tijdens mijn bezoek aan dit amberkleurige café.
Ik
zag een dametje. Althans in nuchtere toestand zou ze hiervoor naar mijn
idee moeten doorgaan. Ze droeg een fluwelen hoed met brede rand. De
kleuren van haar overvloedige make-up liepen, net als de bonte print van
de hoed, door elkaar. Het schilderwerk op het gezichtje had, door het
zweet des aanschijns, de schone gereduceerd tot een halfslachtig
clowntje. Ze wist het niet. Ze hing in de armen van haar gezellin, die
haar, net iets minder aangeschoten, de kroeg binnensleepte. Ze was
ongegeneerd zat en dat wilde ze ook. Ze lalde en bralde: 'We zijn aan het
stappen. Wij samen. Ja, we zijn buurtjes!' 'Zij heeft een landhuis in
Portugal', lalde de beschermengel van de dronken dame. 'Cootje, twee
pils!' In de gele kroeg was het in ene keer levendig toeven. Er was
letterlijk beweging binnengeschommeld. Hoe ik het ook bekeek.
Ik
observeerde de omgeving. De gele kroeg met de kleine kaarslichtjes had een
typische sfeer. Een vreemd soort huiselijkheid, waarin ik iets miste
zonder te vatten wat. Overal prijkten de namen van het te promoten bier en
de Amerikaanse bubbeldrankjes. Hier zat ik dus nu even niet eenzaam te
wezen.
De
muziek daverde. Een opstandig duveltje binnenin me schold me toe: 'Ouwe
trien, wat zoek je hier? Niks toch! Wil je weer jong zijn? Vergeet het
maar!' Ik blijf tóch hier zitten, dacht ik weerbarstig. Ik ben vrij.
Mijn ex zei 'rooi wijf'. Grijs, zal ie bedoelen. Maar dat kon híj niet
zeggen: hij was al grijs op z'n vijfentwintigste. Haha, rooi wijf! Nou
en? Mooie boel. Hier ben ik dan: een rooi wijf en ook nog hartstikke
katholiek! En híj is weer getrouwd. De sukkel! Getrouwd!
'Cootje, geef me maar een spaatje!' Cootje spoelde 'n glas, deed het
mineraal erin en zette het watertje voor me neer.
Co
is een pot, signaleerde ik. Duidelijk. Maar ja, wie is tegenwoordig wát?
Ik ben hetero, geloof ik, pas gescheiden en ik heb ergens in de verte de
verkeerde lief. Wat is het beroerdste? 'Hé jij, je naam!' brulde de
dronken geleidepoes.
'Irene',
zei ik maar en dacht: barst jij!
'Irene,
drink wat van me.' 'Heb nog!'
'Zeg,
niks voor jou, het Vrouwenpodium? Heb je iets te bieden, zing je, dans
je?'
'Nee,
ik schrijf. Maar hoezo, Vrouwenpodium?'
'Je
kan er je ei kwijt, meid! Kom eens kijken. Alleen voor vrouwen! Je hebt
iets, ik proef het!' Ze was hoopvol gestemd.
Ja,
ik had wel iets. De p in. En veel, heel veel verdriet. Ik lachte mijn
liefste lach, want ze zei het immers: ik had iets. En dat was nú een
podiumsmile. Alvast als generale repetitie.
Daar
kondigde de dronken dame met de fluwelen hoofdtooi aan dat ze verderop in
de straat even shoarma ging eten en waggelde vervolgens de kroeg uit.
'Broodje kapot schaap' zei ik en herinnerde me ene Karin uit het ‘gesticht',
zoals die spottend het rusthuis placht te noemen, waar ze tegelijk met mij
een poos geleden verbleef. Zij was dol op broodje 'kapot schaap' en
alvorens ze in de schapenhap beet, opperde ze geheid, als 'n soort
gebedje, haar vertaling. Vervolgens at ze smakelijk, die magere Karin.
Ze was brutaal grappig, dat wist ik ook nog.
De
poes kwam naast me staan. Ze ging gewichtig doen, iets wat altijd al
averechts werkte bij mij. Quasi-intellectuele vermoeienis was een van de
redenen waarom ik nooit op langdurigere termijn bij iemand koffie had
gedronken tijdens mijn dertig diepgevroren huwelijksjaren. Bovendien
verafschuwde ik opgefokte situaties met semi-interessante gesprekken
waar fatsoenshalve bij kwam, dat ik voortdurend recht in de houding
moest zitten. Ik was er, denk ik, gewoon te lui voor, of te moe, of te
onconventioneel. Als ik als gaste mijn voeten niet kwijt kon onder m'n
achterste op bank of stoel voelde ik me gewoon niet thuis. En mede
hierdoor ging ik ongemerkt en steeds eenzamer als huismus met pretentie
'eigen haard is goud waard' door mijn moeizame leven. Want bij de meeste
mensen moesten de voetjes op de grond.
'Clapton',
zei de poes. Zonder airtje leek ze me wel aardig.
'Irene',
hield ik vol. 'Nee, de muziek! Hij zingt', verklaarde Poes. 'Dansen?'
'Goed hoor', ik oversteeg mezelf en dacht aan de boerenvrouwen die
vroeger tijdens de ponyclubfeestjes van mijn dochter, baasje van het
bruinzwarte hengstje Pepijn gedurende haar jeugdjaren, zonder gêne
samen dansten. Pure onschuld. Maar nu wist ik het niet.
'En
hoe heet jij?' 'Henny', zei Henny.
En
zo danste ik met Henny. In een gele kroeg. Met mijn vijftig jaren, een
getrouwde ex-man, een onbereikbaar kleinkind, een afstandelijke zoon. En
met een door het leven en papa beetgenomen dochter ver weg in
Scandinavië. En met een, door institutionele regels bepaald,
onbereikbare vriend, ergens in de verte. Aan ellende geen gebrek. Al
dansend flitsten spooksels op als flashlights in een disco: relaties die
een spoortje zinnelijkheid in zich dragen, zijn voor gescheiden mensen
verboden door de prelaten. Volgens zeggen in naam van God zelf. Innige
vriendschap na je scheiding mag niet van mijn Kerk. Waarom stap ik daar
niet uit? Het leven is zonder die genadeloze regels al moeilijk genoeg.
Ach, simpel toch: ik houd van die Kerk. Wat een tragedie. En dan heb je
nog die jehovagetuigen die al een hele poos jacht op me maken! En mijn
verstoorde identiteit: Irene, Inge, Linel Hest. Hoe heet ik echt? Maar
goed, als ik wil, als ik dat helemaal zelf wil, ga ik het veld in.
Bijbels vertalen. De blijde boodschap vertellen. Welke blijde..?
Hemeltje, zeg. Wat 'n warboel in mijn hoofd. Wat een drukte in mijn brein!
En waarom? Ik dans, warempel! Dus blijf bij je dans!
Henny
legde haar hoofd voorzichtig tegen mijn schouder. Wat was ze fragiel. Ik
dwong me mijn preutse verlegenheid te overwinnen en concentreerde me op
dit moment. Ik danste en dat stond ik me toe. Ik mocht van mijzelf nu hier
zijn. Ik mocht er even bij horen. De gele kroeg had toch wel iets. Dat in
elk geval! Er hing een zekere Henny om mijn hals... 'Mooi liedje, hè?' Ze
neuriede zachtjes mee. 'Ben jij ouder dan ik?' Ze was zo rechtstreeks!
'Weet ik niet', ontweek ik. Verdorie, dit was shit! Vijftig. 'Hoe vertel
ik het mijn kind?' Morgen naar de kerk. Lezen, ben vaste lector. Nu in de
kroeg. Frivool dansend met een pot. Hoe rijmde ik dit? Was ik nou
scrupuleus of hypocriet? Of gewoon een mens als alle anderen?
'Hé, was het lekker?' De dronken eigenaresse van het Portugees landhuis
kwam teruggezwabberd, brabbelde dat het broodje eetbaar was geweest en
verkondigde met driedubbele tong dat ze nu echt huiswaarts moest. Ze wist
daar haar man en kindjes. Bovendien voelde ze zich misselijk. Ze was
simpelweg dronken. Ik zag de grimmige kater al loeren in de ochtendstond.
Ze vertrok. Een naamloze chic, die ik waarschijnlijk nooit zou weerzien.
De rand van haar fluwelen hoed leunde tegen één oor en het geblondeerde
haar hing sliertig uit model. Zo zwalkte ze met de her en der verlopen
bonte kleurtjes op haar snoet de deur weer uit van de gele kroeg.
'Mijn
moeder gaat dood', zei Henny. 'Ik woon samen met Lidia. Ik houd van Bonnie
en mijn moeder gaat dood. Lidia biljart nu. Lidia biljart altijd.' 'Ga dan
bij haar weg', merkte ik op. 'Ik doe het Vrouwenpodium', zei ze, 'kom je
ook? Het is fantastisch. Niet feministisch, hoor. Ook niet helemáál
lesbisch. Gewoon, allerlei... Ha, dag lieverd!' vloog ze plots een wel
erg jong jongetje om zijn smalle halsje. Knuffeldeknuf. 'Fun', riep
Jongetje. 'Fun! Henny, die roze week in Maastricht! Klasse! Gaan we dit
jaar weer naar de roze feesten?' 'Tuurlijk, schatje', tuttelde Henny.
