Gregor Mendel

  «     

    

     
 

Sinds mensenheugenis waren er mensen die met de vraag speelden hoe het kwam dat een zoon op zijn vader en moeder leek.  Hoe het kwam dat bepaalde eigenschappen typisch waren voor bepaalde families (grote neus, huidskleur, kleur haar enz).  Een duidelijk antwoord kon men er niet op geven maar feit was, een kind leek op zijn ouders. 

In 1866 verschijnt in Brünn Oostenrijk, nu Brno in Tsjechië, een artikel 'Versuche über pflanzenhybride'.  De auteur is Johann Gregor Mendel (1822-1884), de latere abt van het augustijnenklooster.  Hij beschrijft in het jaarboek van de vereniging voor natuurstudie in Brünn de kruisingsproeven die hij in de kloostertuin met verschillende erwtenrassen had uitgevoerd en de wetten van de erfelijkheid die hij daaruit had afgeleid.  Maar de wetenschappelijke wereld van toen heeft zijn werk niet begrepen.  Pas 16 jaar na zijn dood, werden de erfelijkheidswetten, onafhankelijk van elkaar, door drie plantkundigen opnieuw ontdekt: de Duitser Correns (1864 - 1933), de Nederlander De Vries (1848 - 1935) en de Oostenrijker Tschermak (1871 - 1962)
Daarom spreekt men nu nog van de wetten van Mendel.  Hij wist de basis te leggen van de genetische eigenschappen en ze min of meer te verklaren, maar hij had één groot probleem, er was niemand die het kon bewijzen en kon vertellen waar die genetische informatie in elk levend wezen te vinden was.  Het was pas in de twintigste eeuw dat men het bestaan van chromosomen en genen kon aantonen.

Zoals we wellicht weten is ieder levend wezen opgebouwd uit cellen. Deze cellen zijn de kleinste bouwstenen van elke levensvorm.  Het aantal cellen verschilt van individu tot individu, zo zijn er wezens die slechts uit één cel bestaan en bij mensen schat men dat deze zijn opgebouwd uit zo’n tien- tot honderdduizend miljard cellen. Deze cellen variëren van  structuur en grootte, afhankelijk van de taak die ze te vervullen hebben.  Maar of ze nu een vetcel zijn of een spiercel of zenuwcel (op een paar uitzonderingen na, die we nu niet gaan bespreken, omdat ze niet van toepassing zijn bij agaporniden),  bevatten ze allemaal de volgende onderdelen:

  • Het celmembraan, die het geheel samenhoudt
  • Het celsap of cytoplasma
  • De nucleus of celkern.

In deze celkern bevinden zich de genetische eigenschappen van elk levend individu.

  Dirk  

Wat Mendels wetten eigenlijk zeggen en ook bewijzen is dat ze vrijwel alle bekende variaties of eigenschappen van plant of dier kunnen verklaren. In feite wordt de genenpool geschud op een vrij voorspelbare manier. Dus verschillende combinaties zijn mogelijk maar niet iets nieuws!
De logische consequentie van Mendels wetten is dan ook dat er limieten zijn aan de mate dat een soort kan variëren. Fokprogramma's en gewone waarnemingen bevestigen dat deze grenzen bestaan.

 
     
  down



 

Gregor Mendel

 «       

    

       

           Index