De Horlogemaker door William Paley begint
ongeveer zo,
Stel je voor dat ik bij het lopen over een
heideveldje mijn voet tegen een steen zou stoten en men zou mijn
vragen hoe die steen daar kwam. Ik zou misschien zeggen dat deze
steen zover ik wist er altijd had gelegen, en het is dan best
mogelijk om aan te tonen hoe fout dit antwoord wel is.
Maar veronderstel dat ik een horloge op de
grond vond en er werd gevraagd hoe dit apparaat daar kwam ik zou
er niet aan denken om te zeggen; dit heeft er misschien altijd
wel gelegen.
En toch, waarom geld dit antwoord wel voor de
steen en niet voor het horloge? Waarom is het in het tweede geval
niet zo als in het eerste geval? En wel om de volgende reden en
niets anders, als we het horloge onderzoeken we krijgen de indruk
dat de verschillende onderdelen aan elkaar zitten voor een
bedoeling, iets wat we niet in de steen konden zien