Cornelius Musius
Zijn leven en werken.
Petrus Opmeer werd in 1526 te Amsterdam geboren en is 4 november 1594 te Delft overleden. Hij studeerde eerst geneeskunde en rechtsgeleerdheid. Hij kwam te Amsterdam, waarna hij in stilte naar Delft vertrok
hij was een persoonlijke vriend van Cornelius Musius.
Behelsende het leven en Martel dood van Cornelius Musius, Proost van St. Agata Klooster binnen Delft, 1572. uit het Verhaal, van den Selven Musius, verscheide sijne Werken en Brieven, als ook uit de Missiven van veel sijner Vrinden, en eindelijk uit het Relaas eeniger Priesters, en Nonnen, uit Delft gevlugt, in November. 1572.
Cornelius Musius Overste van St. Agaten Klooster binnen Delft. Inleiding.
-112-
Nademaal zeer vermaarde man mij genoegzaam bekend is/ wat grote vriendschap gij van kindsbeen aan hebt onderhouden met den H. martelaar van Jezus Christus, vermaarden godgeleerde/ en doorluchtige dichter Cornelius Musius, en hoe heilig en onverbrekelijk die wederzijds tot den uitgang van deze H. man is bevestigd geweest; zo heb ik niet kunnen nalaten na waarheid te verhalen/ 't geen mij na naarstig onderzoek wegens zijn leven en zalige marteldood is te voren gekomen/ en ik van hem zelfs/ en van zeker geloofwaardig desselfs tijdgenoot heb verstaan/ als ook uit brieven van hem zelf geschreven/ vernomen.
Omdat ik overtuigd ben u daarmede een zeer aangename dienst te zullen doen/ als ook omdat ik vertrouwen dat gij niet zult nalaten mij openhertig bekend te maken/ zo ik ergens van het spoor der waarheid mocht komen af te dwalen.
Adrianus Crucius.
Nademaal ik meen dat het u niet onbekend is/ hoe dat enige beuzelachtige dichters/ mij/ een vijand van alle onwaarheid/ en valsheid/ zeer aardig hebben opgelicht/ door het verhaal van zijn uitgang/ 't geen onze Adrianus Crucius door een brief mij had toegezonden; over welke/ veraf dat ik mij zouden vergrammen/ die veel eer moet bedanken.
Cornelius Musius geboren, Ao. 1500. 13 Juny.
-113-
dewijl zij mij daardoor hebben aangeprikkeld om met des te groter vlijt en omzichtigheid de geheimen van dien groten man, en doorluchtige martelaar op te zoeken/ en na te speuren/ en die ter liefde van veel vrome mensen aan den dag te brengen.
Welke ik voor zeker dusdanig heb bevonden.
Cornelius Musius afkomstig van Vlaardingen, een oud vlek der Sclavoniers, gelegen aan de mond van de Maas, is geboren te Delft een vermaarde stad in Holland, den 13. juni daags na den dag van St. Odulphus, en door het bad des doops Christo wedergeboren in de kerk van St. Hippolitus, in den jare na de geboorte onze zaligmaker 1500. die behalve dat het een jubeljaar was/ ook is vermaard geweest door de geboorte van den godsdienstige en grootmachtige Keizer Karel de V.
Het huis daar onze Cornelius in geboren is/ werd gezien op de Haagse weg, tussen de poort/ en het St. Joris gasthuis.
Hij heeft tot vader gehad/ Johannes Musius, een man veel eer aanzienlijk wegens zijn vroom gemoed/ en vernuftig verstand/ als grote geldmiddelen/ en tot moeder Elisabeth van Wouw een zeer eerlijke en godvruchtige vrouw/ die de bloeiende zaden van deugden/ in het hert harer kinderen door den vader ingeboezemd/ zeer bekwaamlijk bedauwde.
Johannes Nardenus Rector tot Delft.
Zijn kindse jaren en jongelingschap heeft hij in zijn vaderland doorgebracht/ zijnde binnen zijn vaderlijke stad onderwezen in de letterkunst door Johannes Nardenus een vermaard grammatist, die van Harderwijk in Gelderland beroepen/ als rector de Schole van Delft bestierde.
Ter dier tijd sterft zijn moeder en daarna zijn vader verloren hebbende/zo kreeg hij tot voogd Nicolaus Segnerdius Bartholomeusz, moederlijke grootvader van wijle mijn huisvrouw Sophia Sasbout.
Conradus Coclenius.
-114-
volgens dezer raad/ werd hij wat ouder geworden zijnde na Leuven afgezonden/ wanneer zijn broeder Petrus, en zuster Elisabeth het geestelijke leven al hadden aangenomen.
Rutgerus Rescius Professoren tot Leuven.
Aldaar zijnde/ heeft hij zeer licht de beginselen der filosofie geleerd in het gymnasium aldaar/ en heeft menigmaal de kroon onder zijn mededisputen wegens zijn geleerdheid weggedragen.
Daarna zeer naarstig waarnemende het college, der drie talen genaamd/ om zich verder te oefenen in de goede kunsten en wetenschappen/ heeft hij zeer vlijtig gehoord Conradus Coclenius van Westfalen de Latijnse, en Rutgerus Rescius de Griekse talen voorlezende; maar hem bekend zijnde de geringheid zijner middelen/ en om enigszins zich van die jaarlijkse onkosten te bevrijden/ zo is hij opgeleid van verscheidene wetenschappen/ vertrokken na Gent in Vlaanderen, alwaar eerlijke conditiën aangeboden zijnde/ zo heeft hij beginnen de jeugd te onderwijzen/ in het broederhuis.
Ordre van het Gulde Vlies Ao. 1429 ingesteld.