Typische knul, dacht ik en kocht geforceerd nog een pakje Dunhill:
'Sigaret?' Henny deed een graai en hield Jongetje vast. 'Ze is zo
lief', verklaarde mijn nieuwbakken vriendin, terwijl ze haar
aansteker aanjoeg. 'Ze?' O, weer iets nieuws. Ze. Geen jongen dus. 'Het is
de fun, hè, de fun!' riep Ze. 'Jaja, het is de fun', knikte ik. Henny
legde haar sigaret neer, liet Ze los, sprong overeind en trok me van de
barkruk. We dansten weer. Ik was verbouwereerd en probeerde dat te
verbergen. Wat een wereld! Hier kwam ik niet uit: vrouwelijke
mannetjes en mannelijke vrouwtjes. Maar goed, dit was niet mijn
probleem. En ik was nu eenmaal toch ter plekke... en we dansten
rustigjes verder.
Zoetjesaan
liep de gele kroeg leeg. Ik bestelde nog een martini. Weer een rode, als
symbool voor mijn wijze van vrouwzijn. Ik proostte op mijn ex en op rooi
wijf: mijn hart huilde. God was weer eens ver weg en mijn Kerkje
leek me onwaarachtig in dit oord van drank, erotiek en oorverdovende
muziek. Ik dacht aan mijn onbereikbare vriendschap, ginder, heel ver weg.
Henny kletste tegen me aan en ik knikte en schudde met mijn hoofd, al
naargelang. Ik luisterde terwijl ik besefte, dat ik haar net zoveel te
bieden had als zij mij: helemaal niks. We zaten samen in de kroeg met
hartzeer, eenzaamheid, met zielenpijn. We hadden ieder ons eigen
verhaal.
De
andere vreemde vogels waren nu allemaal vertrokken. Het was laat. Het
lege café weergaf een vreemde, haast akelige sfeer. Henny en ik liepen
naar buiten. Tegenover de gele kroeg staarde de Bossche kathedraal ons
aan. Hij was de oudste. Henny ging rechts en ik ging links. Zo scheidden
zich onze wegen. Terwijl ik behoedzaam terugreed naar mijn piepkleine flat
zag ik langs de Zuid Willemsvaart bij een schaars verlicht huis een
dodenwagen staan. That's
life, dacht ik, dead and no fun. De
volgende ochtend schreef ik, ietwat cynisch:
Lentenacht
In
de zwarte lentenacht
staat
voor het hoge herenhuis
langs
de lange vaart
de
witte dodenwagen
leggen
witte heren
het
levenloze lichaam
van
de heer van het herenhuis
neer
in de witte wagen
en
rijden langs de lange vaart
weg
van het hoge herenhuis
Dag
mijnheer!
Tussen bloesemtakken staat
langs
de lange vaart
dat
hele hoge herenhuis
statig
overeind
met
gevulde kamers vol
leegte
en een erfgenaam
Gecondoleerd
mevrouw!
Ik
overpeinsde opnieuw mijn dertig voorbije, diepgevroren jaren. Ik dacht aan
de dood van mijn schoonpapa, ook dertig jaar geleden. Aan dat hele hoge
herenhuis in de stad, waar ik vele lange en bange jaren had gewoond met
mijn lieve gezinnetje. Zoals de avond ervoor in de gele kroeg flitsten ook
nu weer overwegend de nare herinneringen op. De drank, de muziek, het
dansen, het had allemaal niets opgelost. Het leven moest geleefd. Precies
zoals het zich aankondigde. Ik kon schaven, hakken, beitelen, schilderen
en kleuren bedenken; ik kon huilen en lachen, ik zou het leven, als elk
ander mens, helemaal zelf moeten doen. En alleen.
Vreemd,
dat jongetje bleek een meisje te zijn. Symbool? Synoniem? Geen idee. Wat
een nacht. Wat een levendige beproeving. Wat een klatergoud ook, die
gele kroeg... En die witte wagen van Skelet langs de vaart was als het
askruisje op de vastenwoensdag na carnaval. Leven en dood hand in hand.
Gelijk humor en verdriet, onafscheidelijk met elkaar zijn verweven. O,
heerlijke onschuld. Kon ik roepen: 'Het is de fun!’ © 1993
DROOM TUSSEN ROZEN EN HONING
De
rozentijd is voorbij. Maar het is niet erg. Ik houd niet echt van rozen.
Ze worden gesnoeid. Ze mogen beslist niet buiten hun perken. Niet de
gecultiveerde rozen, tenminste. Vond ik ze eigenlijk ooit echt mooi?
De wilde wel. Ja, de wilde rozen. Zoals de egelantier. Die eigenwijs
kleine wildebras. Die ik te bloeien zag in onbepaald landschap.
Dromenverwekker.
De rozentijd is voorbij. Een enkele eenling probeert nog op te bloeien.
Armtierig. De schraalte van mijn tuin staat op. De zwarte grond omarmt de
eenzame zilverberk. De lavendel slaapt verdroogd. O nee. Niemand mag haar
plukken. Mijn lavendel is me heilig. Blijf af, jij met je mannenhand. Je
vertrapte mijn kamille al! Met je stampende voet. En je kleineerde mijn
hortensia. Mijn struik zal geen bloemen geven, let op. Je schaar heeft de
knoppen weggeknipt. Volgende zomer geen bloemen, dus.
De rozentijd is voorbij. Langs kusten slaan golven stuk. En de wolken
drijven al even wild en driftig over mijn hoofd. Mijn hoofd dat als een
landschap trilt en bonkt en rust en ademt en slaapt en leeft en droomt en
sterft. In de nacht, als de maan zich laat zien of zich verschuilt achter
de massa dampende mist.
En
de hemel reikt te ver. Ik raak hem niet aan. Hij mij wel. Altijd weer
overmeestert hij me. Hij tilt me op. Mijn gemoed draait rond. Mijn geest
is helder. De hemel is wijd, zo wijd. De hemel is zekerheid. De zekerheid
van de onbereikbaarheid. Alleen de vogels komen hogerop. En de
vleermuizen. En de insecten. Daar zijn ze er voor elkaar. Ze voeden
zichzelf en elkaar. Om te leven, om te overleven en om te sterven. Te
sterven zonder graf. In een onbepaald landschap. Onzeker vergaand.
De rozentijd is voorbij. Mijn hoofd leg ik neer op het halmgras,
vergeeld. De cellen denken, denken. Ze seinen de herinnering terug. En
de kruisspin zit weer aan mijn venster vast. Ze wacht op haar prooi. Ze
aast om te leven. En de laatste hommels zuigen de nectar uit de pepermunt.
Ze dragen de witte honing mee. En torren en muizen en egels ritselen door
de tuin. Door mijn schrale tuin. Met de stronk van de blauwe regen, die
breder en sterker geworden is. Om te dragen, te dragen de trossen die weer
komen gaan. Na de winter.
De rozentijd is voorbij. Het deert me niet. De witte slingerwinde en de
kamperfoelie zijn allang niet meer. Eksters zie ik, en mussen en
spreeuwen. Geen Vlaamse gaai, geen merel en geen lijster. En ook de
koekoek is stil. En de uil.
De rozentijd is voorbij. Als de cellen in mijn hoofd stil gaan worden voor
de slaap, ontwaak ik in een ander land. En ik droom, ik droom. Alles wordt
goed, ooit, eens. In een onbepaald landschap. De nachtmerrie begint. De
kleine wildebras, die egelantier, bloeit op de dorens van mijn bestaan.
Witte honing stroomt uit de hemel die ik niet bereiken kan. Vleermuizen
vluchten scheerlings langs mijn hoofd. Libellen dansen boven een meer vol
witte honing. En de hel doemt op aan de horizon. Vlammen, vlammen in het
huis van het kind. Het kind in mij. De vuurzee vreet zich door muren en
deuren. Een man rukt mij uit het kinderledikant. De maan staat bol aan het
firmament. Volle maan.
Moeder
is uitgegaan. En de man is mijn vader. Hij heeft me gered uit de
vlammenzee. Hij brengt me naar de buren. Warme chocolademelk krijg ik. En
een beschuit met witte honing. De mensen zijn lief en ze glimlachen. Ik
zit in mijn blauwe pyjamaatje. Ik slaap op vaders arm. Moeder is
thuisgekomen. Het huis is afgebrand. Mijn leven begint. En nu?
De
rozentijd is voorbij. Ik heb nooit van rozen gehouden. © 1993
EN
DAN SLAAPT MIJN HOOFD
Niet
denken. Niet denken. Laat maar tollen, mijn hoofd. Laat maar draaien. Niet
denken aan toen, niet denken aan nu. Alles gebeurt zoals het gebeurt. Niet
anders. Buiten zwaaien de bladeren. Heftig en onbeheerst voortgedreven en
vastgeklemd aan de takken van de meiboom. Ze kunnen niet los. Ze zitten
vast en waaien mee met de wind. In de richting van díé wind. Noord,
zuid, oost, west? Ik weet het niet. Ik heb nooit de richtingen gekend.
