| |
8 Voorts zeide God tot Noach, en tot zijn zonen met hem, zeggende:
9 Maar Ik, ziet, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u;
10 En met alle levende ziel, die met u is, van het gevogelte, van het vee,
en van alle gedierte der aarde met u; van allen, die uit de ark gegaan
zijn,
tot al het gedierte der aarde toe.
11 En Ik richt Mijn verbond op met u, dat niet meer alle vlees door de
wateren
des vloeds zal worden uitgeroeid; en dat er geen vloed meer zal
zijn,
om de aarde te verderven.
12 En God zeide: Dit is het teken des verbonds, dat Ik geef tussen Mij
en
tussen ulieden, en tussen alle levende ziel, die met u is,
tot eeuwige
geslachten.
13 Mijn boog heb Ik gegeven in de wolken;
die zal zijn tot een teken des
verbonds tussen Mij en tussen de aarde.
14 En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge,
dat deze boog
zal gezien worden in de wolken;
15 Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond, hetwelk is tussen Mij en tussen u,
en tussen alle levende ziel van alle vlees;
en de wateren zullen niet
meer wezen tot een vloed, om alle vlees te verderven.
16 Als deze boog in de wolken zal zijn, zo zal Ik hem aanzien,
om te
gedenken aan het eeuwig verbond tussen God en tussen alle levende ziel,
van alle vlees, dat op de aarde is.
17 Zo zeide dan God tot Noach: Dit is het teken des verbonds,
dat Ik
opgericht heb tussen Mij en tussen alle vlees, dat op de aarde is.
 |
|

|
|
|