De oefening der letterkunst is hier opgericht/ op de grond van wel edele Gerardus Villanus, dit huis is gebouwd in den jare 1429. wanneer Philips van Borgongien, bijgenaamd de goede Elisabeth dochter van Johannes Koning van Portugaal trouwde/ en tot groter luister van dit bruiloftsfeest de orde van het Gulden Vlies instelde.
Carolus Cocquinius Jacobus Sanctaragundus.
Maar dewijl Musius behalve zijn grote de naam en achting had van een zeer eerlijk man te zijn/ zo wierd hij na Kortrijk beroepen/ en aldaar aangesteld door Carolus Coquinius abt van het Aquicinctender klooster tot pedagoog van Jacobus Sanctaregundus, met enige andere edelmoedige jongelingen.
Met deze dan na Leuven trekkende/ heeft hij enige tijd aldaar zeer liefelijk geleefd met Steven van Tiel zijn oude medemakker/ die hij ook met een veers van de Landsbouw heeft vereerd.
Johannes Hasselanus.
-115-
maar nademaal hij zeer ernstig toelei op de studie der H. theologie, zo las hij bijzonder de oude schrijvers/ en won 't enemaal de gunst van de voortreffelijke godgeleerden Johannes Hasselanus, aan wiens censuur hij naderhand gewoon was zijn schriften over te geven.
Jodocus Badius.
Nadat hij enige jaren te Leuven had doorgebracht/ zo is hij vertrokken naar Utrecht, en van daar na Parijs met zijn leerlingen/ aan Jodocus Badius van Gent wegens Coquinius, en meer andere vrienden ten hoogste aanbevolen/ want Badius was een drukker/ en boekhandelaar van grote naam/
Guiljelmus Budæus Jacobus Faber Stapulensis Faustus Andrelinus Petrus Rossetus, Johannes Ganejus.
Wiens boekwinkel gemeenlijk bezochten Guiljelmus Budeus, Jacobus Faber Stapulensis, Faustus Andrelinus, Petrus Rossetus, Johannes Ganejus, al te samen grote lichten der Latijnse en Griekse talen/ welke doenmaals door de edelmoedige gunst van Francois de Valois de eerste dies naams al-der-schriftelijkste Koning van Frankrijk, in die academie uitblonken.
In het gezelschap dezer mannen was Musius zeer dikwijls/ deze hoorde hij menigmaal openhertig met malkander spreken/ en koutte de zeer vrij met die.
Dit geloof ik de reden geweest te zijn/ dat hij naderhand zo veel vrienden in Frankrijk gehad heeft/ bijzonder nadat hij het land van Orleans, Algiers, en de omleggende landschappen bezichtigd hebbende/ twee jaar te Poctiers zijn verblijf nam.
Guiljelmus Longanus Antonis Hardillonias Switse Perr. Joh Olivarius Hispanus Leonardus Lætus.
Onder andere Guiljelmus Longanus, raadsheer van Bordeaux, Antonius Hardillonius een Zwitser, Petrus Johannes Olivarius, Valentinus Hispanus, Leonardus Lætus, Hilermus en Renatus Fabricii, gebroeders/ van Loudun, die door het uitgeven van voortreffelijke gedichten bereids de naam en daad hadden van grote dichters te zijn.
Hielermus & Renatus Fabich. Joachimus Politus. Julianus Haveretius Salmonius Macrinus Benedictus Theocrenus.
-116-
Joachimus Politus, Julianus Haveretius, en Salmonius Macrinus Griffier en kamerling des Koning/ die ook gezeid wordt hem te hebben gerecommandeerd aan Benedictus Theocrenus Bisschop van Castres, en pedagoog der kinderen van Koning Francois de I.
Ik heb eertijds met veel vermaak gelezen de brieven en verzen dezer mennen aan Musius, en die van Musius aan haar/ vol van geest en bier/ en een onderlinge volmaakte vriendschap te kennen gevende.
Van gelijke Johannes Secundus, Hagenaar, (wiens kusjes zo krachtig van Lilius Gyraldus aanbevolen/ doenmaals zeer gretig van ieder gelezen wierden)
Lilius Gyraldus. Johannes Secundus.
Uit Hispanie wederkerende/ en enigszins zijnde onpasselijk geworden/ heeft binnen Poictiers meer als twee maanden bij Musius zijn verblijf genomen/ wiens afbeeldsel zeer kunstig in zilver en lood afgegoten Musius met dit aardig veers vereerd heeft.
Non fecit merito, nomen qui forte Secundo.
Imposuit : Primus jure vocandus eras.
Als willende te kennen geven/ dat ten onrecht men hem Secundus of de tweede had genaamd/ dat veeleer men hem primus of de eerste had behoren te noemen.
Hasselani Oordeel over C. Musius sijn Latijnse versen.
Hoeveel hij onder deze geleerde vrienden heeft toegenomen getuigd genoegzaam Hasselanus in een brief aan hem geschreven/ daar deze woorden in te vinden zijn.
U veers namendlijk heeft mij wonder behaagd, omdat het niet alleen oprecht is, maar ik nauwelijks weet of het meer aangenaam of vlijende is.
Zodat het geen van de Hollanders gezeid word dat wanneer zij in Frankrijk komen, van bot en grof, aardig worden, het zelve ik in u vernuft bespeur, mijn goede Delvenaar, enige der dichten van u daar gemaakt met deze vergelijkende, die gij eertijds aan ons gezonden hebt.
Carolus Cocquinius.
-117-
wat hij ook in proza heeft kunnen doen/ blijkt genoegzaam in de brief van opdracht aan den abt Carolus Cocquinius.
Gelijk ook kan gezien worden in de oratie van de plicht ene overste in een nonnenklooster tot Amsterdam uitgesproken in de vergadering van enige religieuzen.
Jodocus Sasbout Raatsheer Lambertus Guiljelmus Pastoor.