Waar ligt west, waar ligt oost? Noord boven en zuid onder. Of andersom.
Maar werkelijk weten doe ik het niet. Alle richtingen ben ik kwijt. Nooit
richting gehad. Niet van de wind. Niet van de zon. Niet van de mens, mijn
soortgenoot.
Die
bladeren zwieren maar door. Net als al die cellen in mijn hoofd en lijf
blijven zwieren en dansen. Onbestemd en zonder richting. Kriskras door
elkaar. Alsof ik omval. Elk moment kan omvallen. Vreemd dat dat niet
gebeurt. Ik duizel wel wat, maar val niet om. Ik ben als de stam van die
meiboom. Die late bladboom. Die laatbloeier en die laatsterver. Zelfs
in de winter houdt hij zijn dode bladeren nog vast. Door mijn raam zie ik
hem tot leven komen. En door hetzelfde glas onderga ik zijn ondergang.
De vogels zijn uitgevlogen. Waar schuilen zij? De eksters, de mussen, de kauwen, de duif? En mijn vogels, mijn bloedeigen vogels zijn weg. Ze vlogen uit, en ze waren weg en ze bleven weg. Niet denken. Niet denken aan toen. Niet denken aan nu. Niet denken aan dan. Is er een dan? Ik weet het niet. Ik voel een dan die niet te doen is. Een onleefbare dan. Wil ik dat dan nog wel? Ik moet. Ik moet. Overleven is de moeite waard. Wie zegt dat? Wie vertelt me de waarheid over dat de moeite waard? Wie kent de waarheid en waarvan? Van dan? God nee, dat niet. Geen hemel, alsjeblieft. Sprookjes schrijf ik zelf wel. Mijn sprookjes. De horrors van mijn leven. Van mijn morbide toen. Niet denken. Nee, niet denken nu.
Ik
hoor een vogel. Het wordt donker, buiten. Een late vogel? Zacht geluid.
Mijn cellen draaien nog. Ze tuimelen nog. Mijn hoofd ruist. Net als de
wind in de bladeren. Net als die gier langs mijn raam. Geen vogel. Neenee.
Een gier. Als van een lach. Dringend doordringend. Gier. Een loeiende
suis. Zó een gier. Geen vogel. Maar ik denk weer. Ik denk. Ik denk aan de
gier. Aan die ene, met de zwarte ogen. Die met de volle buik. Die
aasgier, die mij doden wil. Mijn God. Nu roep ik Jou toch! Mijn God.
Nog
tjilpt een vogeltje buiten. De wind hoor ik niet. Dat vogeltje wel. Het
tjilpt, het zingt. Het roept, het deunt. De nacht komt. Met muziek.
Vogelgezang. Vol leven. En mijn moede oor hoort. En mijn dolle hoofd tolt
door. Het tolt door het leven. Buiten en binnen. Leven. En ik ben. Nu. En
luister! Ik hoor nóg een vogelstem. Een klein geluid uit een kleine keel.
Het wordt donker, en ontwaken zij? De cellen dansen nog. Ik weet dat ze
straks gaan slapen. Rustig maar. De cellen gaan slapen. En dan slaapt mijn
hoofd. © 1993
VERSCHEURD
De
angst in mijn lichaam, elke nerf vibreert, als op een sombere ballade
dansend en stampend en tergend vretend aan mijn gemoed. Gezaaide onrust,
vanwaar? Angst. Verscheurde blijdschap, gehalveerde glimlach, nooit echt.
Ziekmakende angst en omgeven door onbegrip: 'ben je bang?' Spot. Nergens
warmte. Nergens handen. Nergens harten. Nergens ogen. Alleen koude
blikken, berispend. Afgestraft: 'doe niet zo stom!' Blijven. Staande
blijven. Doorgaan. Ik leef, ik leef. Maar ik sterf. Ik sterf. Ik ben
dood. Dood van angst. Een marionet. Met duizend gevoelens, maar verstikt.
Ik
leef niet meer. Ik lig versteend. Beschermend bed. Mijn bed. Mijn bed met
niemand. Ik alleen met angst. Mijn partner Angst. De nacht doorworsteld.
Ochtend. Mijn hart klopt op de motor van de angst. Verstoord ritme.
Pillen. Pillen. Angst. Trillende nerven doorheen mijn lijf. Mijn lijf is
verstijfd van angst. Mijn hoofd. Draaiend in mijn hoofd. Angst. Kijken. Ik
wil kijken. Waas. Ik kan niet zien. Angst maakt wazig. Alles wazig. Ik kan
niets zien. Mensen zijn gestalten. Ze hebben toch armen? Ik voel ze niet.
Geen armen, geen handen. Hebben zij harten? Hart? Ik ben ziek. Doodziek.
Dood. Gestorven. Angst wil winnen. Angst heeft gewonnen. Ik ben dood en
leef. Ik ben levend dood. Ik sterf elke nacht. Ik gil me tot leven.
Gillend. Beschermend bed. Ik voel de lakens. Dodenlakens. Droom.
Verwrongen gezichten. Doodshoofd. Uit bed, uit bed! Duivelskop! Ik ren...
vaders armen. Slaapwandelend in vaders armen: 'is het weer zover?' Géén
armen.
Het is weer dag. Dodelijk vermoeid ga ik slepend door de dag. In mij en om
mij is de angst. Mijn vaste partner. De enige, die nooit verstek laat
gaan. Angst. Mijn enige zekerheid. Professionele hulp. Professioneel?
Aangeboren angst. Aangeleerde angst. Hulp bestaat niet. Ik moet
erdoorheen. Doorheen de angst. Opgevreten vechten.
Er
ís nog wel iets. Ik weet niet wat. Iets houdt me overeind.
Wat?
Geen antwoord. Nooit antwoord. Opgevreten vechten. Opgevreten
doorgaan. Opgevreten leven. Doorworstelen. Leven doorworstelen. Waar
is God? Waar is die almachtige, goede God? Heb je naasten lief.
Liefhebben. Beminnen. Wie? Hoe? Angst. Angst. Alles is fout. Ik ben niet
goed. Ik ben fout. Maar waarom?
Normen.
Opgelegd door de ander.
Wetten.
Voorgeschreven door de ander.
Cultuur.
Gevormd door de ander.
Geschiedenis.
Gemaakt door de ander.
Geboren.
Ongevraagd verwekt.
Geboorte.
Kind. Ik ben een kind, een mensenkind. Ongevraagd verwekt. Ongelukkig
moment. Oorlog. Mama is ziek. Ik neem Mama alles af. Ik drink haar melk.
Oorlog. Mama is bang. Mama sterft van angst. Ze voedt me. Mama en ik.
Angst. De band van de angst. Mama's liefde is opgevreten door de angst. Ik
ben een kind van de angst. © 1992
Zondaggrens
De
zomer stilt en zint op rust,
op
zijn in rust; overal zingen
bloemen
hun levensmelodie en
overal
ruisen bomen naar stil;
stil
verstilt het blad, het loof
verwijdt
de zucht en ademt kleuren
en
bloesems geuren geeuwend rond
en
mensen weten niet te doen met
tijd
van stil en rust en jachtigen
zich
naar de grote stad of naar
het
grensgebied waar alle winkels
open
zijn en waar de etalages de
ogenblikken
vertroebelen; het paaps
voorbij
gaat
en ziet en begeert en
handen
betasten Gentse kant en de
hemel
zwijgt, zwijgt, zwijgt stil
ver
boven de huizen en kerken uit
En honden lopen aan de lijnen
en
poezen zitten voor de ramen
en
vrouwtjes doen hun best om
dik-dun
door te gaan, door hun
dagen
te gaan; mannetjes zitten
op
bankjes en wachten, waarop?
Alle
mensen vieren de zondag en
de
god is nergens, komt niet en
laat
zich niet zien; achter het
roomsbronzen
tabernakeldeurtje
zit
hij gevangen en in het roomse
kerkruim
is leegte gevuld met
vroomrooms
niets, nostalgische
verlangens,
biezen stoelen en
geen
orgasme; een biechtstoel
toont
knielbankjes onder het
velours
gordijn vervaald; en de
zomer
bloeit door en de herfst
wacht
gehaast en zelfs de winter
laat
zich reeds zien, al is het
nu
alleen nog maar in zij van oud
3
juli 1992. Impressie Baarle Nassau.
DE
PRIOR VAN DE KIPPEN
Zijn
ideaal was het om monnik te worden. En op een goede dag vertrok hij naar
een van de nederzettingen van de benedictijnen. Hij werd daar
postulant en hij deed wat hem werd opgedragen.
Naarmate
de tijd vorderde, zag hij in dat zijn leven slijten op deze onderdanige
manier stijlvol noch waardevol noch levensvullend was. De waarde van het
contemplatieve, het beschouwende, het voortdurend in gebed gaan met de
medemonniken ontging hem. De kuisheid die de roomse kerk hem afdwong,
viel hem zwaar. Hij deed zijn best. Maar de jeugdige, mooie monnik voelde
het leven bruisen in zijn body. En op een stoffige dag, toen hij de
grote stofzuiger hanteerde om de kapel te zuiveren, liet hij,
plotsklaps, dit attribuut voor wat het was, zegde tegen de regels van de
benedictijnenorde in zijn confraters goedendag en vertrok na het
middagmaal, meedogenloos niet uitgezwaaid door de mannen van wie hij
was gaan houden. Maar hij vertrok wel.
