| |
18 En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren Sem, en Cham,
en
Jafeth; en Cham is de vader van Kanaän.
19 Deze drie waren de zonen van Noach;
en van dezen is de ganse aarde
overspreid.
En van deze
zes mensen stammen alle mensen van de aarde af!
20 En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard.
21 En hij dronk van dien wijn, en werd dronken;
en hij ontblootte zich in
het midden zijner tent.
22 En Cham, Kanaäns vader, zag zijns vaders naaktheid,
en hij gaf het zijn
beiden broederen daar buiten te kennen.
23 Toen namen Sem en Jafeth een kleed,
en zij leiden het op hun beider
schouderen, en gingen achterwaarts,
en bedekten de naaktheid huns
vaders; en hun aangezichten waren
achterwaarts gekeerd, zodat zij de
naaktheid huns vaders niet zagen.
24 En Noach ontwaakte van zijn wijn;
en hij merkte wat zijn kleinste zoon
hem gedaan had.
25 En hij zeide: Vervloekt zij Kanaän;
een knecht der knechten zij hij
zijn broederen!
26 Voorts zeide hij: Gezegend zij de HEERE, de God van Sem;
en Kanaän zij
hem een knecht!
27 God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten!
en Kanaän zij hem
een knecht!
28 En Noach leefde na den vloed driehonderd en vijftig jaren.
29 Zo waren al de dagen van Noach negenhonderd en vijftig jaren; en hij
stierf.
 |
|

|
|
|