Maar door een verborgen drift der natuur heeft hij zich liever willen vermaken in de poëzie, en in een reden aan wetten en maat gebonden.
Terwijl hij binnen Poctiers woonde/ heeft hij uitgegeven de onderwijzingen ene christelijke vrouwe uit het laatste kapittel der spreuken van Salomon in verscheidene rijm van verzen overgoten/ en door hem opgedragen aan zijn neef Jodocus Sasbout raadsheer in 't Hof van Holland, met een ode van het ambt ene ware herder/ opgedragen aan Lambertus Guiljelmus, doenmaals eerst te Delft beroepen tot het herdersambt/ als ook enige psalmen van David aan zijn vrienden in veerzen van verscheidene maat en rijm overgezet.
Wat Boeken Musius geschreven heeft 1536. gedrukt.
Behalve deze heeft hij ook nog in licht gegeven/ het afbeeldsel der lijdzaamheid versierd in navolging van het tafereel van Cebes den Thebaner, opgedragen aan Cocquinius zijn begunstiger en patroon.
Insgelijks een veers van de vergankelijkheid des tijds, en onsterfelijkheid der heilige dichtkunst aan zijne Jacobus Sanctaragundus.
Welke alle daar ter plaats van de broederen Marnesicii in de maand februari des jaar 1536. gedrukt zijn
Rutgerus Rescius.
In welk jaar Rutgerus Rescius ook in druk heeft laten uitgaan tegen den winter zijn boekje der grafschriften op Erasmus van Rotterdam, die Musius in Nederland zijnde wedergekeerd/ van gelijken met een lijkdicht betreurd heeft; terwijl hij wat langer bleef vertoeven in het zeer befaamde benedictijner klooster in Henegouwen, niet ver van Douai afgelegen/ van al overlang befaamd wegens derselver milddadige herbergzaamheid.
Thomas Aartsbisschop van Canterburi.
Men verhaald dat den H. martelaar Christi Thomas aartsbisschop van Canterbury, wegens de verwering der kerkelijke zaken/ en om zijn leven te behouden uit Engeland moetende vluchten/ en in dit klooster zijn veiligheid heeft gevonden/ en alle plichten van beleefdheid hem daarin zijn bewezen.
Ludovicus Masius.
Onderwijle als enige met mij prezen zeker distichon gemaakt van Kornelius Mucius, op het afbeeldsel en overlijden van den grote Erasmus, als daarin zijnde uitgedrukt desselfs naam/ jaar/ maand/ en dag van het afsterven deze grote man/ zo wierd daarop tevoorschijn gebracht zeker veers zinspelende op Desiderius de voornaam van Erasmus van onzekere auteur, (naderhand is men te weten gekomen dat het was van Ludovicus Masius) en wij alle daarop zwegen; zo liet Musius zich horen/ zeggende/ nu beken ik mijn meester te hebben gevonden.
Want altoos had hij een klein gevoelen van zichzelf/ en grote gedachten van een anders werk.
Om te voldoen de kenners der Latijnse dichtkunst zo moeten wij beider veerzen hier bijvoegen.
Cor. Musii Distichon
Siccine pro studiis cælo donatur Erasmus
Quinto post Nonas, Cæsar Jule, tuas.
L. Masii.
Fatalis series nobis invidit Erasmum,
Sed Desiderium tollere non potuit.
Johannes Colemannus Sterft te Delft.
Wanneer nu Musius had voorgenomen na Italië te reizen met Jacobus Santagarundus, zo komt binnen Delft zeer schielijk te overlijden Johannes Colemanus, overste van het St. Aagten vrouwenklooster aldaar/ een man aanzienlijk door zijn tijdelijke middelen/ goede zeden/ en heiligheid des levens/ daar en boven versierd met den titel van doctor in de kanonijke wetten.
Lambertus Guiljelmus.
-119-
Weshalve deze maagden ten uiterste bekommerd om een nieuwe overste te verkiezen/ zo werd haar aangeraden door Lambertus Guiljelmus, pastoor van St. Hippolitus,
Johannes Heuterus. Jodocus Ketelanus.
Johannes Heuterus Schout; Jodocus Ketelanus priester, en Jodocus Henricus een burger van groot aanzien/dat zij Kornelius daartoe zouden verkiezen/ en hem dat ambt aanbieden/ als die nu van overlang in deze heilige zaken was ingewijd in Henegouwen, en ten dien einde uit die provincie ontbieden/ dat hij daartoe gerecommandeerd was wegens zijn godvruchtigheid/ en bijzondere godsdienstige zeden/daar en boven zijn bekwaamheid om het woord Gods te prediken/ zijn kennis om de kerkelijke gezangen zeer sierlijk en kunstig op te zingen/en dat hij wegens zijn grondige wetenschap der huiselijke affaires/ en derselver bediening de enigste was/ die zij bekwaam daartoe kenden/ en dusdanig waardig kon vervullen de plaats van Kolmannus, die stervende gewenst had/ dat hij zijn opvolger mocht zijn.
Musius werd Overste van het St. Aagten Klooster binnen Delft. Ao. 1538. 27. maart.
Musius van daar beroepen zijnde/ begaf zich in de voortijd op reis na Holland, zijn oude begunstiger Coquinius hem voorziende van nodig reisgeld/ en een jaarlijkse gifte: hij naam het bestier dezer H. maagden op zich den 12. maart Ao. 1538. 't Geen hij zeer treffelijk bediend heeft in den tijd van 34 jaren en negen maanden.
Deze dag/ als den H. Gregorius de grote, Rooms paus toegewijd/ was hij gewoon jaarlijks te vieren/ als zijn geboortedag met een vrolijke en eerlijke maaltijd onder enige vrienden.