Hij
ontmoette zijn vriend, vijftien jaren ouder dan hij. Hij, de jongeling,
liep het vuur uit zijn sloffen om aan de wensen van deze hem dierbare man
tegemoet te komen. En hij verslaafde. Hij werd de sloof van zijn wel
oudere maar zeer afhankelijke vriend. Hij was zijn butler. Het dienen
zat hem in het bloed en hij vloog voor vriendlief. De verslaving had zich
intussen omgezet in gewoonten. In sleur. Desondanks deed hij nog steeds
zijn best om zijn hartenlief te behagen. En hij regelde, kookte,
waste, kocht in. Hij deed de zaken die gedaan moesten worden, nam
beslissingen en koos op gezeur van zijn vriend de kledingcombinatie
uit die die dag moest worden gedragen. En de vriend liet het zich
welgevallen.
Dat
ging veertien jaren goed. In die jaren was wel elk diepzinnig gesprek
uitgebleven. Vriendlief was kort aangebonden. En kinderlijk afhankelijk.
Dus de exmonnik hield liefdevol rekening met zijn wensen.
Ze
hadden samen een zaak opgebouwd. En ze bewoonden samen een riant woonhuis
met alles erop en eraan. Incluis de drankvoorraad en de provisiekast.
Beiden hadden smaak op alle fronten. En ze hadden honden. Grote honden die
hun aanzien en positie leken te versterken. Ze wandelden veel om de dieren
hun natuurlijke behoeften niet te onthouden: ze moesten rennen en
stoeien. En de honden kwamen niets tekort.
Maar
de exmonnik wel. Hij miste warmte, begrip, genegenheid. En zijn hart was
bij zijn God. Zijn verlangen naar het mystieke lag in onrust te
wachten naast de nostalgische herinnering aan het klooster dat hij
vaarwel had gezegd. En terwijl de tijd voortschreed, rijpte zijn verlangen
naar de eenwording met deze onzichtbare maar voor hem zo wezenlijke God.
En naar de kloostermuren.
De
twee mannen dronken hun Franse cognacs, ze namen hun Canadese
whisky's, ze droegen de duurste creaties, ze gebruikten hun peperdure
parfums pour hommes, ze gingen
uit en verkleedden zich als vrouwen. Ze maakten zich mooi en ze
vermaakten zich mooi. Maar vrede in hun harten was er niet. Slechts het
klatergoud van de buitenkant hield beiden, en hun relatie, overeind.
Het
moest ervan komen. Er dreigde een breuk. De afhankelijke vriend zeurde aan
het hoofd van de exmonnik. De zaken gingen niet zo goed meer want de
kosten van hun levensonderhoud overstegen de zakelijke inkomsten. De
maandelijkse diners in de excellente en onbetaalbare restaurants kwamen te
vervallen. De inkopen werden niet meer serieus genomen door de
handelaren en faillissement dreigde. De exmonnik hunkerde nu nog heviger
naar de vervlogen tijd in het klooster, en hij miste meer dan ooit de
spiritualiteit die hem verbond met zijn God. En hij nam de beslissing:
hij zou terugkeren binnen de kloostermuren en zijn leven aan die
God van hem gaan wijden. Wellicht zou hij nog priester kunnen worden. De
vriend was ontstemd maar moest hem laten gaan, want de exmonnik bleek
onverbiddelijk. De relatiebreuk was compleet.
Enkele
jaren later. Ik ontmoet hem in een mij dierbaar klooster. We raken
bevriend en af en toe bezoekt hij me. We praten over veel, over heel veel.
Hij is een mij veilige vriend. Op een ochtend visiteer ik hem. Hij
ontvangt me met open armen. Plotseling zegt hij: 'Ik moet de kippen
voeren! Oei! Bijna vergeten, de dieren hebben honger!' Ik loop met hem
mee. Hij draagt zijn toog. Hij is een mooie monnik in wit. Bij de riante
kippenren rennen de kippen hem tegemoet. Ze kennen hem al te goed. Hij
lokt ze dichterbij met voer en nabootsende geluiden. 'Daar loopt Bertha,
ze is veertien jaar, en daar gaat Hendrik, ook al negen.' Ik kijk mijn
ogen uit. Tot mijn heimelijke hilariteit stapt de witte monnik de ren
binnen en tilt zijn habijt op. Ik zie twee witte mannenbenen, mooie zelfs,
zo op het eerste oog. Hij stapt omzichtig tussen de vuiltjes van de
gevederde diersoort. Hij vult de bakjes met water en extra korrels.
Intussen controleert hij de leg. Hij neemt de enkele eieren op en stapt
weer even omzichtig de ren uit, weer met de habijtrok opgetild en de
mannenbenen bloot. Een heel interessante gewaarwording voor mij als
gelovige vrouw. 'Ik ben de prior van de kippen', zegt hij. De hanen laat
hij buiten beschouwing. Zijn wereld voorheen was kennelijk al hanig
genoeg geweest.
Hij
oogt gelukkig. Hij oogt vredig. Hij oogt als een geroepen monnik. ©
1996
VROUW
ZIJN
Vrouw
zijn wil ik, vrouw,
o
vrouw zijn wil ik
Ze hebben mij ontmaagd
verkracht,
mijn pure
zijn
ontnomen; mijn
vrouwzijn
weggenomen
mijn
baarbuik uit mijn
lijf
gehaald omdat de
dood
wou komen; maar toch,
nu
nog en immer door
zal
in mij 't vrouwzijn
leven,
dat vrouwzijn mij
gegeven;
geen neemt mij af
O vrouw zijn zal ik
Vrouw
zijn zal ik, vrouw
MEIDOORNVLINDER
Ik
heb voor je gedanst
ik
heb voor je gezongen
ik
speelde op mijn citer en
ik
dichtte jou een lied
Je hebt je ogen toen gesloten
en
je mond; je gehoor verdoofd
en
roerloos bleef je staan
En stil ben ik verdwenen langs
de
cirkel van jouw ik
DE
NATUUR ZONG AMEN
De
monnik en ik. We gingen langs snelstromend water, een smal riviertje dat
intrigeerde door de korte, rap klotsende golfjes. Daar bloeiden tegen de
oever de gele violen die zonder muze hun kleur zongen, een kleur van
ongekend vreugdejaune; dat geelsoort van de unieke
zinkviooltjes die groeiden langs deze smalle rivier. Slechts het meest
Limburgse zuiden vertelt van hun bestaan.
De
monnik leek te genieten. Ik genoot zeker. De flora en ook de fauna waren
paradijselijk. Zon of geen zon: dit was Limburg. En we vervolgden
onze weg over een pad dat zich speels door het landschap slingerde. Had ik
Frankrijk aangedaan, zoals ik al zolang van plan was geweest, dan zou ik
déze vreugde niet hebben gekend: samen met de monnik ging ik langs de
goddelijkste wegen in dit kleine kikkerland.
Ik
keek naar de hemel. Was God daar soms? Ik zag een dikke wolk. Even later
probeerden schrale zonnestralen haar voorzichtig te doorbreken. 'Is
God daar?' vroeg ik aan de monnik. Hij glimlachte, maar antwoordde niet.
Mijn
pas vertraagde. Zag ik forellen in de snelle stroom? Schielijk schoten
de vissenlijven door het water. Forellen. Heuse forellen. Opgewekt stapte
ik door. Het pad voerde langs water, weiden en akkers. Koeien bekeken ons
domnieuwsgierig; vogels vlogen hoog op en scheerden laag weg; bloemen
bloeiden volop; grassen deinden hun bloeisels, hun halmen.
De monnik stopte abrupt. Hij boog voorover, alsof hij iets bekeek. Het was
een slak, die zijn aandacht trok. Met zijn voet bewoog hij het huisje. De
slak kromp niet ineen, wat ik verwacht had, maar ging verder het
slakkenhuis uit. Zijn voelsprieten staken meer naar voren, alsof hij
wilde tasten waar hij zich bevond. Dat was in zand en onder vlier en
braamstruik. Ik rolde het slakkenbeest verder, het hoge halmgras in,
ter bescherming. Ik keek naar de monnik. Hij liep door. Langzaam.
Dan
plotseling viel hij op de knieën, hief zijn armen omhoog en begon te
zingen. Ik hoorde een hoge, heldere stem. Een mannelijke sopraan. De
monnik jubelde. Hij zong een Godlof, een psalm gelijk: 'Dank Jou, Vader,
voor dit aardse goed! Dank Jou, Vader, voor deze wonderschone natuur.
Dank jou, hemel, voor de wereld. Dank jou, wereld, voor de hemel.'
Ik was stiller dan stil. Ik boog mijn hoofd. Ik sloot mijn ogen. Ik ervoer
een stroom die sterker moest zijn dan het snelle water van het riviertje.
Vissen zwommen in mijn bloed. Vlinders dansten onder mijn huid. Vogels
zwermden in en uit mijn hoofd. En liefde, heel waarachtige liefde, bewoog
heftig mijn hart.
