Uranus is een van de drie buitenste planeten van ons
zonnestelsel die pas in de laatste drie eeuwen ontdekt zijn. De planeten konden
toen worden opgespoord omdat de optische instrumenten sterk verbeterd waren,
zodat bij voorbeeld storingen in de baan van Uranus konden worden opgemerkt.
Uranus werd in 1781 ontdekt door de Engels-Duitse
astronoom Wiliam Herschel. Zijn afstand tot de Zon klopt bijna exact met de
regel wan Titius-Bode. Er zijn aanwijzingen dat de planeet al eerder
geobserveerd was, maar men herkende hem toen nog niet als een planeet. Herschei
zelf dacht dat hij een nieuwe komeet had ontdekt en het duurde twee maanden voor
hij erachter kwam dat het een planeet was.
Door een kleine kijker ziet Uranus eruit als een
blauwgroen schijfje. Met krachtiger telescopen is te zien dat de planeet vijf
manen heeft, waaronder: Miranda, Ariel, Umbriel, Titania en Oberon die de
helderste is. De manen Oberon en Titania werden eveneens door Herschei ontdekt.
Uit het baanvlak van de vijf manen valt af te leiden dat het equatorvlak van
Uranus bijna 98° helt, wat betekent dat de planeet in zijn omloop rond de Zon
vrijwel op zijn kant ligt. De rotatieperiode (de duur van een dag op Uranus) is
vermoedelijk 23 uur. Door de rotatiesnelheid is Uranus aan de polen afgeplat; de
polaire diameter is 1 500 km korter dan de equatoriale, die 25 900 km
meet. Door zijn extreme helling op het baanvlak worden de beide polen van Uranus
om beurten naar de Zon gekeerd. Dit laatste betekend dat het op elke poolstreek
42 jaar lang dag en dan weer 42 jaar lang nacht is. Vanaf de Aarde
gezien draait Uranus telkens in een andere richting om zijn as, nu eens met de
wijzers van de klok mee, dan weer tegenin.
Burgerschool