Want hij at zeer gern met vrome/ en voortreffelijke mannen/ bijzonder was hij vermaakt door geleerde 't samenspraken/ en scherpe diepzinnige redenen/hij zelfs zijn gasten verheugende door aangename spreuken/ en aardige boerterien. (boerterien, scherts)
't Was niemand geoorloofd in zijn tegenwoordigheid iemand over den hekel te halen/ of iets te verwijten/ of uit te lappen dat oneerbaar of onbetamelijk was/ maar ernstige jokkernien/ aardige kwinkslagen/ en ontfronste voorhoofden wierden bij hem geleden.
Wanneer hij op straat uitging/ was hij gewoon een ieder zeer minnelijk en beleefd te groeten/ onderwijle zeer deftig met zijn tabberd omhangen/ voortgaande.
Sijn gedaante en gestalte sijnes Lichaams.
Hij was een man van een zeer schoon lang/ en voortreffelijk postuur/ hebbende een sterk en welgemaakt lichaam/ zijn wezen scheen enige strengigheid te verbeelden/ daar echter uitscheen een liefelijke vriendelijkheid/ en een gemeenzaamheid die ieder aangenaam voorkwam.
Gij zou gezworen hebben dat Pallas (en waarom zouden wij van deze doorluchtige dichter niet mogen spreken op een poëtische wijze?) met de gratiën van zanggodinnen hadden bezig geweest om hem toe te stellen.
Sijn Godvruchtigheid.
Maar komende in de kerken/ zo vertoonde hij een grote godvruchtigheid/ en een uitnemende eerbiedigheid.
Bijzonder als hij predikte/ of bezig was in de H. dingen.
De religieuze en de H. dingen hield hij ook in groter eerbied.
Wanneer hij verstond dat het lichaam van den H. vader/ en zalige Clemens Willebrordus was berustende in het Eptenakenenser klooster eertijds van hem opgericht/ zo had hij voorgenomen uit godsdienst derwaarts te reizen/ maar afgeschrikt door de lang/ en zwarigheid van de reis/ en de ongemakken des ouderdom/ zo zocht hij door een veers enige overblijfselen daarvan te verkrijgen door zijnen Honæs.
Maar wanneer Honæs onder veel voorwendingen door een brief in plaats van der H. asse hem een gouden penning met het afbeeldsel van een der oude Roomse Keizers, daar ter plaatse gevonden/ toezond/ zo klaagde hij/ dat hem dove kolen voor een schat waren toegezonden.
P. Opmeer, vereert Musius, een zeer out Missaal.
-121-
ik bracht hem eens een oud misboek, waarlijk eerwaardig door desselfs ouderdom/ uit het klooster van den H. Werenfridus vier mijlen van Medemblik gelegen/ mij vandaar toegezonden/ dat gezeid wierd van den H. Odulphus gebruikt te zijn/ in 't volbrengen/ der H. misse.
Jemi!
Met wat blijdschap ontving hij dit boek!
Hoe menigmaal kuste hij dat!
Wat was hij daarmede in zijn schik!
Den godvruchtige oude man schreide van blijdschap/ en ontving met groter eerbied de eenvoudigheid dier ruwe eeuw.
Wanneer hem eens vertoond wierden de brieven van Paus Pius de V. door welke hij Margareta ven Arenberg vertroostende over het afsterven van haar gemaal Johan de Ligne, die hij zeide overleden te zijn als een dapper krijgsheld/ en martelaar Christi; zo zeide hij/ O waarlijk het ambt van een godvruchtig Paus, zo Christelijke godvruchtige weduwen te troosten.
Out GebedeBoek van Willem Rooms Koning.
Over enige jaren had hij eens te leen ontvangen het boek der dagelijkse gebeden van Willem Rooms Koning, eertijds Graaf van Holland, door Alexander van Oosterom overste van het St. Urselen vrouwen klooster te Kuilenburg, 't geen hij niet alleen liet uitschrijven/ en versieren met schone platen/ verbeeldende dien Koning en desselfs familie
Nicolaus Everardus, Johannes Secundus, Nicolaus Grudius.
Door de zeer vernuftige maagd Elisabetha, dochter van Nicolaus Everardus president voortijds van het hof van Holland, en naderhand van den grote raad binnen Mechelen, eigene zuster van Johannes Secundus, en Nicolaus Grudius doorluchtige Latijnse dichters; maar liet daar en boven na dat exemplaar toestellen de zevendaagse gebeden tot den drie enige God/ enig aan den H. moeder maagd Maria,
-122-
andere aan den H. hoofdman Kornelius, sommige op de voornaamste feestdagen der katholieke kerk, in schone veerzen door hem beschreven; daarbij voegende een bundelke zijner gebeden.
Ook hield hij in grote waarde het afbeeldsel van den gekruiste zaligmaker, door Erasmus niet onaardig gedaan/ wanneer hij in zijn jongelingschap zich bevond in 't klooster der kanunniken van den regel der Augustijnen binnen Gouda, daar dit volgende veers met Goude letteren onder geschreven was/ door Musius gemaakt.
Hæc Desiderius (ne spernas) pinxit Erasmus,
Olim in Steynco quando latebat agro.
Het hout van `t kruis in Waerde.
Maar bovenal hield hij in grote waarde met bijzondere godsdienstigheid een stukje hout van het H. kruis/ in een goud kruis ingesloten/ eertijds bewaard in het klooster van Egmond,
Nicolaus a terranova.
't geen hem tot een Vereering was toegezonden door Nicolaus Terranova, eerste bisschop van Haarlem in den jare 1563.
Want dit ontvangen hebbende op den 10. april, des daags na den goede vrijdag/ zo vertoonde hij dat onder den H. dienst.
Opzingende (als na gewoonte)
Aanschouw dit hout des kruises, 't geen nagelaten is als een teken tegen zijn wederstrevers.
