| |
1
En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden.
2 Maar het geschiedde, als zij tegen het oosten togen,
dat zij een laagte
vonden in het land Sinear; en zij woonden aldaar.
3 En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Kom aan, laat ons tichelen
strijken,
en wel doorbranden! En de tichel was hun voor steen,
en het
lijm was hun voor leem.
4 En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren,
welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken,
opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden!
5 Toen kwam de HEERE neder, om te bezien de stad en den toren,
die de
kinderen der mensen bouwden.
6 En de HEERE zeide: Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei
spraak;
en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu,
zoude hun
niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken?
7 Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren,
opdat iegelijk de spraak zijns naasten niet hore.
8 Alzo verstrooide hen de HEERE van daar over de ganse aarde;
en zij
hielden op de stad te bouwen.
9 Daarom noemde men haar naam Babel;
want aldaar verwarde de HEERE de
spraak der ganse
 |
|

|
|
|