Genesis en Geologie

  «      

    

     
 

GENESIS EN GEOLOGIE

Spanningsveld met het traditionele bijbelwereldbeeld is ontstaan door geologie vondsten (de aarde is ouder dan 4000 jaar voor Christus).

Er zijn drie standpunten:

  1. Naturalisme: uitgangspunt voor bepaalde natuurwetten zonder dat God kan ingrijpen
  2. Deïsme: God heeft de wereld met haar natuurwetten geschapen maar bemoeit zich er niet mee. (Semi-deïsme: God bemoeit zich wél met de aarde.)
  3. Supernaturalisme: alle gebeurtenissen en ontwikkelingen zijn afhankelijk van de almacht van God.

De strijdende partijen over o.a. schepping en zondvloed:

  1. Uniformitaristen versus Catastrofisten (periodieke catastrofen vernietigen het aards leven en wordt gevolgd door herscheppen van leven)
  2. Systeembouwers versus Beschrijvers (nomencaltures, classificeerders).
  3. Restitutietheorie versus Concordantietheorie (de zes scheppingsdagen zijn na het ontstaan van materie, of die zes dagen duurden gewoon langer).

Pas in de 19e eeuw wordt geologie een wetenschappelijke discipline, maar door de fenomenen die het probeerde te verklaren, was het gedoemd zich met het theologische denken te bemoeien.

 

1. problemen en hypothesen

De confrontatie tussen wetenschap en geloof binnen het christendom roept twee essentieel verschillende problemen op: ten eerste de relatie tussen het religieuze en het wetenschappelijke wereldbeeld en ten tweede de relatie tussen de interpretatie van bepaalde bijbelteksten en die van wetenschappelijke theorieën.

1.1. het religieus en het wetenschappelijke wereldbeeld

De problemen hierbij zijn metafysisch maar door een misverstand worden ze vaak op hetzelfde niveau behandeld als natuurkundige (wetenschappelijke) problemen. Het verschil van mening over het begin van de organische en niet-organische wereld wordt vaak gebracht als een verschil tussen de schepping en evolutie. In feite is er geen essentieel verschil van het religieuze standpunt tussen het geloof dat de schepping gebeurde onder constante Goddelijke begeleiding over het pad van de geleidelijke ontwikkeling én het geloof in een continue schepping zoals dat gebruikt werd toen de evolutie theorie niet bestond.

Ook misverstanden met natuurlijke theologie betreffende het debat over finale oorzaken (teologie): natuurlijke selectie als zodanig is een vraag van wetenschappelijke gegevens. Of er een God bestaat die natuurlijke selectie gebruikt is een geloofskwestie. Natuurlijke selectie wordt echter als blind geloof voorgesteld, en evolutie als de ontkenning van enig creatieve activiteit van God.

1.2. het bijbelse en het wetenschappelijke wereldbeeld

Het wereldbeeld (fysisch wereldbeeld). Het betreft de geldigheid van het concrete wereldbeeld impliciet in bijbelgeschriften en de autoriteit toegekend aan de bijbel, in het licht van gegevens en theorieën van de natuurwetenschappen. Het Copernicusiaanse wereldbeeld kwam niet overeen met het religieus wereldbeeld.

De tweede belangrijke confrontatie wordt veroorzaakt door de opkomst van historische geologie. Belangrijke problemen, maar niet zulke als bij Galileo. Niet het wereldimago maar het gehele wereldbeeld was er bij betrokken.

1.3. verschillende exegetische posities

De joods-christelijke religie is een historische religie. Het verhaalt van de geschiedenis van de mens in een relatie tot zijn schepper. Dat impliceert dat het hele verhaal van de schepping van de mens zoals de Genesis beschrijft, wordt beschouwd stevig verbonden te zijn met de redding van de mens door Jezus. Zijn wederopstanding is geen allegorie, symbool of mythologische gebeurtenis maar een unieke historische gebeurtenis.