En
ook ik knielde neer. Met ingehouden adem boog ik mij voorover. Ik
kuste de grond die mij droeg en ik aanbad God zelf. Dit was Zijn aarde.
Dit was Zijn rivier. Dit was Zijn schepping. Wat wilde ik meer? Wat
verwachtte ik nog?
De
zinkviooltjes roerden zich in het ritme van de zachte wind. Het Engels
gras trilde mee.
De
monnik ging staan, rechtop. Hij keek naar de hemel. Toen keek hij naar
mij. We lachten.
Langs de snelle rivier gingen we samen verder. We wisten ons kinderen van
God. Zonder woorden ervoeren we het leven als amen. Niet meer en
niet minder. Het kwaad was ver weg, heel ver weg. Want God ging met ons
mee. Net als de vissen in de rivier. Net als de vogels in de lucht. Net
als de wind in onze haren. We gingen verder: God, hij en ik. Ik, hij en
God. We gingen gedrieën langs de bloemen en de struiken en langs de
oevers met de zinkviolen en het Engels gras. We lachten, we zongen.
Godpsalmen galmden over de akkers. De bomen waren duizend keer groen. De
natuur zong amen. © 1993
ADEL,
OFFERS EN EVA
Hij
was uiterst rechts in de roomse leer. De priesterlijke snit van het
sacrale pak droeg hij met schrijdende pas en met waardigheid. Hij was
van de adel met het paarse bloed.
De
katholieke katechismus lag hem na aan het hart. Scrupuleus behield hij de
inhoud van de editie van vóór Vaticanum II. Intussen was verdorvenheid
deel geworden van Gods Wereld en in het Rijk der Geestelijkheid. Zelfs
binnen de contreien van Vaticaanstad heersten de slechtste geesten. De
grote geloofscatastrofe was compleet. De mens was slechter dan ooit en
de jaloerse God zou toeslaan. Deze mening was hij toegedaan. En hij
verkondigde tijdens preken en conferenties en in zijn geschreven
werken dat satan als de leider der wereld rondging en als een brullende
leeuw allen zou verslinden die hem maar enigszins ten prooi konden
vallen. Het waren er té velen...
'Het
is enkele reis. Uw ziel heeft nu nog een kans. Bied hem aan God aan en
offer, offer, offer. Geen offer mag u te zwaar wegen. Geef uw leven als
Hij dat van u vraagt. Offer uw geld voor nieuwe priesters. Bid,
bid, bid. En
bemin uw God. Verloochen uzelf. Leef voor uw naasten. Bekeer u elke dag
opnieuw. Waakt, waakt, waakt opdat u niet in bekoring komt! Geef uzelf aan
de maagd Maria en luister naar uw engelbewaarder. Doe wat hij u
beveelt. Als híj toornig op u geraakt, bent u verloren!'
En
vele, vele goede lichtgelovigen knielden neer voor de priester met de
zwarte toog. En vele, vele goede lichtgelovigen bewonderden de sacrale
snit van zijn overige klerikale outfits, en hierdoor verblind zagen
zij geen mens meer in hem. Hij was een weldoener, een heilige. Hij had
woorden van God. Hij was zó geleerd! Was hij niet gepromoveerd op
Ezechiël? Reisde hij - als doctor toch maar! - niet de hele wereld rond
om zielen en priesters en nonnen te winnen? Was hij geen vechter, geen
held voor Rome? Ach, hij beminde zozeer de paus! En hoe adoreerde hij
Maria! Hij ging veelvuldig ter bedevaart naar haar heiligdommen en
dat deed hij in alle nederigheid. En zijn liefste heilige, dat was
Treesje van Lisieux. Hij vertelde immers altijd over haar heiligheid,
over haar glimlach en over haar rozenblaadjes! 'Zij was zo rein, zo
schoon van ziel', zei hij dan. 'Zij was Gods lieveling.' Weliswaar,
daarnaast wist hij stellig: 'In elke vrouw zit een kleine Eva verborgen.
Vrouwen verleiden altijd. Dat doen ze allemaal. Behalve Maria, de nieuwe
Eva. Zij is kuis geweest in alles. Zij was zuiver, zij was door en door
schoon. Ja, ja. Bernardus van Clervaux mocht Maria's melk drinken,
proeven, smaken. Bernardus was groot door zijn liefde voor de Maagd en
zo was deze heilige man een van haar uitverkorenen. De moedermelk
sijpelde uit haar borsten in zijn mond en langs zijn lippen druppelde
het kostbare vocht. Er bestaat een rots, die nog altijd wit is van haar
melk. Als rotsvast bewijs! Welk een wonder, nietwaar!' Zo zalfde de
gesacreerde man legendes met balsems van eigen waarheden en
verkwanselde hij zijn individualiteit en zijn intellect. Zou dat?
Kijk nog even mee:
Tijdens
een stille dag werd een charmant Indonesisch vrouwtje op een onverwacht
moment aan hem voorgesteld. Zijn wenkbrauwen gingen in ene omhoog, zijn
liefste glimlach verscheen. En hij nodigde haar uit. Na de slotviering
werd zij in zijn residentie verwacht. Ze was onverhoeds zijn uitverkoren
lieveling geworden, naast Treesje van Lisieux, naast Maria maagdeke, naast
de witte paus van Rome en naast alle sacrale paarse en rode witboorden.
Hij schreef haar briefjes: 'Voor altijd de uwe.' Ja. Hij was verliefd.
Heel duidelijk bekoord door de kleine Eva in die kleine donkere vrouw.
En zij was geflatteerd. Ze giechelde als een bakvis als de post de
zoveelste ansichtkaart van hem bracht uit de verre landen die hij
aandeed om zielen te winnen. Of bij het ontcijferen van zijn kriebelig
scrupuleuze handschrift achter op de heiligenprent, die hij haar stuurde
vanuit zijn favoriete bedevaartsoorden. En des avonds dronk zij 'n
glas wijn, sprak verward en raakte opgewonden door zijn
danktelefoontje, dat hij steevast pleegde als hij op bezoek was
geweest voor een persoonlijk gesprek, dat zij had aangevraagd en
dat hij hield met haar. Dan had zij gebiecht bij hem en zij had
geknield voor hem en hij had haar gezegend. In het Latijn. Benedicat
vos omnipotens Deus. In
nomine...
© 1992
VOILE
OVER GOD
Lisa
en ik.
De boot voer richting Dover in 'n langzaam tempo door de dichte mist. We
wilden de krijtrotsen zien, maar ze lagen onzichtbaar in het wolkenpak. We
konden geen contouren onderscheiden en we hadden Engeland vanaf de
Noordzee willen schouwen.
Het
werd een onaangename intrede. Aan wal was de Engelse douane bijzonder
onbehouwen tegen de reizigers die het land aandeden. Ik had het
verstikkende gevoel in een regiem te zijn beland waar menslievendheid
ondenkbaar was. Ik zei 'Sieg Heil' en maakte een saluutgebaar. De koude
mannen schreeuwden bruut en pakten eenieder hardhandig aan. Men voerde
strenge controle. Begrijpelijk, toch wel: Er waren diverse IRA
activiteiten geweest en vele burgers gedood. Engeland was op z'n hoede.
Reis
in de mist.
De trein naar Londen was vertraagd. Onze magen knorden. We verlangden
alleen nog eten en een bed. Na uren beproefd geduld arriveerden we in een
duister hotel. De beloofde folderluxe bleek valse propaganda. We waren te
hongerig en te moe om ons te verbazen.
Gelukkig
maar.
De volgende ochtend bij het ontwaken zagen we vanuit het venster een
vuilnisbelt tegen het hotel. Het nachtelijk ongedierte zou hier
voldoende energie hebben opgedaan. Nu was er rat noch gier te bekennen. De
mist was weg.
Toen
keek ik Lisa aan. Ik schrok. Ik zag haar gezicht. Ze leek op een varken. Lisa
was knap. Lisa was mooi...
Lisa was zonder make-up en ik herkende haar niet. Ze had zwijnenoogjes en
een vale, bleekroze huid, onzichtbare wenkbrauwen en ze was wimperloos.
Ontzet staarde ik haar aan. 'Heb je ook zo eng gedroomd?' vroeg ze. Ik
zweeg. Ik dacht aan de alles verhullende make-up. De mist
was weg en ik zag de belt...
Ze
schminkte zich.
'Zo voel ik me aangekleed', zei ze. 'Waarom tut jij je niet op?' Ze had
geen idee van de wanhoop in m'n ziel. Als ze naakt was geweest, zou ik
niet geschrokken zijn. Maar nú: Lisa's schoonheid bleek mist te zijn.
Alles verhullende mist. Vanaf dat moment wist ik dat ik geen make-up
meer zou aanraken. Het
was AD 1974. © 1992
GOD
ZIEN
We
lagen in het hoge gras langs de waterkant. Het water was donker met veel
kroos. Hij kauwde grasspriet. Omdat hij op Shaffy leek, noemde ik hem
Ramses. Zijn zwarte naamloze hond rende heen en weer en plonsde af en toe
in de poel, zich daarna niemand ontziend breed uitschuddend. Dan was ik
nat.