Ook heeft hij na de wijze van Paulinus Nolanus verscheidene veerzen gemaakt op dit kruis/ als een krachtig hulpmiddel van dit tegenwoordige/ en een onderpand van het toekomende leven.
Van welke ook een distichon is in 't licht gekomen/ lerende wat men moet aanbidden in het ware kruishout des heren.
Insgelijks heeft hij veel gedichten gemaakt op godsdienstige zaken/ bijzonder opdat groot en heerlijk altaarwerk in de kerk van den H. Hippolitus, na de Dorische wijze opgebouwd/
-123-
en met kostelijk marmersteen versierd; daar eertijds alle liefhebbers van de bouwkunde na toe reisden/ omdat te bezichtigen.
't Gedenkt mij nog/ dat wanneer wij dit Delftse wonder met aandacht eens kwamen te beschouwen/ hij ons dit navolgende veers mede deelde.
Musius Vers op 't Altaar cieraad, in de oude Kerk te Delft.
Hoc opus augustum diverso ex marmore pulchre
Perfectum, ut nusquam cultius invenias.
Alter Praxiteles, fi non illustrior illo est.
Delphus aqud Delphos Thethrodius statuit.
Alhoewel hij een zeer diepe rust genoot/ zo was hij echter nooit ledig altoos iets lezende/ of schrijvende/ 't geen strekte tot vordering der godzaligheid.
Dus heeft hij verscheidene psalmen van David in schone veerzen overgezet/ ook veel H. liederen 't samengesteld op H. martelaars en bloedgetuigen van Jezus Christus.
Petrus Musius.
Onder welke/ waardig te lezen/ ik nog onlangs gezien heb een op den H: Sthephanus eerste martelaar, aan zijn schoonbroeder Sthephanus opgedragen/ en nog een ander op den H. Dominicus, zijn eigen broeder Petrus Musius een monnik van der Predikheren orde toegeëigend.
Adamus SanctoVictore Thomas Aqûinas, St. Bonaventura Bisschop van Albaans.
Want hij wist zich wonderlijk te vermaken in veerzen/ en bovenal dat die in de klank van woorden overeen kwamen.
Dusdanige wijze van schrijven hebben in de voorgaande eeuwen gebruikt Adamus a Sancto Victore, den zalige Thomas Aquinas, St. Bonaventura Bisschop van Alba, nevens nog andere dichters van de H. liederen dier eeuw.
Musi lof der Eenzaamheid.
In navolging dezer mannen/ zo heeft hij de eenzaamheid, of het monniken leven zeer geprezen/ en een waarachtig monnik na het leven beschreven.
-124-
want hij oordeelde dat de rijen der H. monniken, en maagden moest geacht worden als een kostelijke steen/ en bloem onder de kerkelijke sieraden/ geenszins gelovende dat eniger misdrijf of geveinsdheid/ al hoewel hij die menigmaal beproefd had/ den godsdienst kon benadelen.
Hadrianus Junius. MD tot Hoorn.
Daar en boven/ als hij deze zijn veerzen van de lof der eenzaamheid/ en andere voornemens was te laten drukken door Christoffel Plantijn, zo zond hij die eerst aan Hadrianus Junius een voortreffelijk geneesheer van Hoorn, en een doorluchtig poëet/ om die te overlezen/ en te verbeteren daar het enigszins nodig was; hem tegelijk nevens een dicht tot zijner eer toezendende tot een verering een schone oude penning/ verbeeldende het rechte wezen van den vermaarde dichter P. Virgilius Maro.
(Want hij was een groot liefhebber van dusdanige aloude penningen/ en had een grote menigte van die bij zich.)
Musius een Liefhebber van oude Medalien.
Maar wanneer hij naderhand vernam dat deze man niet rechtzinnig was van gevoelen omtrent het stuk van de godsdienst/ en om buit gewin de ketters blijde/ zo haatte hij hem heimelijk wegens zijn bedorven en verkeerd verstand.
Musi Vers op de Essigie van de Martelaar, J. Fisscher Bisschop.
Wanneer hij ook vernam dat Junius een veers had gemaakt onder het afbeeldsel van den doorluchtige martelaar Johannes Fisscher Bisschop eertijds Rochester, bij Philips Gallæus gesneden en uitgegeven/ daar de gedachtenis van deze grote man schandelijk in wierd gebrandmerkt/ zo heeft hij dat gewroken door het toestellen van een ander veers/ daar deze H. martelaar treffelijk in verdedigd wordt.
dusdanig was ook zijn gemoed gesteld in opzicht van Johannes Sartorius Grammatist, en Perrejus Tiara een kundig geneesheer/ en enige ander/ welkers geleerdheid hij wel hogelijk prees/ maar haar dwalingen hertelijk beklaagde.
-125-
ook heeft hij nooit openbare twist of onenigheid met iemand gehad/ maar door gedienstigheid alle mensen aan zich verplicht/ en daardoor tot vrienden gemaakt.
Geleerde Mannen Guilelm us, Lindanus, Franciscus Sonnius, Nicolaus a Castro, Antonius Honæus, Ruard Tapper, Hermanus Lerhmanatius, Lodocusa Ravenstein, Gerardus Moringus, Georgius Macropedius.
Onder zijn voornaamste en bijzondere vrienden heeft hij ondervonden Guiljelmus Lindanus, Franciscus Sonnius, en Nicolaus a Castro Bisschoppen van Rurmonde, Antwerpen en Middelburg.
Antonius Honæus abt van het Heptanicrenser klooster/ Prins van het H. Roomserijk ; Ruwaard tapper zijn oude patroon: Hermanus Lethmatius, en Jodocus van Ravenstein, voortreffelijke godgeleerden.
Gerardus Moringus van Bommel , een welsprekend historieschrijver/ Georgius Macropedius, en Livinus Bregt, den één een voortreffelijk blijspel/ en den ander een groot treurdichter.
