December 1938, East London,
Zuid-Afrika
Een
trailer had voor de monding van de Chalumna rivier een 'vreemde vis'
gevangen. De vissers gaven deze anderhalve meter lange, staalblauwe
vis, aan de conservatrice van het Natuurhistorisch museum van East
Londen. Ook zij, Majorie Courtenau-Latimer, had zoiets nog nooit
gezien. Sommige vinnen hadden zelfs iets meer weg van pootjes,
er was ook zo'n pootje op zijn rug. Ze liet het
ontbindende karkas opzetten en schreef een brief aan J.L.B. Smith, een
ichtyoloog (een kenner van vissen). Toen Smith dit karkas in East
London zag, wist hij meteen dat dit een Coelacanth was. Hij herkende
de vis aan de hand van de fossielen die ervan waren. Ook hij was
verrast dat deze vis, die 70 miljoen jaren geleden zou zijn
uitgestorven, opeens weer rondzwom.
Hij
wilde een levend exemplaar hebben. Hij dacht niet dat deze vissen aan
de kusten van Afrika leefden, anders hadden ze er beslist eerder een
gevangen. Hij liet direct na de tweede wereldoorlog posters
verspreiden met de afbeelding van deze vis, van Zuid-Afrika tot aan de
Rode zee. Op 24 December 1952 kreeg hij een telegram.
Op
de Comoren, aan de oostkust van Afrika, hadden ze er een gevangen. In
september 1953 vingen ze een derde exemplaar. Sinsdien zijn er meer
dan tweehonderd gevangen, allemaal bij de Comoren. De reden voor hun
late ontdekking was dat deze vissen, erg diep, vaak meer dan
tweehonderd meter, in grotten langs de kust leefden.
Als
een fossiel gevonden wordt, in het geval van de Coelacanth tot in het
tijdperk krijt (63 miljoen jaar geleden) en daarna niet meer in een
vroegere aardlaag dan neemt men aan dat het fossiel in die
(krijt)periode nog leefde en tijdens die periode of ergens daarna is
uitgestorven. Natuurlijk is het heel vreemd als opeens een beenvis
wordt gevonden, die vrijwel onveranderd, na 63 miljoen jaar weer
springlevend rondzwemt. ALSOF de evolutie toevallig heeft stilgestaan.
Als zoiets gebeurt dan zeggen de evolutionisten dat zo'n soort
volmaakt is aangepast aan zijn omgeving en dus niet meer hoeft te
veranderen.
Wat
heel vreemd is want de veranderingen gaan ALTIJD door in een
willekeurig tempo en hoe weet de Coelacanth deze veranderingen
miljoenen jaren tegen te houden? Ook dacht men dat deze beenvis
geschikt was om een van de eerste landbewoners te zijn, dus de
vissoort die op het land begon te kruipen en waar ALLE zoogdieren van
zouden afstammen. Deze Coelacanth is zeker geen kandidaat voor de
eerste verkenningen van het droge. Als een beenvis niet geschikt is om
zich langzaam aan het landleven aan te passen welke visachtige kan dat
dan wel? Let wel, aanpassing betekent in dit geval van kieuwen longen
maken, van vinnen poten, van vissenhuid naar reptielachtige huid enz.
En
dat allemaal niet bewust maar door willekeurige mutaties,
kopieerfouten die het bestaande DNA moeten veranderen zodanig dat de
nieuwe eigenschappen overgeerfd worden.
We
weten dat aanpassing tot een zeker niveau mogelijk is maar zodra er
grenzen overschreden worden met b.v. de temperatuur, tekort aan
zuurstof, uitdroging dan valt er niets meer aan te passen, het
individu gaat gewoon dood. En als het voor een keer deze kwelling zou
overleven dan is dat voor een tweede keer nog maar de vraag. En wat
vervelender is, deze eigenschap wordt niet overgegeven met de genen.
Het verhaal van de Coelacanth zegt,"O.K. Je mag fantaseren wat
betreft de evolutie van vis naar amphibie maar laat mij
erbuiten."
En
wat voor de Coelacanth geldt, d.w.z. het opeens weer tevoorschijn
komen van een soort waarvan men dacht dat deze uitgestorven was, is
natuurlijk ook nog mogelijk voor andere dieren , planten en vissen.
O, ja! Voordat ik het vergeet. Op 30 juli 1998 werd er opnieuw een
populatie van de Coelacanth gevonden ten noorden van Sulawesi
(Celebes). Dat is ongeveer 10.000 km van de Comoren. Hoe ze daar zijn
gekomen, dat is nog een raadsel. En je weet het niet, misschien zijn
ze wel van Sulawesi naar de Comoren gezwommen?