| |
1 En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee,
dat
met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan,
en
de wateren werden stil.
Door een wind werden de water stil?, betekende
dat het al die tijd vrij woest
was omdat de afgrond (vulkanen?) nog steeds de aarde in
beroering bracht?
2 Ook werden de fonteinen des afgronds, en de sluizen des hemels gesloten,
en de plasregen van den hemel werd opgehouden.
Het lijkt er wel op, wat die fonteinen des
afgronds en sluizen des hemels precies
waren of zijn kunnen we alleen maar over filosoferen. We
weten het niet.
3 Daartoe keerden de wateren weder van boven de aarde,
heen en weder
vloeiende, en de wateren namen af ten einde
van honderd en vijftig
dagen.
4 En de ark rustte in de zevende maand, op den zeventienden dag der maand,
op de bergen van Ararat.
5 En de wateren waren gaande, en afnemende tot de tiende maand;
in de
tiende maand, op den eersten der maand,
werden de toppen der bergen
gezien.
|
|