| |
8 En zij hoorden de stem van den HEERE God, wandelende in den hof,
aan den wind des daags.
Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht
van den HEERE God,
in het midden van het geboomte des hofs.
Nu het hen duidelijk was dat
ze gezondigd hadden komt de angst voor God
om de hoek kijken. Waar ze eerst mee wandelde zijn ze nu bevreesd
voor.
9 En de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij?
God wist wat er gebeurt was en
stelt ze op de proef.
10 En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik
ben naakt;
daarom verborg ik mij.
De naaktheid op
zich was geen reden om zich te verschuilen, immers daarvoor
wandelden ze ook naakt met God. De overtreding
liet hen 'bloot' voelen.
11 En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt?
Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u
gebood,
dat gij daarvan niet eten zoudt?
Hier kan alleen
'Ja' op geantwoord worden.
12 Toen zeide Adam: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt,
die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb
gegeten.
Nee, er wordt naar
uitvluchten gezocht. De vinger wijst Eva aan.
13 En de HEERE God zeide tot de vrouw: Wat is dit, dat gij gedaan hebt?
En de vrouw zeide: De slang heeft mij bedrogen,
en ik heb gegeten.
Nu is de vrouw ook
niet verantwoordelijk, eigenlijk is de Slang de schuldige.
|
|