'Morgen
geef ik het beest een naam', zei Ramses. Ik noemde dat beest dus Morgen.
Morgen was aardig en aardig vervelend. Hij mocht teveel.
Jes
lag erbij als een elfje. Hoewel, in het leven van alledag waarde ze al
rond als een lieve fee. Haar ogen droomden richting Ramses. 'Ze houdt
van hem', dacht ik. 'Of ze is 'n dagje verliefd.' Bij Jes wist ik het
nooit. Ze zat zo boordevol liefde voor de mensen die ze ontmoette en die
haar omringden. Jes had eigenlijk iedereen lief. Heel puur. Wonderlijk.
Ze had in haar jonge leven al veel levens geleefd met als hoogtepunt ellende.
Desondanks bleef ze overeind, leefde blijmoedig verder en stopte niet met
beminnen. Jes was een christin van het zuiverste soort.
Ramses
dronk bier. Hij haalde het tinnetje uit zijn schapenvellen bólero. Zijn
blik was wazig en z'n lach onzeker.
'Hoe
zie jij God?' vroeg ik.
'God?
God nog aan toe! Weet ik niet, jij?' Ik hield aan. 'Kijk', zei hij, 'mijn
moeder geeft geen moer om me, mijn vader ken ik niet, ik ben enigst kind,
heb amper te vreten. Hier ben ik: wat zie je nou? En jij vraagt mij naar
God? God nog aan toe!'
Hij
slurpte van zijn bier, gooide de zoveelste tak in het water voor Morgen en
sprong overeind. 'Hier word ik niet goed van. Laten we het gezellig
houden, ja?' Fee Jes stond op, sloeg haar armen om hem heen en wiegde hem
zachtjes: 'We moeten God zijn voor elkaar, stil maar lieverd. Ik zal God
voor je zijn.' Ze streelde zijn ruwe gezicht en het verwarde, stugge haar.
Ramses lachte breed. Hij genoot van Jes en ik aanschouwde het tafereel
ontroerd.
Ik
dacht terug aan een conservatieve priester die me thuis eens had bezocht
om tegelijkertijd kennis te kunnen maken met Jes. In alle openheid had ze
de inhoud van haar hart en haar kennis aan hem toevertrouwd, hem zonder
schroom verteld over alles wat haar bezighield. Ze was geïnteresseerd in
alle soorten van mystiek. Ze weergaf haar vele reïncarnaties en
vertelde van haar verbondenheid met de maan...
'Gaat
u niet meer met haar om', zei de letterknecht me later, 'zij is een heks.'
Terstond onderging ik de gruwel van zijn uitspraak, maar deze stemde me
vervolgens dankbaar, want hij creëerde, zonder dat te beseffen, een
legende rond Jes. Zijn stelling vertelde ook iets van hem... En ik kende
haar geschiedenis. Jes: voor hem een heks, voor mij een fee. Jes: een
van de allermooiste mensen die ik mocht kennen. Een christin. Met een
sterke identiteit.
Ik
zei de behoudende priester met zíjn bijgeloof vaarwel.
Die
middag langs de waterkant was onvergetelijk. Ik
mocht God zien. © 1993
HET
WINTERKONINKJE
Bij
het kapelletje in het bos, gezeten op een bank, bad zij om genezing voor
haar zieke zus. De atmosfeer was somber door de dreigende wolken die
loodzwaar terneer drukten. Afwachtend zat zij daar en iets in haar
vertelde, dat haar vertrouwen niet vergeefs zou zijn.
Plotseling
brak licht door het wolkendek en vriendelijk zacht scheen de zon haar
warme stralen uit en op het beeldje van de 'Heilige Eik' streek een
winterkoninkje neer en zong... en zong uit volle borst. En zij begreep dat
dit heerlijk visioen wonderlijke realiteit was en het winterkoninkje haar
symbolisch kwam vertellen dat haar zus genezen zou...
De
lucht trok dicht, het licht verdween, de wolken woelden verder, terwijl
het beestje met zijn lied in haar nabijheid bleef.
Langzaam
maar zeker genas haar zus en met een dankbaar hart herinnerde zij zich die
kleine lieveling, zo zingend in het licht dat van de hemel kwam... dat
winterkoninkje met een boodschap van God.
Nu
is zíj ziek en ligt soms dagenlang verkrampt van pijn. De lange nachten
kwellen en moedeloos maakt wachten op verbetering, die misschien nooit
komt.
Ik
weet waarop ze hoopt. Ze heeft het me verteld: 'Ik heb hem nog niet
gezien, maar als ik hem hoor zingen, alleen nog maar hoor zingen, dan weet
ik dat ik beter word...'.
In
Oirschot bij het kapelletje naast die grote eik vraag ik de goede God
één ding: 'Stuur haar dit vogeltje'. © 1992
(Naar
een idee van Christine Brückner)
Door
Ine Verhoeven
Theofila
Boerhoefer praat tegen Moepie de poes
Moepie,
kom. Leg je warme vachtje maar tegen het vrouwtje aan. Luister! Ik vertel
het jou: ik ga praten. Ik ga mijn mond opendoen. Ik ga vertellen wat ik
altijd verzweeg. Omdat alles wat ik wèl zei, toch niet werd geloofd. Omdat
ik fantaseerde? Ik fantaseerde niets! Maar ik heb wel fantasie. Gekregen
door de ervaring. En omdat ik onthouden kon. Omdat ik keek en ook zag, wat
ik bekeek. Dat lusten niet veel mensen, Moep. Nee, ze lusten het niet als je
kijken kunt. Ze willen me liever blind hebben. Dan kan ik mijn mond niet
opendoen, omdat ik dan niets zie. Mijn hoofd is wel ziek. Maar mijn geest is
helder. En ik ben nog niet blind. Als die tumor eruit is, zal ik niet blind
worden ook! Maar wat er ook gebeurt: ze zullen het weten. De rotzakken die
mijn leven verziekten. De etters die mijn naam vervuilden. Geloof jij de
mensen maar, beestje. Ik niet meer. Ik geloof mezelf. En mijn zoon. Maar dat
klinkt niet goed. Ik geloof ìn mijn zoon. Dat is het. Omdat hij mijn leven
nog vult. Hij wel. Verder niemand, geen mens! Jawel, jullie twee, mijn
poezen. Misschien zijn jullie wel mijn redding geworden.
Nee
Moep, blijf hier! Kom, en luister goed! Ik had je eigenlijk niet willen
hebben, maar ach. Na die vluchtpoging van mij naar de andere wereld was ik
eenzamer dan ooit. Wat was toen beter voor me dan de aanhankelijkheid van
een kat? En Moep, al mijn poezen worden oud bij mij. Ik doe nooit een poes
weg. Ik heb Zwartje er maar bij genomen, toen Katinka nieste en vies werd
van de kattenharen. Ze werd er gek van. Het was net schaamhaar, bedacht
ze. Wat is daar waar van? Een t’mea die
vies is van schaamhaar? Maar jij en Zwartje blijven bij mij. Jullie
behoeftigheid heeft mijn zorg. En jullie afhankelijk geeft me een goed
gevoel. Ja, ik zorg. Ik heb altijd gezorgd. Nee, niet voor mezelf. Dat dacht
de wereld wel. Als ik voor mezelf had gezorgd, dan was ik niet bij Boris
gebleven. Het kind Boris. De versierder die alles, maar nooit iets ècht
versierde. Die mij wel versierde en zijn vrouw. Die ons versierde. En
genoot van ons, als we kronkelden in bed en hij toekeek. De opzichter! En
hij versierde bij mij een kind. Mijn zoon. Moep! MIJN zoon, zeg ik! Hij
heeft mijn achternaam. Boris zou met me trouwen. Trouwen! Wat zeg ik je?
Dat woord deugt niet. Er bestaat geen trouwen. Wat is dat, trouw? Ik ben
trouw, dat weet ik. Mijn eigen trouw ken ik. Maar hij! Hij was ontrouwer dan
prins Hendrik in zijn tijd! Boris bedotte Jana en mij. Met een Griekse! Ons
allebei tegelijk. En Boris bedonderde die Griekse. Boris had sperma over.
Maar noem ik prins Hendrik? Prins Bernhard kan - of kon - er ook wat van!
Met zijn Duitse! praktijken heeft hij mooi de adel en de hele wereld
bedonderd. Die mooie jongen van toen draagt nu een baard. De ouwe knar. Wat
was dat laatste schandaal over hem? Hij had weer gezwendeld, ach laat
maar. Alle kerels zwendelen toch. Ik moet de eerste nog tegenkomen die niet
aanrommelt met wat dan ook. Of met wie dan ook. Trouw is een vies woord, ik
zeg het je. En zwendel is gewoon. Bennie wordt toch niet gepakt? Hij moet
zijn apenpakje uit op grote feesten. Verder een medaille minder dragen. Nou
en? Weet je dat zijn dochter Irene praat met bomen? Alsof dat iets nieuws
zou zijn. Ik praat al jaren met bomen en planten en bloemen, en met poezen.