Hier begint het probleem: er zijn hele boeken in de bijbel die duidelijk geen historisch karakter hebben. Meer leerboeken dan historische waarheden. Gods schepping kan niet net zo historisch beschouwd worden als Jacobs reis naar Egypte of de wederopstanding. De kerkvaders wisten al dat de Genesis geen geschiedenisboek is, omdat e.e.a. niet in menselijke termen is weer te geven. Ze verschilden van mening over de uitleg maar ze waren het eens over het feit dat de schepping een vrije daad van God was; niet gebonden aan enig immanent natuurlijke noodzakelijkheid. In de 17e en 18e eeuw echter kreeg men het idee dat geschiedenis zou moeten beschrijven wat werkelijk gebeurde: ze namen de bijbeltekst letterlijk (schepping in 6 dagen van 24 uur).

Aan de andere kant kan de letterlijke interpretatie van de Genesis ontdoken worden door te stellen dat het Godsdaad was en niet te vergelijken met een menselijke daad; dus geen geschiedenis maar protohistorie.

De jonge wetenschap geologie gaat bijbelse teksten vergelijken met hun vondsten en dat leverde twee problemen op: 1) zijn er sporen te vinden die kloppen met bijvoorbeeld Noeh's zondvloed en 2) óf het geologische verhaal van vroegere veranderingen in de aardkorst impliceert dat de schepping in zes dagen en de vernietiging door de zondvloed werd veroorzaakt door natuurlijke oorzaken (volgens bekende natuurwetten), óf de natuurlijke oorzaken waren niet toereikend zodat een bovennatuurlijke Godheid erbij betrokken moest zijn?

Het probleem van de Genesis en geologie was blijkbaar niet alleen de overeenkomst van de geologie met de huidige bijbeluitleg maar ook een vrije confrontatie van wetenschappelijke theorieën met het religieus wereldbeeld.

De volgende misverstanden ontstonden:

1) Kunnen we de aarde wetenschappelijk kennen of hebben we de bijbel nodig voor de grote lijnen ?

2) Moeten de geologische ontdekkingen geconfronteerd worden met de bijbel of moeten de bijbelteksten anders geïnterpreteerd, of geen van beiden? (Dit hangt af van de ideeën die men over de bijbel heeft: b.v. openbaringen hebben alleen betekenis voor het religieus leven of heeft in de bijbel alles evenveel gewicht?)

3)Verklaard geologisch onderzoek creatieve handelingen of hebben de gegevens uiting gegeven van voorspellende zorg voor de mensheid ?

1.4. verschillende metafysische posities

Deze posities betreffen het probleem dat in 1.3 is behandeld. Er zijn drie gezichtspunten:

  • de extremepositie
  • de tussenpositie
  • de bijbelpositie.

1.4.1. de extremepositie

Dat zijn de naturalisten (min of meer atheïsme en materialisme insluitend): immanente en eeuwige wetten heersen over de natuur. Geen ontwerp of plan of finale oorzaken zijn toegestaan. Geen ander niveau van oorzakelijkheid dan de materiële.

En de supernaturalisten: wetenschap is een bedreiging voor het geloof; supernaturalisme schaft alle redelijke verbinding tussen natuurlijke gebeurtenissen af (alles heeft God gedaan).

Beiden waren er al in de oudheid; het was vaak het een of het ander.

1.4.2. de tussenpositie

Deïsme veronderstelt dat God de materie heeft gemaakt en het onder wetten heeft gesteld waardoor de wereld en al zijn inwoners zijn gemaakt volgens het oorspronkelijk voorzien plan. Soms met mechanische wetten maar dit sluit geen plan of finale oorzaak uit. Sommige denken dat God nog altijd de boel controleert, anderen vinden dat overbodig. Het maakt niet veel verschil, de natuur volgt zijn loop zonder onderbrekingen. Het plan der natuur is gemaakt door een intelligente denker. (In de geologie houdt deze metafysische positie meestal in dat men gelooft dat er Uniformiteit in de natuur is.)

