| |
1
En God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zeide tot hen:
Zijt
vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde!
Van deze acht mensen stammen wij
allen direct af!
2 En uw vrees, en uw verschrikking zij over al het gedierte der aarde,
en
over al het gevogelte des hemels; in al wat zich op den aardbodem roert,
en in alle vissen der zee; zij zijn in uw hand overgegeven.
Het gedierte heeft een natuurlijke
angst voor de mens gekregen, en of het nu
vogel of vis is, de mens mag dat gebruiken.
3 Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al
gegeven,
gelijk het groene kruid.
Nu is behalve het groene kruid
ook de levende have als voedsel gegeven.
4 Doch het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten.
Het bloed is de ziel van het
vlees en dat mag niet gegeten worden.
5 En voorwaar, Ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen eisen;
van de hand
van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand des mensen,
van de
hand eens iegelijken zijns broeders zal Ik de ziel des mensen eisen.
Het vorige gebod is van groot
belang anders zal God dat niet nog eens
benadrukken.
6 Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten
worden;
want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt.
Dit moet de doodstraf
betekenen, opzettelijk iemand anders leven ontnemen
zal ten koste van je eigen leven gaan!
7 Maar gijlieden, weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt;
teelt
overvloediglijk voort op de aarde, en vermenigvuldigt op dezelve.
De gehele aarde bevolken is een
opdracht, niet blijven wonen met z'n allen op
dezelfde plek maar de gehele aarde.
|
|