HAEH 


Genesis 1   1-10
  

  «      

    

     
 
1 In den beginne schiep God den hemel en de aarde.
  
Wat hiervoor was, daar weten we niets van, voor ons begint de geschiedenis  hier.
   Ook wat de hemelen zijn is niet duidelijk, maar deze zijn 'onstoffelijk' , of het nu een
   andere dimensie is of niet, wij zullen en kunnen zoiets niet begrijpen.


2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods 
   zweefde op de wateren.
  
De basis is er, nu wordt er 'nagedacht' over het ontwerp. Voor onze begrippen is een
   wereld zonder licht en niets erop 'woest en ledig'. Voor God gewoon het perfecte
   materiaal waarmede gewerkt zal worden.

3 En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.
   Het lijkt er op dat de hemel geen licht nodig heeft, net zo min als God. Maar voor het
   leven op de aarde wordt dit een van de voornaamste dingen. Let wel, dat we over licht 
   praten, de foton ?, niet over energie van de zon of zoiets.

4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en
   tussen de duisternis.
  
Bijzonder lastig, het licht was overal, maar door er scheiding van te maken was er ook
   weer sprake van duisternis. Nogmaals, hier wordt niet over de zon gepraat.

5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond
   geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.
  
Het verzamelde licht heet dus dag, waar geen licht is, de nacht. In een grot diep onder 
   de grond is er dus nacht.

  
Let wel: Eerst was het avond geweest en pas in de morgen is de eerste dag voorbij!

6 En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make
   scheiding tussen wateren en wateren!
  
Onder het uitspansel verstaan wij de lucht, de atmosfeer. Hier staat eigenlijk dat er 
   water  onder de atmosfeer was, de zee, en water boven de atmosfeer, wat er nu niet 
   meer is.

7 En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder 
   het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was 
   alzo.
  
Het is duidelijk dat God werkelijk wateren onder en boven het uitspansel maakte.
   Hiermede worden beslist geen wolken bedoeld, in ieder geval niet zoals wij die 
   kennen. Want wolken ontstaan nu nog steeds, hoeven niet geschapen te worden.

8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was
    morgen geweest, de tweede dag.
   Wat wij nu ook de hemel noemen, een heldere hemel bijvoorbeeld. Dit moet men dus 
   niet verwarren met de hemelen uit het eerste vers, die waren er immers al.

9 En God zeide: Dat de wateren van onder den hemel in een plaats vergaderd worden,
   en dat het droge gezien worde! En het was alzo.
  
Onder de zee was er natuurlijk aarde, pas nu kwam deze tevoorschijn. Als er een
   laagje water in de tuin staat, graaf een put, en de tuin komt weer tevoorschijn omdat 
   al het water verzameld wordt in één plaats.

10 En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij zeeën;
     en God zag, dat het goed was.
    
De aarde kwam tevoorschijn, en de wateren die zichtbaar bleven waren de zeeën.
     Wij hebben geen idee, hoeveel van onze aarde nu land was, hoe hoog de heuvels of
     bergen waren. Waren er meren? Hoe diep waren de zeeën?, hoe zout of zoet het water
     daarin, daar mogen we over fantaseren.
 

 
     
  down


 
 

Genesis 1  1-10

 «