Nieuwe visie op de verwoesting van Jericho
Resultaten van opgravingen die plaatsvondenin de ruïneheuvel
Tell es-Sultan, de plaats van de oude stad Jericho, hebben regelmatig
een rol gespeeld in de discussie over de betrouwbaarheid van de verhalen
over de Intocht van Israël in Kanaän in het boek Jozua.
In de jaren dertig groef de archeoloog John Garstang
in de ruïneheuvel Tell es-Sultan,, een ineengestorte stadsmuur op, die
verwoest was door een hevige brand, die hij dateerde in ca. 1400 v. C..
Hij legde ook een stadsgebied bloot waarvan hij aannam dat het verdedigd
werd door de opgegraven muur. Garstang dateerde de ondergang van die
stad (Jericho IV) in ca. 1400 v. C. wat in overeenstemming leek te zijn
met de datering van de Intocht op grond van gegevens in de Bijbel.
Garstang schreef de verwoesting toe aan de Israëlieten onder leiding
van Jozua.
In de jaren 1952 tot 1958 vonden onder leiding van de
archeologe Kathleen Kenyon opnieuw opgravingen plaats in Jericho. Ze
concludeerde dat de verwoesting van een stadsmuur door een hevige brand,
die Garstang had gedateerd in ca. 1400 v. C., in werkelijkheid
plaatsvond aan het eind van Vroeg Brons (ongeveer 2250 v. C.).1
BGA