Zij verhoudt zich met dolfijnen? Ik met poezen, Moep! En ze is behoorlijk
achterlijk, want waar zij nu pas achter komt, ben ik al dertig jaar
achter! Ik, het lelijke prinsesje in de familie. Bij de Boerhoefers. Mijn
mooie zusje is dood. Vandaag is ze jarig. Het is de zevende alweer. De
zevende april. Wat heb ik toch met die zeven. Met dat ongeluksgetal? Ik
kan er niet omheen. Als de zeven in mijn buurt komt, weet ik hoe laat het
is. Vijf voor twaalf. Ongelukstijding. Voorbode.
Zie
je die foto? Dat is ze, mijn mooie zus. Mijn moeder was trots als een pauw
op haar voorkind. Wat verzweeg mamaatje de waarheid goed. Iedereen was
rot, alles was ondeugdelijk. Ze verkocht zich laag en groots tegelijk, die
koningin Elizabeth! Ze verborg haar rottigheid in haar trukendoos. En
haar liefde voor mij, die is een droom van mezelf. Och, ze kon niet
liefhebben. Ze had geen gevoelsleven. Ze was zonder affectie. De eerste
kus moet ik nog van haar krijgen. De eerste knuffel heb ik nog altijd
tegoed. Hoe heeft ze mijn vader eigenlijk versierd? Hoe ging die truc?
Natuurlijk ging hij vreemd. Natuurlijk zocht hij 'het' buiten de deur. Ik
lach me wild: seks met die kouwe vis? Mooie kleren en dure spullen. Jonge
jongens met bruine ogen. Daar viel ze op! Zoals destijds op Vetersen en op
Van Ommen. En wat is er werkelijk in de theaterwagen van papa gebeurd? De
nachten dat ze samen sliepen met tante Roxy in die grote auto? Marij werd
geboren. Dochter van Roxy, het zusjelief van mama. Heb ik nog een halfzusje
soms? Zelfs mama twijfelt!
Wie
is dat mens? Haar naam is Moeder. Ik ken haar niet. Ik ken de nonnen. Van de
kostscholen. Van de wasbeurten onder de douche, wassen met de schort aan.
Om de kuisheid te beschermen. Haha. Onkuisheid troef. Treesje Achterbeek
voelde mijn boezem. En ik die van haar. Lekkere lesbische trekjes van Trees.
Of liever, Marie Thérèse Achterbeek Boom. Een Indonesische schoonheid.
Geil als boter. Kuis als de sterren! Om te zien. Haha! En de nonnen maar
bidden. In de mis. In het lof. Heilige Maria, moeder ván. En mijn heilige
mama was hitsig, net als elke andere mama. Moet ik nou medelijden
hebben? Ze wordt oud. Ze dementeert al. Toen papa ineens doodbleef, was
hij haar god. Heel eventjes. Bang was ze in het huis. Want daar viel hij
dood neer. Hoe vaak zou ze dat gewenst hebben? Als hij thuiskwam van weer
een ander liefje? Als hij onder de krabben en de striemen zat? 'Jij snapt
toch niks van de liefde', zei hij dan. Ik hield van hem. Ik voelde dat hij
ook van mij hield. Maar dat hij het niet liet merken! Mijn zigeunermoeder,
de koningin zelve, had hem vermoord. Zielig is ze. En zielig was ze. Onze
herdershond lag destijds aan haar voeten te janken. Ze had teveel
tranquillizers ingenomen. Wat zeg ik? Te wéinig. Ze ging niet dood. Hoho.
Maar
die hond, had die mensenkennis? Moep, heb jij dat soms? Dooddoen is een
familietrek. Doodgaan niet. Zelfmoordscènes te over. Mama, mijn broer,
mijn zus, en ikzelf. Tekort aan aandacht. Tekort aan warmte. Tekort aan
armen. Tekort aan mensen. En tekort aan lief. Boris copuleert. Boris geilt.
Boris laat me stikken. En Boris houdt van me. De stumper. Ik kom ze tegen,
overal, de mensen met het trauma 'liefdetekort'. En jammeren of smeken,
gillen of fluisteren, geilen of geildoen: niks helpt echt. Het is de
vreselijke worsteling van het overleven, anders niks. Nee, niet met je
nagels, Moep. Dat doet me geen deugd. Krabben doen de ménsen al genoeg.
Weet
jij al van Jorin? Wat waren we verliefd. Jong, wild en verliefd. Hij is
dood, Moep. En weet je hoe hij stierf? Hij dronk geest van zout. Geest van
zout! Hij was geadopteerd, en verafgood. Hij was ook stil. En impotent.
Van wie zijn Herma's kinderen? Van Jorin? Of toch van Willem? Herma is
weduwe. Ze zit gebeiteld. Een eigen huis. Met haar eigen kinderen, die nu
ook volwassen zijn. Zou ze al oma zijn? Ik hoorde dat haar zoon wegliep toen
Jorin dood was. Jorin dood. Annemarije dood. Papa dood. Al mijn lieverds
zijn dood. De serpenten leven nog. Nou ja, kijk tante Theofila. Op haar
verscheiden moesten we wat langer wachten. Stom zeg, ze lag een week dood in
haar huis. Haalde ze het nieuws in de krant ook nog. Het is maar hoe het je
overkomt, Moep.
Maar
Jorin is een hoofdstuk apart. Toen was ik een 'volwassen' tiener. De
kermissen liepen we af. Met Tina en Toton. Met hem mocht Tina niet omgaan.
Met Jorin mocht ik niet lopen. En daar wandelden pa en ma. Ze zagen ons. En
bang waren we, Tina en ik. Wat een rotjeugd. Altijd angst. We waren nog zo
zedig. Groen als gras. Een kusje verwekte een kindje! We keken wel uit! Maar
dat duurde niet lang. Tina moest trouwen en ik had Boris ontmoet. Kiezen of
delen dan: Boris, of het huis uit. Boris dus! Getrouwde Boris. En vader
ván. Van hotel naar hotel ging ik. Boris’ vrouw Jana ving me toentertijd
nog op. Later nachten lang slapen in de auto. Toen weer in een hotel. En
zwanger raken, natuurlijk. Dat hoorde er zo bij, in mijn tijd. Losgeslagen
verliefd zijn en ongeborgen ronddolen, zoiets maakt neuken tot een
verrukkelijk spannende ontspanning. En Boris lustte er wel pap van. Nu
nóg. De onverzadigbare dikpens. In Utrecht kreeg ik mijn zoon. De hel
van het roomse tehuis voor ongehuwde moeders heb ik doorstaan. De beloftes
van Boris om met me te trouwen heb ik geloofd. Maar bijna tegelijk met de
geboorte van Mattijs beviel Jana: ook van een zoon.
Boris’
losse handjes onderging ik gelaten. Bont en blauw sloeg hij me. Mijn
hysterie en gegil bedaarden hem niet. Hij kickte op mijn verzet. En ik werd
zijn slavin. Onopgemerkt sloop ze binnen, mijn afhankelijkheid. En mijn
eerste overdosis had ik al achter de rug. Sterven helpt niet, Moep.
Schreeuwen om aandacht ook niet. Maar daar was ik toen nog niet achter. Ik
geloofde die vader van mijn zoon. Gekneusd was ik vanbinnen en vanbuiten.
Toch geloofde ik hem. Toen. En nog. Daar ligt een raadsel. Wat bindt mij
aan die vent? Dertig jaren wachtte ik op de uitvoering van zijn belofte:
trouwen. O ja, hij zou gaan scheiden. Jana had haar toekomst veilig
gesteld. Zij is de lachende derde. Niet ik. Zij. Scheiden? Goed. Maar dan
wordt alles van haar. En daar kan 'man' Boris niet tegen. Hij moet niets
hoeven inleveren. Met behoud van alle rechten. Ach nee, Moep, het was een
pose van hem! Een spel. Een zoethoudertje voor mij. En ik sabbelde op zijn
zuurtjes. Als een braaf kind.
Nooit
vergeet ik de rapheid van de roomse nonnen om me mijn kind af te nemen.
Adoptiegeval! In geen enkel geval, hoho! Vechten Theofila, vechten. En ik
vocht. Als een tijgerin. Alleen. Als Theofila problemen heeft, slaat Boris
op de vlucht. De eeuwige vluchteling! Ook nu weer, Moep. Ik zit met die
tumor in mijn hoofd. Wachten op die neurochirurg. Mijn oog wordt slechter.
Mijn hoofd bonkt. Scheel zie ik van de druk. En ik wacht. Niet alleen op die
operatie. Ik wacht op Boris. Die niet komt. Ik wou dat ik hem als een jas
uit kon trekken. De laffe hond met zijn grote bek. Blaffen, grommen en
bijten. En wegblijven als het moeilijk wordt. Ruzie zoeken, en schelden en
tieren om een rollend appeltje in de auto. Gezellig een dagje uit. Om even
te vergeten dat ik met mijn hoofd vol dood loop. Afgezet voor de deur.
Zoek het maar uit, trut.
Maar
ja. Het was bijna Pasen. Deze scène voert hij ook op als Kerstmis nadert.