Levinus Bregt Cornelius Crocus Nicolaus Kannius.
Insgelijks Kornelius Crocus en Nicolaus Cannius, mijn zeer lofweerdige leermeester.
Waarvan gene/ wegens de heiligheid zijnes levens/ en voortreffelijke kennis in de Latijnse taal binnen Rome vereerd zijnde/ is aangeschreven in 't gezelschap der paters Jezuïeten, el aldaar overleden.
En deze door zijn veerdigheid in 't schrijven/ en genoeglijk humeur Erasmus wel geleek/ wiens schrijver en kopiist hij geweest is.
Petrus Nannius.
Daar benevens Petrus Nannius professor der Latijnse taal in 't Buslidiaansche College, die hem heeft opgedragen zijn Dialogismen van de H. Agata en Lucia, en ook ter zijner bede heeft beschreven zijn aantekeningen van de doorluchtige Kornelien.
Justus Velsius.
Deze geeft genoegzaam te kennen/ in wat achting en eerbied hij desselfs oordeel en vernuftheid/ in zekere brief die hij aan hem schreef den 25. maart 1542 (wanneer hij veel te doen had/ en zware lastering moest verdragen van ene Justus Velsius, een geneesheer in 's Gravenhage met deze woorden.
Brief van Nannius aan C. Musius.
-126-
Daar is hier ter plaats enen meer als Thraso, die naar mijn ambt haakt, maar in zijn hoop bedrogen, dewijl ik hier blijf, enige ongeleerde boeven heeft opgemaakt, die schempdichten van mij uitstrooien, bijna van deze inhoud, alsof ik gerechtig van den bisschop verlaten was.
Ik verzoek zeer ernstig dat gij door enig veers of brief gelieft te schrijven, wat gij van mijn werken gevoeld.
Gij weet niet hoezeer ik u oordeel hierin begeer, als van een zeer wijs en geleerd man.
Hetzelve zal ik ook zeer hertelijk verzoeken van den zeer geleerde man Petrus mensius, zo de postbode mij maar genoegzame tijd vergunt, of zo mij dat door desselfs onbeleefdheid werd geweigerd, zo verzoek ik dat gij hem zulks te kennen geeft.
't Geen gij lieden schrijft, zal ik bezorgen dat gedrukt werd.
Weshalve ik van u eerwaarde verzoeke een geschrift, waardig u geleerdheid.
Gelieft echter te ontveinzen, dat ik dit van u lieden kom te verzoeken.
Schrijft bid ik u doch vrijmoedig en openhertig, en onderzoekt ons doen, niet na liefde maar waarheid.
Vaart wel zeer geleerde man, en waardig dat gij na de Muzen Musius genaamd werd.
Maximiliaan van Borgongie, Cornelius Susius, Arnoldus Sasbout, Splinterus ab Oosterwijk, Damianus a Goet, Balduinus Jacobi, Petrus Mensius.
Maar al deze vrienden van Musius, die ik daar heb opgeteld/ zijn alle kerkelijke en geestelijke personen geweest.
Onder de wereldse/ die de regering van het land was aanbevolen/ zijn wel de voornaamste geweest den heer Maximiliaan van Bourgondië Markies van Veere, en den president Suis, van welke ik niet weet wie den andere met groter drift beminde.
Arnoldus Sasbout nog onlangs van Kanselier van Gelderland geworden President van den geheime raad van Philips de II. van Oostenrijk Katholieke Koning van Spanje.
Splinterus ab Oosterwijk, en Damianus A Goes doorluchtiger ridders.
Balduinus Jacobii van Dort, voortreffelijke raadsheer in den grote raad van Mechelen.
Petrus Manchicortius.
Petrus Mensius een goed dichter en rechtsgeleerde/ Petrus Manchicortius, met wie hij al van overlang in Frankrijk vriendschap had onderhouden -
Beide zeer ervaren in de zangkunde, ten gevalle van deze heeft Cornelius Centurio een Antiphone van vijf stemmen toegesteld/ en van Doornik, daar hij voorzanger was/ aan Musius die toegezonden en vereerd.
Musiek Liederen op 't Lijden ons Heeren Nicolaus Novaterranus, Biss.
Mensius heeft daar benevens de Liturgie/ geestelijke liederen/ en veerzen/ behelzende de passie en het kruis van onze zaligmaker Christus, de smerten en tranen der H. moeder maagd Maria op noten gesteld.
Die den godvruchtige Musius eertijds had 't samengesteld tot het gebruik en gerief van het koor van Delft.
Welker gebruik in de kerk Nicolaus Novaterranus doenmaals Bisschop van Hebron heeft goedgekeurd/ die uit de rijke schat der kerken aflaat en indulgentiën van 40. dagen heeft verleend aan de boetvaardige/ die dezelve godsdienstig zouden lezen / of opzingen.
Deze alle/ met nog veel andere/ heeft hij levendig met zijn lof veerzen verheerlijkt/ of overleden met zijn lijk gezangen betreurd/ en vereerd.
Martinus Duncanus Paulus Theodorici Johannes Bollius.
Daar en boven heeft hij nog verscheidene burgers door een nauwe band van vriendschap aan zich verknocht gehad/ namendlijk Martinus Dunganus, en Paulus Tapheus zeer naarstige herders der kerk.
Simon Dirksz zoon zijn tijdsgenoot/ en Johannes Bollius van Leuven/ zeer vermaarde priesters en biechtvaders/ en over waardig/ dat een/ als een H. Cyprianus gelijk/ in deze bittere vervolging haar vertrooste: dewijl Bollius kan vertonen lijdtekenen van wrede wonden.
Michael Dodanus overste der nonnen van St. Barbera, daar Maximiliaan Mark Graaf van ter Veer grotelijks zich mee vermaakte/ hem plegende te noemen den vader der boersheid.
