Bevers zijn flexibel in hun aanpassingsvermogen
en kunnen nogal wat individuele gedragsverschillen vertonen. Sommige
dieren nemen genoegen met een klein leefgebied, mits er maar voldoende
kilometers oeverrand voorhanden zijn. Er zijn er die hun hele leven op
dezelfde vierkante kilometer doorbrengen. Andere zwerven dagelijks
kilometers in de rondte. Sommige dieren wagen zich nooit buiten het
moerasbos, andere wagen zich regelmatig in de agrarische omgeving.
Kenmerkend voor alle bevers is dat ze zich nauwelijks verder dan tien
meter van het water begeven.
De zomerdag eten bevers veel kruidplanten. De
ervaring in de Gelderse Poort leert dat in de herfst op grote schaal
op hout wordt overgeschakeld. Na de eerste koude nachten beginnen
overal de blanke knaagsporen in het oog te springen. De bevers
beginnen dan een takkenvoorraad aan te leggen bij hun burcht.
Vermoedelijk gebeurt dat met het oog op de naderende winter. Tijdens
streng winterweer met ijs voelen bevers zich kwetsbaar voor
roofdieren. Ze wagen zich dan zo min mogelijk buiten de burcht. Een
flinke voedselvoorraad bij de voordeur biedt dan uitkomst.
Even geleend van Gedrag