Semi-Deïsme: aanhangers van religieuze orthodoxie; maar sterk tegen deïsme. Zij geloven dat God de wereld heeft geschapen en het constant in het goede spoor houdt en nu en dan grijpt hij op bovennatuurlijke wijze in. Gods handelingen zijn niet alleen helder in de manier waarop de wereld in elkaar zit maar komt ook naar voren door haar gebeurtenissen die niet door natuurlijke oorzaken verklaard kunnen worden.

1.4.3. de bijbelsepositie

Theïsme: de wereld is geschapen als uitdrukking van Gods vrije wil en hij onderhoudt het tot in de kleinste details, zodat niets gebeurt zonder zijn ingrijpen. De bijbel maakt slechts een klein onderscheid tussen wetten en wonderen.

2. religieuze houdingen van geologen

2.1. voorbeelden van naturalisme

2.1.1. G.H.Toulmin

G.H.Toulmin verdedigde het idee van de eeuwige herhaling van gebeurtenissen en het eeuwige bestaan van de aarde op basis van geologische argumenten. De schepping bestaat niet. In zijn filosofie was naturalisme gecombineerd met extreme geologische uniformitarisme. Natuur heeft een quasi-goddelijk karakter. Een menselijke God is daarom overbodig.

2.1.2. De Maillet

De Maillet verwierp het idee dat alle dingen bestaan door de wil van God. Ontkenning van de schepping en een stevig geloof in de eeuwigheid van de wereld. Hij gebruikt het verwezenlijkings principe, gebruik makend van de waarde waarmee het niveau van de zee de laatste tijd is gedaald als een maat om de tijd te bepalen dat de aarde bewoond werd. Alles wat gezegd werd over de eeuwigheid van de wereld, het begin van de mens en het belang van de bijbelse zondvloed zijn hypothesen, niet om serieus te nemen. Zelfs het idee van de Goddelijk voorzienigheid wordt vergeleken met het natuurlijke plaatje dat in de 'Telliamed' wordt gegeven (niet zuiver, spot).

2.1.2. Charles Darwin

Charles darwin had oorspronkelijk een deïstische blik. Wees de speciale schepping van soorten af. Zijn deïsme ging over in naturalisme omdat het idee van de schepping door hem niet werd geaccepteerd. De schepper die de wetten de natuur oplegt, staat voor de wetten van de natuur. Het dilemma was: of speciale Goddelijke interventie of de heerschappij van de wetten van de natuur. (Eerst door God gemaakt, later verdween God uit het beeld.) Dat elke variatie was gearrangeerd maakte zijn principe van natuurlijke selectie overbodig. Eigenlijk identificeerde hij natuurlijke selectie met de schepper.

2.2. voorbeelden van deïsme

Een catastrofale ontwikkeling van de wereld paste niet in het harmonieuze plaatje van de deïsten.

2.2.1. Voltaire

Voltaire hield het bij de bijbel: hij vond het oude verhaal van plotselinge schepping in een vaste staat (de aardkorst verandert niet meer) het meest aantrekkelijk. Een beetje vreemd is zijn afwijzing van het idee dat de huidige vorm van de aardkorst (bergen) het gevolg van een grote catastrofe zijn. Volgens hem lagen de bergen zo mooi geordend als regenwaterreservoirs en bronnen voor rivieren dat het wel van Gods wijsheid moest komen. Ook geologische vondsten konden hem niet overtuigen. Hij bleef vast houden aan de instandhouding der soorten.

2.2.2. James Hutton

James Hutton was een uniformitarist. En ook de meest typische deïstische geoloog. Hij had een volkomen uniformitaristisch idee van de vroegere gebeurtenissen in de aardkorst. Een algemeen beeld van stabiliteit. Hij ziet niets in evolutie: alles was perfect vanaf het begin. Hutton wees kosmologische speculaties af, hij vond in de aardkorst geen begin noch een eind Zijn belangrijke doel was orde in de natuur te vinden (atheïsme betekende wanorde). Hutton was niet op zoek naar bevestiging van het Genesisverhaal maar naar de waarheid van het uitgangspunt dat de aarde voor de mens is gemaakt.