Petrus Sasbout Joh. En Jacobus Heuterus.
-128-
Insgelijks Jodocus Hendrikse, Petrus Sasbout, Johannes en Jacobus Heuterus gebroeders/ zeer vrome ne voortreffelijke mannen/ en veel uit die/ welke eertijds hem trouwelijk gediend hadden.
Want deze alle/ behalve een of twee/ zijn door de gewone graden volgens zijn raad tot de priesterlijke waardigheid geraakt.
Petrus Opmeer van Amsterdam.
Ook pleeg hij Petrus Opmeer een Amsterdammer onder het getal zijner vrienden te rekenen/ die zijn vriend niet geworden was door een slaafse en gezochte dienst/ maar door mede deel genootschap der liberale kunsten, en ware godsdienst.
Welke die maar alleen hierin wijs is meer geloof geeft/ dan aan enige vriend/ of bloedverwantschap.
Cornelia van Adrichem een Godvruchtige en geleerd Bagijntje maakt haar eigen GrafSchrift.
Ook had hij grote genegenheid/ en maakte veel werk van sommige nonnen, zo anders enige kennis of geleerdheid in haar uitblonk.
Onder deze was Kornelia van Adrichem, een Bagijn in de Beverwijk bij de Kennemers van de orde des H. Augustijns, doorluchtig wegens haar Adellijke afkomst/ en kennis der voortreffelijke dichtkunst/ welker vernuft en wetenschap in die kunst genoegzaam is te kennen en te verwonderen uit dit kleine grafschrift/ 't geen zij stervende gewild heeft/ dat men op haar graf zou stellen/ zijnde van deze inhoud.
Corpus humo, Superis animan Cornelia condo.
Pulverulenta caro vemibus esca datur.
Non Lachrymas, non fingultus, tris triftesque Que-relas,
SedChristo oblatas nunc precor umbra preces.
Hij hield ook in groter weerde enige voortreffelijke schilders en plaatsnijders, als Guiljelmus Tethrodius, en Augustijn Lorisse Delvenaars.
Vermaarde Schilders Guiljelmus Tethrodius Augustinus Georgius, Antonius Bloklandius, Petrus Langus, Martinus Heemskerkius.
-129-
Antonius Blokland van Montfoort, Petrus Langus Amsterdammer, en die bijzonder daar onder was te tellen Martinus Heemskerkius een Kennemer, derwijl hij zeer veel taferelen in dit klooster van St. Aagten had geschilderd/ en wel bijzonder die op het hoogaltaar/ 't geen Colmannus aan dit klooster gelegateerd/ maar Musius had opgerecht.
Philippus Gallæus Plaatsnijder.
Deze had nog twee jaar voor het overlijden van Musius, desselfs afbeeldsel zeer treffelijk geschilderd/ en bezorgd/ dat het door Philippus Gallæus op een zilveren plaat wierd gesneden/ 't geen hij hem van Haarlem zond tot een verering.
Op deze plaat heeft Musius dit navolgende dichtkunst laten snijden.
Vita septeno decies Cornelius anno
Musius integro corpore talis eram.
Deugden vanMusius.
Voor het overige niemand moet zich verwonderen dat hij zo veel vrienden gehad heeft: bijzonder daar zijn liefelijke zeden/ heldhaftige deugden/ mildadigheid/ herbergzaamheid/ en 's mans zachtmoedigheid ieder bekend waren.
Hy vergat de Herberg en mededeelzaamheid niet Hebr. 13.
Want de treffelijke huizing/ en wijdlustige plaats die hij bewoonde/ mocht met recht genaamd worden de verblijfsplaats der Edelen, en herberg der vrienden.
Dus was hij een doodsvijand van alle gebreken/ en bijzonder der gierigheid, als een wortel alles kwaads/ die gemeenlijk de vromigheid/ goede trouw/ en alle andere goede deugden/ en voortreffelijke kunsten pleeg omver te werpen.
Hij was milddadig omtrent arme en gebrekkelijke mensen/ en zeer rechtmatig omtrent de huisluiden/ die de landen van het St. Aagten Convent bebouwden/ menigmaal gewoon de kostelijke landerijen goedkoop te verhuren.
Vincentius Sparwoudanus.
Op zekere tijd eens begiftigd met een priesterschap in Waals Brabant (de plaats werd Ettenhoma genaamd) gaf hij die aanstonds over aan een priester van geringe conditie Vincentius Sparenwoudanus wilde hem eens bij uiterste wille universeel erfgenaam maken van alle zijn goederen/ maar hij antwoordde die erfenis niet te willen aanvaarden.
Een Vroom en seer Rijk Priester Musius Een Erfenis bekomende, geeft het aan denArmen.
-130-
als echter Vincentius zijn voortreffelijke hymne zang voor zijn gebruik had gelegateerd/ zo heeft Musius, die aanstonds na zijn overlijden doen verkopen/ en de prijs verdeeld aan de meesters van de oude kerk/ en de regenten der gast/ en weeshuizen/ niets voor zich behoudende.
Vereerd 70 SilvereBekers, aan sijn Nonnetjes. Anna Bergensis Weduwe.
En waarlijk is het niet een bewijs van loffelijke waardigheid/ of veeleer een teken van loffelijke mildadigheid/ of veeleer een teken van koninklijke liberaalheid / dat wanneer hij voor de laatste maal zijnde in Brabant geweest/ om zijn oude vrienden daar te bezoeken/ vandaar bracht 70. zilveren bekers, ieder een mark zwaar/ en ieder zijner nonnetjes een daarvan vererende tot een nieuwjaarsgift, die doende omdelen door Anna van den Berg, weduwe van den doorluchtige Grave van Arenberg, en heldhaftige Here van Abbenbroek, die een brave reden in deze gelegenheid voerde,
Onderwijle is het met geen woorden uit te drukken/ hoedanig hij de nonnen, bereids grotelijks aan hem verplicht/ door deze gift nog meer aan hem verbond.
