| |
1
Daarna zeide de HEERE tot Noach: Ga gij, en uw ganse huis in de ark;
want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.
Alle voorbereidingen zijn geschied.
2 Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en
zijn wijfje;
maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en
zijn wijfje.
Het vee bezaten zij
ongetwijfeld zelf en dat ging erbij.
3 Ook van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en het
wijfje,
om zaad levend te houden op de ganse aarde.
Waar en hoe het gevogelte werd neergezet,
binnen of zelfs op de ark is natuurlijk
niet uit te maken.
4 Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen,
en veertig nachten; en Ik zal van den aardbodem verdelgen al wat
bestaat,
dat Ik gemaakt heb.
Terwijl zij zich in de ark bevonden zou
het nog zeven dagen duren voordat God
zijn plan ten uitvoer zal brengen.
5 En Noach deed, naar al wat de HEERE hem geboden had.
Nogmaals, Noach deed exact wat
God hem bevolen had.
6 Noach nu was zeshonderd jaren oud, als de vloed der wateren op de aarde
was.
Van Adam af was het nu
ongeveer 1656 jaren
dat de vloed begon.
|
|