2.2.3. Erasmus Darwin

Erasmus Darwin was de grootvader van Charles, hij vond de constantheid der soorten niet noodzakelijk. De Godheid kon ook de natuur gevuld hebben met wetten voor continue ontwikkeling. Perfectie was dan geen potentie. Volgens hem is het principe en de kracht voor verbetering impliciet aan materie en de geleidelijke volbrenging vind plaats in de loop der tijd. De wereld zou kunnen instorten waarna het zich weer zou ontwikkelen (een oud Grieks idee: oneindige herhaling van de ontwikkeling. God is de oorzaak der oorzaken: hij creëerde de eerste oorzaak, de machine kon op zichzelf draaien.

2.3. voorbeelden van semi-deïsme

De geologische bewijzen verhaalden van een opeenvolging van catastrofes die elke keer nieuw leven brachten van een hoger niveau dan daarvoor. Dit betekende dat God niet alleen de schepper maar ook de onderhouder van de wereld was. Door Gods invloed bij de catastrofes te betrekken, erkenden zij tactisch de basisaanname van hun tegenstanders; de heerschappij van de wet der natuur in alle andere gevallen, niet alleen als een wetenschappelijke maar ook als metafysische hypothese. Zij bonden een theïstische tak aan een deïstische boom.

2.3.1. Charles Lyell

Charles Lyell (uniformitarist) De scheiding tussen natuurlijke en bovennatuurlijke gebeurtenissen had altijd een onevenredig grote betekenis gehad in het theologisch denken van de christenen. Lyell, eerder uniformitarist dan catastrofist, dacht dat het uitsterven van dieren veroorzaakt werd door het samenwerken van verschillende oorzaken i.p.v. door wonderbaarlijk ingrijpen van de eerste oorzaak. Hij probeerde God hiermee niet te elimineren; hij zag het als onderdeel van het grote plan. Volgens de uniformitariaanse principes ging deze veranderingen steeds door. Na zijn bekering tot de evolutietheorie (zie hfd. 13) was hij niet tegen het toegeven van het grote ingrijpen van de eerste oorzaak. De overgang van hogere diersoort naar lagere menssoort was naar Lyells mening een onderbreking van de normale weg van de natuur. Hij erkende dat de theorie van natuurlijke selectie gecombineerd kon worden met ingrepen van het opperwezen.

Overige semideïsten waren: William Buckland (2.3.2.); W.D.Conybeare (2.3.3.) en Adam Sedgwick en Hugh Miller (2.3.4.). Zij waren allen ervan overtuigd dat God bleef ingrijpen.

2.4. kritiek van semi-deïsme

Goddelijk ingrijpen werd elke keer uit de la getrokken wanneer een rationele verklaring voor gebeurtenissen ontbrak. Zowel in het debat over de heerschappij van een persoonlijke God versus de heerschappij van een onpersoonlijke wet van de natuur (i.c. theïsme en deïsme) als in de extremere tegenstelling tussen natuurlijke theologie en natuurlijke anti-theologie (i.c. theïsme en atheïsme) werd de wetenschap gebruikt door beide partijen.

De strijdende partijen zaten op hetzelfde niveau. Ze gingen beide uit van de hypothese dat wetenschap antwoorden kon verschaffen over dit soort zaken en door de vooruitgang van de wetenschap verloor religie zijn bestaansrecht. Er waren natuurlijk uitzonderingen (de groei van het embryo is net zo wonderlijk als de plotselinge schepping). Kingsley: 'Is er een levende God die zijn koninkrijk bestuurt?'; wonderen zijn de hoogste demonstratie van de wil van God, terwijl de wetten der natuur de laagste demonstratie daarvan zijn, gewoonten van God.

3. bijbelse exegese en geologie

De Genesis en de zondvloed: historisch of niet?

De wetenschappelijke reconstructie van de geschiedenis van de aarde moest niet alleen kloppen met de beweringen in Genesis maar het mocht God ook niet overbodig maken. De zondvloed werd meestal toch als een geologische catastrofe gezien, waarvan de sporen waren achtergebleven in de vorm van de aardkorst. Had de zondvloed de gehele aarde bedekt (universeel) of alleen een deel in de Mesopotamische vallei?

