Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk
een rund.
Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel
zijns buiks.
Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner
schaamte zijn doorvlochten.
Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren
handbomen.
Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; die hem gemaakt heeft, heeft hem
zijn zwaard aangehecht.
Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des
velds aldaar.
Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets
en des slijks.
De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de
beekwilgen omringen hem.
Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij
vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.
Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den
neus doorboren kunnen?