Dan hoeft hij niet te komen. Dan zit hij veilig bij zijn vrouw. Bij zijn
gezin met aanhang. Als een echte vader. Als een waarachtige opa. Geloof ik
die zak nog? Wil ik die zak nog? De vrek! Met mijn uitkering moet ik ook nog
eens ruim kunnen leven. Dat meent die mijnheer met zijn dikke baan en zijn
vette ton op de bank. Hij wel! Hij heeft een goedkoop adresje, hier. En een
hele grote bek. Daar komt niet alleen van alles aan kritiek uit. Daar gaat
ook de uitkering van Theofila in. In de vorm van koffie, eten, koek en
snoep. Ja, hij laat zich voeren, net als Zwartje en jij, Moep! Zou hij nog
ergens een Griekse achter de hand hebben? Als ik straks uit het ziekenhuis
ben, komt hij gegarandeerd weer terug. Had ik maar moed genoeg. Alle trucs
en alle denkbare mogelijkheden heb ik al toegepast om hem te vergeten.
Nooit meer Boris. Maar dan staat hij weer voor mijn deur. Dag Boris. 'Ik
houd toch van jou.' Houden van. Ook zo'n vies begrip. Boris houdt van Boris.
Zoals mannen toch alleen van zichzelf kunnen houden. Zo overleven ze
misschien? Egotrippers. Dat zijn ze! Allemaal!
Wippen
we vandaag nog of hoe zit dat? Nee toch! Mijn hoofd is ziek. Boos is Boris.
Weg is Boris. Dag Boris. Wat moet Boris met een zieke maîtresse? Hoewel.
Goedkoper kan hij nergens terecht. De hoeren zijn hem te duur. En de
risico's te groot. Hij mocht eens platjes krijgen. Of 'n druiper. Of aids,
nog erger! En dan, Jana beheert het banksaldo. Of zou hij me weer een
loer draaien? Ze heeft een volledige baan. En Boris is niet bang van een
vrouw. Wat zwetst hij, dat zíj het geld bestiert?
Boris,
je moet kiezen. Boris, wees eerlijk. Boris zegt ja. Theofila gelooft hem. Ik
ben een slechte hoer, Moep. Omdat ik een eerlijke maîtresse ben.
Maîtresses zijn geen hoeren. Mits ze slim zijn. En plukken. En hun
rugpijn laten betalen. Maar ik heb hem nog nooit één pijntje van me
laten betalen. Ik had hem aan kunnen geven wegens mishandeling. Maar
nee. Altijd heb ik hem gespaard. Altijd verzon ik een gegronde reden voor
zijn gedrag. Dat leverde me zelfs een schuldgevoel op. Ik ging alles
omkeren! En hoe blij was ik als die klootzak weer voor me stond. Die
breedloper met zijn grote bek. Boris houdt van me. Hahaha! Ooit zal hij
mij en zijn ! zoon genoegdoening schenken. Dan zal hij niet aan mij
voorbij kunnen. Mijn zoon is zijn zoon. Wat lijkt hij sprekend op Boris,
en op die bijna tweelingbroer! Maar tóch, Moep, Boris liegt me voor.
Dat zie ik nu pas heel duidelijk. Moest ik dan eerst half blind worden om
goed te leren zien?
Kom,
ik sta eens op. Ik ga jullie eten geven. En drinken. En jullie kattenbak
verschonen. Ik houd van schoon. En van mijn dikke poezen. Het leven is kort.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
ROOD
KARDINAALTJE
In
het braadpannetje pruttelt een blind vinkje, ik jas een pieper met oogjes en
weet, dat ik een bundeltje moffelboontjes zal gaan doppen. Mijn maag vraagt om
een maaltje. Eenvoudig en graag gezond.
Bedenk
ik ondertussen dat ik zelden of nooit tv kijk. Ik heb zo'n ding wel, maar
waarvoor eigenlijk? In een opwelling laat ik mijn halfnaakte pieper achter op
het aanrecht, kijk nog even naar mijn vogel in de pan, laat de moffels
gemoffeld en ren naar mijn toestel, alsof ik ineens zonder die vreselijke
haast iets zal missen.
Warempel,
het nieuws! In Oostenrijk en Zwitserland blijken prelaten in opspraak.
Hoge bomen vangen binnen Kerkeland loeiende stormwind: De roomse adel
blijkt onder de 'Mes-signeurs' stervelingen met aardse gevoelens te
herbergen. Ene kardinaal en ene bisschop zijn in het vizier. Hun
menselijke trekjes kwamen aan het daglicht: De ene heiligheid heeft
lijfelijke contacten onderhouden met mannetjes en de andere sintheer heeft
'bekend' spoedig papa te worden. Ik bekijk de aanstaande vader kritisch en
bedenk dat Onze Lieve Heer wel een heel erg mooie man in dienst heeft genomen.
Zo'n schoonheid bekoort zelfs ongewild de meest preutse begijn. Zo'n
mooiheid zorgt als vanzelf wel voor een 'gevallen vrouw'.
Maar
wat nu? Rome heeft zorgen, grote zorgen. Het zijn immers geen kleine
jongetjes, die hier publiekelijk op hun bekje zijn gegaan. Vooraanstaande
gezagsdragers profaneerden hun gewijde heelheid en dreven hun ziel richting
hellevuur. Oef!
De
stichting Philothea hier in den lande, die momenteel opereert onder de
naam 'Stichting Magdala - voor vrouw en priester' en die haar bestaan
dankt aan Tineke Ferwerda met haar boek 'Zuster Philothea, ziet gij nog
niets komen?', krijgt na de gewraakte val van deze groten der kerk wèl nu een
tranentroost voor gekwelde priesters en voor hun eveneens getarte
vriendinnen aangereikt middels deze bondgenoten in het ornaat van zwart met
bisschoppaars en kardinaalrood.
En
wat wil nu het toeval? In het DABAR-bericht nummer 3-1995 lees ik later, na
het eengangsdineetje met blind vinkje, bloot aardappeltje en ontmantelde
boontjes, bij 'korte berichten' een mededeling van deze Magdalastichting.
De annonce haalt een Arabisch spreekwoord aan: 'Er zijn drie dingen die men
niet kan verbergen: dronkenschap, zwangerschap en liefde.' Had ik wellicht
zelf ook kunnen bedenken, maar toch, er zit een waarheid in zo groot als een
koe. De tekst meldt verder: 'Vroeger of later, er komt een moment waarop je de
toestand waarin je verkeert onder ogen moet zien. Dat kan pijnlijk zijn.
Pijnlijker wordt het als die toestand geheim moet blijven. En het pijnlijkst
wordt de situatie als je dat niet (meer) wilt. Intense vriendschap en
liefdesrelaties tussen priesters en vrouwen staan in veel gevallen onder deze
pijnlijke druk van geheimhouding. 'Stichting Magdala' wil zich voor mensen
in zo'n situatie inzetten. Wilt u meer weten: Postbus 4114-1620 HC Hoorn.'
Einde citaat.
Wel,
Rome zal zich niet met deze Magdala's inlaten. Toch is het goed dat de wereld
kan zien - zoals in het tv-spektakel - hoe menselijk de priestermens is. Hij
is geen god. Hij is niet astraal. Hij is van vlees en bloed. Hij leeft niet
alleen van eten en drinken. Zo wel, dan is de kans op vraatzucht of
alcoholverslaving groot. Iets, waarom niemand zich dan druk maakt. Bij het
pastoorsbeeld horen een goed gedekte tafel, de borrel en de sigaar. Dat zijn
attributen die hem genadig worden toegestaan, die bij z'n aanzien horen
en hemzelf 'de sigaar' doen zijn. Want affectie is taboe. Lijfelijke
lievigheid mag niet. Valt het me nog mee dat deze mannen niet worden
ontmand. Of seksremmende pillen moeten slikken. Maar dan zit het instituut
naast de anticonceptiepil met nog een ander pilprobleem. Enfin, de
prelaten bewijzen zelf wel de onmogelijkheid van de door hen verkondigde
onmogelijke mogelijkheid. Een van seksualiteit ontzield lichaam is of niet
in orde of het bestaat niet; of het is gevoelsdood door trauma's of
scrupules die onheilig de staat van de seksloze heiligheid(?) waarborgen.
Rome zoekt het maar uit. De Magdalastichting heeft de handen vol. Ik hoop
dat ik de Frontlijnlezers in hun mensenharten heb mogen bereiken, zodat
dezen - tenminste - de priester(s) met vriendin of vriend onbevooroordeeld
tegemoet zullen treden. Als slot bezie ik ook nog de homopastores. Allen
creaties van de Grote Schepper: 'En God zag dat alles goed was. En het wás
goed'.
Wat
zal ik morgen eten? Kapucijners? Dan drink ik daar een trappistje bij. En in
mijn koffie gaat een benedictijntje. Maar nú eerst een glas bisschopswijn!
Heerlijk proeven van het rijke roomse leven! Lekker katholiek! En ik zal
eens op zoek gaan op de vogeltjesmarkt in Antwerpen naar een kardinaaltje,
zo'n mooi roodkleurig papegaaitje. Voor in mijn zwarte kooitje uit Tunesië.
Heb ik nog aanspraak met een rooms accentje en kan ik genieten van de
juiste tintjes. Verheugend!
©
1995.