Aan het eind van de 18e eeuw maakten de paleontologische vondsten en de geologische ontdekkingen het onmogelijk om alle fossiel dragende gesteenten aan één vloed te wijten, speciaal een die minder dan een jaar duurde. Het werd algemeen erkend dat de jarenlange perioden moesten worden geïntroduceerd om de huidige staat van de aardkorst te verklaren.

De uitleg van de Genesis kon op twee manieren worden aangepast:

  1. De restitutie theorie: door langzame transformaties vóór de zes dagen van de schepping te plaatsen.
  2. De concordantie theorie: door de zes dagen te laten verwijzen naar tijdperken van langere duur

Over het algemeen weken de catastrofe theorieën (gebaseerd op de concordantie theorie) zoveel van het bijbelverhaal af dat de conservatieve theologen ontevreden bleven. De restitutie theorie gaf meer vrijheid voor geologische speculatie. De idee dat de Genesis puur historisch was bleek onverdedigbaar. Men moest het geheel aanpassen aan geologische bevindingen.

4. de methodologische zaak

4.1. systeembouwen

Terug kijkend is het duidelijk dat de strijd tussen uniformitaristen en catastrofisten onvermijdelijk geheel anders zou zijn zonder de religieuze kanten. Het is een simplificatie door sommige historici, om te beweren dat de catastrofisten alleen te vinden zijn bij de religieus orthodoxen. Er waren echter orthodoxe catastrofisten wiens belangrijkste doel was hun geologische theorie te funderen met goede gegevens, maar veel van hun interpretaties zijn beïnvloed door hun zekerheid dat deze hun religieuze denkbeelden zouden bevestigen.

Tijdens de 18e en 19e eeuw was het probleem ook aanwezig om een goede methode te vinden. In de 17e eeuw had Descartes rationele pretenties, die een empirische reactie opriep, die beweerde dat experimenten en observaties de basis voor wetenschap waren. Voor de 18e eeuwse geleerden waren de grote voorbeelden: Bacon en Newton. Newtons methode verschilde essentieel van die van Descartes. Newton wilde zijn eerste principes bepalen door analyse van de fenomenen en hij verwachtte niet dat deze duidelijk voor menselijke rede zou zijn. Zijn fysisch systeem behelst in feite niet alle fenomenen, het liet vele vragen open.

Voor Newtons volgelingen was het wél een compleet systeem, net als dat van Descartes. De zwaartekrachtwet werd voor hen een rationeel principe, toepasbaar zelfs op de verklaring van chemische fenomenen. De 18e eeuwers ontwikkelden een Newtoniaans systeem.

Het systeem bouwen floreerde maar ook de reputatie van Newton en Bacon zodat men ook de inductieve en experimentele methode toepaste. In de geologische theorie, waar feiten schaars waren, bloeide de speculatie ook zeer wild.

4.2. oppositie tegen het 'esprit de systéme'

De grote pluriformiteit en de uiteenlopendheid van deze systemen openbaarden ook hun zwakheid. Voltaire moest er niets van hebben. Hij bekritiseerde hun beperkte feiten die verkeerd geïnterpreteerd werden, de voorliefde voor grote veranderingen en de lange tijdspanne die de systemen besloegen. Hij bekritiseerde Buffon en De Maillet (bergen als resultaat van de zondvloed). Tegenover de systeembouwers stonden zij die een eenvoudige kijk hadden op de taak van natuurgeschiedenis: namelijk fenomenen te beschrijven, te classificeren en passende nomenclatuur te geven. Er bestond een oorlog tussen classificeerders (Linnaeus, Lavoisier) en systeembouwers en ook tussen hen die tevreden waren de wereld te kennen en zij die ongeduldig waren te weten te komen hoe de wereld was ontstaan.

