In Frankrijk werd voor het eerst bewezen dat soorten konden
uitsterven. Georges Cuvier (1769-1832) toonde in 1796 aan dat er
zoveel verschil bestond tussen de resten van fossiele `olifanten' en
die van nog levende olifanten, dat hij met een uitgestorven soort te
maken moest hebben. Niemand kon bovendien beweren dat dergelijke
dieren nog in onondekte gebieden leefden, omdat er geen grote blinde
vlekken meer op de wereldkaart bestonden en men deze reusachtige
beesten onmogelijk over het hoofd had kunnen zien.
Volgens Cuvier was het uitsterven van soorten het gevolg van
catastrofes, les révolutions, waarvan de Zondvloed de
laatste was geweest.
1798
na Christus:
De Franse wetenschapper Georges Cuvier toont aan dat de fossiele
resten van een Siberische mammoet andere kenmerken vertonen dan de
botten van levende soorten van de Afrikaanse en de Aziatische olifant.
Sommigen hekelen hem omdat dergelijke schepselen in de bijbel niet
worden genoemd.
Baron Georges Cuvier (1769-1832)
was één van de grootste natuuronderzoekers uit de geschiedenis. Hij
toonde aan, dat de fossiele skeletten van uitgestorven dieren weer in
elkaar konden worden gezet, hun anatomische kenmerken konden worden
bepaald en vergeleken met die van levende soorten. Op die manier kon
de levenswijze van deze dieren uit hun overblijfselen worden
gereconstrueerd. Cuvier wist dat fossielen de resten waren van
prehistorisch leven dat duizenden jaren had bestaan. Het verloop ervan
leverde een tijdschaal voor de geschiedenis van de wereld op. Hij kon
zichzelf er echter niet toe brengen ook de mens in dit wereldbeeld op
te nemen. Hij verklaarde, dat de fossiele mens niet bestond.