Want gelijk hij haar alle een vaderlijke genegenheid toedroeg/ zo waren zij gewoon alleen op hem te zien/ en haar leven te schikken na zijn voorbeeld.
Want zij allen waren van dat verstand/ dat men de rijkdommen van haar klooster niet moest aanleggen tot gemeen gemak maar tot heil van het algemeen.
De Nonnetjes van 't Klooster Waren een Hert en een Ziel, alles gemeen.
Ik geloof niet dat Paula en Eustochium, die Hieronymus tot haar Rector hadden/ voortreffelijker in een klooster geleefd hebben.
Nademaal de woorden/ van dit is mijn, en dat is dijn, die Plato verderfelijk oordeelde voor het gemenebest/ daar niet gehoord wierden: maar alles was onder haar gemeen/ van gelijken de klederen/ gebedenboeken/ lepels vorken en messen/en nog minder dingen.
Musius van alle menschen gelieft en bemint.
-131-
om deze voortreffelijke huishouding onder de maagden, en recht kloosterlijk leven wierd Musius van ieder ten hoogste gezien/ en geacht boven anderen wijs te zijn/ en scherpzinnig toekomende dingen te kunnen voorzien.
Maar hoe hij meer geacht/ en groter gehouden wierd/ hoe hij des te nederiger van zichzelf gevoelde/ alles toeeigenende tot lof en glorie van God.
't Geen hij door het veranderen van zijn Symbolum of devies genoegzaam te kennen gaf.
Want dewijl hij in zijn jonge jaren tot zijn devies gebruikt had deze spreuk Non sine fato, niet zonder het noodlot
Zo veranderde hij dat in zijn laatste en aangaande ouderdom in deze woorden Non sine Christo, niet zonder Christus.
Dewijl hij nu overal wierd geprezen door de veerzen en lofuitingen van alle geleerde mannen;
Musius maakt een Vers onder zijn Afbeeldsel.
Zo is 't dat zijn afbeeldsel geplaatst zijnde volgens zijn rang onder de oversten van het St. Aagten Convent op de tiende plaats/ in de kapel van de kerk dezes klooster/ ieder versierd met kostelijke veerzen/ hij onder zijn portret deze navolgende veerzen/ bij hem zelf gemaakt heeft laten stellen.
At forte quæras, Lector, iste Musius
Dum viveret Cornelius, Qualis suit.
Bonas amavit atque Sacras Litteras,
Castamque non abhorruit poeticen.
Nil addo. Nam damnare se publice
Aut prædicare neminem, ut reor, decet.
Ook verachtede hij niemand/ van hoe geringe conditie die ook zijn mocht/ als die anderszins maar eerlijk/ en met geen schelmstukken besmet was.
Hoe grote vijand dat hij was van de ketterijen/ en hoe smertelijk hem gevallen is de slof en nalatigheid der edelen en regenten van Holland
De Troubelen van 't Vaderland Smerten hem geweldig.
-132-
in die oproerige tijden/ dewijl zij ongevoelig dat kwaad in haar Provinciën lieten insluipen/ dat zelve heeft hij genoegzaam te kennen gegeven en geklaagd aan zijn boezem vrienden/ en bijzonder aan Antonius Honæus in zekere brief/ die nog voor handen is.
Dit Quaat heeft Musius al lang Voorseit. Jacobus Goudanus.
Ook zijn der geweest/ die geloof hebben dat Musius enigszins is aangedaan geweest met een profetische geest, niet tegenstaande hij dat heeft zoeken verborgen te houden/ als gebleken is uit zeker veers/ te lang om hier te stellen/ bij hem gemaakt in 't jaar 1557. op het afsterven van den voortreffelijke man Jacobus Goudanus, zeer waardig en neerstig pastoor van St. Hippoliti kerk, nevens vijf deftige kapellanen/ zijn mede broederen/ doenmaals door de pest/ de stad Delft en desselfs inwoners zeer heftig bezoekende/ zeer schielijk weggerukt/ daar hij gewag maakt van een honger na Gods woord, en meer andere zwarigheden/ die naderhand de stad van Delft en gans Holland zijn overgekomen.
Musius voorseit sijn Marteldom.
Daar en boven wanneer het onweer deze bittere vervolging begon te ontsteken/ zo was hij gewoon menigmaal tegen zijn gemeenzame vrienden te zeggen/ dat hij volgens zijn wens voormaals gedaan/ tot het marteldom wel geschikt wierd/ maar dat hij in zijn gemoed bevreesd was/ als hij overdacht de smerten/ die dusdanige dood noodwendig voorgingen.
Opmerius heeft mij verhaald; dat het een gewoonte was onder de voornaamste dier stad/ dat zij dagelijks tegen den avond bij malkander bijeen kwamen/ en na het zingen der lofzangen/ en het storten der gebeden tot God en de moeder maagd/ ieder te voorschijn bracht/ 't geen hij nieuws wist of gehoord had/ dat hij op zekere tijd/ Musius zittende te peinzen en te zuchten/ had afgevraagd/ wat wel ernstig zijn gedachten waren
Musius was welgemoet, in Gods wil.
-133-
Van dit onweer der vervolging/ en dat hij/ niet wel gemoed zijnde/ daarop antwoordde met de woorden van den H. Arhanasius (die deze eertijds gebruikte van de vervolging van Julianus) 't is wel een nevel, die haast zal overdrijven.
Maar nog zo haast niet, goede man zeide hij, als gij wel vermoed.
't Geen de uitkomst genoegzaam geleerd heeft.
*******
|