In het begin van de 19e eeuw leidde de reactie op systeembouwers tot het beperken van de activiteiten van de geologen tot beschrijven (classificeren), ze maakten een beschreven systeem dat niets met het verleden te maken had.

4.3. Uniformitarisme versus catastrofistme in de vroege 19 eeuw

Uniformitaristen (Hutton 1785; Lyell 1830) vinden dat de aarde, zover als we kunnen zien, geen spoor van een begin toont, zodat in het algemeen de situatie altijd hetzelfde is gebleven. Maar dit systeem impliceert ook een zekere methode. Het gaat van het principe uit dat de vroegere veranderingen in de aardkorst door dezelfde oorzaken moeten worden verklaard als die op dit moment werkzaam zijn en dat die oorzaken dezelfde intensiteit hebben als hun moderne equivalent. Dit actualistische principe (alleen actuele, huidige oorzaken om gebeurtenissen uit het verleden te verklaren)leidt, als het strikt wordt toegepast, tot een uniformitariaans systeem. Echter omdat de bestaande geologische oorzaken (vormen en erosie van bergen) nogal langzaam verlopen, beslaat de strenge uniformiteit een immense periode van het verleden.

Catastrofisme (Dolomieu, Cuvier) In het algemeen: catastrofisten, actualistisch of niet-actualistisch in hun methode, zijn het eens dat de fysische oorzaken altijd gelijk zijn gebleven aan die welke momenteel aanwezig zijn en dat zelfs de secundaire geologische oorzaken op zekere hoogte gelijk zijn gebleven.

De catastrofisten waren bereid genoeg om zoveel uniformiteit in de natuur te accepteren als door observatie werd gerechtvaardigd en om zover als mogelijk te gaan met de actualistische methode, maar zij waren van mening dat de harde feiten dwongen om tot op zekere hoogte de uniformiteit van energieoorzaken en het tempo van de acties uit te bannen.

Omdat het hem onmogelijk was zijn waarnemingen met uniformitariaanse hypothese te laten sporen, postuleerde Dolomieu (1750-1801) gewelddadige acties.

Bezwaar van Sedgwick tegen het uniformitarisme was dat het betwijfelbare dogma's naar voren bracht (de herhaling van mogelijke cycli) en begonnen vanuit a-priori principes (Lyell is volgens hem de verdediger van een theorie i.p.v. gegevens verzamelen en daar een theorie op te bouwen). Sedgwicks catastrofisme sloot niet de aanname van een zeer lange geologische tijd uit. Hij koos voor catastrofisme omdat het beter met de geologische gegevens klopte.

Het verschil tussen de systemen waarop Lyell en Sedgwick uitkomen is niet zo fundamenteel als dat tussen hun methoden.

CONCLUSIE:

Het is waar dat de gezondheid van de methode van de catastrofisten onafhankelijk is van de vraag of hun pogingen eigenlijk leidde tot een beter geologisch systeem. Het waren dus catastrofisten die het principe handhaafden dat de interpretatie behoorde te passen bij de geologische feiten, terwijl de uniformitaristen neigden de gegevens te dwingen naar de vooronderstelling van de onveranderlijkheid van de soort. De veronderstelling die soms wordt gemaakt is dat de vraag in kwestie tussen de catastrofisten en uniformitaristen om de keuze tussen bovennatuurlijke en natuurlijke verklaringen draaide. Hoewel dat soms waar is, is dat meestal toch een vereenvoudiging van de werkelijke situatie. Het gaat voorbij aan het feit dat de methodologie een belangrijke rol speelde, en aan het feit dat veel uniformitarianen (Hutton) metafysische argumenten gebruikte, terwijl veel catastrofisten (Dolomieu) ze in het geheel niet gebruikte.


| Index | Filosofie | Science and Belief | vorige | volgende |

Dit is geen officiële site van de Open Universiteit Nederland

correcties, opmerkingen of aanvullingen zijn altijd welkom

Ed van Berge Henegouwen (1999)

 
     
 


Genesis en geologie
 

  «      

    

 

           Index 
 
  • Dit artikel staat of stond op  Oustudent