| |
1 In den beginne schiep God den hemel en de aarde.
Wat
hiervoor was, daar weten we niets van, voor ons begint de geschiedenis
hier.
Ook wat de hemelen zijn is niet duidelijk, maar deze zijn
'onstoffelijk' , of het nu een
andere dimensie is of niet, wij zullen en kunnen zoiets
niet begrijpen.
2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den
afgrond; en de Geest Gods
zweefde op de wateren.
De
basis is er, nu wordt er 'nagedacht' over het ontwerp. Voor onze
begrippen is een
wereld zonder licht en niets erop 'woest en ledig'. Voor
God gewoon het perfecte
materiaal waarmede gewerkt zal worden.
3 En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.
Het lijkt er op dat de hemel geen
licht nodig heeft, net zo min als God. Maar voor het
leven op de aarde wordt dit een van de voornaamste dingen.
Let wel, dat we over licht
praten, de foton ?, niet over energie van de zon of zoiets.
4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte
scheiding tussen het licht en
tussen de duisternis.
Bijzonder
lastig, het licht was overal, maar door er scheiding van te maken was er
ook
weer sprake van duisternis. Nogmaals, hier wordt niet
over de zon gepraat.
5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij
nacht. Toen was het avond
geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.
Het
verzamelde licht heet dus dag, waar geen licht is, de nacht. In een grot
diep onder
de grond is er dus nacht.
Let wel: Eerst was het avond geweest en pas in de
morgen is de eerste dag voorbij!
6 En God zeide: Daar zij een
uitspansel in het midden der wateren; en dat make
scheiding tussen wateren en wateren!
Onder
het uitspansel verstaan wij de lucht, de atmosfeer. Hier staat eigenlijk
dat er
water onder de atmosfeer was, de zee, en water boven
de atmosfeer, wat er nu niet
meer is.
7 En God maakte dat uitspansel,
en maakte scheiding tussen de wateren, die onder
het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het
uitspansel zijn. En het was
alzo.
Het
is duidelijk dat God werkelijk wateren onder en boven het
uitspansel maakte.
Hiermede worden beslist geen wolken bedoeld, in
ieder geval niet zoals wij die
kennen. Want wolken ontstaan nu nog steeds, hoeven niet
geschapen te worden.
8 En God noemde het uitspansel
hemel. Toen was het avond geweest, en het was
morgen geweest, de tweede dag.
Wat wij nu ook de hemel
noemen, een heldere hemel bijvoorbeeld. Dit moet men dus
niet verwarren met de hemelen uit het eerste vers, die
waren er immers al.
9 En God zeide: Dat de wateren
van onder den hemel in een plaats vergaderd worden,
en dat het droge gezien worde! En het was alzo.
Onder
de zee was er natuurlijk aarde, pas nu kwam deze tevoorschijn. Als er
een
laagje water in de tuin staat, graaf een put, en de tuin
komt weer tevoorschijn omdat
al het water verzameld wordt in één plaats.
10 En God noemde het droge
aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij zeeën;
en God zag, dat het goed was.
De
aarde kwam tevoorschijn, en de wateren die zichtbaar bleven waren de zeeën.
Wij hebben geen idee, hoeveel van onze aarde nu
land was, hoe hoog de heuvels of
bergen waren. Waren er meren? Hoe diep waren de
zeeën?, hoe zout of zoet het water
daarin, daar mogen we over fantaseren.
|
|